Beleidsregels terug- en invordering PW, IOAW en IOAZ en Bbz 2004 gemeente Venlo 2026

Geldend van 14-02-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026

Intitulé

Beleidsregels terug- en invordering PW, IOAW en IOAZ en Bbz 2004 gemeente Venlo 2026

Het College van Burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo;

Gezien het voorstel van 27 januari 2026;

Gelet op artikel 18a, 54, 58 tot en met 60c van de Participatiewet, artikel 17, 25 en 26 van de IOAW/IOAZ, artikel 12, 39, 41 en 43 van het Bbz 2004 en afdeling 4.4.4 van de Algemene wet bestuursrecht,

Besluit vast te stellen de: Beleidsregels terug- en invordering PW, IOAW en IOAZ en Bbz 2004 gemeente Venlo 2026

HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN

Artikel 1. Begripsbepalingen

  • 1.

    Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de PW, IOAW, IOAZ, Bbz 2004 en de Awb.

  • 2.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      bruteren: het verhogen van de vordering met de door de gemeente Venlo afgedragen loonbelasting en premies volksverzekeringen. De afdracht is verplicht volgens de wet op de loonbelasting 1964.

    • b.

      college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo;

    • c.

      inlichtingenplicht: verplichting genoemd in artikel 17, eerste lid van de PW, artikel 13, eerste lid van de IOAW, artikel 13, eerste lid van de IOAZ, artikel 38, tweede lid van het Bbz 2004 en artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

    • d.

      overige vordering: een vordering niet zijnde een verwijtbare vordering;

    • e.

      uitkering: de door het college verleende bijstand in het kader van de PW en de uitkering in het kader van de IOAW en IOAZ;

    • f.

      verwijtbare vordering: vordering in verband met ten onrechte of tot een te hoog bedrag betaalde uitkering als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht wegens opzet of grove schuld.

    • g.

      Awb: Algemene wet bestuursrecht;

    • h.

      Bbz 2004: Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004;

    • i.

      IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

    • j.

      IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

    • k.

      PW: Participatiewet.

    • l.

      Ambtshalve: uit zichzelf

    • m.

      Naar vermogen aflossen: afloscapaciteit volgens artikel 10 en 11

Artikel 2. Algemene bepalingen

  • 1.

    Het college kan geld terugvragen als er ten onrechte of een te hoog bedrag aan een belanghebbende is betaald. Dit gebeurt volgens de regels in de volgende wetten:

    • -

      Artikel 16, 18a, 54, 58 tot en met 60c van de Participatiewet (PW); of

    • -

      Artikel 17, 25 en 26 van de IOAW/IOAZ; of

    • -

      Artikel 12, 39, 41 en 43 van het Bbz 2004.

  • 2.

    Als belanghebbende alle benodigde informatie heeft verstrekt en het college besluit geld terug te vragen, maakt het college een belangenafweging. Daarbij wordt gekeken naar de gehele situatie. Dit betekent onder meer dat:

    • -

      het college bekijkt wat de nadelen zijn voor de belanghebbende.

    • -

      Het besluit mag niet te zwaar uitpakken voor de belanghebbende, vergeleken met wat het college met het besluit wil bereiken.

    • -

      Dit staat in artikel 3:4 van de Awb.

  • 3.

    Het college bruteert een vordering niet als het niet de schuld is van de belanghebbende die geld moet terugbetalen. En het niet zijn schuld is dat het geld niet meteen (in hetzelfde jaar) is terugbetaald.

HOOFDSTUK 2 GEHEEL OF GEDEELTELIJK AFZIEN VAN (VERDERE) TERUGVORDERING / KWIJTSCHELDING

Artikel 3. Kwijtschelding als geen sprake is van schending inlichtingenplicht

Het college kan soms besluiten om geen geld terug te vragen. Dit kan als de belanghebbende alle benodigde informatie heeft verstrekt. Dit staat in artikel 58, tweede lid van de Participatiewet (PW). Het college gebruikt deze regels in de volgende situaties:

  • 1

    Het college vraagt geen geld terug als het gaat om een bedrag minder dan € 100 netto en belanghebbende op het moment dat het college een beslissing neemt geen uitkering meer ontvangt.

  • 2

    Het college kan helemaal of deels afzien van terugvordering als er dringende redenen zijn. Dat zijn sociale problemen of financiële problemen die onacceptabel zijn.

  • 3

    Het college ziet ambtshalve geheel of gedeeltelijk af van verdere terugvordering als de belanghebbende gedurende 60 maandtermijnen zoals afgesproken naar vermogen op de vordering heeft afgelost zoals bedoeld in artikel 10 en 11. Dat wil zeggen dat de belanghebbende heeft betaald volgens de aflossingscapaciteit.

  • 4

    Het college ziet ambtshalve geheel of gedeeltelijk af van terugvordering als de belanghebbende gedurende 60 maandtermijnen, vanwege het ontbreken van een aflossingscapaciteit, geen betalingen heeft kunnen verrichten. En het niet aannemelijk is dat de belanghebbende dit nog zal kunnen gaan doen.

  • 5

    Het college ziet af van terugvordering voor het deel dat na zes maanden foutief is betaald als:

    • -

      De gemeente een fout maakte bij het betalen van de uitkering, en;

    • -

      Daarover een signaal heeft ontvangen, en;

    • -

      Deze fout niet binnen zes maanden is aangepast.

  • 6

    Deze bepaling is niet van toepassing:

    • -

      op vorderingen die voortvloeien uit verstrekt bedrijfskapitaal dat is toegekend op grond van artikel 20, 22, 24 en 26 van het Bbz 2004;

    • -

      als de vordering is gedekt door een zakelijk recht als pand of hypotheek;

    • -

      als de vordering het gevolg is van een eerder verstrekte geldlening vanwege vermogen in eigen woning als bedoeld in artikel 50 van de PW.

Artikel 4. Kwijtschelding vordering bij schending inlichtingenplicht

  • 1.

    Soms geeft iemand niet alle informatie door aan de gemeente. Dat noemen we schending van de inlichtingenplicht. Toch kan het college besluiten om de schuld (gedeeltelijk) kwijt te schelden. Dit mag volgens artikel 58, lid 7 van de PW. Het college doet dit uit zichzelf in de volgende situaties:

    • a.

      de belanghebbende heeft 120 maanden (10 jaar) alle betalingen gedaan zoals afgesproken;

    • b.

      de belanghebbende heeft 120 maanden lang niet alles betaald, maar betaalt alsnog het achterstallige bedrag, plus wettelijke rente en kosten die horen bij het innen van de schuld;

    • c.

      de belanghebbende heeft 120 maanden lang helemaal niets betaald, en het is niet aannemelijk dat deze nog op enig moment zal gaan betalen;

    • d.

      De belanghebbende betaalt in één keer minstens 50% van de restsom.

  • 2.

    Het college kan kwijtschelding terugdraaien als blijkt dat de belanghebbende:

    • a.

      Verkeerde of onvolledige informatie heeft gegeven, en;

    • b.

      Dat de juiste informatie had geleid tot een ander besluit over terugbetaling of kwijtschelding.

  • 3.

    Deze bepaling is niet van toepassing:

    • a.

      op vorderingen die voortvloeien uit verstrekt bedrijfskapitaal dat is toegekend op grond van artikel 20, 22, 24 en 26 van het Bbz 2004;

    • b.

      als de vordering is gedekt door een zakelijk recht als pand of hypotheek;

    • c.

      als de vordering het gevolg is van een eerder verstrekte geldlening vanwege vermogen in eigen woning als bedoeld in artikel 50 van de PW.

Artikel 5. Meewerken aan schuldregeling

  • 1.

    Het college werkt niet mee aan een schuldregeling indien:

    • a.

      Schulden minder dan 3 jaar oud zijn.

    • b.

      Er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 60c PW.

    • c.

      De vordering is gedekt door een zakelijk recht als pand of hypotheek, of als de vordering komt door een verstrekte geldlening vanwege het vermogen in eigen woning als bedoeld in artikel 50 van de PW.

  • 2.

    Het besluit om medewerking te verlenen aan een schuldregeling wordt ingetrokken indien:

    • a.

      Er binnen negen maanden na het besluit geen schuldregeling tot stand komt die voldoet aan de regels uit het eerste lid;

    • b.

      de belanghebbende zich niet aan de afspraken houdt, ook niet na een waarschuwing;

    • c.

      Verkeerde of onvolledige informatie heeft gegeven, en als de juiste informatie had geleid tot een ander besluit.

Artikel 6. Kosten van terugvordering

Het college brengt geen rente in rekening of extra kosten voor een herinnering of aanmaning. Als een inwoner wel kan maar niet wil betalen, kan het college bij een dwangbevel of beslag de vordering ophogen met extra kosten.

HOOFDSTUK 3 INVORDERING / BETALINGSREGELING

Paragraaf 3.1 De betalingsverplichting

Artikel 7. Algemeen

  • 1.

    Het college start het innen van de schuld (invordering) na afloop van de betalingstermijn van zes weken.

  • 2.

    In het te ontvangen besluit staat:

    • a.

      de hoogte van het bedrag (vordering);

    • b.

      de verplichting om de vordering in zijn geheel te betalen;

    • c.

      de datum waarop de belanghebbende moet beginnen met betalen;

    • d.

      de mogelijkheid dat de belanghebbende binnen zes weken na verzenddatum van de beschikking een betalingsregeling kan aanvragen;

    • e.

      De gevolgen als de belanghebbende niet op tijd heeft betaald.

Artikel 8. Invordering door verrekening

Het college probeert de schuld zoveel mogelijk af te trekken van de uitkering. Dit gebeurt volgens de regels in:

  • -

    Artikel 60, derde en vierde lid van de (PW); of

  • -

    Artikel 28, derde en vierde lid van de IOAW/IOAZ.

Artikel 9. Uitstel van betaling

  • 1.

    Het college verleent uitstel van betaling als de belanghebbende een gemotiveerd verzoek doet en duidelijk is dat de belanghebbende niet kan betalen binnen de gestelde termijn en uitstel helpt om een schulden probleem op te lossen.

  • 2.

    Als de schuld (vordering) is ontstaan door het niet volledig doorgeven van informatie, kan het college de invordering maximaal 18 maanden uitstellen tijdens het minnelijke traject (traject zonder dwang).

  • 3.

    Als de belanghebbende wel aflossingscapaciteit heeft of krijgt, moet deze gebruikt worden om de schuld af te lossen.

  • 4.

    Bij het bepalen of de belanghebbende aflossingscapaciteit heeft, geldt:

    • a.

      Schulden aan de gemeente en andere schuldeisers worden buiten beschouwing gelaten; en

    • b.

      Het bepaalde in artikel 34, tweede lid, onder a en d van de PW wordt op dezelfde manier toegepast.

  • 5.

    Het college kan het uitstel intrekken als de belanghebbende zich niet aan de afgesproken aflossing houdt.

Artikel 10. Hoogte aflossing bij uitkering volgens de PW, IOAW of IOAZ

  • 1.

    Als de belanghebbende een uitkering ontvangt volgens de PW, de IOAW of de IOAZ, geldt:

    • -

      betalen van 5% van de bijstandsnorm per maand inclusief vakantietoeslag.

    • -

      maar niet meer dan het bedrag dat volgens artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor beslag mag worden gebruikt.

  • 2.

    Als een andere schuldeiser (niet het college) beslag legt op het inkomen van de belanghebbende, wordt de aflossing voor alle schulden bepaald volgens de volledige beslagruimte van artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Artikel 11. Hoogte aflossing bij belanghebbenden die geen recht hebben op een uitkering volgens de PW, IOAW of IOAZ

Soms moet een belanghebbende geld terugbetalen aan de gemeente. Het college kijkt hoeveel de belanghebbende kan aflossen. In de volgende situaties gelden andere regels dan die van de beslagvrije voet (het deel van het inkomen van belanghebbende om van te leven).

  • 1.

    Na beëindiging of intrekking van de uitkering betaalt de belanghebbende hetzelfde bedrag in de eerste twaalf maanden na verzenddatum van dit besluit, als toen diegene nog een uitkering had volgens de PW, IOAW of IOAZ.

  • 2.

    Als de belanghebbende langer dan 12 maanden geen recht heeft op een uitkering volgens de PW, IOAW of IOAZ dan berekent het college de hoogte van aflossing op deze manier:

    • -

      De belanghebbende betaalt 35% van het positieve verschil tussen het besteedbaar inkomen per maand (inclusief vakantiegeld) en bijstandsnorm die geldt voor de belanghebbende.

    • -

      Daarbij komt nog 5% bij van de bijstandsnorm die geldt voor de belanghebbende.

  • 3.

    Als de belanghebbende een betalingsvoorstel doet en hiermee de schuld binnen 36 maanden helemaal kan aflossen, kan het college hiermee akkoord gaan. De voorgestelde aflossing moet minimaal € 25,00 per maand bedragen.

Paragraaf 3.2 Tussentijdse beoordeling van een lopende betalingsverplichting

Artikel 12. Aanpassing aflossing

  • 1.

    Soms kan het bedrag dat de belanghebbende maandelijks terugbetaalt tussendoor worden aangepast. Het bedrag kan worden aangepast als de belanghebbende daar om vraagt, of er één van de volgende situaties is:

    • a.

      Scheiding; als de belanghebbende getrouwd was, zijn de belanghebbende en partner allebei verantwoordelijk voor de schuld. Bij een scheiding verandert de situatie en daarom wordt opnieuw berekend hoog het bedrag wordt dat ieder maandelijks moet betalen.

    • b.

      Overlijden; een vordering maakt deel uit van de nalatenschap (alles wat iemand achterlaat als die overlijdt). Was er één uitkering aan een echtpaar en overlijdt één partner? Dan moet de andere partner de hele restschuld terugbetalen. Overlijden beide partners? Dan gaat de schuld naar de erfgenamen. Deze zijn gezamenlijk voor het geheel aansprakelijk. De hoofdelijkheid vererft echter niet, zodat iedere erfgenaam slechts voor zijn of haar deel kan worden aangesproken. Het meest voor de hand liggend is het om de vordering in te brengen in de nalatenschap, zodat er direct rekening mee kan worden gehouden bij de verdeling.

  • 2.

    Als het bedrag verandert, laat het college dit aan de belanghebbende weten.

  • 3.

    De wijziging gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op het besluit.

  • 4.

    Belanghebbende kan een schriftelijk verzoek doen, en levert daarbij financiële gegevens en bewijsstukken aan voor:

    • a.

      wijziging van de betalingsverplichting, of

    • b.

      tijdelijk uitstel van betaling als de belanghebbende meent niet te kunnen voldoen aan de eerder vastgestelde periodieke betalingsverplichting.

  • 5.

    Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van het verzoek. Het college deelt dit met belanghebbende.

  • 6.

    Tijdens de aanvraag tot wijziging van de betalingsverplichting blijft de belanghebbende betalen. Dit stopt alleen (tijdelijk) als er sprake is van dringende redenen.

HOOFDSTUK 4 LEENBIJSTAND

Artikel 13. Looptijd leenbijstand

  • 1.

    In artikel 48 van de PW en de beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Venlo staat voor welke kosten de belanghebbende leenbijstand kan krijgen.

  • 2.

    Het college ziet uit zichzelf geheel of gedeeltelijk af van verdere terugvordering als de belanghebbende gedurende 60 maandtermijnen naar vermogen op de vordering heeft afgelost zoals bedoeld in artikel 10 en 11. Dat wil zeggen dat de belanghebbende heeft betaald volgens de aflossingscapaciteit.

  • 3.

    Belanghebbende start met terugbetalen in de maand nadat de leenbijstand is verstrekt. Voor statushouders die leenbijstand krijgen voor woninginrichting en duurzame gebruiksgoederen geldt dat zes maanden na huisvesting met terugbetalen moet worden gestart.

HOOFDSTUK 5 Terugvordering ingevolge het Bbz 2004

Artikel 14. Terugvordering van verstrekt bedrijfskapitaal

  • 1.

    Het college stelt het bedrijfskapitaal dat is toegekend op grond van artikel 20, 22, 24 en 26 van het Bbz 2004 opeisbaar en vordert dit terug indien:

    • a.

      bedrijfskapitaal niet overeenkomstig de bestemming is besteed;

    • b.

      er sprake is van bedrijfsbeëindiging of overdracht van het bedrijf;

    • c.

      er sprake is van faillissement of surseance.

  • 2.

    Het college vordert het bedrijfskapitaal dat is toegekend op grond van artikel 20, 22, 24 en 26 van het Bbz 2004 of de achterstanden in betaling, aflossing en rente terug als:

    • a.

      de termijn van uitstel van aflossing en betaling van rente als genoemd in artikel 41 lid 2 van het Bbz 2004 is verlopen;

    • b.

      Als blijkt dat de zelfstandige financieel in staat was om aan zijn of haar betalingsverplichtingen te voldoen. Alle achterstallige bedragen (rente en aflossingen) vanaf de vervaldatum mogen direct worden teruggevorderd. Als de zelfstandige de afspraken bewust of verwijtbaar niet is nagekomen, dan moet hij/zij ook de wettelijke rente betalen over die achterstallige bedragen.

    • c.

      belanghebbende ook na een tweede aanmaning niet aan zijn betalingsverplichting voldoet. Dit geldt ook voor bedrijfskapitaal verstrekt op grond van de artikelen 22 en 26 van het Bbz 2004 indien het vermogen meer bedraagt dan gesteld in artikel 3 van het Bbz 2004 en er geen bijstand “om niet” mogelijk is.

Artikel 15. Verwijtbare bedrijfsbeëindiging

  • 1.

    Er is sprake van verwijtbare bedrijfsbeëindiging als er sprake is van:

    • a.

      bestuurdersaansprakelijkheid;

    • b.

      privébestedingen die niet in lijn liggen met de inkomsten en een inkomen op bijstandsniveau; en

    • c.

      er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die dit rechtvaardigen.

  • 2.

    De lening wordt in die gevallen gecontinueerd tegen dezelfde condities als het bedrijfskapitaal is verstrekt. Dat betekent met hetzelfde aflossingsbedrag en rentetarief.

HOOFDSTUK 6 SLOTBEPALINGEN

Artikel 16. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere situaties een uitzondering maken op deze regels. Het college doet dit alleen als:

  • het toepassen van de regels voor de belanghebbende onredelijk zware gevolgen heeft, én

  • deze gevolgen niet passen bij het doel van de regels, of;

  • het afwijken van de regels voorkomt dat er ernstige sociale of maatschappelijke problemen ontstaan.

De gemeente kan dan geheel of gedeeltelijk afzien van:

  • de bevoegdheid tot herziening;

  • intrekking;

  • terugvordering.

Artikel 17. Citeertitel

Deze beleidsregels kunnen worden genoemd als “Beleidsregels terug- en invordering PW, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 gemeente Venlo 2026”.

Artikel 18. Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze beleidsregels gelden met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026 en zijn van toepassing op na 1 januari 2026 te nemen besluiten tot terug- en invordering.

  • 2.

    Als een terugvorderings- of invorderingsprocedure al was begonnen onder de regels van de Beleidsregels terug- en invordering PW, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 gemeente Venlo 2020, dan wordt deze afgehandeld volgens de regels van 2026. Behalve als dit nadeliger is voor de belanghebbende.

  • 3.

    Met het ingaan van deze beleidsregels worden de “Beleidsregels terug- en invordering PW, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 gemeente Venlo 2020”, ingetrokken op 1 januari 2026.

Ondertekening

Venlo, 27 januari 2026

Burgemeester en wethouders van Venlo

de secretaris, de burgemeester

Twan Beurskens, Antoin Scholten

Toelichting

Algemeen

Op grond van de Participatiewet (PW) kan het college de kosten van bijstand terugvorderen als deze ten onrechte of tot een te hoog bedrag zijn uitbetaald.

Daarnaast heeft het college nog drie bijbehorende bevoegdheden:

• het intrekken of herzien van besluiten,

• het innen van bedragen (invordering), en

• het bruto maken van een vordering (brutering).

Dezelfde bevoegdheden gelden ook voor de IOAW en de IOAZ sinds de invoering van de Wet BUIG (Wet bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten). Vanaf 1 januari 2020 vallen ook de terugvorderingsgronden van het Bbz 2004 (voor uitkeringen en bedrijfskredieten) onder de Participatiewet. In deze beleidsregels legt het college uit hoe het met deze bevoegdheden omgaat.

Het uitgangspunt is dat bijstand die ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, zoveel mogelijk wordt teruggevorderd. Tegelijk wil de gemeente voorkomen dat mensen onnodig hoge schulden krijgen. Het is belangrijk dat inwoners:

• duidelijk inzicht hebben in hun schulden;

• de gemeente gemakkelijk kunnen bereiken voor vragen; en

• heldere informatie krijgen over:

o welk bedrag zij moeten terugbetalen,

o binnen welke termijn dit moet gebeuren, en

o welke mogelijkheden voor betaling of hulp er zijn als terugbetaling moeilijk is.

De gemeente streeft naar een effectief invorderingsproces, maar ook naar een mensgerichte en preventieve aanpak. Daarom is er ruimte om in bijzondere situaties af te wijken van de regels.

Dat gebeurt alleen als er sprake is van dringende redenen of als de toepassing van de regels zou leiden tot onevenredige of sociaal ongewenste gevolgen voor de belanghebbende.

Artikel 1 Begripsbepalingen

Dit artikel bevat de begrippen en geeft de afkortingen weer van de wetten waarop de bevoegdheid van het college is gebaseerd.

Artikel 2. Algemene bepalingen met betrekking tot de bevoegdheid tot herziening, intrekking, terugvordering en brutering

In dit artikel staat wat de gemeente mag doen als iemand te veel geld aan bijstand of uitkering heeft gekregen. Het gaat dan om situaties waarin geld is betaald dat niet terecht was of te hoog was berekend.

Daarvoor gebruikt de gemeente de regels uit verschillende wetten:

• de Participatiewet (PW);

• de IOAW en IOAZ (voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werklozen en zelfstandigen);

• en de Bbz 2004 (voor zelfstandigen met financiële problemen).

De gemeente gebruikt deze wetten om duidelijk te maken wanneer en hoe geld kan worden teruggevraagd.

Artikel 58 van de Participatiewet geeft de grondslag voor het terugvragen van te veel betaalde bijstand. Dit artikel is belangrijk, omdat het zorgt voor eerlijkheid en zorgvuldigheid.

De gemeente moet er namelijk voor zorgen dat het geld goed wordt besteed, maar ook dat inwoners niet onnodig in de problemen komen. Daarom moet de gemeente bij elk besluit alle omstandigheden meenemen. Denk bijvoorbeeld aan:

• de persoonlijke situatie van de inwoner;

• of iemand wel of niet iets verkeerd heeft gedaan;

• Bij beperkte verwijtbaarheid heeft iemand een fout gemaakt, maar kon dat deels niet goed overzien of voorkomen.

Artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verplicht de gemeente om een belangenafweging te maken. Dat betekent dat het college moet kijken naar het doel van het besluit én naar de gevolgen voor de inwoner. De gemeente mag dus geen besluit nemen dat te streng of oneerlijk is in verhouding tot het doel. Bijvoorbeeld: als terugvorderen van geld ervoor zorgt dat iemand in grote financiële problemen komt, terwijl het doel ook op een mildere manier kan worden bereikt, dan moet de gemeente dat meewegen

Artikel 3. Kwijtschelding van vorderingen niet zijnde schending inlichtingenplicht

Dit artikel gaat over situaties waarin de gemeente besluit om geen geld terug te vragen. Dat kan alleen als de belanghebbende volledige informatie heeft gegeven aan de gemeente. De inlichtingenplicht betekent dat iemand verplicht is om alle informatie die van invloed kan zijn op de uitkering door te geven. Als iemand dat goed heeft gedaan, maar er toch een schuld is ontstaan, dan kan het college besluiten om (een deel van) het bedrag niet terug te vorderen.

De gemeente gebruikt hiervoor artikel 58, tweede lid van de Participatiewet (PW).

Het is een balans tussen het belang van de gemeente (rechtmatig terugvorderen waar kan) en het belang van de inwoner (niet blijven leven onder onzekerheid of blijvende schuldlast). Het is dus redelijk dat het college na 5 jaar kan kwijtschelden bij vorderingen zonder schending van de inlichtingenplicht omdat het college:

- wil voorkomen dat mensen langdurig belast worden met schulden;

- het de inwoner perspectief biedt op schuldvrije toekomst;

- het de gemeente in staat stelt haar terugvorderingsbevoegdheid uit te oefenen, maar binnen redelijke en humane grenzen;

- het zorgt voor duidelijkheid en voorspelbaarheid in de procesgang.

Lid 5

Er is een regel uit de rechtspraak die zegt dat de gemeente binnen zes maanden over moet gaan tot aanpassing van het recht op uitkering. Een signaal is belangrijke informatie van de uitkeringsgerechtigde. Uit dit signaal moet duidelijk blijken dat er een fout is gemaakt bij de uitkering. De gemeente moet dan binnen zes maanden het recht op uitkering aanpassen. Als de gemeente binnen zes maanden geen aanpassing doet, dan moet het college afzien van het geld terugvragen voor het deel dat na zes maanden teveel is uitbetaald. Het geld dat voor de eerste zes maanden te veel is betaald, kan wel worden teruggevorderd. Deze regel geldt niet als iemand niet alle informatie heeft gegeven aan de gemeente (schending van de inlichtingenplicht). Zie CRvB 12 juni 2006, LJN:BA7221 en CRvB 17 juli 2007, LJN:BB1640.

Artikel 4. Kwijtschelding

Soms geeft iemand niet alle informatie door aan de gemeente. Dat noemen we een schending van de inlichtingenplicht. De gemeente moet op basis van de Participatiewet de teveel betaalde uitkering terugvragen. Ook staat in de wet opgenomen wanneer (een deel van) de schuld wordt kwijtgescholden. Dit is toegestaan volgens artikel 58, lid 7 van de Participatiewet (PW).

Artikel 5. Meewerken aan een schuldregeling

Een schuldregeling is een afspraak tussen een inwoner en de schuldeisers om een schuld in termijnen te betalen. In de praktijk werkt de gemeente met de Gedragscode Schuldregeling van de Nederlandse Vereniging voor Schuldhulpverlening en Sociaal Bankieren (NVVK).

• De schuldregeling kijkt naar de aflossingscapaciteit van de inwoner, dus wat iemand redelijkerwijs per maand kan betalen.

• Op basis daarvan stelt de schuldhulpverlener een voorstel op voor de schuldeisers.

• Als alle schuldeisers akkoord gaan, komt de schuldregeling tot stand.

• Zodra de inwoner zich aan de afspraken houdt, geven de schuldeisers finale kwijting, wat betekent dat de schuld definitief als geregeld wordt gezien.

Voor de schulden bij het college betekent dit dat het college dan formeel kan afzien van verdere invordering. Ook wordt de opschorting van betaling (het tijdelijk stopzetten van incasso) beëindigd, omdat de schuldregeling als afgerond geldt.

Het college verleent geen medewerking bij:

Onregelmatigheidsschulden

o Op grond van artikel 60c van de PW en artikel 29a van de IOAW/IOAZ mag de gemeente normaal gesproken niet meewerken aan een schuldregeling bij fraudeschulden.

o De rechter kan bij onregelmatigheidsschulden via een dwangakkoord een regeling kan treffen (ECLI:NL:RBROT:2019:4362).

Vorderingen met zekerheid

o Als de schuld is gedekt door een zakelijk recht zoals een pand of hypotheek, werkt het college niet mee aan een schuldregeling.

In de gevallen dat de vordering niet meegaat met de schuldregeling, kan wel de incasso gedurende de looptijd van de schuldregeling bevroren worden.

Artikel 6. Kosten van terugvordering

College kan gebruikmaken van de bevoegdheid om kosten in rekening te brengen wanneer een belanghebbende niet betaald, om toch een betaling te stimuleren. Het is redelijk dat deze kosten in rekening worden gebracht, maar het is ook belangrijk dat het effectief en verantwoord gebeurt.

Daarom maken we onderscheid tussen twee groepen:

• inwoners die niet kunnen betalen, en

• inwoners die niet willen betalen.

Het onderstaande kwadrantenmodel helpt de gemeente om beter te begrijpen met wie we te maken hebben als iemand geld moet terugbetalen aan de gemeente. Het model maakt onderscheid tussen verschillende soorten mensen met schulden. Door dit verschil te zien, kan de gemeente beter bepalen welke aanpak past. Het biedt handvatten om te komen tot effectieve en maatschappelijk verantwoorde inning.

afbeelding binnen de regeling

Als een inwoner wel kan maar niet wil betalen, kan het college bij een dwangbevel of beslag de vordering ophogen met extra kosten. De hoogte van de kosten zijn proportioneel ten opzichte van de hoogte van de schuld. Het recht om na aanmaning een dwangbevel op te leggen is vastgelegd in artikel 60, tweede en vijfde lid van de PW en artikel 4.4.4.2 van de Awb.

Artikel 7. De betalingsverplichting algemeen

In dit artikel staat dat de invordering start na afloop van de betalingstermijn. Dit is volgens artikel 4:87 van de Awb. Het tweede lid geeft de onderdelen van het invorderingsbesluit.

Artikel 8. Invordering door verrekening

Als een belanghebbende op grond van de PW, Wet IOAW, de Wet IOAZ of het Bbz 2004 een uitkering ontvangt, is het college volgens artikel 60 lid 3 PW bevoegd tot verrekening van die kosten met die algemene bijstand of uitkering. Belanghebbende moet in kennis gesteld worden van de verrekening.

Indien een vordering verrekend wordt met de bijstand of andere uitkering dient rekening gehouden te worden met het feit dat een eventueel eerder op de bijstand gelegd beslag opgeschort wordt voor de duur van de verrekening. De beslaglegger dient hiervan bericht te worden.

Artikel 9. Uitstel van betaling

De belanghebbende is in principe verplicht om het volledige bedrag terug te betalen binnen de aangegeven betalingstermijn. Het college kan uitstel van betaling geven. Dit betekent dat de belanghebbende meer tijd krijgt om te betalen.

Uitstel wordt meestal niet automatisch verleend, tenzij er speciale omstandigheden zijn, bijvoorbeeld:

• Start met een bewindvoeringstraject;

• In detentie;

• Achterstand bij huur of zorgverzekering.

Als de belanghebbende uitstel wil, moet diegene documenten en bewijsstukken meesturen. Daaruit moet blijken dat er niet genoeg financiële ruimte is of dat er andere redenen zijn waardoor belanghebbende niet kan terugbetalen. Factoren die het college meeweegt zijn bijvoorbeeld:

• Werksituatie;

• Gezinssituatie;

• Financiële situatie;

• De hoogte van de restschuld;

• De oorzaak van de vordering.

Artikel 10. Hoogte aflossing bij uitkering volgens de PW, IOAW of IOAZ

Als de gemeente een vordering verrekent met een lopende bijstandsuitkering van belanghebbende, houdt zij rekening met het minimum inkomen om van te leven. De gemeente gaat er minimaal van uit dat de belanghebbende 95% van de bijstandsnorm houdt. Dit geldt voor alleenstaanden (ouder) en voor gehuwden. Hiermee zorgt de gemeente dat de belanghebbende genoeg geld overhoudt om van te leven.

Voorbeeld berekening bij een uitkering van een alleenstaande, tot 1 jaar na beëindiging van de uitkering.

Norm 1 juli 2025: € 1369,06

Aflossing 5% bijstandsnorm per maand: € 68,45

Artikel 11. Hoogte aflossing bij belanghebbenden die geen recht hebben op een uitkering volgens de PW, IOAW of IOAZ

Wanneer belanghebbende de uitkering verlaat, omdat hij bijvoorbeeld werk heeft aanvaard, wordt het aflossingsbedrag dat tijdens de uitkering gold gedurende 12 maanden voortgezet. Na deze periode volgt er een onderzoek naar de draagkracht.

Voorbeeld berekening op basis van 35% van het meerdere inkomen.

Netto loon (inclusief vakantiegeld) €2.000

Bijstandsnorm (inclusief vakantiegeld) € 1369,06

Aflossing 5% bijstandsnorm per maand: € 68,45

35% van het meerdere (2000 – 1369,06): €220,83

Totaal: € 289,28 per maand

Artikel 12. Aanpassing aflossing

In dit artikel staat wanneer en hoe het college een onderzoek start en hoe wijzigingen in de betalingsverplichting worden doorgegeven. Het college start een onderzoek om te bekijken of betalingsverplichting van belanghebbende moet worden aangepast. Dit kan bijvoorbeeld als financiële situatie van belanghebbende verandert of als er andere bijzondere omstandigheden zijn. Scheiding of overlijden zijn in ieder geval bijzondere omstandigheden.

Niet alleen het college kan de voorwaarden van uitstel van betaling aanpassen. De belanghebbende mag als schuldenaar ook een verzoek indienen om de afspraken te veranderen. Het college legt in dit artikel de procedurele eisen vast die hiervoor gelden.

Artikel 13. Leenbijstand

In artikel 48 van de PW en de beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Venlo staat voor welke kosten de belanghebbende leenbijstand kan krijgen. In dit artikel staan welke regels met betrekking tot leenbijstand gelden.

Lid 3

Belanghebbende start met terugbetalen in de maand nadat de leenbijstand is verstrekt. Voor statushouders die leenbijstand krijgen voor woninginrichting en duurzame gebruiksgoederen geldt dat zes maanden na huisvesting met terugbetalen moet worden gestart. Reden hiervoor is dat het huishoudboekje in de eerste maanden meestal nog niet op orde is omdat de toeslagen door de Belastingdienst nog niet worden uitbetaald.

Artikel 14. Terugvordering van verstrekt bedrijfskapitaal

Als de belanghebbende bedrijfskapitaal heeft ontvangen, kan het college dit terugvragen in bepaalde situaties. Dit staat in artikel 39 van het Bbz 2004.

Indien bijstand “om niet” niet mogelijk is vanwege het vermogen moet direct na beëindiging van de periodieke bijstandsverlening een betalingsregeling getroffen worden voor terugbetaling bedrijfskapitaal. Wordt niet aan deze betalingsregeling voldaan kan worden overgegaan tot terugvordering.

Tevens regelt dit artikel dat het college het bedrijfskapitaal terugvordert als ook na een tweede aanmaning niet aan de rente- en aflossingsverplichting wordt voldaan.

Artikel 15. Verwijtbare bedrijfsbeëindiging

In dit artikel is vastgelegd wanneer sprake is van een verwijtbare bedrijfsbeëindiging en wat de gevolgen zijn.

Artikel 16. Hardheidsclausule

Bij het aannemen van dringende redenen kunnen zowel financiële als niet financiële factoren een rol spelen. Toepassing van dringende redenen kan het college uit zichzelf doen of op verzoek van belanghebbende.

Artikel 17. Citeertitel

Dit artikel bepaalt de citeertitel van de beleidsregels.

Artikel 18. Inwerkingtreding

Dit artikel geeft aan wanneer de beleidsregels in werking treden.

Als een terugvordering of invordering al was begonnen volgens de regels van 2020, dan gebruikt de gemeente vanaf 2026 de nieuwe regels. Behalve als dit nadeliger uitpakt voor de belanghebbende, dan blijven de regels van 2020 van toepassing.