Subsidieregeling Jeugdbescherming en jeugdreclassering regio Zuid-Limburg 2027

Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 01-01-2027

Intitulé

Subsidieregeling Jeugdbescherming en jeugdreclassering regio Zuid-Limburg 2027

Besluit van burgemeester en wethouders van gemeente Maastricht tot vaststelling van de Subsidieregeling Jeugdbescherming en jeugdreclassering regio Zuid-Limburg 2027.

Het college van burgemeester en wethouders van Gemeente Maastricht; overwegende dat het gemeentebestuur Maastricht inzet op het uitvoeren van activiteiten door Gecertificeerde Instellingen voor het uitvoeren van activiteiten ten behoeve van jeugdigen op grond van de Jeugdwet door het verstrekken van subsidies voor activiteiten die daaraan bijdragen; gelet op artikel 3 lid 5 onder a van de Centrumregeling verwerving Jeugdhulp Regio Zuid-Limburg 2019; gelet op de Algemene subsidieverordening 2020 Maastricht; besluit vast te stellen de Subsidieregeling Jeugdbescherming en jeugdreclassering regio Zuid-Limburg 2027.

Artikel 1. Definities

  • 1. In deze regeling hebben de volgende in de Jeugdwet omschreven begrippen dezelfde betekenis als daaraan in artikel 1.1 van die wet wordt gegeven:

    • gecertificeerde instelling (GI);

    • gemeente;

    • jeugdhulp;

    • jeugdhulpverlener;

    • jeugdhulpaanbieder;

    • jeugdige;

    • jeugdreclassering;

    • kinderbeschermingsmaatregel.

  • 2. In deze regeling wordt verder verstaan onder:

    • Actieplan: plan waarin de gecertificeerde instelling uiteenzet op welke wijze zij zich wapent tegen omstandigheden, waaronder capaciteitsproblematiek, die de organisatie kwetsbaar maken voor discontinuïteit in de dienstverlening, en hoe de continuïteit van de dienstverlening wordt geborgd en de wendbaarheid van de organisatie wordt versterkt.

    • ASV: Algemene subsidieverordening gemeente Maastricht.

    • Beschikbaarheidsfunctie: het beschikbaar hebben van voldoende capaciteit (mensen en middelen) bij een gecertificeerde instelling om aan de wettelijke termijnen te voldoen bij nieuwe aanmeldingen.

    • Bestemmingsreserve: een deel van het eigen vermogen dat een organisatie apart zet voor een specifiek doel.

    • Buffer of buffervermogen: het vrij beschikbare vermogen van een gecertificeerde instelling, dat bestaat uit alle vrije reserves (algemene reserves, overige reserves en niet-gebonden egalisatiereserves), om tegenvallers op te vangen, zoals bepaald in de Handreiking Landelijk tarief en bekostiging jeugdbescherming en jeugdreclassering (versie 2024.1.0), met uitzondering van de bestemmingsreserves.

    • Cashflow: een financieel ratio dat aangeeft in hoeverre verplichtingen kunnen worden nagekomen. Het meet de verkregen kasmiddelen die niet zijn bestemd voor directe uitgaven van de organisatie en kan worden berekend door de omzet te verminderen met kosten en belastingen.

    • College: het college van burgemeester en wethouders van gemeente Maastricht.

    • Current ratio: een financieel ratio dat aangeeft in hoeverre de instelling in staat is om op korte termijn aan haar verplichtingen te voldoen. Het meet de verhouding tussen vlottende activa en kortlopende schulden.

    • Gedwongen kader: verzamelterm voor wettelijke maatregelen en voorwaarden die een gecertificeerde instelling uitvoert.

    • Jaaromzet: de enkelvoudige winst- en verliesrekening jeugdbescherming en jeugdreclassering

    • KKPB: het kwaliteitskader en de prestatiebeschrijvingen voor jeugdbescherming en jeugdreclassering, zoals beschreven in de rapporten van Significant Public van januari 2023.

    • Kwaliteitskader Jeugdbescherming: het samenvattend kwaliteitskader van het Ministerie van VVW voor de uitvoering van de jeugdbeschermingsmaatregelen ondertoezichtstelling (ots) en voogdij, versie 1.0, februari 2023.

    • Normenkader jeugdbescherming en jeugdreclassering: normenkader ten behoeve van certificering van uitvoerende organisaties voor jeugdbescherming en jeugdreclassering, opgenomen in het certificatieschema voor toetsing van het kwaliteitsmanagementsysteem van uitvoerende organisaties voor jeugdbescherming en jeugdreclassering, versie 2.0, geldend van 6 juni 2017 t/m heden.

    • Onderaannemer: een gecertificeerde instelling die gehouden kan worden om in opdracht en namens en voor rekening en risico van een op grond van deze regeling gesubsidieerde gecertificeerde instelling werkzaamheden te verrichten met betrekking tot de uitvoering van de subsidiabele activiteiten.

    • OVA: de Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling; de jaarlijkse indexering van de personele kosten op basis van een door de overheid vastgesteld percentage.

    • PPC: het prijsindexcijfer voor particuliere consumptie.

    • Pupilkosten (ook genoemd: bijzondere kosten): door derden aan de gecertificeerde instelling doorbelaste kosten voor cliënten, evenals eigen kosten van de gecertificeerde instelling in verband met de administratie daarvan.

    • Toekomstplan: een document waarin een passend, gezinsgericht toekomstperspectief wordt geformuleerd ter bevordering van een goede overgang van 18- naar 18+. Dit gebeurt uiterlijk 18 maanden voordat de jeugdige 18 jaar wordt, in samenspraak met de lokale toegang, jeugdige, ouders en hulpverleners. Het plan bevat doelen en wensen op de leefdomeinen: wonen, werk, steun, onderwijs en inkomen.

    • Voorziening: onderdeel van het vreemd vermogen dat bedoeld is om duidelijke verliezen of toekomstige kosten te dekken.

    • Visie gefaseerd samenwerken aan veiligheid: ook wel ‘visie gefaseerde ketenzorg’ genoemd; een landelijke aanpak in drie fasen: directe veiligheid, risicogestuurde zorg en herstelgerichte zorg. Deze visie is opgesteld in opdracht van de VNG en GGD GHOR Nederland, en wordt onderschreven door ministeries, ketenpartners en uitvoeringsorganisaties.

    • Wachttijd jeugdbescherming en jeugdreclassering: wachttijd zoals bedoeld in het normenkader jeugdbescherming en jeugdreclassering.

    • Werkkapitaal: een financieel ratio dat aangeeft in hoeverre er een liquiditeitsbuffer is binnen een organisatie. Het betreft het verschil tussen de vlottende activa en de kortlopende schulden.

    • Werkwijze 1Gezin 1Plan 1Regisseur (1G1P1R): werkwijze die gericht is op het versterken van de regie van gezinnen of cliënten met meervoudige problematiek waarbij meerdere hulpverleners betrokken zijn.

    • Workload: het gemiddeld aantal wettelijke maatregelen op organisatieniveau dat een jeugdbeschermer, jeugdreclasseringsmedewerker of andere medewerker (die taken uit het KKPB uitvoert) jaarlijks uitvoert. Dit geldt als maatstaf voor de werkdruk.

Artikel 2. Doel en toepassingsbereik

Het doel van deze regeling is het subsidiëren van activiteiten als bedoeld in artikel 3, ten behoeve van jeugdigen voor wie het college gehouden is voorzieningen te treffen op grond van artikel 2.4 van de Jeugdwet.

Artikel 3. Doelgroep en subsidiabele activiteiten

  • 1. Subsidie op grond van deze regeling kan uitsluitend worden aangevraagd door gecertificeerde instellingen, voor de uitvoering van activiteiten als bedoeld in het tweede lid, ten behoeve van jeugdigen als bedoeld in artikel 2.

  • 2. Subsidie wordt uitsluitend verleend voor het uitvoeren van activiteiten zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling, en alleen:

    • a.

      voor zover het gaat om maatregelen die zijn opgelegd na de inwerkingtreding van deze regeling, of waarvan de uitvoering na die datum is overgenomen van een andere GI;

    • b.

      voor zover het gaat om maatregelen die al van kracht waren bij inwerkingtreding van deze regeling, of waarvan de uitvoering daarna is overgenomen van een andere GI.

  • 3. De subsidie kan worden aangevraagd voor activiteiten gericht op één of meer van de volgende subgroepen:

    • a.

      activiteiten in het kader van de reguliere uitvoering van jeugdbescherming en jeugdreclassering;

    • b.

      jongeren met een (lichte) verstandelijke beperking;

    • c.

      jongeren zonder vaste woon- of verblijfplaats, met een specifieke culturele en/of godsdienstige achtergrond en complexe gezinssystemen

  • 4. De subsidiabele activiteiten moeten worden uitgevoerd binnen de kaders van de volgende regelgeving en standaarden:

    • a.

      het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK);

    • b.

      de Jeugdwet;

    • c.

      het normenkader voor certificering van uitvoerende organisaties voor jeugdbescherming en jeugdreclassering;

    • d.

      de richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming;

    • e.

      het kwaliteitskader en de prestatiebeschrijvingen voor jeugdbescherming en jeugdreclassering;

    • f.

      de Wet toetreding zorgaanbieders, en de vereisten zoals opgenomen op www.jaarverantwoordingzorg.nl;

    • g.

      de geldende, van toepassing zijnde beroepscodes.

Artikel 4. Voorwaarden om voor subsidie in aanmerking te komen

  • 1. De GI is, al dan niet in samenwerking met een onderaannemer, in staat om alle in artikel 3, tweede lid, genoemde subsidiabele activiteiten uit te voeren.

  • 2. De GI of een vaste onderaannemer beschikt over professionals met specifieke expertise ten aanzien van:

    • a.

      de reguliere uitvoering van jeugdbescherming en jeugdreclassering;

    • b.

      jongeren met een (lichte) verstandelijke beperking;

    • c.

      jongeren zonder vaste woon- of verblijfplaats, met een bepaalde culturele en/of godsdienstige achtergrond en een complex gezinssysteem.

Artikel 5. Verplichtingen bij uitvoering van maatregelen

  • 1. De GI zorgt bij de uitvoering van jeugdbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering voor afstemming met de lokale toegang vóór de start, tijdens én bij afsluiting van de maatregel. Daaronder vallen in ieder geval:

    • a.

      de gemeentelijke werkwijze bij de inzet van jeugdhulp;

    • b.

      een warme overdracht bij op- en afschaling van hulp;

    • c.

      afstemming over een toekomstplan uiterlijk achttien maanden vóór de 18e verjaardag van de jeugdige;

    • d.

      monitoring en evaluatie van jeugdhulpdoelen met cliënt en aanbieder;

    • e.

      kostenbewust handelen bij de inzet van jeugdhulp;

    • f.

      tijdige voorbereiding bij spoedeisende hulp en het vervolg daarop;

      • i.

        inzet van door de gemeente gecontracteerde voorzieningen;

      • ii.

        inzet van niet-gecontracteerd aanbod uitsluitend in uitzonderlijke gevallen en in overleg met de gemeente.

  • 2. Bij beëindiging van de subsidie of maatregel draagt de GI zorg voor een warme overdracht en passende nazorg.

  • 3. De GI werkt tijdens de uitvoering volgens de werkwijze 1Gezin 1Plan 1Regisseur, als bedoeld in artikel 1.

  • 4. De GI voert haar taken uit conform de kaders, uitgangspunten en werkwijzen zoals vastgelegd in het KKPB, zoals van toepassing op het moment van uitvoering, en past deze consistent toe binnen alle subsidiabele activiteiten.

Artikel 6. Organisatie en werkprocessen

  • 1. De GI heeft werkprocessen ingericht om wachttijden te voorkomen. Indien er wachttijden ontstaan of geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar is, stemt de GI dit tijdig af met het betrokken college.

  • 2. De GI onderneemt aantoonbaar actie om wachttijden structureel te voorkomen.

  • 3. Voor een voorgenomen instroomstop geldt dat deze ten minste twee weken van tevoren bij het college moet worden gemeld.

  • 4. De organisatie is zodanig ingericht dat zoveel mogelijk een vaste medewerker beschikbaar is voor de jeugdige en diens gezin gedurende de maatregel.

  • 5. De GI levert per kwartaal monitoringsinformatie aan als bepaald in artikel 22.

Artikel 7. Samenwerkingsverplichtingen GI en gemeente

De GI en de gemeente leggen samenwerkingsafspraken vast zoals bedoeld in artikel 3.1, vijfde lid, en artikel 3.5, derde lid, van de Jeugdwet. Deze afspraken bevatten in elk geval:

  • a.

    de uitvoeringspunten uit artikel 5 van deze regeling;

  • b.

    deelname aan uitvoerings-, beleids- en bestuurlijk overleg;

  • c.

    afspraken over evaluatie en opvolging van samenwerking;

  • d.

    uitvoering van het normenkader, waaronder:

    • i.

      gedeelde begrippen (zoals systeemgericht werken en veiligheid);

    • ii.

      samenwerking bij verhuizingen van jeugdigen;

    • iii.

      afstemming bij inzet van jeugdhulp.

Artikel 8. Hoogte van de subsidie en indexering

  • 1. De hoogte van de subsidie wordt bepaald naar rato van de werkelijke uitvoeringsduur, door het in bijlage 1 vastgestelde tarief per activiteit (p) te vermenigvuldigen met het aantal geleverde eenheden (q).

  • 2. De in bijlage 1 genoemde tarieven zijn landelijke tarieven, uitgedrukt in het prijspeil van het kalenderjaar 2026.

  • 3. De in het eerste lid bedoelde tarieven worden jaarlijks geïndexeerd. De indexering bestaat voor 90% uit de OVA-index voor personele kosten en voor 10% uit de PPC-index voor materiele kosten.

  • 4. Er vindt een voorlopige én een definitieve indexering plaats. Het tarief voor het betreffende subsidiejaar (=t) wordt gebaseerd op de voorlopige indexering voor dat jaar; het effect van de definitieve indexering van jaar t wordt verwerkt in het tarief van t+1.

  • 5. Pupilkosten worden aangemerkt als subsidiabele kosten, voor zover deze voldoen aan de kaders als bedoeld in Bijlage 2, zijnde de ‘Inhoudelijke lumpsumregeling bijzondere kosten Limburg 2027’ – Jeugdbescherming.

Artikel 9. Aanvraag

  • 1. De subsidieaanvraag bevat, onverminderd het bepaalde in artikel 6 van de ASV in ieder geval:

    • a.

      een beschrijving van de activiteiten, in samenhang met de doelgroep, waarvoor subsidie wordt aangevraagd. Hierbij wordt in ieder geval aangegeven voor welke doelgroep, als bedoeld in artikel 3, subsidie wordt aangevraagd;

    • b.

      een prognose per doelgroep, gebaseerd op het aantal verrichte activiteiten in het voorgaande jaar, met een inschatting van het aantal te verrichten activiteiten als bedoeld in artikel 3. Deze prognose sluit in eenheden aan op de eenheden vermeld in bijlage 1;

    • c.

      een plan van aanpak en/of meerjarenplan met concrete doelstellingen, waarin de wijze waarop de subsidieaanvrager bijdraagt aan de volgende inhoudelijke thema’s dient te worden beschreven:

      • i.

        het normenkader Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, als bedoeld in artikel 1;

      • ii.

        het kwaliteitskader Jeugdbescherming, als bedoeld in artikel 1;

      • iii.

        werving, selectie en behoud van personeel (arbeidsmarktproblematiek);

      • iv.

        de werkwijze 1G1P1R, als bedoeld in artikel 1;

      • v.

        de visie gefaseerd samenwerken aan veiligheid, als bedoeld in artikel 1;

      • vi.

        de aansluiting op het jeugdhulpstelsel van de jeugdzorgregio’s waar deze subsidie betrekking op heeft;

      • vii.

        de samenwerking met ketenpartners bij het verkorten van doorlooptijden en de duur van maatregelen (zo lang als nodig, zo kort als mogelijk);

      • viii.

        het versterken van de samenwerking met lokale teams bij de inzet van jeugdhulp, zowel bij op- en afschalen van hulp, voor jeugdigen waar deze subsidieregeling betrekking op heeft.

      • ix.

        monitoring en evaluatie van jeugdhulpdoelen met cliënt en aanbieder.

  • 2. De GI die voor de eerste maal subsidie aanvraagt, voegt aanvullend de volgende documenten toe:

    • a.

      een exemplaar van de oprichtingsakte of de statuten, evenals het jaarverslag, de jaarrekening of de balans van het voorgaande jaar;

    • b.

      een actieplan waarin de GI uiteenzet op welke wijze zij zich wapent tegen omstandigheden, waaronder capaciteitsproblemen, die de organisatie kwetsbaar maken voor discontinuïteit van de dienstverlening, en hoe de continuïteit en wendbaarheid worden geborgd;

    • c.

      een exitplan waarin de GI uiteenzet hoe bij volledige of gedeeltelijke beëindiging van gesubsidieerde activiteiten – bijvoorbeeld door surseance van betaling of faillissement – de continuïteit van de wettelijke taken wordt gewaarborgd tot overdracht aan een andere GI. Dit plan bevat in elk geval:

      • i.

        hoe de activiteiten worden voortgezet totdat overdracht heeft plaatsgevonden aan een GI die in opdracht van het college de activiteiten overneemt;

      • ii.

        hoe de overdracht van werkzaamheden wordt gefaciliteerd, inclusief het aanleveren van alle voor zorgcontinuïteit benodigde administratieve ondersteuning;

      • iii.

        hoe het betrokken personeel kan worden overgenomen door de opvolgende GI;

      • iv.

        hoe bestaande hulpverleningsrelaties tussen medewerkers van de GI en jeugdigen of ouders zo veel mogelijk worden voortgezet.

Artikel 10. Aanvraagtermijn

  • 1. In afwijking van artikel 7, eerste lid, van de ASV kan een aanvraag om subsidie op grond van deze subsidieregeling worden ingediend bij gemeente Maastricht voor uiterlijk 1 augustus van het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarop de subsidie betrekking heeft.

  • 2. Het college kan jaarlijks een afwijkende aanvraagtermijn vaststellen en publiceren, bijvoorbeeld indien dit nodig is vanwege planning, bestuurlijke afstemming of landelijke ontwikkelingen.

Artikel 11. Beslistermijn

  • 1. In afwijking van artikel 8, eerste lid, van de ASV beslist het college uiterlijk op 1 december van het kalenderjaar voorafgaand aan het subsidiejaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 2. Het college kan de beslistermijn met ten hoogste acht weken verlengen.

Artikel 12. Aanvullende weigeringsgronden

Onverminderd de bepalingen in de ASV kan het college de subsidie weigeren indien:

  • a.

    niet is voldaan aan één of meer vereisten zoals opgenomen in deze regeling;

  • b.

    uit de aanvraag naar het oordeel van het college onvoldoende blijkt dat de GI gedurende de gehele subsidieperiode zal beschikken over voldoende kwalitatief en kwantitatief personeel en materieel om de beoogde activiteiten uit te voeren, uitgaande van de prognose en inhoudelijke uitgangspunten als bedoeld in artikel 9.

Artikel 13. Herzienings-, wijzigings- en intrekkingsronden van de subsidie

  • 1. De subsidie wordt in ieder geval ingetrokken indien het aan de subsidieontvanger verleende certificaat, als bedoeld in artikel 3.4 van de Jeugdwet, wordt ingetrokken.

  • 2. De subsidie kan tussentijds worden herzien of ingetrokken door het college indien:

    • a.

      naar het oordeel van het college niet langer aannemelijk is dat de subsidieontvanger gedurende de resterende subsidieperiode uitvoering kan geven aan de verplichtingen uit de Jeugdwet;

    • b.

      de subsidieontvanger niet kan beschikken over voldoende personeel en materieel om de activiteiten uit te voeren overeenkomstig de aanvraag en prognose bedoeld in artikel 9;

    • c.

      het handelen van bestuurders en medewerkers van de subsidieontvanger naar het oordeel van het college de zorgcontinuïteit of de uitvoering van activiteiten in gevaar brengt.

    • d.

      er sprake is van fraude of misleiding door of namens de subsidieontvanger.

  • 3. Indien de GI bij beëindiging van de subsidie niet zorgdraagt voor een tijdige en zorgvuldige overdracht van taken, cliënten en relevante gegevens, overeenkomstig hetgeen noodzakelijk is voor het waarborgen van de continuïteit van zorg, kan het college besluiten:

    • a.

      de subsidie geheel of gedeeltelijk terug te vorderen;

    • b.

      de subsidie lager vast te stellen dan het bedrag waarop de GI op grond van de beschikking aanspraak zou hebben;

    • c.

      gedurende een door het college te bepalen termijn, uitsluiting van toekomstige subsidieverlening op te leggen;

    • d.

      overige maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn ter bescherming van de belangen van de cliënten en de continuïteit van de jeugdbescherming.

Artikel 14. Verplichtingen

  • 1. Onverminderd de artikelen 11 en 12 van de ASV, handelt de subsidieontvanger bij de uitvoering van subsidiabele activiteiten altijd in overeenstemming met:

    • a.

      norm verantwoorde werktoedeling;

    • b.

      de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling;

    • c.

      de bij de aanvraag overgelegde bescheiden.

  • 2. De subsidieontvanger maakt gebruik van:

    • a.

      het iJW-berichtenverkeer voor gegevensuitwisseling (met uitzondering van declaratie/facturatieberichten);

    • b.

      de Collectieve Opdracht Routeer Voorziening (CORV);

    • c.

      aanvullende gegevensverzoeken van het college, voor zover redelijk.

  • 3. De subsidieontvanger is aangesloten bij de Verwijsindex, bedoeld in artikel 7.1.2.1 van de Jeugdwet, en maakt hiervan gebruik in overeenstemming met de afspraken met het college, bedoeld in artikel 7.1.3.1, eerste lid, van de Jeugdwet.

  • 4. De subsidieontvanger neemt actief deel aan in de regio gebruikelijke overlegvormen op uitvoerend, beleidsmatig en bestuurlijk niveau

  • 5. De subsidieontvanger zoekt afstemming met de lokale toegang, voorafgaand aan, tijdens of bij afsluiting van de maatregel, waardoor een warme overdracht ontstaat;

  • 6. De subsidieontvanger draagt bij aan samenwerking met ketenpartners, lokale toegang of aan de uitvoering van bestuurlijke afspraken;

  • 7. Het college kan in de verleningsbeschikking specifieke verplichtingen opleggen.

Artikel 15. Meld- en informatieverplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1. De subsidieontvanger meldt onverwijld aan het college wanneer sprake is van omstandigheden die de uitvoering of continuïteit van de activiteiten in gevaar kunnen brengen, waaronder in elk geval:

    • a.

      (dreigende) niet-naleving van certificeringseisen;

    • b.

      capaciteitsproblemen waardoor de uitvoering van maatregelen in het geding komt;

    • c.

      problemen in de bedrijfsvoering die de organisatiecontinuïteit bedreigen;

    • d.

      de inzet van onderaannemers, waarbij wordt gegarandeerd dat ook deze aan alle normen voldoen;

    • e.

      calamiteiten.

  • 2. De subsidieontvanger informeert het college schriftelijk en onverwijld over:

    • a.

      iedere ontwikkeling waardoor de financiële positie van de GI substantieel verslechtert en mogelijk onder het minimale buffervermogen dreigt te komen van 10%;

    • b.

      de uitkomst van de jaarlijkse controle als bedoeld in artikel 3.2.3 van het Besluit Jeugdwet, onder gelijktijdige toezending van de rapportage;

    • c.

      het ontstaan of risico van wachttijden, en de ondernomen acties;

    • d.

      een voorgenomen instroomstop en de daarbij behorende maatregelen;

    • e.

      uitkomsten van onderzoeken door een inspectie naar aanleiding van incidenten in casuïstiek.

  • 3. De subsidieontvanger geeft uitvoering aan het exitplan zodra daar redelijkerwijs aanleiding toe is, in goed overleg met het college. Het college beslist in redelijkheid over de procedure en eventuele kosten.

  • 4. De subsidieontvanger verleent medewerking aan onderzoeken van de gemeente, het college of de rekenkamercommissie, alsmede aan externe onderzoeken (waaronder accountantscontroles) indien daartoe aanleiding bestaat, zoals bij signalen van financiële, inhoudelijke of fraude risico’s.

Artikel 16. Toestemmingsvereisten

  • 1. De subsidieontvanger vraagt vooraf schriftelijke toestemming aan het college voor:

    • a.

      het verrichten van rechtshandelingen als bedoeld in artikel 4:71, eerste lid, onder a tot en met f en h tot en met j, van de Awb;

    • b.

      het aangaan van een fusie als bedoeld in artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;

    • c.

      samenwerking met derden bij de uitvoering van subsidiabele activiteiten;

    • d.

      substantiële wijzigingen in één van de in artikel 9, tweede lid, genoemde documenten.

Artikel 17. Bevoorschotting

  • 1. Het college kan vooruitlopend op de vaststelling van de subsidie een voorschot verlenen als bedoeld in artikel 4:95 van de Awb.

  • 2. De bevoorschotting van de subsidie wordt bepaald op basis van de bij de aanvraag aangeleverde prognose, vermenigvuldigd met het tarief per activiteit.

  • 3. De subsidieontvanger kan gedurende de looptijd van de subsidie een verzoek indienen tot aanpassing van het bevoorschottingsbedrag. Het college beslist binnen acht weken op dit verzoek.

  • 4. Het college kan zelfstandig besluiten de bevoorschotting aan te passen gedurende de looptijd van de subsidie, indien daartoe aanleiding bestaat op basis van de realisatiecijfers over de voorafgaande periode.

Artikel 18. Buffervermogen

  • 1. De subsidieontvanger vormt een buffervermogen als bedoeld als bedoeld in artikel 1.

  • 2. Voor zover de subsidie op grond van deze regeling of eerdere regelingen van het college heeft bijgedragen aan het buffervermogen, mag deze uitsluitend worden aangewend voor activiteiten waarvoor subsidie is verleend.

  • 3. In de gevallen genoemd in artikel 4:41, tweede lid, onder c, d en e, van de Awb, is de subsidieontvanger ten aanzien van het buffervermogen vergoedingsplichtig, naar evenredigheid van de mate waarin de subsidie aan het buffervermogen heeft bijgedragen.

  • 4. Bij de subsidieverlening kunnen nadere verplichtingen worden gesteld met betrekking tot het buffervermogen. Daarbij gelden in ieder geval de volgende uitgangspunten:

    • a.

      het buffervermogen bedraagt minimaal 10% en maximaal 15% van de gemiddelde totale jaaromzet berekend over de drie meest recente boekjaren;

    • b.

      dat exploitatieoverschotten toegevoegd mogen worden aan het buffervermogen indien het buffervermogen onder de 10% en maximaal 15% is van de gemiddelde totale jaaromzet berekend over de drie meest recente boekjaren;

    • c.

      zolang het buffervermogen lager is dan 10%, geldt een opslag van 2% op de kostprijs die volgt uit artikel 8. Deze opslag gebruikt de GI om het buffervermogen aan te vullen tot het maximum percentage.

    • d.

      het college stelt aan de hand van de laatste drie jaarrekeningen vast of het buffervermogen voldoet aan de norm.

    • e.

      Overschrijding in enig jaar van de afgesproken maximale omvang van het buffervermogen, leidt tot een lagere subsidievaststelling van de verleende subsidie. Het meerdere wordt teruggevorderd bij de vaststelling.

Artikel 19 Bestemmingsreserve

  • 1. Het vormen of verhogen van een bestemmingsreserve uit gemeentelijke subsidiemiddelen is uitsluitend toegestaan indien de GI:

    • a.

      vóór het einde van het subsidiejaar schriftelijk toestemming heeft gevraagd aan het College, en daarvoor instemming heeft verkregen;

    • b.

      beschikt over een positief jaarresultaat, welke niet (gedeeltelijk) het gevolg is van het niet of slechts gedeeltelijk uitvoeren van activiteiten waarvoor subsidie is verleend;

    • c.

      de bestemmingsreserve instelt ten behoeve van een concreet, incidenteel doel dat in beginsel binnen een vooraf vastgestelde periode van maximaal drie jaar wordt gerealiseerd, en waarvan de voortgang jaarlijks door het College wordt geëvalueerd bij de subsidievaststelling;

  • 2. Voor de wijziging van de bestemming waarvoor de reserve oorspronkelijk was bedoeld, dient vóór het einde van het desbetreffende subsidiejaar schriftelijk toestemming aan het College te worden gevraagd en daarvoor instemming te zijn verkregen.

  • 3. Voor onttrekkingen aan de bestemmingsreserve overeenkomstig het doel waarvoor de bestemmingsreserve is aangelegd, is geen toestemming nodig van het College.

  • 4. De GI die toestemming vraagt aan het College voor de vorming, verhoging of wijziging van de bestemmingsreserve is verplicht een plan of onderbouwing te overleggen, waarin ten minste is opgenomen:

    • a.

      een toelichting op de bestemming, de maximale gewenste omvang van de reserve en een bestedingsplan met bijbehorend (meerjarig) tijdpad van maximaal 3 jaar;

    • b.

      de relatie tussen de te vormen reserve en de gemeentelijke subsidiedoeleinden;

    • c.

      de omvang van het buffervermogen en het totale eigen vermogen van de GI op het moment van aanvraag.

  • 5. Het College kan aanvullende gegevens opvragen die nodig worden geacht om zich een juist oordeel te vormen.

  • 6. Bij gehele of gedeeltelijke beëindiging van de gesubsidieerde activiteiten, bij intrekking van de subsidieverlening of-vaststelling of beëindiging van de subsidie en bij ontbinding van de rechtspersoon die de subsidie ontving wordt de met gemeentelijke middelen gevormde bestemmingsreserve teruggevorderd.

Artikel 20. Indiening van de aanvraag tot subsidievaststelling

  • 1. In afwijking het bepaalde in de ASV dient de GI de aanvraag tot subsidievaststelling in vóór 1 juni van het kalenderjaar dat volgt op het subsidiejaar.

  • 2. De aanvraag tot vaststelling bevat, onverminderd artikel 15, tweede lid, van de ASV, in ieder geval:

    • a.

      een door een daartoe bevoegde functionaris ondertekende bestuursverklaring;

    • b.

      een overzicht van de uitgevoerde subsidiabele activiteiten, voorzien van een door een account getekende productieverantwoording volgens het landelijk afgestemde format, zoals gepubliceerd op de website van i-Sociaal Domein. De verantwoording sluit aan op de eenheden zoals weergegeven in bijlage 1. De gegevens uit het berichtenverkeer zijn leidend bij de vaststelling;

    • c.

      een controleverklaring van een onafhankelijk accountant met betrekking tot de activiteiten die door het college zijn gesubsidieerd;

    • d.

      het jaardocument maatschappelijke verantwoording over het betreffende subsidiejaar, gericht op de provincie Limburg;

    • e.

      een geanonimiseerd overzicht van de in het afgelopen jaar ingediende klachten, inclusief de aard van de klachten en de geboden oplossing;

    • f.

      gegevens over de meting van cliënttevredenheid.

    • g.

      evaluatie van de plannen van aanpak, onverminderd hetgeen bepaald in artikel 9 lid 1 sub c, die ingediend zijn bij de aanvraag tot subsidie voor het jaar waar de subsidie betrekking op heeft.

  • 3. De reeds overgelegde stukken als bedoeld in artikel 22, worden bij de beslissing tot vaststelling van de subsidie betrokken.

  • 4. Bij verleningsbeschikking kan het college, in afwijking van het bepaalde in lid 2, andere termijnen voorschrijven, en aanvullende afspraken maken over aard en frequentie van de ingevolge lid 2 te overleggen informatie.

Artikel 21. Vaststelling van de subsidie

  • 1. Het definitieve subsidiebedrag wordt na afloop van het kalenderjaar vastgesteld op basis van de bepalingen van artikel 20.

  • 2. Het college stelt de subsidie vast binnen 13 weken na ontvangst van een volledige aanvraag tot subsidievaststelling.

Artikel 22. Kwartaalevaluatie

  • 1. Per kwartaal vindt een tussentijdse evaluatie en verantwoording plaats. Ter voorbereiding van elke kwartaalevaluatie levert de GI de volgende informatie aan:

    • a.

      een overzicht van het aantal maatregelen in het afgelopen kwartaal, inclusief het aantal spoedplaatsingen;

    • b.

      een financieel overzicht, welke in ieder geval inzicht geeft in financiële kerngetallen (current ratio, werkkapitaal en cashflow) en reserves inclusief het buffervermogen van de GI;

    • c.

      cijfers over de workload;

    • d.

      een rapportage waarin de wachttijden inzichtelijk zijn gemaakt volgens de geldende wettelijke normen en kaders, in ieder geval met betrekking tot:

      • i.

        het eerste aanvangsgesprek;

      • ii.

        het opstellen van een plan van aanpak;

    • e.

      de realisatie van het aantal maatregelen, overeenkomstig bijlage 1;

    • f.

      trends en indicatoren conform het normenkader, als bedoeld in artikel 1;

    • g.

      bijzonderheden als bedoeld in artikel 4:71 van de Awb.

Artikel 23. Hardheidsclausule

  • 1. In gevallen, de uitvoering van deze subsidieregeling betreffend, waarin deze subsidieregeling niet voorziet, beslist het college.

  • 2. Het college kan afwijken van de bepalingen in deze subsidieregeling, indien toepassing van deze subsidieregeling gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden oneven-redig zouden zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.

  • 3. Van een beslissing als bedoeld in het eerste lid wordt gemotiveerd mededeling gedaan aan de overige regiogemeenten binnen Zuid-Limburg.

Artikel 24. Slotbepalingen

  • 1. Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2027.

  • 2. Bij de inwerkingtreding van deze regeling wordt de Subsidieregeling jeugdbescherming en jeugdreclassering regio Zuid-Limburg 2023 ingetrokken.

  • 3. Een op basis van de Subsidieregeling jeugdbescherming en jeugdreclassering regio Zuid-Limburg 2023 ingezette activiteit geldt als activiteit toegekend volgens de regeling die bij de aanvraag van kracht was.

  • 4. Aanvragen tot vaststelling van de subsidie 2026 die verleend zijn op grond van de Subsidieregeling jeugdbescherming en jeugdreclassering regio Zuid-Limburg 2023 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze regeling, worden afgehandeld krachtens de Subsidieregeling jeugdbescherming en jeugdreclassering regio Zuid-Limburg 2023, welke hiertoe zijn rechtskracht behoudt.

  • 5. Deze subsidieregeling kan door het college worden gewijzigd of ingetrokken als daar aanleiding toe is. Daaronder vallen in ieder geval maar niet uitsluitend wijzigingen in wet- en/of regelgeving en/of financiële kaders en relevante beleidswijzigingen.

  • 6. Partijen treden met elkaar in overleg als daar bij de uitvoering van deze subsidieregeling aanleiding toe is. Het kan daarbij zowel gaan om (problemen bij) de uitvoering van jeugdbescherming of jeugdreclassering als om de gehanteerde tarieven of de financiële positie van de subsidieontvanger.

  • 7. Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling Jeugdbescherming en Jeugdreclassering regio Zuid-Limburg 2027.

  • 8. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Subsidieregeling jeugdbescherming en jeugdreclassering regio Zuid-Limburg 2023 waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze regeling, wordt beslist op grond van de Subsidieregeling jeugdbescherming en jeugdreclassering regio Zuid-Limburg 2023, welke hiertoe zijn rechtskracht behoudt.

Ondertekening

Aldus besloten door het College van Burgemeester en Wethouders van Maastricht d.d. 20 januari 2026

De Secretaris a.i. ,

G.G.H.M Haanen

De Burgemeester,

W.A.G. Hillenaar

Bijlage 1. Tarieven uitvoeren subsidiabele activiteiten (wordt jaarlijks aangepast, zie artikel 8 lid 5)

Voor de tarieven 2026 en verder worden de landelijke tarieven gebruikt.

Maximale tarieven 2026

Tabel 1. Tarieven en prognose uitvoering subsidiabele activiteiten doelgroep generale JB/JR (art. 3, derde lid, onder a)

Product

Tarief (*)

Product-code

Eenheid

Ondertoezichtstelling (OTS) (incl. pupilkosten) *

€ 1.256,28

48B10

per maand

Voogdij (incl. pupilkosten) *

€ 963,78

48B11

per maand

Samenloop (OTS en JR)

€ 302,25

47B15

per maand

Jeugdreclassering regulier (JR)

€ 1.067,63

47B10

per maand

Intensieve trajectbegeleiding CRIEM (ITB CRIEM)

€ 3.035,61

47B13

per maand

Intensieve trajectbegeleiding Harde Kern (ITB Harde Kern)

€ 2.281,50

47B14

per maand

Scholing- en trainingsprogramma (STP)

€ 3035,91

47B16

per maand

Gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM) advies

€ 3.159,00

47B11

beschikking/ advies (stuks)

Gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM) begeleiding

€ 1.066,41

47B12

per maand

LET JB(**) OTS

€ 2.610,56

48B12

per maand

LET JB(**) Voogdij

€1.996,31

48B13

per maand

(*) Tarief is inclusief bijzondere kosten gebaseerd op de hoogte van het bedrag vastgesteld in 2023

(**) Voor de LET producten is de factor 2,1 van de reguliere tarieven.

Tabel 2. Tarieven en prognose uitvoering subsidiabele activiteiten JB/JR doelgroep (L)VB (art. 3, derde lid, onder b)

Product

Tarief (*)

Product-code

Eenheid

Ondertoezichtstelling (OTS) (incl. pupilkosten) *

€ 1.287,26

48B10

per maand

Voogdij (incl. pupilkosten) *

€ 988,92

48B11

per maand

Samenloop (OTS en JR)

€ 308,28

47B15

per maand

Jeugdreclassering regulier (JR)

€ 1.088,94

47B10

per maand

Intensieve trajectbegeleiding CRIEM (ITB CRIEM)

€ 3.096,52

47B13

per maand

Intensieve trajectbegeleiding Harde Kern (ITB Harde Kern)

€ 2.327,05

47B14

per maand

Scholing- en trainingsprogramma (STP)

€ 3.096,52

47B16

per maand

Gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM) advies

€ 3.222,07

47B11

beschikking/ advies (stuks)

Gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM) begeleiding

€ 1.087,70

47B12

per maand

LET JB(**) OTS

€ 2.662,68

48B12

per maand

LET JB(**) Voogdij

€2.036,17

48B13

per maand

(*) Tarief is inclusief bijzondere kosten

(**) Voor de LET producten is de factor 2,1 van de reguliere tarieven.

Tabel 3. Tarieven en prognose uitvoering subsidiabele activiteiten JB/JR doelgroep jeugdigen zonder vaste woon- of verblijfplaats, met een bepaalde culturele en/of godsdienstige achtergrond en complexe gezinssystemen (art. 3, derde lid, onder c)

Product

Tarief (*)

Product-code

Eenheid

Ondertoezichtstelling (OTS) (incl. pupilkosten) *

€ 1.285,89

48B10

per maand

Voogdij (incl. pupilkosten) *

€ 987,55

48B11

per maand

Samenloop (OTS en JR)

€ 308,28

47B15

per maand

Jeugdreclassering regulier (JR)

€ 1.088,94

47B10

per maand

Intensieve trajectbegeleiding CRIEM (ITB CRIEM)

€ 3.096,52

47B13

per maand

Intensieve trajectbegeleiding Harde Kern (ITB Harde Kern)

€ 2.327,05

47B14

per maand

Scholing- en trainingsprogramma (STP)

€ 3.096,52

47B16

per maand

Gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM) advies

€ 3.222,07

47B11

beschikking/ advies (stuks)

Gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM) begeleiding

€ 1.087,70

47B12

per maand

LET JB(**) OTS

€ 2.662,68

48B12

per maand

LET JB(**) Voogdij

€2.036,17

48B13

per maand

(*) Tarief is inclusief bijzondere kosten gebaseerd op de hoogte van het bedrag vastgesteld in 2023

(**) Voor de LET producten is de factor 2,1 van de reguliere tarieven.

Bijlage 2. Inhoudelijke lumpsumregeling bijzondere kosten Limburg 2027 Jeugdbescherming

Inhoudelijke lumpsumregeling bijzondere kosten Limburg 2027 Jeugdbescherming

Wettelijk kader

Op grond van artikel 1:392 van het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn ouders primair verantwoordelijk voor het levensonderhoud van hun kinderen, ook wanneer het kind met een ondertoezichtstelling of voogdijmaatregel in een residentiële voorziening verblijft. In de praktijk komt het voor dat bepaalde kosten voor het levensonderhoud van een kind gemaakt moeten worden, die niet betaald worden door of verhaald kunnen worden op de ouders en ook niet uit een andere regeling vergoed kunnen worden. Bijvoorbeeld wanneer ouders al een lange tijd uit beeld zijn of geen gezag meer hebben.

Gemeenten hebben vanuit de Jeugdwet (art. 2.3. Jeugdwet) een zorgplicht om in dergelijke gevallen een financiële vergoeding beschikbaar te stellen. Gemeenten, GI’s en instellingen moeten gezamenlijk afspraken maken over op welke wijze deze kosten vergoed kunnen worden. Gemeenten bepalen binnen de kaders van de Jeugdwet zelf hoe het systeem lokaal wordt ingericht.

Zorgplicht gemeente bij voogdij

De GI die met de voogdij van een jeugdige is belast, heeft in principe dezelfde bevoegdheden en verplichtingen als andere (reguliere) voogden. Dit is bepaald in artikel 1:303 Burgerlijk Wetboek (BW). De GI is als voogd verantwoordelijk voor de opvoeding en verzorging van de jeugdige, is diens wettelijk vertegenwoordiger en beheert diens vermogen. De GI heeft als voogd geen onderhoudsplicht omdat deze in principe nog bij de ouders ligt. Als er geen onderhoudsplichtigen zijn of als deze niet in staat zijn om aan deze plicht te voldoen (b.v. als gevolg van beperkte financiële omstandigheden), kan de GI als voogd besluiten bepaalde bijzondere kosten, in het belang van de jeugdige te vergoeden. In de praktijk blijkt dat ouders van wie het gezag beëindigd is vaak niet aan hun onderhoudsplicht gehouden kunnen worden.

Bijzondere kosten

Bijzondere kosten (ook wel pupilgebonden kosten) zijn specifieke kosten die gemaakt worden voor kinderen met een jeugdbeschermingsmaatregel (voogdij of ondertoezichtstelling) die uit huis zijn geplaatst en in een residentiële voorziening of zelfstandig wonen. Bijzondere kosten hebben geen betrekking op de dagelijkse kosten voor opvoeding en verzorging van een jeugdige 1 . Bijzondere kosten komen voor vergoeding in aanmerking wanneer:

  • Er sprake is van voogdij en het gezag van ouders dus is beëindigd. Het is vaak moeilijk om ouders, wanneer er sprake is van een voogdijmaatregel, aan de onderhoudsplicht te houden. In dergelijke gevallen worden gemeenten verantwoordelijk gehouden wanneer ouders in een dergelijk geval niet betalen;

  • Er sprake is van een OTS met uithuisplaatsing. Ouders blijven bij een OTS verantwoordelijk voor de onderhoudsplicht. Echter blijkt in de praktijk dat de bijzondere kosten niet in alle gevallen op de ouders verhaald kunnen worden. De GI kan dan besluiten deze kosten te maken en te betalen via de bijzondere kosten.

Soorten bijzondere kosten

  • 1.

    Algemene bijzondere kosten: denk aan kosten van schoolkeuzeadvies, naamswijziging, identiteitsbewijs etc.

  • 2.

    Ziektekosten: hier gaat het met name om de vergoeding van de aanvullende zorgverzekering en eventuele ziektekosten die niet door de zorgverzekering worden gedekt.2

  • 3.

    Kosten forensische diagnostiek: hier gaat het om forensisch onderzoek dat de jeugdbescherming aanvraagt ten behoeve van een justitiële beslissing van een rechterlijke instantie.

Wie spreekt ouders aan op het geven de vergoeding en wie zorgt ervoor dat de vergoeding er toch is voor kinderen als ouders niet in beeld zijn en/of niet kunnen betalen?

Jeugdhulpinstellingen en de GI’s zijn verantwoordelijk voor het aanspreken van de ouders op het betalen van bijzondere kosten. Primair is dit de verantwoordelijkheid van de GI, indien het gaat om een jeugdbeschermingsmaatregel, om zicht te houden op het feit dat een kind dezelfde rechten en zorg krijgt als ieder ander kind, zoals bv. tandartscontroles, bezoeken van een dokter, het krijgen van bepaald onderwijs of volgen van een studie.

De reden dat de verantwoordelijkheid bij hen ligt, is omdat de kinderen verblijven in de jeugdhulpinstelling, en de jeugdhulpinstelling en GI’s in ieder geval in contact met de ouders of voogd zijn. Wanneer duidelijk is dat verhalen van de kosten op ouders niet mogelijk is of waarin er niet op korte termijn aan de onderhoudsplicht kan worden voldaan, kan de GI ervoor kiezen om de gelden die integraal zijn opgenomen in het OTS-tarief (met UHP) of voogdijtarief te reserveren voor mogelijke bijzondere kosten en deze hiervoor in te zetten op het moment dat dit nodig is. De veiligheid, behoeften en rechten van het kind, binnen de wettelijke kaders, staan hierin voorop.

De GI heeft hierin een regierol, een ‘dwingende’ en toetsende taak ten aanzien van de uitvoering van het gezag door ouders in het kader van de wet op de ondertoezichtstelling. Dit geldt ook voor de uitvoering van het gezag als het gaat om de financiële verantwoordelijkheden (plichten) die bij deze gezaghebbende rol hoort. In plaats van deze verantwoordelijkheid over te nemen of beoordelen of ouders over de middelen beschikken om aan deze verantwoordelijkheid te kunnen voldoen is het aan de GI om de ouder met gezag te stimuleren (en indien nodig de aanwijzing te geven) om bronnen aan te wenden waarmee de ouder aan deze verantwoordelijkheid invulling kan geven.

Als de kosten redelijkerwijs niet te verhalen zijn, er geen beroep op andere regelingen kan worden gedaan en er een uithuisplaatsing op grond van een machtiging is, dan komen de bijzondere kosten voor vergoeding in aanmerking.

Voor verblijf in het gedwongen kader (niet zijnde pleegzorg) en zelfstandige kamerbewoning voor jongeren met voogdij kunnen onderstaande bijzondere kosten vergoed worden uit deze bijzondere kosten lumpsumregeling.

Hieronder treft u een overzicht per categorie, van welke kosten onder deze regeling vallen:

  • 1)

    vergoeding vindt plaats indien er sprake is van voogdij of OTS met uithuisplaatsing en de kosten niet verhaald kunnen worden op de ouders.

  • 2)

    Daarnaast geldt dat bij aanschaf altijd vooraf overleg plaatsvindt met de (gezins)voogd (van de GI).

  • 3)

    Voor alle GI’s geldt dat bewijzen nodig zijn, voor de berekening van de daadwerkelijke kosten in het jaar erna, om het tarief te kunnen bepalen.

Kostensoort3

Aanvullende voorwaarde(n)

Maximale vergoeding

onderwijs

Bijles/ huiswerkklas/ remedial teaching4

  • In samenspraak met het onderwijs (bijdrage van een ouder is niet verplicht!); bijvoorbeeld voor:

    • 1.

      hulp bij huiswerk of oefenen bij examens;

    • 2.

      lessen in een extra vreemde taal zoals Spaans;

    • 3.

      programma’s voor tweetalig onderwijs;

    • 4.

      extra lessen dans, cultuur, muziek, sport, taal of techniek

  • Ondersteuningsbrief van de school

  • Geldig voor 1 schooljaar op hetzelfde onderwijsniveau

  • Bewijzen bijsluiten max €100 (alleen bij uitzondering, een kind moet dit kosteloos kunnen krijgen op school, indien ouders niet kunnen betalen)

Ouderbijdrage en schoolreizen basisschool5

  • Bewijs bijsluiten

    Bijvoorbeeld:

  • een schoolreis;

  • een kerstetentje;

  • een bezoek aan een museum;

  • een sportdag;

  • max € 115 p.j.

Schoolkeuze-/beroepskeuzetest

  • Vanaf 11 jaar eenmalig

  • Offerte moet worden aangevraagd bij minimaal 2 organisaties

  • Bewijs wordt intern overlegd

  • nvt

Verplichte schoolkosten regulier voortgezet onderwijs

  • verplichte werkboeken en leermiddelen worden in principe altijd betaald door school. Bijzondere jaarlijkse leermiddelen

  • schoolbijdragen

  • Bewijzen bijsluiten

  • Voor bijzondere leermiddelen max € 100 p.j.

  • Voor eventuele schoolbijdragen (max 200 euro p.j.)

Verplichte schoolkosten vervolgonderwijs (Kosten die niet via DUO worden vergoed)

  • Het betreft lesgeld, verplichte boeken en leermiddelen naar rato ter overbrugging tot de studiefinanciering

    • HBO/WO vanaf 16 jaar6

    • MBO7

    • Overgangsperiode is maximaal 3 maanden.

  • Bewijs bijsluiten

/

Duurzame leermiddelen voortgezet onderwijs

  • Zie overzicht schoollijst.

  • Noodzakelijk/wenselijk voor de opleiding

  • Duurzaam staat voor middelen die meerdere jaren bruikbaar zijn

  • Bewijs bijsluiten

  • Software en hardware (afhankelijk van wat noodzakelijk is, bewijs nodig voor akkoord)

  • agenda (max 15 euro)

  • atlas (wordt veelal geregeld per school, €5,95 per leerling per jaar)- bewijs.

  • woordenboek (van Dale, €30)

  • rekenmachine (max €20)

  • praktijkkleding (max €25)

  • EHBO diploma indien noodzakelijk (€45)

  • sportkleding (low budget trainingspak, broek en t-shirt en schoenen verkrijgbaar voor €60 euro bij bijvoorbeeld decahtlon)

  • pennen, potloden en schriften (€30)

  • schooltas (max €50 1x in 3 jaar).

  • telefoon eenmalig voor maximaal € 180,- . Geen vergoeding voor opwaarderen of abonnement.

Laptop

  • Indien school een laptop vraagt (vereisen kan wettelijk niet), alleen indien er geen alternatieven zijn8

  • Bewijs bijsluiten

  • Eenmalig (maximaal €500,-)

Overige duurzame leermiddelen vervolgonderwijs

  • Indien noodzakelijk en verplicht voor de opleiding.

  • Bewijs bijsluiten

  • Afhankelijk van situatie, onderbouwing school

Bril (montuur)

  • Alleen bij medische noodzaak (oogarts), indien niet (volledig) vergoed via zorgverzekering of verzekering GI

  • Factuur en specificatie zorgverzekeraar bijvoegen

  • Bewijs bijsluiten (medische noodzaak)

  • max €100*

  • *

    Verzekering vergoedt veelal een bril van €200 in keer in de 3 jaar)

Lenzen

  • Niet (volledig) vergoed via zorgverzekering of verzekering GI

  • Mits in voorafgaande 2 jaar geen bril is vergoed

  • Bewijs bijsluiten

  • max €20 per maand

Kostensoort

Aanvullende voorwaarde(n)

Maximale vergoeding

Vervoer

Reiskosten i.v.m. onderwijs

  • Er wordt eerst gekeken naar voorliggende voorzieningen zoals leerlingenvervoer

  • Alleen indien nog geen OV-kaart van de overheid is ontvangen

  • Zelfstandige kamerbewoning: Eigen bijdrage wordt geïndexeerd indien de pleegoudervergoeding wordt verhoogd.

  • Vergoeding na aftrek eigen bijdrage €31,03 (bedrag 2024) p/maand.

Reiskosten ouders

  • Ouder heeft een inkomen op bijstandsniveau

  • Niet vergoed via bijzondere bijstand (is voorliggend). Nagaan als het in het belang van het kind is, om te kijken of we dan meer kunnen vergoeden, zodat bezoek vaker mogelijk is.

  • Maximaal 1 retour per ouder per maand.

  • Maximale vergoeding van:

    • € 0,23 per km of;

    • Kosten OV 2e klas

Aanschaf (elektrische)fiets

  • Binnen termijn van 3 jaar nog geen (volledige) vergoeding gehad

  • Declaraties ook mogelijk met bewijs aankoop via Marktplaats (zie bijlage voor kwitantie)

  • Voor elektrische fiets, mits afstand school/verblijf meer dan 10km is, vergoeden wij max €500 per 5 jaar.

  • 4 t/m 7 jaar: € 100 per 3 jaar

  • 8 t/m 11 jaar: € 200 per 3 jaar

  • 12 t/m 17 jaar: € 300 per 3 jaar

Verzekeringen

Zorgverzekering

  • Wanneer er sprake is van OTS wordt ervanuit gegaan dat de kinderen verzekerd zijn onder de ouders. Alleen bij hoge uitzondering worden kinderen verzekerd onder GI.

  • Bij voogdij wordt er middels een risicotaxatie nagegaan of kinderen bij ouders verzekerd kunnen worden of niet.

Ziektekosten illegale jeugdigen

  • Via Zorginstituut Nederland: ‘onverzekerbare vreemdelingen’

  • Illegale jeugdigen met een maatregel voor voogdij of ondertoezichtstelling kunnen niet worden verzekerd. De GI heeft op grond van artikel 1:303 in het Burgerlijk Wetboek als voogdijinstelling de plicht om de ziektekosten van illegale jeugdigen onder voogdij te betalen.

  • Onder ziektekosten vallen alle verstrekkingen zoals die ook gelden voor de basisverzekering alsmede de aanvullende verzekering.

Kostensoort

Aanvullende voorwaarde(n)

Maximale vergoeding

Divers

Kosten verbonden aan onder curatele stelling, bewindsvoering of mentorschap

  • Vergoeding regulier tarief

Verblijfsvergunning

  • Mits inhoudelijke en gemotiveerde onderbouwing door GI.

  • Overzicht kosten bijsluiten

  • Vergoeding regulier tarief

Tolk9

Uitzondering: Voor de tolkkosten wordt afgeweken van het criterium dat bijzondere kosten alleen worden vergoed bij Voogdij en OTS met uithuisplaatsing. Ook voor een OTS zonder uithuisplaatsing mogen, indien noodzakelijk, de tolkosten worden vergoed onder de bijzondere kosten.

Vakantiekampen voor jeugdigen met een beperking

  • Begroting van de activiteiten bijsluiten

  • Maximaal € 200

Kledinguitzet

  • het betreft geen plaatsing residentiële voorziening

  • Bij eerste uithuisplaatsing of langdurig zwerven

  • Het betreft geen plaatsing in een crisispleeggezin

  • Maximale vergoeding max 3* €54

  • NB: Binnen residentiele voorzieningen gelden de afspraken die zijn gesteld in de zak- en kleedgeldregeling.

Zak-, kleed- en reisgeld

Niet van toepassing, residentieel gelden hier de afspraken die gesteld zijn in de zak- en kleedgeldregeling.

Kinderen onder de 12 ontvangen geen kleedgeld. Voor kinderen onder 12 geldt een maximum van €40 euro per maand

Identificatiebewijs

  • Bewijsstukken bijsluiten

  • Voor de geldigheidsduur van het identiteitsbewijs kan niet nogmaals een beroep op een vergoeding worden gedaan

  • Geen maximum aan vergoeding identiteitsbewijs

  • Max. vergoeding pasfoto’s: € 16

Uittreksel geboorteregister BRP

  • Bewijs bijsluiten

  • Vergoeding regulier tarief

Naamswijziging

  • Indien dit noodzakelijk wordt geacht.

  • Bewijs bijsluiten

  • Vergoeding regulier tarief

Begrafenis of crematie

  • Zie hiernaast de opties voor vergoeding (dit is een uitzonderingssituatie)

  • Allereerst op basis van art 21wlb

  • wet bijzondere bijstand (bij familie)

Kosten eerste levensonderhoud (zwerfgeld)

  • Mits noodzakelijk voor voortgang hulpverlening.

  • Uitgangspunt: hulpverleners spreken eerst ouders aan (onderhoudsplicht)

  • Max. € 5,00 per dag voor max. 6 weken

Forensische Diagnostiek

Kijk eerst naar de voorliggende voorzieningen (wanneer onderzoek door NIFP niet is opgelegd door rechter)

Psychologische en/of psychiatrische diagnostiek ter voorbereiding van een civielrechtelijke beslissing

Zelfstandige kamerbewoning

Dagvergoeding

  • Een minderjarige van 15 jaar en ouder die op aanwijzing van de GI zelfstandig op kamers woont, kan een dagvergoeding krijgen als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

    • Er moet een machtiging uithuisplaatsing voor zelfstandige kamerbewoning zijn.

    • De jeugdige moet een kopie van de huurovereenkomst overleggen.

  • De dagvergoeding kan niet worden verstrekt aan minderjarigen die vanuit een residentiële voorziening op kamers gaan wonen en nog gedurende een bepaalde periode ingeschreven blijven bij deze voorziening.

  • De dagvergoeding wordt na afloop van de maand uitbetaald.

  • Maximale vergoeding is gelijk aan de pleegzorgvergoeding voor 16 t/m 17 jarigen.

Verblijf in het ziekenhuis

  • Als een zelfstandig wonende minderjarige wordt opgenomen in het ziekenhuis kan de GI deze jeugdige voor een periode van maximaal 3 maanden in staat stellen zijn kamer aan te houden en alle uitgaven te doen die redelijkerwijs in deze periode gedaan moeten worden.

  • Er moet een machtiging uithuisplaatsing voor zelfstandige kamerbewoning zijn.

Inrichtingskosten

  • Mits noodzakelijk geacht door GI

  • Bewijs bijsluiten

  • Zelfst. kamerbewoning: maximale vergoeding is € 500. Dit geldt tevens voor beschermd wonen en begeleid kamerbewoning

Babyvergoeding

  • Er bestaat een dagvergoeding voor een baby gedurende maximaal 6 maanden (of korter als de moeder eerder meerderjarig wordt) en een vergoeding voor de babyuitzet vanaf de zesde maand van de zwangerschap.

  • Indien een GI het noodzakelijk acht dat de vergoeding langer dan 6 maanden moet worden gegeven, wordt dit onderbouwd en afgestemd met de gemeente.

  • Maximale vergoeding is gelijk aan de pleegzorgvergoeding voor kinderen van 0-8 jaar.

Babyuitzet

  • Indien mogelijk via bijzondere bijstand

  • Mits een verklaring van een arts of verloskundige is bijgevoegd.

  • Maximale vergoeding is € 455

Overige kosten

  • Kosten die niet in het overzicht worden genoemd maar waarbij de GI van mening is dat deze kosten in het belang van de jeugdige worden vergoed.

  • Voor specifieke verzorgingsproducten (menstruatieproducten) voor meisjes t/m 18 jaar worden de kosten vergoed

  • Vooraf overleg hierover met de betrokken gemeenten

  • Bewijs bijsluiten

  • Afhankelijk wat gevraagd wordt

  • Maximaal €100,-

  • Shampoo en kapper/ toiletartikelen max € 250,- per jaar.

Bijlage Kwitantie voor verkoop via Marktplaats

Verkoper:

Naam:

Adres:

Woonplaats:

Op …… ….. (datum) heb ik een (brom)fiets verkocht voor een bedrag van €……………………….(bedrag)

aan …………………………………………….. (koper).

Deze (brom)fiets is aangeschaft voor ………………………………………………………………….(naam jeugdige)

Getekend

…………………………….. ……………………………………

Verkoper Koper

Algemene toelichting

Deze subsidieregeling is slechts één onderdeel van een groter geheel (een beleids- en uitvoeringscyclus, met politieke, bestuurlijke, financiële, juridische en – uiteraard – inhoudelijke aspecten) en creëert in de eerste plaats enkel een aanspraak op vergoeding voor de gesubsidieerde gecertificeerde instellingen.

Er wordt geen minimum- of maximumbudget aan gekoppeld omdat de gemeente uiteindelijk alle door de rechter, officier van justitie en directeur van een justitiële jeugdinrichting opgelegde maatregelen zal moeten financieren.

Vervolgens regelt deze regeling de daadwerkelijke toekenning (en afrekening). In de subsidieverleningsbe-schikking wordt telkens per individuele gecertificeerde instelling ook de bevoorschotting geregeld. Van de gesubsidieerde gecertificeerde instellingen wordt niet verwacht dat ze de betreffende werkzaamheden zelf voorfinancieren.

Artikelsgewijze toelichting

In deze artikelsgewijze toelichting worden enkel die bepalingen behandeld die nadere toelichting behoeven.

Artikel 1. Definities

Voor een aantal definities wordt in het eerste lid aangesloten bij artikel 1 van de Jeugdwet. Voor de duidelijkheid zijn deze wettelijke definities hieronder weergegeven:

  • Gecertificeerde instelling: rechtspersoon die in het bezit is van een certificaat of voorlopig certificaat als bedoeld in artikel 3.4 van de Jeugdwet en die een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uitvoert;

  • jeugdhulp :

    • 1°.

      ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie gerelateerde problemen;

    • 2°.

      het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en

    • 3°.

      het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt.

  • jeugdhulpverlener: natuurlijke persoon die beroepsmatig jeugdhulp verleent;

  • jeugdige: persoon die:

    • 1°.

      de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt,

    • 2°.

      de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht recht is gedaan overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht, of

    • 3°.

      de leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van deze wet:

      • 1.

        is bepaald dat de voortzetting van jeugdhulp als bedoeld in onderdeel 1°, waarvan de verlening was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, noodzakelijk is;

      • 2.

        vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar is bepaald dat jeugdhulp noodzakelijk is, of

      • 3.

        is bepaald dat na beëindiging van jeugdhulp die was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, binnen een termijn van een half jaar hervatting van de jeugdhulp noodzakelijk is;

  • jeugdreclassering: reclasseringswerkzaamheden, genoemd in artikel 77hh, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, begeleiding, genoemd in artikel 77hh, tweede lid, van dat wetboek en het begeleiden van en toezicht houden op jeugdigen die deel nemen aan een scholings- en trainingsprogramma als bedoeld in artikel 3 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, het geven van de aanwijzingen, bedoeld in artikel 12, vijfde lid, van die wet, of de overige taken die bij of krachtens de wet aan de gecertificeerde instellingen zijn opgedragen;

  • kinderbeschermingsmaatregel: voogdij en voorlopige voogdij op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 255, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en voorlopige ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 257, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

    Deze wettelijke definities worden in het tweede lid aangevuld met enkele die specifiek voor deze subsidieregeling gelden. Het gaat om:

    • actieplan: Dit plan ziet op het vergroten van de wendbaarheid van de gecertificeerde instelling teneinde te voorkomen dat ze in een situatie geraakt waarin de activiteiten geheel of gedeeltelijk moe-ten worden beëindigd en een exitplan (zie hieronder) in uitvoering moet worden genomen. Het plan sluit aan bij het rapport van de Rebel Group ‘optimale beschikbaarheid van jeugdbescherming en jeugdreclassering’ , en is er op gericht de risico’s op gebied van continuïteit van bedrijfsvoering beter op te kunnen vangen. Hierbij kan worden gedacht aan risico’s bijvoorbeeld verbonden aan sterke wisse-lingen in de vraagontwikkeling en sterke wisselingen in de beschikbare personele capaciteit.

    • exitplan: Om gecertificeerde instellingen te bewegen tot het blijven leveren van zorg bij een (aanstaan-de) volledige of gedeeltelijke beëindiging van gesubsidieerde activiteiten (een ‘exit’), en tot het treffen van maatregelen om de continuïteit van de zorg in die exitperiode te borgen, moeten de instellingen een exitplan opstellen. Van een exit kan sprake zijn als de subsidierelatie wordt beëindigd of wanneer de gecertificeerde instelling gedurende de looptijd niet langer in staat is de gesubsidieerde activiteiten uit te voeren. In het exitplan moet worden opgenomen op welke wijze de subsidieontvanger de werk-zaamheden overdraagt aan de gecertificeerde instelling die ná haar de gesubsidieerde activiteiten gaat uitvoeren, hoe zo mogelijk werknemers worden overgenomen, hoe medewerking wordt verleend aan de omzetting naar een nieuwe partij en hoe die oorspronkelijke gecertificeerde instelling de zorgconti-nuïteit zal gaan borgen tot het moment waarop de opvolger de gesubsidieerde activiteiten gaat uitvoe-ren.

    • Voor alle duidelijkheid wordt hier nog opgemerkt dat het exitplan niet wordt gezien als een subsidiabe-le activiteit in de zin van artikel 2 lid 3 van de regeling. Wel is mogelijk dat ingeval een exitplan in uitvoe-ring moet worden genomen daadwerkelijke en reële kosten voor vergoeding in aanmerking kunnen worden genomen, met inachtneming van het bepaalde in artikel 10 lid 1 sub d van deze regeling.

    • Buffer: Hierbij wordt de definitie gehanteerd uit de Handreiking Landelijk tarief en bekostiging jeugdbescherming en jeugdreclassering (versie 2024.1.0). Hierin worden bestemmingsreserves uitge-sloten. In artikel 19 van deze subsidieregeling is beschreven onder welke voorwaarden het vormen of verhogen van een bestemmingsreserve is toegestaan.

    • onderaannemer: Een op grond van deze regeling gesubsidieerde gecertificeerde instelling kan een deel van de gesubsidieerde activiteiten uit laten voeren door een andere gecertificeerde instelling. Alsdan blijft de uitvoering van de activiteiten voor rekening en risico van de gesubsidieerde gecertifi-ceerde instelling.

Artikel 2: Doel en toepassingsbereik

In beginsel wordt op grond van deze regeling enkel subsidie verstrekt voor het uitvoeren van de in het derde lid genoemde subsidiabele activiteiten, voor zover, als het maatregelen betreft, deze zijn opgelegd na inwerkingtreding van deze regeling of waarvan de uitvoering na inwerkingtreding van deze regeling is overgenomen van een andere gecertificeerde instelling.

Tenzij anders wordt overeengekomen blijven op de uitvoering van eerder opgelegde maatregelen de daarvoor geldende bestaande afspraken met betrekking tot de financiering van toepassing en blijft de uitvoering belegd bij de gecertificeerde instelling waaraan deze was toegewezen.

Het is echter denkbaar dat een op grond van deze regeling gesubsidieerde gecertificeerde instelling de uitvoering van een andere gecertificeerde instelling overneemt. Bijvoorbeeld omdat bepaald is dat dit beter is voor het kind of omdat de oorspronkelijke gecertificeerde instelling niet langer in staat is de uitvoering op zich te nemen (problemen met betrekking tot de certificering, capaciteit, continuïteit, etc.). Als een op grond van deze regeling gesubsidieerde gecertificeerde instelling de uitvoering van een andere gecertificeerde instelling overneemt, dan kan op grond van deze regeling ook subsidie worden verstrekt voor de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering die oorspronkelijk was opgelegd voor inwerkingtreding van deze regeling.

Subsidie voor activiteiten als bedoeld in het derde lid kan daarnaast ook worden verstrekt aan een gecertificeer-de instelling die al in opdracht van het college activiteiten als bedoeld in het derde lid uitvoerde. Maar enkel als de voor de financiering daarvan gesloten rechtsgeldige overeenkomst of verleende subsidie van rechtswege of met wederzijds instemming is beëindigd.

In andere gevallen blijven de daarvoor geldende bestaande afspraken met betrekking tot de financiering van toepassing, waarbij de situatie kan ontstaan dat er verschillende regimes voor financiering en verantwoording naast elkaar gehanteerd moeten worden.

Artikel 3. Doelgroep en subsidiabele activiteiten

In beginsel wordt op grond van deze regeling enkel subsidie verstrekt voor het uitvoeren van de in het derde lid genoemde subsidiabele activiteiten, voor zover, als het maatregelen betreft, deze zijn opgelegd na inwerkingtreding van deze regeling of waarvan de uitvoering na inwerkingtreding van deze regeling is overgenomen van een andere gecertificeerde instelling.

Tenzij anders wordt overeengekomen blijven op de uitvoering van eerder opgelegde maatregelen de daarvoor geldende bestaande afspraken met betrekking tot de financiering van toepassing en blijft de uitvoering belegd bij de gecertificeerde instelling waaraan deze was toegewezen.

Het is echter denkbaar dat een op grond van deze regeling gesubsidieerde gecertificeerde instelling de uitvoering van een andere gecertificeerde instelling overneemt. Bijvoorbeeld omdat bepaald is dat dit beter is voor het kind of omdat de oorspronkelijke gecertificeerde instelling niet langer in staat is de uitvoering op zich te nemen (problemen met betrekking tot de certificering, capaciteit, continuïteit, etc.). Als een op grond van deze regeling gesubsidieerde gecertificeerde instelling de uitvoering van een andere gecertificeerde instelling overneemt, dan kan op grond van deze regeling ook subsidie worden verstrekt voor de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering die oorspronkelijk was opgelegd voor inwerkingtreding van deze regeling.

Subsidie voor activiteiten als bedoeld in het derde lid kan daarnaast ook worden verstrekt aan een gecertificeerde instelling die al in opdracht van het collegeactiviteiten als bedoeld in het derde lid uitvoerde. Maar enkel als de voor de financiering daarvan gesloten rechtsgeldige overeenkomst of verleende subsidie van rechtswege of met wederzijds instemming is beëindigd.

In andere gevallen blijven de daarvoor geldende bestaande afspraken met betrekking tot de financiering van toepassing, waarbij de situatie kan ontstaan dat er verschillende regimes voor financiering en verantwoording naast elkaar gehanteerd moeten worden.

In het vierde lid worden diverse items benoemd die de basis vormen voor het handelen van zowel de organisatie als voor hun individuele medewerkers. Onder enkele items, zoals de beroepscode vallen diverse documenten.

  • a.

    Internationaal Verdrag inzake de rechten van het Kind (IVRK)

  • b.

    Jeugdwet

  • c.

    Normenkader ten behoeve van certificering van uitvoerende organisaties voor Jeugdbescherming en Jeugdreclassering

  • d.

    Richtlijnen jeugdhulp en jeugdreclassering

  • e.

    Geldende beroepscodes zoals de beroepscode voor professionals in sociaal werk, beroepscode voor pedagogen en beroepscode voor psychologen.

Artikel 4. Voorwaarden om voor subsidie in aanmerking te komen.

Aanvullend op het voldoen aan de gestelde eisen zoals benoemd in artikel 4 verwacht het college in aanvulling op een aantal onderdelen nog aanvullende voorwaarden. Bij de uitvoering van jeugdbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering wordt, voor wat betreft de toegangsfunctie naar gespecialiseerde jeugdhulp (op basis van Jeugdwet),:

  • aangesloten bij de in de gemeente c.q. jeugdregio gebruikelijke inkoopsystematiek, werkwij-zen en methoden met betrekking tot de toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van voorzieningen op het gebied van de jeugdhulp;

  • de te bereiken doelen en resultaten zoals opgesteld voor de afgegeven bepaling jeugdhulp gemonitord en mét cliënt en zorgaanbieder geëvalueerd;

  • bij het inzetten van spoedeisende gespecialiseerde jeugdhulp tijdig en concreet nagedacht over structurele of tijdelijke inzet en, indien noodzakelijk, het vervolg daarop.

Artikel 5. Verplichtingen bij uitvoering van maatregelen

Hierbij wordt van de GI verwacht dat zij in eerste instantie verwijzen naar het gecontracteerd zorgaanbod. Als dit niet voldoet kan, in overleg met de gemeente, bij uitzondering niet gecontracteerd aanbod worden ingezet. Dit vereist een goede kennis van het aanbod dat door gemeenten is ingekocht. Het derde lid van dit artikel geeft verdiepende informatie weer over de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering betreffende de toegangsfunctie naar (gecontracteerd) gespecialiseerd aanbod.

Artikel 6. Organisatie en werkprocessen

Hierbij wordt van de gecertificeerde instelling verwacht dat de gemeente(n) niet pas worden geïnformeerd op het moment van invoering van de instroomstop, maar dat dit minstens twee weken voorafgaand aan hiervan al met gemeenten, de andere gesubsidieerde gecertificeerde instellingen en andere betrokken ketenpartners zoals de Raad voor de Kinderbescherming en de Rechtbank, wordt overlegd.

Sub 5

Voor certificering stelt het Normenkader (versie 2.0) verplicht dat de organisatie een actuele registratie bijhoudt van de volgende indicatoren:

  • % van plannen van aanpak dat gemaakt is en gevolgd wordt op basis van de gehanteerde methode

  • % van de contactregistraties in het cliëntendossier waarin het eerste face-to-face-contact met jeugdige binnen vijf dagen na aanmelding heeft plaatsgevonden.

  • % aanmeldingen waarin binnen vijf dagen een professional is aangewezen en gemeld in cliëntsysteem.

  • % tijdige meldingen aan de RvdK ten behoeve van de toetsende taak van de RvdK

  • Tijdigheid van de rapportage

  • % cliënten met een maatregel gemiddelde doorlooptijden voor maatregelen

  • % cliënten met een machtiging UHP (JB)

  • Gemiddelde duur UHP (JB)

Artikel 7. Samenwerkingsverplichtingen GI en gemeente

Dit artikel omvat de samenwerkingsverplichtingen tussen GI en gemeenten. Naast de verplichtingen in de awb dient de subsidieontvanger samenwerkingsafspraken te maken, zoals bedoeld in artikel 3.1, vijfde lid, en artikel 3.5, derde lid, van de Jeugdwet. Onder sub a tot en met d zijn deze opgesomd, waaronder de uitvoeringspun-ten uit artikel 5 van deze regeling, deelname aan uitvoerings-, beleids- en bestuurlijk overleg, afspraken over evaluatie en opvolging van samenwerking.

Sub d gaat specifiek in op de uitvoering van het normenkader, waaronder gedeelde begrippen zoals systeemgericht werken en veiligheid, samenwerking bij verhuizingen van jeugdigen en afstemming bij inzet van jeugdhulp.

Artikel 8. Hoogte van de subsidie en indexering

In lid 1 tot en met 4 wordt specifiek ingegaan op de hoogte van de subsidie, de tarieven en indexering.

De hoogte van de subsidie wordt bepaald door een p*q-formule. De in bijlage 1 bij deze regeling vastgestelde tarieven per maatregel (p) worden naar rato van de werkelijke duur van de uitvoering vermenigvuldigd met het aantal uitgevoerde eenheden per product (q). De tarieven worden jaarlijks voor aanvang van een nieuw subsidiejaar geïndexeerd met de definitieve OVA van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar (t-1). Dit wordt door het college bij subsidieverlening kenbaar gemaakt.

Het vijfde lid gaat specifiek in op wanneer pupilkosten aangemerkt worden als subsidiabele kosten. Dit is het geval wanneer deze voldoen aan de kaders die gesteld zijn in de in bijlage 2 inhoudelijke lumpsumregeling, waarin de kostensoort, aanvullende voorwaarden en maximale vergoedingen zijn gespecificeerd.

Artikel 9. Aanvraag

Dit artikel omvat welke gegevens en bescheiden een GI moet aanleveren bij de subsidieaanvraag.

Het college moet over alle relevante gegevens en bescheiden beschikken om een besluit tot subsidieverlening te kunnen nemen. Die vereisten zijn in dit artikel opgenomen in het eerste lid, onder sub a tot en met c.

In sub c wordt specifiek ingegaan op het plan van aanpak met doelstellingen, en op welke thema’s in ieder geval de wijze waarop de subsidieaanvrager hier aan bijdraagt dienen te zijn uitgewerkt, waaronder het normenkader, kwaliteitskader, werkwijze 1G1P1R en de visie gefaseerd samenwerken aan veiligheid als bedoeld in artikel 1. Tevens wordt er in dit artikel een uitwerking gevraagd op de thema’s personeelszaken, samenwerking met ketenpartners om doorlooptijden te verkorten en de duur van maatregelen, de aansluiting op het jeugdhulpstel-sel in de jeugdhulpregio, de samenwerking met lokale teams bij inzet en op- en afschalen van hulp én monitoring en evaluatie van jeugdhulp doelen van cliënt en zorgaanbieder.

In het tweede lid staan documenten genoemd die éénmalig overlegd dienen te worden en alleen bij wijziging opnieuw worden ingediend. Dit laatste kan ook plaatsvinden op het moment van de wijziging en is daarmee niet gebonden aan de termijn van de aanvraag.

Artikel 10. Aanvraagtermijn

In dit artikel is de termijn geregeld waarvoor de aanvraag voor subsidie dient te zijn ontvangen. Het college kan jaarlijks een afwijkende aanvraagtermijn vaststellen en publiceren, bijvoorbeeld indien dit nodig is vanwege planning, bestuurlijke afstemming of landelijke ontwikkelingen.

Artikel 11. Beslistermijn

Dit artikel bevat de termijn waarbinnen door het college op de aanvraag voor subsidie beslist.

Artikel 12. Aanvullende weigeringsgronden

Dit artikel bevat weigeringsgronden voor subsidie door het college.

Het college weigert de subsidie in ieder geval als niet (of onvoldoende) kan worden voldaan aan een van de gestelde vereisten in artikel 5, 6 en 7. Daarnaast kan een subsidie worden geweigerd als niet is voldaan aan één van de in deze regeling genoemde eisen of als uit de aanvraag naar oordeel van het college onvoldoende is gebleken dat de aanvrager de gehele subsidieperiode in staat zal zijn te beschikken over het in kwalitatief en kwantitatief opzicht benodigde personeel en materieel om de subsidiabele activiteiten uit te voeren uitgaande van de prognose en inhoudelijke uitgangspunten als bedoeld in artikel 9. Het college is in deze gevallen niet verplicht, maar wel bevoegd de subsidie te weigeren.

Artikel 13 – Herziening, wijziging en intrekking

Het college kan besluiten de subsidie te herzien, te wijzigen of in te trekken, wanneer bijvoorbeeld de certificering (als bedoeld in artikel 3.4 van de Jeugdwet) wordt ingetrokken, er sprake is van personele problemen of fraude. Ook het handelen van bestuurders en/of medewerkers (waar bestuurders in eerste instantie verantwoordelijk zijn voor het handelen van medewerkers), waarbij de zorgcontinuïteit in gevaar komt, kan een reden zijn voor herziening, wijziging of intrekking van de subsidie.

In lid 3 is geregeld dat wanneer de subsidie eindigt, er bij onvoldoende overdracht of onzorgvuldig handelen, financiële gevolgen kunnen volgen. Alle bepalingen in dit artikel zijn bedoeld om de continuïteit van zorg en het publieke belang te beschermen.

Artikel 14 – Verplichtingen

Naast de verplichtingen op grond van de Awb dienen subsidieontvangers te voldoen aan een aantal aanvullende verplichtingen. In dit artikel worden de verplichtingen opgesomd, waaronder het voldoen aan landelijk geldende verplichtingen, zoals normen voor verantwoorde werktoedeling en de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Ook de regionale structuren voor gegevensuitwisseling en aanvullende gegevensverzoeken dienen te worden (op)gevolgd. Deelname aan overlegstructuren en samenwerking met ketenpartners, en daarbij specifiek de lokale toegang zijn verplicht. Deze verplichtingen versterken de samenhang in de uitvoering en daarbij de ondersteuning die jeugdigen en hun gezin ontvangen vanuit GI, maar ook andere betrokken partners.

Lid 3 gaat specifiek over de verwijsindex, bedoeld in artikel 7.1.2.1 van de Jeugdwet. Ten tijde van opstellen van deze regeling is er onduidelijkheid of deze wettelijke bepaling blijft bestaan. In geval deze wettelijke bepaling vervalt, vervalt ook deze aanvullende verplichting.

Artikel 15 – Meld- en informatieverplichtingen

De GI heeft een actieve informatieplicht richting het college bij omstandigheden die de zorgcontinuïteit of kwaliteit van de dienstverlening in gevaar brengen. Hiermee kan de gemeente tijdig ingrijpen of ondersteuning bieden. Tevens spant de GI zich maximaal in om informatie aan te leveren en verleent daarbij medewerking aan ingesteld onderzoek.

Artikel 16 – Toestemmingsvereisten

De subsidieontvanger heeft voorafgaande toestemming van het college nodig voor het verrichten van de rechtshandelingen, genoemd in artikel 4:71, eerste lid, onder a tot en met f en h tot en met j, voor een fusie als bedoeld in artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, voor het aangaan van samenwerkingen met anderen dan de onderaannemers en voor substantiële wijzigingen van de bescheiden, genoemd in artikel 18 en 19 van deze subsidieregeling.

Dit voorkomt ongewenste risico’s of situaties waarin gemeentelijke middelen worden ingezet zonder bestuurlijke afweging.

Artikel 17 – Bevoorschotting

De subsidieregeling geldt voor onbepaalde tijd, maar wordt per kalenderjaar verleend en vastgesteld. Omdat de subsidie op grond van artikel 21 van deze regeling achteraf wordt vastgesteld, dient een aanvraag om bevoorschotting te worden ingediend. Gemakshalve is hier bepaald dat de aanvraag om subsidieverlening als vanzelf ook inhoudt de aanvraag om bevoorschotting. Het college beslist gelijktijdig op de aanvraag om subsidieverlening als op de aanvraag om bevoorschotting. Daarnaast kan, op grond van het derde lid, gedurende de looptijd van de subsidie een aanvraag om aanpassing van het bevoorschottingsregime ingediend worden. Hiertoe kan bijvoorbeeld aanleiding zijn als er meer of minder maatregelen uitgevoerd moeten worden dan was voorzien ten tijde van de verlening. Voorts heeft het college de bevoegdheid de bevoorschotting aan te passen indien daartoe aanleiding bestaat (vierde lid).

Artikel 18 – Buffervermogen

Eerste lid

Subsidieontvangers moeten een buffer vormen, als bedoeld als bedoeld in artikel 1. Het aanhouden van een buffervermogen is verplicht om financiële schokken op te vangen en continuïteit te waarborgen. Tekorten in het ene jaar kunnen met de buffer opgevangen worden in het andere jaar.

Tweede lid

Het deel van de buffer dat is opgebouwd met subsidie mag op grond van deze regeling uitsluitend worden aangewend voor het uitvoeren van activiteiten waarvoor subsidie is verleend. Dit betekent dat indien het buffervermogen is aangewend voor andere activiteiten dan waarvoor deze subsidie is verleend, het bedrag dat onrechtmatig is onttrokken aan de buffer, opgebouwd uit gemeentelijk subsidiegeld, teruggevorderd wordt bij de vaststelling van de subsidie. Indien de subsidieontvanger een bedrag uit de buffer wil aanwenden voor activiteiten anders dan waar de subsidie voor is bedoeld, wordt hiervoor vooraf goedkeuring gevraagd aan het college.

Derde lid

Het artikel legt onder- en bovengrenzen vast (10%–15% van de gemiddelde jaaromzet over de drie meest recente boekjaren), waarbij een buffervermogen lager dan 10% als risico wordt gezien voor het behouden van een financieel gezonde situatie van de GI, waardoor een opslag in de kostprijs zal worden gehanteerd.

Tot een buffervermogen van 15% mogen exploitatieoverschotten worden toegevoegd aan het buffervermogen. Het college stelt aan de hand van de laatste drie jaarrekeningen vast of het buffervermogen voldoet aan de norm. Overschrijding van 15% buffervermogen leidt tot een lagere subsidievaststelling van de verleende subsidie. Het meerdere wordt teruggevorderd bij de vaststelling. Deze systematiek volgt landelijke richtlijnen.

Bij subsidieverlening kunnen nadere verplichtingen worden gesteld, onder andere met betrekking tot de wijze waarop de reserve is opgebouwd en de maximale hoogte daarvan.

Artikel 19 – Bestemmingsreserve

Een bestemmingsreserve vormt, anders dan het buffervermogen in artikel 18, een gerichte reservering van middelen voor een specifiek, incidenteel doel. Dit artikel regelt de voorwaarden waaronder een GI een bestemmingsreserve mag vormen of verhogen met gemeentelijke subsidiemiddelen. De bepaling sluit aan bij het uitgangspunt dat gemeentelijke middelen doelgebonden zijn en uitsluitend mogen worden ingezet voor activiteiten waarvoor subsidie is verleend.

De vorming of verhoging van een bestemmingsreserve is alleen toegestaan als de GI beschikt over een positief jaarresultaat dat niet voortvloeit uit onderuitputting van gesubsidieerde activiteiten. Dit voorkomt dat niet-bestede subsidiegelden zonder instemming worden vastgezet. De reserve moet voorts een concreet, tijdelijk doel dienen dat binnen drie jaar wordt gerealiseerd. Hiermee wordt geborgd dat de bestemmingsreserve geen structureel karakter krijgt. De verplichting tot jaarlijkse evaluatie bij de subsidievaststelling maakt het mogelijk om de voortgang en rechtmatigheid te volgen. Tot slot is schriftelijke toestemming van het college vereist; zonder instemming mag geen bestemmingsreserve worden gevormd. Indien de bestemmingsreserve niet binnen drie jaar besteed wordt aan het incidentele doel, valt de reserve terug in het vrije vermogen van de GI.

Een wijziging van de eerder goedgekeurde bestemming vergt eveneens voorafgaande toestemming van het college. Onttrekkingen uit de bestemmingsreserve zijn wél toegestaan zonder voorafgaande toestemming, mits deze passen binnen het doel waarvoor de reserve is aangelegd.

Een GI moet aantonen dat de bestemmingsreserve noodzakelijk en proportioneel is, in relatie tot het eigen vermogen en de gemeentelijke subsidiedoelen.

Het college heeft de bevoegdheid om aanvullende informatie te vragen om de noodzaak en rechtmatigheid van de bestemmingsreserve te kunnen beoordelen.

Een bestemmingsreserve die met gemeentelijke middelen is gevormd, wordt bij beëindiging van activiteiten of intrekking van de subsidie teruggevorderd.

Artikel 20 – Indiening van de aanvraag tot subsidievaststelling

Dit artikel regelt de procedure en inhoudelijke vereisten voor het indienen van de aanvraag tot subsidievaststel-ling. De vaststelling vormt de afronding van de subsidierelatie over een bepaald subsidiejaar, waarbij het college beoordeelt of de subsidieontvanger de gesubsidieerde activiteiten rechtmatig, doelmatig en overeenkomstig de beschikking heeft uitgevoerd.

Lid 1 wijkt af van de standaardtermijn in de Algemene subsidieverordening (ASV) en bepaalt dat de GI de aanvraag tot subsidievaststelling uiterlijk vóór 1 juni van het daaropvolgende kalenderjaar moet indienen. Lid 2 somt de documenten op die verplicht deel uitmaken van de aanvraag.

Lid 3 bepaalt dat de reeds per kwartaal overgelegde informatie (zie artikel 22) onderdeel uitmaakt van de vaststellingsprocedure. Dit voorkomt dubbele verantwoording en maakt gebruik van reeds beschikbare data. Lid 4 biedt het college de mogelijkheid om, bij beschikking, van de standaardverplichtingen af te wijken. Dit kan nodig zijn bij specifieke omstandigheden, bijvoorbeeld bij landelijke wijzigingen in verantwoordingsformats of afwijkende subsidietermijnen.

Artikel 21 – Vaststelling van de subsidie

De vaststelling vormt de afronding van de subsidierelatie over het betreffende kalenderjaar. Op dat moment beoordeelt het college of de subsidieontvanger heeft voldaan aan de verplichtingen uit de regeling, de subsidiebeschikking en de Algemene wet bestuursrecht.

De definitieve vaststelling vindt plaats op basis van de stukken die zijn ingediend overeenkomstig artikel 20. Lid 2 legt een beslistermijn vast van dertien weken na ontvangst van een volledige aanvraag.

Artikel 22 – Kwartaalevaluatie

Dit artikel verplicht de GI tot periodieke verantwoording gedurende het subsidiejaar. Door middel van kwartaalevaluaties kan het college tijdig toezicht houden op de uitvoering, de voortgang en de financiële positie van de GI. Deze systematiek voorkomt dat eventuele risico’s pas aan het einde van het jaar aan het licht komen. De GI levert per kwartaal actuele gegevens aan over de omvang van de maatregelen, de financiële kerncijfers en de werkdruk. Daarnaast worden wachttijden, trends en bijzondere omstandigheden inzichtelijk gemaakt.

Artikel 23 – Hardheidsclausule

De hardheidsclausule biedt het college de mogelijkheid om in uitzonderlijke situaties af te wijken van de bepalingen in deze regeling, wanneer strikte toepassing zou leiden tot gevolgen die onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Het gebruik van de hardheidsclausule is nadrukkelijk bedoeld als uitzondering en vergt een deugdelijke motivering. Het tweede lid bepaalt dat het college in dergelijke gevallen de gemaakte afweging en beslissing communiceert aan de overige regiogemeenten.

Artikel 24 – Slotbepalingen

Dit artikel regelt de inwerkingtreding, citeertitel en overgangsbepalingen van de subsidieregeling.

Lid 1 en 2 regelt dat deze regeling in werking treedt op 1 januari 2027 en dat de voorgaande subsidieregeling jeugdbescherming en jeugdreclassering 2023 en verder, wordt ingetrokken bij de inwerkingtreding van deze regeling.

Lid 3 bepaalt dat activiteiten die vóór de inwerkingtreding van deze nieuwe subsidieregeling zijn toegekend, van kracht blijven en op basis van de regeling die bij de aanvraag van kracht was worden voortgezet, zodat de uitvoering en bekostiging ononderbroken doorgang kunnen vinden.

Lid 4 regelt de rechtspositie van lopende subsidierelaties en procedures bij de overgang van de oude subsidieregeling naar de nieuwe regeling per 1 januari 2027. Aanvragen die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van deze regeling, worden afgehandeld op grond van de regeling die gold ten tijde van indiening. Reeds verleende subsidies voor activiteiten die doorlopen na 1 januari 2027, worden vastgesteld volgens de voorwaarden van de oude regeling. Bezwaar- en beroepsprocedures tegen besluiten die zijn genomen op basis van de oude regeling, worden onder die regeling worden afgehandeld. De bestaande subsidierelaties vallen bij de eerstvolgende subsidieverlening na 1 januari 2027 automatisch onder deze nieuwe regeling.

Lid 5 bevat de mogelijkheid voor het college om de regeling te wijzigen of in te trekken. Daaronder vallen in ieder geval maar niet uitsluitend gewijzigde wet- en/of regelgeving en/of financiële kaders en relevante beleidswijzigingen.

Lid 6 geeft grond om met elkaar in overleg te treden als daar bij de uitvoering van deze subsidieregeling aanleiding toe is.

Tot slot wordt met de overgangs- en citeerbepalingen duidelijk welke regeling van toepassing blijft op lopende aanvragen en bezwaarprocedures.


Noot
1

Buiten deze regeling vallen zak- en kleedgeld. Hier zijn namelijk aparte afspraken over gemaakt met GI’s en verblijfsinstellingen voor kinderen die met een jeugdbeschermingsmaatregel in een instelling verblijven.

Noot
2

Kosten van zorg of medicatie worden alleen vergoed indien deze geleverd worden door zorgverleners die een contract hebben met de betreffende zorgverzekeraar. Indien dit niet het geval is, wordt in overleg met de zorgverzekeraar een gecontracteerde zorgverlener gezocht. Daarnaast geldt dat er geen kosten vergoedt worden voor handverkoopmedicatie, zoals middelen die zonder recept via de drogist worden aangeschaft.

Noot
3

Er geldt een maximale vergoeding ad € 570 per schooljaar voor ouderbijdrage en schoolreizen, verplichte schoolkosten regulier voortgezet onderwijs, verplichte schoolkosten vervolgonderwijs en duurzame leermiddelen.

Noot
4

Scholen mogen ouders om een vrijwillige ouderbijdrage vragen voor extra activiteiten buiten de lessen om. Kinderen van ouders die hiervoor niet betalen, mogen altijd meedoen.

Noot
5

De vrijwillige ouderbijdrage voor extra activiteiten (zoals excursies en sportdagen) is niet verplicht, en kinderen mogen hier niet van worden uitgesloten, ook als ouders niet betalen.

Noot
6

Voor het ontvangen van studiefinanciering en dus ook een studentenreisproduct geldt voor het hoger onderwijs geen minimumleeftijd. Is een jeugdige nog geen 18 jaar oud? Dan heeft deze jeugdige het eerste kwartaal na de start van de studie recht op studiefinanciering. NB: studiefinanciering en kinderbijslag gaan niet samen. Ouders ontvangen normaal gesproken kinderbijslag tot dat de jeugdige 18 jaar oud is (bij zorg, dan wel gedeeltelijke zorg voor kind). Overleg altijd eerst met de ouders, indien mogelijk, voordat studiefinanciering wordt aangevraagd voor een jeugdige die nog geen 18 jaar is.DUO adviseert altijd om studiefinanciering drie maanden voor aanvang van de studie aan te vragen, dit geldt ook voor minderjarige studenten in het hoger onderwijs.

Noot
7

voor het MBO ontvangt een jeugdige pas vanaf het kwartaal nadat hij/zij 18 jaar is geworden studiefinanciering. Er kan echter wel een reisproduct worden aangevraagd als er een voltijd Mbo-opleiding wordt gevolgd.

Noot
8

Een laptop of tablet is geen gratis lesmateriaal. Scholen kunnen ouders of verzorgers vragen om een laptop aan te schaffen, maar mogen dat niet verplichten. Scholen moeten ervoor zorgen dat alle leerlingen kunnen meedoen met het volledige lesprogramma, ook wanneer (een deel van) dit programma digitaal is. Als ouders niet kunnen of willen betalen voor een laptop dan moet de school voor een volwaardig alternatief zorgen, bijvoorbeeld door het aanbieden van een leenlaptop. De school mag hiervoor een vrijwillige bijdrage van de ouders vragen. Ouders zijn niet verplicht deze bijdrage te betalen als zij dit niet willen of kunnen. De school moet dan voor ander passend lesmateriaal zorgen.

Noot
9

Alleen tolkkosten ten behoeve van de uitvoering van de maatregel (=eigen dienstverlening van GI’s). Tolkkosten ten behoeve van hulpverlening aanbieder zijn voor rekening aanbieder.