Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR757113
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR757113/1
Algemeen controleplan Jeugdwet en Wmo 2015 RBL Gemeenten
Geldend van 17-02-2026 t/m heden
Intitulé
Algemeen controleplan Jeugdwet en Wmo 2015 RBL GemeentenInleiding
De Regionale Backoffice Lekstroom (‘RBL’) is een onderdeel van de gemeente Houten die in de aanpak van de rechtmatigheid van de uitvoering van de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) samenwerkt met de gemeenten IJsselstein, Lopik, Nieuwegein en Vijfheerenlanden. De RBL koopt voor de vijf gemeenten jeugdhulp in op grond van de Jeugdwet en maatschappelijke ondersteuning op grond van de Wmo 2015. Zij sluit daarvoor privaatrechtelijke overeenkomsten met (jeugdhulp)aanbieders. De RBL heeft door gemeenten aangewezen toezichthouders in dienst. De RBL heeft daarnaast contractmanagers in dienst. Toezichthouders en contractmanagers maken bij hun aanpak van rechtmatigheid gebruik van controles zoals die zijn beschreven in de Regeling Jeugdwet (formele, materiële en detailcontroles en het uitvoeren van fraudeonderzoek).1 Deze controles passen zij niet alleen toe bij de aanpak van rechtmatigheid van jeugdhulp op grond van de Jeugdwet, maar ook van maatschappelijke ondersteuning op grond van de Wmo 2015.
Dit algemeen controleplan verduidelijkt welke controles toezichthouders en contractmanagers toepassen, hoe zij dat doen en hoe zij handhaven.
Reikwijdte
Dit algemeen controleplan ziet op:
- -
alle overeenkomsten die de RBL voor een of meer van de vijf gemeenten sloot met jeugdhulpaanbieders voor het leveren van jeugdhulp;
- -
alle jeugdhulp die deze jeugdhulpaanbieders declareren op basis van die overeenkomsten;
- -
alle overeenkomsten die de RBL voor een of meer van de vijf gemeenten sloot met aanbieders voor het leveren van maatschappelijke ondersteuning;
- -
alle maatschappelijke ondersteuning die aanbieders declareren op basis van die overeenkomsten.
Aangezien de toezichthouders en contractmanagers die in dienst zijn bij RBL de controles in dit Algemeen controleplan in mandaat uitvoeren, staat het de colleges van individuele gemeenten vrij zelf ook deze controles uit te (laten) voeren. Daarvoor geldt dit controleplan niet, tenzij het college van de betreffende gemeente daartoe besluit.
Het toezicht op de kwaliteit van de jeugdhulp is belegd bij de Inspectie Gezondheidszorg & Jeugd (‘IGJ’).2 Het toezicht op de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning is belegd bij de gemeentelijke toezichthouders, de GGD.3 Dit algemene controleplan is niet van toepassing op kwaliteitstoezicht.
Doel van het handhaven
De RBL beoogt met het handhaven van de overeenkomsten dat nalevingsgedrag van (jeugdhulp)aanbieders op peil blijft of verbetert. Daarnaast beoogt zij risico’s voor jeugdigen en hun ouders of verzorgers, cliënten en gemeenten te verminderen en de kwaliteit van de jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning te verbeteren.
Contractmanagement en controles
De toezichthouders en contractmanagers van RBL maken gebruik van de volgende controleprocessen:
Formele controle
De contractmanager onderzoekt in het geval van jeugdhulp of het gedeclareerde bedrag:
- -
een prestatie betreft die is geleverd ten behoeve van een jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen een van de vijf gemeenten; en
- -
een prestatie betreft voor een in de Jeugdwet bedoelde dienst;
- -
een prestatie betreft tot levering waarvan degene die de declaratie indient richting de RBL bevoegd is; en
- -
overeenkomt met daartoe door de RBL gemaakte afspraken of subsidievoorwaarden dan wel in hoogte aansluit bij hetgeen in de Nederlandse marktomstandigheden in redelijkheid passend is te achten; of
- -
een verrekening betreft als bedoeld in artikel 8.2.1, derde lid, van de Jeugdwet betreft. 4
De contractmanager onderzoekt in het geval van maatschappelijke ondersteuning of het gedeclareerde bedrag:
- -
een prestatie betreft die is geleverd; en
- -
ten behoeve van een client uit een van de vijf gemeenten; en
- -
een prestatie betreft voor een in de Wmo 2015 bedoelde dienst; en
- -
een prestatie betreft tot levering waarvan degene die de declaratie indient richting de RBL bevoegd is; en
- -
overeenkomt met daartoe door de RBL gemaakte afspraken of subsidievoorwaarden dan wel in hoogte aansluit bij hetgeen in de Nederlandse marktomstandigheden in redelijkheid passend is te achten.
De contractmanager voert de formele controle zoveel mogelijk automatisch uit tijdens het declaratieproces. De contractmanager kan (jeugd)hulpaanbieders om aanvullende informatie vragen om haar onderzoek goed af te ronden.
Contractmanagement
De contractmanager onderzoekt of de jeugdhulpaanbieder en de jeugdhulp of de aanbieder en de maatschappelijke ondersteuning voldoen aan de voorwaarden uit de overeenkomst op het moment van het onderzoek en naar de toekomst toe. De contractmanager toetst aan:
- -
De uitsluitingsgronden in het aanmeldings- of inkoopdocument: de (jeugdhulp)aanbieder moet met de daar genoemde documenten aantonen dat deze gronden niet op hem van toepassing zijn; en/of
- -
De geschiktheidseisen in het aanmeldings- of inkoopdocument: (jeugdhulp)aanbieder moet met de daar genoemde documenten aantonen dat hij voldoet aan deze eisen; en/of
- -
Het programma van eisen in het aanmeldings- of inkoopdocument: (jeugdhulp)aanbieder moet aantonen dat zijn jeugdhulp of zijn maatschappelijke ondersteuning voldoet aan de gestelde eisen, indien nodig met daar genoemde documenten; en/of
- -
De productspecifieke eisen in bijvoorbeeld een productenboek als bijlage bij het aanmeldings- of inkoopdocument: (jeugdhulp)aanbieder moet aantonen dat zijn jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning voldoet aan de gestelde eisen, indien nodig met de daar genoemde documenten; en/of
- -
De overige contractuele voorwaarden: (jeugdhulp)aanbieder moet aantonen jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning te leveren volgens alle overige contractuele voorwaarden, tenzij hij dat heeft aangetoond met één van de voorgaande controleobjecten.
Materiële controle
De toezichthouder doet onderzoek waarbij zij nagaat of de gedeclareerde prestatie is geleverd en, indien de toezichthouder de materiële controle daar ook toe wenst uit te strekken, of die prestatie:
- -
aansluit bij een door of namens het college van een van de vijf gemeente afgegeven beschikking, inhoudende dat recht bestaat op preventie, jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning; en/of
- -
indien het college van een van de vijf gemeenten een (jeugdhulp)aanbieder heeft gemandateerd om namens hem preventie, jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning te verstrekken, binnen dat mandaat valt; en/of
- -
in het geval van jeugdhulp past binnen een verwijzing door een huisarts, medisch specialist of jeugdarts; en/of
- -
in het geval van jeugdhulp aansluit op een door de gecertificeerde instelling genomen beschikking als bedoeld in artikel 3.5 van de wet, inhoudende dat jeugdhulp aangewezen is; en/of
- -
in het geval van jeugdhulp aansluit op een rechterlijke uitspraak, inhoudende dat de jeugdige is aangewezen op een kinderbeschermingsmaatregel of op jeugdreclassering; of
- -
in het geval van jeugdhulp aansluit bij een verrekening als bedoeld in artikel 8.2.1, derde lid, van de Jeugdwet.
Een materiële controle ziet altijd op een afgesloten periode in het verleden (tot maximaal vijf jaar terug, gerekend vanaf het moment dat de materiële controle start).
Detailcontrole
De toezichthouder doet onderzoek naar bij een (jeugdhulp)aanbieder berustende persoonsgegevens met betrekking tot jeugdigen die hun woonplaats hebben in of een client in een van de vijf gemeenten is, ten behoeve van materiële controle of fraudeonderzoek.
Fraudeonderzoek
De toezichthouder doet onderzoek waarbij zij nagaat of degene die bij de RBL een bedrag voor preventie, jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning in rekening brengt, valsheid in geschrifte, bedrog, benadeling van rechthebbenden of verduistering pleegt of tracht te plegen ten nadele van een of meer van de vijf gemeenten, met het doel een betaling of ander voordeel te verkrijgen waarop hij geen recht heeft of kan hebben.
Welke (jeugdhulp)aanbieders onderzoekt de contractmanager in het kader van contractmanagement?
De contractmanager voert periodiek onderzoek uit in het kader van contractmanagement. Elk jaar bepaalt zij op basis van een analyse van het aantal jeugdigen in jeugdhulp, het aantal cliënten die maatschappelijke ondersteuning krijgen, een analyse van de financiële omzet welke jeugdhulpaanbieders 80% van de jeugdhulp leveren in de vijf gemeenten en een analyse van de financiële omzet welke aanbieders 80% van de maatschappelijke ondersteuning leveren in de vijf gemeenten. De analyses kunnen leiden tot een overlap. Deze grote (jeugdhulp)aanbieders onderzoekt de contractmanager zoals beschreven onder het kopje contractmanagement hiervoor.
Onder de (jeugdhulp)aanbieders die de contractmanager in de onderzoeksperiode niet als ‘grote (jeugdhulp)aanbieders’ aanmerkt voert de contractmanager een steekproefsgewijze controle uit. De contractmanager neemt daartoe een steekproef van 5% uit dit bestand aan (jeugdhulp)aanbieders. Deze (jeugdhulp)aanbieders onderzoek de contractmanager ook zoals beschreven onder het kopje contractmanagement hiervoor.
Naast het periodieke onderzoek in het kader van contractmanagement, voert de contractmanager ook signaalgestuurd onderzoek uit. De contractmanager kan op basis van zogenaamde bottom-up signalen die ook aanleiding zijn voor een materiële controle of fraudeonderzoek, onderzoek in het kader van contractmanagement starten. De omvang van het onderzoek is dan afhankelijk van de aard en ernst van het signaal.
De contractmanager verwerkt geen bijzondere persoonsgegevens in het contractmanagement. Zij verwerkt niet meer (algemene) persoonsgegevens dan nodig voor het afronden van haar onderzoek.
Welke (jeugdhulp)aanbieders onderzoekt de toezichthouder in het kader van materiële controle en fraudeonderzoek (Algemene risicoanalyse)?
De toezichthouder kan (jeugdhulp)aanbieders selecteren voor een materiële controle of fraudeonderzoek op basis van een algemene risicoanalyse. (Jeugdhulp)aanbieders vormen een risico voor de rechtmatigheid van declaraties als daarover relevante bottom-up signalen binnenkomen en/of als zij in beeld komen na een top-downanalyse.
Voorbeelden van bottom-up signalen zijn:
- -
signalen van jeugdigen en hun ouders of verzorgers;
- -
signalen vanuit de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa);
- -
signalen vanuit de IGJ;
- -
Signalen vanuit Zorgverzekeraars Nederland (ZN), dan wel een zorgverzekeraar;
- -
signalen van gemeenten, ook de regio Lekstroom;
- -
signalen van het Informatie Knooppunt Zorgfraude (IKZ);
- -
signalen vanuit het veld;
- -
signalen vanuit media;
- -
signalen van inwoners;
- -
analyses van gepubliceerde jaarstukken;
- -
gerealiseerde winstpercentages;
- -
uitkomsten van eigen onderzoeken, waaronder contractmanagement, wettelijk verplichte klantervaringsonderzoeken en andere uitgevoerde controles;
- -
signalen vanuit de organisatie: o.a. contractmanagers en verwijzers (toegangsteams);
- -
uitkomsten van praktijkvariatie analyses, datamining en andere spiegelinformatie.
Met top-down analyses via data-analyse, benchmarking en spiegelinformatie brengt de toezichthouder opvallend declaratiegedrag bij (jeugdhulp)aanbieders in kaart. Dat kan zij doen zowel op risiconiveau als op het niveau van de (jeugdhulp)aanbieders. De toezichthouder kan bijvoorbeeld in beeld brengen welke jeugdhulpaanbieders jeugdigen veel langer in hulp te hebben dan vergelijkbare jeugdhulpaanbieders. Dat kan aanleiding zijn voor een materiële controle.
De algemene risicoanalyse is een analyse die er uiteindelijk op is gericht te bepalen op welke gegevens een materiële controle of een fraudeonderzoek zich zal richten. De toezichthouder verwerkt geen bijzondere persoonsgegevens in de algemene risicoanalyse.
Het uitvoeren van de materiële controle
Informatie aan (jeugdhulp)aanbieder
Als de toezichthouder een (jeugdhulp)aanbieder selecteert voor een materiële controle, dan informeert zij die (jeugdhulp)aanbieder voorafgaand aan de controle over:
- -
de aanleiding (uitkomsten van de risicoanalyse)
- -
het doel
- -
de onderzoeksobjecten en
- -
de onderzoeksinstrumenten.
Ook laat de toezichthouder weten dat zij namens de colleges van de vijf gemeenten de materiële controle uitvoert en daartoe is aangewezen. De jeugdhulpaanbieder is op grond van artikel 6b.1 lid 3 van de Regeling Jeugdwet en artikel 5.20 lid 1 Algemene wet bestuursrecht verplicht om aan de materiële controle mee te werken. De aanbieder is op grond van artikel 5.20 lid 1 Algemene wet bestuursrecht verplicht om aan de materiële controle mee te werken.
Algemene controle-instrumenten
De toezichthouder zet eerst één of meer algemene controlemiddelen in. Daarmee voldoet zij aan het subsidiariteitsbeginsel dat bepaalt dat de zij eerst het minst ingrijpende controlemiddel inzet om het controledoel te behalen. De algemene controlemiddelen zijn:
- 1.
Logica/verbandscontrole
- •
De toezichthouder analyseert (persoons)gegevens met logische verbandscontroles die direct uit administratie van een of meer van de vijf gemeenten voortkomen. Op basis van deze controle vraagt de toezichthouder, indien nodig, aanvullende nietpersoonsgebonden gegevens op bij (jeugdhulp)aanbieders.
- •
-
Logica- en verbandscontroles leggen verbanden tussen gegevensbronnen die conceptueel aan elkaar zijn gerelateerd, zoals tussen vervoer en bepaalde vormen van dagbesteding. Een verbandscontrole die een nader onderzoek rechtvaardigt ziet bijvoorbeeld op declaraties voor ambulante jeugdhulp thuis terwijl de jeugdige gelijktijdig gesloten jeugdhulp ontvangt.
De toezichthouder voert deze controles in eerste instantie uit op een zo hoog mogelijk abstractieniveau. Als daartoe noodzaak bestaat gezien het controledoel, verfijnt zij de controle stapsgewijs. Denk aan het uitzetten van enquêtes, in het geval van jeugdhulp, onder jeugdigen en hun ouders en, in het geval van maatschappelijke ondersteuning onder cliënten. Aan het uitzetten van enquêtes zijn voorwaarden verbonden. Zo vermeldt de toezichthouder op het enquêteformulier of mondeling dat de jeugdige, zijn ouder of de client niet verplicht is tot het beantwoorden van de vragen. Vanzelfsprekend behandelt de toezichthouder de antwoorden vertrouwelijk en hebben de voorgelegde vragen geen betrekking op de individuele hulp- of ondersteuningsvraag.
Signaleringen uit deze onderzoeksfase bepalen of inzet van zwaardere controle-instrumenten noodzakelijk is (detailcontrole of fraudeonderzoek). Die inzet vindt uitsluitend plaats wanneer de vooraf geformuleerde controledoelen met de algemene controles niet haalbaar blijken.
- 2.
Procescontrole
De toezichthouder kan andere gegevens dan persoonsgegevens opvragen bij de (jeugdhulp)aanbieder. Zo kan de toezichthouder de AO/ IC beoordelen door het stellen van een aantal algemene en/of procesvragen. Een voorbeeld van een algemene vraag is: ‘Op welke manier zorgt u ervoor dat de gedeclareerde jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning ook feitelijk is geleverd?’.
Verder kan de toezichthouder de accountantsverklaring opvragen bij de (jeugdhulp)aanbieder. De interne accountant van de (jeugdhulp)aanbieder kan de AO/IC controleren en hiervoor een accountantsverklaring afgeven. De accountant controleert bijvoorbeeld of van iedere jeugdige of client waarvoor is gedeclareerd ook een dossier aanwezig is.
De vorm van de procescontrole is schriftelijk/per e-mail en/of face to face (digitaal en/of in combinatie met fysieke bijeenkomsten) en de toezichthouder kan de aangeleverde informatie (steekproefsgewijs) toetsen op volledigheid en juistheid.
Aan de procescontrole kan de toezichthouder een procesgesprek koppelen. De (jeugdhulp)aanbieder mag dan een toelichting te geven op de bevindingen uit de algemene risicoanalyse. De toezichthouder kan dan ook verzoeken om informatie waaruit blijkt dat de verklaring van de (jeugdhulp)aanbieder aannemelijk is.
Het uitvoeren van de detailcontrole
Specifieke risicoanalyse, specifieke controledoel en specifiek controleplan
De toezichthouder zet de hierboven genoemde algemene controle-instrumenten in bij een algemene controle. Voor de overgang naar detailcontrole geldt dat detailcontrole slechts plaatsvindt als de algemene instrumenten niet voldoende informatie opleveren om het vastgestelde controledoel te realiseren, of het controledoel wel is bereikt maar er andere signalen zijn waardoor er toch sprake is van onvoldoende zekerheid. In dat geval voert de toezichthouder een specifieke risicoanalyse uit. Aan de hand van de resultaten van de specifieke risicoanalyse stelt de toezichthouder het specifieke controledoel vast met een daaraan gekoppeld specifiek controleplan. De hierin aangekondigde detailcontrole is specifiek omdat de toezichthouder daarin verzoekt om gegevens waarover de toezichthouder niet zelf beschikt.
Informatie aan (jeugdhulp)aanbieder
De toezichthouder kondigt het inzetten van de detailcontrole aan. In deze aankondiging maakt zij onder andere de aanleiding en het doel van de controle kenbaar en motiveert op welke wijze invulling is gegeven aan de specifieke risicoanalyse en het specifieke controledoel (het specifieke controleplan).
Bij de inzet van een detailcontrole bestaan een aantal instrumenten, waarbij sprake is van minder - wat de persoonlijke levenssfeer van jeugdigen en cliënten betreft – ingrijpende instrumenten en meer ingrijpende. De toezichthouder start altijd met de minst ingrijpende instrumenten. Als door het inzetten van het minst ingrijpende instrument het op voorhand gestelde controledoel is gerealiseerd, dan mag zij een zwaarder instrument niet inzetten.
Detailcontrole zonder inzage in het dossier
Bij de detailcontrole zonder inzage in het dossier maakt de toezichthouder gebruik van persoonsgegevens waarover zij niet zelf beschikt. Tot deze controle rekent de toezichthouder de volgende activiteiten:
- -
Het opvragen van informatie bij de (jeugdhulp)aanbieder, bijvoorbeeld een verklaring voor afwijkende kengetallen.
- -
Het controleren van de afspraken van de jeugdige of client in het (elektronische) systeem van de (jeugdhulp)aanbieder.
Detailcontrole met inzage in het dossier
De detailcontrole met inzage in het dossier mag de toezichthouder enkel inzetten als de detailcontrole zonder inzage van het dossier niet voldoende informatie oplevert om het controledoel te bereiken. Bij het uitvoeren van een detailcontrole met inzage in het medisch dossier dient een (jeugdhulp)aanbieder aan de toezichthouder volgens het specifieke controleplan inzage te verstrekken in het inhoudelijk dossier. Dat kan zowel aan de orde zijn in individuele gevallen, als steekproefsgewijs. De toezichthouder is verantwoordelijk voor de zorgvuldige uitvoering van de detailcontrole. In het geval van jeugdhulp volgt zij daarbij de Regeling Jeugdwet en daarin opgenomen waarborgen en in het geval van maatschappelijke ondersteuning de Wmo 2015.
Een voorbeeld van een controledoel waarbij detailcontrole met inzage in het dossier noodzakelijk is, is het vaststellen of de gedeclareerde jeugdhulp passend was gegeven de verwijzing/beschikking. Op basis van data-analyse en algemene vragen kan de toezichthouder dit specifieke controledoel niet bereiken. Een verwijzing of beschikking geeft inzicht, maar nog niet voldoende zekerheid dat de geïndiceerde jeugdhulp ook daadwerkelijk volgens die verwijzing of beschikking is geleverd. Om dit te beoordelen beoordeelt de toezichthouder de dagrapportage van een steekproef van jeugdigen. De jeugdhulpaanbieder krijgt de gelegenheid om eventuele ontbrekende informatie aan te leveren. Op basis van de ontvangen informatie en uitgevoerde detailcontrole kan de toezichthouder het controledoel bereiken en de controle sluiten.
Het uitvoeren van fraudeonderzoek
Een materiële controle kan leiden tot een fraudeonderzoek, maar fraudeonderzoek kan ook een op zichzelf staande aanleiding hebben (de al genoemde bottom-up signalen bijvoorbeeld). In het geval van fraudeonderzoek, volgt de toezichthouder zowel in het geval van jeugdhulp als van maatschappelijke ondersteuning, artikel 6b.7 Regeling Jeugdwet.
Uitkomsten, rapportage en evaluatie
De contractmanager of de toezichthouder informeert de (jeugdhulp)aanbieder over de uitkomsten van een controle. In het kader van de hoor en wederhoor krijgt de (jeugdhulp)aanbieder altijd de gelegenheid om op de uitkomst te reageren. Op basis van deze reactie stelt de contractmanager of de toezichthouder de definitieve uitkomst van de controle vast en informeert hierover de (jeugdhulp)aanbieder.
Als de contractmanager of de toezichthouder in een controleproces tekortkomingen (in de nakoming) constateert, bepalen de vijf gemeenten een op te leggen maatregel. Dit doen zij op basis van paragraaf 4.2 van de Beleidsregel preventie, toezicht en handhaving rechtmatigheid Wmo2-15 en Jeugdwet 2025 - regio Lekstroom.
Afwegingskader
De toezichthouder weegt af op twee dimensies, te weten:
- A.
De ernst van de gevolgen in 4 gradaties (vrijwel nihil, beperkt, van belang, aanzienlijk). De toezichthouder weegt dit op basis van:
- •
Impact op de (niet) geleverde zorg aan de inwoners. Dit betreft een afweging op kwantiteit (minder uren geleverd dan geïndiceerd) en kwaliteit van de geleverde zorg (bv. door niet gekwalificeerde medewerkers voor dat type zorg). Als de veiligheid van een inwoner (cliënt) en/of personeel in het geding is door de aangetroffen onrechtmatigheid, is de impact minimaal ‘van belang’.
- •
De omvang van de groep mensen waarop het risico van toepassing is of kan zijn. De toezichthouder weegt dit aan de hand van het aantal inwoners die de betreffende hulp (productcategorie) ontvangen en de mogelijke effecten van de onrechtmatigheid op inwoners bij dezelfde aanbieder vanuit Lekstroom die andere hulp ontvangen. In geval van een PGB is de omvang altijd ‘vrijwel nihil’, tenzij sprake is van een specifiek bureau dat van meerdere inwoners het PGB beheert.
- •
- B.
Het gedrag van de overtreder, naar type onrechtmatigheid (zie ook paragraaf 2.2; onbedoelde fouten, oneigenlijk gebruik, ondoelmatig en ongepast gebruik, (opzettelijke) fraude). In de afweging spelen mee:
- •
Kwaliteitsborging van de hulpverlening binnen de organisatie (slecht, matig, goed). Dit kan blijken uit kwaliteitstoezicht, klachten van inwoners, cliënttevredenheid.
- •
De houding van de zorgaanbieder (daarbij kan gewogen worden op niet-weten, niet-kunnen, niet-willen, opzet). Daarin speelt bijvoorbeeld mee de bereidheid tot herstel en teruggave. Dit speelt geen rol als duidelijk sprake is van fraude (opzet).
- •
Bij het vaststellen van de maatregel maken de vijf gemeenten gebruik van onderstaande matrix als richtlijn. Zij kunnen daar gemotiveerd van afwijken.
Terugvorderen staat niet bij de maatregelen benoemd. Wanneer onterechte facturen gedeclareerd zijn, wordt altijd teruggevorderd.
Indien sprake is van herhaalde overtredingen (recidive) bij de desbetreffende aanbieder verschuift de zwaarte van de afweging diagonaal een vakje omhoog (bv. van B2 naar C3).
Als maatregelen in een lichtere categorie niet leiden tot het gewenste resultaat, kunnen de gemeenten opschalen naar een maatregel uit een zwaardere categorie. De vijf gemeenten passen de maatregelen binnen de daaraan gestelde juridische kader in de overeenkomsten en wet- en regelgeving. Als bijvoorbeeld een ingebrekestelling nodig is om een maatregel te treffen, dan brengen de vijf gemeenten die eerst uit. Is dat niet nodig, dan doen zij dat niet.
Ondertekening
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl