Beleidsregels inzake aanwijzing en aanleg van gehandicaptenparkeerplaatsen

Geldend van 17-02-2026 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels inzake aanwijzing en aanleg van gehandicaptenparkeerplaatsen

gelet op

- de artikelen 147 en 160 van de Gemeentewet;

- artikel 18, eerste lid, onder d, van de Wegenverkeerswet 1994;

- artikel 12 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW);

- het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht, en het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), de Europese Regeling gehandicaptenparkeerkaart;

overwegende dat,

het gewenst is voor de beoordeling van aanvragen tot het verkrijgen van een gehandicaptenparkeerplaats regels te stellen; 

BESLUIT

Vast te stellen de volgende

‘Beleidsregels inzake de aanwijzing van gehandicaptenparkeerplaatsen’.

Artikel 1 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van deze beleidsregel wordt verstaan onder:  

a. RVV 1990: Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;  

b. BABW: Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer;  

c. Awb: de Algemene wet bestuursrecht;  

d. ASVV: de Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom, opgesteld door het CROW (Stichting Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond, Water en Wegenbouw en de Verkeerstechniek);  

e. Aanvrager: de natuurlijke of rechtspersoon die verzoekt om voor hem een gedeelte van de openbare weg als gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats in te richten;  

f. Parkeergelegenheid op eigen terrein:  

1. een parkeerplaats op eigen terrein of in een garage waarover de aanvrager kan beschikken op grond van eigendom, huur of in gebruikgeving;  

2. parkeerplaats(en) welke de aanvrager kan huren of kopen in een garage of op een open perceel grond waarvan in de bouwvergunning, een huur- of koopovereenkomst is vastgelegd dat deze is bedoeld als parkeergelegenheid voor het adres van de aanvrager;  

g. Motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990;  

h. Wegen: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wegenverkeerswet 1994; 

i. Gehandicaptenvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990; 

j. Gehandicaptenparkeerkaart: parkeerkaart voor een persoon, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking heeft van langdurige aard, waardoor hij/zij – met gebruikelijke loophulpmiddelen - in redelijkheid niet in staat is zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan een stuk te voet te overbruggen;  

k. Bestuurderskaart: gehandicaptenparkeerkaart voor een persoon die zich pleegt te vervoeren met een door hemzelf bestuurd motorvoertuig of gehandicaptenvoertuig;  

l. Passagierskaart: gehandicaptenparkeerkaart voor een persoon die voor verplaatsingen per motorvoertuig of gehandicaptenvoertuig is aangewezen op een ander;  

m. Instellingenkaart: gehandicaptenparkeerkaart voor het bestuur van instellingen ten behoeve van het personeel belast met het vervoer van bewoners die in aanmerking komen voor een gehandicapten-parkeerkaart;  

n. Algemene gehandicaptenparkeerplaats: parkeerplaats voorzien van het verkeersbord E6, zoals bedoeld in bijlage 1 van het RVV 1990;  

o. Gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats: parkeerplaats voorzien van het verkeersbord E6, zoals bedoeld in bijlage 1 van het RVV 1990 en een onderbord met vermelding van een kenteken, behorend bij een motorvoertuig of gehandicaptenvoertuig, waarvan de houder in het bezit is van een gehandicaptenparkeerkaart en degene die krachtens artikel 12 BABW de desbetreffende parkeerplaats toegewezen heeft gekregen;  

p. Kenteken: 

- als bedoeld in artikel 1, onder g, van de Wegenverkeerswet 1994 of  

- merk en/of type van het voertuig, voor zover betrekking hebbend op een gehandicaptenvoertuig; 

q. College: het college van burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul. 

Artikel 2 Aanvraag gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats

1. De aanvraag voor een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats wordt schriftelijk ingediend bij het college; 

2. De aanvraag dient vergezeld te gaan van een kopie van de Europese gehandicaptenparkeerkaart (bestuurderskaart), een kopie van het kentekenbewijs deel 1 en 2, een kopie van het legitimatiebewijs en een kopie van het geldige rijbewijs. 

Artikel 3 Aanwijzing gehandicaptenparkeerplaats

1. Het college kan krachtens een verkeersbesluit, zoals bedoeld BABW en met inachtneming van de Wegenverkeerswet en de AWB op eigen initiatief of op een daartoe strekkend verzoek een gehandicaptenparkeerplaats aanwijzen.  

2. Algemene gehandicaptenparkeerplaatsen worden doorgaans aangewezen bij openbare voorzieningen die veel publiek trekken, zoals winkels, kerken, het gemeentehuis, de bibliotheek en andere openbare instellingen die regelmatig worden bezocht door gehandicapten. Ze worden zo dicht mogelijk bij de voorziening, waarvoor ze zijn bestemd, aangelegd met zo weinig mogelijk obstakels op de weg naar deze voorziening. 

3. Gereserveerde gehandicaptenparkeerplaatsen worden aangewezen binnen een loopafstand van maximaal 100 meter van het woonadres of werkadres van de aanvrager. 

4. Een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats wordt uitsluitend aangewezen indien ter plaatse sprake is van een aantoonbaar hoge parkeerdruk, zodanig dat het voor de aanvrager structureel niet mogelijk is binnen redelijke afstand van het woonadres of werkadres te parkeren. 

Artikel 4 Beoordeling aanvraag gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats bestuurder

1. De aanvrager beschikt over een geldige gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder, waarvan de geldigheidsduur nog ten minste zes maanden bedraagt. 

2. De aanvrager is in het bezit van een geldig rijbewijs.  

3. De aanvraag heeft betrekking op gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats nabij het woon- of werkadres.  

4. De aanvrager heeft niet de beschikking over parkeergelegenheid op eigen terrein.  

5. Binnen een loopafstand van maximaal 100 meter van het woon- of werkadres bestaat de mogelijkheid tot het realiseren van een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats. 

6. De aanwijzing van een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats mag niet leiden tot:  

a. een verkeersonveilige situatie;  

b. belemmering van de doorstroming van het overige verkeer. 

7. Een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats wordt uitsluitend aangewezen indien ter plaatse sprake is van een aantoonbaar hoge parkeerdruk, waardoor het voor de aanvrager structureel niet mogelijk is binnen redelijke afstand van het woon- of werkadres te parkeren. 

8. Het college kan na overweging een aanvraag voor een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats afwijzen, wanneer dit naar het oordeel van het college wegens de omstandigheden wenselijk is. 

Artikel 5 Aanleg gehandicaptenparkeerplaats

1. Een algemene gehandicaptenparkeerplaats wordt aangelegd door plaatsing van het bord E6, zoals bedoeld in bijlage 1 van het RVV 1990. 

2. Een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats wordt aangelegd door plaatsing van het bord E6, zoals bedoeld in bijlage 1 van het RVV 1990 met een onderbord waarop het kenteken van het motorvoertuig of gehandicaptenvoertuig van de aanvrager staat vermeld.  

3. Een gehandicaptenparkeerplaats wordt uitsluitend aangelegd in de openbare ruimte, bij voorkeur binnen een bestaand openbaar parkeervak. 

4. Indien binnen 100 meter van het woonadres geen geschikte openbare locatie beschikbaar is, kan het college een alternatieve, verkeerskundig verantwoorde locatie aanwijzen die zo dicht mogelijk bij het woonadres ligt. 

5. De maatvoering van de gehandicaptenparkeerplaats dient zo mogelijk te voldoen aan de richtlijnen in het ASVV.  

Artikel 6 Wijziging gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats

1. Indien een aanvrager een voertuig bestuurt met een ander kenteken dan op het onderbord bij de hem toegewezen gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats is aangebracht, dient de aanvrager een wijziging van het kenteken aan te vragen.  

2. De wijziging van het kenteken vormt geen aanleiding voor hernieuwde toetsing op de beoordelingscriteria, zoals genoemd in artikel 4 en 5.  

3. De gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats wordt gewijzigd door het verwijderen van het onderbord met het oude kenteken en het aanbrengen van een onderbord met het nieuwe kenteken.  

Artikel 7 Verhuizing gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats

1. Indien een aanvrager van een gehandicaptenparkeerplaats niet langer woonachtig is op hetzelfde adres als ten tijde van de aanvraag, dient de aanvrager, indien hij van de hem toegewezen gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats gebruik wil maken, een verhuizing van de gereserveerde gehandicapten-parkeerplaats aan te vragen.  

2. De verhuizing van de gehandicaptenparkeerplaats vormt aanleiding voor hernieuwde toetsing op de beoordelingscriteria, zoals genoemd in artikel 4 en 5.  

3. De gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats wordt verhuisd door middel van het verwijderen van het bord E6, zoals bedoeld in bijlage 1 van het RVV 1990, met het onderbord waarop het kenteken staat vermeld van het motorvoertuig of gehandicaptenvoertuig van de aanvrager op de oude locatie en het aanleggen van de gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats op de nieuwe locatie, zoals beschreven in artikel 6. 

Artikel 8 Kosten

1. De legeskosten voor de behandeling van een aanvraag voor een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats komen voor rekening van de aanvrager.

2. De kosten voor het aanleggen, verwijderen van de gehandicaptenparkeerplaats en wisselen van het onderbord bij kentekenwijziging komen voor rekening van de gemeente.  

Artikel 9 Geldigheidstermijn gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats

1. Wanneer een aanvraag voor een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats wordt toegewezen, vindt na vijf jaar een hernieuwde toetsing plaats op de beoordelingscriteria, zoals bedoeld in artikel 4 en 5.  

2. De resultaten van deze toetsing kunnen uitwijzen dat het besluit tot toewijzing van de gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats wordt ingetrokken.

Artikel 10 Intrekking gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats

1. Het college kan een toegewezen gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats intrekken:  

a. op verzoek van de aanvrager;  

b. bij verhuizing van de aanvrager;  

c. bij overlijden van de aanvrager;  

d. bij het vervallen van de gehandicaptenparkeerkaart van de aanvrager;  

e. bij het niet meer in bezit hebben van een motorvoertuig of gehandicaptenvoertuig door de aanvrager;  

f. bij oneigenlijk gebruik of bij gebruik dat in strijd is met de bepalingen van deze beleidsregel.  

2. Een besluit tot intrekking, zoals bedoeld in het voorgaande lid van dit artikel, wordt schriftelijk en met redenen omkleed aan de aanvrager kenbaar gemaakt. 

3. Wanneer een toegewezen gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats wordt ingetrokken, wordt het bord E6, zoals bedoeld in bijlage 1 van het RVV 1990, met het onderbord waarop het kenteken staat vermeld van het motorvoertuig of gehandicaptenvoertuig van de aanvrager, verwijderd.  

Artikel 11 Hardheidsclausule

In die gevallen waarin het consequent toepassen van het bepaalde in de voorgaande artikelen tot onaanvaardbare gevolgen voor de aanvrager leidt, kan ten gunste van de aanvrager worden afgeweken.

Artikel 12 Inwerkingtreding en citeertitel

1. Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 17 februari 2026.

2. Deze beleidsregel kan worden aangehaald als “Beleidsregel gehandicaptenparkeerplaatsen Valkenburg aan de Geul”.

Ondertekening

Aldus vastgesteld door burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenburg aan de Geul in de vergadering van 3 februari 2026.