Participatieverordening gemeente Krimpenerwaard 2026

Geldend van 17-02-2026 t/m heden

Intitulé

Participatieverordening gemeente Krimpenerwaard 2026

De gemeenteraad van de gemeente Krimpenerwaard,

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 18 november 2025,

gelet op de artikelen 149 en 150 van de Gemeentewet, de artikelen 3.1, 2.4 en 3.4 van de Omgevingswet en de artikelen 10.7, 10.2 en 10.8 van het Omgevingsbesluit;

gezien het advies van de commissie ruimte en financiën,

besluit vast te stellen de volgende verordening:

Participatieverordening gemeente Krimpenerwaard 2026

Hoofdstuk 1 – Inleidende bepalingen

Artikel 1 – Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    Beleid: gedragslijn, project, programma of plan van de gemeente om een bepaald doel te realiseren.

  • b.

    Beleidsvoornemen: het voornemen van het bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid;

  • c.

    Bestuursorgaan: het bestuursorgaan dat bevoegd is voor het beleid of de taak; dit kan de gemeenteraad, het college of de burgemeester zijn.

  • d.

    College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Krimpenerwaard.

  • e.

    Inwoners: ingezetenen zoals bedoeld in artikel 2 van de Gemeentewet.

  • f.

    Burgerparticipatie: op initiatief van de gemeente betrekken van inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid.

  • g.

    Maatschappelijke partijen: verenigingen, stichtingen, buurtcomités, sociale ondernemingen en andere organisaties die een actieve bijdrage leveren aan de samenleving binnen de gemeente.

  • h.

    Ondernemers: bedrijven en instellingen die statutair binnen de gemeente zijn gevestigd of hun activiteiten in hoofdzaak binnen de gemeente verrichten.

  • i.

    Overheidsparticipatie: op initiatief van inwoners en maatschappelijke partijen betrekken van de gemeente bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid, inclusief het uitdaagrecht.

  • j.

    Participatie: samenwerking tussen een bestuursorgaan en inwoners of maatschappelijke partijen, in welke vorm dan ook, inclusief burgerparticipatie, overheidsparticipatie en inspraak.

  • k.

    Inspraak: de mogelijkheid die een bestuursorgaan inwoners en maatschappelijke partijen bij burgerparticipatie biedt om een reactie over beleid te geven, waarbij kan worden afgeweken van de voorwaarden voor burgerparticipatie zoals bedoeld in de artikelen 5 en 8.

  • l.

    Uitdaagrecht: het recht van inwoners en maatschappelijke partijen om de feitelijke uitvoering van een gemeentelijke taak met eventueel bijbehorend budget over te nemen, zoals bedoeld in artikel 150, derde lid, van de Gemeentewet.

Hoofdstuk 2 – Kaders en uitgangspunten

Artikel 2 – Doelstelling

Het doel van deze verordening is:

  • a.

    duidelijkheid te geven over het proces van participatie en de voorwaarden waaronder toepassing van het uitdaagrecht mogelijk is;

  • b.

    de samenwerking tussen een bestuursorgaan enerzijds en inwoners en maatschappelijke partijen anderzijds te versterken;

  • c.

    de kwaliteit van lokale democratische processen te vergroten;

  • d.

    de samenleving binnen de gemeente te versterken.

  • e.

    samen met inwoners en belanghebbende komen tot zorgvuldige plannen en besluiten.

Artikel 3 – Reikwijdte

  • 1. Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen beleid, taken en bevoegdheden of participatie wordt toegepast.

  • 2. Bij het vaststellen of wijzigen van de omgevingsvisie (art. 3.1 Omgevingswet), het omgevingsplan (art. 2.4 Omgevingswet) of programma’s (art. 3.4 Omgevingswet) past het bestuursorgaan zoveel mogelijk deze verordening toe, inclusief de motiveringsplicht (art. 10.7, 10.2 en 10.8 Omgevingsbesluit).

  • 3. Participatie vindt niet plaats indien:

    • a.

      het een lopend uitvoerings- of evaluatietraject betreft,

    • b.

      als participatie wettelijk is uitgesloten;

    • c.

      spoedeisendheid het afwachten van participatie niet toestaat;

    • d.

      het belang van kwetsbare groepen zwaarder weegt;

    • e.

      uitvoering van hogere regelgeving nauwelijks beleidsvrijheid laat;

    • f.

      het interne aangelegenheden van de gemeente betreft;

    • g.

      het gaat om begroting, tarieven of belastingen (hoofdstuk XV Gemeentewet).

    • h.

      Het belang van participatie niet opweegt tegen het belang van handhaving van de openbare orde en veiligheid.

Artikel 4 – Zorgplicht bestuursorgaan

Het bestuursorgaan zorgt ervoor dat:

  • a.

    inwoners en maatschappelijke partijen tijdig betrokken worden,

  • b.

    het proces van participatie inzichtelijk is en alle vormen van participatie duidelijk zijn

  • c.

    benodigde stukken openbaar zijn;

  • d.

    de stand van zaken tijdens het proces inzichtelijk is;

  • e.

    het proces van participatie zorgvuldig verloopt;

  • f.

    duidelijk is waar vragen of klachten kunnen worden gemeld;

  • g.

    na afloop bekend is hoe participatie is verlopen, wat de uitkomsten zijn en hoe deze in besluitvorming zijn verwerkt.

Hoofdstuk 3 – Burgerparticipatie

Artikel 5 – Plan voor burgerparticipatie

  • 1. Het bestuursorgaan stelt vooraf, voorafgaand aan de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid, vast op welke wijze burgerparticipatie wordt vormgegeven. Dit wordt vastgelegd in een plan en dit plan is gebaseerd op het participatiebeleid gemeente Krimpenerwaard 2026 of diens rechtsopvolger. Dit plan wordt binnen twee weken openbaar gemaakt.

  • 2. Als burgerparticipatie wordt toegepast , legt het bestuursorgaan in ieder geval de volgende onderwerpen vast in een plan en maakt dit openbaaar; Het plan bevat:

    • a.

      een omschrijving van het beleid;

    • b.

      duidelijkheid waarover wel en niet meegedacht kan worden;

    • c.

      de vorm van participatie (informeren, raadplegen, adviseren, coproduceren, meebeslissen of combinatie daarvan);

    • d.

      informatie over procedure, planning, doelgroepen en besluitvorming.

  • 3. Indien het college de besluitvorming voor de raad voorbereidt, stelt het college het plan op en informeert de raad.

Artikel 6 – Inspraak

Als een bestuursorgaan in het kader van de burgerparticipatie voor inspraak kiest of als inspraak wettelijk verplicht is, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het bestuursorgaan een ander proces vaststelt.

Hoofdstuk 4 – Eindverslag burgerparticipatie

Artikel 7 – Eindverslag participatie

  • 1. Het bestuursorgaan stelt na participatie een eindverslag op en maakt dit binnen twee weken openbaar.

  • 2. Het bevat:

    • a.

      een beschrijving van het proces;

    • b.

      de uitkomsten;

    • c.

      een reactie op de uitkomsten en aanpassingen in beleid;

    • d.

      een evaluatie van het proces.

  • 3. Als het college op grond van artikel 6, derde lid het plan heeft opgesteld, stelt het college ook het eindverslag op en informeert de gemeenteraad over de inhoud.

Hoofdstuk 5 – Overheidsparticipatie (uitdaagrecht valt hieronder)

Artikel 8 – Verzoek om overheidsparticipatie

  • 1. Inwoners en maatschappelijke partijen kunnen bij het college een verzoek indienen.

  • 2. Het verzoek bevat:

    • a.

      omschrijving van de overheidsparticipatie;

    • b.

      reden voor het verzoek;

    • c.

      beoogd resultaat;

    • d.

      betrokkenheid, kennis en ervaring van initiatiefnemer;

    • e.

      kosten en middelen;

    • f.

      bij uitdaagrecht: waarborging kwaliteit en uitvoering.

  • 3. Het college kan aanvullende informatie opvragen.

Artikel 9 – Beoordeling verzoek overheidsparticipatie

  • 1. Het college zendt het verzoek door aan het bevoegd bestuursorgaan en informeert de indiener.

  • 2. Afwijzing kan plaatsvinden als:

    • a.

      de taak zich verzet tegen overheidsparticipatie;

    • b.

      het verzoek niet voldoet aan de eisen;

    • c.

      de uitvoering niet beter wordt of kosten hoger zijn;

    • d.

      strijd met vastgesteld beleid;

    • e.

      opdrachtwaarde boven Europese drempelwaarde.

  • 3. Het bestuursorgaan beslist binnen twaalf weken op het verzoek als bedoeld in paragraaf 2.1.1.1 van de Aanbestedingswet.

  • 4. Het bestuursorgaan maakt het besluit ten aanzien van een binnengekomen verzoek binnen veertien dagen openbaar.

Artikel 10 – Uitvoering taak

Bij toewijzing maakt het bestuursorgaan afspraken over:

  • a.

    proces, resultaat en looptijd van de overheidsparticipatie;

  • b.

    budget en financieringswijze van de overheidsparticipatie;

  • c.

    contact met en ondersteuning door het bestuursorgaan gedurende het proces van de overheidsparticipatie;

  • d.

    stappen bij niet-naleving van de gemaakte afspraken en het tussentijds beëindigen van de overheidsparticipatie; en

  • e.

    evaluatie van de overheidsparticipatie.

Hoofdstuk 6 – Slotbepalingen

Artikel 11 – Nadere regels college

Het college kan nadere regels vaststellen over burgerparticipatie en overheidsparticipatie.

Artikel 12 – Hardheidsclausule

Het bestuursorgaan kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen van deze verordening, mits gemotiveerd.

Artikel 13 – Intrekking oude verordening en overgangsrecht

De participatieverordening gemeente Krimpenerwaard 2021 wordt ingetrokken.

Artikel 14 – Inwerkingtreding en citeertitel

Deze verordening treedt in werking op 28 januari 2026 en wordt aangehaald als: Participatieverordening gemeente Krimpenerwaard 2026.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 27 januari 2026.

de griffier,

S. van Dijk

de voorzitter,

ir. J. Beenakker

Toelichtende tekst

Aanleiding: Wet versterking participatie op decentraal niveau

Op 1 januari 2025 is de Wet versterking participatie op decentraal niveau in werking getreden (Stb. 2024, 203, hierna: de wet). Deze wet beoogt het draagvlak voor het beleid van gemeenten, en de uitvoering en evaluatie daarvan, te vergroten door inwoners hier een grotere rol in te geven. Volgens de memorie van toelichting is het, gezien de grote maatschappelijke opgaven waar gemeenten voor staan, van belang dat gemeenten inwoners vroegtijdig en zorgvuldig betrekken bij vraagstukken.

Tegen die achtergrond voorziet de wet in de eerste plaats in een verbreding van de verplichtingen voor gemeenten. Gemeenten moeten inwoners op grond van de wet niet meer alleen bij de voorbereiding van beleid betrekken, maar ook bij de uitvoering en evaluatie daarvan (artikel 150, eerste lid, van de Gemeentewet). In de memorie van toelichting is bovendien opgemerkt dat inspraak lang niet het enige middel voor gemeenten is om inwoners bij het maken van beleid en de uiteindelijke besluitvorming te betrekken. De wet beoogt in de tweede plaats dus dat gemeenten hun inspraakverordening vervangen door een participatieverordening en dat zij daarin meer recht doen aan alle verschillende middelen die er voor participatie zijn.

Tot slot bevat de wet een bepaling over het uitdaagrecht. Uit artikel 150, derde lid, van de Gemeentewet volgt dat gemeenten in de nieuwe participatieverordening niet alleen moeten voorzien in de wijze waarop gemeenten inwoners bij het voorbereiden, uitvoeren en evalueren van gemeentelijk beleid betrekken, maar aan inwoners en maatschappelijke partijen ook de mogelijkheid moeten bieden zelf het initiatief te nemen. Geregeld is dat gemeenten in de participatieverordening de voorwaarden moeten bepalen waaronder inwoners en maatschappelijke partijen taken van de gemeente kunnen uitvoeren. Dit betreft zowel het uitvoeren van de eigen taken van de gemeenten (artikel 150, derde lid, onder a), als het uitvoeren van de taken die aan de gemeenten in medebewind zijn gegeven (artikel 150, derde lid, onder b). Dit laatste voor zover dat niet in strijd is met de wet.

Invulling participatieverordening

In de wet is niet voorgeschreven welke middelen voor participatie gemeenten precies in hun participatieverordening moeten opnemen. Verder zijn gemeenten ook vrij in de voorwaarden die zij aan de toepassing van het uitdaagrecht verbinden. Het is dus aan gemeenten om een afweging te maken hoe zij de participatieverordening precies in willen vullen. Bij die afweging zal in de eerste plaats aandacht moeten zijn voor de wensen die er binnen de gemeente, en onder de inwoners, ten aanzien van participatie zijn. Daarnaast zal een gemeente echter ook rekening moeten houden met de kosten of andere middelen die met de uitvoering van de verordening gemoeid zijn en wat de uitvoering van de verordening van de ambtelijke organisatie vraagt. Bijvoorbeeld als het aankomt op de houding en het gedrag, maar ook als het op de planning van besluitvormingsprocessen aankomt.

Dat hierin een zorgvuldige afweging wordt gemaakt is van groot belang, want de invulling die een gemeente aan de participatieverordening geeft, heeft gevolgen voor de verwachtingen die de inwoners en de maatschappelijke partijen van de gemeente hebben. Als een participatieverordening uiteindelijk niet uitvoerbaar is, bijvoorbeeld vanwege de kosten en ambtelijke capaciteit die de uitvoering vraagt, dan betekent dit dat die verwachtingen waarschijnlijk niet worden waargemaakt en dat heeft ook gevolgen voor het vertrouwen van inwoners en maatschappelijke partijen in de overheid in het algemeen en de gemeente in het bijzonder.

Tegen die achtergrond is er in deze verordening in de eerste plaats voor gekozen om de kennis en ervaring van de inwoners, organisaties en andere belanghebbenden binnen de gemeente zoveel mogelijk te benutten en dit ook in alle stappen van het beleidsproces te doen. Vanaf het bepalen van de agenda tot aan de voorbereiding, besluitvorming, uitvoering en evaluatie van het gemeentelijk beleid. In deze verordening zijn daartoe de spelregels voor burgerparticipatie opgenomen. Dat wil zeggen dat het gaat om een kader voor de wijze waarop inwoners, organisaties en andere belanghebbenden op initiatief van de gemeente bij het beleidsproces worden betrokken. Verder is er een wens om ook initiatieven vanuit inwoners en maatschappelijke partijen zoveel mogelijk te omarmen. Daartoe wordt ook overheidsparticipatie, dus de situatie waarin de gemeente op initiatief van inwoners en maatschappelijke partijen wordt betrokken bij plannen die inwoners en maatschappelijke partijen hebben, in de verordening gefaciliteerd. Onderdeel van die overheidsparticipatie is ook het uitdaagrecht zoals dat vanaf 1 januari 2025 in de Gemeentewet verankerd is. Er zijn in de verordening voorwaarden opgenomen waaronder overheidsparticipatie plaats kan vinden en de verordening voorziet ook in een procedure bij het indienen van een verzoek daartoe.

Daarbij wordt nog opgemerkt dat de burgemeester, op grond van artikel 170, eerste lid, onderdeel a en c, van de Gemeentewet, een zorgplicht heeft. Hij moet toezien op een tijdige voorbereiding, vaststelling, uitvoering en evaluatie van het gemeentelijk beleid en van de daaruit voortvloeiende besluiten, een goede afstemming tussen degenen die bij die voorbereiding, vaststelling, uitvoering en evaluatie zijn betrokken en de kwaliteit van procedures op het vlak van participatie.

Aansprakelijkheid en aanbesteding

Benadrukt wordt dat het bij de toepassing van het uitdaagrecht van belang is om rekening te houden met bepaalde juridische aspecten. Dat betreft in elk geval het aanbestedings- en aansprakelijkheidsrecht.

Voor de verhouding tussen het uitdaagrecht en het aanbestedingsrecht geldt dat er in de memorie van toelichting bij de wet is opgemerkt dat gemeenten, ook bij de toepassing van het uitdaagrecht, de aanbestedingsregels moeten naleven. Kortom, het uitdaagrecht zet het aanbestedingsrecht niet opzij. Er zijn echter wel mogelijkheden om het uitdaagrecht binnen de context van het aanbestedingsrecht te stimuleren. Zo kan een gemeente de aanbesteding op het uitdaagrecht laten aansluiten. Hoe dit precies vorm moet krijgen zal per geval moeten worden bepaald.

Voor de verhouding tussen het uitdaagrecht en het aansprakelijkheidsrecht is van belang dat de gemeente in bepaalde gevallen een risicoaansprakelijkheid heeft en dat die aansprakelijkheid niet kan worden overgedragen. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als het uitdaagrecht ziet op het inrichten of onderhouden van de openbare ruimte of het gebruik van gebouwen van de gemeente. Als de gemeente een risicoaansprakelijkheid heeft, dan is het ook aan de gemeente om de risico’s zoveel mogelijk te beperken. Dit vereist dat de gemeente hier in het kader van uitdaagrecht met de inwoners of maatschappelijke partijen afspraken over maakt. Wat moeten de betrokken partijen doen om bepaalde risico’s te verkleinen?

Welke maatregelen nodig zijn en wat daarin van de inwoners en maatschappelijke partijen mag worden verwacht, is erg afhankelijk van waar het uitdaagrecht precies op ziet. Ook hier geldt dus dat per geval zal moeten worden bepaald hoe hier invulling aan wordt gegeven. In de verordening is een bepaling opgenomen waarin is vastgelegd dat de gemeente met de inwoners en maatschappelijke partijen afspraken maakt over de uitvoering van de gemeentelijke taak. En ook wat de gevolgen zijn als de afspraken niet worden nagekomen.

Participatie op grond van de andere wetten, zoals de Omgevingswet

In bepaalde gevallen geeft de wet nadere handvaten voor participatie. In die gevallen is deze verordening niet van toepassing. Een relevant voorbeeld van een geval waar de participatieverordening zich niet voor leent is de omgevingsvergunning in de Omgevingswet. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning is namelijk niet het bevoegd gezag, maar de aanvrager aan zet en daarnaast is participatie op grond van de Omgevingswet in beginsel niet verplicht voor de aanvrager.

Artikelsgewijs

Hoofdstuk 1 – inleidende bepalingen

Artikel 1. Definities

Beleid

Het begrip beleid ziet op het beleid van een bestuursorgaan in brede zin, hieronder vallen ook projecten, programma’s en plannen. Bij beleid gaat het niet om het nemen van concrete besluiten of maatregelen, maar om het beleid waarop deze besluiten of maatregelen kunnen worden gebaseerd. Daarbij omvat het begrip niet alleen het vaststellen van beleid, maar ook de uitvoering en evaluatie daarvan.

Burgerparticipatie

In de verordening zijn alle vormen van participatie waarbij de gemeente het initiatief neemt om inwoners [en ondernemers] bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid te betrekken, onder het begrip burgerparticipatie geschaard. Daarmee gelden voor al die vormen van participatie dezelfde spelregels.

Maatschappelijke partijen

Op grond van de wet kunnen ook maatschappelijke partijen om toepassing van het uitdaagrecht vragen. In de wet is echter geen definitie van dit begrip opgenomen. Het is dus aan de gemeente om deze groep af te bakenen. In deze verordening is ervoor gekozen de nadruk te leggen op de lokale binding. Onder maatschappelijke partijen vallen organisaties die als doel hebben om een actieve bijdrage aan de samenleving in de gemeente te leveren, ongeacht de rechtsvorm waarin deze zijn georganiseerd. Sociale ondernemingen die geen winst uitkeren kunnen daar ook onder vallen als zij een lokale binding hebben. Ondernemers in algemene zin echter niet. Er moet een maatschappelijke component zijn. Er kan bij maatschappelijke partijen onder meer worden gedacht aan lokale verenigingen of stichtingen, woongroepen, buurtpreventieteams, vrijwilligersorganisaties, buurtcomités en inwonerscollectieven.

Overheidsparticipatie

Dit begrip is de tegenhanger van het begrip burgerparticipatie en omvat alle vormen van participatie waarbij inwoners en maatschappelijke partijen het initiatief ondernemen. Daarmee gelden voor al die vormen van participatie dezelfde spelregels. Onder overheidsparticipatie valt ook het uitdaagrecht.

Participatie

Omdat insteek van de verordening is zowel burgerparticipatie als overheidsparticipatie te omarmen en te faciliteren, is ook een overkoepelend begrip voor inwoners- en overheidsparticipatie opgenomen. Dit brengt tot uitdrukking dat het in beginsel niet uitmaakt of het initiatief voor de participatie bij de gemeente of bij de inwoners en maatschappelijke partijen ligt. De samenwerking staat voorop.

Uitdaagrecht

Voor de definitie van uitdaagrecht is aangesloten bij artikel 150, derde lid, van de Gemeentewet. Op grond daarvan kunnen inwoners en maatschappelijke partijen een verzoek doen om gemeentelijke taken over te nemen.

Hoofdstuk 2 – Kaders en uitgangspunten

Dit hoofdstuk bevat de kaders en uitgangspunten die in het algemeen voor alle vormen van participatie gelden. Dit omvat zowel burgerparticipatie, waaronder ook inspraak, als overheidsparticipatie, waaronder ook het uitdaagrecht.

Artikel 2. Doelstelling

Deze verordening biedt kaders en voorwaarden voor samenwerking tussen inwoners, maatschappelijke partijen, bestuursorganen en gemeenteambtenaren. Een belangrijke voorwaarde voor een goede samenwerking is dat duidelijk is wat partijen over en weer van elkaar mogen verwachten en dat dus bewuste keuzes worden gemaakt in het doel en de vorm van participatie. Het doel van de verordening zoals dat in dit artikel is omschreven, biedt een kader bij het maken van die keuzes.

Artikel 3. Reikwijdte

Uitgangspunt in de verordening is dat de bestuursorganen binnen de gemeente, elk ten aanzien van hun eigen taken en bevoegdheden, bepalen of participatie plaatsvindt. Dit vanzelfsprekend behoudens die gevallen waarin de wet tot participatie verplicht. Hier is aan toegevoegd dat bij het vaststellen of wijzigen van bepaalde kerninstrumenten uit de Omgevingswet, te weten de omgevingsvisie, het omgevingsplan en de programma’s ook zoveel mogelijk de verordening wordt gevolgd. Dit om er geen enkel misverstand over te laten bestaan dat, voor zover de toepassing van de verordening op grond van de Omgevingswet niet uitgesloten of beperkt is (zie de passage over participatie bij omgevingsvergunningen in het algemeen deel van de toelichting), deze verordening leidend is.[SK2.1]

Vervolgens is hier een aantal uitzonderingen op geformuleerd. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als participatie bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten, maar ook als er voor het bestuursorgaan heel weinig ruimte is gelaten om (beleids)keuzes te maken of als het interne en bestuurlijke aangelegenheden van de gemeente betreft. In die gevallen heeft participatie geen toegevoegde waarde. Opmerking verdient dat terughoudend met de uitzonderingsgronden moet worden omgegaan en dat er steeds aandacht moet zijn voor het feit dat participatie zich niet alleen over de voorbereiding, maar ook over de uitvoering en evaluatie uitstrekt. Als participatie bij de voorbereiding geen toegevoegde waarde heeft, geldt dat niet noodzakelijkerwijs ook voor de uitvoering of evaluatie. Als er een beroep op een uitzonderingsgrond wordt gedaan en er van participatie wordt afgezien, dan moet dat worden toegelicht.

Artikel 4. Zorgplicht bestuursorgaan

Op bestuursorganen rust de taak om participatie zoveel mogelijk te faciliteren en ook de juiste verwachtingen over het doel en de vorm van de participatie te scheppen. Daarom is in de verordening expliciet een zorgplicht voor bestuursorganen opgenomen. Zo moeten bestuursorganen ervoor zorgen dat inwoners en maatschappelijke partijen worden betrokken als alle opties nog openliggen en dat inzichtelijk is hoe een proces van participatie verloopt. Verder moet alle benodigde informatie openbaar zijn en moet steeds kenbaar zijn wat de stand van zaken is. Bovendien bevat de verordening een verplichting om duidelijk te maken waar inwoners en maatschappelijke partijen met vragen en klachten terecht kunnen.

Hoofdstuk 3 – Burgerparticipatie

Dit hoofdstuk gaat specifiek over toepassing van burgerparticipatie.

Artikel 5. Plan voor burgerparticipatie

In dit artikel is geregeld dat het bestuursorgaan een plan voor de burgerparticipatie moet opstellen. Dit zorgt dat er duidelijkheid is over het proces, het doel en de vorm van de participatie. Benadrukt is dat het plan in lijn moet zijn met het door de gemeenteraad vastgestelde participatiebeleid. Verder zijn de elementen opgenomen die in ieder geval in het participatieplan moeten staan. Het plan kan in overleg met inwoners en maatschappelijke partijen worden opgesteld. Wat betreft de te kiezen vorm van participatie is aangesloten bij de participatieladder waarbij elke trap op de ladder meer invloed op de besluitvorming betekent. De vorm van een participatieplan is vrij. Het plan kan onderdeel zijn van een voordracht, projectplan of beleidsstuk, maar ook een losstaand document is mogelijk. Van belang is vooral dat inzichtelijk is waar het participatieplan te vinden is en het duidelijkheid biedt.

Artikel 6. Inspraak

Een bestuursorgaan kan op grond van de verordening inspraak verlenen, ook als de wet daartoe niet verplicht. Inspraak kan eventueel naast een andere vorm van participatie plaatsvinden. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht bevat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Deze afdeling is in beginsel van toepassing als inspraak wordt verleend. Het bestuursorgaan kan hier echter van afwijken en een andere inspraakprocedure vaststellen.

Voor de uniforme openbare voorbereidingsprocedure geldt dat het doel is om zorgvuldige besluitvorming te waarborgen, de uitkomsten hiervan te legitimeren, de rechten en belangen van burgers te beschermen en beleid met andere overheden te coördineren. De procedure voorziet daartoe in de wijze waarop een bestuursorgaan ontwerpbesluiten ter inzage moet leggen, hoe belanghebbenden hierop kunnen reageren en hoe bestuursorganen met deze reacties moeten omgaan. Zo moeten belanghebbenden zowel schriftelijk als mondeling kunnen reageren en moet de termijn voor de reactie minimaal zes weken bedragen. Dit geldt dus ook als afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht op inspraak wordt toegepast.

Hoofdstuk 4 – Eindverslag burgerparticipatie

Artikel 7. Eindverslag burgerparticipatie

Het bestuursorgaan moet een eindverslag van de burgerparticipatie opstellen dat een compleet overzicht geeft van het burgerparticipatieproces. In het verslag moeten in elk geval het proces, de reacties en de uitkomsten van de participatie worden beschreven. Het is genoeg om kort te beschrijven wat mensen hebben gezegd en wie dat heeft gedaan. In de eindfase van de participatie moet het bestuursorgaan ook laten weten wat er met de uitkomsten van de participatie is gedaan. Het eindverslag kan worden opgenomen in een losstaand document, maar het kan ook een onderdeel van een voordracht of een passage in een brief zijn. Het ligt voor de hand om degenen die hebben geparticipeerd het eindverslag toe te sturen. Het eindverslag wordt openbaar gemaakt. Verder is geregeld dat het college voor het opstellen van het verslag zorgt als het om een bevoegdheid van de gemeenteraad gaat.

Hoofdstuk 5 – Overheidsparticipatie

Dit hoofdstuk bevat specifieke bepalingen met betrekking tot overheidsparticipatie.

Artikel 8. Verzoek om overheidsparticipatie

Overheidsparticipatie begint, ongeacht het bestuursorgaan dat bevoegd is, met een verzoek aan het college. Hiervoor is gekozen zodat het indienen van een verzoek laagdrempelig is en ook centraal ontvangen wordt. In het verzoek moet in ieder geval de overheidsparticipatie beschreven worden die de indiener voor ogen heeft, de reden waarom de indiener dit voor ogen heeft en het resultaat dat de indiener wil bereiken. Daarbij levert de indiener ook specifieke informatie aan met betrekking tot de uitvoering van de over te nemen taak. Denk aan informatie over de kosten of andere middelen die daarmee gemoeid zijn. Voor het indienen van het verzoek is een formulier ontwikkeld. Dit moet het indienen van een verzoek om overheidsparticipatie vergemakkelijken. Als aanvullende informatie nodig is om op het verzoek te reageren of het verzoek niet compleet is, kan het college deze informatie opvragen. Het ligt voor de hand dat het college dan met de indiener in gesprek gaat.

Artikel 9. Beoordeling verzoek overheidsparticipatie

Het college neemt alle verzoeken om overheidsparticipatie in ontvangst en zendt deze door aan het bevoegde bestuursorgaan. Het bevoegde bestuursorgaan moet het verzoek onder bepaalde omstandigheden afwijzen. In dat verband is een aantal uitzonderingsgronden opgesomd. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als het verzoek in strijd is met door de gemeente vastgesteld beleid. Verder is er een aantal omstandigheden genoemd waaronder het bestuursorgaan het verzoek kan afwijzen. Het is dan aan het bestuursorgaan om een afweging te maken welke belangen zwaarder wegen. In het artikel is ook een termijn opgenomen waarbinnen op het verzoek moet worden gereageerd. Het bestuursorgaan moet de reactie onderbouwen en ook openbaar maken.

Artikel 10.Uitvoering overheidsparticipatie

Als het verzoek om overheidsparticipatie wordt toegewezen, maakt het bestuursorgaan met de indiener afspraken over de overheidsparticipatie en ook over de stappen die volgen als de afspraken niet worden nagekomen. Het ligt voor de hand deze afspraken vast te leggen in een overeenkomst.

Hoofdstuk 6 – Slotbepalingen

Artikel 11. Nadere regels college

Het college heeft de bevoegdheid om nadere regels vast te stellen en bepaalde artikelen uit de verordening dus nader uit te werken.

Artikel 12. Hardheidsclausule

Om maatwerk te garanderen en onevenredig bezwarende uitkomsten van de toepassing van deze verordening te voorkomen, heeft het bestuursorgaan de mogelijkheid om in uitzonderlijke gevallen af te wijken van de bepalingen in deze verordening. Het bestuursorgaan moet wel onderbouwen waarom het afwijzen