Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Deze regeling is juridisch onderdeel van Omgevingsplan gemeente Assen.
Geldend van 12-02-2026 t/m heden

Voorrangsbepaling

Voor zover de regels van het omgevingsplan van de gemeente Assen in strijd zijn met deze voorbeschermingsregels gelden alleen de voorbeschermingsregels.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 begripsbepalingen

In deze regels wordt verstaan onder:
bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;
extramurale opslag of verwerking: opslag of verwerking anders dan in een volledig afgesloten gebouw;
obstakel: object dat zich boven het maaiveld bevindt en zich niet voortbeweegt;
omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht dan wel omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

Hoofdstuk 2 Voorbeschermingsregels luchthavenbesluit Eelde

Artikel 2.1 Hoogtebeperkingen in verband met de vliegveiligheid

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in de gebieden met hoogtebeperkingen in verband met de vliegveiligheid voor Conical en Outer horizontal een obstakel op te richten, te plaatsen of aan te leggen.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart, wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval niet verleend indien het oprichten, plaatsen of aanleggen van een obstakel de locatie minder geschikt maakt voor de verwezenlijking van de bij het in voorbereiding zijnde luchthavenbesluit daaraan te geven regels in het omgevingsplan.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien:

    • a.

      het obstakel niet hoger is dan de aangegeven waarden;

    • b.

      het obstakel is opgericht, geplaatst of aangelegd overeenkomstig een overgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit;

    • c.

      voor het obstakel vóór het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit een omgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit is verleend; of

    • d.

      het obstakel een boom of struik betreft, tenzij de boom of struik een onaanvaardbaar risico voor de vliegveiligheid oplevert of leidt tot ernstige operationele beperkingen in het gebruik van de luchthaven.

  • 4.

    Het is voorts verboden op de gronden, bedoeld in het eerste lid, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit een werk, geen bouwwerk zijn, of een werkzaamheid uit te voeren voor zover dit werk of deze werkzaamheid niet voldoet aan de eisen met betrekking tot de vlakheid van het terrein, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Regeling burgerluchthavens.

Artikel 2.2 Beperkingen in verband met de goede werking van de apparatuur voor luchtverkeersdienstverlening

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning in de gebieden met hoogtebeperkingen in verband met de goede werking van de apparatuur voor luchtverkeerscommunicatie, -navigatie of -begeleiding voor VDF Windturbine en TAR Eelde een obstakel op te richten, te plaatsen of aan te leggen.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart, wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval niet verleend indien het oprichten, plaatsen of aanleggen van een obstakel de locatie minder geschikt maakt voor de verwezenlijking van de bij het in voorbereiding zijnde luchthavenbesluit daaraan te geven regels in het omgevingsplan.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien:

    • a.

      het obstakel niet hoger is dan de aangegeven waarden;

    • b.

      het obstakel is opgericht, geplaatst of aangelegd overeenkomstig een overgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit;

    • c.

      een omgevingsvergunning voor het bouwen of een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit is verleend; of

    • d.

      het obstakel een boom of struik betreft, tenzij de boom of struik een onaanvaardbaar risico voor de goede werking van de apparatuur, bedoeld in het eerste lid, oplevert.

  • 4.

    Het is voorts verboden op de gronden, als bedoeld in het eerste lid, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit een werk, geen bouwwerk zijn, of een werkzaamheid uit te voeren voor zover dit werk of deze werkzaamheid niet voldoet aan de eisen met betrekking tot de vlakheid van het terrein, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Regeling burgerluchthavens.

Artikel 2.3 Beperkingen in verband met vogelaantrekkende activiteiten en grondgebruik

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning de gronden gelegen binnen het gebied met vogelaantrekkende werking te gebruiken voor:

    • a.

      industrie in de voedingsopslag met extramurale opslag of overslag;

    • b.

      viskwekerij met extramurale opslag;

    • c.

      opslag of verwerking van afvalstoffen met extramurale opslag of verwerking;

    • d.

      natuurgebied of vogelgebied;

    • e.

      moerasgebied of oppervlaktewater of een combinatie daarvan groter dan drie hectare dan wel waarvan het totaal van de opgesplitste delen groter is dan drie hectare.

  • 2.

    Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning, als bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval een studie naar de vogelaantrekkende werking van de voorgenomen activiteit verstrekt waarin wordt geconcludeerd dat de voorgenomen functie of het voorgenomen grondgebruik geen onaanvaardbaar risico voor de vliegveiligheid oplevert of leidt tot ernstige operationele beperkingen in het gebruik van de luchthaven.

  • 3.

    De omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, wordt uitsluitend verleend indien op basis van een studie, als bedoeld in het tweede lid, kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen functie of het voorgenomen grondgebruik geen onaanvaardbaar risico voor de vliegveiligheid oplevert of leidt tot ernstige operationele beperkingen in het gebruik van de luchthaven.

  • 4.

    De omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, wordt niet verleend indien het gebruik van de gronden naar het oordeel van het bevoegd gezag de locatie minder geschikt maakt voor de verwezenlijking van de bij het in voorbereiding zijnde luchthavenbesluit daaraan te geven regels in het omgevingsplan.

  • 5.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover een grondgebruik rechtmatig was op de dag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 2.4 Beperkingen in verband met het gebruik van laserstralen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning op de gronden gelegen binnen het laserstraalvrij gebied een laserstraal te gebruiken die de vliegveiligheid kan verstoren.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.9, tweede lid, juncto artikel 8.47, tweede lid en artikel 8.70, tweede lid, van de Wet luchtvaart wordt de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend verleend als de hinder die de laserinstallatie veroorzaakt de vliegveiligheid niet in gevaar brengt.

  • 3.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover de functie of het gebruik rechtmatig was op de dag vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.

Bijlage I Overzicht informatieobjecten