Beleidsregel Wet Bibob Waterland 2025

Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 01-03-2026

Intitulé

Beleidsregel Wet Bibob Waterland 2025

Het COLLEGE van BURGEMEESTER en WETHOUDERS van de gemeente WATERLAND en de BURGEMEESTER van de gemeente WATERLAND, ieder voor zover het zijn bevoegdheid betreft;

overwegende dat de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) hen beleidsruimte verschaft bij de besluitvorming omtrent het toepassen van hun uit deze wet voortvloeiende bevoegdheden;

gelet op:

  • de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;

  • het Besluit bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;

  • artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

B E S L U I T E N:

vast te stellen de navolgende Beleidslijn voor de toepassing van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur 2025

Paragraaf 1: Algemeen

Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen

  • 1. De definities in artikel 1, eerste lid van de Wet Bibob zijn van overeenkomstige toepassing op deze beleidslijn, tenzij daarover in het tweede lid anders is bepaald.

  • 2. In deze beleidslijn wordt verstaan onder:

    • a.

      bestuursorgaan: de burgemeester van Waterland onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders van Waterland, alsmede degenen aan wie zij een mandaat hebben verleend tot besluitvorming.

    • b.

      gemeente: de gemeente Waterland.

    • c.

      wet: de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob).

    • d.

      Bibob -vragenformulier: formulier vastgesteld op grond van artikel 7a, vijfde lid van de Wet Bibob.

    • e.

      Bureau: het Landelijk Bureau Bibob als bedoeld in artikel 8 van de Wet Bibob.

    • f.

      APV: de Algemene Plaatselijke Verordening Waterland.

    • g.

      OM: het Openbaar Ministerie.

    • h.

      RIEC: het Regionaal Informatie en Expertise Centrum.

Artikel 1.2 Altijd een Bibob-onderzoek

Uitvoering van het eigen onderzoek vindt plaats op alle terreinen die onder het bereik van de Wet Bibob vallen, indien vragen ontstaan of bestaan over de (integriteit van de) betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet Bibob en/of de organisatiestructuur en/of zeggenschapsverhouding en/of wijze van financiering en/of onderaannemers in geval van een overheidsopdracht, op grond van bijvoorbeeld:

  • a.

    eigen ambtelijke informatie;

  • b.

    informatie uit open bronnen;

  • c.

    informatie verkregen van het Bureau;

  • d.

    informatie afkomstig van een van de partners van het RIEC;

  • e.

    informatie verkregen van andere rechtspersonen met een overheidstaak of andere bestuursorganen; en/of

  • f.

    vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob (OM-tip).

Artikel 1.3 Geen Bibob-onderzoek

Tenzij zich een situatie voordoet als omschreven in artikel 1.2 van deze beleidslijn, blijft uitvoering van het eigen onderzoek achterwege, indien de betrokkene:

  • a.

    een (semi)overheidsinstantie is;

  • b.

    een paracommerciële rechtspersoon als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet exploiteert;

  • c.

    een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet is.

Paragraaf 2: Beschikkingen

Artikel 2.1 Toepassingsbereik bij vergunningaanvragen

  • 1. Uitvoering van het eigen onderzoek vindt in beginsel plaats bij elke aanvraag om een vergunning als bedoeld in:

    • a.

      artikel 3, eerste lid van de Alcoholwet (Alcoholwetvergunning) met uitzondering van de vergunning voor het slijtersbedrijf;

    • b.

      artikel 30b, eerste lid van de Wet op de kansspelen (aanwezigheidsvergunning);

    • c.

      artikel 2:9, eerste lid van de APV, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een vechtsportwedstrijd of -gala (evenementenvergunning voor een vechtsportwedstrijd of -gala);

    • d.

      artikel 2:13, eerste lid van de APV (exploitatievergunning openbare inrichting);

    • e.

      artikel 2:26, eerste lid van de APV (vergunning speelgelegenheid);

    • f.

      artikel 2:51, eerste lid van de APV (vergunning vuurwerkverkooppunt);

    • g.

      artikel 3:4, eerste lid van de APV (vergunning seksbedrijf).

  • 2. Bij aanvragen om een vergunning als bedoeld in artikel 2.1.2 van de Regionale Huisvestingsverordening Waterland 2020 (op grond van artikel 7, eerste lid van de Huisvestingswet 2014), vindt uitvoering van het eigen onderzoek alleen plaats in situaties als bedoeld in artikel 1.2 van deze beleidslijn.

  • 3. Bij aanvragen om overige vergunningen of ontheffingen als bedoeld in artikel 7 van de Wet Bibob, voor zover deze niet zijn genoemd in deze beleidslijn, vindt uitvoering van het eigen onderzoek alleen plaats in situaties als bedoeld in artikel 1.2 van deze beleidslijn.

  • 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.2 van deze beleidslijn, vindt uitvoering van het eigen onderzoek bij een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a. van de Omgevingswet (omgevingsplanactiviteit) en artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a. van de Omgevingswet (bouwactiviteit) plaats, indien:

    • a.

      de bouwkosten tenminste €500.000,- bedragen.

    • b.

      de bouwactiviteit of omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op, dan wel wordt uitgevoerd door of ten behoeve van een onderneming die actief is in een van de volgende branches of sectoren, dan wel branches of sectoren die daaraan verwant zijn:

      • i.

        horecabedrijven (uitgezonderd ondersteunende horeca);

      • ii.

        seksbedrijven;

      • iii.

        coffeeshops;

      • iv.

        speelautomatenhallen;

      • v.

        smart-, head- en growshops;

      • vi.

        sportscholen en fitnesscentra;

      • vii.

        wellnessbranche (massage- en beautysalons, nagel- en zonnebankstudio’s, sauna’s);

      • viii.

        autobranche (autohandel, garages, lease- en verhuurbedrijven en autodemontage);

      • ix.

        opkopers en handelaren in gebruikte of ongeregelde goederen;

      • x.

        belwinkels;

      • xi.

        woonwagenterreinen;

      • xii.

        terreinen voor kermisexploitanten;

      • xiii.

        kapsalons;

      • xiv.

        zorgaanbieders;

      • xv.

        geldwisselkantoren;

      • xvi.

        wijzigen gebruik van vastgoedobjecten;

      • xvii.

        huisvesting van arbeidsmigranten; en

      • xviii.

        een andere risicocategorie die door het bestuursorgaan als zodanig is aangewezen en bekend gemaakt.

    • Bij bouwactiviteiten, en bij omgevingsplanactiviteiten voor zover daar bouwkosten mee gemoeid zijn, vindt onderzoek bij de hierboven genoemde risicocategorieën slechts plaats indien de bouwkosten tenminste €10.000 bedragen.

    • c.

      de bouwactiviteit of omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een risicogebied dat door het bestuursorgaan als zodanig is aangewezen en bekend gemaakt. Bij bouwactiviteiten, en bij omgevingsplanactiviteiten voor zover daar bouwkosten mee gemoeid zijn, vindt onderzoek bij risicogebieden slechts plaats indien de bouwkosten tenminste €10.000 bedragen.

  • 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.2 van deze beleidslijn, vindt uitvoering van het eigen onderzoek bij een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder b. van de Omgevingswet (milieubelastende activiteit) plaats, indien:

    • a.

      de betrokkene actief is in een van de volgende branches of sectoren, dan wel branches of sectoren die daaraan verwant zijn:

      • i.

        vuurwerkhandel;

      • ii.

        afvalbedrijven;

      • iii.

        autodemontage;

      • iv.

        im- en export van voertuigen;

      • v.

        verwerken, bewerken en/of vernietigen van autowrakken en/of schroot;

      • vi.

        transportsector;

      • vii.

        herstelinrichtingen voor motorvoertuigen;

      • viii.

        op- en overslagbedrijven;

      • ix.

        inrichtingen voor gebruik en/of opslag voor wapens en munitie; en

      • x.

        een andere risicocategorie die door het bestuursorgaan als zodanig is aangewezen en bekend gemaakt.

    • b.

      de aanvraag betrekking heeft op een risicogebied dat door het bestuursorgaan als zodanig is aangewezen en bekend gemaakt.

Artikel 2.2 Toepassingsbereik bij subsidieaanvragen

Uitvoering van het eigen onderzoek met betrekking tot een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 4:21, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht vindt alleen plaats in situaties zoals bedoeld in artikel 1.2 van deze beleidslijn.

Artikel 2.3 Toepassingsbereik bij reeds verleende beschikkingen

Uitvoering van het eigen onderzoek met betrekking tot verleende beschikkingen vindt alleen plaats in situaties zoals bedoeld in artikel 1.2 van deze beleidslijn.

Paragraaf 3: Privaatrechtelijke transacties

Paragraaf 3a: Vastgoedtransacties

Artikel 3.1 Toepassingsbereik voorafgaand aan vastgoedtransacties

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.2 van deze beleidslijn, vindt uitvoering van het eigen onderzoek plaats voordat een beslissing wordt genomen over het aangaan van een vastgoedtransactie, indien de onroerende zaak waarop de vastgoedtransactie betrekking heeft:

  • a.

    een waarde heeft van ten minste €1.000.000,-;

  • b.

    naar het oordeel van de gemeente beeldbepalend is, dan wel symbolische waarde heeft;

  • c.

    zal worden gebruikt in een of meer van de in artikel 2.1, vierde lid onder b. of 2.1, vijfde lid onder a. van deze beleidslijn genoemde risicocategorieën of een andere risicocategorie die of risicogebied dat door de gemeente als zodanig is aangewezen en bekend gemaakt.

Artikel 3.2 Geen overeenkomst vastgoed

Indien is besloten tot het starten van een Bibob-onderzoek, komt in ieder geval geen overeenkomst tot stand totdat het Bibob-onderzoek volledig is afgerond en het onderzoek naar het oordeel van de gemeente geen aanleiding geeft tot het afbreken van de onderhandelingen, tenzij partijen dat nadrukkelijk anders overeenkomen.

Artikel 3.3 Toepassingsbereik na totstandkoming vastgoedtransacties

De gemeente zal, nadat de vastgoedtransactie tot stand is gekomen, uitvoering geven aan het eigen onderzoek, indien in de overeenkomst een clausule als bedoeld in artikel 5a, onder b. van de Wet Bibob is opgenomen en:

  • a.

    partijen, in afwijking van artikel 3.2 van deze beleidslijn, overeengekomen zijn dat het Bibob-onderzoek plaats zal vinden na het sluiten van de overeenkomst; of

  • b.

    zich een situatie voordoet als omschreven in artikel 1.2 van deze beleidslijn.

Paragraaf 3b: Overheidsopdrachten

Artikel 3.4 Toepassingsbereik overheidsopdrachten (voorafgaand aan overeenkomst)

  • 1. Voorafgaand aan de gunning van een overheidsopdracht of het sluiten van een overeenkomst inzake een overheidsopdracht vindt uitvoering van het eigen onderzoek alleen plaats in situaties als bedoeld in artikel 1.2 van deze beleidslijn.

  • 2. Indien de gemeente in het bestek als voorwaarde heeft gesteld dat onderaannemers niet zonder toestemming van de gemeente worden gecontracteerd en zich in dat kader het recht heeft voorbehouden advies te vragen aan het Bureau, vindt uitvoering van het eigen onderzoek naar een onderaannemer alleen plaats in situaties als bedoeld in artikel 1.2 van deze beleidslijn.

Artikel 3.5 Toepassingsbereik overheidsopdrachten (na totstandkoming overeenkomst)

De gemeente zal, nadat een overeenkomst inzake een overheidsopdracht is gesloten, uitvoering geven aan het eigen onderzoek, indien in de overeenkomst een ontbindende Bibob-clausule als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b. van de Wet Bibob is opgenomen en zich een situatie voordoet zoals omschreven in artikel 1.2 van deze beleidslijn.

Paragraaf 4: Uitvoering eigen onderzoek

Artikel 4.1 Eigen onderzoek

  • 1. In het kader van het eigen onderzoek zal de betrokkene het Bibob-vragenformulier dienen in te vullen en de daarin verzochte gegevens en bescheiden dienen te verstrekken.

  • 2. Bij de uitvoering van het eigen onderzoek kan de gemeente of het bestuursorgaan zich laten ondersteunen door het RIEC.

  • 3. Het eigen onderzoek behelst in ieder geval de controle en analyse van:

    • a.

      de door de betrokkene verstrekte informatie op en bij het Bibob-vragenformulier;

    • b.

      open bronnen, zoals het internet, het Handelsregister en het Kadaster;

    • c.

      gemeentelijke systemen, zoals de Basisregistratie Personen;

    • d.

      politie-, justitiële, strafvorderlijke en fiscale gegevens over de betrokkene en zijn Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid onder c. van de Wet Bibob, voor zover de gemeente of het bestuursorgaan daartoe bevoegd is; en

    • e.

      overige informatie verkregen van een van de partners van het RIEC, het Bureau dan wel andere rechtspersonen met een overheidstaak of bestuursorganen.

  • 4. De gemeente of het bestuursorgaan kan naar aanleiding van de door de betrokkene verstrekte informatie nadere vragen stellen en stukken opvragen, indien de gemeente dan wel het bestuursorgaan van mening is dat de reeds verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn om het Bibob-onderzoek volledig te kunnen verrichten.

Artikel 4.2 Adviesaanvraag Bureau

In aanvulling op het eigen onderzoek kan de gemeente of het bestuursorgaan het Bureau verzoeken onderzoek te verrichten en advies uit te brengen, indien bijvoorbeeld:

  • a.

    de officier van justitie, een rechtspersoon met een overheidstaak, een bestuursorgaan en/of het Bureau de gemeente of het bestuursorgaan op grond van respectievelijk de artikelen 26 en 11 van de Wet Bibob hebben bericht;

  • b.

    de gemeente of het bestuursorgaan een zogeheten ‘11a-bericht’ heeft ontvangen van het Bureau en dit bericht aanleiding geeft tot het aanvragen van een advies;

  • c.

    naar het oordeel van de gemeente of het bestuursorgaan de expertise of informatiepositie van het Bureau noodzakelijk is;

  • d.

    na het uitvoeren van het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over:

    • i.

      omstandigheden in de persoon van de betrokkene en/of zijn potentiële, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet Bibob;

    • ii.

      de organisatiestructuur of zeggenschapsverhouding van de betrokkene; en/of

    • iii.

      de wijze van financiering.

Paragraaf 5: Gevolgen van het Bibob-onderzoek

Artikel 5.1 Gevolgen van ontoereikende informatievoorziening door betrokkene bij beschikkingen

  • 1. Het bestuursorgaan laat een aanvraag voor een beschikking in beginsel buiten behandeling, in geval van het niet of niet volledig invullen van het Bibob-vragenformulier, dan wel het niet of niet volledig verstrekken van de op basis van het Bibob-vragenformulier verzochte gegevens en bescheiden, mits de betrokkene de gelegenheid heeft gehad tot herstel van dit gebrek.

  • 2. Het bestuursorgaan trekt een verleende beschikking in beginsel in, in geval van het niet of niet volledig invullen van het Bibob-vragenformulier, dan wel het niet of niet volledig verstrekken van de op basis van het Bibob-vragenformulier verzochte gegevens en bescheiden, mits de betrokkene de gelegenheid heeft gehad tot herstel van dit gebrek.

  • 3. Het bestuursorgaan weigert een aanvraag in beginsel, dan wel trekt een verleende beschikking in beginsel in, in geval van het niet of niet volledig beantwoorden van de door het Bureau op grond van artikel 12 van de Wet Bibob gestelde vragen, dan wel het niet of niet volledig verstrekken van de door het Bureau op basis van datzelfde artikel verzochte gegevens.

Artikel 5.2 Gevolgen van een Bibob-onderzoek bij beschikkingen

  • 1. Het bestuursorgaan zal in beginsel overgaan tot het weigeren van een aanvraag voor een beschikking of tot intrekking van een reeds verleende beschikking, indien uit het eigen onderzoek of uit het advies van het Bureau blijkt dat sprake is van een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet Bibob, dan wel indien zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 3, zesde lid van de Wet Bibob, tenzij is gebleken dat met een minder vergaand middel kan worden volstaan. In het geval het een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b. van de Wet Bibob betreft, gaat het bestuursorgaan slechts over tot weigering of intrekking voor zover de ernst van de feiten dit rechtvaardigt. Weigering en intrekking op grond van artikel 3, zesde lid van de Wet Bibob vindt slechts plaats voor zover dit tenminste evenredig is met, ingeval van vermoedens, de ernst daarvan en met de ernst van het strafbare feit.

  • 2. Het bestuursorgaan zal bij een mindere mate van gevaar als bedoeld in artikel 3, zevende lid van de Wet Bibob in beginsel voorschriften aan de beschikking verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van een dergelijk gevaar.

Artikel 5.3 Gevolgen van een Bibob-onderzoek bij vastgoedtransacties

  • 1. De gemeente zal in beginsel overgaan tot het afbreken van de onderhandelingen, indien uit het eigen onderzoek en/of een eventueel daarop afgegeven advies van het Bureau blijkt dat ten minste een van de onderstaande situaties zich voordoet:

    • a.

      er is sprake van ten minste een mindere mate van gevaar dat de vastgoedtransactie mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten;

    • b.

      er is sprake van ten minste een mindere mate van gevaar dat in of met de onroerende zaak waar de vastgoedtransactie betrekking op heeft mede strafbare feiten zullen worden gepleegd;

    • c.

      er is sprake van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot ernstige strafbare feiten die naar het oordeel van de gemeente van dusdanige ernst zijn dat zij het afbreken van de onderhandelingen rechtvaardigen (ongeacht de mate van gevaar);

    • d.

      er is sprake van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van de vastgoedtransactie een strafbaar feit is gepleegd;

    • e.

      de betrokkene heeft nagelaten de op grond van artikel 7a van de Wet Bibob gevraagde gegevens en bescheiden te verschaffen en/of heeft nagelaten de vragen die hem door de gemeente zijn gesteld op basis van dat artikel binnen de door de gemeente gestelde termijn volledig te beantwoorden;

    • f.

      de betrokkene heeft nagelaten de op grond van artikel 12 van de Wet Bibob gevraagde gegevens en bescheiden te verschaffen en/of heeft nagelaten de vragen die hem door het Bureau zijn gesteld op basis van dat artikel binnen de door het Bureau gestelde termijn volledig te beantwoorden.

  • 2. In de gevolgen van een Bibob-onderzoek dat is gestart na de totstandkoming van een vastgoedtransactie, wordt bij overeenkomst voorzien.

Artikel 5.4 Gevolgen van een Bibob-onderzoek bij overheidsopdrachten

  • 1. In geval van een inschrijving op een overheidsopdracht als bedoeld in artikel 1.1 van de Aanbestedingswet 2012, kan de informatie uit het Bibob-onderzoek dienen als onderbouwing van een of meerdere uitsluitingsgronden als genoemd in de Aanbestedingswet 2012, dan wel als onderbouwing van de conclusie dat de betrokkene niet voldoet aan de gestelde geschiktheidseisen.

  • 2. In de gevolgen van een Bibob-onderzoek naar een inschrijving op een overheidsopdracht als bedoeld in artikel 1, vierde lid, aanhef en onder b. van de Wet Bibob, wordt in de inkoopdocumenten voorzien.

  • 3. In de gevolgen van een Bibob-onderzoek dat is gestart nadat een overeenkomst inzake een overheidsopdracht is gesloten, wordt bij overeenkomst voorzien.

Artikel 5.5 Gevolgen van het (vermoedelijk) plegen van een strafbaar feit

In geval de gemeente of het bestuursorgaan vermoedt dat op enig moment een strafbaar feit is gepleegd ter verkrijging en/of behoud van een beschikking, vastgoedtransactie of overheidsopdracht, kan zij los van eventuele bestuursrechtelijke of civielrechtelijke consequenties, tevens strafrechtelijk aangifte doen.

Paragraaf 6: Slotbepalingen

Artikel 6.1 Intrekking oude beleidslijn

De Bibob beleidsregels Gemeente Waterland 2017, vastgesteld op 14 november 2017, worden ingetrokken.

Artikel 6.2 Citeertitel

Deze beleidslijn kan worden aangehaald als de Beleidsregel Wet Bibob Waterland 2025.

Artikel 6.3 Datum inwerkingtreding

Deze beleidslijn treedt in werking op 1 maart 2026.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van 16 december 2025.

Het college van burgemeester en wethouders

Burgemeester M.C. van der Weele

de burgemeester

secretaris E.G.H. Dijk

de secretaris

Monnickendam, 4 - 02 - 2026