Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR757141
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR757141/1
Integrale Verordening Sociaal Domein Zuidplas 2026
Geldend van 28-02-2026 t/m heden
Intitulé
Integrale Verordening Sociaal Domein Zuidplas 2026Inleiding en leeswijzer
Inleiding
De gemeente hecht er belang aan dat de hulpvraag van de inwoner zo volledig mogelijk wordt behandeld. Dit komt tot uiting in de integrale verordening, met als vertrekpunt: ‘één gezin, één plan, één regisseur’. De vraag van de inwoner staat centraal, waarbij wordt gezocht naar maatwerk en verbinding op het sociale domein. Daar waar het praktisch mogelijk is, wordt de wijze van toegang en behandeling van de hulpvraag in het kader van de Jeugdwet en Wmo identiek. Voor de hulpvragen waarbij de toegang en het werkproces apart zijn georganiseerd (bijv. Leerlingenvervoer) wordt er gewerkt vanuit de gedachte om de inwoner zoveel mogelijk integraal te ondersteunen.
Inwoners die zich met hulpvragen bij de gemeente melden, kunnen van de gemeente verwachten dat zij goed onderzoek verricht en dat dit onderzoek in goede samenspraak met de inwoners om wie het gaat uitgevoerd wordt. Ongeacht de hulpvraag en waar deze in de organisatie terecht komt, kijken we breder naar de andere leefdomeinen als daar aanleiding voor is.
Leeswijzer
De verordening start met het integrale deel voor Jeugd, Wmo en het Leerlingenvervoer. Dit zijn de hoofdstukken 1 en 2. Hierna volgen de specifieke bepalingen voor Jeugd en Wmo (hoofdstuk 3), het persoonsgebonden budget (hoofdstuk 4) en Leerlingenvervoer (hoofdstuk 5). Aansluitend op hoofdstuk 5 volgen er nog drie hoofdstukken die weer integraal voor zowel Jeugd, Wmo als Leerlingenvervoer gelden.
Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen
Artikel 1. Begrippen en afkortingen
- a.
Algemeen gebruikelijke voorziening:
zaak of dienst die normaal in de handel te krijgen is; niet speciaal voor mensen met een beperking is ontworpen; niet aanzienlijk duurder is dan een vergelijkbaar product met hetzelfde doel; daadwerkelijk beschikbaar is; een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau;
- b.
Algemene voorziening:
aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op het versterken van maatschappelijke ondersteuning (artikel 1.1.1, eerste lid van de Wmo 2015), zelfredzaamheid en participatie of opvang;
- c.
Beperking:
objectief vastgestelde stoornis of conditie in lichamelijke, zintuiglijke, psychische of verstandelijke zin, die een normaal maatschappelijk functioneren van de cliënt belemmert en/of nadelige sociale gevolgen met zich meebrengt;
- d.
Cliënt:
cliënt als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wmo 2015 of de jeugdige of ouder die aanspraak maakt op jeugdhulp, als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet;
- e.
Dienstverlening:
jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning die een persoon, instantie of onderneming biedt aan een cliënt, anders dan in de vorm van vervoer, woonvoorzieningen of hulpmiddelen;
- f.
Eigen bijdrage:
financiële bijdrage van de cliënt als bedoeld in artikel 2.1.4a van de Wmo 2015. Cliënt is geen eigen bijdrage verschuldigd voor rolstoelen, een woningaanpassing ten behoeve van een minderjarige en voorzieningen op grond van de Jeugdwet;
- g.
Gebruikelijke hulp:
de normale, dagelijkse zorg, toezicht, begeleiding en stimulering die partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden, omdat zij samen een duurzaam huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden en voor elkaar;
- h.
Hulpvraag:
behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015 of behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, waarbij de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid van de Jeugdwet;
- i.
Inwoner:
iemand die in de gemeente Zuidplas staat ingeschreven in de Basisregistratie personen (Brp), dan wel in de gemeente Zuidplas zijn hoofdverblijf heeft.
- j.
Individuele voorziening:
op de jeugdige of zijn ouders toegesneden voorziening voor jeugdhulp als bedoeld in de Jeugdwet, door het college verstrekt in natura of bij pgb.
- k.
- l.
Maatwerkvoorziening:
op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen als bedoeld in de Wmo 2015 en Jeugdwet;
- m.
Machtiging gesloten jeugdhulp:
een door de kinderrechter genomen beslissing (beschikking) om een jeugdige in een gesloten instelling te plaatsen;
- n.
Mantelzorg:
hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Zvw), die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;
- o.
Melding:
melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, als bedoeld in artikel 2.3.2, van de Wmo 2015, of de aanvraag voor jeugdhulp;
- p.
Onafhankelijk cliëntondersteuning:
gratis en onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen/de diverse levensdomeinen van personen;
- q.
Ondersteuningsplan:
het onderdeel van het ondersteuningsverslag dat de weergave bevat van de adviezen, verwijzingen en afspraken die met de cliënt zijn gemaakt naar aanleiding van zijn melding op grond van de Wmo 2015 of het hulpverleningsplan als bedoeld in artikel 1.1, van de Jeugdwet dat door het college is gemaakt naar aanleiding van het onderzoek, waaronder tevens wordt verstaan het niet inhoudelijk gevulde ondersteuningsplan in geval van weigering van de ondersteuning;
- r.
Onderzoek:
het onderzoek dat de gemeente uitvoert naar aanleiding van een hulpvraag om te bekijken wat de situatie is van degene die hulp vraagt en te bepalen welke ondersteuningsbehoefte hieruit voortvloeit;
- s.
Persoonsgebonden budget (pgb):
persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 of artikel 8.1.1 van de Jeugdwet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een cliënt, dat deze in staat stelt de geïndiceerde hulp van derden te betrekken;
- t.
Sociaal netwerk:
een groep van mensen waarmee de cliënt duurzame banden onderhoudt en waarbij sprake is van verbondenheid. Personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt;
- u.
Vertegenwoordiger (gemachtigde of wettelijk vertegenwoordiger):
persoon of rechtspersoon die een aanvraag namens de cliënt mag indienen of namens hem mag handelen in relatie tot de verleende hulp/zorgverlening;
- v.
Vervoersdiensten:
Wmo vervoer geregeld door de gemeente, zoals het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer.
- w.
Vervoersvoorzieningen:
hulpmiddelen voor het verplaatsen, te denken aan scootmobiel, driewielfiets etc
- x.
Voorliggende voorziening:
een algemene voorziening of andere voorziening waarmee geheel of gedeeltelijk aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen en waardoor het toekennen van een maatwerkvoorziening achterwege kan blijven, omdat de cliënt de ondervonden problemen met die voorziening op eigen kracht kan oplossen;
- y.
Wmo 2015:
- z.
Zorg in Natura (ZIN):
een voorziening in de vorm van goederen in (bruik)leen, in eigendom, persoonlijke dienstverlening, beschermd wonen of opvang om de zelfredzaamheid of participatie van een ingezetene te verbeteren of te voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang.
NB: waar in de verordening gebruik wordt gemaakt van hij/zijn, wordt ook bedoeld zij/haar/hen.
Hoofdstuk 2: Integrale benadering
Artikel 2. Toegang tot ondersteuning
-
1. Het college zorgt er in ieder geval voor dat inwoners die daar om verzoeken:
- a.
kosteloos en op laagdrempelige wijze worden ondersteund bij het verhelderen van een mogelijke ondersteuningsbehoefte;
- b.
kosteloos worden voorzien van relevante informatie in begrijpelijke vorm ten aanzien van:
- 1°.
het gemeentelijk beleid en de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de wettelijke taken in het sociaal domein, en
- 2°.
hoe de toegang tot de diverse voorzieningen is georganiseerd;
- 1°.
- c.
worden doorverwezen en –geleid naar de passende instanties voor verdere ondersteuning, en
- d.
dat degene die een melding, aanvraag of verzoek indient wordt gewezen op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning.
- a.
-
2. In het kader van de uitvoering van het eerste lid vindt geen verwerking van persoonsgegevens plaats. Op verzoek van betrokkene kunnen de relevante bevindingen op schrift worden gesteld en aan hem of haar ter beschikking worden gesteld.
Artikel 3. Melding hulpvraag
-
1. Eenieder kan zich met een hulpvraag voor zichzelf of voor een ander, telefonisch of met een schriftelijke aanmelding/verwijzing richten tot het college, mits de hulpvraag een inwoner van Zuidplas betreft.
-
2. Het college maakt met de inwoner een afspraak voor een gesprek, zoals bedoeld in artikel 6 en bevestigt deze schriftelijk.
-
3. Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure. Als de hulpvraag een minderjarige betreft informeert het college de jeugdige en/of zijn ouders.
-
4. Het college brengt de inwoner op de hoogte van de mogelijkheid om een eigen plan / familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1, van de Jeugdwet op te stellen en stelt hen gedurende twee weken na de aanvraag in de gelegenheid het plan te overhandigen. Als de jeugdige en/of zijn ouder(s) daarom verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van het familiegroepsplan.
-
5. Lid 1 tot en met 4 zijn niet van toepassing op een aanvraag leerlingenvervoer. Een aanvraag hiervoor loopt volgens de procedure genoemd in hoofdstuk 5.
Artikel 4. Spoedeisende ondersteuning
Het college kan in spoedeisende gevallen, daaronder begrepen de gevallen waarin opvang noodzakelijk is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, na een melding besluiten om onverwijld en zo nodig ambtshalve, een (tijdelijke) maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, bedoeld in artikel 6 of de aanvraag van cliënt. Indien er sprake is van spoedeisende jeugdhulp, treft het college zo spoedig mogelijk een passende (tijdelijke) voorziening en vraagt het college zo nodig een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.3, juncto artikel 6.1.8, van de Jeugdwet.
Artikel 5. Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon
-
1. Het college zorgt ervoor dat cliënten een beroep kunnen doen op kosteloze en onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is.
-
2. Het college zorgt ervoor dat de jeugdige, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon als bedoeld in de Jeugdwet.
-
3. Het college of de uitvoerende organisatie wijst de cliënt en mantelzorger voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning of, indien van toepassing, een onafhankelijke vertrouwenspersoon.
Artikel 6. Het onderzoek en het gesprek naar aanleiding van een melding/aanvraag
-
1. Het onderzoek start met het voeren van een gesprek met cliënt, en/of diens vertegenwoordiger/gemachtigde, mantelzorger en indien de client dit wenst, familie of iemand uit het eigen netwerk van de cliënt.
-
2. Het college stelt de identiteit vast van alle bij het gesprek aanwezigen aan de hand van een door hen ter inzage verstrekt document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.
-
3. In het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, komen in ieder geval de volgende onderwerpen aan de orde:
- a.
de behoefte, persoonskenmerken, beperkingen, veiligheid, ontwikkeling, gezinssituatie, het probleem of hulpvraag en de voorkeuren van de cliënt;
- b.
in het kader van jeugdhulp: welke hulp naar aard en omvang nodig is om rekening houdend met leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren.
- c.
de mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of andere personen uit het sociale netwerk, zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan hulp en ondersteuning, beschermd wonen of opvang;
- d.
de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt.
- e.
voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn: de mogelijkheden om met gebruikmaking van een voorliggende-, algemene- of algemeen gebruikelijke voorzieningen te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie;
- f.
de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg, alsmede partijen op bijvoorbeeld het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid;
- g.
de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken.
- h.
de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een persoonsgebonden budget, waarbij de cliënt wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.
- i.
welke bijdragen in de kosten de cliënt verschuldigd zal zijn.
- a.
-
4. Naast het gesprek kan gebruik worden gemaakt van (een combinatie van) de volgende onderzoeksmethoden:
- a.
Dossieronderzoek;
- b.
Een aanvullend gesprek;
- c.
Telefonisch onderzoek;
- d.
Inschakelen externe deskundige;
- e.
Inwinnen van informatie met toestemming van de cliënt bij behandelaars, zorgverleners, familie en/of overige externe partijen;
- f.
Overige onderzoeksmethoden waartoe het college wettelijk bevoegd is.
- a.
-
5. De inwoner kan feitelijke gegevens corrigeren en kan zijn/haar opmerkingen op het ondersteuningsplan kenbaar maken.
-
6. Als de jeugdige en zijn ouders een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet hebben opgesteld, betrekt het college dat als eerste bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.
-
7. Binnen 10 dagen na het gesprek verstrekt het college de cliënt een bondig gespreksverslag met daarin een weergave van de zorgvraag en gemaakte afspraken. Feitelijke onjuistheden in het verslag worden op verzoek van de inwoner gecorrigeerd.
Artikel 7. Tolkkosten
-
1. Indien bij de inzet van hulp sprake is van een onoverbrugbare taalbarrière, wordt van de client en/of het betrokken netwerk verwacht dat zij zelf zorgdragen voor adequate communicatie. Dit kan bijvoorbeeld door het inschakelen van personen uit het eigen netwerk, zoals familieleden, vrienden of andere bekenden die kunnen tolken. Minderjarigen worden hierbij niet geacht te tolken voor hun ouder(s).
-
2. Indien aantoonbaar geen tolk uit het eigen netwerk beschikbaar is én de inzet van een professionele tolk noodzakelijk is voor het kunnen verlenen van passende hulp, kan het college gemotiveerd besluiten af te wijken van het eerste lid. Vergoeding van de kosten voor een professionele tolk is uitsluitend mogelijk in de volgende situaties:
- a.
bij intakegesprekken en diagnostiek;
- b.
in crisissituaties waarin directe inzet van een tolk noodzakelijk is;
- c.
in situaties waarin het ontbreken van een tolk leidt tot aantoonbare risico’s voor de veiligheid.
- a.
-
3. Indien de client verblijft in een opvanglocatie van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) en beschikt over een geldig zorgnummer, worden de kosten voor inzet van een tolk niet door het college vergoed. In deze gevallen vindt vergoeding plaats via het COA.
Artikel 8. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen
-
1. Een maatwerkvoorziening wordt niet verstrekt als naar het oordeel van het college uit het onderzoek blijkt dat de eigen kracht en het probleemoplossend vermogen van de inwoner en/of partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten toereikend zijn om, zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen, de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag.
-
2. Tot het sociale netwerk behoren andere personen binnen de kring van familie, vrienden, kennissen, bekenden die van betekenis zijn voor en kunnen bijdragen aan het welzijn en welbevinden van de inwoner.
-
3. Tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen behoort in elk geval het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering als die is afgesloten.
-
4. Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ten aanzien van jeugdigen, neemt het college, gelet op het bepaalde in de artikelen 1:82 en 1:247 BW, als uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouder(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden, waar nodig met inzet van het eigen netwerk.
-
5. Uit het onderzoek kan blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de inwoner en/of partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten tekortschiet, omdat sprake is van:
- a.
Geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden;
- b.
Een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of
- c.
Overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden geboden totdat deze overbelasting of dreigende overbelasting is opgeheven.
- a.
-
6. Bij de beoordeling van het vijfde lid, onder c, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de partner, ouder(s), inwonende kinderen of andere huisgenoten hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de partner/ouder(s) maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met:
- a.
De behoefte en mogelijkheden van de inwoner;
- b.
De mate van hulp die de inwoner nodig heeft;
- c.
De aard en de duur van de inzet, waarbij als uitgangspunt geldt dat kortdurende inzet van niet langer dan drie maanden in een jaar niet tot overbelasting leidt;
- d.
De planbaarheid van de hulp;
- e.
De benodigde ondersteuningsintensiteit
- f.
De samenstelling van het gezin en de woonsituatie;
- g.
De noodzaak van de partner/ouder(s)/inwonende kinderen om in een inkomen te voorzien en/of onderwijs te volgen.
- a.
Artikel 9. Ondersteuningsplan naar aanleiding van het onderzoek
-
1. Het college stelt na het onderzoek in overleg met de inwoner een ondersteuningsplan op, vanuit het principe één gezin, één plan, één regisseur.
-
2. Het ondersteuningsplan bevat de uitkomsten naar aanleiding van het onderzoek, waarin het college:
- a.
de hulpvraag vaststelt;
- b.
heeft vastgesteld welke problemen ondervonden worden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving;
- c.
in het kader van jeugdhulp: welke hulp naar aard en omvang nodig is om rekening houdend met leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren.
- d.
heeft vastgesteld welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving;
- e.
onderzocht heeft of en in hoeverre eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere mensen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden;
- f.
slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn, een maatwerkvoorziening dient te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet kunnen ontbreken.
- a.
-
3. De inwoner kan feitelijke gegevens corrigeren en kan zijn/haar opmerkingen op het ondersteuningsplan kenbaar maken.
-
4. Als de inwoner van mening is dat hij in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening wordt dit opgenomen in het ondersteuningsplan.
-
5. Indien een client op basis van het opgestelde ondersteuningsplan daadwerkelijk een aanvraag wil indienen, dan dient het ondersteuningsplan ondertekend te worden teruggestuurd. Client kan daarbij kiezen om:
- a.
akkoord te gaan met hetgeen in het ondersteuningsplan wordt geconcludeerd en daarvoor een aanvraag in te dienen, of
- b.
niet akkoord te gaan met hetgeen in het ondersteuningsplan wordt geconcludeerd en een daarvan afwijkende aanvraag in te dienen. Hetgeen client wenst aan te vragen dient dan in het teruggestuurde ondersteuningsplan concreet te worden omschreven.
- a.
Artikel 10: Verstrekken van een maatwerkvoorziening
-
1. Het college besluit een maatwerkvoorziening te verstrekken voor zover in het ondersteuningsplan wordt aangegeven dat de inwoner:
- a.
op eigen kracht met gebruikelijke hulp, of met zijn sociaal netwerk geen oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden, en
- b.
geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een algemene voorziening, en
- c.
met deze voorziening naar het oordeel van het college zelfredzaam wordt of kan participeren, en
- d.
geen gebruik kan maken van een voorziening die algemeen gebruikelijk of voorliggend is.
- a.
-
2. Het college houdt bij het bepalen welke voorziening en/of ondersteuning het meest doelmatig, adequaat en toereikend is, rekening met de omstandigheden, behoeften en (functionele) mogelijkheden van een inwoner.
-
3. Als meerdere voorzieningen als passend aan te merken zijn, verstrekt het college de goedkoopst adequate, tijdig beschikbare voorziening.
-
4. Een maatwerkvoorziening wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en (waar beschikbaar) wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet effectieve interventie.
-
5. Voor bepaalde voorzieningen kunnen aanvullende criteria van kracht zijn. Deze staan genoemd in hoofdstuk 3 van deze verordening.
-
6. De maatwerkvoorziening kan worden verstrekt in natura of als persoonsgebonden budget.
Artikel 11. Weigeringsgronden
-
1. Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening als:
- a.
cliënt voor de Wmo 2015 geen inwoner is van de gemeente Zuidplas of volgens de in artikel 1.1 van de Jeugdwet genoemde woonplaats niet onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Zuidplas valt;
- b.
de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk in staat is tot zelfredzaamheid of participatie, of met gebruikmaking van algemene, algemeen gebruikelijke voorzieningen of andere voorzieningen de beperkingen kan wegnemen;
- c.
hulp of ondersteuning aan een jeugdige niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd. Bij de beoordeling hiervan gelden de uitgangspunten uit hoofdstuk 4 van de beleidsregels indicatiestelling Wlz (zie toelichting bij de verordening);
- d.
indien de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is. Om te bepalen of de aanschaf van een voorziening financieel haalbaar is voor mensen met een inkomen op minimumniveau wordt de volgende rekenwijze toegepast: de kosten van de voorziening worden vergeleken met 5% van de geldende bijstandsnorm x 3 jaar. Wanneer de kosten van de voorziening lager zijn dan het berekende bedrag wordt de voorziening aangemerkt als zijnde algemeen gebruikelijk;
- e.
indien gebrek aan financiële draagkracht de reden is voor het doen van een aanvraag voor reguliere voorliggende voorzieningen, voorbeelden hiervan zijn: huiswerkbegeleiding, begeleiding bij zwemles en bijdragen voor maatschappelijke activiteiten/sport.;
- f.
indien de situatie van de cliënt niet (goed) kan worden beoordeeld doordat hij niet voldoet aan de medewerkingsplicht, bedoeld in artikel 2.3.8, derde lid, van de Wmo 2015 en zoals bedoeld in artikel 8.1.2, derde lid, van de Jeugdwet;
- g.
in de gevallen, bedoeld in artikel 2.3.5, zesde lid en 2.3.6, vijfde lid, van de Wmo 2015;
- h.
in de gevallen, bedoeld in artikel 1.2, eerste en tweede lid, en 8.1.1, vierde lid van de Jeugdwet;
- i.
indien deze geen passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven
- j.
voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die de belanghebbende vóór de melding heeft gerealiseerd of heeft geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of tenzij achteraf nog valt vast te stellen dat de voorziening noodzakelijk was en als goedkoopst adequate voorziening aan te merken valt; of voor zover een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds eerder in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten.
- k.
Als jeugdige of zijn ouder(s) weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een besluit op basis van de Wet langdurige zorg, terwijl er gegronde redenen zijn die aannemelijk maken dat de jeugdige recht heeft op een dergelijk besluit.
- a.
-
2. Het college verstrekt geen woonvoorziening:
- a.
voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen;
- b.
in of aan Wlz-instellingen, ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting;
- c.
voor zover het voorzieningen betreft in openbare en publieke gebouwen en in specifiek voor gehandicapten of ouderen bedoelde gebouwen;
- d.
voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting;
- e.
indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is;
- f.
indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daar vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college.
- g.
voor zover het een voorziening betreft in het kader van de toegankelijkheid van de buitenruimte (tuin, balkon) als de buitenruimte voor cliënt reeds toegankelijk is via een andere toegang.
- a.
-
3. Voor beschermd- en beschut wonen geldt dat er geen toegang is tot deze voorziening als de cliënt uitsluitend (feitelijk) dakloos is of slachtoffer van huiselijk geweld.
-
4. Voor maatschappelijke opvang geldt dat de toegang kan worden geweigerd wanneer:
- a.
een cliënt zich (na toegang tot de opvangvoorziening) niet houdt aan de huisregels;
- b.
een cliënt onveiligheid en overlast veroorzaakt;
- c.
een cliënt niet bereid is om mee te werken aan een passend ondersteuningstraject;
- d.
er sprake is van een tegenstellende indicatie waardoor een opvangtraject geen geschikte vorm van maatschappelijke ondersteuning voor een cliënt is;
- e.
een cliënt zich ernstig misdraagt jegens andere cliënten in de opvang of richting medewerkers van de opvanginstelling;
- f.
de eigen bijdrage (na veelvuldige waarschuwingen) niet betaald wordt;
- g.
er in het geval van vrouwenopvang geen sprake is van huiselijk geweld en/of geweld in een afhankelijkheidsrelatie.
- a.
-
5. Geen pgb wordt verstrekt als niet voldaan wordt aan de voorwaarden voor een pgb zoals bedoeld in hoofdstuk 4 artikelen 46 t/m 51.
-
6. Het Collectief Vraagafhankelijke Vervoer (CVV) wordt niet verstrekt als vervoersmogelijkheid van en naar de dagbestedingslocatie.
-
7. In aanvulling op lid zes wordt het CVV tevens niet verstrekt voor reizen van en naar zorgverlener/specialist, tenzij de aanvraag voor een vergoeding van ziekenvervoer vanuit de Zvw wordt afgewezen door zorgverzekeraar.
Artikel 12. Aanvraag van een maatwerkvoorziening
-
1. Een inwoner kan een aanvraag van een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college.
-
2. Het college merkt een ondertekend ondersteuningsplan aan als aanvraag, als dit in het ondersteuningsplan door de cliënt is aangegeven.
-
3. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening als bedoeld in de Wmo 2015 kan ook via een daartoe ter beschikking gesteld aanvraagformulier worden ingediend.
-
4. In afwijking van het eerste t/m het derde lid, kan het college in het dringende belang van de cliënt besluiten om een maatwerkvoorziening ambtshalve te verstrekken indien en zolang het niet mogelijk is dat hiervoor door of namens de cliënt een aanvraag wordt ingediend.
Artikel 13. Overige toegangsmogelijkheden jeugdhulp
-
1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.
-
2. Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jeugdige of zijn ouder(s) is verleend door een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt, behalve als er voldaan is aan de voorwaarden voor een pgb-verstrekking, niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft.
-
3. Het college kan in geval van een aanvraag in het kader van de jeugdwet afwijken van bovengenoemd artikel, in situaties waarin het reguliere regionaal gecontracteerde zorgaanbod niet toereikend en/of passend is, of de toepassing van de inkoopkaders leidt tot onredelijke of niet-beoogde gevolgen voor de inwoner of diens huisgenoten, naaste familieleden en directe naaste omgeving. Deze afwijking is slechts mogelijk indien sprake is van een aantoonbaar noodzakelijke ondersteuning die binnen het regionaal gecontracteerde aanbod onvoldoende beschikbaar of passend is. Afwijking is slechts toegestaan wanneer de inzet van zorg voldoet aan de volgende inhoudelijke vereisten:
- a.
Perspectief: De duur van de geboden hulp is afgestemd op de individuele ondersteuningsbehoefte van de inwoner en diens directe omgeving/netwerk en is afhankelijk van de voortgang richting de gestelde doelen. De doorlooptijd is proportioneel en doelgericht. De ondersteuning draagt aantoonbaar bij aan het perspectief van de inwoner. Dit perspectief is duidelijk omschreven.
- b.
Kwaliteit: De aanbieder voldoet ten minste aan de regionale kwaliteitseisen zoals gesteld aan gecontracteerde aanbieders. De aanbieder toont dit aan met relevante documentatie, zoals geldige certificeringen (bijvoorbeeld HKZ of ISO), resultaten uit regionale contractmonitoring of inspectierapporten van de IGJ.
- a.
-
4. Het college zorgt voor inzet van de jeugdhulp die:
- a.
de rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, en/of
- b.
de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig acht bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering.
- a.
-
5. Het college legt de te verlenen maatwerkvoorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking als bedoeld in artikel 14.
Artikel 14. Beschikking maatwerkvoorziening
-
1. Het college maakt door middel van een beschikking zijn besluit kenbaar. Dit kan zowel een toewijzing als een afwijzing zijn.
-
2. Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:
- a.
wat de te verstrekken voorziening is;
- b.
wat het beoogde resultaat daarvan is;
- c.
wat de ingangsdatum en duur van de voorziening is;
- d.
welke gecontracteerde aanbieder de voorziening verstrekt;
- e.
wat het tarief is van beoogde voorziening per minuut/dagdeel/etmaal;
- f.
de mogelijkheid tot beroep en bezwaar.
- a.
-
3. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:
- a.
waarom er voor het verstrekken van een pgb is gekozen en;
- b.
voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend en;
- c.
welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb en;
- d.
wat de hoogte van het pgb is en;
- e.
wat de duur is van de voorziening waarvoor het pgb bedoeld is, en;
- f.
de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.
- a.
-
4. Als er sprake is van een te betalen eigen bijdrage in de kosten op grond van de Wmo 2015 wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd.
Hoofdstuk 3: Voorzieningen:
Paragraaf 3.1 Jeugd
Artikel 15. Algemene voorzieningen jeugd
-
1. Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijke voorzieningen die aangeboden worden door een door de gemeente gecontracteerde derde en gericht zijn op jeugdhulpvoorzieningen.
-
2. Algemene voorzieningen bestaan uit een aanbod van individuele of collectieve ondersteunings- en dagbestedingstrajecten, activiteiten en diensten, die kunnen veranderen indien dit voortvloeit uit de behoefte van inwoners.
-
3. In ieder geval zijn de volgende algemene voorzieningen beschikbaar:
- -
Informatie/advies voor jeugdige en ouder
- -
Opvoedondersteuning
- -
Algemeen Jeugd- en Jongerenwerk
- -
Jeugdgezondheidszorg
- -
Veilig Thuis
- -
Integrale crisisdienst
- -
Vertrouwenspersoon
- -
Kindertelefoon
- -
Schoolmaatschappelijk werk
- -
Kinderombudsman
- -
-
4. Het college kan nadere regels vaststellen over welke andere, naast die in lid 3 genoemde, algemene voorzieningen beschikbaar zijn.
Artikel 16. Afbakening Jeugdwet en Wet passend onderwijs
De afbakening tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van de Wet passend onderwijs is als volgt geregeld:
- 1.
Ondersteuning gericht op het doorlopen van het onderwijsprogramma dat primair gericht is op het leerproces, het behalen van onderwijsdoelen of om de jeugdige verder te helpen in de onderwijsontwikkeling, valt niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet.
- 2.
Als een jeugdige recht heeft op ondersteuning vanuit de wet passend onderwijs is deze wet voorliggend op de jeugdwet en hoeft het college geen voorziening te treffen op grond van de Jeugdwet.
- 3.
Als een jeugdige voor het behalen van onderwijsdoelen begeleiding en/of persoonlijke verzorging nodig heeft op school in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen of psychische problemen en stoornissen, valt de ondersteuning onder de jeugdhulpplicht vanuit de Jeugdwet.
- 4.
Als op basis van wettelijke bepalingen onduidelijk is of de hulpvraag valt onder de Wet passend onderwijs of onder de Jeugdwet, dan rust op het college een inspanningsverplichting om in samenwerking met het onderwijs te komen tot een duidelijke analyse van het probleem met een daarbij passende oplossing voor de hulpvraag.
Artikel 17. Afbakening Jeugdwet en de Wet langdurige zorg
De afbakening tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van de Wet langdurige zorg is als volgt geregeld:
- 1.
Ondersteuning valt niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet als een jeugdige vanwege een somatische aandoening of beperking of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap een blijvende behoefte heeft aan zorg én als de jeugdige blijvend 24 uur per dag zorg in de nabijheid of permanent toezicht nodig heeft:
- a.
Ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel voor de jeugdige of;
- b.
Omdat jeugdige zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen om ernstig nadeel voor zichzelf te voorkomen door fysieke problemen of door zware regieproblemen.
- a.
- 2.
Ondersteuning die gezien het voorgaande in ieder geval niet onder de jeugdhulpplicht van de jeugdwet valt, betreft:
- a.
Logeeropvang voor jeugdigen met een indicatiebesluit Wet langdurige zorg;
- b.
Verblijf in een instelling op basis van een indicatiebesluit Wet langdurige zorg;
- c.
Vervoer naar en van een locatie voor Wet langdurige zorg.
- a.
- 3.
Als jeugdige of zijn ouder(s) weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een besluit op basis van de Wet langdurige zorg, terwijl er gegronde redenen zijn die aannemelijk maken dat de jeugdige recht heeft op een dergelijk besluit, dan verleent het college geen voorziening op grond van de Jeugdwet.
- 4.
Als een jeugdige met een besluit op basis van de Wet langdurige zorg een aanvraag indient voor behandeling voor een psychische stoornis, verleent het college een voorziening voor jeugdhulp, mits de behandeling integraal onderdeel uitmaakt van de geboden behandeling vanuit de Wet langdurige zorg.
Artikel 18. Afbakening Jeugdwet en Zorgverzekeringswet
De afbakening tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van de Zorgverzekeringswet is als volgt geregeld:
- 1.
Indien jeugdige medisch noodzakelijke zorg nodig heeft, dan valt dit niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet en is er in dat kader geen recht op een voorziening op basis van de Jeugdwet. Voorbeelden van zorg op basis van de Zorgverzekeringswet zijn:
- a.
Hulpmiddelenzorg;
- b.
Ziekenvervoer;
- c.
Zintuiglijke gehandicaptenzorg.
- a.
- 2.
Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problematiek van de jeugdige en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de Jeugdwet kan worden verkregen, kent het college een maatwerkvoorziening toe.
- 3.
Persoonlijke verzorging voor jeugdigen die nodig is in verband met een behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop valt niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet. Persoonlijke verzorging die gericht is op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij algemene dagelijkse levensverrichtingen valt wel onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet.
- 4.
Jeugdhulp met verblijf valt niet onder de Jeugdwet als het een medisch noodzakelijk verblijf betreft vanwege geneeskundige zorg of als het gaat om tijdelijk, kortdurend geneeskundig verblijf buiten de thuissituatie.
- 5.
Vaktherapie kan alleen worden ingezet vanuit de Jeugdwet als het onderdeel is van een integraal behandelplan en het een bewezen effectieve methodiek betreft.
Artikel 19. Afbakening Jeugdwet en Wet maatschappelijke ondersteuning
De afbakening tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning is als volgt geregeld: als naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning, dan is deze voorliggend op het verlenen van een voorziening op grond van de Jeugdwet.
Artikel 20. Afstemming met voorzieningen werk en inkomen
De afstemming tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van wet- en regelgeving inzake werk en inkomen is als volgt geregeld:
- 1.
Het college ziet erop toe dat de gemeentelijke toegang, jeugdhulpaanbieders en de gecertificeerde instellingen financiële problematiek voor het slagen van preventie, jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering vroegtijdig signaleren.
- 2.
Het college ziet er daarnaast op toe dat jeugdigen en hun ouder(s) waar nodig de juiste ondersteuning krijgen vanuit de gemeentelijke voorzieningen. Deze voorzieningen vallen niet onder de Jeugdwet.
- 3.
Het college ziet erop toe dat er voorzieningen beschikbaar zijn op het terrein van arbeidsparticipatie voor jonggehandicapten en draagt zorg voor voldoende mogelijkheden van loonkostensubsidies en beschut werk voor deze doelgroep op het moment dat zij 18 jaar worden. Deze voorzieningen vallen niet onder de Jeugdwet.
Artikel 21. Maatwerkvoorzieningen jeugd
-
1. Een cliënt komt in aanmerking voor een individuele voorziening ter compensatie van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen:
- a.
op eigen kracht/eigen mogelijkheden;
- b.
met gebruikelijke hulp;
- c.
met mantelzorg;
- d.
met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk;
- e.
met gebruikmaking van een algemeen gebruikelijke voorziening;
- f.
met gebruikmaking van een algemene voorziening; of
- g.
met gebruikmaking van een andere voorziening dan in het kader van de Jeugdwet.
De individuele voorziening stelt de jeugdige in staat gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid of voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.
- a.
-
2. De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn beschikbaar:
- a.
Jeugdzorg plus;
- b.
Jeugdbescherming;
- c.
Jeugdreclassering;
- d.
Forensische GGZ;
- e.
Crisisdienst Jeugd;
- f.
Hoogspecialistische jeugdhulp
- g.
Verblijf
- h.
Ambulante hulp jeugd
- i.
Dagbesteding jeugd
- a.
-
3. De volgende individuele voorzieningen worden zo kort als mogelijk ingezet en hebben in beginsel de volgende maximale duur en/of frequentie1:
- a.
Crisis verblijf: maximaal 3 maanden
- b.
Jeugd-GGZ verblijf licht: maximaal 12 maanden en maximaal 7 etmalen per week
- c.
Jeugd-GGZ verblijf zwaar: maximaal 12 maanden en maximaal 7 etmalen per week
- d.
Jeugd-GGZ verblijf zonder overnachting: maximaal 12 maanden en maximaal 7 etmalen per week
- e.
Groepsbehandeling plus: maximaal 12 maanden
- f.
Logeeropvang regulier jeugd: maximaal 3 etmalen per week
- g.
Logeeropvang intensief jeugd: maximaal 3 etmalen per week
- h.
Deeltijd pleegzorg: maximaal 156 etmalen per jaar
- i.
Individuele behandeling regulier: maximaal 12 maanden en maximaal 240 minuten per week
- j.
Individuele behandeling specialistisch: maximaal 12 maanden en maximaal 240 minuten per week
- k.
Onderwijs Opvang Voorziening: maximaal 6 maanden
- l.
Multi-dimensionele Familie Therapie (MDFT): maximaal 18 maanden
- m.
Groepsbehandeling regulier: maximaal 9 maanden
- n.
Groepsbehandeling specialistisch: maximaal 9 maanden
- o.
Specialistische GGZ: maximaal 24 maanden en maximaal 16.200 minuten
- p.
Jeugd GGZ diagnostiek Ernstige Dyslexie: maximaal 15 sessies van 50 minuten
- q.
Jeugd GGZ behandeling Ernstige Dyslexie: maximaal 60 sessies van 50 minuten
- r.
Dagbesteding doorlopend-Jeugd: maximaal het aantal uur dat kinderen onderwijsplicht hebben en de dagbesteding open is.
- s.
Dagbesteding doorlopend specialistisch-Jeugd: maximaal 1 jaar en maximaal het aantal uur dat kinderen onderwijsplicht hebben en de dagbesteding open is
- t.
Dagbesteding ontwikkelgericht-Jeugd: maximaal het aantal uur dat kinderen onderwijsplicht hebben en de dagbesteding open is.
- u.
Onderwijsarrangement stage en dagbesteding jeugd: maximaal voor 2 jaar en maximaal 4 dagdelen, waarvan de gemeente Zuidplas maximaal 2 dagdelen per week bekostigt. De overige 2 dagdelen worden bekostigd door het samenwerkingsverband.
- a.
-
4. Het college maakt in het kader van de inkoop- of subsidierelatie en met inachtneming van het derde lid met aanbieders op geaggregeerd niveau afspraken over in ieder geval de volgende aspecten van de individuele voorzieningen:
- a.
Doelgroepen;
- b.
Activiteiten;
- c.
Perspectief;
- d.
Intensiteit;
- e.
Kwaliteit;
- f.
Beoogd resultaat; en
- g.
Vermelding productcode iJw.
- a.
-
5. In situaties waarbij ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in het kader van de Jeugdwet, komt een jeugdige of zijn ouder(s) niet in aanmerking voor een door het college te verlenen individuele voorziening in het kader van de jeugdwet.
-
6. Het voorgaande lid is niet van toepassing als er parallel aan een hulpvraag sprake is van meervoudige problematiek in de context van het gezin
Artikel 22. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening begeleiding
Een jeugdige kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening begeleiding als hij in het dagelijks functioneren beperkingen ondervindt in relatie tot een of meerdere van de volgende aspecten en de gebruikelijke zorg door de ouders en/of het sociale netwerk hier niet in kan voorzien:
- a.
het krijgen of behouden van structuur of regie;
- b.
het aanleren van praktische vaardigheden;
- c.
het behoud of de vergroting van de zelfstandigheid;
- d.
het aanleren van sociale vaardigheden;
- e.
het langdurig ondersteunen bij zijn functioneren en het al dan niet deels overnemen hiervan;
- f.
het leren omgaan met zijn beperkingen.
Artikel 22a. Kinderopvang en buitenschoolse opvang
-
1. Reguliere kinderopvang en reguliere buitenschoolse opvang zijn geen vorm van jeugdhulp.
-
2. In uitzonderlijke situaties als een kind extra begeleiding of specialistische begeleiding nodig heeft vanwege opgroei-, opvoedings- en/of psychische problemen en stoornissen, die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en niet van ouder(s) kan worden verwacht, kan vanuit de Jeugdwet in het kader van de kinderopvang en buitenschoolse opvang begeleiding worden ingezet.
Artikel 22b. Meerkosten zwemles
Indien privézwemlessen onvoldoende zijn en de jeugdige extra begeleiding tijdens de zwemles nodig heeft, dan kan vanuit de gemeente jeugdhulp worden ingezet voor de extra begeleiding, niet voor de zwemles of zwemleskosten zelf.
Artikel 22c. Huiswerkbegeleiding
-
1. Ouders zijn de eerst verantwoordelijken om de ontwikkeling van hun kind te stimuleren. Ondersteuning gericht op het volgen van onderwijs valt dan ook onder de gezamenlijke verantwoordelijkheid van ouders en het onderwijs.
-
2. Jeugdhulp kan aanvullend zijn als er sprake is van opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen.
-
3. Huiswerkbegeleiding is primair gericht op het leerproces en valt onder de zorgplicht van scholen en ouders. Huiswerkbegeleiding valt daarom niet onder jeugdhulp.
-
4. Als ouders vastlopen in het begeleiden van hun kind bij het maken van huiswerk, is opvoedondersteuning mogelijk vanuit de Jeugdwet.
Artikel 23. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening behandeling
Een jeugdige kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening behandeling als er bij hem in relatie tot één of meerdere van de volgende aspecten aanwijzingen zijn voor een tijdelijke of blijvende stoornis of beperking, of delict gedrag als gevolg van een stoornis of beperking waarvoor behandeling noodzakelijk is.
- a.
het nodig hebben van diagnostiek als onderdeel van behandeling;
- b.
het blijk geven van een behoefte aan stabilisering, vermindering, behandeling en opheffing van de stoornis of beperking en het leren omgaan hiermee;
- c.
het aanleren van vaardigheden en het bewerkstelligen van een gedragsverandering bij de jeugdige of binnen het systeem van de jeugdige;
- d.
het verlagen van recidiverisico.
Artikel 23a. Dyslexie
-
1. De zorg voor kinderen tot 13 jaar met ernstige dyslexie (ED), dyslexiezorg, valt onder de jeugdwet.
-
2. Voor dyslexiezorg geldt dat deze alleen toegankelijk is voor de jeugdige nadat de ED-specialist van het samenwerkingsverband Primair Onderwijs op basis van het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling van oordeel is dat diagnostiek, dan wel de behandeling van Ernstige Dyslexie noodzakelijk is.
Artikel 23b. Vaktherapie
-
1. Vaktherapie is een non-verbale behandelvorm die uitgaat van doen en ervaren. Vaktherapie is de overkoepelende naam voor de volgende vaktherapeutische disciplines:
- a.
Beeldende therapie;
- b.
Dans en bewegingstherapie;
- c.
Dramatherapie;
- d.
Muziektherapie;
- e.
Psychomotore therapie;
- f.
Psychomotorische kindertherapie;
- g.
Speltherapie
- a.
-
2. Vaktherapie wordt uitgevoerd door een vaktherapeut. Dit is een professional die een erkende opleiding op HBO/master niveau voor vaktherapie heeft volbracht. Een erkende opleiding is een door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie geaccrediteerde opleiding OF een door de desbetreffende beroepsverenigingen voor vaktherapeutische beroepen (aangesloten bij de Federatie Vaktherapeutische Beroepen) erkende bachelor of masteropleiding.
-
3. Vaktherapie kan alleen worden ingezet vanuit de Jeugdwet als naar het oordeel van het college sprake is van een noodzakelijke bijdrage aan de jeugdhulp en als er geen alternatief beschikbaar is.
-
4. De behandelaar van de jeugdhulpaanbieder of een indicatiemedewerker van Stichting ZO! moet advies geven over vaktherapie als een noodzakelijk onderdeel van de totale behandeling.
-
5. Vaktherapeutische methodieken kunnen alleen worden geboden als zij onderdeel uitmaken van een bredere behandeling (bijvoorbeeld CGT) waarbij de lijn van de zorgverzekeraars wordt aangehouden.
Artikel 24. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening vervangende opvoeding
Het college zet ondersteunende vervangende opvoeding voor de jeugdige in, als hulp vanwege een of meerdere van de volgende omstandigheden niet in de thuissituatie kan worden geboden:
- a.
de opvoedsituatie is niet veilig genoeg voor de jeugdige;
- b.
de jeugdige vormt een gevaar voor zichzelf of de omgeving, welk gevaar niet door de opvoeders, al dan niet in combinatie met ambulante hulp, kan worden weggenomen;
- c.
de noodzakelijke hulp aan de jeugdige kan niet in afdoende mate door de opvoeders of ambulante hulp worden geboden;
- d.
vervangende opvoeding levert betere en effectievere hulp aan de jeugdige op.
Artikel 25. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening dagbehandeling of dagbesteding
Het college zet ondersteunende dagbehandeling of dagbesteding in, als een of meerdere van de volgende omstandigheden aan de orde zijn:
- a.
vanwege een beperking of stoornis is het voor de jeugdige niet mogelijk om, al dan niet tijdelijk, deel te nemen aan onderwijs;
- b.
de jeugdige heeft een stoornis of beperking die met dagbehandeling effectief te behandelen is;
- c.
de jeugdige is gebaat bij het aanleren van vaardigheden in het kader van sociaal en persoonlijk functioneren, waaronder het verkrijgen van een dagstructuur.
- d.
Om de jeugdige beter te kunnen begeleiden is het noodzakelijk om de vaardigheden van ouders/verzorgers en/of netwerk uit te breiden en versterken.
Artikel 26. Vervoer bij jeugdhulp
-
1. Uitgangspunt is dat ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder.
-
2. Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt.
-
3. Een vervoersvoorziening wordt alleen aan de jeugdige toegekend als naar het oordeel van het college is aangetoond dat er een noodzaak bestaat tot inzet van deze voorziening. Dit kan gaan om een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid van de jeugdige. Beperkingen in de zelfredzaamheid kunnen te maken hebben met leeftijd, stoornis, beperking of ziekte en kunnen tijdelijk of chronisch van aard zijn. De beperking in de zelfredzaamheid hoeft geen relatie te hebben met de noodzaak tot jeugdhulp
-
4. Het college beoordeelt in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) onvoldoende zijn om het vervoer zelf te regelen.
-
5. Als naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend op een indicatie waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden.
-
6. De vraag om een voorziening vervoer bij jeugdhulp zal meestal tegelijk met een aanvraag voor de jeugdhulp aan de orde zijn en wordt dan meegenomen in het besluit. Het is echter ook mogelijk de vervoersvoorziening later toe te kennen, als zich na verloop van tijd een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid voordoen. Deze beperkingen hoeven geen relatie met de jeugdhulp te hebben.
-
7. De voorziening wordt toegekend vanaf de datum dat de jeugdhulp in de toekomst zal starten of zo vroeg als de datum van de aanvraag indien het vervoer feitelijk al in gang is gezet. Verstrekking met terugwerkende kracht, dus voor de datum van de aanvraag, is niet mogelijk. Vervoer dat is ingekocht bij zorgaanbieders is voorliggend.
-
8. Wanneer de noodzaak, zoals bedoeld in het derde lid, is vastgesteld, wordt een vervoersvoorziening toegekend wanneer de afstand en de frequentie van vervoer naar de jeugdhulplocatie dermate groot is dat dit de gebruikelijke zorgplicht van ouders overschrijdt. Om te beoordelen of dit van toepassing is maakt het college gebruik van de volgende berekeningsformule: (aantal maanden) x (aantal keren per week) x (aantal weken per maand) x (afstand enkele reis) x 0,25. Indien de uitkomst 250 of hoger is, kan een vervoersvoorziening worden toegekend, uitgaande van een afstand van meer dan 6 km.
-
9. De volgende vormen van een maatwerkvoorziening vervoer jeugdwet worden onderscheiden:
- a.
Begeleiding van een jeugdige met als doel zelfstandig leren reizen naar de jeugdhulpaanbieder.
- b.
Een vergoeding voor openbaar vervoer voor vervoer van of naar een jeugdhulplocatie indien sprake is van overschrijding van de gebruikelijke zorgplicht (lid 8).
- c.
Een vergoeding voor openbaar vervoer met begeleiding voor vervoer van of naar een jeugdhulplocatie indien er sprake is van overschrijding van de gebruikelijke zorgplicht (lid 8).
- d.
Een vergoeding voor eigen vervoer voor vervoer van of naar een jeugdhulplocatie, indien sprake is van overschrijding van de gebruikelijke zorgplicht (lid 8).
- e.
Aangepast vervoer (taxivervoer) dat in natura wordt geboden door de jeugdhulpaanbieder of het door het college gecontracteerde taxibedrijf.
Een combinatie van deze voorzieningen behoort tot de mogelijkheden, mits onderbouwd wordt waarom hiervoor gekozen wordt.
- a.
-
10. In de volgende volgorde is een afweging voor een passende voorziening gemaakt. Pas als een jeugdige niet op de beschreven manier (per optie) kan reizen, komt de volgende, daaronder beschreven optie in beeld. Het inzetten van aangepast vervoer (taxi/taxibus) is pas mogelijk wanneer alle onderstaande opties naar het oordeel van het college niet mogelijk zijn.
- a.
De jeugdige fietst naar de jeugdhulplocatie.
- b.
De jeugdige fietst naar de jeugdhulplocatie onder begeleiding van ouder(s)/verzorger(s) of het sociale netwerk.
- c.
De jeugdige heeft de draagkracht en vaardigheden om in afzienbare tijd zelfstandig te leren reizen met het openbaar vervoer naar de jeugdhulplocatie begeleid door ouder(s)/verzorger(s), het sociale netwerk, een vrijwilliger of een jeugdprofessional.
- d.
De jeugdige gaat met zijn/haar brommer/scooter naar de jeugdhulplocatie.
- e.
De jeugdige reist zelfstandig met het openbaar vervoer naar de jeugdhulplocatie. Er zijn drie redenen waarom openbaar vervoer geen optie is, namelijk een gebrek aan zelfstandigheid van de jeugdige, het ontbreken van openbaar vervoer of een reistijd van meer dan 45 minuten voor een enkele reis. Daarbij wordt uitgegaan van de reisduur tussen woning en uitstaphalte of –station.
- f.
De jeugdige reist onder begeleiding van ouder(s)/verzorger(s) of het sociale netwerk met het openbaar vervoer naar de jeugdhulplocatie. Deze optie vervalt als de jeugdige niet in staat is om met begeleiding in het openbaar vervoer te reizen, openbaar vervoer ontbreekt, de reistijd meer dan 45 minuten enkele reis (de reistijd tussen woning en uitstaphalte of –station) of ouder(s)/verzorger(s) kunnen aantonen dat begeleiding van de jeugdige door henzelf of anderen onmogelijk is dat wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden.
- g.
De ouder(s)/verzorger(s) of het sociale netwerk brengen en halen de jeugdige met gemotoriseerd vervoer (auto, bestelbus, motor enz).
- a.
-
11. Voor de opties lid 10 d, e, f en g is een vergoeding mogelijk in de vorm van een kilometervergoeding van € 0,23 per kilometer of een vergoeding op basis van het tarief openbaar vervoer. Indien het college een kilometervergoeding toekent voor een auto, bekostigt het college de kilometervergoeding alleen voor die kilometers dat de jeugdige inzittende van de auto is.
Artikel 27. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening logeren
Logeren is een vorm van respijtzorg. De zorg wordt tijdelijk overgenomen waardoor de mantelzorger ontlast wordt van de zorgtaak. Het is aanvullend op noodzakelijke zorg en ondersteuning die al in de thuissituatie wordt geboden, het vervangt deze zorg en ondersteuning niet. Logeeropvang wordt alleen toegewezen als het noodzakelijk is dat degene die mantelzorg of gebruikelijke zorg levert tijdelijk wordt ontzien en logeren in het sociale netwerk niet mogelijk is.
Artikel 28. Zestienjarige en voortzetting hulp na achttien jaar
Zorgaanbieder draagt zorg voor een goede doorgaande zorglijn van 18- naar 18+. Zorgaanbieder start, samen met de Jeugdige, op zestienjarige leeftijd met het maken van een toekomstplan waarbij een regisseur wordt benoemd. Netwerkondersteuning maakt onderdeel uit van het toekomstplan.
Paragraaf 3.2 Wmo
Artikel 29. Algemene voorzieningen Wmo
-
1. Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijke voorzieningen die aangeboden worden door een door de gemeente gecontracteerde derde en gericht zijn op maatschappelijke ondersteuning.
-
2. Algemene voorzieningen bestaan uit een aanbod van individuele of collectieve ondersteunings- en dagbestedingstrajecten, activiteiten en diensten, die kunnen veranderen indien dit voortvloeit uit de behoefte van inwoners.
-
3. Een algemene voorziening is bedoeld om één van de volgende resultaten te bereiken:
- a.
de inwoner heeft onderdak;
- b.
de inwoner kan optimaal sociaal en persoonlijk functioneren;
- c.
de inwoner kan deelnemen aan de samenleving;
- d.
de inwoner kan zijn financiële huishouding voeren;
- e.
de inwoner heeft een structuur/ invulling van de dag;
- f.
de inwoner is verzorgd/voert de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) zoveel als mogelijk zelf uit;
- g.
de inwoner beschikt over schone en draagbare kleding
- h.
h de inwoner heeft een veilige thuissituatie
- i.
de mantelzorgers van de inwoner worden tijdelijk ontlast.
- a.
-
4. Om het resultaat zoals beschreven in artikel 29 lid 3 onder g te bereiken is er wasservice beschikbaar
- a.
de eigen bijdrage voor inwoners met een indicatie huishoudelijke hulp is
- b.
€ 6,00 euro per waszak van maximaal 8 kg.
- c.
de eigen bijdrage voor inwoners die geen indicatie huishoudelijke hulp hebben, is € 25,00 per waszak van maximaal 8 kg .
- a.
-
5. Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van dit artikel.
Artikel 30. Maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo
-
1. Een maatwerkvoorziening kan bestaan uit één of meer van de volgende diensten of productcategorieën:
- a.
hulp bij het huishouden;
- b.
begeleiding;
- c.
dagbesteding;
- d.
logeren;
- e.
beschermd wonen;
- f.
beschut wonen;
- g.
rolstoelvoorzieningen;
- h.
woonvoorzieningen en woningaanpassingen;
- i.
vervoersvoorzieningen;
- j.
vervoersdiensten;
- k.
sportvoorzieningen.
- a.
-
2. Als onderdeel van dagbesteding kan de cliënt tevens in aanmerking komen voor vervoer van en naar de dagbesteding.
-
3. Het college stelt de omvang van de dienst of het product vast aansluitend bij de ondersteuningsbehoefte en de zorgzwaarte van de cliënt.
-
4. Voor de onderbouwing van de maatwerkvoorziening hulp bij huishouden wordt gebruik gemaakt van het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025 ontwikkeld door Bureau HHM.
-
5. Voor de onderbouwing van de maatwerkvoorziening begeleiding en dagbesteding wordt gebruik gemaakt van het Normenkader Begeleiding versie 2.0 ontwikkeld door Bureau HHM en Factum Advies.
-
6. Een cliënt kan alleen in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening indien naar oordeel van het college de cliënt geen mogelijkheden heeft om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk of wanneer algemene voorzieningen of andere voorzieningen afwezig en/of ontoereikend zijn om:
- a.
de beperkingen die de cliënt ondervindt in de zelfredzaamheid of participatie te verminderen of weg te nemen en de cliënt met een, al dan niet aanvullende, maatwerkvoorziening in staat wordt gesteld zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te blijven functioneren; of
- b.
de problemen die de cliënt ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving, als er sprake is van een cliënt met psychische of psychosociale problemen of die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, te verminderen of weg te nemen en de cliënt met de, al dan niet aanvullende, maatwerkvoorziening in staat wordt gesteld om zich uiteindelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
- a.
-
7. Het college kan een maatwerkvoorziening in natura, anders dan voor dienstverlening, in bruikleen of in eigendom verstrekken.
-
8. Het college hanteert voor het toekennen van een maatwerkvoorziening, voor zover relevant, de volgende criteria:
- a.
er is sprake van kosten of voorzieningen die, gelet op de situatie van de cliënt, niet algemeen gebruikelijk zijn;
- b.
de maatwerkvoorziening is, gelet op de persoon, veilig voor hemzelf en zijn omgeving en brengt geen gezondheidsrisico’s met zich mee;
- c.
er is geen sprake van een verzoek tot vervanging van een eerder verstrekte voorziening als deze nog in voldoende mate ondersteuning biedt bij de belemmeringen van de cliënt en de voorziening nog niet technisch is afgeschreven;
- d.
de melding is gedaan op een zodanig moment, dat een objectieve beoordeling van de noodzaak voor of de wijze van ondersteuning kan plaatsvinden;
- e.
de cliënt werkt binnen zijn vermogen mee aan het opstellen en nakomen van het ondersteuningsplan en de afspraken met de aanbieder van de maatwerkvoorziening;
- f.
de noodzaak tot het verstrekken van een voorziening is niet aan de cliënt te verwijten.
- a.
-
9. Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van de maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 2015.
Artikel 31. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden
Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden als er ondersteuning nodig is in relatie tot één of meerdere van de volgende aspecten:
- a.
het schoon en leefbaar houden van de woning volgens algemeen hygiënische normen;
- b.
het beschikken over schone en draagbare kleding;
- c.
het beschikken over primaire levensbehoeften, waaronder maaltijden;
- d.
het voeren van regie over het doen van het huishouden.
Artikel 32. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening begeleiding
Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening begeleiding als er ondersteuning nodig is in relatie tot één of meerdere van de volgende aspecten:
- a.
het krijgen of behouden van structuur of regie;
- b.
het aanleren van (praktische) vaardigheden;
- c.
het behoud of de vergroting van de zelfstandigheid;
- d.
het aanleren van sociale vaardigheden;
- e.
het bevorderen of behouden van zelfredzaamheid;
- f.
het leren omgaan met de beperkingen die de cliënt heeft.
Artikel 33. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening dagbesteding
-
1. Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening dagbesteding als er ondersteuning nodig is in relatie tot één of meerdere van de volgende aspecten:
- a.
het noodzakelijk is het ondersteuningssysteem van cliënt te ontlasten;
- b.
cliënt ondersteuning nodig heeft bij het vergroten van zijn netwerk, teneinde gevoelens van eenzaamheid te doorbreken;
- c.
cliënt belemmeringen ondervindt bij het deelnemen aan reguliere activiteiten voor invulling van de dag, zoals werk, scholing of vrijetijdsbesteding;
- d.
de cliënt structuur en veiligheid nodig heeft teneinde verlies aan regie en zelfredzaamheid te voorkomen;
- e.
het noodzakelijk is om cliënt te activeren tot zingevende activiteiten; of
- f.
de cliënt ondersteund moet worden bij het verkrijgen van werknemersvaardigheden.
- a.
-
2. De dagbesteding vindt plaats op een daartoe bestemde locatie onder begeleiding van de aanbieder.
Artikel 34. Aanvullende criteria voor vervoer van en naar de dagbesteding
Een cliënt kan in aanmerking komen voor vervoer van en naar de dagbesteding als cliënt, gelet op zijn beperkingen of psychische of psychosociale problematiek niet in staat is zich zelfstandig te verplaatsen tussen zijn woon- of verblijfadres en de dagbesteding.
Artikel 35. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening logeren
Een cliënt kan in aanmerking komen voor logeeropvang of logeerverblijf als er naast de algemene voorwaarden, zoals bedoeld in artikel 8, wordt voldaan aan de volgende criteria:
- a.
er is sprake van een somatische, psychogeriatrische, psychische, verstandelijke, lichamelijke en/of zintuiglijke aandoening of handicap; en
- b.
ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg aan de cliënt levert is noodzakelijk; en
- c.
de cliënt is aangewezen op ondersteuning, gepaard gaand met toezicht; en
- d.
de cliënt structureel gedurende maximaal 3 etmalen per week aangewezen is op deze maatwerkvoorziening.
Artikel 36. Aanvullende criteria maatwerkvoorziening beschermd wonen en maatschappelijke opvang
-
1. Op grond van artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 kan een inwoner in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang.
-
2. De toegang tot beschermd wonen en maatschappelijke opvang vindt plaats via de gemeente Gouda.
-
3. Een cliënt kan in aanmerking komen voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang overeenkomstig het daartoe vastgestelde beleid van centrumgemeente Gouda, de geldende verordening en nadere regels maatschappelijke ondersteuning.
Artikel 37. Aanvullende criteria maatwerkvoorziening beschut wonen
-
1. Een cliënt kan in aanmerking komen voor de maatwerkvoorziening beschut wonen als er naast de algemene voorwaarden zoals bedoelt in artikel 8, wordt voldaan aan de volgende criteria:
- a.
er is sprake van belemmeringen in het zelfstandig wonen als gevolg van psychische- of psychiatrische problematiek, een licht verstandelijke beperking, verslaving of een combinatie hiervan;
- b.
is in staat de ondersteuningsvraag te benoemen en kan deze (tijdelijk) uitstellen;
- c.
heeft dag invulling via opleiding, werk of dagbesteding;
- d.
heeft ’s nachts in principe geen begeleiding nodig;
- e.
is aangewezen op begeleiding die door de weeks op vaste momenten aanwezig is en daarbuiten 24-uurs bereikbaarheid heeft en indien nodig op afroep langs komt.
- a.
-
2. Een cliënt is zelf verantwoordelijk voor het betalen van de huur en woonlasten.
Artikel 38. Aanvullende criteria maatwerkvoorziening rolstoel
-
1. Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een (elektrische) rolstoel, als hij als gevolg van zijn beperkingen langdurig is aangewezen op het zittend verplaatsen in en om de woning.
-
2. Er zijn medisch aantoonbare beperkingen die dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken en waarvoor loophulpmiddelen, die zelf gekocht kunnen worden of via de zorgverzekeringswet verstrekt worden niet volstaan.
-
3. In het geval van een elektrische rolstoel kan de cliënt veilig deelnemen aan het verkeer.
-
4. De woning van de cliënt is rolstoeltoegankelijk en rolstoeldoorgankelijk of kan met beperkte middelen worden aangepast.
Artikel 39. Aanvullende criteria maatwerk woonvoorzieningen
-
1. Een cliënt kan in aanmerking komen voor een woonvoorziening, in de vorm van een woningaanpassing of in de vorm van hulpmiddelen om zich in en om de woning te verplaatsen, als er sprake is van een aantoonbare beperking bij het normaal gebruik van de noodzakelijke gebruiksruimte(n) in de woning, als:
- a.
de persoon met beperkingen zijn hoofdverblijf in Zuidplas heeft, waarbij er geen sprake mag zijn van een tijdelijke huurovereenkomst; en
- b.
de woning geschikt is om het hele jaar door te bewonen; en
- c.
de ondervonden beperkingen in de woonruimte niet voortvloeien uit de aard van de in de woonruimte gebruikte materialen, te wijten zijn aan achterstallig onderhoud of het gevolg zijn van de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de voor periodiek onderhoud geldende wettelijke vereisten; en
- d.
de woonruimteaanpassing langdurig noodzakelijk is en verhuizen niet mogelijk of niet de goedkoopst adequate voorziening is.
- a.
-
2. Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor het bezoekbaar maken van één woning indien de cliënt zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-instelling in de gemeente Zuidplas en de cliënt regelmatig een bezoek brengt en zal blijven brengen aan die woning in de gemeente Zuidplas, en het bezoek voor de cliënt noodzakelijk is voor het onderhouden van sociaal contact, en hij deze woning niet op een normale manier kan betreden of bereiken.
-
3. Wanneer uit onderzoek blijkt dat verhuizing de goedkoopst adequate oplossing is voor de hulpvraag, dan wordt het primaat van verhuizen toegepast. Het college kan daarbij een maatwerkvoorziening verstrekken in de vorm van een financiële tegemoetkoming voor de kosten van een verhuizing, tenzij er argumenten zijn die tegen verhuizen pleiten.
-
4. In afwijking van het eerste lid, sub c kan het college een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming verstrekken voor de kosten van een verhuizing, als:
- a.
de cliënt aantoonbaar goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken door de verhuurder te doen wegnemen; en
- b.
er met het oog op de gezondheidstoestand van de cliënt binnen een redelijke termijn geen uitzicht is op de opheffing van de gebreken aan de woning.
- a.
-
5.
- a.
De kosten van het verwijderen van woonvoorzieningen, bijvoorbeeld trapliften, zijn voor rekening van de gemeente voor zover deze voorzieningen eigendom zijn van de gemeente. De kosten voor het verwijderen van een woonvoorziening die in eigendom is verstrekt, middels een financiële tegemoetkoming, uit een eigen of huurwoning zijn voor rekening van degene aan wie de verstrekking is toegekend.
- b.
De herstelkosten bij het verwijderen van voorzieningen, bijvoorbeeld het vullen van gaten en herstellen van vloerbedekking, zijn in alle gevallen voor rekening van degene aan wie de verstrekking was toegekend. In geval van overname van een (huur)woning zijn, na acceptatie van de woning, de kosten voor rekening van de nieuwe huurder/eigenaar en kan geen beroep worden gedaan op de Wmo.
- a.
Artikel 40. Aanvullende criteria maatwerkvoorzieningen, vervoersdiensten en vervoersvoorzieningen
-
1. Een cliënt kan in aanmerking komen voor een vervoersdienst of vervoersvoorziening als er als gevolg van lichamelijke beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen belemmeringen worden ondervonden bij het (lokaal) verplaatsen met het reguliere openbaar vervoer of eigen vervoer.
-
2. In afwijking van het eerste lid komen cliënten, die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, op basis van hun leeftijd in aanmerking voor een CVV indicatie.
-
3. In aanvulling op het eerste lid verstrekt het college alleen een vervoersdienst of vervoersvoorziening als:
- a.
de beperkingen langdurig (minimaal 6 maanden) van aard zijn;
- b.
de cliënt de voorziening nodig heeft in verband met specifieke verplaatsingsbehoefte, die niet anderszins kan worden opgelost;
- c.
de cliënt in staat wordt geacht om – na instructie – op veilige wijze gebruik kan maken van de voorziening;
- d.
de cliënt in het geval van een open gehandicaptenvoertuig beschikt over een geschikte, brandveilige en overdekte stallingsruimte, die voor voorzieningen met een accu is voorzien van een geaard stopcontact van 220 volt, of gecreëerd kan worden.
- a.
-
4. Het college legt het primaat bij het gebruik van het CVV, als het CVV de cliënt naar het oordeel van het college in voldoende mate in staat stelt tot participatie en zelfredzaamheid.
-
5. Een cliënt kan in aanmerking komen voor een combinatie van de vervoersvoorzieningen als dit voor zijn participatie of zelfredzaamheid voor zowel de korte als de lange afstand noodzakelijk is.
-
6. De indicatie voor het CVV vervalt na twee jaar, wanneer de vervoersdienst in die periode niet door de cliënt is gebruikt. Dit zal middels een beschikking aan de cliënt kenbaar worden gemaakt.
-
7. Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming voor vervoer wanneer het college in aanvulling op het eerste lid van oordeel is dat de cliënt door zijn bijzondere persoonlijke omstandigheden niet in staat is gebruik te maken van het CVV.
Artikel 41. Aanvullende criteria maatwerk sportvoorzieningen
-
1. Het college kan ten behoeve van het uitoefenen van een sport een pgb verstrekken voor:
- a.
een cliënt die in het dagelijks leven gebruik maakt van een loophulpmiddel of een verplaatsingsmiddel; en
- b.
een cliënt die zonder sportvoorziening niet in staat is tot sportbeoefening; en
- c.
beoefening van de gekozen sport is uitsluitend mogelijk met een specifieke sportvoorziening, beoefening is niet op een andere wijze mogelijk.
- a.
-
2. Het pgb voor de aanschafkosten van een sporthulpmiddel is gelijk aan de feitelijke kosten van de voorziening, aangevuld met de onderhoudskosten.
Artikel 42. Afschrijvingsperioden
-
1. De volgende afschrijvingsperioden worden gehanteerd:
- a.
keuken 15 jaar
- b.
badkamer 25 jaar
- c.
toilet 15 jaar
- d.
hulpmiddelen 7 jaar
- e.
douche- en toiletvoorzieningen 5 jaar
- f.
kindervoorzieningen 5 jaar
- g.
traplift geen afschrijvingsperiode
- a.
Artikel 43. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen
-
1. Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de Wmo 2015, op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie.
-
2. Voor de verhuiskosten bedraagt de tegemoetkoming maximaal € 3.750,77 als deze kosten voorvloeien uit de voorgestelde maatwerkoplossing zoals opgenomen in het ondersteuningsplan.
-
3. Voor het bezoekbaar maken van een woning (het toe- en doorgankelijk maken en aanpassen van het toilet en/of woonkamer) bedraagt de tegemoetkoming maximaal € 3.750,77.
-
4. De tegemoetkoming vermeldt onder lid 2 en 3 kunnen eenmalig verstrekt worden.
-
5. Voor de kosten van het gebruik van een taxi bedraagt de tegemoetkoming maximaal € 4.748,25 per kalenderjaar. Voor de kosten van het gebruik van een rolstoeltaxi bedraagt de tegemoetkoming maximaal € 6.196,36 per kalenderjaar.
-
6. Voor de kosten van de aanpassingen van de eigen auto wordt de vergoeding vastgesteld op basis van offertes, waarbij de technische levensduur van de auto op het moment van aanvragen nog minimaal 10 jaar moet zijn.
-
7. Voor de kosten ten behoeve van een sportrolstoel bedraagt de tegemoetkoming maximaal € 3.709,80 per drie jaar.
-
8. Voor de kosten ten behoeve van onderhoud en reparatie aan de sportrolstoel bedraagt de tegemoetkoming maximaal € 695,19 per kalenderjaar.
-
9. De toegekende tegemoetkoming zoals bedoeld in lid 3 t/m 9 worden op declaratiebasis achteraf uitgekeerd aan de aanvrager; de toegekende tegemoetkoming uit lid 2 wordt uitbetaald op basis van de beschikking.
-
10. De maximale bedragen van de tegemoetkomingen genoemd onder lid 2 t/m 9 worden jaarlijks verhoogd of verlaagd aan de hand van de prijsindex voor gezinsconsumptie zoals bepaald in artikel 3.7 eerste lid van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.
Artikel 44. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen
-
1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura dan wel pgb op grond van de Wmo 2015, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt, onderscheidenlijk gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt of tot wanneer de kostprijs van de maatwerkvoorziening is bereikt.
-
2. Voor de maatwerkvoorzieningen bedraagt de hoogte van de bijdrage voor een of meerdere voorzieningen samen het bedrag genoemd in artikel 2.1.4 lid 3 en artikel 2.1.4a lid 4 Wmo 2015 per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënt samen.
-
3. In afwijking van het eerste lid is cliënt geen eigen bijdrage verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen
- a.
rolstoelen;
- b.
woningaanpassing ten behoeve van een minderjarige cliënt.
- a.
-
4. In afwijking van artikel 2.1.4a, vierde lid, van de Wmo 2015 is de hoogte van de reizigersbijdrage voor de maatwerkvoorziening collectief vraagafhankelijk vervoer afhankelijk van het aantal gereden zones.
Deze reizigersbijdrage is:
2025
Aantal Zones
Van deur naar deur Wmo-pashouder
Geïndiceerde begeleider
Sociaal begeleider
OV- reiziger
1
€ 2,40
Nihil
€ 2,40
€ 6,70
2
€ 3,35
Nihil
€ 3,35
€ 10,05
3
€ 4,30
Nihil
€ 4,30
€ 13,40
4
€ 5,35
Nihil
€ 5,35
€ 16,75
5
€ 6,30
Nihil
€ 6,30
€ 20,10
6
€ 7,45
Nihil
€ 7,45
€ 23,75
De genoemde bedragen zijn uitgedrukt in het prijspeil van 2025 en worden ieder opvolgend jaar gewijzigd aan de hand van indexatie (NEA).
-
6. De kostprijs van een:
- a.
maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder;
- b.
pgb bedraagt niet meer dan de kostprijs van de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura.
- a.
-
7. In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid, van de Wmo 2015, worden de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb door het CAK vastgesteld en geïnd.
Artikel 45. Blijk van waardering voor mantelzorgers
-
1. Mantelzorgers van ingezetenen van de gemeente Zuidplas kunnen door middel van een melding bij het college in aanmerking komen voor een jaarlijkse blijk van waardering.
-
2. Het college draagt zorg voor een jaarlijkse blijk van waardering als bedoeld in artikel 2.1.6 van de Wmo 2015, voor mantelzorgers van ingezetenen van Zuidplas in de vorm van:
- a.
een jaarlijkse dag/activiteit voor mantelzorgers. Deelname hieraan is gratis;
- b.
op maat geboden ondersteuning door het mantelzorgsteunpunt;
- a.
Hoofdstuk 4: Persoonsgebonden budget (pgb)
Artikel 46. Bepalingen om in aanmerking te komen voor een pgb
-
1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de Jeugdwet en/of artikel 2.3.6 van de Wmo 2015.
-
2. Als een cliënt in aanmerking komt voor een zorg gerelateerde dienst op basis van een pgb, dan is de cliënt verplicht om ten behoeve van de beoordeling van de aanvraag een budgetplan in te dienen. De cliënt dient daarbij gebruik te maken van een door het college vastgesteld format. In het budgetplan dient gemotiveerd te worden:
- a.
welke zorg er met het pgb wordt ingekocht;
- b.
waarom hij de maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo 2015 als een pgb wenst geleverd te krijgen of waarom hij een maatwerkvoorziening in het kader van de Jeugdwet in natura niet passend acht;
- c.
waarom hij op eigen kracht voldoende in staat is tot een redelijke waardering van de belangen terzake, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk dan wel met een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp voldoende in staat is de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Desgevraagd onderbouwt de budgethouder dit met bewijsstukken;
- d.
hoe de zorg wordt vormgegeven;
- e.
hoe naar zijn mening gewaarborgd is dat de maatwerkvoorziening veilig, doeltreffend, van goede kwaliteit en cliëntgericht is. Daarbij is in elk geval van belang dat wanneer degene die de diensten verleent in contact kan komen met personen die jonger zijn dan achttien jaar, voor aanvang van de dienstverlening over een actuele verklaring omtrent het gedrag beschikt als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, met uitzondering van bloedverwanten in de eerste en tweede graad en degenen die incidentele ondersteuning bieden;
- f.
hoe hij de voorziening volgens een begroting dan wel een offerte wenst te financieren.
- a.
-
3. Voor dienstverlening in het kader van de Wmo 2015 of Jeugdwet wordt het tarief voor formele (professionele zorg) of informele (sociaal netwerk) hulp gehanteerd.
-
4. Een pgb is alleen mogelijk als naar het oordeel van het college wordt voldaan aan alle wettelijke voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb en:
- a.
er geen wettelijke weigeringsgrond van toepassing is;
- b.
de ondersteuning die de cliënt met het pgb wenst in te kopen moet naar het oordeel van het college van voldoende kwaliteit zijn en in voldoende mate bijdragen aan het bereiken van het in het ondersteuningsplan opgenomen beoogde resultaat;
- c.
de budgethouder en het college in het ondersteuningsplan afspreken binnen welke termijn de behaalde resultaten en de daaraan verbonden voorwaarden worden geëvalueerd.
- d.
Er op geen enkele manier druk is uitgeoefend op cliënt om de dienstverlening, in welke vorm van ook, van deze persoon of organisatie te betrekken.
- a.
-
5. Het college verlangt van de cliënt en zijn vertegenwoordiger een schriftelijke machtiging en verklaring teneinde het beheer van het pgb op verantwoorde wijze uit te voeren.
-
6. Het college kan een persoon niet in staat achten de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren indien bij hem sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:
- a.
problematische schuldenproblematiek;
- b.
ernstige verslavingsproblematiek;
- c.
aangetoonde fraude begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag;
- d.
een aanmerkelijke verstandelijke beperking;
- e.
een ernstig psychiatrisch ziektebeeld;
- f.
een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis;
- g.
het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift;
- h.
twijfels op overige gronden over de pgb-vaardigheid.
- a.
-
7. Het college verplicht de budgethouder om bij een (tussen)evaluatie van het ondersteuningsplan ook aan te geven wat de behaalde resultaten zijn met het pgb en de daaraan verbonden voorwaarden.
-
8. Een pgb bestemd voor besteding in het buitenland, is alleen mogelijk als het college daar expliciet toestemming voor heeft gegeven.
-
9. Een pgb is niet mogelijk:
- a.
als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 4, dan wel ondersteuning die ambtshalve wordt verleend in de situatie als bedoeld in artikel 10, vierde lid;
- b.
de kosten voor tussenpersonen, belangbehartigers, bemiddeling, administratie, lidmaatschappen, verlofdagen/feestdagenuitkering of reiskosten komen niet in aanmerking voor een pgb;
- c.
voor de bekostiging van huisvesting/huur.
- a.
-
10. Het college kan uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb’s onderzoeken.
-
11. Bij het verlenen van een pgb geldt dat de voorziening moet voldoen aan het programma van eisen dat is opgesteld door de gemeente voor de dan geldende aanbesteding hulpmiddelen en, indien van toepassing, moet worden aangeschaft bij een leverancier die is aangesloten bij het Nationaal keurmerk hulpmiddelen.
-
12. Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van dit artikel.
Artikel 47. Regels voor pgb vertegenwoordiging
-
1. Een vertegenwoordiger wordt geacht de aan de pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te kunnen voeren.
-
2. De vertegenwoordiger stelt het belang van de cliënt centraal en moet in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen van de cliënt.
-
3. De vertegenwoordiger is niet tevens uitvoerder van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht of heeft geen financiële relatie met de uitvoerder van de ondersteuning.
-
4. In afwijking op lid 3 kan gezien de situatie van de cliënt of jeugdige, de aard van de ingekochte ondersteuning en de verantwoordde besteding van het pgb, naar het oordeel van het college passend worden bevonden;
-
5. De vertegenwoordiger van de cliënt ondersteunt de cliënt van aanmelding tot evaluatie van zorg, beschermt de rechten van de cliënt en is ook integraal aanspreekpunt.
-
6. Het college kan uit het oogpunt van kwaliteit en rechtmatigheid, al dan niet steekproefsgewijs, controleren wie er als vertegenwoordiger staat geregistreerd bij de SVB.
-
7. Indien de vertegenwoordiger iemand is uit het netwerk van cliënt dan dient er te worden aangeven dat het beheren van het pgb voor hem of haar niet tot overbelasting leidt.
-
8. Kosten voor pgb vertegenwoordiging mogen niet worden voldaan uit het persoonsgebonden budget.
Artikel 48. Regels voor pgb professional (formele hulp)
-
1. Van professionele ondersteuning is sprake als de organisatie of zelfstandig werkende hulpverlener die door de cliënt is ingeschakeld voor de ondersteuning, voldoet aan het geheel van de eisen genoemd in één van de volgende onderdelen:
- a.
Er is sprake van een organisatie die:
- 1°
staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel waarbij de activiteiten blijkens deze inschrijving bestaan uit het verlenen van ondersteuning die past binnen de kaders van de Wmo 2015 en Jeugdwet;
- 2°
biedt een dienstverband aan minimaal twee medewerkers;
- 3°
de organisatie en de medewerkers voldoen aan de kwaliteitseisen en beroepscodes die voor de betreffende ondersteuning worden gesteld aan gecontracteerde aanbieders en hun medewerkers;
- 4°
de eigenaar en medewerkers zijn geen eerste- of tweedegraads bloed- of aanverwant van degene aan wie ze ondersteuning bieden of van diens vertegenwoordiger; en
- 5°
beschikt, indien ondersteuning wordt geleverd in het kader van dagbesteding, over een locatie waar meerdere cliënten tegelijk kunnen verblijven; of
- 1°
- b.
Er is sprake van een zelfstandig werkende hulpverlener die:
- 1°
staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel waarbij de activiteiten blijkens deze inschrijving bestaan uit het verlenen van ondersteuning die past binnen de kaders van de Wmo 2015 en Jeugdwet;
- 2°
de belastingdienst beschouwt de hulpverlener in het kader van de hulpverlening aan de cliënt als ondernemer;
- 3°
de medewerker voldoet aan de kwaliteitseisen die aan een hulpverlener van een gecontracteerde aanbieder worden gesteld en berekent een tarief dat marktconform is;
- 4°
de hulpverlener is geen eerste- of tweedegraads bloed- of aanverwant van degene aan wie hij ondersteuning biedt of van diens vertegenwoordiger; en
- 5°
beschikt, indien ondersteuning wordt geleverd in het kader van dagbesteding, over een locatie waar meerdere cliënten tegelijk kunnen verblijven.
- 1°
- a.
-
2. De professional die een dienst verleent in het kader van de Wmo 2015 en/of de Jeugdwet:
- a.
dient een ingezetene van Nederland te zijn en te beschikken over een Burgerservicenummer;
- b.
Voor het leveren van professionele ondersteuning is vereist dat de hulpverlener beschikt over een VOG die na of kort voor indiensttreding bij zijn werkgever of de start van de ondersteuning is afgegeven;
- c.
De professional die een dienst verleent in het kader van de Jeugdwet dient in het bezit te zijn van een SKJ-registratie of voldoet aan de richtlijn verantwoorde werktoedeling;
- d.
hij dient in bezit te zijn van een geldige aansprakelijkheidsverzekering en een geldig lidmaatschap van een klachtencommissie.
- a.
-
3. De organisatie en de hulpverlener mogen geen enkel ander voordeel aan de ondersteuningsrelatie ontlenen dan de betaling vanuit het pgb.
-
4. Als het niet voldoen aan de kwaliteitseisen gevolg is van verwijtbaar handelen of er is sprake van voortdurende wanprestatie kan het college een waarschuwing geven, de aanbieder niet (langer) meer accepteren in het kader van een pgb.
Artikel 49. Regels voor pgb sociaal netwerk (informele hulp)
-
1. Tot het sociale netwerk worden personen gerekend uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt, zoals familieleden, buren, vrienden, kennissen, etc.
-
2. De cliënt die in aanmerking komt voor een pgb, kan alleen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk als dat aantoonbaar tot betere en efficiëntere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is.
-
3. Indien er sprake is van verlening van hulp door een persoon in het sociaal netwerk:
- a.
dient uit het ondersteuningsplan en budgetplan te blijken dat deze in staat is de gevraagde hulp gedurende de afgesproken periode te leveren, dat dit niet leidt tot overbelasting en hoe vervanging geregeld is bij vakantie of ziekte.
- b.
zoekt de persoon uit het sociale netwerk afstemming met andere dienstverleners dan wel met de casusregisseur conform het uitgangspunt één gezin, één plan, één regisseur.
- c.
als volgens landelijk geldende kwaliteitscriteria een minimale opleiding vereist is, moet de persoon uit het netwerk die kwalificatie minimaal hebben.
- d.
overlegt de persoon uit het sociaal netwerk een verklaring omtrent gedrag (VOG) waaruit blijkt dat het gedrag van de persoon in het verleden geen bezwaar vormt voor het verlenen van diensten in de persoonlijke leefomgeving.
- a.
Artikel 50. Hoogte van het pgb
-
1. De hoogte van een pgb wordt bepaald aan de hand van de te verstrekken maatwerkvoorziening zoals bepaald in artikel 8.
-
2. Een hulpmiddel of een woningaanpassing wordt bepaald op ten hoogste de kostprijs van de voorziening die de aanvrager op dat moment zou hebben ontvangen als de voorziening in natura zou zijn verstrekt.
-
3. Het pgb is toereikend om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering;
-
4. Uitbetaling van een pgb voor maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp vindt plaats op basis van zorgovereenkomsten of op declaratiebasis, door de SVB.
-
5. In afwijking van lid 4 vindt uitbetaling van een pgb voor een (vervoer)hulpmiddel of een woningaanpassing achteraf plaats door het college, op basis van leveranciersfacturen.
-
6. Bij de berekening van het tarief van een pgb wordt rekening gehouden met alle kosten zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, verlofdagen, feestdagen, verzekering(en) en reiskosten.
-
7. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb, wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp.
- a.
van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de cliënt: personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel.
- b.
informele hulp is: Hulp die geboden wordt door personen, al dan niet uit het sociaal netwerk, die niet voldoen aan de criteria als genoemd in onderdeel a; Hulp die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in onderdeel a, maar bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad zijn van cliënt.
- a.
-
8. Het tarief voor formele hulp uitgevoerd door een hulpverlener werkzaam bij een professionele instelling bedraagt ten hoogste 100% van het tarief in natura.
-
9. Het tarief voor vervoer van en naar de dagbesteding of locatie waar jeugdhulp wordt geboden bedraagt ten hoogste 100% van het tarief in natura en is alleen mogelijk voor een professionele instelling.
-
10. Het tarief van een zzp‘er bedraagt ten hoogste 75% van het tarief van zorg in natura.
-
11. Het tarief voor hulp in natura wordt indien het geen uurtarief is, omgerekend naar een tarief per uur.
-
12. Het pgb voor hulp uitgevoerd als bedoeld in lid 7 onderdeel b is gelijk aan het tarief hiervoor in de Wet langdurige zorg plus de kosten voor het aanvragen van een Verklaring omtrent het Gedrag.
-
13. De gemeente volgt voor de indexering bij het tarief voor hulp uit het sociale netwerk de ontwikkeling van het tarief in de Wet langdurige zorg.
Artikel 51. Besteding en verantwoording van het pgb
-
1. De cliënt besteedt het pgb conform het door het college goedgekeurde budgetplan.
-
2. De cliënt voldoet aan de eisen die door de wetgever en het college aan het pgb worden gesteld, ten aanzien van de verantwoording, de zorgovereenkomst en het trekkingsrecht.
-
3. Het niet nakomen van de aan het pgb verbonden verplichtingen kan leiden tot:
- a.
terugvordering van het ten onrechte ontvangen pgb; en
- b.
de weigering om de ondersteuning nog langer in de vorm van een pgb te verstrekken.
- a.
-
4. Het is de cliënt niet toegestaan om met de dienstverlener een vast maandloon overeen te komen, dan wel een andersoortige afspraak te maken op basis waarvan uitbetaling door de SVB aan dienstverlener plaatsvindt zonder voorafgaande verplichting van cliënt tot overlegging aan SVB van een door cliënt geaccordeerde factuur of specificatie van ingezette ondersteuning.
Hoofdstuk 5: Specifieke bepalingen leerlingenvervoer
Paragraaf 5.1 Definities
Artikel 52. Definities
In deze verordening wordt verstaan onder:
- a.
aangepast vervoer: door het college georganiseerd vervoer (vervoer per besloten (school)busvervoer, taxi, taxibus of bustaxi)
- b.
afstand: afstand tussen de woning en de school, overeenkomstig artikel 4, zesde lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 8.29, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 4, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra, gemeten met ANWB routeplanner langs de kortste voor de leerling per fiets voldoende begaanbare en veilige weg;
- c.
begeleider: ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te begeleiden;
- d.
begeleiding: fysieke begeleiding van de leerling tijdens het vervoer;
- e.
college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zuidplas;
- f.
deskundige: onafhankelijk medisch, psychiatrisch, psychologisch, pedagogisch of verkeerskundig deskundige;
- g.
eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig of fiets, dat onder eigen verantwoordelijkheid plaatsvindt;
- h.
gehandicapte leerling: een leerling die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken;
- i.
inkomen: inkomensgegevens als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in het peiljaar, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs;
- j.
leerling: de leerling die is ingeschreven bij een school;
- k.
ontwikkelingsperspectief: een voor de leerling van het primair onderwijs, speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs dan wel voortgezet onderwijs vastgesteld plan als bedoeld in artikel 40a van de Wet op het primair onderwijs, artikel 41a van de Wet op de expertisecentra of artikel 2.44 op de Wet op het voortgezet onderwijs 2020, dat door het bevoegd gezag en na op overeenstemming gericht overleg met de ouders is opgesteld. Ingeval van het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs adviseert hierin de commissie voor de begeleiding, dan wel de commissie van onderzoek;
- l.
openbaar vervoer: personenvervoer dat openbaar toegankelijk is en waarvan iedereen al dan niet tegen betaling gebruik van kan maken;
- m.
opstapplaats: plaats aangewezen door het college, vanaf waar de leerling gebruik kan maken van het vervoer;
- n.
opvangadres: adres naast de woning van de leerling waar de leerling wordt opgevangen, zoals buitenschoolse opvang, gastouder of familielid.
- o.
ouders: (pleeg)ouders, voogden of verzorgers van de leerling;
- p.
reistijd: totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids (of het standaard rooster bij voortgezet onderwijs), minus maximaal 10 minuten, indien en voor zover de leerling het schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt dan de schoolgids aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt tussen het einde van de schooldag volgens de schoolgids en de aankomst bij de woning, plus een eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer of maximaal 10 minuten bij gebruikmaking van aangepast vervoer;
- q.
samenwerkingsverband:
- 1°.
samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs;
- 2°.
samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de expertisecentra; of
- 3°.
samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.47 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
- 1°.
- r.
school: de schoollocatie waar de leerling onderwijs volgt: Dit is
- 1°.
basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs;
- 2°.
school voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; of
- 3°.
school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020;
- 1°.
- s.
schoolvakantie: vakantie waarvan de datum is opgenomen in de schoolgids
- t.
stage: praktische leertijd bij de beroepsopleiding;
- u.
toegankelijke school: toegankelijke school als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder a, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 8.29, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 4, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra, waar plaats is en waarbij de op godsdienst of levensbeschouwing van de ouders of de meerderjarige leerling berustende keuze van een school geëerbiedigd wordt;
- v.
vervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer tussen de woning dan wel de opstapplaats en de school dat plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids, tenzij de structurele handicap van een leerplichtige leerling die aansluiting onmogelijk maakt;
- w.
vervoersvoorziening:
- 1°.
vergoeding van fietsvervoer voor de leerling en zo nodig van diens begeleider;
- 2°.
vergoeding van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig van dienst begeleider;
- 3°.
aanbieding van aangepast vervoer voor de leerling en zo nodig voor diens begeleider; of
- 4°.
gehele of gedeeltelijke vergoeding van de vervoerkosten van de leerling en zo nodig diens begeleider;
- 1°.
- x.
woning: plaats waar de leerling feitelijk en structureel verblijft.
Artikel 53. Doelstelling
Dit hoofdstuk van de Integrale verordening heeft tot doel om, op basis van een beoordeling op grond van de in deze verordening vastgestelde criteria en een onderzoek naar de individuele situatie van de leerling, een gehele of gedeeltelijke bekostiging toe te kennen aan de ouders voor het goedkoopst passend vervoer van de leerling van de woning dan wel de opstapplaats naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor de leerling en terug.
Paragraaf 5.2 Aanvraagprocedure van de vervoersvoorziening
Artikel 54. Aanvraag
-
1. Een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt gedaan in de gemeente waar de leerling structureel verblijft, door indiening bij het college van een volledig ingevuld en door de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling ondertekend formulier, voorzien van de op het formulier vermelde gegevens.
-
2. Als dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is, kan het college de ouders verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken
-
3. De gegevens voortvloeiend uit de aanvraag voor een vervoersvoorziening worden slechts gebruikt om de aanvraag te kunnen beoordelen en uitvoering te geven aan de vervoersvoorziening voor de leerling.
Artikel 55. Onderzoek
-
1. Bij de beoordeling van een aanvraag voor een vervoersvoorziening voor de leerling en eventueel een begeleider, onderzoekt het college in elk geval de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en die van het gezin, en de afstand en route tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school.
-
2. Het college kan in een gesprek met de ouders, en desgewenst met de leerling, de noodzakelijk te achten vervoersvoorziening onderzoeken. Bij dit gesprek kan, als het college dat noodzakelijk acht, ook een deskundige aansluiten.
-
3. Bij gewijzigde omstandigheden kan het gesprek als bedoeld in het tweede lid opnieuw plaatsvinden.
-
4. Het college kan in overleg met de ouders en desgewenst de leerling, gelet op het ontwikkelingsperspectief van de leerling, een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan opstellen, waarin de weg naar zelfstandig reizen naar school wordt beschreven alsmede de mogelijkheden van de leerling. Dit plan maakt onderdeel uit van het besluit.
Artikel 56. Inzet deskundige
-
1. Het college betrekt een deskundige bij het onderzoek en verzoekt deze advies uit te brengen, ter beoordeling van de individuele situatie van de leerling, op het moment dat het college specifieke deskundigheid noodzakelijk acht.
-
2. De ouders en de leerling verlenen medewerking aan het onderzoek van de deskundige.
Artikel 57. Beslistermijn
-
1. Het college besluit binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag voor een vervoersvoorziening.
-
2. Het college kan de in het vorige lid bedoelde besluitvormingstermijn met ten hoogste vier weken verlengen. Het college stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis.
Artikel 58. Ingangsdatum voorziening
Als een vervoersvoorziening wordt toegekend geldt deze:
- a.
wanneer het een vergoeding betreft, met ingang van de verzochte datum, waarbij de datum niet ligt vóór de datum van ontvangst van de aanvraag;
- b.
wanneer het aanbieding van aangepast vervoer betreft, met ingang van een datum die zo mogelijk aansluit bij de verzochte datum.
Artikel 59. Besluit
-
1. Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking, de uitbetaling, en de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening.
-
2. Het college kan aan de toekenning van een vervoersvoorziening nadere voorwaarden verbinden.
Paragraaf 5.3 Beoordelingscriteria
Artikel 60. Algemene bepalingen beoordelingscriteria
-
1. De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun kind(eren).
-
2. Ten behoeve van het schoolbezoek van een leerling die zijn woning heeft in de gemeente, kent het college aan de ouders of de meerderjarige leerling op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. Hierbij vormt de goedkoopst passende vervoersvoorziening het uitgangspunt.
-
3. De verantwoordelijkheid om als dat nodig is te zorgen voor een begeleider berust bij ouders, tenzij naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat begeleiding van de leerling door de ouders of anderen uit hun netwerk onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden.
-
4. Als begeleiding in het vervoer vereist is, vergoedt het college geen andere kosten dan de vervoerskosten die verbonden zijn aan de begeleiding van de leerling in het vervoer.
-
5. De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling gedurende het verblijf van de leerling in het aangepast vervoer berust bij de ouders.
-
6. Bij de keuze voor de te verstrekken vervoersvoorziening wordt achtereenvolgens beoordeeld of vervoer, al dan niet met begeleiding, mogelijk is:
- a.
per fiets;
- b.
met openbaar vervoer;
- c.
met eigen vervoer;
- d.
met aangepast vervoer;
- a.
-
7. Het college kan ten behoeve van de uitvoering van deze verordening nadere regels stellen.
Artikel 61. Afwijzingsgronden
-
1. Geen vervoersvoorziening wordt toegekend als de afstand van de woning tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school kleiner dan of gelijk is aan 6 kilometer. Deze grens geldt niet voor gehandicapte leerlingen.
-
2. Geen vervoersvoorziening wordt toegekend voor het bezoeken van het voortgezet onderwijs, tenzij:
- a.
er sprake is van voortgezet speciaal onderwijs en de leerling door een handicap niet zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Wet op de expertisecentra; of
- b.
de leerling door een lichamelijke, verstandelijke of zintuigelijke handicap niet zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer als bedoeld in artikel 8.28, van de Wet voortgezet onderwijs 2020.
- a.
Artikel 62. Andere oplossing
-
1. Als de leerling aanspraak kan maken op een passende voorziening of vergoeding voor de reiskosten op basis van een andere regeling, komt de leerling niet in aanmerking voor een vervoersvoorziening op basis van deze verordening.
-
2. Als de leerling aanspraak kan maken op een gedeeltelijke vergoeding voor de reiskosten op basis van een andere regeling betrekt het college deze vergoeding bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding op grond van deze verordening of brengt bij dit bedrag als eigen bijdrage in rekening.
Artikel 63. Aanwijzing opstapplaats
Het college kan overgaan tot het instellen van opstapplaatsen, waarbij geldt dat:
- a.
het college bij het verstrekken van aangepast vervoer een opstapplaats kan aanwijzen van waaruit de leerling gebruik maakt van de vervoersvoorziening.
- b.
De opstapplaats zich bevindt op een veilige en beschutte locatie en op een redelijke loopafstand van de woning van de leerling en voldoende ruimte biedt voor een eventuele begeleider;
- c.
de ouders er zorg voor dragen dat de leerling naar en op de opstapplaats wordt begeleid als dit noodzakelijk is.
- d.
het college geen opstapplaats aanwijst als naar oordeel van het college door de ouders voldoende wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen uit hun netwerk onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden.
- e.
het college tijdelijk geen opstapplaats aanwijst als het gebruik van een opstapplaats leidt tot hogere kosten dan aangepast vervoer vanaf de woning van de leerling.
Artikel 64. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school
-
1. In overeenstemming met artikel 4, vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra en artikel 8.29, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, wordt een vervoersvoorziening toegekend over de afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee brengt en de ouders of de meerderjarige leerling als aanvrager met het vervoer naar die school schriftelijk instemt.
-
2. Er wordt, overeenkomstig artikel 4, vijfde lid, aanhef en onder c en d, van de Wet op het primair onderwijs, eveneens een vervoersvoorziening verstrekt over de afstand tussen de woning of de opstapplaats en:
- a.
de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is, als ouders daar schriftelijk mee instemmen; of
- b.
een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a bedoelde samenwerkingsverband, als het vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs als bedoeld onder a en ouders daar schriftelijk mee instemmen.
- a.
-
3. Als de ouders of de meerderjarige leerling vanwege een specifieke onderwijskundige behoefte van de leerling een vervoersvoorziening aanvragen naar een school op een grotere afstand, dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen, wordt deze slechts toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden:
- a.
aan het college is door de ouders of de meerderjarige leerling naar het oordeel van het college voldoende aangetoond wat de specifieke en noodzakelijke onderwijskundige onderwijsbehoefte is van de leerling; en
- b.
aan het college is door de ouders of de meerderjarig leerling naar het oordeel van het college voldoende aangetoond dat de dichtstbijzijnde school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen niet toegankelijk is vanwege het niet kunnen bieden van het noodzakelijke specifieke onderwijsaanbod.
- a.
Artikel 65. Peildatum leeftijd leerling
Voor het verstrekken van een vervoersvoorziening is de leeftijd van de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de vervoersvoorziening betrekking heeft, bepalend.
Artikel 66. Schooltijden en wachttijden
-
1. Het aangepast vervoer vindt plaats in aansluiting op de schooldagen en schooltijden, zoals deze zijn opgenomen in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt.
-
2. Als er binnen een school sprake is van verschillende lesroosters binnen vaste schooltijden, kan het college besluiten met de inzet van het aangepaste vervoer een wachttijd van één of meerdere (les)uren in te stellen, om het aangepast vervoer zo efficiënt mogelijk in te zetten.
-
3. Het aangepast vervoer op schooldagen en schooltijden die afwijken van de in de schoolgids genoemde dagen en tijden wordt niet georganiseerd, tenzij de ouders of de meerderjarige leerling als aanvrager naar het oordeel van het college toereikend bewijs overlegt waaruit blijkt dat de structurele handicap van een leerling de aansluiting op de standaard schooltijden onmogelijk maakt.
Artikel 67. Tijdelijk verblijf buiten de gemeente
-
1. Het college kan een tijdelijke vervoersvoorziening voor een periode van maximaal zes weken toekennen aan de ouders van een leerling, die als gevolg van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente verblijft, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- a.
de leerling blijft zijn eigen school bezoeken; en
- b.
in de periode, voorafgaand aan het tijdelijk verblijf buiten de gemeente, is een vervoervoorziening toegekend op grond van deze verordening; en
- c.
de intentie bestaat dat de leerling terugkeert naar de oorspronkelijke gemeente.
- a.
-
2. Het besluit waarin de vervoersvoorziening is toegekend voorafgaand aan een tijdelijke vervoersvoorziening wordt opgeschort met ingang van de datum van tijdelijk verblijf buiten de gemeente en herleeft weer zodra de leerling terugkeert in de gemeente, tenzij de geldigheidsduur van dit besluit is verstreken.
-
3. Als de vervoersvoorziening bestaat uit aangepast vervoer kan het college, in overleg met de gemeente waarin de leerling tijdelijk verblijft, besluiten dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van het tijdelijk verblijf het vervoer uitvoert.
Artikel 68. Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie bij verblijf in pleeggezin of internaat
-
1. Met inachtneming van de artikelen 55 en 57 kent het college op aanvraag een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de schoolvakantie toe aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft.
-
2. Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het weekeindevervoer van de leerling voor de, eenmaal per weekeinde gemaakte, reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de weekeinden niet vallen binnen de in het eerste lid bedoelde schoolvakanties.
-
3. Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het vervoer van de leerling tijdens de schoolvakanties. De voorziening betreft de reis van het internaat of adres van het pleeggezin naar de woning van de ouders, eenmaal aan het begin van de vakantie en eenmaal aan het einde van de vakantie, voor zover de vakantie voorkomt in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt.
-
4. Voor de toekenning is een vergoeding van de kosten van openbaar vervoer het uitgangspunt. Het college vergoedt ook de kosten van het openbaar vervoer voor een begeleider, als de leerling wegens zijn structurele handicap of leeftijd niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken.
-
5. Het college kan toestaan dat de ouders de leerling zelf vervoeren of laten vervoeren. De vergoeding is dan afhankelijk van de vervoersvoorziening waarop de ouders aanspraak zouden maken.
-
6. Het college kan uitsluitend aangepast vervoer toekennen voor weekeinde en vakantievervoer wanneer:
- a.
openbaar vervoer geheel ontbreekt; of
- b.
het gaat om een leerling van het voortgezet speciaal onderwijs die verblijvend in een internaat of pleeggezin, wegens zijn structurele handicap niet zelfstandig, ook niet met een begeleider gebruik kan maken van het openbaar vervoer.
- a.
Artikel 69. Vervoersvoorziening naar stageadres
-
1. Als er aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening naar school kan op verzoek een vervoersvoorziening worden toegekend voor het vervoer naar een stageadres. Hiervoor wordt een afzonderlijke aanvraag ingediend.
-
2. De vervoersvoorziening naar een stageadres wordt, in aanvulling op de voorwaarden die gelden voor een vervoersvoorziening naar school, slechts toegekend als er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
- a.
de stage is onderdeel van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de school en wordt aangetoond in het stagecontract;
- b.
de stagetijden komen overeen met de reguliere schooltijden;
- c.
de stage vindt plaats op één stageadres; en
- d.
het stageadres is gelegen op de route van de woning dan wel de opstapplaats naar de school.
- a.
-
3. De in het tweede lid, onder d, genoemde voorwaarde is niet van toepassing als kan worden aangetoond dat dit niet mogelijk is. In dat geval kan het stageadres gelegen zijn binnen een door college te bepalen maximale aantal kilometers van de woning dan wel opstapplaats of de school.
-
4. Een vervoersvoorziening wordt slechts toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling dan wel de opstapplaats en het dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke stageadres.
-
5. Het college kan het stagecontract opvragen.
Artikel 70. Vervoersvergoeding voor de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets
-
1. Als voldaan is aan de afstandsgrens, verstrekt het college aan de ouders van de leerling vanaf 9 jaar die een basisschool zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs bezoekt, bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer
-
2. Als aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in het eerste lid en de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets, verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets.
-
3. Het college bepaalt de hoogte van de te verstrekken vervoersvoorziening in de vorm van een vervoersvoorziening op basis van de kosten van het openbaar vervoer en houdt daarbij rekening met de kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden.
-
4. De kilometervergoeding voor het afleggen van de afstand per fiets bedraagt € 0,11.
Artikel 71. Vervoersvergoeding voor de kosten van openbaar vervoer of vervoer per fiets ten behoeve van een begeleider
-
1. Het college verstrekt aan de ouders van de leerling vanaf 9 jaar vergoeding op basis van de kosten van het openbaar vervoer of vervoer per fiets van de leerling en een begeleider als:
- a.
voldaan is aan de afstandsgrens, de leerling jonger dan twaalf jaar is en een basisschool, zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs bezoekt, en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken, of
- b.
voldaan is aan de afstandsgrens, de leerling jonger is dan twaalf jaar en een speciale school voor basisonderwijs, zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, bezoekt, of
- c.
de leerling door een handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken.
- a.
-
2. Als een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één begeleider voor bekostiging in aanmerking.
-
3. Bij de vergoeding van de kosten van het openbaar vervoer houdt het college rekening met de kortingen die voor de begeleider binnen het systeem kunnen gelden.
-
4. De kilometervergoeding voor de fiets bedraagt € 0,11.
Artikel 72. Vervoersvergoeding op basis van de kosten van door de ouders georganiseerd vervoer
-
1. Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de ouders vragen of op aanvraag toestaan één of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren, als dit leidt tot een goedkoper vervoersalternatief.
-
2. Ouders kunnen op basis van het eerste lid niet verplicht worden om één of meer leerlingen zelf te vervoeren.
-
3. Als toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, vergoedt het college aan de ouders die een leerling zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren:
- a.
een bedrag op basis van de kosten van het vervoer per fiets voor de leerling zonder begeleiding, als aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets al dan niet met begeleiding. De kilometervergoeding voor de fiets is € 0,11 per kilometer.
- b.
een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer voor de leerling zonder begeleiding, als aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer al dan niet met begeleiding; of
- c.
een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de eigen auto (kortste route), als aanspraak zou bestaan op een voorziening in de vorm van aangepast vervoer. Deze vergoeding is op basis van het belastingvrije bedrag per kilometer (€ 0,23), gebaseerd op twee retourreizen per dag.
- d.
een bedrag op basis van de werkelijk gemaakte reiskosten voor de leerling die gebruik maakt van een schoolbus van een school of een oudervereniging.
- a.
-
4. Als toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, vergoedt het college aan de ouders die meer dan één leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto per rit en niet per leerling.
-
5. Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die reeds voor dit vervoer vergoeding van het college ontvangen, wordt door het college geen vergoeding verstrekt.
-
6. Als ouders in samenwerking met andere ouders besluiten zelf een vervoersvoorziening te organiseren, kan het college een bijzonder kostendekkend tarief hanteren, als dit leidt tot een goedkoper vervoersalternatief.
Artikel 73. Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer
-
1. Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school bezoekt, als:
- a.
voldaan is aan de afstandsgrens genoemd en de leerling onder de 9 jaar is;
- b.
voldaan is aan de afstandsgrens, de leerling tussen 9 en 12 jaar is en clusteronderwijs bezoekt;
- c.
aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 70 en 71 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar een basisschool of terug rekening houdend met wachttijden, overstaptijden en de duur van de reis met verschillende vormen van openbaar vervoer, meer dan anderhalf uur onderweg is;
- d.
aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 70 en 71 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar een speciale school voor basisonderwijs of terug, rekening houdend met wachttijden, overstaptijden en de duur van de reis met verschillende vormen van openbaar vervoer, meer dan een uur onderweg is;
- e.
het een school voor voortgezet speciaal onderwijs cluster 1, 2 of 3 betreft en de leerling door een handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken;
- f.
aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 71, de leerling een school voor regulier voortgezet onderwijs of speciaal voortgezet onderwijs cluster 4 bezoekt en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, rekening houdend met wachttijden, overstaptijden en de duur van de reis met verschillende vormen van openbaar vervoer, meer dan drie kwartier onderweg;
- g.
aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 70 en 71 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets;
- h.
aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 71 en door de ouders genoegzaam wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is; of
- i.
de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op zijn handicap niet in staat is – ook niet onder begeleiding –van openbaar vervoer gebruik te maken.
- j.
dit leidt tot een goedkoper vervoersalternatief.
- a.
-
2. In het geval van een toekenning aangepast vervoer kan een vervoersvoorziening verstrekt worden voor vervoer naar één ander adres dan de woning van de leerling indien:
- a.
dit een adres betreft waar kinderopvang wordt geboden, omdat beide ouders werken;
- b.
het adres van de opvanglocatie binnen een straal van 500 meter van de school van de leerling ligt of in de dorpskern waar de leerling woont, ligt, en
- c.
er sprake is van een vast patroon, dat wil zeggen één vast opvangadres op vaste dag(en) per week, dat bij de aanvraag is opgegeven.
- d.
dit geen hulpverlening in het kader van de Jeugdwet betreft.
- a.
Artikel 74. Vergoeding andere passende vervoersvoorziening
Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college na overleg met de ouders een bekostiging verstrekken voor een andere passende voorziening, die goedkoper is dan of gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer.
Paragraaf 5.4 Bijdrage in de kosten
Artikel 75. Drempelbedrag
-
1. Bij de verstrekking van een vervoersvoorziening betalen de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, van wie het inkomen samen meer bedraagt dan € 31.500,- , de op de zone-indeling van het openbaar vervoer gebaseerde kosten over de in artikel 61 bepaalde afstand van 6 kilometer zelf. Dit bedrag wordt in mindering gebracht op de te verstrekken vervoersvergoeding of bij de verstrekking van aangepast vervoer bij de ouders in rekening gebracht.
-
2. Het in het eerste lid genoemde inkomensbedrag wordt met ingang van 1 januari 2026 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450,-.
-
3. Op verzoek van ouders kan, bij een aantoonbare structurele inkomensdaling, in afwijking van het eerste lid, het actuele inkomen worden gehanteerd. In aansluiting op artikel 3.10 van de Wet studiefinanciering 2000 wordt onder de terugval in inkomen verstaan: een vermindering van de som van de toetsingsinkomens van de beide ouders tezamen met ten minste 15% ten opzichte van het peiljaar.
-
4. Het eerste tot en met het derde lid zijn niet van toepassing op gehandicapte leerlingen, pleegouders en voogdijinstellingen.
Artikel 76. Draagkrachtafhankelijke bijdrage
-
1. Bij de verstrekking van een vervoersvoorziening betalen de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt die als gevolg van een keuze van de ouders verder is gelegen dan 20 kilometer van de woning, overeenkomstig artikel 4, elfde lid, van de Wet op het primair onderwijs, een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer.
-
2. De hoogte van het bedrag wordt berekend per gezin en is afhankelijke van de hoogte van het inkomen van de ouders. De bedragen van de eigen bijdrage per gezin per inkomenscategorie bedragen:
Inkomen in euro’s
Eigen bijdragen in euro’s
0 – 42.000
Nihil
42.000 – 50.000
185
50.000 – 58.000
820
58.000 – 65.000
1.520
65.000 – 74.500
2.230
74.500 – 81.500
2.990
81.500 en verder
2.990 plus voor elke extra € 5.000,-: € 715,- erbij
-
3. De inkomensbedragen, genoemd in het tweede lid, worden jaarlijks met ingang van 1 januari 2026 aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500,-.
-
4. De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het tweede lid, worden jaarlijks met ingang van 1 januari aangepast aan de wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5,-.
-
5. Op verzoek van ouders kan, bij een aantoonbare structurele inkomensdaling, in afwijking van het tweede lid, het actuele inkomen worden gehanteerd.
-
6. Het drempelbedrag genoemd in artikel 75 kan tegelijk met de draagkrachtafhankelijke eigen bijdrage genoemd in het eerste lid, opgelegd worden aan het gezin.
-
7. Dit artikel is niet van toepassing op gehandicapte leerlingen.
Hoofdstuk 6: Wijzigingen, kwaliteit, medezeggenschap en klachten
Artikel 77. Kwaliteitseisen
-
1. Het college draagt er zorg voor dat minimaal de uitvoering van de wettelijke kwaliteitseisen worden opgenomen in de contracten met de aanbieders.
-
2. Voor zover er sprake is van een keurmerk voor de branche waarbinnen de aanbieder in het kader van een overeenkomst met de gemeente opereert, draagt het college er zorg voor dat het alleen aanbieders contracteert die beschikken over dit keurmerk of vergelijkbare kwaliteitseisen.
-
3. Het college draagt er zorg voor dat indien een aanbieder gebruik maakt van een onderaannemer, deze er als hoofdaanbieder verantwoordelijk voor is dat de onderaannemer voldoet aan de kwaliteitseisen die het college aan de ondersteuning stelt.
-
4. De aanbieder draagt er zorg voor dat de door hem ingeschakelde medewerkers en vrijwilligers voldoen aan de voor de functie vereiste deskundigheid, vaardigheden en wettelijke eisen.
-
5. Het college kan bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, in het kader van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. Het college kan, met uitzondering van aanbieders die hulpmiddelen of woningaanpassingen leveren, eisen dat de beroepskracht die maatschappelijke ondersteuning biedt voor aanvang van de dienstverlening over een actuele verklaring omtrent het gedrag beschikt als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
-
6. De aanbieder dient te komen tot een goede samenwerking en een goede afstemming met andere professionals en het sociale netwerk van de cliënt.
-
7. Het college onderzoekt periodiek en steekproefsgewijs de kwaliteit van de door de aanbieder geboden ondersteuning.
Artikel 78. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieder
-
1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst als bedoeld in artikel 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015 of artikel 2.11, tweede lid van de Jeugdwet en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de dienst, stelt het college vast:
- a.
een vaste prijs of tarief, toegepast bij een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met een derde; of
- b.
een reële prijs of tarief, geldend als ondergrens voor:
- -
een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en
- -
de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.
- -
- a.
-
2. Het college stelt de prijs of het tarief, bedoeld in het eerste lid, vast:
- a.
overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht; en
- b.
rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wmo 2015 en 12.4, eerste lid, onder a, van de Jeugdwet, tussen degenen aan wie de dienst of jeugdhulp wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.
- a.
-
3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs ten minste op de volgende kostprijselementen:
- a.
de kosten van de beroepskracht;
- b.
de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie;
- c.
redelijke overheadkosten;
- d.
kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;
- e.
reis en opleidingskosten;
- f.
overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen waaronder kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders, zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.
- a.
-
4. Het college kan het eerste lid, onder b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een reële prijs of tarief voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op wat gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.
Artikel 79. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering
-
1. Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening in natura, pgb of bekostiging leerlingenvervoer zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.
-
2. Onverminderd artikel 8.1.2 van de Jeugdwet en artikel 2.3.8 van de Wmo 2015 doet een cliënt of ouder van een leerling op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een besluit aangaande een voorziening.
-
3. Onverminderd artikel 8.1.4 van de Jeugdwet en artikel 2.3.10 van de Wmo 2015 kan het college een besluit aangaande een voorziening of vergoeding in het kader van het leerlingenvervoer herzien, dan wel intrekken als het college vaststelt dat:
- a.
de cliënt/ouder onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid;
- b.
de cliënt/ouder niet langer op de maatwerkvoorziening, het pgb of de vergoeding is aangewezen;
- c.
de maatwerkvoorziening, het pgb of de vergoeding niet meer toereikend of passend is;
- d.
de cliënt niet (meer) voldoet aan de voorwaarden van de maatwerkvoorziening, het pgb of vergoeding, of
- e.
de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het bestemd is;
- f.
ouders weigeren het drempelbedrag bedoeld in artikel 75 te betalen of nalatig zijn in het betalen ervan;
- g.
ouders weigeren de draagkrachtafhankelijke eigen bijdrage bedoeld in artikel 76 te betalen of nalatig zijn in het betalen ervan;
- h.
Sprake is van onaanvaardbaar gedrag door de leerling of de ouder gedurende het verblijf in aangepast vervoer;
- i.
Het vervoeren van de leerling leidt tot een onveilige situatie voor de leerling zelf, andere reisgenoten of de chauffeur in het aangepast vervoer.
- a.
-
4. Indien het college een besluit op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken, kan het college geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening, het ten onrechte genoten pgb of de ten onrechte genoten bekostiging.
-
5. Indien een besluit tot verlening van een voorziening is ingetrokken, kan op grond van artikel 8.1.4 van de Jeugdwet en artikel 2.4.1 van de Wmo 2015 een reeds uitbetaald pgb worden teruggevorderd.
-
6. Indien een besluit tot verlening van een voorziening is ingetrokken, kan op grond van artikel 8.1.4 van de Jeugdwet en artikel 2.4.1 van de Wmo 2015 een reeds uitbetaald pgb worden teruggevorderd.
-
7. Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.
-
8. Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggehaald.
-
9. De kosten van een ten onrechte genoten vervoersvoorziening kunnen van de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling worden teruggevorderd, of worden verrekend met een verstrekte maar nog niet uitbetaalde vervoersvergoeding.
-
10. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen (waaronder pgb’s) met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan.
Artikel 80. Klachtenregeling
-
1. Het college handelt klachten af overeenkomstig de in de gemeente geldende klachtenregeling.
-
2. Het college neemt in de contracten met aanbieders op dat de aanbieders een effectieve en laagdrempelige klachtregeling moeten hebben voor de behandeling van klachten van cliënten ten aanzien van gedragingen van de aanbieder jegens een cliënt
-
3. In aanvulling op andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtenregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.
Artikel 81. Medezeggenschap bij aanbieders
-
1. De aanbieder van een maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening is verplicht een regeling te treffen voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn.
-
2. Een jeugdhulpaanbieder en gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 4.2.4, van de Jeugdwet is verplicht een regeling te treffen voor medezeggenschap conform paragraaf 4.2.b van de Jeugdwet.
-
3. De aanbieder draagt er zorg voor dat de informatie over de medezeggenschap voldoende kenbaar is voor de cliënten van zijn organisatie.
-
4. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de voorwaarden waaraan een cliëntenraad moet voldoen.
Artikel 82. Incidenten, calamiteiten en geweld
-
1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder van maatschappelijke ondersteuning en wijst een toezichthouder aan als bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo.
-
2. Aanbieders melden calamiteiten en geweld dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening direct aan de toezichthouder.
-
3. De toezichthouder als bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.
-
4. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.
Artikel 83. Doel- en rechtmatigheid
-
1. Het college wijst een toezichthouder rechtmatigheid aan belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet en Wmo 2015.
-
2. Het college maakt afspraken met aanbieders van voorzieningen over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties
-
3. Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van het eerste lid.
Hoofdstuk 7: Participatie in het Sociaal Domein
Artikel 84. Begripsbepalingen participatie sociaal domein
In deze verordening wordt verstaan onder:
- a.
adviesraad: het door het college ingestelde orgaan dat het college adviseert over beleidsvoorstellen binnen het sociaal domein van de gemeente Zuidplas;
- b.
representatieve organisatie: organisatie die de belangen van een of meerdere specifieke cliёntgroepen/doelgroepen behartigt zoals deze omschreven worden binnen de Wmo 2015 en Jeugdwet;
- c.
belanghebbenden: inwoners die aanspraak kunnen maken op ondersteuning door de gemeente binnen het sociaal domein en hun mantelzorgers of vertegenwoordigers;
- d.
lid: een lid van de Adviesraad Sociaal Domein Zuidplas;
- e.
achterban: het bestuur en/of de leden van de representatieve organisaties en inwoners van de gemeente Zuidplas;
- f.
cliёntparticipatie: de wijze waarop cliënten van zorg- en ondersteuningsvoorzieningen en hun mantelzorgers en/of vertegenwoordigers op het terrein van de Wmo en Jeugdwet geraadpleegd worden over de uitvoering van het (gemeentelijk) beleid en over de ervaren kwaliteit van zorg en ondersteuning op deze terreinen;
- g.
beleidsparticipatie: de gestructureerde wijze waarop de gemeente belanghebbende inwoners van de gemeente Zuidplas betrekt bij de voorbereiding, ontwikkeling en evaluatie van het gemeentelijk beleid op het sociaal domein;
- h.
sociaal domein: het integrale gemeentelijke beleid voortvloeiend uit Wmo 2015, Jeugdwet en Participatiewet;
- i.
vergadering: een vergadering van de leden van de adviesraad;
- j.
ambtelijk vertegenwoordiger: ambtenaar die namens de gemeente als contactpersoon optreedt naar de adviesraad;
- k.
voorzitter: de voorzitter van de adviesraad;
- l.
secretaris: de secretaris van de adviesraad;
- m.
penningmeester: de penningmeester van de adviesraad.
Artikel 85. Doelstelling
Met het hoofdstuk Participatie Sociaal Domein Zuidplas geeft de gemeente Zuidplas invulling aan de wettelijke verplichtingen op grond van:
- A.
De Wmo, Jeugdwet en Participatiewet waarbij het college inwoners dient te betrekken bij het opstellen van beleid voordat zij dat beleid ter besluitvorming voorlegt aan de gemeenteraad;
- B.
De Wmo, Jeugdwet en Participatiewet waarbij cliënten of hun vertegenwoordigers worden betrokken bij de uitvoering van het gemeentelijk beleid Sociaal Domein, op basis van de genoemde wetgeving.
A.Beleidsparticipatie
Via beleidsparticipatie betrekt de gemeente inwoners bij het opstellen en evalueren van beleid. De gemeente Zuidplas geeft invulling aan de beleidsparticipatie door:
- 1.
Het betrekken van inwoners en belanghebbenden (cliënten, hun mantelzorgers of andere vertegenwoordigers, Adviesraad Sociaal Domein Zuidplas, zorgaanbieders en andere partijen) bij de start van nieuw op te stellen beleid of projecten.
- 2.
Het laten adviseren over beleidsvoorstellen en de evaluatie van beleid binnen het sociaal domein via de Adviesraad Sociaal Domein Zuidplas. Dit geldt ook voor beleidsvoorstellen en evaluatie uit andere beleidsvelden dan de Wmo en Jeugdwet indien het deze wetten uit het sociaal domein wel raakt.
B.Cliëntenparticipatie
De gemeente geeft invulling aan cliёntparticipatie en biedt daarmee cliënten (degenen die zorg- en ondersteuning ontvangen) en hun vertegenwoordigers de mogelijkheid om invloed uit te oefenen op de uitvoering van het beleid op de volgende manieren:
- 1.
Via de medezeggenschap bij zorgaanbieders van Wmo en Jeugdwet:
- a.
de gemeente legt via de inkoop van zorgvoorzieningen van de Wmo en de Jeugdwet vast dat de zorgaanbieders een regeling voor medezeggenschap hanteren;
- b.
de gemeente monitort de uitvoering van deze medezeggenschap binnen zorgaanbieders via de accountgesprekken en de jaarlijkse verantwoording van zorgaanbieders;
- c.
Zorgvoorzieningen Wmo 2015 die een regeling voor medezeggenschap dienen te hanteren zijn:
- i.
Voorzieningen voor Dagbesteding
- ii.
Voorzieningen voor Begeleiding
- iii.
Voorzieningen Beschermd wonen en Beschut wonen
- iv.
Voorzieningen Respijtzorg en Kort verblijf
- v.
Voorzieningen Maatschappelijke opvang en vrouwenopvang
- i.
- a.
- 2.
Via het raadplegen van cliënten bij het monitoren van beleid via in te richten cliёntenpanels
- 3.
Via jaarlijks uit te voeren cliёnttevredenheidsonderzoek onder cliënten en hun mantelzorgers/ vertegenwoordigers van de Wmo en Jeugdwet. De gemeente kan dit onderzoek zelf uitvoeren en/of zorgaanbieders en/of een derde partij opdragen deze onderzoeken uit te voeren.
Artikel 86. Taken van de adviesraad
-
1. De adviesraad adviseert het college gevraagd of ongevraagd over:
- a.
de voorbereiding, ontwikkeling, en evaluatie van beleid binnen het sociaal domein, bestaande uit de Participatiewet, Jeugdwet en Wmo 2015. Dit geldt ook voor beleidsvoorstellen en evaluatie uit andere beleidsvelden dan de Participatiewet, Jeugdwet en Wmo 2015 indien het deze drie wetten uit het sociaal domein wel raakt;
- b.
beleidsvoorstellen binnen het sociaal domein die door de gemeente in regionaal verband ontwikkeld zijn. Daartoe onderhoudt de adviesraad contacten met de adviesraden uit de regio om de advisering hierover af te stemmen.
- a.
-
2. De adviesraad is een van de partijen die door de gemeente betrokken worden bij het opstellen van nieuw beleid binnen het sociaal domein.
-
3. De adviesraad signaleert relevante trends en ontwikkelingen en/of knelpunten op het gebied van het beleid binnen het sociaal domein.
-
4. De adviesraad houdt zich niet bezig met en is niet bevoegd om te adviseren of te handelen naar aanleiding van individuele klachten of problemen tenzij er duidelijke gevolgen zijn voor het algemeen beleid.
Artikel 87. Werkwijze van de adviesraad
-
1. De adviesraad ontvangt de adviesvraag van de gemeente en heeft dan zes weken de tijd om een advies te geven aan het college.
-
2. De adviesraad adviseert schriftelijk en gemotiveerd aan het college en de adviezen zijn ondertekend door de voorzitter en/of secretaris van de adviesraad.
-
3. De adviestermijn kan bij uitzondering in overleg worden aangepast wanneer het college of de adviesraad dit noodzakelijk acht.
-
4. Ongevraagde adviezen worden ook aan het college gericht.
-
5. De adviesraad stelt een huishoudelijk reglement op dat ter informatie aan het college wordt voorgelegd. In het huishoudelijk reglement wordt in ieder geval opgenomen:
- a.
een regeling voor aan- en aftreden van leden; er wordt een rooster van aftreden opgesteld waarbij de continuïteit van kennis en ervaring zoveel mogelijk wordt gewaarborgd;
- b.
wanneer een lid door de adviesraad geschorst kan worden;
- c.
de werkwijze van de adviesraad;
- d.
regels voor declaratie van onkosten door leden;
- e.
de afvaardiging naar het ambtelijk en het bestuurlijke overleg met de gemeente Zuidplas.
- a.
-
6. Leden van de adviesraad zijn verplicht tot geheimhouding van alle informatie die zij in de hoedanigheid van lid van de adviesraad vernemen en waarvan zij het vertrouwelijke karakter kennen of redelijkerwijs kunnen vermoeden. De geheimhoudingplicht blijft bestaan na het einde van het lidmaatschap van de adviesraad.
Artikel 88. Werkwijze van het college
-
1. Het college vraagt tijdig advies aan de adviesraad bij beleidsvoorstellen betrekking hebbend op het sociaal domein.
-
2. Dit geldt zowel voor voorstellen die lokaal zijn opgesteld als bij regionaal voorbereide voorstellen waar lokale besluitvorming voor nodig is.
-
3. Het college stuurt met de adviesvraag de noodzakelijke stukken mee.
-
4. Het college reageert schriftelijk en gemotiveerd naar de adviesraad op het advies van de adviesraad.
-
5. Het advies van de adviesraad en de reactie van het college op het advies worden met het raadsvoorstel waarop het advies betrekking heeft meegezonden naar de raadscommissie en de gemeenteraad.
-
6. Het vierde en vijfde lid gelden voor gevraagd en ongevraagd advies.
Artikel 89. Overlegstructuur van de adviesraad
-
1. De adviesraad neemt in haar huishoudelijk reglement haar wijze van vergaderen op.
-
2. De adviesraad draagt zorg voor verslaglegging van haar vergaderingen en doet jaarlijks verslag naar inwoners van haar werkzaamheden en uitgebrachte adviezen.
-
3. De vergaderingen zijn openbaar tenzij door het college is verzocht om een onderwerp vertrouwelijk te behandelen of wanneer dit door een meerderheid van de adviesraad wenselijk wordt geacht.
-
4. Ten aanzien van de besluitvorming in de adviesraad geldt het volgende:
- a.
alle aanwezige leden van de adviesraad hebben stemrecht tijdens de vergadering;
- b.
indien de besluitvorming niet unaniem is, wordt hiervan melding gemaakt in de advisering aan het college;
- c.
besluitvorming vindt plaats op basis van meerderheid van stemmen van de op de vergadering aanwezige leden;
- d.
wanneer er bij stemming evenveel voor- als tegenstanders zijn, dan wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.
- a.
Artikel 90. Overleg met de gemeente
-
1. Er is een periodiek bestuurlijk overleg met de wethouders van Wmo 2015, Jeugdwet en Participatiewet met een afvaardiging van de adviesraad. Dit overleg vindt driemaal per jaar plaats of zoveel vaker als nodig is.
- a.
dit overleg heeft als doel om elkaar op de hoogte te houden van relevante ontwikkelingen en om van gedachten te wisselen over de hoofdlijnen van beleid. In de vergadering vindt derhalve geen besluitvorming plaats;
- b.
wanneer een onderwerp andere portefeuilles raakt dan kan de betreffende wethouder uitgenodigd worden om aan te sluiten;
- c.
de gemeente stelt de agenda op in overleg met de voorzitter van de adviesraad en draagt zorg voor verslaglegging.
- a.
-
2. Er is periodiek ambtelijk overleg met een afvaardiging van de adviesraad.
- a.
een afvaardiging van de adviesraad overlegt zesmaal per jaar/ eenmaal in de zes weken met een ambtelijke vertegenwoordiging van de gemeente;
- b.
in de vergadering worden relevante ontwikkelingen besproken op het gebied van het sociaal domein;
- c.
in het overleg wordt afstemming gezocht op inhoud en procedure over de onderwerpen die voor advisering zullen worden aangeboden aan de adviesraad;
- d.
de gemeente stelt de agenda op in overleg met de voorzitter van de adviesraad en draagt zorg voor verslaglegging.
- a.
Artikel 91. Faciliteren en verantwoording
-
1. Voor de activiteiten van de adviesraad wordt een budget beschikbaar gesteld.
-
2. De regels voor de besteding van dit budget worden vastgelegd in het huishoudelijk reglement van de adviesraad.
-
3. In het huishoudelijk reglement wordt ook het declaratiebesluit voor de leden opgenomen.
-
4. Voor kosten of verplichtingen die de adviesraad wil aangaan die buiten dit budget vallen is vooraf instemming van de gemeente nodig.
-
5. De adviesraad stelt jaarlijks, uiterlijk 3 maanden voor de aanvang van het boekjaar, een begroting vast die wordt ingediend bij het college.
-
6. Het college stelt het budget vast voor zover dat binnen het door de raad beschikbaar gesteld budget valt.
-
7. De adviesraad stelt jaarlijks binnen drie maanden na afloop van het boekjaar een financieel en inhoudelijk jaarverslag op.
-
8. Het financieel en inhoudelijk jaarverslag wordt aan het college gezonden voor de verantwoording van de werkzaamheden en afrekening van het boekjaar.
-
9. Het college stuurt het financieel en inhoudelijk jaarverslag aan de gemeenteraad ter informatie.
Artikel 92. Samenstelling van de adviesraad
-
1. De adviesraad bestaat uit minimaal 7 en maximaal 15 leden inclusief de voorzitter.
-
2. De leden worden geworven op basis van een profiel via een door de adviesraad in te stellen selectiecommissie. Daarbij wordt ernaar gestreefd dat de leden afkomstig zijn uit de combinatie van leden van representatieve organisaties, leden met een specifieke kennis of ervaring en leden vanuit doelgroepen dan wel ervaringsdeskundigen.
-
3. De leden worden benoemd door het college op grond van een ambtelijk advies. Het ambtelijk advies wordt opgesteld op basis van de voordracht van de selectiecommissie van de adviesraad.
-
4. De leden worden door het college geïnstalleerd waarbij de eed of belofte wordt afgelegd.
-
5. Leden hebben aantoonbaar een binding met de gemeente Zuidplas.
-
6. De leden benoemen uit de eigen geleding een dagelijks bestuur dat in ieder geval bestaat uit de voorzitter, een secretaris en penningmeester.
-
7. De leden van de adviesraad zijn geen wethouder of gemeenteraadslid en bekleden geen functie die onverenigbaar is, vergelijkbaar met de onverenigbaarheid met het wethouderschap als genoemd in artikel 36 b van de Gemeentewet, noch bekleden zij een functie waarbij zij vanuit die functie een direct belang hebben bij de advisering van de adviesraad.
-
8. De adviesraad is geen politiek orgaan noch een orgaan om zakelijke belangen te behartigen.
Artikel 93. Voorzitter
-
1. Het college benoemt de voorzitter die door een selectiecommissie van de adviesraad wordt geworven op basis van een profiel.
-
2. De voorzitter representeert de adviesraad en onderhoudt de algemene externe contacten.
-
3. De voorzitter draagt zorg voor de naleving van deze verordening, het huishoudelijk reglement en ziet erop toe dat de adviesraad en de individuele leden hun taken naar behoren uitoefenen.
-
4. De voorzitter heeft stemrecht.
Artikel 94. Secretaris/ Penningmeester
In het huishoudelijk reglement van de adviesraad worden de functies en taken van een secretaris en een penningmeester geregeld.
Artikel 95. Beëindiging lidmaatschap
-
1. Het lidmaatschap van de adviesraad eindigt:
- a.
indien de representatieve organisatie schriftelijk aan het college aangeeft niet langer vertegenwoordigd te willen zijn in de adviesraad;
- b.
op verzoek van het lid;
- c.
bij overlijden van het lid.
- a.
-
2. De zittingsduur van een lid bedraagt vier jaar met de mogelijkheid om het lidmaatschap met nog één zittingsduur van vier jaar te verlengen.
-
3. Het college kan een lid ontslaan wanneer:
- a.
een lid onzorgvuldig omgaat met de vertrouwelijke gegevens of anderszins niet-integer handelt, niet naar behoren de adviestaken vervult of anderszins een goede werkwijze van de adviesraad belemmert;
- b.
een lid door de adviesraad is geschorst.
- a.
-
4. Voordat het college een lid ontslaat op grond van het derde lid wordt het lid gehoord door een vertegenwoordiger van het college en de voorzitter van de adviesraad. Van het horen wordt een verslag gemaakt dat met een advies aan het college wordt voorgelegd.
-
5. Het college informeert het lid en de voorzitter van de adviesraad schriftelijk over het genomen besluit.
Artikel 96. Evaluatie
-
1. Deze verordening en het functioneren van de adviesraad worden eenmaal in de twee jaar door de adviesraad en de gemeente gezamenlijk geëvalueerd.
-
2. Bij de evaluatie wordt in ieder geval gelet op de wijze waarop de adviesraad haar taken invult.
-
3. Indien op basis van de in het eerste lid genoemde evaluatie blijkt dat aanpassing van deze verordening noodzakelijk is, dan zal het college hiervoor in overleg met de adviesraad een voorstel doen aan de gemeenteraad.
Hoofdstuk 8: Slotbepalingen
Artikel 97. Hardheidsclausule en gevallen waarin de verordening niet voorziet
-
1. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen van deze verordening, zo nodig na advies te hebben gevraagd aan deskundigen, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
-
2. Het college kan in aanvulling op lid 1 in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager van het leerlingenvervoer afwijken van het afstandscriterium, wanneer schoolverzuim dreigt. De hieruit volgende toekenning kan slechts op tijdelijke basis worden verstrekt.
-
3. In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.
Artikel 98. Intrekking oude verordening en overgangsrecht
-
1. Op de dag van inwerkingtreding van deze verordening wordt de Integrale Verordening Sociaal Domein Zuidplas 2026 (met ingangsdatum 1 januari 2026) ingetrokken.
-
2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de in lid 1 genoemde verordening totdat het college een nieuw besluit heeft genomen.
-
3. Aanvragen die zijn ingediend onder de onder lid 1 genoemde verordening maar waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze Verordening.
-
4. Voor het toepassen van het HHM Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025 voor de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp geldt een overgangsrecht van drie maanden als:
- a.
er sprake is van een gewijzigde situatie of verlengingsaanvraag, en
- b.
er nog steeds recht is op huishoudelijke hulp, en
- c.
er door het toepassen van het HHM Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025 sprake is van een verlaging van het aantal minuten per week hulp bij huishouden.
- a.
-
6. Het genoemde overgangsrecht in lid 4 geldt niet bij wijziging woonadres.
Artikel 99. Inwerkingtreding en citeertitel
-
1. Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking.
-
2. Deze verordening wordt aangehaald als “Integrale Verordening Sociaal Domein Zuidplas 2026”.
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 3-2-2026.
De griffier,
L.J. Ligtenberg
De voorzitter,
J.F. Weber
Toelichting op de Integrale Verordening Sociaal Domein Zuidplas 2026
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de jeugdhulp, de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) en het leerlingenvervoer. Deze verantwoordelijkheid biedt kansen voor de gemeente en voor onze inwoners:
- –
Kansen om verbindingen te leggen tussen de verschillende terreinen in het sociaal domein, een integrale benadering staat centraal;
- –
Kansen om maatwerk te bieden bij het zoeken naar oplossingen. Hierbij gaan we uit van de inwoner of het gezin en betrekken we deze in de oplossingen;
- –
Kansen voor: korte lijnen, kleinschalige dienstverlening, dichtbij de inwoners, duurzame oplossingen, snellere signalering en tijdig ingrijpen bij knelpunten of problemen;
- –
Kansen voor vergroting van kwaliteit- en doelmatigheid
In deze toelichting wordt de verordening artikelsgewijs toegelicht.
Leeswijzer
De Integrale Verordening Sociaal Domein 2026 bestaat uit de volgende hoofdstukken:
Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2: Integrale benadering
Hoofdstuk 3: Voorzieningen
Hoofdstuk 4: Persoonsgebonden budget
Hoofdstuk 5: Leerlingenvervoer
Hoofdstuk 6. Wijzigingen, kwaliteit, medezeggenschap en klachten
Hoofdstuk 7. Participatie in het Sociaal Domein
Hoofdstuk 8. Slotbepalingen
Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen
Artikel 1. Begrippen en afkortingen
In dit hoofdstuk zijn de begrippen die verdere toelichting behoeven opgenomen.
a. algemeen gebruikelijke voorziening
Een algemeen gebruikelijk voorziening voldoet aan de volgende criteria:
- -
de voorziening is normaal in de handel te krijgen, en;
- -
de voorziening is niet speciaal voor mensen met een beperking ontworpen, en;
- -
de voorziening is niet aanzienlijk duurder dan een vergelijkbaar product met hetzelfde doel, en;
- -
de voorziening is daadwerkelijk beschikbaar, en;
- -
de voorziening levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is, en;
- -
de voorziening kan financieel worden gedragen door mensen met een inkomen op minimumniveau;
(ECLI:NL:CRVB:2018:2182 en ECLI:NL:RBDHA:2022:5272).
b. algemene voorziening
Diensten of activiteiten die, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk zijn en die gericht zijn op het versterken van zelfredzaamheid en participatie of opvang. Een algemene voorziening is in beginsel voor iedereen toegankelijk. Om gebruik te maken van een algemene voorziening is geen besluit of indicatie nodig. Essentieel bij een algemene voorziening is dat een zorgaanbieder zich jegens het college verbindt om een algemene voorziening te leveren (ECLI:NL:CRVB:2016:1404, r.o. 4.5.7). Dit is ook het grote verschil met een algemeen gebruikelijke voorziening, bijvoorbeeld de boodschappendienst van een supermarkt, die geheel een aangelegenheid van de markt is en niet door het college wordt ingekocht.
De term ‘algemene voorziening’ komt uit de Wmo 2015. In de Jeugdwet wordt van ‘overige voorziening’ gesproken, maar hiermee wordt hetzelfde bedoeld. In deze verordening zal daarom worden gesproken over algemene voorziening. In de regelgeving omtrent leerlingenvervoer komt een dergelijk begrip niet voor.
c. beperking
In artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 is bepaald dat de maatschappelijke ondersteuning zich onder andere richt op de ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen.
Aangezien het begrip “beperking” noch in de Wmo 2015 noch in de Jeugdwet verder is gedefinieerd of toegelicht, is hiervan een eigen definitie geformuleerd, om aan te geven dat het hier gaat om een objectief vastgestelde lichamelijke, zintuigelijke, psychische of verstandelijke stoornis of conditie.
g. gebruikelijke hulp
Volgens de regering is het in onze samenleving normaal dat partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waar nodig en mogelijk hun rol nemen in het bieden van de normale, dagelijkse zorg en/of opvoeding, zeker wanneer er sprake is van een huisgenoot met een beperkte zelfredzaamheid. Het gaat om hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten.
Hierbij kan gedacht worden aan: helpen opstaan en naar bed gaan, helpen bij of aansporen tot persoonlijke verzorging, toezicht op het slikken van medicatie, ondersteuning bij maaltijden, het ondernemen van gezamenlijke activiteiten. Hierbij wordt rekening gehouden met de mate waarin er voldoende eigen kracht is om deze gebruikelijke zorg te bieden. (Dreigende) overbelasting is van invloed op de weging.
Richtlijnen ten aanzien van gebruikelijke zorg van ouders voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfasen van het kind
Kinderen van 0 tot 3 jaar
- •
hebben bij alle activiteiten verzorging van een ouder nodig;
- •
ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig;
- •
zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen;
- •
hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;
- •
hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;
- •
hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
Kinderen van 3 tot 5 jaar
- •
kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer);
- •
hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;
- •
hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;
- •
kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen;
- •
hebben hulp, toezicht, stimulans en controle nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen;
- •
hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding;
- •
zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven;
- •
hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
Kinderen van 5 tot 12 jaar
- •
kinderen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week;
- •
kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. kind kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is);
- •
hebben toezicht, stimulans en controle nodig en vanaf 6 jaar tot 12 jaar geleidelijk aan steeds minder hulp nodig bij hun persoonlijke verzorging zoals het zich wassen en tanden poetsen;
- •
hebben hulp nodig bij het gebruik van medicatie;
- •
zijn overdag zindelijk, en ‘s nachts merendeels ook; ontvangen zonodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers;
- •
hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;
- •
hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;
- •
hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrije tijdsbesteding gaan;
- •
hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
Kinderen van 12 tot 18 jaar
- •
hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;
- •
kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden;
- •
kunnen vanaf 16 jaar een dag en/of een nacht alleen gelaten worden;
- •
kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen;
- •
hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig;
- •
hebben bij gebruik van medicatie tot hun 18e jaar toezicht, stimulans en controle nodig;
- •
hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding;
- •
hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen);
- •
hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;
- •
hebben tot 17 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
Bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp in langdurige situaties houdt het college in ieder geval rekening met de volgende factoren ten aanzien van de huisgenoot van wie gevraagd wordt gebruikelijke hulp te bieden:
- a.
De leeftijd van de huisgenoot
- b.
De woonsituatie
- c.
De beschikbaarheid om hulp te bieden
- d.
De kennis, kunde en leerbaarheid van de huisgenoot om de noodzakelijke hulp te bieden
- e.
De lichamelijke en mentale belastbaarheid van de huisgenoot
- f.
Of er sprake is van problematiek bij de huisgenoot (zoals relationele problemen of schulden)
- g.
Welke verplichtingen de huisgenoot heeft, bijvoorbeeld door werk en sociale verplichtingen
- h.
Het belang van de huisgenoot om inkomen uit arbeid te krijgen
- i.
De vraag of financiële problemen (kunnen) ontstaan door het bieden van de hulp
i. inwoner
In eerste instantie is een inwoner iemand die woont in de gemeente Zuidplas. Of een inwoner zijn of haar ondersteuningsvraag aan de gemeente Zuidplas of aan een andere gemeente moet stellen, verschilt per wettelijk kader.
- -
Binnen de Wmo gaat het om de plaats waar het feitelijke hoofdverblijf is. In de regel betekent dit dat een inwoner ook daadwerkelijk ingeschreven staat in de Basisregistratie personen (Brp).
- -
In de Jeugdwet is het woonplaatsbeginsel van toepassing. In artikel 1.1 van de Jeugdwet is het begrip woonplaats gedefinieerd.
- -
Voor leerlingenvervoer is van belang waar de leerling structureel en feitelijk verblijft. Het is daarbij niet relevant in welke gemeente de ouders en/of het kind staan ingeschreven.
l. maatwerkvoorziening
In de Jeugdwet is de mogelijkheid opgenomen om een individuele voorziening aan te vragen, in de Wmo wordt gesproken over een maatwerkvoorziening. In deze verordening is qua begrip aansluiting gezocht bij de Wmo, omdat het begrip maatwerkvoorziening aangeeft dat het gaat om een oplossing die recht doet aan de ondersteuningsvraag en geen standaardoplossing is.
Het college verstrekt een maatwerkvoorziening als er sprake is van een noodzaak en als een cliënt niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid of participatie door gebruik te maken van: eigen kracht en/of; gebruikelijke hulp en/of; mantelzorg en/of; hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; algemene voorzieningen en/of voorliggende voorzieningen. Voorafgaand aan de toekenning van een maatwerkvoorziening wordt individueel onderzoek gedaan naar de noodzaak van deze voorziening. De voorziening wordt bij beschikking toegekend en er staat bezwaar en beroep open. Het besluit op de aanvraag van deze voorziening is afgestemd op de domeinen jeugdhulp, onderwijs, zorg, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen en politie en justitie.
o. melding
De melding is noch in de Wmo 2015, noch in de Jeugdwet gedefinieerd. Voor de Jeugdwet bestaat een melding in dusdanige niet, enige vorm van melding wordt gezien als aanvraag. Terwijl het in de Wmo 2015 een belangrijk moment markeert in de toegang. Met de melding maakt een persoon of zijn vertegenwoordiger de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp kenbaar. Een simpele vraag die direct kan worden beantwoord, of die bijvoorbeeld leidt tot een verwijzing naar de juiste instantie, is naar zijn aard geen melding.
De melding markeert het begin van een onderzoek op grond van artikel 2.3.2 van de Wmo 2015. De Jeugdwet kent een dergelijke in de wet opgenomen onderzoeksfase niet, maar de melding en het onderzoek zijn wel in deze verordening opgenomen.
q. ondersteuningsplan
Het ondersteuningsplan is een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek. Het plan geeft een compleet beeld van de ondersteuningsvraag en de oplossingsrichtingen. Het doel van het opstellen van een ondersteuningsplan is, samen met de inwoner, zicht te krijgen op en vaststellen van de ondersteuningsbehoefte, zelfredzaamheid en de gewenste resultaten.
Het ondersteuningsplan bestaat uit modules, die, afhankelijk van de situatie van de cliënt, wel of niet worden ingevuld.
u. vertegenwoordiger (gemachtigde of wettelijk vertegenwoordiger):
In de Wmo 2015 is in artikel 1.1.1 de vertegenwoordiger gedefinieerd als een persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. In de Jeugdwet is dit begrip meer gericht op cliënten die vanwege hun leeftijd of om andere redenen een andere persoon, vaak een van de ouders, namens hen moeten laten optreden.
Er zijn diverse vormen van wettelijke vertegenwoordigers, zoals de curator, bewindvoerder, mentor, ouders en de voogd. Voorts zijn er persoonlijk vertegenwoordigers, zoals familieleden, beroepsgroepen, bureaus en overige natuurlijke en rechtspersonen.
Het begrip vertegenwoordiger wordt in deze verordening echter gebruikt als overkoepelend begrip en is bedoeld om aan te geven dat het hier degene betreft die een aanvraag namens de cliënt mag indienen of namens hem mag handelen in relatie tot de hulp/zorgverlening.
Hoofdstuk 2: Integrale benadering
Artikel 2. Toegang tot ondersteuning
De afzonderlijke wetten die het sociaal domein bestrijken voorzien niet in een wettelijke basis voor een uniforme en integrale, domeinbrede taakuitoefening met een uniforme en integrale, domeinbrede procedure. Om toch tegemoet te komen aan het beleidsvoornemen van de gemeente om zo veel mogelijk integraal te werken is het college hier de zorgplicht opgelegd om te zorgen voor een integrale toegang en intake.
Inwoners kunnen op een laagdrempelige wijze – en onafhankelijk van hun specifieke ondersteuningsbehoefte – bij de gemeente aankloppen. Zowel voor informatie als voor hulp bij het verhelderen van een mogelijke ondersteuningsbehoefte.
In lid 2 staat omschreven dat het in deze fase (nog) niet noodzakelijk is om persoonsgegevens te registeren. Dat wordt pas nodig als er een meer concrete ondersteuningsbehoefte blijkt te zijn en duidelijk is binnen welk domein een oplossing gevonden kan worden. Het verzamelen van informatie en persoonsgegevens zal dan gebeuren in het kader van het onderzoek of ten behoeve van de beoordeling van een melding, zoals bedoeld in artikel 3.
Omdat het als onnodig belastend kan worden gezien om betrokkene te verplichten meermaals hetzelfde verhaal te vertellen in de verschillende fases aan verschillende vertegenwoordigers van de gemeente, kunnen de relevante bevindingen van de integrale intake op verzoek van de betrokkene ter beschikking worden gesteld.
Artikel 3. Melding hulpvraag
In dit artikel staat beschreven hoe een inwoner een hulpvraag kan melden bij de gemeente. De melding is een verzoek van een cliënt of diens vertegenwoordiger om hulp of toekenning van een voorziening in het kader van de Wmo. De melding kan niet worden gezien als een aanvraag voor een voorziening. De melding kan wel resulteren in een aanvraag voor een voorziening. Voor de Jeugdwet geldt dat een melding gelijk staat aan een aanvraag.
De melding kan schriftelijk of telefonisch worden gedaan. In artikel 2.15 van de Awb is bepaald dat een aanvraag elektronisch (onder meer per email) kan worden gedaan als het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg geopend is.
In lid 1 staat dat de melding ‘door of namens een inwoner’ kan worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de inwoner kan met toestemming van de inwoner bijvoorbeeld diens ouders/verzorgers, vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, of andere betrokkene de melding doen.
In lid 2 is opgenomen dat het college met de inwoner een afspraak maakt voor een gesprek en dat deze afspraak schriftelijk bevestigd wordt. Dit kan een ander persoon zijn dan de melder. Bij de schriftelijke bevestiging worden in ieder de volgende bijlagen gevoegd:
- -
De mogelijkheden van gratis cliëntondersteuning;
- -
Informatie over privacy (conform de AVG);
- -
De gang van zaken bij het gesprek, de rechten en plichten en de vervolgprocedure;
- -
De mogelijkheid voor een inwoner om een eigen plan op te stellen;
- -
infographic over het proces en de besluitvorming van de hulpvraag;
In lid 3 is een specifieke bepaling opgenomen als de hulpvraag een minderjarige betreft. In dat geval informeert het college de jeugdige en/of zijn ouders over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt hen toestemming om hun persoonsgegevens te verwerken.
Lid 4 is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college om gratis onafhankelijke cliëntondersteuning te bieden aan inwoners met een hulpvraag. Deze verplichting is opgenomen in de Wmo 2015 (artikel 2.2.4) en regelt de ondersteuning voor alle cliënten van alle leeftijden en over alle levensdomeinen. De cliëntondersteuning voor jeugd (en gezin) is dus ook in de Wmo 2015 geregeld en niet in de Jeugdwet.
In lid 5 is de mogelijkheid opgenomen voor de cliënt om een eigen plan op te stellen en deze aan het college te overhandigen. Deze verplichting is in de Wmo 2015 en Jeugdwet opgenomen. Het eigen plan is vormvrij.
In lid 6 staat omschreven dat de aanvraagprocedure voor het leerlingenvervoer niet gelijk is aan de Jeugdwet en de Wmo 2015.
Artikel 4. Spoedeisende ondersteuning
In dit artikel staat dat het college in spoedeisende gevallen een tijdelijke voorziening kan treffen.
De Jeugdwet noemt de inzet van jeugdhulp in spoedeisende gevallen in de artikelen 6.1.3 en 6.1.8.
Dit is bijvoorbeeld het geval als er een spoedmachtiging door de rechter (of andere instantie) is afgegeven, omdat onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is en de reguliere machtiging niet afgewacht kan worden.
De Wmo 2015 noemt de inzet van maatschappelijke ondersteuning in spoedeisende gevallen in artikel 2.3.3. In spoedeisende gevallen, daaronder begrepen de gevallen waarin opvang noodzakelijk is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, beslist het college na een melding als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015, eerste lid, onverwijld tot verstrekking van een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 en de aanvraag van de cliënt.
Als er sprake is van een tijdelijke maatregel, wordt tegelijkertijd met de inzet van deze maatregel het gesprek gevoerd om te werken aan een duurzame oplossing van de hulpvraag.
Artikel 5. Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon
Het bieden van gratis onafhankelijke cliëntondersteuning aan inwoners met een hulpvraag is een wettelijke verplichting van het college. Deze verplichting is opgenomen in de Wmo 2015 (artikel 2.2.4) en regelt de ondersteuning voor alle cliënten van alle leeftijden en over alle levensdomeinen. De cliëntondersteuning voor jeugd (en gezin) is dus ook in de Wmo 2015 geregeld en niet in de Jeugdwet.
De Wmo 2015 adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van inwoners te geven.
In de memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de Wmo 2015 is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar inwoners met een hulpvraag informatie en advies kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering, alsmede kortdurende en kort cyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit. Overeenkomstig artikel 2.3.2 lid 3 van de Wmo 2015 is bepaald dat het college de inwoner na de melding van de hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning. Cliëntondersteuning kan worden geleverd door een partij die de gemeente heeft gecontracteerd, maar een inwoner kan zich ook laten ondersteunen door iemand uit het sociaal netwerk.
Artikel 6. Het onderzoek en het gesprek naar aanleiding van de melding
In lid 1 wordt aangegeven dat, in het kader van zorgvuldig onderzoek, het onderzoek start met een gesprek. Dit staat ook zo expliciet benoemd in de Wmo 2015, maar is ook mogelijk voor Jeugd. Daar waar cliënt of diens vertegenwoordiger zich tot het college wendt met een melding, kan in eerste instantie een gesprek gevoerd worden met een medewerker van Stichting Zo!. Samen met cliënt (eventueel met aanwezige mantelzorger(s)) wordt geïnventariseerd waar cliënt en zijn mantelzorger(s) beperkingen ondervinden in de zelfredzaamheid en/of participatie. Ook wordt onderzocht welke oplossingen de effecten van de beperkingen weg kunnen nemen en in hoeverre cliënt zelf of met hulp van anderen in eigen oplossingen kan voorzien.
Lid 2 gaat in op de identificatieplicht. In het kader van rechtmatigheid is het op grond van artikel 2.3.4 van de Wmo 2015 in ieder geval verplicht om de identiteit van de cliënt vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en is de cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening ook verplicht dat document ter inzage te geven. Deze verplichting geldt niet op grond van de jeugdwet.
In lid 3 wordt weergegeven welke aspecten het college, daar waar noodzakelijk, onderzoekt. De Centrale Raad van Beroep heeft twee duidelijke uitspraken gedaan, waarin vermeld staat hoe het college onderzoek moet doen: ECLI:NL:CRVB:2018:819 (Jeugdwet) en ECLI:NL:CRVB:2017:1477 (Wmo).
De essentie van het onderzoek is te achterhalen:
- -
Wat de vraag/behoefte van de cliënt is en hoe de vraag/behoefte ontstaan is.
- -
Welke beperkingen worden ondervonden
- -
In hoeverre de cliënt zelf, of met hulp van anderen in eigen oplossingen kan voorzien. Hierbij wordt de draagkracht en steunbehoefte van de eventuele mantelzorger, meegenomen.
- -
Welke oplossingen passend zijn, hoe deze oplossingen afgestemd kunnen worden op het gebied van jeugdhulp, zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, en/of werk en inkomen, en wie de oplossingen inzet.
De onderdelen die in lid 3 staan genoemd zijn niet uitputtend. Daar waar het college van mening is dat er aanvullende aspecten van belang zijn voor het onderzoek, worden aanvullende onderdelen in het onderzoek meegenomen. Welke aspecten onderwerp van onderzoek zijn of in het onderzoek worden uitgediept, hangt af van de vraag van cliënt en zijn/haar persoonlijke situatie. Het betreft altijd maatwerk. Indien de cliënt al bij de gemeente bekend is, zullen een aantal onderdelen niet meer uitgediept hoeven te worden en zal bijvoorbeeld alleen worden gevraagd of er nog nieuwe ontwikkelingen zijn. Komt de cliënt voor het eerst bij de gemeente, dan zal het onderzoek dienen om een totaalbeeld van de cliënt en zijn situatie te krijgen.
Lid 4 gaat in op de onderzoeksmethoden van het college om de in het vorige lid van dit artikel genoemde aspecten te onderzoeken. De onderzoeksmethodieken worden in samenspraak met cliënt gehanteerd. De onderzoeksmethoden kunnen in combinatie met elkaar worden ingezet.
Daarnaast kunnen er andere wettelijk toegestane onderzoeksmethodieken worden gebruikt. Hierbij geldt dat de grenzen van de AVG (Algemene Verordening Gegevensbescherming) in acht worden genomen.
In geval ten behoeve van het onderzoek een deskundige wordt ingezet, betreft dit t.b.v. jeugdigen een deskundige die beschikt over een registratie als professional: a. bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd; b. bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of c. op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register.
Voor de volledigheid een schematische weergave van de wettelijke doorlooptijden.
Het vijfde lid bepaalt dat het college met een door de cliënt overhandigd persoonlijk plan rekening moet houden. Jeugdige cliënten hebben dit reeds met ouders, bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren, in de zin van artikel 1.1 van de Jeugdwet opgesteld, een zogenoemd ‘familiegroepsplan’.
Artikel 7. Tolkkosten
Artikel 7 spreekt voor zich en behoeft geen extra uitleg in de toelichting.
Artikel 8. Beoordelen eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen
Lid vijf c stelt dat uit het onderzoek kan blijken dat geen noodzakelijke hulp geboden kan worden, omdat sprake is van overbelasting of dreigende overbelasting, totdat deze overbelasting of dreigende overbelasting is opgeheven.
Bij de belastbaarheid en bij (dreigende) overbelasting geldt het volgende:
- -
Er moet een verband zijn tussen de (dreigende) (over)belasting en de hulp aan de inwoner.
- -
Als de (over)belasting ziet op spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress), of door andere factoren buiten de hulpverlening aan de inwoner, moet de huisgenoot eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen.
- -
Bij een aanvraag voor een maatwerkvoorziening bekijkt het college wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen.
- -
Als de (dreigende) (over)belasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de huisgenoot verwacht.
Als sprake is van (dreigende) overbelasting, wordt geen pgb voor het verlenen van hulp aan de inwoner door een huisgenoot verstrekt. Een al eerder hiervoor verleend pgb wordt ingetrokken. Een andere zorgverlener wordt ingezet voor de benodigde hulp.
Lid 6 g stelt dat het college bij de beoordeling van overbelasting of dreigende overbelasting ook rekening houdt met de noodzaak van de partner/ouder(s)/inwonende kinderen om in een inkomen te voorzien en/of onderwijs te volgen.
In het kader van deze bepaling moet onderzocht worden of er aanleiding is om aan te nemen dat de hulp die een jeugdige behoeft in een concreet geval niet door de ouders geleverd kan worden. Daarmee wordt het noodzakelijke verband tussen de beoordeling van de hulpvraag en de eigen mogelijkheden met de toekenningscriteria gelegd. Als blijkt dat de draagkracht van het gezin, de draaglast aankan, is er geen noodzaak voor het college om een voorziening op basis van de Jeugdwet toe te kennen. Dat is dus ook niet het geval als de jeugdhulp is aan te merken als bovengebruikelijke hulp. Als de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht en duidelijk is dat het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en het sociale netwerk onvoldoende is om de noodzakelijke hulp te verlenen, dient de gemeente een voorziening te treffen. Het college houdt hierbij rekening met de noodzaak om tenminste in een minimum inkomen te kunnen voorzien.
Artikel 9. Ondersteuningsplan naar aanleiding van het onderzoek
Nadat het onderzoek heeft plaatsgevonden worden de uitkomsten vastgelegd in een ondersteuningsplan. Het ondersteuningsplan is geen vaste invuloefening waarbij elk onderdeel ingevuld moet worden, dit is maatwerk en afhankelijk van de ondersteuningsvraag. Zo bevat het ondersteuningsplan niet altijd een volledig afgeronde diagnose. Het stellen van de diagnose kan onderdeel uitmaken van de totale behandeling/ondersteuningsvraag.
Het eerste lid geeft aan dat de gemeente Zuidplas zoveel als mogelijk werkt vanuit de gedachte één gezin, één plan, één regisseur.
Het ondersteuningsplan is opgebouwd aan de hand van het de door de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2018:819) vastgestelde stappenplan.
Daar waar cliënt het ondersteuningsplan ontvangt en feitelijke onjuistheden ontdekt, dan kan cliënt of diens vertegenwoordiger deze onjuistheden corrigeren (lid 3). De correcties worden aan het ondersteuningsplan toegevoegd, zie ook de mogelijkheid die lid 4 biedt.
Om geen onduidelijkheid te laten bestaan over de inhoud van het ondersteuningsplan, wordt de cliënt gevraagd om dit document te tekenen voor: akkoord zoals voorgesteld en aanvragen, akkoord maar anders dan voorgesteld aanvragen, geen aanvraag en aan het college te verstrekken. Het vijfde lid regelt dit.
Artikel 10. Verstrekken van een maatwerkvoorziening
In lid 1 is bepaald, dat het college een maatwerkvoorziening toekent wanneer er sprake is van een compensatienoodzaak. Op basis van onderzoek dat afgestemd is op de persoonlijke situatie van cliënt, moet worden vastgesteld of er sprake is van beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en participatie, die door middel van maatwerkvoorzieningen gecompenseerd moeten worden. Maatwerkvoorzieningen worden ingezet wanneer cliënt niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid of participatie door gebruik te maken van:
- a.
eigen kracht en/of; gebruikelijke hulp en/of; mantelzorg en/of; hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk;
- b.
algemene voorzieningen;
- c.
zelfredzaamheid en participatie
- d.
algemeen gebruikelijke of voorliggende voorzieningen.
Eigen kracht
Lid 1 onder a bepaalt dat het college alleen maatwerkvoorzieningen treft wanneer cliënt niet of niet volledig in staat is om, eventueel samen met het sociale netwerk, in eigen oplossingen te voorzien. Hieronder wordt ook de aanschaf van algemeen gebruikelijke voorzieningen verstaan.
De Centrale Raad van Beroep heeft uitspraak gedaan ECLI:NL:CRVB:2019:772 over de eigen kracht van een cliënt. In deze uitspraak wordt verwezen naar de memorie van toelichting waarin wordt vermeld dat onder eigen kracht wordt verstaan dat de betrokkene zich in hoge mate moet inspannen om dat aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien.
De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf. Van ouders mag worden verwacht dat zij de nodige aanpassingen doen om de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen te realiseren. Dat kan betekenen dat zij hun eigen loopbaanplannen, de wijze waarop zij hun betaalde arbeid hebben georganiseerd of hun financiële situatie moeten bijstellen om voor het kind beschikbaar te zijn en de noodzakelijke hulp te bieden. Als uit zorgvuldig uitgevoerd onderzoek blijkt dat de noodzakelijke hulp met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen kan worden geboden, hoeft het college geen voorziening te treffen. Ouders behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft. Ook bovengebruikelijke hulp kan in beginsel van ouders worden verwacht, zo blijkt uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. Deze oordeelde dat de ouder, die haar baan had opgezegd in verband met de zorg voor haar kind, de zorg aankon en verleende en het dus van haar mocht worden verwacht. Er was sprake van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (CRvB 17 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362).
Verder heeft de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in de nota naar aanleiding van het verslag in reactie op de vraag of de financiële kracht onderdeel is van de eigen kracht meegedeeld dat de regering van mening is dat maatschappelijke ondersteuning voor eenieder toegankelijk moet zijn, ongeacht de hoogte van het inkomen en/of vermogen. Het is van belang dat ook financieel daadkrachtige cliënten een beroep op maatschappelijke ondersteuning kunnen doen, bijvoorbeeld als zij niet in staat zijn maatschappelijke ondersteuning te (doen) organiseren, maar deze wel kunnen betalen. De financiële mogelijkheden van een cliënt kunnen op grond van dit wetsvoorstel wel worden betrokken door een eigen bijdrage te vragen binnen de grenzen die door de regering worden bepaald in een algemene maatregel van bestuur (Kamerstukken II, 2013/14, 33 841, nr. 34, p. 24). Ten slotte volgt uit de memorie van toelichting dat een aanvraag van een cliënt die een voorziening zelf, zonder tussenkomst van de gemeente, zou kunnen bekostigen gelet op de hoogte van het inkomen en vermogen in relatie tot de eigen bijdrage, niet op die grond mag afwijzen.
Gebruikelijke hulp
In de Wmo 2015 is bepaald dat de aanwezigheid van gebruikelijke hulp een reden is om geen maatwerkvoorziening te verstrekken (artikel 2.3.5, lid 3 van de Wmo 2015). Onder gebruikelijke hulp wordt verstaan de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten, zo is bepaald in artikel 1.1.1 Wmo 2015.
Lid 1 onder a bepaalt dat het college geen maatwerkvoorziening treft wanneer er sprake is van gebruikelijke hulp. Dit is het geval als er een huisgenoot aanwezig is die in staat kan worden geacht het huishoudelijk werk over te nemen. Onder huisgenoot wordt verstaan: een persoon die - ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze - één huishouden vormt met de persoon die beperkingen ondervindt. Een huisgenoot is bijvoorbeeld een inwonend kind, maar kunnen ook inwonende ouders zijn. Of iemand inwonend is, wordt naar de concrete feitelijke situatie beoordeeld. Daarbij staat inwonend tegenover het hebben van een volledig eigen en zelfstandige huishouding, met een eigen huisnummer, eigen nutsvoorzieningen, een eigen voordeur e.d.
Alle huisgenoten die ouder zijn dan 18 jaar worden geacht om huishoudelijke hulp te bieden. Vanaf 18 jaar wordt verondersteld dat men een eenpersoonshuishouden moet kunnen voeren. Tot 18 jaar wordt van huisgenoten verwacht dat zij hun bijdragen leveren. Dit kunnen zij bijvoorbeeld doen door hun eigen kamer schoon te houden en/of door hand- en spandiensten te verrichten, zoals het doen van (kleine) boodschappen of het helpen bij de afwas. Bij gebruikelijke zorg wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een volledige baan een huishouden te kunnen runnen. Alleen bij afwezigheid van de huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten kunnen de niet-uitstelbare taken overgenomen worden. Bij het zwaar en licht huishoudelijk werk gaat het veelal om taken die kunnen worden uitgesteld. Voor die situaties kan het zijn dat, ondanks het aanwezig zijn van gebruikelijke zorg, de gemeente compenserende maatregelen treft om het resultaat te bereiken.
Onder gebruikelijke hulp bij begeleiding wordt enige ondersteuning door partner, ouders, inwonende kinderen vanaf 18 jaar of andere huisgenoten in het sociale verkeer verstaan. Gebruikelijke ondersteuning door partner kan verschillen van gebruikelijke ondersteuning door inwonende kinderen of van andere huisgenoten.
Uitgangspunt is, dat partners samen activiteiten ondernemen zoals:
- -
samen naar een verjaardag gaan;
- -
familie bezoeken;
- -
samen koken;
- -
samen eten;
- -
afspraken maken;
- -
het voeren van een administratie;
- -
het regelen van de bankzaken;
- -
het onderhouden van contacten met en het bezoeken van instanties;
- -
het verschijnen op afspraken;
- -
het openen van post;
- -
wandelingetje maken;
Deze lijst is niet limitatief.
Hulp van andere personen uit het sociale netwerk
Lid 1 onder a bepaalt dat het college geen maatwerkvoorzieningen treft als belanghebbende met hulp van mantelzorg en/of hulp van andere personen uit het sociale netwerk zelf in eigen oplossingen kan voorzien.
Algemene, algemeen gebruikelijke en voorliggende voorzieningen
Lid 1 onder b en c bepaalt dat het college geen maatwerkvoorzieningen treft als algemene-, algemeen gebruikelijke- en/of voorliggende voorzieningen voldoende ondersteuning bieden en leiden tot het te bereiken resultaat. De aanspraak op maatwerkvoorzieningen vervalt bij de aanwezigheid van passende algemene-, algemeen gebruikelijke- of voorliggende voorzieningen.
Algemeen gebruikelijke voorzieningen
Een algemeen gebruikelijke voorziening (als bedoeld in artikel 1 van deze verordening) is in principe voor iedereen beschikbaar, daarin wordt geen onderscheid gemaakt tussen mensen die wel of geen beperking hebben. Om deze reden wordt een algemeen gebruikelijke voorziening niet vanuit de Wmo 2015 verstrekt.
Er is geen complete lijst van voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn, maar voorbeelden zijn:
- -
tandem (met uitzondering van een ouder-kind tandem);
- -
fiets met lage instap, ligfiets;
- -
spartamet/tandemmet;
- -
rollator
- -
elektrische fiets/tandem (al dan niet met lage instap) voor een persoon van 16 jaar en ouder;
- -
bakfiets, fietskar, aanhangfiets;
- -
personenauto en de gebruikskosten die daaraan verbonden zijn;
- -
autoaccessoires: airconditioning, stuurbekrachtiging, elektrisch bedienbare ruiten, trekhaak;
- -
eenhendel mengkranen;
- -
thermostatische kranen;
- -
keramische- of inductiekookplaat;
- -
verhoogd toilet of toiletverhoger;
- -
tweede toilet of sanibroyeur;
- -
renovatie van badkamer of keuken;
- -
antislipvloer/coating;
- -
wandbeugels;
- -
zonwering (inclusief elektrische bediening);
- -
ophogen tuin/bestrating bij verzakking.
Tijdens het keukentafelgesprek, het onderzoek en de beoordeling van de aanvraag zal het begrip algemeen gebruikelijk worden meegenomen. Er moet in individuele situaties beoordeeld worden of een voorziening, die op zichzelf als algemeen gebruikelijk te beschouwen is, ook voor de aanvrager algemeen gebruikelijk is. Dat hoeft namelijk niet het geval te zijn. Bijvoorbeeld:
- -
Bij een plotselinge noodzaak om de voorziening aan te schaffen.
- -
Als door de ziekte of het gebrek plotseling vervanging nodig is van zaken die normaal gesproken (nog) niet aan vervanging toe zouden zijn.
- -
Als gelijktijdig meerdere algemeen gebruikelijke zaken moeten worden aangeschaft.
- -
Als door de beperking een duurdere voorziening dan gebruikelijk moet worden gekocht die te belastend is voor het budget van de aanvrager.
- -
Als door de beperking zoveel (aantoonbare) meerkosten ontstaan, dat iemands besteedbaar inkomen onder de voor hem geldende bijstandsnorm ligt.
Voorliggende voorzieningen
Onder voorliggende voorzieningen kan bijvoorbeeld worden verstaan: het gebruik maken van mogelijkheden van behandeling/therapie (Zorgverzekeringswet). Wanneer door behandeling resultaten ten aanzien van zelfredzaamheid en participatie behaald kunnen en daarmee hulpmiddelen, aanpassingen of inzet van professionele zorg niet nodig zijn, dan wordt de cliënt geacht zich te laten behandelen. Zich laten opereren wordt niet als voorliggend op maatwerkvoorzieningen beschouwd. Tijdens de behandeling c.q. revalidatie-periode kan, in overleg met de behandelaar, zo nodig tijdelijk een maatwerkvoorziening verstrekt worden.
Zelfredzaamheid en participatie
Daarnaast moet de maatwerkvoorziening er volgens het college voor zorgen dat de cliënt zelfredzaam wordt of kan participeren. Ook dit zal moeten worden vastgesteld op basis van het onderzoek dat afgestemd is op de persoonlijke situatie van de cliënt.
Lid 2 bepaalt dat het college bij het bepalen welke voorziening en/of ondersteuning het meest doelmatig, adequaat en toereikend is, rekening moet houden met de omstandigheden, behoeften en (functionele) mogelijkheden van de inwoner. Dit is tenslotte de kern van het verstrekken van een maatwerkvoorziening. Het college gebruikt voor deze bepaling het onderzoek dat is afgestemd op de persoonlijke situatie van de cliënt en dit zal worden vastgelegd in het ondersteuningsplan.
Lid 3 bepaalt dat wanneer meerdere oplossingen voldoende compensatie bieden voor de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie, die voorziening wordt ingezet die als goedkoopst adequaat aan te merken is. Voorzieningen, die in het kader van deze verordening worden verstrekt, dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat, als de meest goedkope voorziening te zijn.
Eigenschappen, die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen.
De tijdigheid van een beschikbare voorziening is afhankelijk van de specifieke situatie van de inwoner. In geval van acute nood, moet hulpverlening direct beschikbaar zijn. Voor het bepalen van tijdigheid van zorg, wordt aangesloten bij de Treeknormen die gehanteerd worden ten behoeve van medische zorg en variëren afhankelijk van het soort zorg. Voor veelvoorkomende zorg geldt een norm van 6 weken. Voor specialistische GGZ (geestelijke gezondheidszorg) is dit 4 weken voor aanmelding en 10 weken voor behandeling en voor hulp in de huishouding is het 6 weken.
Lid 4 sluit aan bij de rechtspraak waarin is geoordeeld dat een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen, door het college geweigerd kan worden als deze geen toegevoegde waarde heeft ten opzichte van beschikbare voorzieningen (bijv. CRvB 12 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2785 en CRvB 26 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:254). Het college zal bij de weigering van een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen moeten motiveren waarom in die specifieke situatie een andere oplossing passender of eveneens passend is. Bij toepassing van deze bepaling kan het college gebruik maken van de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut (https://www.nji.nl/interventies), de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden (https://www.ggzstandaarden.nl/), de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg).
Het college kan in beleid regelen welke vormen van hulp zij aantoonbaar niet effectief acht. Het college kan daarbij voor jeugdinterventies gebruik maken van de door de praktijk opgestelde zogenaamde ‘niet doen-lijst’ die in het kader van de Hervormingsagenda Jeugd zal worden gepubliceerd.
Lid 5 bevat een verwijzing naar andere hoofdstukken van deze verordening. In de hoofdstukken 3 staan aanvullende criteria van de Jeugdwet en van de Wet maatschappelijke ondersteuning.
Lid 6 bepaalt, dat een maatwerkvoorziening kan worden verstrekt als een voorziening in natura of als een persoonsgebonden budget.
Artikel 11. Weigeringsgronden
In de jurisprudentie is inmiddels herhaaldelijk bepaald dat afwijzingsgronden, wil er een beroep op kunnen worden gedaan, een grondslag in de verordening moeten hebben. Bij het ontbreken van afwijzingsgronden of het hanteren van zeer ruime afwijzingsgronden is het voor de cliënt niet mogelijk om zijn rechtspositie te bepalen of te voorzien.
Lid 1, sub a en b betreffen de herhaling van het algemene toetsingskader, zoals dat in de wet centraal staat (artikel 2.3.5 lid 3 van de Wmo 2015 en artikel 6 en 7 van deze verordening). Door het hier te herhalen kan het dienst doen als afwijzingsgrond.
Met lid 1, sub c wordt de taak van de gemeente in algemene zin afgebakend. Niet alle hulp en zorg, bevordering van deelname aan het maatschappelijk verkeer en ondersteuning bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging ten behoeve van een jeugdige valt onder de definitie van jeugdhulp. Om onder jeugdhulp te vallen moet er een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking aan de behoefte ten grondslag liggen. Deze bepaling maakt duidelijk dat de gemeente niet verantwoordelijk is voor het bieden van hulp en ondersteuning op grond van de wet als de noodzaak van die hulp en ondersteuning van de jeugdige past binnen het normale ontwikkelingspatroon van die jeugdige, gezien zijn leeftijd.
Om te bepalen welke hulp en ondersteuning niet geboden hoeft te worden, vindt een beoordeling plaats op basis van de uitgangspunten voor gebruikelijke zorg uit hoofdstuk 4 van de Beleidsregels indicatiestelling Wlz 2025:
- -
Een veilige woonomgeving is gebruikelijke zorg, dit betekent dat de lichamelijke en sociale veiligheid van het kind is gewaarborgd, er een bij de leeftijd van het kind passend opvoedkundig klimaat is en het kind de verzorging, begeleiding en stimulans krijgt die nodig is bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid. Als ouders dit niet kunnen bieden is verblijf op grond van de jeugdwet aan de orde.
- -
24 uur per dag zorg in de nabijheid is gebruikelijke zorg afhankelijk van leeftijd en zorgbehoefte. Kinderen van 0 tot 3 jaar hebben voortdurend begeleiding, toezicht en zorg nodig. Kinderen van 3 tot ongeveer 5 jaar hebben overdag voortdurend begeleiding, toezicht en zorg nodig. ’s Nachts hebben zij soms nog begeleiding en zorg nodig. Kinderen van 5 tot ongeveer 8 jaar hebben overdag nog voortdurend begeleiding en aansturing nodig. Zij hebben veelal op geplande momenten hulp of enige overname van zelfzorg nodig.
Er is geen sprake meer van gebruikelijke zorg bij kinderen met een matige, ernstige of zeer ernstige beperking als er bij hen ook:
- 1)
intensief toezicht nodig is in verband met geobjectiveerde ernstige gedragsproblemen, of
- 2)
een blijvende noodzaak is voor overname van algemene dagelijkse verrichtingen, of
- 3)
sprake is van beperkingen op meerdere terreinen.
- 1)
Met lid 1, sub d wordt bepaald dat het niet de bedoeling is dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken (zie o.a. CRvB 03-07-2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16-04-2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB 14-07-2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16-08-2012, nr. AWB 11/5564). Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt (zie CRvB 17-11-2009, nr. 08/3352 WMO). De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een rol spelen:
- •
is de voorziening gewoon te koop?
- •
is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht?
- •
is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen?
- •
Is de voorziening financieel haalbaar voor mensen met een inkomen op minimaniveau? (ECLI:NL:CRVB:2019:3535).
Om te bepalen of de aanschaf van een voorziening financieel haalbaar is voor mensen met een inkomen op minimumniveau wordt de volgende rekenwijze toegepast: de kosten van de voorziening worden vergeleken met 5% van de geldende bijstandsnorm x 3 jaar (de bijstandsnorm die voor een inwoner geldt, is afhankelijk van leeftijd en leefsituatie). Daarbij wordt de indexering meegenomen. Wanneer de kosten van de voorziening lager zijn dan het berekende bedrag wordt de voorziening aangemerkt als zijnde algemeen gebruikelijk.
Lid 1, sub e: de beoordeling van de vraag naar jeugdhulp staat los van het inkomen. Een laag inkomen kan geen argument zijn voor toekenning van jeugdhulp. Bij een laag inkomen kan het zijn dat reguliere voorliggende voorzieningen slechter bereikbaar zijn voor de jeugdige of het gezin. Een oplossing hiervoor dient niet gezocht te worden in de Jeugdwet, maar in de regelingen voor gezinnen/ kinderen met een laag inkomen. Deze vallen onder het lokale minimabeleid en niet onder de Jeugdwet. Voorbeelden hiervan zijn: huiswerkbegeleiding, begeleiding bij zwemles en bijdragen voor maatschappelijke activiteiten/sport.
Lid 1, sub f geeft aan dat alvorens de noodzakelijkheid van een maatwerkvoorziening vast te kunnen stellen er zorgvuldig onderzoek gedaan moet worden. Wanneer de cliënt niet meewerkt en daardoor de noodzakelijkheid van een passende maatwerkvoorziening niet kan worden vastgesteld, dat wordt de gevraagde voorziening afgewezen.
Lid 1, sub g betreft de herhaling van het algemene toetsingskader zoals vermeld in artikel 2.3.5, zesde lid en artikel 2.3.6, vijfde lid van de Wmo 2015. Het betreft hier de weigeringsgronden met betrekking tot een Wlz indicatie en de weigeringsgrond voor de meerkosten van een pgb. Dit laatste is van toepassing als de kosten hiervan hoger zijn dan de kosten voor een maatwerkvoorziening in natura.
Lid 1, sub h betreft de herhaling van het algemene toetsingskader zoals vermeld in artikel 1.2, eerste en tweede lid en artikel 8.1.1, vierde lid van de Jeugdwet. Het betreft hier de weigeringsgronden met betrekking tot een Wlz indicatie, Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, de Zorgverzekeringswet en de weigeringsgrond voor de meerkosten van een pgb. Dit laatste is van toepassing als de kosten hiervan hoger zijn dan de kosten voor een maatwerkvoorziening in natura.
Lid 1, sub i geeft aan dat alleen voorzieningen worden toegekend die een passende bijdrage leveren aan een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Wanneer uit onderzoek is gebleken, dat de cliënt een voorziening wenst die hieraan niet voldoet, dat wordt deze niet verstrekt. Bijvoorbeeld: Een cliënt heeft een vervoersprobleem en wenst alleen in aanmerking te komen voor een scootmobiel. Wanneer uit onderzoek blijkt, dat het rijden op een scootmobiel niet veilig is, dan wordt geconcludeerd dat een scootmobiel voor deze cliënt niet passend is. Een scootmobiel kan dan om deze reden afgewezen worden.
Met lid 1, sub j wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een melding doet, maar de voorziening zelf al realiseert of heeft aangekocht. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden geweigerd. Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening, waar vroegtijdig mee is begonnen, uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst compenserende voorziening beschouwt. In de situatie waarin een cliënt de voorziening heeft aangeschaft of gerealiseerd voordat een melding is gedaan, dient de noodzakelijkheid achteraf vastgesteld kunnen worden. Is dit niet het geval, dan wordt de gevraagde voorziening afgewezen.
Lid 1, sub k geeft aan dat de aanvraag geweigerd kan worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgehad, terwijl het de cliënt verweten kan worden dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet indien de cliënt geen schuld treft. Ook hier kan de eigen verantwoordelijkheid van een cliënt een rol spelen. Indien bijvoorbeeld in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht, heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden.
Indien vervolgens bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment een aanvraag voor een vervangende maatwerkvoorziening worden geweigerd.
Door lid 2 zijn enerzijds alle woonsituaties die niet gericht zijn op een permanent zelfstandig hoofdverblijf uitgesloten. Anderzijds zijn er situaties uitgesloten waarbij gezien de aard van het soort gebouw verondersteld mag worden dat voorzieningen standaard aanwezig zijn. Uitzonderingen kunnen worden gemaakt voor voorzieningen ten behoeve van de gemeenschappelijke ruimten als bedoeld in lid 2, sub d zonder welke de woning van de cliënt met beperkingen onbereikbaar is.
Een voorbeeld ter illustratie: een cliënt heeft astma en vraagt een woonvoorziening om normaal gebruik te kunnen maken van de woning. Uit het onderzoek blijkt dat vocht- en tochtproblemen komen door achterstallig onderhoud en de gebruikte materialen. In dat geval kan de gemeente een woonvoorziening weigeren. Bij achterstallig onderhoud is de eigenaar verantwoordelijk voor het saneren van de woning. Huurt de cliënt de woning, dan moet hij de verhuurder aanspreken.
Door een uitspraak van rechtbank Den Haag (25-4-2022 ECLI:NL:RBDHA:2022:2572) zijn drempelhulpen hierbij uitgezonderd, daar deze als gevolg van de uitspraak als algemeen gebruikelijk bestempeld zijn. Uiteraard wordt er bij het onderzoek wel gekeken of de benodigde soort en hoogte drempelhulp ook daadwerkelijk te dragen zijn met een inkomen op minimumniveau.
Lid 2, sub e en f geven aan dat de aanvraag geweigerd kan worden als de cliënt verhuist terwijl daar gelet op de beperkingen in het normale gebruik van de woning geen aanleiding voor was. Een ander voorbeeld is als wordt verhuisd van een adequate naar een – gelet op de beperkingen in het normale gebruik van de woning- inadequate woning. Is de verhuizing geen gevolg van de beperkingen in het normale gebruik van de woning en bestond er geen belangrijke reden om te verhuizen, dan weigert het college een voorziening. Als belangrijke redenen kunnen worden aangemerkt: samenwoning, huwelijk en het aanvaarden van werk. In geval van samenwoning of huwelijk houdt het college ook rekening met de keuze die de cliënt maakt in welke woning hij gaat samenwonen. Ook in dat geval moet er een belangrijke reden zijn waarom hij naar de woning verhuist waar mogelijk meer aanpassingen moeten worden verricht. Het college betrekt daarbij ook de mogelijkheden die van de partner van de cliënt kunnen worden gevergd.
Lid 2, sub g, geeft aan dat de aanvraag voor toegankelijk maken van de buitenruimte geweigerd kan worden in het geval de buitenruimte al toegankelijk is voor aanvrager via een andere weg.
Lid 3 bepaalt dat de maatwerkvoorzieningen beschermd- en beschut wonen niet geschikt zijn voor personen die uitsluitend (feitelijk) dak- of thuisloos zijn. De persoon in kwestie dient zich in deze gevallen te melden bij de maatschappelijke opvang in de centrumgemeente Gouda.
Lid 4 geeft aan dat de toegang tot maatschappelijke opvang geweigerd kan worden als de cliënt zich niet aan de (huis)regels houdt, onveiligheid of overlast veroorzaakt, niet bereid is om mee te werken aan het een passend ondersteuningstraject, er sprake is van een contra-indicatie waardoor een opvangtraject ongeschikt is, ernstig misdraagt jegens andere, de eigen bijdrage niet betaalt, of wanneer er in het geval van de vrouwenopvang geen sprake is van huiselijk geweld en/of geweld in een afhankelijkheidsrelatie.
In lid 5 is bepaald dat het college kan beoordelen of een cliënt die pgb wenst voldoet aan de voorwaarden genoemd in de artikelen 38 t/m 43 van deze verordening. Het college heeft daartoe informatie van de cliënt nodig. Het door de cliënt ingediende budgetplan dient als basis voor de beoordeling. Zonder een volledig budgetplan kan het college niet beoordelen of de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger pgb-vaardig is.
Lid 6 en 7 geven weer waarvoor het gebruik van het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV) niet is bedoeld.
Artikel 12. Aanvraag van een maatwerkvoorziening
In de Wmo (artikel 2.3.2, lid 9) is bepaald dat een aanvraag kan worden gedaan nadat er onderzoek is ingesteld naar de melding. Dit geldt alleen wanneer het onderzoek binnen de termijn van zes weken is uitgevoerd of tenzij er sprake is van spoedeisende gevallen. In lid 1 is geregeld dat de aanvraag van een voorziening altijd schriftelijk moet worden gedaan. Het doen van een schriftelijke aanvraag is een verplichting op grond van artikel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierin is bepaald dat, tenzij een wettelijk voorschrift anders bepaalt, een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk moet worden ingediend. De aanvraag mag, naast de cliënt, ook worden ingediend door een gemachtigd persoon of vertegenwoordiger. In de Awb is de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld.
In lid 2 is geregeld, dat een aanvraag kan worden ingediend door het opsturen van een ondertekend ondersteuningsplan. Voorwaarde hierbij is wel dat het aanmerken van het ondertekende ondersteuningsplan als aanvraag door de cliënt in het betreffende ondersteuningsplan aangegeven moet zijn.
In de Jeugdwet wordt er niet gesproken van een melding en wordt enige vorm van melding direct aangeschreven als een aanvraag en in dusdanige behandeld. Dit houdt in dat een melding binnen 8 weken moet worden afgehandeld.
In lid 3 wordt er uitwerking gegeven over het door de gemeente aangeboden aanvraagformulier. Een cliënt kan ook een aanvraag indienen via een door de gemeente beschikbaar gesteld aanvraagformulier. Een dergelijk formulier kan bijvoorbeeld door de cliënt benut worden om voor hem een voor bezwaar en beroep vatbare beschikking te genereren in de situatie dat hij geen ondersteuningsverslag ter ondertekening krijgt aangeboden omdat in de gespreksfase geen noodzaak tot of recht op een maatwerkvoorziening of individuele voorziening is gebleken.
In het vierde lid is opgenomen dat een maatwerkvoorziening in bijzondere gevallen ook ambtshalve kan worden verstrekt in het dringende belang van de cliënt. Dit zal met name aan de orde kunnen zijn bij cliënten met psychiatrische of psychosociale (multi)problematiek, waarbij door middel van zogenaamde bemoeizorg stap voor stap naar een reguliere ondersteuningssituatie toe wordt gewerkt.
Artikel 13. Overige toegangsmogelijkheden jeugdhulp
In lid 1 wordt er gesproken over de directe verwijzing van jeugdhulp door huisarts, medisch specialist of jeugdarts. In artikel 2.3, lid 1 van de Jeugdwet staat dat er deskundige toeleiding naar en advisering over jeugdhulpvoorzieningen beschikbaar moet zijn voor jeugdigen en/of (pleeg)ouders die jeugdhulp vragen.
In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel e van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de (maatwerkvoorzieningen) jeugdhulp blijft bestaan. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder.
Het vierde lid gaat over de verplichtingen die de gemeente heeft als er een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering opgelegd is door de rechter. Zowel de kinderbeschermingsmaatregelen, als de jeugdreclassering worden uitgevoerd door een gecertificeerde instelling. De jeugdbeschermer en de jeugdreclassering mogen volgens artikel 3.5 van de Jeugdwet in het kader van de maatregel besluiten tot inzet van jeugdhulp. In het artikel wordt verwoord dat de gemeente zorg draagt voor een toereikend aanbod van jeugdhulpvoorzieningen, zodat de uitspraak van de rechter (of andere instantie) uitgevoerd kan worden.
Artikel 14. Beschikking maatwerkvoorziening
Artikel 14 geeft de bepalingen weer betreffende de beschikking die de cliënt ontvangt bij een maatwerkvoorziening. Lid 1 stelt daarbij dat het college haar besluit altijd kenbaar maakt aan de cliënt door middel van een beschikking. Het besluit is een toekenning of afwijzing van de aanvraag. Ook een gedeeltelijke toekenning is hierbij mogelijk. Dit is bepaald in artikel 1.3 van de Awb, dat stelt dat een besluit een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan (in dit geval het college) is, waarbij een beschikking een besluit van niet algemene strekking is, ongeacht of dit een afwijzing of een toekenning is. Met ‘van niet algemene strekking’ wordt bedoeld dat het een besluit betreft dat toegespitst is op de cliënt en de aanvraag.
Lid 2 en 3 geven aan welke aspecten in ieder geval in een beschikking moeten worden opgenomen wanneer een maatwerkvoorziening wordt verstrekt. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen een maatwerkvoorziening in natura en een maatwerkvoorziening via een persoonsgebonden budget. Kern van lid 2 en 3 is dat de cliënt die de beschikking ontvangt, helder heeft wat er precies is toegekend en welke rechten en plichten daarbij horen.
Wat er precies moet worden opgenomen in een beschikking als deze een afwijzing van de aanvraag bevat, is niet opgenomen in de verordening. Dit, omdat dit geregeld is artikel 3.46 en 3.47 van de Awb, waarin gesteld wordt dat een besluit moet berusten op deugdelijke motivering en dat deze motivering vermeld moet worden bij de bekendmaking van het besluit, in dit geval de beschikking.
Lid 4 sluit aan bij lid 2 en 3 met de bepaling dat het ook in de beschikking moet worden vermeld als een cliënt een eigen bijdrage in de kosten op grond van de Wmo 2015 moet betalen. De Jeugdwet kent geen eigen bijdrage.
Hoofdstuk 3: Voorzieningen
Paragraaf 3.1 Jeugd
De in deze paragraaf genoemde artikelen vallen onder de jeugdwet, gericht op hulpverlening voor jeugdigen tot 18 jaar, met uitzonderingen zoals beschreven in artikel 21 van deze verordening.
Artikel 15. Algemene voorzieningen Jeugd
Artikel 13 en 14 zijn een nadere uitwerking van artikel 2.9 sub a van de Jeugdwet, waarin bepaald is dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de door het college te verlenen maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen. Uit de memorie van toelichting bij artikel 2.9 komt naar voren dat de inwoner recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van de voorzieningen binnen de gemeente. In deze artikelen stelt de raad daarvoor de kaders.
Artikel 13 regelt de algemene voorzieningen jeugd. Deze zijn vrij toegankelijk. Dit betekent dat een jeugdige en/of de ouders hier gebruik van kunnen maken zonder dat hiervoor een beschikking van de gemeente of verwijzing van een (jeugd)arts of specialist (verwijzer) noodzakelijk is.
Lid 4 geeft aan dat het college nadere regels kan vaststellen over welke aanvullende algemene voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn.
Artikelen 16 tot en met 20
Met de artikelen 16 tot en met 20 wordt afgebakend wanneer hulp op basis van de jeugdwet kan worden ingezet en wanneer een andere wet voorliggend is voor het inzetten van hulp of begeleiding.
Artikel 16. Afbakening Jeugdwet en Wet passend onderwijs
Lid 1: onder ondersteuning valt ook het doen van diagnostiek in verband met leerproblemen. Indien onduidelijk is of er ook sprake is van problematiek die ondersteuning vanuit de Jeugdwet behoeft, kan wel diagnostiek plaatsvinden op grond van de Jeugdwet.
Het deelnemen aan een Plusklas of hoogbegaafdenonderwijs valt onder het verder helpen van jeugdigen in hun onderwijsontwikkeling. Dit valt derhalve niet onder de jeugdwet.
Artikel 17. Afbakening Jeugdwet en Wlz
Lid 2 sub c: In de Jeugdwet is geregeld dat de Wlz voorrang heeft op de Jeugdwet (artikel 1.2 lid 1 onderdeel a). Dit geldt alleen voor zorg die de Wlz ook daadwerkelijk vergoed. Welke zorg onder de Wlz valt is opgesomd in artikel 3.1.1 lid 1 Wlz. Bepaalde hulp, zoals pleegzorg of ggz, staat hier niet opgesomd en kan daarom niet onder de Wlz vallen. De Jeugdwet zal dus verantwoordelijk blijven voor deze hulp, ook als sprake is van een Wlz-indicatie.
Voor vervoersvoorzieningen geldt dat vervoer naar een locatie waar jeugdhulp wordt geboden onder de Jeugdwet blijven vallen (artikel 2.3 lid 2 Jeugdwet). Dit vergoedt de Wlz niet. Maar vervoer van en naar de locatie waar de verzekerde gedurende een dagdeel begeleiding of behandeling ontvangt valt wel onder de Wlz. Dit staat namelijk in artikel 3.1.1 lid 1 onderdeel f Wlz.
Omdat de dagbesteding naar de Wlz is overgegaan, is hier geen sprake meer van vervoer naar een jeugdhulplocatie. Vervoer valt dus niet meer onder de Jeugdwet gelet op de tekst van artikel 2.3 lid 2 Jeugdwet. Dit vervoer wordt wel vergoed door de Wlz gelet op de bovenstaande bepaling. Dagbesteding is namelijk een vorm van (groeps)begeleiding.
Lid 3: Duidelijk dient te blijken dat hier onderzoek naar is gedaan en op welke manier hier onderzoek naar is gedaan. Er dient contact te zijn geweest met een wijkverpleegkundige, zorgverzekeraar etc.
Artikel 18. Afbakening Jeugdwet en Zvw
Lid 2: Hoofdregel is dat als er zorgaanspraak mogelijk is op grond van de Wlz, Wmo 2015 of Jeugdwet, dan geldt er geen aanspraak op de Zvw-zorg.
Artikel 19. Afbakening jeugdwet en Wet maatschappelijke ondersteuning
Wanneer een vraag van een ouder ten behoeve van de jeugdige feitelijk een ondersteuningsvraag van de ouder zelf betreft, wordt een voorziening toegekend op basis van WMO. Wanneer een jeugdige de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, wordt een afweging gemaakt of de hulpvraag van de jeugdige specifiek jeugdhulp betreft of dat begeleiding in het kader van WMO passend is bij de specifieke hulpvraag
Artikel 20. Afstemming met voorzieningen werk en inkomen
Op grond van artikel 20 lid 2 heeft de gemeente oog voor problematiek samenhangend met bestaanszekerheid. Indien nodig of voorliggend aan de jeugdhulpvragen, kan ondersteuning rondom armoede en schulden worden geadviseerd aan ouders.
Artikel 21. Maatwerkvoorzieningen Jeugd
De maatwerkvoorzieningen jeugd zijn de voorzieningen die onder de specialistische hulp vallen en die alleen beschikbaar zijn als de algemene voorzieningen geen oplossing bieden. Dit artikel biedt een zo compleet mogelijk overzicht van het palet aan maatwerkvoorzieningen dat het college als zorg in natura ter beschikking stelt. Deze voorzieningen zijn regionaal ingekocht, maar worden lokaal ingezet. Hierbij schaart het college de voorzieningen in de vorm van ‘specialistische tweedelijns jeugdhulp’. Met de aanbieders van deze ‘zorg in natura’ heeft het college regionaal contracten afgesloten om de cliënten de mogelijkheid te bieden om hun recht op toegekende jeugdhulp te verzilveren. Bij het aanbieden van JeugdzorgPlus is een voorafgaande machtiging gesloten jeugdzorg van de kinderrechter vereist.
Derde en vierde lid
Artikel 21 lid drie en vier volgen uit de regionale inkoopafspraken. In het kader van het vierde lid wordt van de zorgaanbieders verwacht dat zij de geboden zorg tussentijds, tenminste jaarlijks, evalueren. Wanneer een verlenging van de indicatie wordt gevraagd, levert de zorgaanbieder hierbij een verslag van de tussentijdse evaluatie, met informatie over de geboden activiteiten ten behoeve van de jeugdige, het perspectief van het hulpaanbod, de mate waarin doelen worden bereikt en een inhoudelijke onderbouwing van de beoogde resultaten van de hulp.
Vijfde en zesde lid
Een opgave van de Hervormingsagenda 2023-2028 is dat de jeugdhulp beschikbaar moet zijn voor jeugdigen en gezinnen in de meest kwetsbare situaties. Er is geconstateerd dat deze groep nu onvoldoende passende jeugdhulp ontvangt. De Hervormingsagenda presenteert als onderdeel van de oplossing dat het voor jeugdigen en hun ouders helder moet zijn waarvoor ze in het kader van jeugdhulp bij de overheid terecht kunnen en waarvoor niet. Niet elke hulpvraag behoeft een zorgantwoord. Het moet duidelijker worden wat jeugdhulp precies inhoudt en wat binnen de huidige wettelijke kaders onder jeugdhulp moet vallen en wat niet.
In deze bepaling wordt als uitgangspunt genomen dat de gemeente op basis van de wet louter aan zet is als er sprake is van een hulpvraag als bedoeld in de wet. Als er problemen zijn binnen een gezin, die met name bij de ouders liggen, zonder dat er een hulpvraag is vanuit het kind, is er geen verplichting om jeugdhulp te verstrekken. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin ouders zich in een vechtscheiding bevinden en niet bereid zijn het gedrag aan te passen ten behoeve van de jeugdige, of geldproblemen binnen het gezin die direct effect hebben op de jeugdige en waar ouders via een andere weg dan de jeugdhulp deze geldproblemen kunnen verminderen. In die situatie is jeugdhulp mogelijk minder doelmatig dan een alternatieve optie zoals lotgenotencontact (bij een vechtscheiding) of schuldhulpverlening bij geldproblemen. In het zesde lid wordt dit uitgangspunt genuanceerd in die zin dat als er sprake is van meervoudige problematiek in de context van het kind en gezin, en binnen die problematiek speelt ook een hulpvraag, de gemeente op grond van de wet dan wel verplicht is jeugdhulp te verstrekken. Deze bepalingen dwingen het college om bij problemen in de context van het gezin niet als automatisme jeugdhulp te verstrekken, maar om zich goed af te vragen of er daadwerkelijk sprake is van een hulpvraag en er sprake is van een jeugdhulpplicht.
Artikel 22. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening begeleiding.
In de artikelen 22a, 22b en 22c worden een aantal vormen van begeleiding nader beschreven. Het betreft begeleiding die in basis niet wordt toegekend als jeugdhulp, maar waarvoor in specifieke situaties wel jeugdhulp toegekend kan worden.
Artikel 22a. Kinderopvang en buitenschoolse opvang
Artikel 22a. betreft alle vormen van kinderopvang en buitenschoolse opvang, ook kinderopvang+ en buitenschoolse opvang+.
Artikel 22b. Meerkosten zwemles
Zwemles kan in principe niet vergoed worden vanuit de Jeugdwet. Reguliere zwemles om een zwemdiploma te halen is geen jeugdhulp. Het gaat dan niet om ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen en hun ouders bij alle denkbare opgroei-, opvoedings- en psychiatrische problemen en stoornissen. Indien ouders van mening zijn dat reguliere zwemles niet passend is voor hun kind kunnen zij op eigen kosten kiezen voor privézwemlessen. Ook kunnen ouders met de Sportstichting onderzoeken of zwemles in kleine groep (bijzondere talenten) passend is. In dat geval wordt een jeugdhulpindicatie afgegeven voor de meerkosten. Dit betekent dat ouders zelf de kosten van de reguliere zwemlessen betalen en het college de meerkosten. Mocht de Sportstichting meer intensieve begeleiding adviseren, kan hiervoor een jeugdhulpindicatie voor een op een begeleiding worden geïndiceerd.
Artikel 23. Aanvullende criteria voor maatwerkvoorziening behandeling
In de artikelen 23a en 23b worden de aanvullende criteria voor dyslexie en vaktherapie gespecificeerd, in aanvulling op de algemene aanvullende criteria voor maatwerkvoorziening behandeling
Artikel 24. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening vervangende opvoeding
Artikel 25. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening dagbehandeling of dagbesteding
De artikelen 24 en 25 spreken voor zich en behoeven geen extra uitleg in de toelichting.
Artikel 26. Vervoer bij jeugdhulp
Wanneer een jeugdige een indicatie heeft voor een maatwerkvoorziening jeugdhulp kan vervoer naar de jeugdhulplocatie worden toegekend als er voldaan wordt aan de criteria zoals deze gesteld zijn in artikel 26. Tevens dient de combinatie van afstand en frequentie dusdanig groot te zijn dat het de gebruikelijke zorgplicht van ouders overschrijdt. Dit gaat verder dan bijvoorbeeld alleen de zorg voor andere kinderen of werk van ouders. Om dat te kunnen bepalen is er in het vierde lid van dit artikel een berekeningsformule vastgelegd.
De aanvraag voor het vervoer hoeft niet perse tegelijk met de aanvraag voor de jeugdhulp zelf gedaan te worden (zevende lid), maar kan niet met terugwerkende kracht toegekend worden (achtste lid).
Het tiende lid beschrijft de verschillende vormen van de maatwerkvoorziening vervoer bij jeugdhulp. Hierbij is aangegeven dat een combinatie tussen de verschillende vormen mogelijk is, mits daar een goede onderbouwing voor wordt gegeven.
Het elfde lid geeft de volgorde aan waarin de verschillende vormen toegekend kunnen worden. De volgende optie is pas aan de orde als vastgesteld is dat de voorgaande optie niet mogelijk is. Deze volgorde is bepaald op basis van de mate van zelfstandigheid en zelfredzaamheid van zowel de jeugdige als de ouders.
Het twaalfde lid geeft aan dat, wanneer er een vervoersvoorziening toegekend wordt voor het openbaar vervoer, het voor het openbaar vervoer geldende tarief wordt verstrekt. Tevens heeft het zevende lid aan dat, wanneer een vervoersvoorziening toegekend wordt in de vorm van een kilometervergoeding, de kilometervergoeding € 0,23 bedraagt en dat de kilometervergoeding bij de auto slechts wordt verstrekt voor de kilometers dat de jeugdige inzittende van de auto is.
Artikel 27. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening kortdurend verblijf/logeren
Kortdurend verblijf wordt ingezet ten behoeve van verzorgenden of mantelzorgers die permanente zorg leveren aan de jeugdige. Ontlasting van pleegouders door het inzetten van kortdurend verblijf wordt ingezet door de pleegzorgaanbieder en is dan ook een uitzondering op artikel 27.
Artikel 28. Zestienjarige en voortzetting hulp na achttien jaar
Het is van belang dat een jeugdige die ondersteuning ontvangt die hij nodig heeft, maar ook dat er continuïteit is in de ondersteuning vanaf het moment dat de jeugdige 18 jaar wordt.
Enerzijds wordt daarom met de jeugdige, waarvan verwacht wordt dat hij ook na zijn 18e jaar nog ondersteuning nodig zal hebben, gewerkt aan de voorbereiding op het moment dat hij 18 jaar (en dus meerderjarig wordt) en hij daarna in het kader van de Wmo 2015 die vervolgondersteuning ontvangt die hij nog nodig heeft. De melding voor Wmo hulpverlening zal tijdig voor de leeftijdswisseling door de jeugdige zelf moeten worden ingediend. Eventuele voortzetting van specifieke vormen van jeugdhulp, waarin niet voorzien kan worden in het kader van de Wmo 2015, vindt in principe plaats tot uiterlijk het 23e levensjaar.
Paragraaf 3.2 Wmo
Artikel 29. Algemene voorzieningen Wmo
Inherent aan algemene voorzieningen (Wmo 2015) is, dat deze zonder of met slechts een geringe toetsing zoals bijvoorbeeld een leeftijdsgrens, vrij toegankelijk zijn. Daarom kan de cliënt zich rechtstreeks tot deze voorzieningen wenden. De voorzieningen zijn vrij toegankelijk en kunnen daarom beschikkingsvrij worden aangeboden.
Lid 3 sub g: Om het resultaat schone en draagbare kleding te bereiken is de wasservice als algemene voorziening beschikbaar (artikel 29 lid 4). Dit houdt in dat kleding en beddengoed gewassen en gedroogd wordt. Strijken vormt geen onderdeel van deze service, omdat van de inwoner verwacht mag worden dat deze strijkvrije kleding aanschaft. Strijkvrije kleding is namelijk algemeen gebruikelijk en niet speciaal bedoeld voor mensen met een beperking en heeft eenzelfde prijs als andere kleding.
Lid 3 sub h: om het resultaat van een veilig thuissituatie te bereiken is de organisatie Veilig Thuis ingericht zoals die bedoeld is in artikel 4.1.1 van de Wmo 2015;
Lid 4: Voor de wasservice geldt een bijdrage. De bijdrage die gevraagd wordt ligt onder de marktconforme prijs. Voor inwoners met een indicatie huishoudelijke hulp geldt een bijdrage van € 6,00 per waszak van maximaal 8 kg, dit bedrag is gebaseerd op de werkelijke waskosten (stroom, water, wasmiddel, afschrijving wasmachine). Voor inwoners zonder indicatie geldt een bijdrage van € 25,00 per waszak van maximaal 8 kg.
De was kan ongesorteerd worden ingeleverd.
Artikel 30. Maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo
De ondersteuning in de vorm van zorg, hulpmiddelen of aanpassingen kunnen gericht zijn op één of meer van de in het eerste lid genoemde diensten. Binnen deze diensten zijn meerdere niveaus van ondersteuning mogelijk, afhankelijk van de aard en de ernst van de ondersteuningsbehoefte. In het onderzoek wordt bepaald op welk gebied en in welke vorm er ondersteuning noodzakelijk is.
Artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de Wmo 2015, bepaalt dat de raad bij verordening regelt op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt. In het vijfde lid wordt verwezen naar de algemene criteria die zijn opgenomen in het artikel 1.2.1 van de Wmo 2015.
In deze artikelen wordt verwoord dat er sprake moet zijn van:
- •
beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen;
- •
problemen in de zelfredzaamheid, participatie of het zelfstandig functioneren; en
- •
een onvermogen om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende oplossingen te vinden voor deze problemen.
Daarnaast moeten ook algemene voorzieningen onvoldoende bijdragen aan een oplossing.
In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013-14, 33 841, nr. 3, p.148) is bij artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 opgemerkt dat de maatwerkvoorziening nadrukkelijk een hekkensluiter is: “Alleen wanneer iemand echt niet zelf of met hulp van zijn omgeving in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en ook een algemene voorziening geen uitkomst biedt, is er een rol voor het college. Dat is niet het geval wanneer het gaat om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard gebruikelijk zijn (fiets, schoonmaakmiddelen, wandelstok, eenvoudige rollator). Dat is ook niet het geval als de aanvrager zijn hulpvraag redelijkerwijs van tevoren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, bijvoorbeeld: indien iemand is aangewezen op een rolstoel en een huis koopt waarin veel dure aanpassingen moeten worden aangebracht, had het in de rede gelegen dat de aanvrager in een al aangepast huis zou gaan wonen.”
De maatwerkvoorziening vormt het (aanvullende) sluitstuk, als dit soort opties niet voldoende zijn. Eerst wordt derhalve gekeken naar de eigen kracht en andere mogelijkheden om de cliënt te helpen met zijn problemen met betrekking tot zijn zelfredzaamheid, participatie of zelfstandig functioneren. Dat kan bijvoorbeeld simpelweg een verwijzing zijn naar een voorliggende voorziening, het helpen bij het inzetten van zijn eigen netwerk, kortdurende ondersteuning of een verwijzing naar een algemene voorziening.
De wet schrijft voor dat de ondersteuning een passende bijdrage moet leveren aan de belemmeringen van de cliënt. Met andere woorden: de (maatwerk)voorziening moet een zo goed mogelijke bijdrage leveren aan de oplossing van de belemmeringen van de cliënt in zijn zelfredzaamheid en participatie. Wanneer het college daarbij de mogelijkheid heeft te kiezen uit meerdere oplossingen, kiest het college voor de meest voordelige oplossing.
Zie ook de toelichting bij artikel 33, ten aanzien van de keuze tussen de aanpassing van een woning of verhuizen.
Toelichting HHM Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025
Bureau HHM heeft het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025 (zie bijlage 1) uitgewerkt. Dit normenkader helpt bij het op maat indiceren van huishoudelijke ondersteuning voor inwoners. Er liggen verschillende onderzoeken aan dit normenkader ten grondslag. In het normenkader is opgenomen hoeveel tijd van een professionele hulp nodig is als deze het huishouden in de ‘gemiddelde cliëntsituatie’ volledig moet overnemen. Dit is de ‘ijk-situatie’. De Wmo-consulent doet onderzoek bij de inwoner die ondersteuning vraagt. En vergelijkt de situatie van de inwoner met de omschreven ‘gemiddelde cliëntsituatie’. Als de cliënt eigen mogelijkheden heeft of als voorliggend of vanuit het netwerk andere oplossingen beschikbaar zijn, dan is minder of geen inzet van huishoudelijke ondersteuning mogelijk. Als het nodig is vanwege beperkingen of belemmeringen van de inwoner of andere bijzonderheden om extra vaak of extra goed schoon te maken, dan is meer inzet van huishoudelijke ondersteuning nodig. Zo komt het tot ondersteuning op maat van het individu.
Het is ook mogelijk om een indicatie af te geven voor om de week mits dat in betreffende situatie mogelijk is.
Toelichting Normenkader begeleiding 2.0
Het Normenkader Begeleiding 2.0 (zie bijlage 2) helpt bij het indiceren van begeleiding en dagbesteding. Dit normenkader is ontwikkeld door bureau HHM en Factum Advies in samenwerking met ruim 25 gemeenten.
Dit Normenkader Begeleiding 2.0 helpt bij het bepalen van de aard en omvang van de begeleiding, de uiteindelijke afweging blijft altijd aan de professional. Het is een hulpmiddel om te komen tot een gedegen en toetsbare afweging.
Maatwerkvoorzieningen, anders dan voor dienstverlening, kunnen in natura of in de vorm van een financiële tegemoetkoming worden verstrekt.
Indien de maatwerkvoorziening in natura wordt verstrekt, wordt deze door het college ingekocht en aan de cliënt geleverd. Een maatwerkvoorziening in natura kan in bruikleen of in eigendom worden verstrekt. Als een maatwerkvoorziening in bruikleen wordt verstrekt, sluit de cliënt daarvoor een bruikleenovereenkomst af.
In lid 8 zijn algemene aanvullende criteria geformuleerd voor een maatwerkvoorziening die het college kan hanteren bij het vaststellen van het recht op een maatwerkvoorziening. Als een cliënt niet voldoet aan deze criteria, komt hij in principe niet in aanmerking voor de betreffende maatwerkvoorziening. De criteria zijn echter niet voor alle situaties en voor alle maatwerkvoorzieningen relevant. De Wmo 2015 betekent maatwerk, zodat ook bij de toepassing van de criteria die in dit lid worden genoemd, maatwerk wordt toegepast.
De cliënt is in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor zijn eigen leven, zijn zelfredzaamheid en participatie. Dat betekent dat een cliënt binnen zijn vermogen (tijdig) die maatregelen moet nemen om ervoor te zorgen dat hij zo lang mogelijk zelfredzaam is en kan participeren en geen beroep hoeft te doen op maatschappelijke ondersteuning.
Sub a
Algemeen gebruikelijke voorzieningen en maatregelen kunnen niet worden verstrekt via een maatwerkvoorziening. Algemeen gebruikelijke kosten zijn bijvoorbeeld een maaltijdservice of een boodschappendienst. Maar ook voorzieningen die in de reguliere handel of bij een thuiszorgwinkel verkrijgbaar zijn of geleend kunnen worden. Of deze kosten algemeen gebruikelijk zijn, wordt beoordeeld in relatie tot de situatie en persoon van de cliënt. Zo is een fiets met trapondersteuning voor een jong kind niet algemeen gebruikelijk. Zie voor een uitgebreidere uitwerking van het begrip algemeen gebruik in de toelichting van artikel 8 van deze verordening.
Sub b
Een voorziening moet veilig zijn en geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengen voor hemzelf of een ander. Zo zal bijvoorbeeld iemand die geen verkeersinzicht of rijbewijs heeft niet in aanmerking kunnen komen voor een aangepaste auto of een snelle scootmobiel.
Sub c
Als er al eerder een maatwerkvoorziening is verstrekt en die voorziening biedt nog voldoende ondersteuning en is nog niet technisch afgeschreven, dan komt de cliënt niet in aanmerking voor een nieuwe maatwerkvoorziening. De noodzaak is dan niet aanwezig.
Sub d
Het is voor het college belangrijk dat het objectief kan vaststellen of de voorziening noodzakelijk is. Als een cliënt zich op een zodanig moment meldt dat dit niet meer mogelijk is, dan komt dat voor rekening en risico van de cliënt. Bovendien blijkt hier dan ook uit dat de cliënt in staat is gebleken zelf met oplossingen te komen voor zijn probleem, zodat ondersteuning door het college niet aan de orde is.
Sub e
De maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening is gericht op het bereiken van resultaten: versterking of behoud van zelfredzaamheid en participatie staan daarbij centraal. Ook overige voorzieningen, zoals hulpmiddelen en vervoersvoorzieningen, zijn vaak hierop gericht. De inzet van maatwerkvoorzieningen maakt onderdeel uit van een ondersteuningsplan, waar behalve de maatwerkvoorziening ook inzet van de cliënt wordt verwacht, gebruik van algemene voorzieningen of deelname aan bepaalde activiteiten. Als een cliënt weigert om aan het onderzoek en de opstelling van een dergelijk ondersteuningsplan mee te werken die het college noodzakelijk vindt voor het bereiken van de resultaatgebieden, of niet meewerkt aan de uitvoering daarvan, kan dit tot gevolg hebben dat ook de maatwerkvoorziening wordt geweigerd.
Sub f
Als de noodzaak tot het vervangen van een verleende voorziening aan de cliënt te verwijten is, bijvoorbeeld omdat de voorziening niet op de juiste manier is onderhouden, cliënt roekeloos met de voorziening is omgesprongen of de cliënt zijn eerder verstrekte pgb niet op de juiste wijze heeft besteed, kan dit aanleiding zijn om een nieuwe aanvraag om een maatwerkvoorziening te weigeren. Maar ook als de cliënt bijvoorbeeld zonder goede redenen verhuist van een voor hem geschikte woning naar een woning die niet is aangepast aan zijn beperkingen, kan dit reden zijn om een maatwerkvoorziening te weigeren.
Artikel 31. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden
Binnen de dienst hulp bij het huishouden kunnen er meerdere resultaten worden gerekend. In de meeste gevallen zal het gaan om het schoon en leefbaar houden van de woning. Maar het kan ook de andere resultaten betreffen die in dit artikel worden genoemd, als geen andere oplossingen beschikbaar en/of geschikt zijn. De zwaarte en intensiteit van de ondersteuning is afhankelijk van de mate van beperkingen die de cliënt ondervindt.
Schoon en leefbaar huis
Dit betekent dat de woning opgeruimd en functioneel moet zijn, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen.
Daarnaast moet de woning schoon zijn volgens algemeen gebruikelijke hygiënische normen. Zo moet de cliënt gebruik kunnen maken van een schone huiskamer, slaapvertrek, keuken, douche/toilet en gang. Om dit te realiseren is het bijvoorbeeld noodzakelijk dat de vertrekken gedweild of gestofzuigd worden, de keuken schoongemaakt is en het bed verschoond wordt.
Het verzorgen van de buitenruimte, zoals de tuin of het zemen van de ramen aan de buitenzijde, behoort niet tot de reikwijdte van deze dienst.
Hoe vaak het een en ander moet worden schoongemaakt, is afhankelijk van de aard en het gebruik van de ruimte. Ook kunnen er individuele omstandigheden zijn waardoor het schoonmaken vaker moet gebeuren. Bijvoorbeeld de allergieën die een cliënt heeft waardoor een hoger niveau van hygiëne nodig is.
Beschikken over schone en draagbare kleding
Een cliënt moet kunnen beschikken over schone en draagbare kleding. Dat wil zeggen dat kleding en beddengoed gewassen en gedroogd wordt. Hiervoor is de wasservice als algemene voorziening beschikbaar (artikel 29 lid 4). Voor een aantal inwoners is een wasservice geen passende voorziening. Hiervoor blijft mogelijk om als maatwerkvoorziening (een gedeelte van) de was te indiceren vanuit de huishoudelijke hulp. Indicaties voor huishoudelijke hulp met was die reeds zijn afgegeven worden niet heroverwogen, maar blijven doorlopen tot einde looptijd of tot er een wijziging van de situaties is (artikel 98 lid 2).
Beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften, waaronder maaltijden
Het gaat er binnen dit resultaat om dat de cliënt kan beschikken over de noodzakelijke boodschappen voor levensonderhoud. Ook het verzorgen van de maaltijden valt hieronder. Als een cliënt geacht wordt om gebruik te maken van een voorliggende voorziening, zoals een boodschappendienst dan is een indicatie voor dit doel niet aan de orde. In sommige gevallen dient de cliënt echter ondersteund te worden bij de boodschappen, bijvoorbeeld doordat de huishoudelijke hulp de boodschappen doet en deze opbergt.
Het verzorgen van maaltijden kan bestaan uit het verzorgen van een warme maaltijd, het opwarmen van een maaltijd, het verzorgen van een broodmaaltijd. Soms kan volstaan worden met het bestellen van warme maaltijden bij een maaltijdservice, of het deelnemen aan “open tafels” in de wijk. In andere gevallen zal de huishoudelijke hulp zelf een maaltijd moeten bereiden. Zowel in de wijze waarop, als de frequentie waarmee voorzien wordt in de warme maaltijd zijn diverse varianten mogelijk, afhankelijk van de situatie van de cliënt.
Het voeren van regie over het doen van het huishouden
Het voeren van regie betreft het organiseren van het huishouden met als doel dat de cliënt weer in staat is het huishouden zelf te regisseren en (zoveel mogelijk) zelf uit te voeren.
Deze voorziening kan alleen toegekend worden aan leerbare cliënten. Wanneer een cliënt de huishoudelijke taken wel zelf kan uitvoeren maar iemand anders moet toezien/stimuleren, dan kan ook hiervoor ondersteuning worden geboden. Dit geldt ook wanneer de cliënt deze huishoudelijke taken soms wel en soms niet zelf kan uitvoeren.
Artikel 32. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening begeleiding
Individuele begeleiding wordt toegekend opdat de cliënt zo lang als mogelijk zelfstandig in de eigen leefomgeving kan blijven wonen. Dit is de achterliggende doelstelling als aan de cliënt de maatwerkvoorziening wordt toegekend. De begrenzing van deze Wmo-doelstelling wordt gevormd door artikel 2.3.5 lid 6 van de Wmo 2015: als de cliënt is aangewezen op de Wet langdurige zorg, dan wordt vanuit die wet zorg ontvangen. Die zorg kan ook worden geboden in de thuissituatie of in een instelling voor zorg met verblijf.
Het college beoordeeld in welke mate de cliënt zelfredzaam is en of, en zo ja welke ondersteuning en in welke intensiteit het nodig is om de cliënt op een zo volwaardige manier te laten meedoen in de maatschappij. Uiteraard gaan hierbij de algemene voorzieningen voor op de maatwerkvoorzieningen.
Bij de individuele begeleiding gelden de volgende kernbegrippen:
- a.
De ondersteuning is erop gericht dat cliënt door stimulans en/of toezicht in staat is om het (sociale) leven zelfstandig vorm te geven.
- b.
De ondersteuning wordt geboden bij het oplossen van problemen en het zelfstandig nemen van besluiten.
- c.
De ondersteuning kan zich ook richten op het (tijdelijk) overnemen van taken tot en met het aanleren ervan.
Artikel 33. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening dagbesteding
Dagbesteding is onder meer gericht op één of meer van de volgende resultaten:
- a.
sociale activiteiten buitenshuis met als doel duurzaam sociaal contact en ontmoeting;
- b.
structuur en veiligheid;
- c.
ontlasten mantelzorger;
- d.
het aanbieden van routine en structuur voor de dag;
- e.
voorkomen van verwaarlozing/opname.
Met als achterliggend doel om zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen.
De omvang en intensiteit van de ondersteuning is afhankelijk van de mate van beperkingen die de cliënt ondervindt.
Artikel 34. Aanvullende criteria voor vervoer van en naar de dagbesteding
Naast de vertrekking van de maatwerkvoorziening dagbesteding is het mogelijk om een maatwerkvoorziening vervoer naar de dagbesteding te indiceren, indien een cliënt gelet op zijn beperkingen of psychische of psychosociale problematiek niet in staat is zich zelfstandig te verplaatsen tussen zijn woon- of verblijfadres en de dagbesteding.
Uitgangspunt is dat de dagbesteding/dagbehandeling in de nabijheid van de woonomgeving is. De intensiteit van het vervoer is afhankelijk van de mate van het gebruik van de dagbesteding (aantal dagdelen).
Artikel 35. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening logeren
Als bij de mantelzorger van de cliënt de balans tussen draagkracht en draaglast is verstoord of verstoord dreigt te raken, dan is er reden om voor cliënt logeeropvang of logeerverblijf buiten de thuissituatie mogelijk te maken. Dit kan plaatsvinden in een instelling.
Artikel 36. Aanvullende criteria maatwerkvoorziening beschermd wonen en maatschappelijke opvang
Beschermd wonen: woonvorm waarbij de cliënt permanent toezicht nodig heeft. De doelgroep is kwetsbaar met risico op verwaarlozing en overlast en kan een gevaar vormen voor zichzelf en voor anderen. Doel van deze manier van wonen is de doorstroom naar (beschut) zelfstandig wonen. Alle kosten worden vergoed en via het CAK wordt een eigen bijdrage berekend.
Maatschappelijke opvang: onderdak en begeleiding voor mensen die dak- of thuisloos zijn en niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Hieronder vallen crisisopvang (alleenstaande volwassenen), herstart (alleenstaande volwassenen), herstart gezinnen, crisisopvang jongeren en reguliere opvang jongeren.
Artikel 37. Aanvullende criteria maatwerkvoorziening beschut wonen
Beschut wonen is een geclusterde woonvorm met een gemeenschappelijke ruimte, waar begeleiding door de weeks op vaste momenten aanwezig is en daarbuiten 24-uurs bereikbaar en indien nodig op afroep langs komt. De doelgroep kan (nog) niet zelfstandig wonen, maar wel zelf aangeven wanneer hulp nodig is en deze hulpvraag uitstellen. Beschut wonen is bedoeld voor bewoners die uitstromen uit beschermd wonen, maatschappelijke opvang en verblijfszorg jeugdzorg. Beschut wonen voorkomt daarnaast dakloosheid en daarmee instroom in de maatschappelijke opvang. Verder voorkomt deze voorziening onnodige instroom in beschermd wonen dat bestemd is voor een zwaardere doelgroep. Bij beschut wonen is het uitgangspunt scheiden van wonen en zorg. Dit betekent dat de inwoner in principe zelf zijn huur betaalt en zelf een huurcontract heeft met de verhuurder of de zorgorganisatie.
Artikel 38. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening rolstoel
Een rolstoel voorziening wordt slechts verstrekt als de cliënt als gevolg van zijn beperkingen langdurig is aangewezen op het zittend verplaatsen in en om de woning.
De rolstoelvoorziening is onder andere gericht op een of meer van de volgende resultaten:
- a.
het kunnen bereiken van winkels;
- b.
het kunnen onderhouden van sociale contacten;
- c.
het deelnemen aan activiteiten, al dan niet in de vorm van een algemene voorziening, binnen de leefomgeving van de cliënt;
- d.
de dagelijkse noodzakelijke verplaatsingen in en rondom de woning;
- e.
overige noodzakelijke verplaatsingen in kader van het leven van alledag.
Artikel 39. Aanvullende criteria voor maatwerk woonvoorzieningen
Het college kan een maatwerkvoorziening toekennen in de vorm van een woonvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan een woningaanpassing of een traplift. Daarnaast kan een maatwerkvoorziening worden toegekend zodat de cliënt zich in en om de woning kan verplaatsen.
Voordat het college het verhuisprimaat toepast, wordt een belangenafweging gemaakt tussen het aanpassen van de huidige woning of het verhuizen naar een andere woning. Bij de belangenafweging kunnen diverse factoren een rol spelen en wordt er in ieder geval gekeken naar:
- -
de aanwezigheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen;
- -
kostenvergelijking tussen aanpassen en verhuizen;
- -
de beschikbaarheid van een woningen binnen een medisch aanvaardbaar termijn;
- -
sociale omstandigheden;
- -
gezinssituatie;
- -
afstemmingen met andere voorzieningen;
- -
werksituatie;
- -
verandering in woonlasten;
- -
is cliënt huurder of eigenaar van de woning;
- -
wooncomfort;
- -
de wil van cliënt om te verhuizen;
Het primaat van verhuizen is van kracht als de totale kosten voor het aanpassen van de woning hoger zijn dan de kosten voor een verhuizing (verhuizen is dan de goedkoopst adequate oplossing voor de hulpvraag), tenzij er voldoende argumenten zijn die tegen verhuizen pleiten.
De Centrale Raad van Beroep heeft uitspraak gedaan over het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding in plaats van het aanpassen van de woning, waarbij er in de belangenafweging is geconstateerd dat verhuizen goedkoper en – eveneens – adequaat is: ECLI:NL:CRVB:2018:2602. Dit laat onverlet dat steeds de vraag moet worden beantwoord of met de toepassing van het primaat verhuizen in een concreet geval een passende bijdrage als bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid van de Wmo 2015 wordt geleverd.
Ook heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan over het inadequaat verhuizen, waarmee cliënt voor hem geen passende oplossing heeft gevonden voor het in de verlaten woning ondervonden woonprobleem. Hierdoor heeft cliënt geen recht op een financiële tegemoetkoming in de kosten van de verhuizing en herinrichting: ECLI:NL:CRVB:2018:702.
De Raad onderstreept dat hij die woning niet overeenkomstig haar essentiële elementaire woonfuncties (niet in staat om de slaapkamer en natte cel te bereiken) kan bewonen. Dit betekent dat de woning, gezien de beperkingen, ongeschikt is.
Het te bereiken resultaat van de toe te kennen maatwerkvoorziening bestaat uit het normale gebruik van de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft. Het gaat daarbij om het kunnen gebruiken en bereiken van de elementaire woonruimten voor de dagelijkse levensverrichtingen (het normale gebruik van de woning). Daaronder worden in ieder geval verstaan het kunnen bereiden van maaltijden, verrichten van de persoonlijke hygiëne (wassen en toiletgang) en kunnen slapen (bereiken van de slaapkamer). Onder omstandigheden van het individuele geval kan het te bereiken resultaat tevens betrekking hebben op de berging, de toegang tuin of balkon van de woning (toe- en doorgang).
Artikel 40. Aanvullende criteria maatwerkvoorziening vervoersdiensten en vervoersvoorzieningen
Het college kan een maatwerkvoorziening toekennen voor het zich kunnen verplaatsen in de leefomgeving gericht op zelfredzaamheid en participatie. Met het zich kunnen verplaatsen in de leefomgeving wordt de cliënt in de gelegenheid gesteld sociale contacten te onderhouden. De verplaatsingen kunnen betrekking hebben op de korte, de middellange en/of op de langere afstanden binnen de leefomgeving van de cliënt.
Wanneer een cliënt de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en deze cliënt een CVV pas aanvraagt, dan hoeft er geen onderzoek volgens artikel 6 van deze verordening plaats te vinden. Alleen al op basis van de leeftijd komt de cliënt dan in aanmerking voor de CVV pas.
De genoemde bijzondere persoonlijke omstandigheden kunnen zowel structureel het gebruik van het CVV uitsluiten als in uitzonderlijke gevallen per rit. Beide zal door onderzoek moeten blijken.
Artikel 41. Aanvullende criteria voor maatwerk sportvoorzieningen
Deze voorziening ziet op het kunnen uitoefenen van een sport en kan naast een andere vervoersvoorziening verstrekt worden.
Een sportvoorziening is noodzakelijk als de cliënt door sportbeoefening beter in staat is te participeren. Ook kan sportbeoefening bijdragen aan de zelfredzaamheid: het draagt bij aan de verbetering van de conditie en vertrouwen in zichzelf en kan eraan bijdragen dat de cliënt zijn eigen mogelijkheden en vaardigheden (her)ontdekt.
Daarnaast moet er sprake zijn van meerkosten bij de sportbeoefening als gevolg van de beperking. Bijvoorbeeld doordat hij een speciale sportvoorzieningen nodig heeft. Omdat de sportvoorziening moet bijdragen aan zijn zelfredzaamheid en participatie, kan een sportvoorziening alleen worden verstrekt als de sport regelmatig wordt beoefend.
Voor topsport of sport op hoog niveau geldt dat hiervoor sprake is van voorliggende mogelijkheden voor een sportvoorziening op basis van sponsoring en mogelijkheden via diverse fondsen.
Artikel 42. Afschrijvingsperioden
Artikel 36 legt vast hoelang de gemeente Zuidplas het gebruik van een voorziening gebruikelijk acht.
Artikel 43. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen
Het college verstrekt een tegemoetkoming voor woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen, en een sportrolstoel op basis van dit artikel. Het betreft hier expliciete aantoonbare meerkosten. Daarnaast blijft uiteraard van belang dat bij de beoordeling vooraf wordt bekeken in hoeverre men in staat is zelf het een en ander te regelen of dat het in de betreffende situatie meer voor de hand ligt om een maatwerkvoorziening te verstrekken.
Artikel 44. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen
Artikel 38 regelt de (hoogte) van de bijdrage in de kosten voor Wmo-maatwerkvoorzieningen, het zogenaamde abonnementstarief.
De eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening Wmo wordt door het CAK vastgesteld en geïnd. De cliënt betaalt nooit meer aan eigen bijdrage Wmo dan de kostprijs van de maatwerkvoorziening.
De reizigersbijdrage van collectief vraagafhankelijk vervoer is afhankelijk van het aantal zones dat wordt gereisd en wordt voldaan aan de vervoerder.
Artikel 45. Blijk van waardering voor mantelzorgers
Dit artikel is een uitwerking van de verplichting in artikel 2.1.6 van de Wmo 2015 om in de verordening te bepalen op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers.
In dit artikel is de manier waarop mantelzorgers in aanmerking kunnen komen voor deze waardering geregeld. Mantelzorgers van cliënten in de gemeente kunnen via een melding bij het college in aanmerking komen voor de jaarlijkse blijk van waardering (eerste lid). Het tweede lid bepaalt waaruit de jaarlijkse blijk van waardering bestaat, namelijk: een jaarlijkse activiteit en praktische ondersteuning.
De uitvoering van artikel 45 wordt gedaan door het Mantelzorgsteunpunt.
Hoofdstuk 4. Persoonsgebonden budget (pgb)
Artikel 46. Bepalingen om in aanmerking te komen voor een pgb
Lid 1 geeft aan dat de gemeente Zuidplas een pgb verstrekt op basis van de Wmo 2015 en de Jeugdwet.
Lid 2, in de Wmo 2015 en in de Jeugdwet zijn de pgb-vaardigheid, de motivatie en de kwaliteit randvoorwaardelijk voor het verkrijgen van een pgb. In dit artikel wordt geregeld op welke wijze hieraan uitvoering wordt gegeven.
Wanneer cliënt naar aanleiding van het onderzoek in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening of een individuele voorziening, en hij vervolgens aangeeft deze in de vorm van een pgb geleverd te willen hebben, zijn er aan dit verzoek een aantal eisen verbonden. Zo stelt het college een format vast voor een pgb-budgetplan, waarmee de cliënt zijn aanvraag voor een pgb moet indienen. In het tweede lid wordt bepaald wat er in het pgb-budgetplan dient te zijn opgenomen.
Uit de motivering in het pgb-budgetplan moet duidelijk blijken dat men zelf de regie kan voeren, hoe en waarom men dit gaat doen en waarom men een pgb wil in plaats van gebruik te maken van het aanbod dat de gemeente heeft voor zorg in natura. Van belang is of de motivering doordacht en houdbaar is en verband houdt met de rechten, verplichtingen en vrijheden die een pgb met zich meebrengt.
In lid 3 wordt gesproken van professionele ondersteuning (instellingen en zzp’er). Een zzp’er is een zelfstandige zonder personeel, die niet in loondienst is van een professionele organisatie.
Hieronder valt alle hulpverlening geboden door personen en bedrijven in het bezit van een KVK met betrekking tot de uitgevoerde ondersteuning. In artikel 40 van de verordening staan verdere voorwaarden beschreven om als professional te kunnen worden aangemerkt. Daarnaast wordt er gesproken van ondersteuning binnen sociaal netwerk. Onder het sociaal netwerk worden personen gerekend uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt, zoals familieleden, buren, vrienden, kennissen, zoals besproken in artikel 41 van de verordening
De in het vierde lid van dit artikel bedoelde wettelijke verlenings- en weigeringsgronden staan voor wat betreft de Wmo 2015 in artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid en wat betreft de Jeugdwet in artikel 8.1.1, tweede en vierde lid.
Door de bepaling onder ad d wordt verhinderd dat een cliënt beïnvloed en/of onderdruk wordt gezet door zijn omgeving om de via een pgb verstrekte zorg bij een specifieke zorgaanbieder in te kopen.
In lid 5 wordt beschreven dat het college van de cliënt een schriftelijke machtiging en verklaring verlangt. De machtiging houdt in dat cliënt schriftelijk aangeeft wie degene is die hem vertegenwoordigt. De schriftelijke verklaring houdt in dat zowel de cliënt als budgethouder, als diens vertegenwoordiger zich ten opzichte van het college en de cliënt verplichten tot het op juiste en verantwoordelijke wijze beheren van het pgb. De verklaring dient tevens als instrument ter bewustwording van cliënt en vertegenwoordiger van de rechten en plichten die een pgb met zich brengt
In het in lid 6 wordt er een nadere uitleg gegeven over de criteria waarop een budgethouder niet in staat wordt geacht om de aan een pgb verbonden taken uit te voeren en een pgb kan worden geweigerd.
Onder h: Het college kan een persoon niet in staat achten de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren indien bij hem sprake van twijfels op overige gronden over de pgb-vaardigheid. Pgb-vaardigheid wordt aan de hand van de 10 punten voor pgb-vaardigheid getoetst:
- 1.
Een goed overzicht van uw eigen situatie houden.
- 2.
Weten welke regels er horen bij een pgb.
- 3.
Een overzichtelijke pgb-administratie bijhouden.
- 4.
Communiceren met de gemeente, zorgverzekeraar of zorgkantoor, de SVB en zorgverleners.
- 5.
Zelfstandig handelen en zelf voor zorgverleners kiezen.
- 6.
Zelf afspraken maken en deze afspraken bijhouden. En u hier aan houden.
- 7.
Beoordelen of de zorg uit het pgb bij u past.
- 8.
Zelf de zorg regelen met 1 of meer zorgverleners.
- 9.
Zorgen dat de zorgverleners die voor u werken weten wat ze moeten doen.
- 10.
Weten wat u moet doen als werkgever of opdrachtgever van een zorgverlener.
In lid 7 wordt er omschreven dat het college van de budgethouder verlangt dat in de tussen evaluatie in wordt gegaan op de tot dan toe behaalde resultaten en de aan het pgb verbonden voorwaarden.
Lid 8 gaat in op de besteding van het pgb in het buitenland. (Indien besteding van het pgb in het buitenland gewenst is, is dat alleen mogelijk als hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven. Het college toetst of de besteding van het pgb past binnen het ondersteuningsplan en de te behalen doelen, alsmede of de kwaliteit is gewaarborgd. Hierbij zal de geleverde zorg moeten voldoen aan de randvoorwaarden van de Wmo en de Jeugdwet.
In lid 9 wordt er ingegaan op de weigeringsgronden van een pgb. Als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 4 of ambtshalve maatschappelijke ondersteuning, als bedoeld in artikel 10 vijfde lid, is er nog geen sprake van geïndiceerde ondersteuning op basis van een vraagverhelderingsonderzoek. In zo’n geval is de ondersteuning voorlopig niet mogelijk via een pgb. Zodra het reguliere onderzoek is afgerond en een maatwerkvoorziening blijkt aan de orde, dan kan de cliënt uiteraard wel een verzoek indienen voor een pgb.
Onder b: Een pgb is niet mogelijk voor de betaling van een persoon of organisatie die hem helpt met het beheer van het pgb. Een vertegenwoordiger wordt derhalve niet betaald vanuit het pgb. Ook kosten als administratiekosten, intakekosten, bemiddelingskosten, worden niet vanuit het pgb betaald. Mochten dergelijke kosten zich voordoen, dan is cliënt hier zelf verantwoordelijk voor aangezien hij ook zelf de keuze maakt deze eventuele financiële verplichting aan te gaan.
Artikel 47. Regels voor pgb vertegenwoordiging
Als een cliënt niet zelf tot het beheer van zijn pgb in staat is of nog niet de meerderjarige leeftijd heeft bereikt, waardoor een situatie van (wettelijke) vertegenwoordiging aan de orde is, moet worden gewaarborgd dat de vertegenwoordiger die de cliënt ondersteunt hiertoe daadwerkelijk in staat is en dit vanuit zuiver hulp gedreven motieven doet. Hierbij gelden in ieder geval dezelfde contra-indicaties als voor de budgethouder zelf. De mogelijkheid dat er een ongewenste belangenverstrengeling tussen vertegenwoordiger en pgb-hulpverlener(s), danwel een ongewenste (financiële) afhankelijkheidsrelatie ontstaat, dient te worden vermeden.
Om die reden is een aantal aanvullende voorwaarden c.q. weigeringsgronden aan de vertegenwoordiging opgenomen. In principe mag de uitvoerder van de ondersteuning niet degene zijn die vertegenwoordiger is, aangezien de objectiviteit van de te beoordelen kwaliteit van de ondersteuning dan niet aanwezig is of andere, niet hulpgedreven overwegingen een doorslaggevende rol kunnen gaan spelen. Dit betekent onder andere dat bij minderjarigheid van de cliënt, vanwege de automatische vereniging van rollen van inkoper en uitvoerder van een (informeel) persoonsgebonden budget, een dergelijk pgb aan een ouder in beginsel niet mogelijk is. Slechts bij hoge uitzondering kan hier door het college van worden afgeweken.
Artikel 48. Regels voor pgb professional
Als de budgethouder (cliënt) met zijn pgb een professionele zorgaanbieder inschakelt, is het in ieders belang dat deze aanbieder zich niet aan kwaliteitskaders kan onttrekken, omdat hij niet gecontracteerd is bij de gemeente. Ook via de pgb constructie dient de cliënt kwalitatief goede zorg en ondersteuning te ontvangen. Om die reden worden in de verordening kwaliteitseisen opgenomen voor de professionele aanbieder die via een pgb wordt ingeschakeld.
De eis in het tweede lid wordt gesteld omdat de gemeente veel waarde hecht aan “één gezin, één plan, één regisseur” en aan een optimale samenhang tussen zorg en welzijn door professionals evenals informele zorg en ondersteuning. Tevens is van belang de samenwerking met de lokale toegangspoort en een gezamenlijke/eenmalige intake.
Artikel 49. Regels voor pgb sociaal netwerk
Voorliggend aan het toekennen van pgb voor het sociaal netwerk van een jeugdige die in het kader van de jeugdwet een pgb aanvraagt, moet onderzoek zijn uitgevoerd naar de noodzaak om een maatwerkvoorziening in te zetten:
- 1.
Wat is de jeugdhulpvraag?
- 2.
Zijn er opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen aanwezig?
- 3.
Welke hulp is naar aard en omvang nodig (BRUTO)?
- 4.
Zijn de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden (AFTREKPOSTEN)? wordt ook eigen kracht genoemd.
- 5.
Vaststelling voorziening jeugdhulp . (NETTO)?
- 6.
Daarna pas in welke vorm wordt de benodigde jeugdhulp geboden (ZIN/pgb)
(Uitspraak Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2017:1477, gemeente Steenwijkerland):
Nadat de noodzaak tot een voorziening voor jeugdhulp is vastgesteld, gelden de bepalingen in artikel 49.
Artikel 49 ziet specifiek op de situatie dat hulp of ondersteuning wordt ingekocht bij het sociaal netwerk. Tot het sociale netwerk worden personen gerekend uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt. Bij deze laatste groep kan gedacht worden aan familieleden die niet in hetzelfde huis wonen, buren, vrienden, kennissen, etc. Daarbij is van belang dat in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft aangegeven dat onder dit sociale netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is.
Overeenkomstig de huidige praktijk met betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Ingeval ook hiervoor een pgb wordt aangevraagd is van belang dat slechts een pgb wordt verstrekt als naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.
Mantelzorg is informele zorg die door het eigen netwerk wordt geboden en dit gaat dus voor op een maatwerkvoorziening. Aan de keuze tussen zorg in natura en een pgb gaat vooraf of naast de bijdrage van het eigen netwerk aanvullend extra ondersteuning nodig is in de vorm van een maatwerkvoorziening. Als dat het geval is, heeft de cliënt de keuze tussen zorg in natura of een pgb.
In beginsel is het gezien de volgorde niet logisch dat iemand uit het eigen netwerk de ondersteuning in het kader van het pgb gaat uitvoeren als in een eerder stadium al is afgesproken wat mensen uit het eigen netwerk (onbetaald) willen betekenen voor de cliënt.
Uitzonderingen op dit uitgangspunt zijn denkbaar. Bijvoorbeeld als de mantelzorger zijn baan opzegt om te kunnen zorgen voor een naaste. Het is echter niet mogelijk om de uitzonderingen te vangen in algemene, voor iedereen geldende voorwaarden. Het blijft altijd om maatwerk gaan.
Artikel 50. Hoogte van een pgb
In artikel 44 is bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb voor een maatwerkvoorziening wordt vastgesteld. Uitgangspunt is dat met een pgb een maatwerkvoorziening wordt ingekocht. Welke maatwerkvoorziening noodzakelijk is, wordt vastgesteld aan de hand van het onderzoek zoals bedoeld in artikel 6 van deze verordening en het opgestelde ondersteuningsplan zoals bedoeld in artikel 7 van deze verordening. Vervolgens wordt de kostprijs van de maatwerkvoorziening bepaald. Wanneer meerdere maatwerkvoorzieningen mogelijk zijn, wordt de kostprijs van de goedkoopst adequate voorziening gehanteerd als bedoeld in artikel 8 lid 3 van deze verordening.
Onder lid 3 is bepaald, dat het pgb toereikend moet zijn om aan de wettelijke kwaliteitseisen te kunnen voldoen. Wanneer sprake is van onderhoud en verzekeringen wordt hiervoor eveneens een pgb vastgesteld.
Lid 6 tot en met 13 bepalen op welke wijze de hoogte van het pgb wordt vastgesteld. Voor de berekening van een pgb wordt onderscheid gemaakt tussen een beroepskracht (formele hulp) die voor een zorgorganisatie werkt (lid 8) of een beroepskracht die als zzp’er werkt (lid 10). Uitgangspunt is, dat een zzp’er minder of geen overheadkosten heeft. Dit komt tot uiting in de berekeningswijze van respectievelijk 100% voor hulpverlener instelling en 75% voor zzp’er.
Wanneer het college heeft bepaald dat een pgb mag worden aangewend voor het inkopen van begeleiding bij een persoon uit het sociale netwerk (informele hulp) van de cliënt, dan wordt het uurtarief gebaseerd op de Wet Langdurige Zorg inclusief de kosten voor een VOG.
Artikel 51. Besteding en verantwoording
De besteding van het pgb dient te geschieden binnen de afspraken die daarvoor met de cliënt zijn gemaakt. Deze afspraken kunnen voortvloeien uit het goedgekeurde pgb-budgetplan en hiernaar zal worden verwezen in de beschikking.
Hierbij kunnen ook verplichtingen worden opgenomen ten aanzien van de besteding, de termijn waarbinnen een pgb moet zijn besteed, het nakomen van verplichtingen in relatie tot het trekkingsrecht en verantwoording van het pgb. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) beheert het pgb van de cliënt en keert het pgb uit op basis van te overleggen documenten, zoals een factuur of met de zorgleverancier. Hierbij kan er niet gewerkt worden met een vast maandloon. Dit geeft de gemeente meer mogelijkheid om rechtmatigheid en doelmatigheid van bestede middelen vast te stellen.
Hoofdstuk 5 Specifieke bepalingen bekostiging leerlingenvervoer
Algemeen
Ieder kind heeft recht op passend onderwijs. In sommige gevallen is de afstand naar de school groot, of kan het kind wegens zijn structurele handicap niet zelfstandig naar school. Ouders kunnen dan een beroep doen op de verordening leerlingenvervoer.
Wettelijke plicht
De gemeenteraad heeft de wettelijke plicht een regeling vast te stellen voor het leerlingenvervoer. In artikel 4, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: WPO), artikel 8.29, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 (hierna: WVO 2020) en artikel 4, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra (hierna: WEC), heet het ‘een vergoeding van de door het college noodzakelijk te achten vervoerskosten ten behoeve van het schoolbezoek’. Het gaat hierbij zowel om scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs en regulier voortgezet onderwijs die zijn aangesloten bij samenwerkingsverbanden primair of voortgezet onderwijs, als om instellingen voor cluster 1 en cluster 2 .
De Integrale Verordening Sociaal Domein (hoofdstuk specifieke bepalingen bekostiging leerlingenvervoer) geeft uitvoering aan de taakstelling van de gemeente.
Naast voorschriften voor de wijze waarop ouders en meerderjarige leerlingen de aanvraag kunnen indienen, bevat dit hoofdstuk criteria aan de hand waarvan het college kan beoordelen of de ouders of meerderjarige leerling aanspraak maken/maakt op een vervoersvoorziening. Uitgangspunt daarbij is dat de verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek van de leerling bij de ouders blijft. Het hoofdstuk Specifieke bepalingen bekostiging leerlingenvervoer is zodanig opgebouwd, dat eerst het recht op een vergoeding wordt vastgesteld, waarna onderzocht wordt welke vergoeding wordt verstrekt.
Vervoersvoorziening
In de verordening wordt het begrip ‘vervoersvoorziening’ gehanteerd. Deze kan verschillende vormen hebben. Het kan gaan om een vergoeding in geld voor de kosten van gebruik van een fiets of openbaar vervoer. Wanneer de leerling door zijn handicap geen gebruik kan maken van de fiets of het openbaar vervoer, ook niet met begeleiding, kan het college een vorm van aangepast vervoer verzorgen of laten verzorgen. .
Het college van burgemeester en wethouders (hierna het college) bepaalt in welke vorm de voorziening wordt verstrekt. Het vervoer dient echter te allen tijde passend te zijn.
Als ouders aangeven hun kind zelf te willen vervoeren, dienen ze hiervoor toestemming te vragen aan het college. De vergoeding van het vervoer is vervolgens gebaseerd op de vervoersvoorziening waar de ouders voor in aanmerking komen. Het college kan toestemming weigeren op grond van de kosten.
Zelfstandigheid en zelfredzaamheid
De verordening gaat uit van een voorziening voor het zo zelfstandig mogelijk reizen door de leerling. Om dit te monitoren en te stimuleren kan de aanvraag met ouders worden besproken.
Artikelsgewijs
Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven, worden hieronder nader behandeld.
Paragraaf 5.1 Algemene bepalingen
Artikel 52. Begripsomschrijving
- aangepast vervoer
Van aangepast vervoer is sprake als het college het vervoer naar en van school zelf verzorgt of laat verzorgen. Het kan dan gaan om vervoer per besloten (school)busvervoer, maar ook om bijvoorbeeld taxivervoer in groepsverband.
- afstand
De afstand dient consequent te worden gemeten. Er wordt voor elke afstand eenzelfde, professionele routeplanner gehanteerd. Dit is de ANWB routeplanner, gemeten langs de kortste route per fiets. Hierbij is het niet relevant of de betreffende leerling daadwerkelijk kan fietsen of gebruik zal gaan maken van de fiets. Wanneer de gemeten afstand dicht rond de kilometergrens ligt (te weten vanaf 5,8 tot en met 6,0 kilometer) dan wordt de afstand gecheckt bij andere routeplanners, waarbij exact dezelfde route wordt gehanteerd.
De route hoeft overigens niet in alle gevallen toegankelijk te zijn voor gemotoriseerd verkeer, volgens een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State ((hierna: ABRvS) 12 juni 1995, nr. R03.93.5575). Ook kan de route – en daarmee de afstand – op de heenweg verschillen van die van de terugweg, volgens een uitspraak van de ABRvS (27 december 1989, nr. R03.88.7309).
- begeleider
Wanneer een leerling begeleiding nodig heeft tijdens het vervoer, is dat een verantwoordelijkheid van de ouders. Zij zijn en blijven verantwoordelijk voor de schoolgang van hun kind. Werk van ouders of anderszins ontslaat de ouders niet van deze verantwoordelijkheid. Wanneer ouders zelf niet in staat zijn om begeleiding te bieden, is het hun verantwoordelijkheid iemand te zoeken, die deze taak van hen hetzij tijdelijk en/of deeltijds zal overnemen.
- Begeleiding
Een leerling kan begeleiding tijdens het vervoer nodig hebben van een ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te begeleiden. Onder deze begeleiding wordt de fysieke begeleiding van de leerling verstaan, met andere woorden het meereizen. In dat geval kunnen de reiskosten van de begeleider vergoed worden (zie ook artikel 71). Onder begeleiding wordt niet verstaan bijvoorbeeld assistentie van de leerling door middel van app op telefonisch contact. Soms is begeleiding in het aangepast vervoer noodzakelijk, bijvoorbeeld wanneer een leerling verzorging nodig heeft, of in het geval een leerling bepaald ongewenst gedrag vertoont. In dit geval kan de gemeente een plaats beschikbaar stellen in het aangepast vervoer. Voor medische begeleiding tijdens het vervoer is de gemeente niet verantwoordelijk.
- deskundige
Een deskundige beschikt over specifieke expertise op basis van zijn opleiding of functie. Dit kan een arts, psychiater of psycholoog zijn, die inzicht kan geven in de mate waarin de leerling door een handicap is beperkt, maar ook bijvoorbeeld een politiefunctionaris die als verkeersdeskundige kan beoordelen of een route voldoende begaanbaar en veilig is.
- gehandicapte leerling
Een leerling die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken, wordt aangemerkt als een gehandicapte leerling in de zin van de Integrale Verordening Sociaal Domein. ‘Centraal staat het feit dat de leerling vanwege een handicap niet in staat is om zelfstandig naar school te reizen, de aard van de handicap is daarbij ondergeschikt’ (Kamerstukken II 2013/14, 34.022, nr.3, p. 5).
Wanneer een leerling, ondanks zijn handicap wél zelf kan reizen met het openbaar vervoer, is deze in de zin van de Integrale Verordening Sociaal Domein géén gehandicapte leerling. De beperking die de leerling door de handicap ervaart moet structureel van aard zijn, in ieder geval langer dan drie maanden duren. Wanneer de beperking met medicijnen te verbeteren is, is er geen sprake van een beperking in de zin van deze verordening. Van een beperking in deze verordening is dus alleen sprake wanneer deze structureel en niet behandelbaar is.
- inkomen
Als peiljaar voor het inkomen moet op grond van de WPO (artikel 4, zevende lid) worden aangemerkt het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het schooljaar waarvoor vergoeding van de vervoerskosten wordt gevraagd, begint. Bepalend is het verzamelinkomen van het huishouden waar de leerling leeft, dat af te lezen is van de aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting. Bij het ontbreken van een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting wordt uitgegaan van het bij de Belastingdienst geregistreerde inkomen (het bepaalde belastbare loon). Bij het opvragen van de Inkomensverklaring vermeldt de Belastingdienst het bij de Belastingdienst geregistreerde inkomen, dan wel het verzamelinkomen ingeval er aangifte is gedaan.
- leerling
Voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs geldt dat kinderen de leeftijd van vier jaar moeten hebben bereikt om als leerling te worden toegelaten (artikel 39, eerste lid, van de WPO). In het derde lid van artikel 39 van de WPO is bepaald dat kinderen vanaf drie jaar en tien maanden ten hoogste vijf dagen (schoolgewenningsdagen) de basisschool mogen bezoeken. Deze kinderen zijn echter geen leerlingen in de zin van de wet, en de ouders kunnen dan ook geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening.
Voor het (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs geldt dat ouders van leerlingen die zijn toegelaten tot scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs aanspraak kunnen maken op een vervoersvoorziening indien wordt voldaan aan de voorwaarden van de Integrale Verordening Sociaal Domein. De leeftijd van de leerling is hierbij niet van belang.
Een belangrijke uitzondering vormen leerlingen die rijdende scholen bezoeken voor kinderen van kermisexploitanten of van circusmedewerkers (Titel B van het Besluit trekkende bevolking WPO). Ouders van leerlingen die deze scholen bezoeken kunnen geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening. De kosten voor noodzakelijk vervoer van deze leerlingen ten behoeve van het schoolbezoek vormen onderdeel van de materiële instandhouding van die scholen.
-ontwikkelingsperspectief
Voor leerlingen in het speciaal basisonderwijs, het speciaal onderwijs, het voortgezet speciaal onderwijs, het praktijkonderwijs (hierna pro) én voor leerlingen, die in het regulier basis- en voortgezet onderwijs extra ondersteuning krijgen, zijn de scholen verplicht een ontwikkelingsperspectief op te stellen. Het ontwikkelingsperspectief wordt in overleg met ouders vastgesteld. Het bevat de onderwijsdoelen van de leerlingen en het uitstroomprofiel (vervolgonderwijs, arbeidsmarktgericht en dagbesteding).
- openbaar vervoer
Het openbaar vervoer is ruim gedefinieerd. Het gaat niet alleen om voor ieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling. Ook een voor ieder openstaande regiotaxi of belbus, die op afroep rijdt, wordt in het kader van deze verordening als een vorm van openbaar vervoer beschouwd. De definitie in deze verordening is daarmee ruimer dan de definitie van het openbaar vervoer in artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000.
-opstapplaats
Eén van de mogelijkheden om het vervoer efficiënter en daardoor goedkoper te organiseren, is het instellen van centrale opstapplaatsen, van waar de leerlingen met de taxi of bus worden vervoerd. Met een dergelijk systeem worden de leerlingen niet thuis voor de deur opgehaald, maar dienen zij zich, al dan niet onder begeleiding van de ouders, te begeven naar de door de gemeente aangewezen opstapplaats.
Een reistijd naar de opstapplaats van dertig minuten acht de Afdeling alleszins redelijk (AbRvS 26 februari 1992, nr R03.89.0419/83.107).
- ouders
De omschrijving volgt de begripsbepalingen van de WPO en de WEC. Ook pleegouders zijn aan te merken als verzorgers en vallen daarmee onder het begrip ‘ouders’.
- reistijd
De omschrijving van het begrip ‘reistijd’ is van belang om de tijd die een leerling met het openbaar vervoer onderweg is te kunnen vergelijken met de tijd die nodig is om diezelfde leerling met aangepast vervoer naar en van school te vervoeren. Immers, wanneer de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug meer dan een bepaalde tijd onderweg is, komt de leerling in aanmerking voor aangepast vervoer (artikel 73 eerste lid, aanhef en onder c, d en f).
De reistijd wordt berekend aan de hand van de website 9292.nl waarbij er een looptijdcorrectie voor kinderen onder de twaalf jaar wordt gebruikt, gezien het feit dat zij langzamer lopen dan een volwassene. De looptijdcorrectie is: reistijd gedeeld door twaalf maal zeventien.
De praktijk leert dat leerlingen, ongeacht de manier waarop zij de afstand naar school overbruggen, zo’n tien minuten voor de aanvang van de lessen op het schoolplein aankomen. Deze tijd wordt dan ook uitgesloten van de reistijd. De eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer aan het einde van de schooldag wordt wel meegerekend. Wanneer een leerling met aangepast vervoer wordt vervoerd, is er tijd nodig de school te verlaten en in de taxi(bus) te stappen. Het is in dit geval dan ook redelijk enige tijd (tien minuten) op te tellen bij de berekende duur van de rit. Deze periode is ook volgens de Afdeling redelijk (ABRvS 5 oktober 1990, nr. R03.90.6236/86538).
De reistijd wordt berekend aan de hand van de schooltijden die vermeld staan in de schoolgids.
- samenwerkingsverband
Onder 1°: Een samenwerkingsverband primair onderwijs omvat volgens artikel 18a van de Wpo alle binnen een bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van basisscholen, speciale scholen voor basisonderwijs, scholen voor speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en cluster 4. Volgens het vijftiende lid van artikel 18a van de Wpo kunnen deze scholen er ook voor kiezen om zich aan te sluiten bij een landelijk samenwerkingsverband.
Scholen voor speciaal onderwijs en/of voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit samenwerkingsverband.
Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het samenwerkingsverband.
Onder 2°
Artikel 28a, van de Wec verwijst naar het samenwerkingsverband genoemd in het tweede lid van artikel 18a, van de Wpo waarbij een of meer scholen voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4 scholen zijn aangesloten, en naar het samenwerkingsverband genoemd in artikel 2.47, tweede lid, van de Wvo 2020 waarbij een of meer scholen voor speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs behorend tot cluster 3 en 4 scholen zijn aangesloten. Volgens het vijftiende lid van artikel 18a, van de Wpo en het achttiende lid van artikel 2.47, van de Wvo 2020 kunnen deze scholen er ook voor kiezen om zich aan te sluiten bij een landelijk samenwerkingsverband
Onder 3°: Een samenwerkingsverband voortgezet onderwijs omvat volgens artikel 2.47 van de Wvo 2020 alle binnen een bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van scholen voor voortgezet onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan voortgezet speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en cluster 4. Volgens het achttiende lid van artikel 2.47 van de Wvo 2020 kunnen deze scholen er ook voor kiezen om zich aan te sluiten bij een landelijk samenwerkingsverband.
Scholen voor voortgezet speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit samenwerkingsverband.
Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het samenwerkingsverband.
-school:
Onder 1°
In de Wpo gaat het om basisscholen en scholen voor speciaal basisonderwijs
Onder 2°
In de Wec gaat het om onderwijs aan dove kinderen of slechthorende kinderen, kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden, visueel gehandicapte kinderen, lichamelijk gehandicapte kinderen, langdurig zieke kinderen, zeer moeilijk lerende kinderen, zeer moeilijk opvoedbare kinderen, meervoudig gehandicapte kinderen en kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten.
De WEC onderscheidt de volgende clusters:
- -
Cluster 1: onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met deze handicap
- -
Cluster 2: onderwijs aan dove kinderen, slechthorende kinderen en kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps
- -
Cluster 3: onderwijs aan langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap, lichamelijk gehandicapte kinderen en zeer moeilijk lerende kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps
- -
Cluster 4: onderwijs aan langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke handicap, zeer moeilijk opvoedbare kinderen en kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten.
Het onderwijs van cluster 1 en cluster 2 wordt gegeven in instellingen. Deze instellingen vallen ook onder het begrip ‘school’.
Onder 3°
In de Wvo 2020 gaat het om scholen voor vwo, havo, vmbo en praktijkonderwijs. Ook de op grond van artikel 2.86 van de Wvo 2020 bij algemene maatregel van bestuur daartoe aangewezen instellingen vallen eronder. Leerwegondersteunend onderwijs is geen aparte schoolsoort, maar betreft extra ondersteuning aan leerlingen in het vmbo.
- toegankelijke school
Leerlingen kunnen op grond van hun lichamelijke of psychische beperking zijn aangewezen op een bepaalde school. In het tweede lid van artikel 4 van de Wpo staat dat de gemeente in de verordening geen onderscheid mag maken tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Het derde lid van artikel 4 Wpo bepaalt dat de verordening de op godsdienst of levensbeschouwing van de ouders berustende keuze van een school, moet eerbiedigen.
In de Wpo is bepaald dat het samenwerkingsverband primair onderwijs beoordeelt of een leerling toelaatbaar is tot een speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband of tot het speciaal onderwijs van cluster 3 en cluster 4 (artikel 18a, zesde lid, van de WPO). Het samenwerkingsverband laat zich daarbij adviseren door deskundigen.
De Wvo 2020 kent ook een dergelijke bepaling: het samenwerkingsverband voortgezet onderwijs beoordeelt of een leerling aangewezen is op het leerwegondersteunend onderwijs, of toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs of tot het voortgezet speciaal onderwijs (artikel 2.47, zevende lid, onder c, van de Wvo 2020). Ook hier geldt dat het samenwerkingsverband zich daarbij laat adviseren door deskundigen.
Voor instellingen voor cluster 1 en cluster 2 geldt een afwijkende procedure. In de Wec is bepaald dat de commissie van onderzoek beoordeelt of een leerling in aanmerking komt voor het onderwijs op de instelling óf op begeleiding vanuit de instelling, waarbij de leerling dan is ingeschreven op een andere school (artikel 41, tweede lid, van de WEC).
Hierbij een weergave van het onderwijsstelsel:
- vervoer
Het vervoer vindt plaats in aansluiting op het begin en einde van de schooldag, zoals aangegeven in de schoolgids van de school. Alleen wanneer de leerplichtige leerling door een structurele handicap slechts een deel van het onderwijsprogramma kan volgen, kan in een voorkomend geval tijdens de schooltijd vervoerd worden. Sociale omstandigheden, lichamelijke problemen van tijdelijke aard of leeftijd zijn geen grond voor het vervoer tijdens schooltijd.
Met afwijkende roosters, zoals deze voorkomen in het voortgezet onderwijs, kan in beginsel geen rekening gehouden worden. De vervoerskosten zouden dan te hoog oplopen. Soms zijn, in overleg met leerlingen, ouders en de school, bepaalde vervoersarrangementen en -combinaties mogelijk, waarbij dan de leerlingen beurtelings een bepaalde tijd moeten wachten op het vervoer.
- vervoersvoorziening
De wet bepaalt dat de gemeente het vervoer zelf kan verzorgen, dan wel doen verzorgen. Ook kan zij een vergoeding verstrekken. In de begripsbepaling ‘vervoersvoorziening’ is dit nader uitgewerkt in verschillende varianten.
- woning
Onder ‘woning’ wordt verstaan: de plaats waar de leerling structureel en feitelijk verblijft. Hierbij is het niet relevant in welke gemeente de ouders en/of het kind staan ingeschreven. Deze plaats kan ook in meer dan één gemeente zijn (ABRvS 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:249). Structureel verblijven betekent ten minste twee nachten per schoolweek.
Wanneer de leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft, bijvoorbeeld in verband met noodzakelijke opvang, moet een aanvraag voor een vervoersvoorziening bij die gemeente ingediend te worden. Vakantie van de ouders geldt overigens niet als reden voor noodzakelijke opvang van de leerling elders.
Het adres waar kinderen een bepaalde tijd vóór aanvang en/of na afloop van de schooldag worden opgevangen (de buitenschoolse opvang) valt in beginsel niet onder het begrip ‘woning’.
Artikel 53. Doelstelling
Het doel van het leerlingenvervoer is om een financiële ondersteuning te verstrekken ten behoeve van passend vervoer van de woning dan wel de opstapplaats naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school aan de ouders van kinderen van wie de school verder dan de, door de gemeente bepaalde, afstandsgrens gelegen is, of voor wie het medisch niet mogelijk is om de school zelfstandig te bereiken.
Paragraaf 5.2. Aanvraagprocedure van de vervoersvoorziening
Artikel 54. Aanvraag
Eerste en tweede lid
Als ouders menen voor een vervoersvoorziening voor hun kind in aanmerking te komen, dienen zij een aanvraag in bij het college. De meerderjarige en handelingsbekwame leerling moet dit zelf doen. De aanvraag wordt gedaan in de gemeente waar de feitelijke en structurele verblijfplaats (woning) van de leerling is. Dit kan ook een vast logeeradres zijn, waar de leerling op vaste dagen verblijft. De gemeente stelt hiervoor een (digitaal) aanvraagformulier beschikbaar.
Bij de aanvraag kunnen gegevens worden gevraagd. Onder gegevens moet ook worden verstaan eventuele toevoeging van verklaringen (bewijsstukken), bijvoorbeeld een medische verklaring, werkgeversverklaring of verklaring van de rijksinspecteur der belasting. Huisartsen zijn hiervan uitgezonderd, omdat de Landelijke Huisartsen Vereniging in haar richtlijn heeft opgenomen, dat huisartsen deze verklaringen niet mogen verstrekken. Het schaadt mogelijk de relatie met de patiënt en daar werken huisartsen liever niet aan mee. Bij twijfel zal de gemeente zelf een onafhankelijke deskundige moeten inschakelen.
Wanneer het gaat om een verklaring dat een leerling niet zelfstandig met de fiets of het openbaar vervoer kan reizen, dient er in de verklaring ingegaan te worden op de vraag of de betreffende leerling wel onder begeleiding gebruik kan maken van de fiets of het openbaar vervoer.
Een verklaring die aangeeft dat een leerling niet zelfstandig kan reizen en om die reden is aangewezen op aangepast vervoer is niet voldoende.
Ouders zijn op grond van artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verplicht deze gegevens te overleggen, als deze van belang zijn voor de beslissing op de aanvraag. De gegevens dienen juist en volledig ingevuld te zijn. Het college bepaalt of dat daadwerkelijk het geval is.
Als het aanvraagformulier aangevuld of gecorrigeerd moet worden, stuurt het college het aanvraagformulier terug of verzoekt om het verstrekken van aanvullende gegevens. Ouders worden dan in de gelegenheid gesteld om de verlangde gegevens binnen een door het college te bepalen termijn (bijvoorbeeld vier weken) aan te vullen of te verbeteren. Wordt hiervan geen gebruik gemaakt, dan zal het college moeten afwegen of de aanvraag in behandeling wordt genomen (artikel 4:5, eerste lid, van de Awb). Op grond van artikel 4:5, vierde lid, van de Awb zal in een voorkomend geval aan de aanvrager bekend worden gemaakt dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen.
Uit jurisprudentie blijkt dat gemeenten zich bij een afwijzende beschikking niet louter kunnen beroepen op een onjuist dan wel onvolledig ingevuld aanvraagformulier, maar dat zij bij hun beoordeling mede moeten betrekken wat de kennelijke bedoeling van de aanvrager is, zoals die uit aanvragen van voorafgaande jaren is gebleken (zie ABRvS 9 november 1989, nr. R03.89.5831/S6535).
Derde lid
Op de voor het verkrijgen van een vervoersvoorziening verstrekte gegevens is de Algemene verordening gegevensbescherming van toepassing. Dit houdt in, dat de verstrekte persoonsgegevens slechts mogen worden gebruikt voor het kunnen behandelen van een aanvraag en het organiseren van het vervoer en/of de bekostiging.
Artikel 55. Onderzoek
Eerste en tweede lid
In de onderzoeksfase wordt onderzocht of men in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening en welke voorziening de goedkoopst passende vervoersvoorziening is. Bij dit onderzoek staan de mogelijkheden en behoeften van de leerling en de zelfredzaamheid van het gezin om zo zelfstandig mogelijk te reizen centraal, alsmede de mogelijkheden van de leerling om zich te ontwikkelen naar meer zelfstandigheid in het vervoer. Het onderzoek is bedoeld om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen te verzamelen, zoals ook voorschreven in artikel 3:2, van de Algemene wet bestuursrecht.
Bij het onderzoek naar wat passend vervoer is voor een leerling wordt uitgegaan van hoe de leerling zo zelfstandig mogelijk naar en van zijn school kan reizen.
Om ouders te informeren over het leerlingenvervoer wordt bij voorkeur een gesprek met de aanvrager(s) gevoerd, om:
- –
verwachtingen aangaande het leerlingenvervoer voor de eventuele komende jaren te managen;
- –
de aanvraag goed te kunnen beoordelen;
- –
te onderzoeken wat de vervoersmogelijkheden van de leerling zijn.
Als dit mogelijk is, is het van meerwaarde om ook de leerling te betrekken bij het gesprek. Zo nodig kan ook een deskundige betrokken worden bij het gesprek. Dit kan iemand met medische kennis zijn, zoals een orthopedagoog, iemand van de school, het samenwerkingsverband of anderszins. Ook ouders kunnen zich tijdens het gesprek laten bijstaan, bijvoorbeeld door een onafhankelijke cliëntondersteuner.
In het gesprek wordt onderzocht in welke mate en in welk tempo te verwachten is, dat een leerling zelfstandig(er) kan reizen en hoe ouders hierbij kunnen ondersteunen en/of welke faciliteiten de gemeente daarbij biedt.
Als de leerling niet de dichtstbijzijnde toegankelijke school bezoekt is dit eveneens onderwerp van gesprek. Wat is er gedaan om wél naar de school dichtbij de woning te gaan? En wat wordt er gedaan, ook door het samenwerkingsverband, om het onderwijs in de toekomst dichterbij te organiseren?
Bij de beoordeling van een aanvraag leerlingenvervoer is het belangrijk te kijken naar wat een leerling kan en wil. De vergoedingsstructuur is zodanig opgebouwd, dat, binnen de gestelde criteria (beoordelingsfase), de meest zelfstandige en onafhankelijke manier van reizen door de leerling wordt vergoed. Ouders spelen hierin een belangrijke rol en hebben een eigen verantwoordelijkheid. Het is aan hen om eventueel samen met hun sociale netwerk of met behulp van andere ouders hun kind zelf te (laten) vervoeren of te leren zelf naar school te reizen.
Uiteraard blijft het maatwerk om te beoordelen hoe een kind kan reizen. Daarin speelt niet alleen de beperking een rol, maar ook de leeftijd, de route en de behoeften van de leerling. Om het maatwerk te kunnen bieden is het van belang om kennis te hebben van de situatie van de leerling, de meest geschikte en haalbare vervoerswijze en de zelfredzaamheid van de leerling en het gezin.
Derde lid
Wanneer de omstandigheden van de leerling wijzigen kan dat aanleiding zijn om een nieuw gesprek te voeren. Het spreekt voor zich, dat een schoolwissel en adreswijziging zo’n nieuwe omstandigheid is, maar ook het gegeven dat de leerling ouder wordt en zich ontwikkelt kan gezien worden als een gewijzigde omstandigheid.
Vierde lid
Het college kan, in overleg met de ouders en zo mogelijk met de leerling, een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan voor de leerling opstellen. In dit plan wordt vastgelegd waar de leerling qua mobiliteit naartoe kan groeien en hoe dit begeleid moet worden. Het doel hiervan is om te beschrijven welke mogelijkheden er zijn om de leerling zelfstandiger te laten reizen, wat hiervoor nodig is, welke periode hiervoor gepland wordt, wat ouders hierin kunnen betekenen en waar de gemeente ondersteunt. Het onderwijs heeft ook tot doel om leerlingen zelfstandig te leren functioneren in de maatschappij. Onder meer voor dit doel wordt door de school een ontwikkelingsperspectief opgesteld voor de leerling. Dit plan wordt betrokken bij het vervoersontwikkelingsplan.
Het moment waarop een leerling volgens deze verordening zelfstandig zou moeten gaan reizen, lijkt een goed moment om het eerste persoonlijke vervoersontwikkelingsplan samen met de ouders en de leerling te maken. Dit plan kijkt twee tot drie jaar vooruit, maar kan jaarlijks naar aanleiding van de nieuwe aanvraag geëvalueerd worden. De ontwikkeling van kinderen staat immers niet stil en maakt, dat een kind zich sneller kan ontwikkelen dan gedacht.
Wanneer ouders geen medewerking willen verlenen aan het opstellen van een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan voor de leerling kan het college overwegen om een onafhankelijk medisch advies in te winnen, waarmee de vervoersmogelijkheden van de leerling duidelijk worden.
Artikel 56. Inzet deskundige
De verordening bevat, conform artikel 4, vierde lid, van de Wpo, artikel 4, vierde lid, van de Wec en 8.29, derde lid, van de Wvo 2020, een regeling voor het inwinnen van advies van een deskundige. Dit is nodig op het moment dat er voor het beoordelen van de aanvraag specifieke deskundigheid noodzakelijk is waar het college zelf intern niet over beschikt.
Artikel 57. Beslistermijn
Eerste lid
Artikel 4:13 van de Awb bepaalt dat een redelijke termijn waarbinnen een beschikking dient te worden gegeven, in ieder geval is verstreken indien het college binnen acht weken geen beschikking heeft gegeven of aan de aanvrager een bericht van verdaging heeft gezonden.
Voor de verordening is gekozen voor de wettelijk toegestane beslistermijn van acht weken.
Tweede lid
Het kan voorkomen dat de gestelde afwikkelingstermijn niet haalbaar is voor de gemeente. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer het gevraagde oordeel van deskundigen uitblijft, of als er sprake is van een bijzondere situatie. In dergelijke gevallen kan het college de beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen.
Uiterlijk een dag vóór het verstrijken van de tweede termijn dient een beschikking op de ingediende aanvraag door het college te zijn gegeven. Als blijkt dat ook de verdagingstermijn onvoldoende is, bijvoorbeeld als gevolg van het uitblijven van het advies van deskundigen, dient er toch een beschikking te worden afgegeven.
Een beschikking treedt niet in werking voordat deze bekend is gemaakt (artikel 3:44 van de Awb). De termijnen die in artikel 57 zijn opgenomen zijn inclusief de tijd die het college nodig heeft om een genomen beschikking aan de aanvragers bekend te maken.
Bezwaar en beroep
Er kan bezwaar gemaakt worden tegen een besluit van de gemeente, tegen het feit, dat de gemeente te laat beslist en tegen het verdagen van een besluit. Dit moet wel op tijd worden ingediend, namelijk binnen zes weken.
Als bovenstaande termijnen (acht weken en een eventuele verdaging van vier weken) overschreden worden, kunnen de aanvragers op basis van artikel 6:2 van de Awb daartegen bezwaar maken en beroep instellen. In dit geval is het bezwaar en beroep niet aan een termijn gebonden (artikel 6:12, eerste lid, van de Awb). Het bezwaar- of beroepschrift wordt niet-ontvankelijk verklaard indien het onredelijk laat is ingediend (artikel 6:12, derde lid, van de Awb).
Artikel 58. Ingangsdatum voorziening
Een vervoersvoorziening wordt niet met terugwerkende kracht toegekend. De vergoeding is bedoeld om de leerling in staat te stellen (in de toekomst) de school te bezoeken. Het is geen inkomensvoorziening. Dit past ook bij de primaire verantwoordelijkheid van de ouders van de leerling om het schoolbezoek zelf te organiseren en te faciliteren. Voor het aangepast vervoer geldt dat het college, na toekenning, voor de praktische organisatie van het vervoer enige tijd nodig zal hebben. Hierbij gaat het onder andere om het inroosteren van de leerling en het eventueel aanpassen van de vervoersroute, zodat de leerling mee kan.
Datum van aanvraag voor het nieuwe schooljaar
In de verordening wordt geen datum genoemd waarvóór een aanvraag die het eerstvolgende schooljaar betreft moet zijn ingediend. Het vaststellen van een datum zou ertoe kunnen leiden dat aanvragen die laten worden ingediend als onrechtmatig worden beoordeeld door de accountant. Er kunnen echter gegronde redenen zijn voor het laat indienen van een aanvraag, bijvoorbeeld wanneer het nog niet vaststaat of een leerling op een bepaalde school wordt toegelaten. Het is van belang dat de aanvraag wordt ingediend zodra bekend is welke school de leerling gaat bezoeken. Rekening houdend met de behandeltermijn van 8 weken na ontvangst van de aanvraag is het aan te raden de aanvraag voor 1 juni bij de gemeente in te dienen. Op die manier is de aanvrager er zeker van dat er voor aanvang van het nieuwe schooljaar een beslissing op de aanvraag is genomen en er, in het geval van toekenning aangepast vervoer, tijd is om aangepast vervoer te regelen ingaande de eerste schooldag.
Artikel 59. Besluit
Eerste lid
Om enige beleidsruimte te creëren is in het eerst lid bepaald, dat het college bij de toekenning van de vervoersvoorziening ook de termijn van de verstrekking vastlegt. In de beschikking dient deze termijn aangegeven te worden. Per geval wordt de termijn bepaald.
De eigen bijdrage moet jaarlijks worden vastgesteld. Hiervoor dient de aanvrager jaarlijks de inkomensgegevens te overleggen, ook al wordt de vervoersvoorziening voor een langere periode verstrekt. Ook dient het college, wanneer er bekostiging plaatsvindt, de wijze en het tijdstip van uitbetaling te bepalen.
Tweede lid
Aan de verstrekking van een vervoersvoorziening kan het college voorwaarden verbinden. Zo kan het college bepalen, dat, bijvoorbeeld in het kader van het streven naar zelfredzaamheid, in de winterperiode een vergoeding van de kosten van het aangepast vervoer wordt verstrekt, onder de voorwaarde dat in de andere maanden met de fiets of het openbaar vervoer wordt gereisd en dat hiervoor wordt geoefend en/of wordt deelgenomen aan een project met dit doel. Ook is het mogelijk om te verwijzen naar het vervoersontwikkelingsplan bedoeld in artikel 55, vierde lid.
Paragraaf 5.3 Beoordelingscriteria
Het beoordelen van een aanvraag leerlingenvervoer valt uiteen in twee vragen. In eerste instantie zal beoordeeld moeten worden of er recht is op een vergoeding. In tweede instantie wordt onderzocht wat passend vervoer is voor de leerling.
Artikel 60. Algemene bepalingen
Eerste lid
De verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek blijft ingevolge de Leerplichtwet in alle gevallen bij de ouders liggen. In dit lid is deze verantwoordelijkheid nog eens expliciet vastgelegd. Deze verantwoordelijkheid kan door de ouders niet op- of overgedragen worden aan de gemeente. De wettelijke regeling, noch de gemeentelijke verordening beperkt deze verantwoordelijkheid van de ouders. Ouders kunnen er dus niet van uit gaan dat zij altijd een vervoersvoorziening krijgen of dat deze altijd wordt voortgezet. Van ouders wordt ook verwacht dat zij de noodzakelijke keuzes maken om hun verantwoordelijkheid te kunnen nemen. Daarbij kan gedacht worden aan het aanpassen van werktijden en het verkeersveilig maken van de leerling.
Tweede lid
In deze verordening zijn verschillende voorwaarden opgenomen waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor een vervoersvoorziening. Op het moment dat een leerling voldoet aan die voorwaarden en er meerdere vervoersvoorzieningen zijn waarvan de leerling (in redelijkheid) gebruik zou kunnen maken, dan zal de keuze vallen op de voor het college goedkoopste oplossing. Ook als dit betekent dat die oplossing meer van ouders (bijvoorbeeld extra begeleiding) of de leerling (meer reistijd) vraagt. Dit past binnen het uitgangspunt dat ouders en de leerling in de basis zelf verantwoordelijk zijn voor het schoolbezoek en is nodig om het vervoersstelsel toegankelijk en betaalbaar te houden.
Het college kan op grond van deze bepaling bijvoorbeeld weigeren een vervoersvergoeding te verstrekken als de leerling gebruik kan maken van het aangepast vervoer, waarbij de kosten voor het college gelijk blijven omdat er toch al een taxibus rijdt naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school. Dit ongeacht het feit of de leerling vervolgens daadwerkelijk van dit aangepast vervoer gebruik wenst te maken.
Derde en vierde lid
Wanneer een leerling begeleiding nodig heeft tijdens het vervoer, is dat primair een verantwoordelijkheid van de ouders. Zij zijn en blijven verantwoordelijk voor de schoolgang van hun kind. Werk van ouders of anderszins ontslaat ouders niet van deze verantwoordelijkheid. Wanneer ouders zelf niet in staat zijn om begeleiding te bieden, is het hun verantwoordelijkheid iemand te zoeken, die deze taak van hen al dan niet tijdelijk, geheel of gedeeltelijk kan overnemen. Er ligt echter ook een wettelijke zorgplicht bij de gemeente om passend vervoer aan te bieden. Het is aan het college om een zorgvuldige afweging te maken en te bepalen wat, gelet op de primaire verantwoordelijkheid van ouders, redelijk is (Kamerstukken II 2011/12, 33 106, nr. 7). Het college vergoedt slechts de kosten verbonden aan begeleiding van de leerling in het vervoer.
Vijfde lid
De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling gedurende het verblijf van de leerling in het aangepast vervoer berust bij de ouders. Zij moeten de gelegenheid krijgen hun kind te begeleiden bij het vervoer.
Het recht op een vervoersvoorziening is geen absoluut recht. Als de leerling zich onaanvaardbaar gedraagt, kan dit gedrag er uiteindelijk toe leiden dat de vervoersvoorziening beëindigd wordt. Onder onaanvaardbaar gedrag door de leerling of de ouder wordt verstaan het gedrag dat onder de gegeven omstandigheden in het maatschappelijk verkeer onacceptabel is. Gedacht kan worden aan beschadiging van het interieur van de taxi(-bus), mishandeling van medepassagiers, grove belediging of bedreiging van de chauffeur etc. Voordat daar echter consequenties aan worden verbonden dient nagegaan te worden of het gedrag verwijtbaar is. Bepaalde aandoeningen kunnen met zich meebrengen, dat dit niet het geval is. In dat geval zal beoordeeld moeten worden of een andere vervoersvoorziening uitkomst biedt, zoals inzet eigen vervoer.
Zesde lid
Bij het verstrekken van de vervoersvoorziening staat de zelfredzaamheid en de eigen verantwoordelijkheid van de leerling en zijn ouders voorop. Bij de bepaling van de aard van de vervoersvoorziening wordt hier dan ook naar gekeken. Zelf fietsen heeft daarbij bijvoorbeeld de voorkeur boven aangepast vervoer in de vorm van een door het college georganiseerde taxibus.
Artikel 61. Afwijzingsgronden
Eerste lid
Deze bepaling geeft invulling aan de op grond van artikel 4, achtste lid van de Wpo en artikel 4, zevende lid, van de Wec bestaande mogelijkheid om in de verordening te bepalen dat er geen aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening op grond van de afstand.
De afstand van 6 kilometer sluit aan bij de in artikel 4, zevende lid, van de WPO opgenomen bovengrens van 6 kilometer. De afstand tussen de woning en de dichtstbijzijnde toegankelijke school moet per route, zowel voor de heen- als voor de terugweg, worden bepaald. Leerlingen die voortgezet onderwijs volgen en geen handicap hebben, komen al niet in aanmerking voor leerlingenvervoer. Voor hen is deze bepaling dan ook niet van toepassing.
Tweede lid
Voor het bezoeken van een school voor voortgezet onderwijs zijn de ouders of de leerling, ongeacht de afstand, zelf verantwoordelijk. Voor het voortgezet speciaal onderwijs (artikel 4, vierde lid, van de Wec) en het regulier voortgezet onderwijs (artikel 8.28, van de Wvo 2020) geldt, dat gehandicapte leerlingen slechts recht hebben op een vervoersvoorziening als zij door een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap voor hun schoolbezoek
- a.
niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken; of
- b.
zijn aangewezen op ander vervoer dan openbaar vervoer.
Leerlingen komen daarmee alleen in aanmerking voor leerlingenvervoer als zij gezien hun handicap niet in staat zijn om zelfstandig naar school te komen (Kamerstukken II 2011/12, 33 106, nr. 3, p.36). Om te kunnen beoordelen of een leerling door zijn handicap beperkt is om zelfstandig te reizen, is in een aantal gevallen onafhankelijk advies van deskundigen ter zake nodig. Het zal dan veelal gaan om de vraag of een leerling door zijn handicap in het geheel niet van openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken, of alleen onder begeleiding daarvan gebruik kan maken. Het kan ook gaan over een deelaspect van het vervoer, bijvoorbeeld over de vraag of een bepaalde route door de betreffende leerling veilig kan worden afgelegd.
Artikel 62. Andere oplossing
De mogelijkheid om in aanmerking te komen voor een vervoersvoorziening in het kader van deze verordening is niet bedoeld voor situaties waarin leerlingen of hun ouders voor dit vervoer al (gedeeltelijk) gebruik kunnen maken van een andere regeling of vergoeding. Dit artikel voorkomt dat er een (deels) dubbele vergoeding kan worden ontvangen.
Als kan worden aangetoond dat een aanvrager van leerlingenvervoer via een andere weg (bijvoorbeeld via de werkgever) een vergoeding ontvangt voor de kosten van het vervoer naar school of de stage, mag het college die vergoeding aftrekken van de vergoeding die de aanvrager zou hebben gekregen op basis van de verordening leerlingenvervoer. Ook is het mogelijk deze vergoeding als bijdrage in rekening te brengen, wanneer het om aangepast vervoer gaat.
Het bovenstaande geldt echter niet voor vergoedingen die – op aanvraag – aan ouders van schoolgaande kinderen in het voortgezet onderwijs worden verstrekt op basis van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Deze vergoeding is opgebouwd uit verschillende componenten, zoals lesgeld, en is zeker niet uitsluitend bestemd voor reiskosten. Daarom wordt deze vergoeding niet verrekend met de vervoersvoorziening.
Artikel 63. Aanwijzing opstapplaats
Om het vervoer efficiënter en daardoor goedkoper te organiseren, voorziet deze bepaling in een bevoegdheid aan het college om centrale opstapplaatsen in te stellen, va waar de leerlingen met de taxi of bus worden vervoerd. Met een dergelijk systeem worden de leerlingen niet thuis voor de deur opgehaald, maar moeten zij, al dan niet onder begeleiding, naar de door het college aangewezen opstapplaats. Dit artikel geeft aan dat het college het besluit kan nemen om opstapplaatsen in te stellen.
Wanneer het college overgaat tot het instellen van opstapplaatsen geldt daarbij het volgende.
Onder b
In de uitspraak van 26 februari 1992 (nr. R03.89.0419/83-107) acht de Afdeling het redelijk dat de gemeente opstapplaatsen opstelt vanaf waar de leerling van het vervoer gebruik kan maken. De Afdeling vindt de reistijd, die niet meer dan dertig minuten bedraagt, alleszins redelijk. Hiermee is echter nog niet aangegeven wanneer de Afdeling de reistijd niet meer redelijk acht.
Wanneer gekozen wordt voor het aanwijzen van opstapplaatsen, dan is het van belang dat de gemeente daarbij let op de af te leggen afstand van huis naar de opstapplaats. Hierbij kan in ieder geval gedacht worden aan bestaande halteplaatsen binnen een loopafstand van dertig minuten, waar en beschutte halteplaats aanwezig is (mede in verband met de weersomstandigheden). Het feit alleen dat de halte aan een drukke verkeersweg ligt en dus niet veilig genoeg zou zijn voor een leerling, is niet voldoende om af te zien van het aanwijzen van opstapplaatsen. Van ouders mag in dergelijke gevallen verwacht worden, dat zij hun kind begeleiden tot ten minste het moment dat hun kind in het voertuig is gestapt (zie ABRvS 24 augustus 1992, nr. R03.90.1504/83-105).
Wanneer een verzoek om een tegemoetkoming van de vervoerskosten wordt ingediend, blijft de afstand tussen de woning en de school relevant; het instellen van opstapplaatsen verandert daar niets aan. Dit betekent dat ouders die op bijvoorbeeld negen kilometer van de school wonen terwijl de gemeente op zes kilometer afstand een opstapplaats heeft ingesteld, recht hebben op bekostiging van het vervoer (en eventueel begeleiding) over de resterende drie kilometer. Ook blijft het berekenen van de reistijd zoals dat nu geldt onverkort intact. Met andere woorden: de tijdsduur die gemoeid is met het bereiken van de opstapplaats telt mee als reistijd als bedoeld in artikel 73, eerste lid, onder c, d en f.
Onder c en d
Het uitgangspunt is dat ouders zelf zorgdragen voor de voor de leerling noodzakelijke begeleiding. Wanneer het voor ouders onmogelijk is om de leerling naar de opstapplaats te (laten) begeleiden, dan wijst het college geen opstapplaats aan. Nu van ouders een redelijke mate van inzet verwacht mag worden zal hier niet snel sprake van zijn. Het is aan het college om te beoordelen of ouders voldoende hebben aangetoond dat het (laten) bieden van begeleiding naar de op de opstapplaats voor hen, door individuele omstandigheden, onmogelijk is.
Onder e
Wanneer het vervoer niet goedkoper, maar zelfs duurder wordt, door het organiseren van opstapplaatsen, wijst het college geen opstapplaatsen aan. Het behaalt dan niet de efficiency, die het beoogt.
Artikel 64. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school
Eerste lid
In artikel 4, tweede en derde lid, van de Wpo, artikel 4, tweede lid, van de Wec en artikel 8.29, tweede lid, van de Wvo 2020 is bepaald dat de raad bij het vaststellen van de verordening de op godsdienst of levensbeschouwing van ouders berustende keuze van een school dient te eerbiedigen. Tevens is in de genoemde artikelen bepaald dat in de verordening geen onderscheid wordt gemaakt tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Als toegankelijke school is dan aan te merken de school van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school. Daar komt een tweede criterium bij, namelijk de school van de soort waarop de leerling is aangewezen op grond van zijn lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking.
Als dichtstbijzijnde school kan worden aangemerkt de school die naar afstand het dichtstbij gelegen is, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare, veilige weg. De route hoeft niet voor de betreffende leerling voor wie de aanvraag gedaan wordt toegankelijk te zijn. Het gaat erom dat de route in zijn algemeenheid toegankelijk is waarbij de leerling niet perse als zelfstandig verkeersdeelnemer gezien wordt. Het gaat erom dat een leerling onder begeleiding gebruik kan maken van de gemeten route (uitspraak van de ABRvS, 12 juli 2006, nr LJN AY3674).
Wanneer een leerling een school bezoekt die, met voorbijgaan van een vergelijkbare school van dezelfde gewenste richting, verder van de woning van de leerling is verwijderd, blijft de aanspraak in principe beperkt tot de kosten verbonden aan het vervoer naar en van de dichtst bij de woning gelegen school. Het college is echter niet verplicht in dat geval deze kosten te vergoeden. Het college kan besluiten om in het geheel geen bekostiging te verstrekken, als vervoer aanwezig is waarvan de kosten voor de gemeente gelijk blijven, ongeacht het feit of de leerling van dat vervoer gebruik maakt. Bijvoorbeeld in het geval de gemeente busjes laat rijden naar de dichtstbij gelegen school.
Indien de situatie zich zou voordoen dat vervoer naar een verder van de woning van de leerling gelegen school van dezelfde richting voor de gemeente goedkoper zou zijn (of niet meer kosten met zich brengt), kan het college aan de ouders vragen ermee in te stemmen dat de leerling naar die school wordt vervoerd. Voor een openbare school geldt hetzelfde.
Richting
Als erkende richtingen binnen het bijzonder onderwijs gelden het (rooms) katholiek onderwijs, protestants-christelijk onderwijs (gereformeerd, hervormd), onderwijs naar de leer van de Gereformeerde kerk (vrijgemaakt), reformatorisch onderwijs en het evangelisch onderwijs; voorts het joods onderwijs, (orthodox) islamitisch onderwijs en het hindoe onderwijs, en ten slotte het algemeen bijzonder of neutraal bijzonder onderwijs en het onderwijs op antroposofische grondslag (vrijescholen). Sinds 2004 zijn gereformeerd en hervormd opgegaan in de Protestantse Kerk Nederland (PKN). De keuze van de leerling of zijn ouders voor één van de hiervoor genoemde erkende richtingen bepaalt dus (mede) of een school kan worden aangemerkt als toegankelijke school voor de betreffende leerling.
Een bepaalde onderwijskundige methode wordt niet tot het begrip ‘richting’ gerekend. Hiermee worden onder andere bedoeld: Jenaplanscholen, Montessorischolen, Iederwijsscholen etc. De voorkeur van de leerling of zijn ouders voor een bepaalde onderwijskundige methode is niet van invloed bij het bepalen van de dichtstbijzijnde toegankelijke school.
Instellingen voor cluster 1 en cluster 2
Als de commissie van onderzoek heeft geoordeeld dat de leerling toelaatbaar is tot of aangewezen is op begeleiding vanuit een instelling voor cluster 1 of cluster 2 onderwijs, dan bepaalt dit (mede) of sprake is van een toegankelijke school.
De school is vol
Het spreekt voor zich dat op een voor de leerling geschikte school wel ruimte voor de leerling moet zijn en dat de leerling moet zijn/worden toegelaten. Een school die vol is, heeft geen zorgplicht voor de leerling.
Indien de dichtstbijzijnde school niet toegankelijk is voor een leerling omdat de school vol is, wordt een vervoersvoorziening toegekend naar de eerstvolgende dichtstbijzijnde, toegankelijke school. De aanspraak op vervoer naar deze verder weg gelegen school blijft bestaan, zolang er een wachtlijst is voor de dichtstbijzijnde school.
Als de wachtlijst is opgelost en de leerling kan worden geplaatst op de dichtstbijzijnde school - de gemeente dient naar de duur van de wachtlijst te informeren - kan de vervoersvoorziening beperkt worden tot aan de dichtstbijzijnde school, aangezien deze weer toegankelijk is geworden. Dit ongeacht het feit of de leerling vanaf dat moment ook daadwerkelijk de dichtstbijzijnde school gaat bezoeken. Ouders zijn vrij om hun kind naar elke school van hun keus te laten gaan, maar in het kader van het leerlingenvervoer hoeft slechts een vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde, toegankelijke school te worden verstrekt.
Dislocaties en nevenvestigingen
Als een school die een leerling bezoekt meer dan een locatie heeft, rijst de vraag of slechts de hoofdvestiging, dan wel alle onderwijslocaties als school in de zin van de verordening moeten worden beschouwd. Aansluitend bij de regelgeving inzake de huisvesting en materiële instandhouding geldt dat de feitelijke locatie die door de leerling wordt bezocht, kan worden aangemerkt als ‘school’.
Tweede lid
Voor alle onderwijssoorten geldt de hoofdregel: een vervoersvoorziening wordt toegekend naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school. Volgens artikel 4, vijfde lid, onder c en d, van de Wpo moet echter, wanneer het gaat om speciale scholen voor basisonderwijs, het vervoer naar de dichtstbijzijnde school in het samenwerkingsverband ook worden bekostigd. Dat hoeft niet persé de dichtstbijzijnde toegankelijke speciale school voor basisonderwijs te zijn. Het is mogelijk dat er een school buiten het samenwerkingsverband, maar dichter bij de woning is gelegen.
Na invoering van het passend onderwijs beoordeelt het samenwerkingsverband of leerlingen toelaatbaar zijn tot het onderwijs aan speciale scholen voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband (artikel 18a, zesde lid, aanhef en onder c, van de Wpo). Een ‘toelaatbaarheidsverklaring’ voor een speciale school voor basisonderwijs, afgegeven door het samenwerkingsverband aan een leerling, geldt alleen binnen dat samenwerkingsverband (artikel 40, achtste lid, van de Wpo). Een ander samenwerkingsverband kan immers gekozen hebben voor een hoger of lager niveau van basisondersteuningsvoorzieningen, die op elke school aanwezig zijn.
In het tweede lid wordt gesproken van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is. Dit is de dichtstbijzijnde toegankelijke basisschool. Daarnaast geldt, bij toepassing van het tweede lid, aanhef en onder b, ook hier het vereiste van schriftelijke instemming van de ouders.
Derde lid
Binnen het leerlingenvervoer wordt een vergoeding verstrekt naar de (qua afstand) dichtstbijzijnde toegankelijke school, rekening houdend met de onderwijsbehoefte en de richting. In de praktijk komt het voor dat dit niet de school is waarnaar de leerling door het samenwerkingsverband wordt verwezen.
Het derde lid beschrijft de voorwaarden waaronder het college tóch kan besluiten om een vergoeding te verstrekken naar de niet dichtstbijzijnde toegankelijke (en door het samenwerkingsverband geadviseerde) school.
- –
De noodzaak van het bezoeken van de niet dichtstbijzijnde toegankelijke school moet overtuigend worden aangetoond aan het college. Dit kan bijvoorbeeld door middel van een onderbouwing door het samenwerkingsverband;
- –
Wanneer al dan niet door het samenwerkingsverband is vastgesteld, welke onderwijssoort een leerling nodig heeft op grond van de Wpo, de Wec of de Wvo 2020, zal aan het college overtuigend moeten worden aangetoond, waarom dat onderwijs niet geboden kan worden op de dichterbij gelegen school. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een leerling, die onder een samenwerkingsverband valt waar arrangementen op reguliere basisscholen worden aangeboden, die het speciaal (basis) onderwijs vervangen. De leerling gaat dan naar een reguliere basisschool verder weg, omdat het arrangement, waarop hij onderwijskundig is aangewezen dichterbij niet aanwezig is.
Symbiose
Wanneer een leerling van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs gedurende ten minste 180 minuten per week onderwijs volgt op een basisschool, een speciale school voor basisonderwijs of een school voor voortgezet onderwijs, is er sprake van symbiose (artikel 24 van de WEC en Titel IV van het Onderwijskundig besluit WEC). Daarvoor moet wel een overeenkomst tussen de scholen gesloten zijn. De leerling volgt in dat geval onderwijs op twee verschillende locaties. Komt de leerling in aanmerking voor een vervoersvoorziening naar de school waar hij staat ingeschreven, dan bestaat er in beginsel ook aanspraak op leerlingenvervoer naar de school waar een symbiose-overeenkomst mee gesloten is, voor zover deze reis voldoet aan de voorwaarden van de verordening. Het gaat dan om vervoer in aansluiting op het begin en einde van de schooldag. Een voorbeeld hiervan is dat er binnen het samenwerkingsverband een orthopedagogisch didactisch centrum (opdc) is opgericht, waar leerlingen tijdelijk onderwijs volgen als er een orthopedagogische en orthodidactische benadering nodig. De leerling blijft daarbij ingeschreven staan op zijn oorspronkelijke school, maar volgt in de praktijk elders onderwijs (Kamerstukken II 2013/14, 34 022, nr. 3, p. 4; Kamerstukken II 2014/15, 34 022, nr. 5, p. 5).
Jeugdwet
Soms wordt op 1 locatie behandeling vanuit de Jeugdwet gecombineerd met onderwijs. Het vervoer van de betreffende leerling valt onder het leerlingenvervoer als er 50% of meer tijd van de schoolweek aan onderwijs wordt besteed. Uitgaande van een lestijd van 24 uur per week, moet er dus meer dan 12 uur per week onderwijs gegeven worden om in aanmerking te komen voor leerlingenvervoer.
Artikel 65. Peildatum leeftijd leerling
In deze verordening wordt op verschillende plekken een leeftijdscriterium gehanteerd om in aanmerking te komen voor een bepaalde vervoersvoorziening. Om die reden is een peildatum van de leeftijd van de leerling te kiezen. Om administratieve lasten te beperken is een peildatum gewenst die geldt voor het gehele schooljaar. Aangezien 1 augustus de wettelijke start is van het schooljaar, is deze datum als peildatum gekozen.
De bepaling houdt in dat indien de leerling op 1 augustus van een bepaald schooljaar acht jaar is, hij in het kader van de Verordening het gehele schooljaar als acht jaar wordt aangemerkt, ook al wordt de leerling halverwege het schooljaar negen jaar. Er hoeft dan ook maar één beschikking voor het gehele schooljaar te worden afgegeven.
Het recht op leerlingenvervoer staat overigens in geen relatie tot een bepaalde leeftijdgrens. Toelating en inschrijving bij een school volstaat.
Artikel 66. Schooltijden en wachttijden
Eerste lid
Het aangepast vervoer vindt plaats in aansluiting op het begin en einde van de schooldag, zoals aangegeven in de schoolgids van de school. In alle andere situaties zijn ouders zelf verantwoordelijk voor de schoolgang van hun kind. Vervoer dat nodig is in verband met een activiteit van de school (sportdag, excursie, sinterklaas- of andersoortige feestdagviering) valt buiten het leerlingenvervoer.
Tweede lid
In het voortgezet speciaal onderwijs en het regulier voortgezet onderwijs kan het voorkomen, dat er binnen de vaste schooltijden gewerkt wordt met lesroosters. Ook in dat geval vindt het aangepast vervoer in principe plaats op het begin en het einde van de schooldag volgens de schoolgids. Het college kan, ingeval van aangepast vervoer, echter overwegen om dan een wachttijd te hanteren, waarbij leerlingen op elkaar wachten, dan wel eerder op school zijn. Hierdoor kan het vervoer toch gecombineerd worden.
De gemeente zal indien mogelijk proberen de leerlingen met afwijkende schooltijden van één of meerdere scholen gezamenlijk te vervoeren, wanneer de begin- en/of eindtijden nagenoeg hetzelfde zijn.
Derde lid
Het vervoer op afwijkende tijden kan leiden tot individueel aangepast vervoer buiten de schooltijden en dat brengt extra vervoerskosten met zich mee. De gemeente is hier in principe niet toe verplicht, tenzij de leerling een gedeeltelijke vrijstelling van de leerplicht heeft.
Alleen wanneer de leerling door een structurele handicap slechts een deel van het onderwijsprogramma kan volgen, kan er in een voorkomend geval tijdens de schooltijd vervoerd worden. Sociale omstandigheden, lichamelijke problemen van tijdelijke aard of leeftijd zijn geen grond voor het vervoer tijdens schooltijd. De ouders dienen hun verzoek om een vervoersvoorziening op deze afwijkende tijden te onderbouwen door:
- –
een verklaring van de leerplichtambtenaar, waaruit een leerplichtakkoord blijkt;
- –
een opbouwschema om te komen tot een volledig schoolprogramma/onderwijstijd;
- –
een verklaring van de (directie van de) school waaruit de medische noodzaak blijkt; of
- –
een verklaring van een deskundige (bijvoorbeeld een arts, psycholoog of orthopedagoog), waaruit de medische onmogelijkheid blijkt om de volledige schooltijden te volgen.
Het college kan, overeenkomstig artikel 56, een deskundige inschakelen om het geleverde bewijs te beoordelen.
Artikel 67. Tijdelijk verblijf buiten de gemeente
Een aanvraag wordt gedaan in de gemeente waar de leerling feitelijk en structureel verblijft. Dit hoeft niet de gemeente te zijn waar de leerling is ingeschreven in de Basisregistratie Personen.
Wanneer de leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft, bijvoorbeeld in verband met noodzakelijke opvang, is het bovendien niet praktisch, dat die andere gemeente de vervoerskosten moet dragen. Immers: bij gemeente A moeten de vervoersvoorziening (tijdelijk) worden stopgezet, bij gemeente B moet een vervoersvoorziening worden aangevraagd en een aantal weken later zou het omgekeerde weer moeten gebeuren. Dit zorgt voor een omslachtige belasting voor de leerling of zijn ouders en de gemeenten. Artikel 67 regelt hierom wat onder tijdelijk verblijf wordt verstaan en hoe het college daarin handelt.
Als de leerling door een crisissituatie gedurende een korte periode in een andere gemeente verblijft, zijn eigen school blijft bezoeken en van gemeentewege al een vergoeding leerlingenvervoer kreeg naar deze school, dan wordt dit verblijf voor de duur van maximaal zes weken aangemerkt als verblijf in de oorspronkelijke gemeente. De oorspronkelijke gemeente neemt dan de kosten voor vervoer voor de duur van maximaal zes weken voor haar rekening. Het college neemt hierover een afzonderlijk besluit, waarbij het oorspronkelijke besluit waarmee een vervoersvoorziening was toegekend tijdelijk wordt opgeschort, zolang de tijdelijke situatie bestaat.
Wanneer de oorspronkelijke gemeente niet akkoord gaat met vergoeding van de kosten voor de eerste zes weken of als het verblijf een langere periode in beslag neemt, wordt door de oorspronkelijke gemeente geen vergoeding meer verstrekt. Er kan dan een vervoersvoorziening worden aangevraagd bij de gemeente waar de leerling gedurende die periode feitelijk woont. Dit verzoek wordt dan beoordeeld op basis van de eigen verordening van die gemeente.
Aangezien er in een dergelijke situatie over het algemeen geen sprake is van de dichtstbijzijnde toegankelijke school, bestaat er vaak geen recht op een vergoeding. In een dergelijke situatie dienen de desbetreffende gemeenten in onderling overleg te treden om de situatie voor de leerling zo goed mogelijk op te lossen. De kosten voor een dergelijke oplossing zouden gedragen kunnen worden door de oorspronkelijke gemeente (op basis van de hardheidsclausule of de Jeugdwet), waarbij de gemeente van de verblijfplaats van de leerling wel het vervoer organiseert. Wanneer door de rechter wordt bepaald dat de leerling definitief wordt geplaatst op het opvangadres, eindigt de tussen de gemeenten gemaakte afspraak en neemt de gemeente, waar de leerling nu definitief verblijft, een besluit.
Vakantie van de ouders geldt overigens niet als reden voor noodzakelijke opvang van de leerling elders. In dat geval is geen sprake van een crisissituatie, maar van een keuze, waarbij ouders zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer.
Artikel 68. Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie bij verblijf in pleeggezin of internaat
Artikel 4, zesde lid, van de Wec geeft aan dat in de verordening moet worden opgenomen in welke gevallen en onder welke voorwaarden het college aan in de gemeente wonende ouders van leerlingen, die met het oog op het volgen van voor hen passend speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijven, op aanvraag een vergoeding verstrekt voor de kosten verbonden een het weekeinde- en vakantievervoer. In artikel 68 wordt dat uitgewerkt.
Artikel 68 bevat twee belangrijke componenten:
1- Een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie wordt alleen verstrekt als het verblijf van de leerling in een internaat of een pleeggezin noodzakelijk is met het oog op het volgen van passend (voortgezet) speciaal onderwijs. Zo is het bepaald in de Wec.
Doorslaggevend is de directe relatie tussen het verblijf in een internaat of pleeggezin en het volgen van passend onderwijs op een school die ver van de woning is gelegen. Dit betekent dat het college geen vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie toekent, als de leerling passend onderwijs kan volgen op een school die redelijkerwijs met dagelijks vervoer vanuit het ouderlijk huis bereikt kan worden. Ook betekent dit dat er geen vervoersvoorziening van en naar de woning van de ouders wordt verstrekt als de leerling om medische of sociale redenen in een internaat of pleeggezin verblijft, en daar in de buurt een school bezoekt. De gemeente dient na te gaan op welke gronden een leerling op een internaat of bij een pleeggezin is geplaatst.
Ouders van leerlingen van het regulier en speciaal basisonderwijs en van het regulier voortgezet onderwijs komen niet in aanmerking voor een vervoersvoorziening voor het weekeinde of de vakantie.
2- Het college verstrekt de vervoersvoorziening voor het weekeinde- en vakantievervoer, als de ouders in de gemeente wonen en daarvoor in aanmerking komen. Zo is het bepaald in de Wec. Het college van de gemeente waar de leerling in een internaat of een pleeggezin verblijft heeft hierin geen rol. Wanneer de leerling in aanmerking komt voor dagelijks vervoer van het internaat of pleeggezin naar de school en terug, verstrekt het college van de gemeente waar de leerling in het internaat of het pleeggezin verblijft deze voorziening.
Vierde en vijfde lid
Het uitgangspunt is een vergoeding in geld voor de kosten van het gebruik van het openbaar vervoer. Als dit goedkoper is voor het college, of als er sprake is van bijzondere omstandigheden, dan kan er een kilometervergoeding worden verstrekt. Het college vergoedt ook de kosten van het openbaar vervoer voor een begeleider, als de leerling wegens zijn structurele handicap of leeftijd niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken.
Het college kan toestaan dat de ouders de leerling zelf vervoeren of laten vervoeren. De bekostiging is dan afhankelijk van de vervoersvoorziening waarop de ouders aanspraak zouden maken.
Zesde lid
Het zesde lid geeft aan dat het aangepast vervoer, zoals beschreven in artikel 73 van de verordening, in principe niet kan worden ingezet voor weekend- en vakantievervoer. Alleen in uitzonderlijke situaties is hierop een uitzondering mogelijk. Dit is het geval als:
- a.
openbaar vervoer ontbreekt; of
- b.
de leerling wegens zijn structurele handicap niet in staat is – ook niet onder begeleiding – van het openbaar vervoer gebruik te maken.
Artikel 69. Vervoersvoorziening naar stageadres
Eerste en tweede lid
Een stage kan deel uitmaken van het onderwijsprogramma van scholen voor voortgezet onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs (artikel 17, van de Wec en artikel 2.26, derde lid en artikel, 2.27, derde lid, van de Wvo 2020). Ook een maatschappelijke stage kan onderdeel uitmaken van het onderwijsprogramma (artikel 22, eerste lid, onder c, onder 3e, van de Wec en artikel 2.32, van de Wvo 2020). In het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel van het voortgezet speciaal onderwijs is voor leerlingen vanaf 14 jaar minstens één stage op ten hoogste vier dagen per week zelfs verplicht (artikel 17, eerste lid, van de Wec).
Wanneer de stage is opgenomen in de schoolgids van de school is het stageadres aan te merken als ‘school’. Komt de leerling in aanmerking voor een vervoersvoorziening naar de school waar hij staat ingeschreven, dan bestaat er in beginsel ook aanspraak op leerlingenvervoer naar het stageadres.
Voor stagevervoer moet een aparte aanvraag worden ingediend.
Derde tot en met vijfde lid
Aangezien stage in feite een verlenging van de schoolactiviteit is, komen de dagen en tijden, waarvoor de vervoersvoorziening wordt verstrekt overeen met de reguliere schooltijden.
Naar analogie van ‘dichtstbijzijnde toegankelijke school’ wordt slechts een vervoersvoorziening verstrekt naar de dichtstbijzijnde toegankelijke stage en naar één stage-locatie. Om de vervoerskosten voor de gemeente te kunnen beheersen, is in artikel 69 bepaald, dat de stage op de route van de woning naar de school moet zijn gelegen, tenzij dit voor de leerling onmogelijk blijkt. Hiervoor kan het college een maximale afstand van de woning of de school bepalen.
Voor een vervoersvoorziening naar een stageadres gelden verder dezelfde voorwaarden die ook gelden als de leerling of zijn ouders in aanmerking willen komen voor een vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school.
Stage is een opstap naar deelname in het maatschappelijk verkeer. Bij het onderzoek naar wat passend vervoer is voor de leerling kan voor de stage een andere vervoersvoorziening worden verstrekt, dan naar de school van de leerling. Het doel blijft om zo zelfstandig mogelijk te reizen.
Ter onderbouwing van de aanvraag van een vervoersvoorziening naar een stageadres kan het college het stagecontract opvragen. Zo kan ook gecontroleerd worden of er in de stageovereenkomst wellicht een regeling met betrekking tot de vervoerskosten is getroffen met het stagebedrijf.
Artikel 70. Vervoersvergoeding voor de kosten van openbaar vervoer of vervoer per fiets
Artikel 70 is van toepassing op leerlingen vanaf 9 jaar die een basisschool zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs bezoeken. Van deze leerlingen wordt in beginsel verwacht dat zij zelfstandig (kunnen) reizen.
Eerste lid
Deze vergoeding kan worden verstrekt voor de leerling die een basisschool of school voor speciaal basisonderwijs (artikel 4, van de Wpo) of een school voor speciaal onderwijs (artikel 4, van de Wec) bezoekt. De wet kent in artikel 4, van de Wec en artikel 8.28, van de Wvo 2020 niet de mogelijkheid om het zelfstandig reizen van leerlingen van het voortgezet speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs te vergoeden (zie artikel 61, tweede lid).
De gemeente bekostigt de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer. Het gaat hierbij om de kosten die met de OV-chipkaart (of eventueel een andere, binnen de gemeente of regio geldende betaalmogelijkheid) worden gemaakt, rekening houdend met kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden.
Tweede lid
Het tweede lid bepaalt dat een fietsvergoeding kan worden verstrekt. Het college dient dan van oordeel te zijn dat de leerling, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Hierbij worden dan factoren als leeftijd, eventuele handicap, de veiligheid van de route en de afstand in overweging genomen. Het is mogelijk een fietsvergoeding voor de zomermaanden te verstrekken en een andere vervoersvoorziening voor de overige maanden toe te kennen.
Derde lid
De gemeente bekostigt de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer. Het gaat hierbij om de kosten die met de OV-chipkaart (of eventueel een andere, binnen de gemeente of regio geldende betaalmogelijkheid) worden gemaakt, rekening houdend met kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden.
Vierde lid
De hoogte van de vergoeding per fiets is gebaseerd op 50% van de kilometervergoeding voor autogebruik, naar beneden afgerond.
Artikel 71. Vervoersvergoeding voor de kosten van openbaar vervoer of vervoer per fiets ten behoeve van een begeleider
In een aantal gevallen zal blijken dat het voor een leerling, die in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening, niet mogelijk is zelfstandig met het openbaar vervoer of de fiets te reizen. In dat geval kan er een vergoeding worden verstrekt voor de vervoerskosten die de begeleider van de leerling moet maken om hem tijdens het vervoer te begeleiden. Het zorgen voor een begeleider is verantwoordelijkheid van de ouders zelf (zie artikel 60, derde lid).
Eerste lid
In artikel 71 is bepaald dat ouders van leerlingen van het primair onderwijs in aanmerking komen voor vergoeding van de vervoerskosten van de leerling en een begeleider, als de afstand van de woning naar de school meer dan zes kilometer is en:
- -
Als ouders van een leerling, die jonger is dan 12 jaar en naar een basisschool, zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs gaat, voldoende aantonen dat de leerling niet zelfstandig met de fiets of het openbaar vervoer naar school kan reizen zoals gesteld in artikel 70, of
- -
Als daarbij de leerling jonger is dan 12 jaar èn een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, komen de ouders in aanmerking voor de bekostiging van de vervoerskosten voor een begeleider.
- -
Als de leerling door een structurele handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken.
Hierbij kan men denken aan de volgende situaties:
- –
de leerling moet een of meerdere malen overstappen;
- –
de route van het uitstappunt van de bus naar de school kent gevaarlijke punten;
- –
het is voor de leerling door zijn handicap niet veilig om alleen naar school te fietsen.
Gehandicapte leerling
Ouders, van leerlingen die door hun structurele handicap niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen, komen in aanmerking voor een vergoeding van de vervoerskosten voor de leerling én een begeleider, ongeacht de afstand van de woning naar de school.
De vraag of een leerling al dan niet als gehandicapt valt aan te merken is hierbij niet van belang. Het gaat om de vraag of de leerling, door zijn handicap, al dan niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken. Zo zijn er situaties denkbaar waarbij een leerling met een bepaalde structurele handicap wel degelijk zelfstandig met het openbaar vervoer kan reizen.
Wanneer er sprake is van een tijdelijke handicap (bijvoorbeeld een gebroken been) valt het vervoer van de leerling onder de verantwoordelijkheid van de ouders. Echter, wanneer de leerling een groot gedeelte van het schooljaar in verband met – bijvoorbeeld - herstel van een operatie en/of revalidatie niet of niet zelfstandig met het openbaar vervoer kan reizen, kunnen ouders een aanvraag voor een vervoersvoorziening indienen. Als criterium wordt een termijn van langer dan drie maanden aangehouden.
Tweede lid
Wie de leerling ook begeleidt, de bekostiging vindt plaats aan de ouders van de leerling voor het deel van reis, dat de leerling begeleid wordt. Als een begeleider meer dan een leerling tegelijk begeleidt, wordt de begeleider slechts éénmaal bekostigd. Dit sluit aan bij de systematiek, dat in het aangepast vervoer ook alleen het deel van de reis betaald wordt, dat de leerling meereist.
Derde lid
De gemeente bekostigt de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer. Het gaat hierbij om de kosten die met de OV-chipkaart (of eventueel een andere, binnen de gemeente of regio geldende betaalmogelijkheid) worden gemaakt, rekening houdend met kortingen die voor de begeleider binnen het systeem kunnen gelden.
Vierde lid
Voor de toelichting over de fietskilometervergoeding zie artikel 70, vierde lid.
Artikel 72. Vervoersvergoeding op basis van de kosten van door de ouders georganiseerd vervoer
Artikel 72 geeft regels voor de vergoeding van het eigen vervoer. Hiervan is sprake wanneer ouders de leerlingen zelf naar school vervoeren of laten vervoeren met een eigen vervoermiddel (auto, bromfiets, etc.).
Eerste lid en tweede lid
Als ouders de leerling zelf wensen te (laten) vervoeren, is toestemming van het college noodzakelijk. Een belangrijke maatstaf voor toestemming kan zijn dat de bekostiging van het vervoer door de ouders voor de gemeente goedkoper is. Daarvan is in ieder geval geen sprake als de leerling in aanmerking komt voor een voorziening in de vorm van aangepast vervoer, en er is plaats in een busje dat toch al rijdt. Het college kan ouders ook vragen of zij bereid zijn de leerlingen naar school te vervoeren. Verplichten is echter niet toegestaan.
Derde lid
De vergoeding van het eigen vervoer is gerelateerd aan de voorziening waar de ouders in principe op basis van de bepalingen in de Verordening bekostiging leerlingenvervoer voor in aanmerking komen:
Onderdeel a
Als ouders aanspraak maken op bekostiging op basis van de kosten van de fiets en zij de leerling, met toestemming van of op verzoek van het college, zelf vervoeren, dan keert het college de vergoeding uit op basis van de kosten van het vervoer per fiets.
Ingeval zij in aanmerking zouden komen voor een vergoeding van het fietsvervoer met begeleiding, wordt slechts de vergoeding voor alleen de leerling verstrekt. Het verstrekken van een vergoeding voor een begeleider heeft slechts zin als er daadwerkelijk meegereisd wordt. Dat kan er immers toe leiden, dat de leerling van de begeleider leert en na enige tijd zelfstandig kan reizen. Het uitbetalen van de fietsvergoeding voor een begeleider, indien met het eigen vervoer wordt gereisd, draagt niet bij aan het mogelijke resultaat, dat de leerling op termijn eventueel zelfstandig naar school kan fietsen.
Voor de toelichting op de fietskilometervergoeding zie artikel 70, vierde lid.
Onderdeel b
Als ouders aanspraak maken op vergoeding op basis van de kosten van openbaar vervoer en zij de leerling, met toestemming van op of verzoek van het college, zelf vervoeren, dan keert het college de vergoeding uit op basis van de kosten van het openbaar vervoer. Het college gaat na wat voor de te overbruggen afstand betaald zou moeten worden, wanneer de leerling gebruik zou maken van het openbaar vervoer. Hierbij wordt het meest goedkope tarief als uitgangspunt genomen. Ingeval ouders kiezen voor het eigen vervoer, terwijl ze in principe in aanmerking zouden komen voor een vergoeding van het openbaar vervoer met begeleiding, wordt slechts de vergoeding voor alleen de leerling verstrekt. Het verstrekken van een vergoeding voor een begeleider in het openbaar vervoer heeft slechts zin als er daadwerkelijk meegereisd wordt in het openbaar vervoer. Dat kan er immers toe leiden, dat de leerling van de begeleider leert en na enige tijd zelfstandig met het openbaar vervoer kan reizen. Het uitbetalen van de openbaar vervoerkosten voor een begeleider, indien met het eigen vervoer wordt gereisd, draagt niet bij aan het mogelijke resultaat, dat de leerling op termijn eventueel zelfstandig met het openbaar vervoer zal reizen.
Onderdeel c
Als ouders in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer en zij met toestemming van op of verzoek van het college de leerling zelf vervoeren, wordt een vergoeding per kilometer verstrekt. Aangesloten wordt bij de algemeen gebruikelijke belastingvrije kilometervergoeding voor het betreffende jaar, gerekend over de kortste afstand tussen de woning en school. Ook de terugreis ’s morgens en de heenreis ’s middags van de chauffeur moeten vergoed worden. Geen vergoeding wordt verstrekt als de leerling ook tussen de middag wordt vervoerd.
Onderdeel d
Als ouders aanspraak maken op een vergoeding op basis van de kosten van openbaar vervoer of in de vorm van aangepast vervoer en zij de leerling, met toestemming van het college, zelf laten vervoeren door een schoolbus (van school of een oudervereniging), dan keert het college de vergoding uit op basis van de werkelijk gemaakte kosten. Hiertoe dient de aanvrager een factuur bij de gemeente in te dienen.
Vierde lid
Het vierde lid bepaalt dat ouders aanspraak maken op een kilometervergoeding per rit als zij – na toestemming van het college – meer dan één leerling tegelijk vervoeren. De kilometervergoeding geldt voor de auto, en wordt niet per leerling verstrekt.
Vijfde lid
Het vijfde lid bepaalt, in het verlengde van het vierde lid, dat er geen vergoeding wordt verstrekt aan ouders van de leerling die met een andere ouder meerijdt, die daar al een vergoeding op grond van deze verordening voor ontvangt. Daarmee wordt voorkomen dat er in deze situatie dubbel wordt betaald voor dezelfde rit.
Zesde lid
Wanneer ouders toestemming vragen meerdere kinderen met een eigen busje te vervoeren, kan het college, bij wijze van uitzondering, een andere vergoeding vaststellen. Dit vervoer kan goedkoper zijn dan aangepast vervoer per leerling.
Artikel 73. Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer
Eerste lid
Een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer dient in principe slechts in bepaalde gevallen te worden versterkt. Deze uitzonderingen zijn in artikel 73 vastgelegd.
Eerste lid, onderdelen a en b:
Alle leerlingen die met inachtneming van het afstandscriterium van 6 kilometer in aanmerking komen voor een bekostiging in het kader van het leerlingenvervoer krijgen aangepast vervoer als zij:
- -
Jonger zijn dan 9 jaar
- -
Tussen de 9 en 12 jaar oud zijn én naar het speciaal onderwijs (clusteronderwijs) gaan.
Eerste lid, onderdeel c: Reistijd met openbaar vervoer is meer dan anderhalf uur (basisschool) en
Eerste lid, onderdeel d: Reistijd met openbaar vervoer is meer dan een uur (speciale school voor basisonderwijs)
Eerste lid, onderdeel f: Reistijd met openbaar vervoer is meer dan drie kwartier (voortgezet speciaal onderwijs cluster 4)
Van belang is hier de omschrijving van het begrip reistijd; zie ook de toelichting op artikel 52
De praktijk leert dat leerlingen, ongeacht de manier waarop zij de afstand naar school overbruggen, zo’n tien minuten vóór de aanvang van de lessen op het schoolplein aankomen. Het ligt voor de hand deze tijd uit te sluiten van de reistijd. De eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer aan het einde van de schooldag wordt wel meegerekend. Wanneer een leerling met aangepast vervoer wordt vervoerd, is er tijd nodig de school te verlaten en in de taxi(bus) te stappen. Het is in dit geval dan ook redelijk enige tijd (tien minuten) op te tellen bij de berekende duur van de rit (zie ABRvS 5 oktober 1990, nr. R03.90.6236/86538).
Wanneer de reistijd voor een leerling die een basisschool zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs bezoekt meer bedraagt dan anderhalf uur komt deze leerling in aanmerking voor aangepast vervoer.
Wanneer de reistijd voor een leerling die een speciale school voor basisonderwijs bezoekt meer bedraagt dan een uur komt deze leerling in aanmerking voor aangepast vervoer.
Ouders van leerlingen op het regulier voortgezet onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs cluster 4, die door hun structurele handicap niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen, komen in aanmerking voor aangepast vervoer, wanneer de leerling meer dan drie kwartier onderweg is met gebruikmaking van het openbaar vervoer naar school of terug.
Het kan voorkomen dat voor de heenreis (woning-school) de reistijd van (bijvoorbeeld) een uur met het openbaar vervoer overschreden wordt, terwijl dit voor de terugreis niet het geval is (of vice versa). In een dergelijk geval wordt ervoor zowel de heenreis als de terugreis aangepast vervoer toegekend.
Eerste lid, onderdeel e: gehandicapte leerling van voortgezet speciaal onderwijs cluster 1, 2 en 3
Ouders van leerlingen op het voortgezet speciaal onderwijs cluster 1, 2 of 3, die door hun structurele handicap niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen, komen in aanmerking voor aangepast vervoer, ongeacht de afstand van de woning naar de school.
Eerste lid, onderdeel g: Openbaar vervoer ontbreekt
In een aantal gemeenten ontbreekt openbaar vervoer geheel of rijdt zo weinig frequent dat leerlingen daar geen gebruik van kunnen maken voor het vervoer van de woning naar de school of terug. Overigens biedt artikel 70, het tweede lid, het college de mogelijkheid om te beoordelen of de leerling in staat mag worden geacht met de fiets naar school te gaan; zie ook de toelichting op artikel 70.
Eerste lid, onderdeel h: Begeleiding van de leerling in het openbaar vervoer is niet mogelijk
De ouders dienen op een voor de gemeente bevredigende wijze aan te tonen dat het hun onmogelijk is hun kind in het openbaar vervoer te begeleiden, of dat deze begeleiding tot ernstige benadeling van het gezin zou leiden. Van ouders wordt ook verwacht dat zij allereerst zelf een oplossing zoeken voor het (laten) begeleiden van hun kinderen, wanneer dit nodig is (zie artikel 52, begrip begeleider).
In de toelichting op het amendement van de Kamerleden Dijkgraaf en Ferrier van 5 maart 2012, dat tot een wetswijziging heeft geleid, staat een en ander als volgt omschreven: “De inzet die van ouders wordt gevraagd moet redelijk zijn. Van ouders mag uiteraard een bepaalde mate van inzet verwacht worden, maar die inzet mag niet zover gaan dat de mogelijkheid van leerlingenvervoer illusoir wordt.”
Met de term ‘leerlingenvervoer’ zal overigens ‘aangepast vervoer’ bedoeld zijn.
Per ouder(paar) en per aanvraag zal het college moeten beoordelen of de gevraagde inzet redelijk is.
Eerste lid, onderdeel i: Leerling kan door zijn handicap niet van het openbaar vervoer gebruik maken
Als de leerling door zijn structurele handicap niet in staat is, zelfs niet onder begeleiding, van het openbaar vervoer gebruik te maken, verstrekt het college een voorziening in de vorm van aangepast vervoer. De vraag of een leerling al dan niet als gehandicapt valt aan te merken is hierbij niet van belang. Het gaat om de vraag of de leerling, door zijn handicap, al dan niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken. Zie verder de toelichting op artikel 71, onder het kopje ‘Gehandicapte leerling’.
Eerste lid, onderdeel j:
Het is ook mogelijk dat een leerling in aanmerking komt voor aangepast vervoer op het moment dat dit goedkoper te organiseren is. Deze situatie kan zich voordoen als er al een busje rijdt waarin nog plaatsen beschikbaar zijn.
Tweede lid
In het tweede lid is geregeld dat er een aanvraag gedaan kan worden voor één ander opvangadres naast het woonadres waar de leerling structureel verblijft, omdat beide ouders werken. Dit kan alleen onder bepaalde voorwaarden door het college worden toegekend, namelijk wanneer het tweede adres binnen een straal van 500 meter van de school van de leerling ligt of in de dorpskern waar de leerling woont, ligt en er moet sprake zijn van kinderopvang op vaste dag(en) per week. Tevens kan deze opvanglocatie geen locatie voor hulpverlening in het kader van de jeugdwet zijn; hiervoor is geen toekenning voor leerlingenvervoer mogelijk.
Artikel 74. Vergoeding andere passende vervoersvoorziening
Het kan voorkomen, dat een leerling of een ouder op een andere manier kan of wenst te reizen, dan de reeds beschreven vervoerswijzen, als hij daarvoor een geschikt vervoermiddel heeft. Artikel 68 maakt het mogelijk dit maatwerk toe te passen en de vergoeding zodoende te laten aansluiten bij de vermogens van de leerling en/of de ouder. Het kan er tevens toe bijdragen, dat het zelfstandig reizen wordt gestimuleerd.
Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een handbike, elektrische fiets, bakfiets. Het college kan besluiten ouders hierin tegemoet te komen, mits de kosten van dit vervoermiddel niet uitstijgen boven de kosten van het openbaar vervoer naar de school.
Paragraaf 5.4 Bijdrage in de kosten
Van ouders van leerlingen die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoeken kan in bepaalde gevallen, afhankelijk van het inkomen, een bijdrage worden gevraagd (zie de artikelen 75 en 76). Deze bijdrage kan worden verrekend met de eventuele vergoeding.
Artikel 75. Drempelbedrag
Eerste en tweede lid
Artikel 4, zevende lid, van de WPO biedt gemeenten de mogelijkheid een drempelbedrag bij ouders in rekening te brengen. In de verordening is gebruik gemaakt van deze optie. De wetgever heeft bedoeld de ouders verantwoordelijk te laten zijn voor een bepaald deel van de (werkelijk gemaakte) kosten van het vervoer, de zogenaamde drempel.
Bij het drempelbedrag is de ouderlijke bijdrage gekoppeld aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens, dat wil zeggen de afstand van de woning tot de school waarboven aanspraak kan bestaan op een vervoersvoorziening. Invoering van het drempelbedrag houdt in dat de kosten van het openbaar vervoer tot aan deze kilometergrens voor rekening van de ouders komen. Artikel 4, zevende lid, van de WPO stelt een afstand van zes kilometer als bovengrens. Deze afstand wordt in deze verordening aangehouden. De kosten van het openbaar vervoer worden berekend, die met de OV-chipkaart (of eventueel een andere, binnen de gemeente of regio geldende betaalmogelijkheid) zouden worden gemaakt, rekening houdend met kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden.
Om ervoor te zorgen dat er gewerkt kan worden met één drempelbedrag, dat in rekening wordt gebracht bij iedereen die dit moet betalen, worden de kosten van de eerste zes kilometer als volgt berekend:
Consumentenprijsindex (februari lopend jaar/gemiddeld voorgaand jaar) x huidig drempelbedrag
Deze berekening geldt sinds 2012. Het drempelbedrag van 2011 was gebaseerd op de Regeling nationale vervoersbewijzen openbaar vervoer (een ministeriële regeling op basis van het Besluit personenvervoer 2000). De regeling is per 3 november 2011 ingetrokken. Er is geen nieuwe eenduidige regeling voor in de plaats gekomen. Om een bestendige lijn van berekening van het drempelbedrag te komen, is sinds 2012 gekozen voor bovenstaande berekening.
Inkomen
De inkomensgrens voor het drempelbedrag en de wijze van indexering zijn bepaald in artikel 4, zevende lid, van de WPO.
Als peiljaar moet worden aangemerkt het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het schooljaar begint waarvoor bekostiging van de vervoerskosten wordt gevraagd. Als grenswaarde wordt in de wet een gezamenlijk inkomen genoemd van € 17.700,- voor het school jaar 1998-1999; dit bedrag moet per 1 januari 1999 jaarlijks worden geïndexeerd op een voorgeschreven wijze. In de verordening is de grenswaarde van het gezamenlijk inkomen voor het heffen van een drempelbedrag voor het schooljaar 2025-2026 (dus voor het peiljaar 2023) vastgesteld op € 31.500,-.
Bij de vaststelling van de hoogte van het drempelbedrag is het niet van belang of de leerling daadwerkelijk gebruikmaakt van het openbaar vervoer. Ook wanneer de leerling gebruikmaakt van aangepast vervoer, of wanneer er geen openbaar vervoer aanwezig is, dienen de ouders de kosten van het openbaar vervoer over de afstand tot aan de door de gemeente gestelde kilometergrens zelf te dragen.
Het bedrag wordt per leerling in rekening gebracht, tenzij ouders meer dan één eigen kind met het eigen vervoer vervoeren en hiervoor een kilometervergoeding ontvangen. Dan wordt er per auto een drempelbedrag geheven (ABRvS 19 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1959). Als een leerling slechts voor een deel van het schooljaar een vervoersvoorziening wordt toegekend, wordt het drempelbedrag naar evenredigheid in rekening gebracht. Dit geldt ook wanneer alleen voor de heen- of terugreis een vervoersvoorziening wordt toegekend, of voor enkele dagen per week.
Het drempelbedrag wordt verrekend met de bekostiging (die op declaratiebasis wordt uitbetaald) dan wel in rekening gebracht bij aanvrager in het geval van aangepast vervoer.
Aantonen van het inkomen
Als de gemeente zelf geen inzage kan verkrijgen in de inkomensgegevens kunnen aanvragers een kopie van de belastingaanslag sturen om het inkomen aan te tonen. Ouders kunnen ook een inkomensverklaring opvragen bij de belastingdienst; in dat geval moet er van beide ouders een inkomensverklaring worden aangeleverd, ook wanneer de ouders gescheiden zijn.
Wanneer ouders weigeren de gevraagde informatie over hun inkomen te verstrekken, wordt op grond van artikel 4:15 van de Awb de beslistermijn opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld, of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. In het laatste geval kan het college besluiten het drempelbedrag toch op te leggen bij gebrek aan bewijsvoering dan wel de aanvraag niet in behandeling te nemen. De aanvragers worden hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.
Als het gezamenlijk inkomen van het peiljaar nog niet bekend is, kan het derde jaar voorafgaande aan het desbetreffende schooljaar als voorlopig uitgangspunt worden gehanteerd. In een later stadium, als het inkomen van het peiljaar wel bekend is, kan een definitieve berekening worden gemaakt.
Zelfstandig reizen
Wanneer een leerling de overstap maakt van aangepast vervoer naar zelfstandig reizen met het openbaar vervoer of de fiets, kan de vergoeding hiervan wegvallen tegen het te betalen drempelbedrag.
Derde lid:
Wanneer het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het peiljaar en het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend op een structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in het voordeel van de ouders het actuele inkomen te hanteren. Om over te gaan tot hantering van het actuele inkomen wordt aansluiting gezocht bij artikel 3.10 van de Wet studiefinanciering 2000. Onder de terugval in inkomen wordt verstaan: een vermindering van de som van toetsingsinkomens van de beide ouders tezamen met ten minste 15% ten opzichte van het peiljaar.
Vierde lid
Pleegouders en instellingen
Pleegouders worden als ‘ouders’ in de zin van de verordening worden aangemerkt (zie de toelichting op artikel 52). Zij kunnen dus, als zij voldoen aan de voorwaarden, in aanmerking komen voor een vervoervoorziening. Volgens een uitspraak van de ABRvS (31 augustus 1993, nrs. R03.93. 1702 en R03.93.1773) is het redelijk dat als de verzorgers pleegouders zijn, hun ook het drempelbedrag in rekening gebracht kan worden. Echter, het college heeft eerder besloten dat pleegouders geen drempelbedrag hoeven te betalen.
In tegenstelling tot de vrijwillige plaatsing zijn de natuurlijke ouders bij een justitiële plaatsing niet meer aan te spreken voor de extra kosten, tenzij de natuurlijke ouders en niet de pleegouders de aanvraag hebben ingediend.
Voogdijinstellingen kunnen ook als ‘ouder’ worden aangemerkt. Zij kunnen tevens een aanvraag indienen. Bij hen kan echter geen drempelbedrag worden vastgesteld, omdat zij geen inkomen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting hebben. (Deze wet ziet op natuurlijke personen.)
Gehandicapte leerlingen
De ouders van gehandicapte leerlingen, die niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen, zijn vrijgesteld van het betalen van een eigen bijdrage.
Artikel 76. Draagkrachtafhankelijke bijdrage
Artikel 4, elfde lid, van de WPO biedt de mogelijkheid een bijdrage te vragen in de kosten van het vervoer, wanneer de afstand tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school meer is dan twintig kilometer. Deze bijdrage kan alleen worden gevraagd wanneer het een school voor regulier basisonderwijs betreft. De bijdrage is afhankelijk van de financiële draagkracht van de ouders.
Er wordt geen bijdrage gevraagd wanneer het gaat om leerlingen die wegens hun structurele handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, of vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken.
De draagkrachtafhankelijke bijdrage wordt per gezin geheven, in tegenstelling tot het drempelbedrag dat per leerling in rekening wordt gebracht.
Indexatie
Voor de berekening van het geïndexeerde inkomen waarbij het drempelbedrag van toepassing is, wordt verwezen naar data van het CBS. Deze is te raadplegen via:
https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/82838NED/table
https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/83131NED/table?searchKeywords=consumentenprijsindexcijfer%20%20vervoersdiensten
Vijfde lid
Wanneer het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het peiljaar en het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend op een structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in het voordeel van de ouders het actuele inkomen te hanteren. Om over te gaan tot hantering van het actuele inkomen wordt aansluiting gezocht bij artikel 3.10 van de Wet studiefinanciering 2000. Onder de terugval in inkomen wordt verstaan: een vermindering van de som van toetsingsinkomens van de beide ouders tezamen met ten minste 15% ten opzichte van het peiljaar.
De ouders van gehandicapte leerlingen, die niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen, zijn vrijgesteld van het betalen van een eigen bijdrage.
Hoofstuk 6. Wijzigingen kwaliteit, medezeggenschap en klachten
Artikel 77. Kwaliteitseisen
Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel. De regering benadrukt in de Memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.
Op dit moment heeft Zuidplas kwaliteitseisen opgenomen in de regionale overeenkomsten voor de ZiN. Ook voor het monitoren van deze kwaliteit zijn afspraken gemaakt met de zorgaanbieders in de vorm van klanttevredenheidonderzoek. Daarnaast wordt ook jaarlijks een cliëntervaringsonderzoek voor zowel Jeugd en Wmo afgenomen dat inzicht geeft in de kwaliteit van de zorg.
Artikel 78. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieder
Per 1 juni 2017 is aan het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 artikel 5.4 toegevoegd. Dit artikel heeft tot doel dat de gemeente een reële prijs betaalt voor een Wmo dienst. Artikel 68 uit de integrale verordening stelt vast aan welke eisen deze reële prijs moet voldoen. De hierin benoemde kostprijselementen komen overeen met de elementen uit artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.
Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door jeugdhulpaanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 van de Jeugdwet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de van toepassing zijnde arbeidsvoorwaarden.
In het eerste lid wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015 of artikel 2.1, van de Jeugdwet, of een vaste prijs vaststelt of een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als een ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Indien het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs.
In het tweede lid wordt vastgesteld dat het college bij het vaststellen van de prijs rekening dient te houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst en de continuïteit van de dienstverlening.
Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering wordt in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van een reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden. Hierbij is de gedachte dat een reële prijs bedraagt aan de continuïteit van de dienstverlening.
Het derde lid van artikel 78 legt in de verordening vast dat het college de vaste of reële prijs minimaal moet baseren op de in dit lid genoemde kostprijselementen.
Lid 4 biedt het college de mogelijkheid om geen vaste of reële prijs te bepalen op basis van de genoemde kostprijselementen, maar die bepaling van de hoogte van een reële prijs over te laten aan de inschrijvende partijen. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad
Artikel 79. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering
In de verordening moeten in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een voorziening of een bekostiging, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet (verordeningsplicht artikel 2.1.3, vierde lid van de Wmo 2015, de Jeugdwet en het Leerlingenvervoer sluit hierbij aan). Dat wordt onder meer gedaan in artikel 79. Aan het ‘bestrijden’ van ten onrechte ontvangen voorzieningen en bekostiging gaat een poging dit vooraf te ‘voorkomen’. Duidelijke informatie over enerzijds de rechten en plichten van de cliënt en anderzijds de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik spelen hierbij een belangrijke rol, de plicht hiertoe van het college wordt vastgesteld in het eerste lid.
Lid 1 geeft aan dat het college de verplichting op zich neemt om de cliënt, hun vertegenwoordiger of ouders van een leerling uit te leggen wat de rechten en plichten zijn die horen bij de maatwerkvoorziening of bekostiging, de informatieplicht. Hierbij komt ook aan de orde dat de cliënt/vertegenwoordiger/ouder nieuwe feiten en omstandigheden, dus wijzigingen ten opzichte van de situatie ten tijde van de aanvraag, die van invloed zijn op de voorziening of bekostiging, direct moet melden aan het college. Dit wordt verwacht van de cliënt/ouder, omdat deze een reden (kunnen) zijn om het besluit te heroverwegen. Dit is geregeld in lid 2. Het eerste, tweede en vijfde lid bevatten een herhaling van hetgeen al in de tekst van de wet maatschappelijke ondersteuning is opgenomen (artikel 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1 Wmo 2015.
Het college kan, zonder dat cliënt of aanvrager iets heeft doorgegeven, zelf wijzigingen constateren die van invloed kunnen zijn op de voorziening. Daarbij kan blijken dat ten onrechte een voorziening dan wel bekostiging is ontvangen.
Lid 3 geeft aan dat het college de keuze heeft de voorziening of bekostiging te herzien of in te trekken. Dit kan verschillende redenen hebben die het college moet vaststellen:
- -
Bij de aanvraag zijn onjuiste en/of onvolledige gegevens verstrekt door de aanvrager. In het geval de gegevens wel juist en volledig zouden zijn geweest, zou dit geleid hebben tot een ander besluit dan dat nu is genomen.
- -
De situatie van de cliënt/leerling is dusdanig veranderd dat er men niet langer de voorziening of bekostiging nodig heeft.
- -
De situatie kan ook zo veranderd zijn, dat de toekenning niet meer voldoende is.
- -
De cliënt voldoet niet of niet meer aan de voorwaarden die horen bij de toekenning van een voorziening of een bekostiging.
- -
De cliënt heeft een toekenning voor een voorziening, maar gebruikt deze niet of voor een ander doel dan waarvoor de cliënt deze toegekend heeft gekregen.
In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.’
Het derde lid geeft ook aan dat het college de mogelijkheid heeft tot herziening of intrekking van de bekostiging in het kader van het leerlingenvervoer wanneer er sprake is van onaanvaardbaar gedrag. Hierin kan onderscheid gemaakt worden tussen gedrag dat samenhangt en/of voorkomt uit de beperking van het kind en ‘gewoon’ gedrag van een kind, zonder dat hier een beperking de oorzaak van is. Dit onderscheid kan bepalend zijn voor de maatregelen die genomen kunnen en moeten worden wanneer een kind onacceptabel gedrag vertoont in het aangepast vervoer bv in het kader van de veiligheid van het kind, de andere leerlingen en de chauffeur. Deze bepaling kan ook van toepassing zijn wanneer de ouder in het kader van het leerlingenvervoer onacceptabel gedrag vertoont.
Tevens geeft dit lid aan dat een kind op een veilig wijze vervoerd moet (kunnen) worden. Dat is niet het geval als er met vrijheidsbeperkende middelen gewerkt moet worden zoals vijfpuntsgordels of gordelkapjes om het kind te kunnen vervoeren.
Het vierde lid betreft een beschrijving van het recht van het college om tot (gedeeltelijke) terugvordering over te gaan wanneer lid drie onder a van toepassing is, dat wil zeggen als het college heeft vastgesteld dat er sprake is van het verstrekken van onjuiste en/of onvolledige gegevens bij de aanvraag. In geval van een maatwerkvoorziening in natura dan wel een toekenning aangepast vervoer van het leerlingenvervoer gaat het om terugvorderen van de geldswaarde daarvan. Bij een pgb dan wel een bekostiging leerlingenvervoer gaat het om terugvorderen van het pgb dan wel de aan aanvrager uitbetaalde bekostiging.
In het vijfde lid is bepaald, dat het college de bevoegdheid heeft om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken indien binnen 3 maanden na de beslissing tot het verstrekken van een pgb nog geen voorziening is getroffen. Een pgb wordt immers verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het derde lid, onder e (dat tevens op maatwerkvoorzieningen (in natura) ziet).
In het zesde tot en met negende lid zijn bepalingen opgenomen die het college de bevoegdheid geven tot terugvordering van in eigendom en in bruikleen verstrekte voorzieningen en reeds uitbetaald pgb of bekostiging leerlingenvervoer.
Artikel 80. Klachtenregeling
In de Memorie van Toelichting van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, biz. 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Uiteraard geldt dit voor alle dienstverlening van de gemeente, dus ook de Wmo 2015, Jeugdwet en het leerlingenvervoer. Voor dergelijke klachten worden afgehandeld overeenkomstig de klachtenregeling van de gemeente Zuidplas (lid 1).
In het tweede lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de wet maatschappelijke ondersteuning, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de wet maatschappelijke ondersteuning). Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder).
Het ligt voor de hand dat cliënten, die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open.
Artikel 81. Medezeggenschap bij aanbieders
Dit artikel geeft uitvoering aan Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, art. 2.1.3, tweede lid, onder f, en art. 4.2b lid 1 van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder, welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is.
In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan gemeenten overgelaten.
In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. Alle aanbieders van maatwerkvoorzieningen zijn verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen. In het derde lid is een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd. Dit is geregeld in de regionale overeenkomsten met zorgaanbieders. Het college kan hiervoor nadere regels stellen (lid 4).
Artikel 82. Incidenten, calamiteiten en geweld
In artikel 3.4, eerste lid, van de wet maatschappelijke ondersteuning 2015 is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo 2015 onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de Wmo 2015 is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet. Gemeente Zuidplas heeft de directeur GGD en zijn personeel aangewezen als toezichthoudend ambtenaar.
In artikel 9.1 van de Jeugdwet staat beschreven dat, onverminderd artikel 36 van de Gezondheidswet, de Inspectie gezondheidszorg en jeugd (IGJ) als taak heeft het onderzoeken van de kwaliteit in algemene zin.
Artikel 83. Doel- en rechtmatigheid
Zowel landelijk als gemeentelijk wordt ingezet op het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015 en Jeugdwet. Daartoe treft het college de nodige maatregelen om de doelmatigheid en rechtmatigheid van de verstrekte maatwerkvoorziening en pgb’s te waarborgen en fraude te voorkomen. In het kader van contractmanagement wordt onderzoek gedaan bij aanbieders van maatwerkvoorzieningen en individuele voorzieningen. Een belangrijke manier om de doelmatigheid en rechtmatigheid van de dienstverlening te toetsen is het uitoefenen van toezicht. Een toezichthouder heeft op grond van de wet vergaande bevoegdheden en kunnen bijvoorbeeld administraties en cliëntgegevens inzien en panden betreden.
In de Wmo 2015 is geregeld dat het college toezichthouders moet aanwijzen voor toezicht op de nalevering van de wet. Het gaat hierbij om de kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid.
In de Jeugdwet is geregeld dat de landelijke inspectie toezicht houdt op de kwaliteit van de jeugdhulp. Toezicht op de rechtmatigheid is in de Jeugdwet niet geregeld.
In Lid 1 is opgenomen dat het college ook voor de Jeugdwet toezichthouders aanwijst, die specifiek zien op de rechtmatigheid. Daarmee is voor dit toezicht de wettelijke basis gelegd
Hoofdstuk 7. Participatie in het Sociaal Domein
Artikel 84 t/m artikel 96 spreken voor zich en behoeven geen extra uitleg in de toelichting.
Hoofdstuk 8. Slotbepalingen
Artikel 97. Hardheidsclausule en gevallen waarin de verordening niet voorziet
Het opnemen van de hardheidsclausule in lid 1 opent de mogelijkheid voor het college om een onderdeel van de verordening buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken, indien toepassing van de Verordening leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. Dit kan slechts in voor cliënt/ouders van een leerling voordelige zin.
Omdat het college uitgaat van het principe maatwerk te bieden en uitgaat van de persoonlijke situatie van cliënt, moet de hardheidsclausule als uiterste vangnet worden gezien, mocht er sprake zijn van een niet billijke situatie. Ter voorkoming van - ongewenste - precedentwerking moet de toepassing van de hardheidsclausule worden onderbouwd met argumenten die op de specifieke, concrete situatie van de cliënt/ouders/leerling betrekking hebben. Het college vraagt zo nodig advies van deskundigen ter zake.
Bij het leerlingenvervoer kan van een afwijking in voor ouders gunstige zin bijvoorbeeld sprake zijn bij toekenning van bekostiging voor het openbaar vervoer voor een begeleider, toekenning van een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer, bekostiging van groepsvervoer dat is georganiseerd door de ouders, toekenning van een vervoersvoorziening naar een verder weg gelegen school, of een toekenning in verband met bijzondere gezinsomstandigheden. De ouders dienen aan te tonen dat er sprake is van een bijzondere situatie.
De ABRvS heeft in de casuïstiek van het leerlingenvervoer nadere richtlijnen gegeven voor de toepassing van de hardheidsclausule:
- -
Hardheidsclausules hebben tot doel onbillijkheden van overwegende aard, die zich ten aanzien van personen bij een strikte toepassing van de bepalingen van de verordening zouden voordoen, weg te nemen. De toepassing ervan is niet aan enige beperking gebonden. Met alle feiten en omstandigheden kan rekening worden gehouden, zoals bijvoorbeeld medische, pedagogische en sociale factoren.
- -
Door middel van toepassing van de hardheidsclausule kan van alle bepalingen van de verordening worden afgeweken, inclusief het heffen van het drempelbedrag.
Lid 2 is een aanvulling in het kader van het leerlingenvervoer op lid 1 en stelt dat het college kan afwijken van het afstandscriterium van 6 kilometer wanneer schoolverzuim van de betreffende leerling dreigt. Ook hier moet er dan wel sprake zijn van een bijzondere situatie en het is aan ouders om dat aan te tonen. Het afwijken van het afstandscriterium kan slechts overwogen worden op voordracht van Stichting Zo! Daarnaast geldt dat er slechts sprake kan zijn van een tijdelijke toekenning, zodat in de beperkte periode gezocht kan worden naar een andere oplossing dan leerlingenvervoer.
In de verordening zijn de bepalingen voor voorzieningen en bekostiging vanuit de Wmo, de Jeugdwet en het leerlingenvervoer vastgelegd. Er kunnen zich echter concrete gevallen voordoen waarin de verordening niet voorziet. Artikel 97 lid 3 bepaalt dat het college in dergelijke situaties beslist. Redelijkheid is hierbij het uitgangspunt. Bij de besluitvorming dient in de geest van de wet en de verordening gehandeld te worden.
Artikel 98 Intrekken oude verordeningen en overgangsrecht
In dit artikel is het overgangsrecht geregeld. In het eerste lid is bepaald, dat de Integrale Verordening Sociaal Domein 2026 (ingangsdatum 1 januari 2026) wordt ingetrokken op het moment, dat deze verordening in werking treedt.
In het tweede lid is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten doorlopen, totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden. In het derde lid is als hoofdregel neergelegd dat aanvragen, die nog bij het college in behandeling zijn, op grond van deze verordening beoordeeld zullen worden.
In het vierde lid is bepaald dat voor het leerlingenvervoer deze verordening voor het eerst van toepassing is op nieuwe aanvragen voor het schooljaar 2026-2027. Meerjarenbeschikkingen die doorlopen in schooljaar 2026-2027 vallen onder het tweede lid van dit artikel.
In het vijfde lid is bepaald dat voor het toepassen van het HHM normenkader voor de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp een overgangsrecht bestaat indien inwoner nog steeds recht heeft op huishoudelijke hulp, maar er door toepassing van het HHM normenkader een verlaging is van de indicatie. Indien het recht op huishoudelijke hulp vervalt, is er geen sprake van overgangsrecht. Bijvoorbeeld indien de inwoner of één van de huisgenoten een WLZ indicatie krijgt.
Het overgangsrecht geldt voor drie maanden. De drie maanden gaan in werking vanaf de datum dat de situatie is gewijzigd of einddatum indicatie. Wijzigingsdatum is bijvoorbeeld de datum dat een huisgenoot verhuisd naar een andere woning en daardoor de gezinssamenstelling kleiner wordt. Einddatum indicatie geldt alleen bij verlengingsaanvragen. Tijdens het overgangsrecht kan de omvang van de laatst afgegeven indicatie ongewijzigd overgenomen worden.
In het zesde lid is geregeld dat dit overgangsrecht niet geldt bij verhuizing. Dus als de inwoner op wiens naam de indicatie staat, verhuist naar een andere woning.
Artikel 99 Inwerkingtreding en citeertitel
Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze verordening en legt vast hoe de verordening dient te worden aangehaald.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl