Verordening Sociaal Domein gemeente Meppel

Geldend van 17-02-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026

Intitulé

Verordening Sociaal Domein gemeente Meppel

De R a a d van de gemeente Meppel;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 9 december 2025,

nr. 3504592;

Overwegende dat de Verordening Sociaal Domein gemeente Meppel een goede actuele en goed toepasbare regeling moet zijn waarop de besluiten in het sociaal domein kunnen worden gebaseerd;

b e s l u i t :

  • 1.

    De Verordening Sociaal Domein gemeente Meppel met terugwerkende kracht vast te stellen per 1 januari 2026;

  • 2.

    De Verordening Sociaal Domein gemeente Meppel zoals vastgesteld op 19 december 2024 met kenmerk 1984980 in te trekken met ingang van 1 januari 2026.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

1.1. Toepassingsbereik

Deze verordening is van toepassing op de uitvoering van de Antidiscriminatiewet, de Jeugdwet, de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, Wet op de expertisecentra,de Wet op het primair onderwijs (WPO), de Wet voortgezet onderwijs 2020, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015(Wmo 2015), Wet inburgering, de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet.

1.2. Algemene Definities

  • 1.

    Alle in deze verordening gebruikte begrippen moeten worden geduid en begrepen volgens de definities van de wetten waarop deze verordening is gebaseerd.

  • 2.

    Specifieke definities zoals geduid in de navolgende artikelen gaan voor op de algemene begrippen zoals benoemd in het derde lid.

  • 3.

    Algemene begrippen;

    • a.

      Inwoner: ingezetene van de gemeente Meppel als bedoeld in artikel 2 Gemeentewet, die als zodanig is geregistreerd in de basisregistratie personen en die gebruik maakt of wil maken van een van de een deze verordening behandelde voorzieningen.

    • b.

      College: het college van burgemeester en wethouders van Meppel

    • c.

      Consulent: medewerker in dienst van de gemeente Meppel die belast is met het onderzoek voor een te nemen besluit en het opstellen van een beschikking

    • d.

      Eigen kracht: het vermogen van de inwoner om zelf tot verbetering van zijn of haar zelfredzaamheid te komen door actief het eigen netwerk te benutten en in te zetten.

    • e.

      Gebruikelijke hulp: Hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (zie artikel 1.1.1 Wmo 2015).

1.3. Definities maatschappelijke voorzieningen en jeugdhulp

  • a.

    Algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bestemd voor mensen met een handicap of beperking, die daadwerkelijk verkrijgbaar is en die een passende bijdrage levert aan zelfredzaamheid of participatie terwijl deze betaalbaar is voor iemand met een minimuminkomen.

  • b.

    Algemene voorziening: aanbod van activiteiten of diensten dat toegankelijk is, zonder dat eerst een onderzoek wordt gedaan naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van gebruikers. Het betreft een voorziening die door of in opdracht van de gemeente is getroffen en die voorziet in activiteiten of het leveren van diensten.

  • c.

    Centrumgemeente: Een gemeente die namens gemeente Meppel wettelijke taken uitvoert op grond van de Wmo2015.

  • d.

    Collectief vervoer: systeem van vervoer door middel van deeltaxi’s waarvan het gebruik mede als maatwerkvoorziening kan worden verstrekt en waar mee kan worden gereisd op vertoon van een persoonlijke pas.

  • e.

    Eigen bijdrage: bijdrage in de kosten zoals bedoeld in artikel 1.4 en 1.4a Wmo2015

  • f.

    Gespreksverslag: een schriftelijke vastlegging van het onderzoek dat wordt uitgevoerd in het kader van een vraag om jeugdhulp

  • g.

    PGB-plan: een plan waarin de inwoner aangeeft wat hij wil inkopen met een aangevraagd PGB, welk bedrag hij daar voor nodig heeft en welk bedrag per zorgverlener of leverancier zal worden besteed

  • h.

    Programma van eisen: overzicht van eisen waaraan een hulpmiddel moet voldoen om te kunnen worden ingezet als maatwerkvoorziening

  • i.

    Voorliggende voorziening: een voorziening die verstrekt kan worden op grond van andere wetgeving dan de Wmo2015, de Jeugdwet of de Participatiewet en die daarom voorgaat op een verstrekking op basis van de genoemde wetten.

  • j.

    Wmo Ondersteuningsplan: een schriftelijke vastlegging van het onderzoek dat wordt uitgevoerd na een Wmo melding.

  • m.

    Zelfzorg: eigen zorg van de inwoner voor het lichamelijk en mentaal welbevinden.

1.3.1 Definities jeugdhulp

  • a.

    Algemene voorziening: aanbod van activiteiten of diensten dat toegankelijk is, zonder dat eerst een onderzoek wordt gedaan naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van gebruikers. Het betreft een voorziening die door of in opdracht van de gemeente is getroffen en die voorziet in activiteiten of het leveren van diensten.

  • b.

    Andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de wet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;

  • c.

    Budgetbeheerder: wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde van de budgethouder;

  • d.

    Budgethouder: de persoon die een pgb ontvangt op grond van de Jeugdwet;

  • e.

    Hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen;

  • f.

    Individuele Voorziening: voorziening voor jeugdhulp als bedoeld in artikel 2.2.1 tweede lid;

  • g.

    Ouder: wettelijk vertegenwoordiger van de jeugdige

  • h.

    Overige voorziening: voorziening als bedoeld in artikel 2.2.1, eerste lid;

  • i.

    PGB: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1, van de Jeugdwet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouder(s), dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken;

  • j.

    Pupilkosten bestaan uit doorbelaste kosten door derden. Het gaat niet om eigen kosten voor de GI. Voor de GI zijn deze kosten doorgaans niet beïnvloedbaar. Onder pupilkosten kunnen de volgende kosten vallen, mits hier geen voorliggende voorziening voor bestaat:

    • -

      Zorgkosten zoals een aanvullende zorgverzekering, onderzoeken, therapieën en medicijnen die in het geheel niet door de zorgverzekering worden vergoed of die niet meer worden vergoed omdat de kosten boven de maximale vergoeding uitkomen, brillen, contactlenzen, beugels en andere hulpmiddelen, als geen (volledige) vergoeding door zorgverzekeraar wordt verstrekt, dagvergoeding bij bedplassen (doktersverklaring nodig), als geen (volledige) vergoeding door zorgverzekeraar wordt vergoed;

    • -

      Reiskosten in verband met de omgangsregeling en familiecontacten, waarvoor het basisbedrag niet toereikend is, reiskosten in verband met veelvuldig dokter-, tandartsbezoek etc., OV-kosten in het kader van het volgen van voortgezet onderwijs, de aanschaf van een (aangepaste) fiets of bromfiets (met bijkomende kosten: helm, verzekering, examen, brommerrijbewijs, reparaties);

    • -

      Schoolgerelateerde kosten zoals eventuele kosten voor tussenschoolse opvang, school- en beroepskeuzetest, ouderbijdrage school- en lesgeld en schoolexcursies, schoolreizen en werkweken, bijlessen en huiswerkinstituut, aanschaf computer of laptop voor schoolwerk, boeken en leermiddelen;

    • -

      Schadekosten zoals het eigen risico van een aansprakelijkheidsverzekering, schade aan bezittingen van derden die niet door de AVP worden vergoed;

    • -

      Overige kosten zoals zwemles, muziekles, sportkosten, inrichtingskosten, Begrafenis en crematie, aanvraag Identiteitsbewijs en paspoort, uittreksel geboorteregister en naamswijziging, DNA-onderzoek;

  • k.

    SKJ: Stichting Kwaliteitsregister Jeugd

1.4. Definities uitkeringen Participatiewet/Ioaw/Ioaz

  • a.

    Benadelingsbedrag: netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan;

  • b.

    Doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7 lid 1 onder a Participatiewet die het college ondersteunt bij de arbeidsinschakeling

  • c.

    Inkomen: totaal van het inkomen als bedoeld in artikel 31, 32 en 33 Participatiewet

  • d.

    Norm:

    • toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet, of

    • grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen voor zover sprake is van een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

  • e.

    Plan van aanpak: plan gericht op de arbeidsinschakeling of re-integratie dat het college samen met een uitkeringsgerechtigde opstelt.

  • f.

    Referteperiode: een periode van 36 maanden voorafgaand aan de ingangsdatum waarop een persoon een verzoek indient voor een individuele inkomenstoeslag.

  • g.

    uitkering: algemene bijstand op grond van de Participatiewet of een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.

1.5. Definities leerlingenvervoer

  • a.

    aangepast vervoer: vervoer per besloten busvervoer, schoolbusvervoer, taxi, taxibus, bustaxi of touringcar;

  • b.

    afstand: afstand tussen de woning en de school, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg;

  • c.

    begeleider: ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te begeleiden;

  • d.

    deskundige: onafhankelijk medisch of pedagogisch deskundige;

  • e.

    eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig of fiets;

  • f.

    gehandicapte leerling: een leerling als bedoeld in dit artikel, die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet, of niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken;

  • g.

    inkomen: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in het peiljaar, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs;

  • h.

    leerling: de leerling die is ingeschreven bij een school als bedoeld in dit artikel;

  • i.

    ontwikkelingsperspectief: een voor de leerling van het primair onderwijs, speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs dan wel voortgezet onderwijs vastgesteld plan als bedoeld in artikel 40a van de Wet op het primair onderwijs, artikel 41a van de Wet op de expertisecentra of artikel 2.44 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, dat door het bevoegd gezag en na op overeenstemming gericht overleg met de ouders is opgesteld. Ingeval van het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs adviseert hierin de commissie voor de begeleiding dan wel de commissie van onderzoek;

  • j.

    openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer;

  • k.

    opstapplaats: plaats aangewezen door het college, vanaf waar de leerling gebruik kan maken van het vervoer.

  • l.

    ouders: ouder(s), voogden of verzorgers van de leerling;

  • m.

    reistijd: totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids, minus maximaal 10 minuten, indien en voor zover de leerling het schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt dan de schoolgids aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt tussen het einde van de schooldag volgens de schoolgids en de aankomst bij de woning, plus een eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer of maximaal 10 minuten bij gebruikmaking van aangepast vervoer;

  • n.

    samenwerkingsverband:

    • 1°.

      voor het primair onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs;

    • 2°.

      voor het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de expertisecentra; of

    • 3°.

      voor het voortgezet onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.47 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;

  • o.

    school: de schoollocatie waar de leerling onderwijs volgt. Dit is:

    • 1°.

      het primair onderwijs: basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs;

    • 2°.

      het speciaal onderwijs: school voor speciaal onderwijs of het speciaal onderwijs binnen een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra;

    • 3°.

      het voortgezet speciaal onderwijs: school voor voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs binnen een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; of

    • 4°.

      het voortgezet onderwijs: school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020;

  • p.

    stage : een integraal onderdeel van een opleiding waarbij de leerling in de praktijk leert;

  • q.

    toegankelijke school: school waarop de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school;

  • r.

    vervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer tussen de woning dan wel de opstapplaats en de school dat plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids, tenzij de structurele handicap van een leerling die aansluiting onmogelijk maakt;

  • s.

    vervoersvoorziening:

    • 1°.

      bekostiging van de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig diens begeleider;

    • 2°.

      gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het college noodzakelijk geachte vervoerkosten van de leerling en zo nodig diens begeleider; of

    • 3°.

      aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen;

  • t.

    woning: plaats waar de leerling feitelijk en structureel verblijft.

1.6. Definities wet Inburgering

  • a.

    Inburgeringsplichtige: persoon, bedoeld in artikel X, 2e t/m 5e lid van de wetswijziging van de wet van 13 september 2012 tot wijziging van de Wet inburgering (2012, 430).

1.6.1. Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorziening

  • a.

    Antidiscriminatievoorziening: antidiscriminatievoorziening als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen;

  • b.

    Besluit: Besluit gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen;

  • c.

    Klachtbehandelaar: klachtbehandelaar als bedoeld in artikel 1, onder d, van het Besluit antidiscriminatievoorzieningen.

1.7. Melding en onderzoek

  • 1.

    Bij een melding door of namens een inwoner doet het college onderzoek naar de hulpbehoefte en de omstandigheden van de persoon of het gezin van de inwoner. In het onderzoek wordt aandacht besteed aan omstandigheden op het gebied van wonen, financiën, zelfzorg en welzijn, sociaal netwerk, eigen kracht en dagbesteding.

  • 2.

    De melding waarop een onderzoek volgt in de zin van artikel 2.3.2. vierde lid Wmo2015 wordt schriftelijk bevestigd.

  • 3.

    Als er een wettelijke aanvraagprocedure geldt zonder voorafgaand onderzoek door het college, dan wordt de inwoner of de melder daar naar verwezen.

  • 4.

    Voorafgaand aan het aannemen van een melding wordt een triage uitgevoerd om vast te stellen of en hoe het contact kan worden opgevolgd, en hoe zonodig aan de inwoner beknopt advies kan worden gegeven wat hij gelet op de aard van de gestelde vraag kan doen of bij welke aangewezen partij hij hulp kan krijgen zonder verwijzing door de gemeente.

  • 5.

    Als de inwoner dat wil wordt informatie over hem of haar uit aanvragen op grond van verschillende wetten in het sociaal domein samengevoegd en betrokken in het onderzoek.

  • 6.

    De gemeentelijke organisatieonderdelen in het sociaal domein werken met elkaar samen als één team in de behandeling van aanvragen, meldingen en vragen van inwoners op het gebied van de Jeugdwet, de Wmo2015, de Participatiewet, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, de Leerplichtwet, de Wet publieke gezondheid, de Wet op het primair onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en de Wet op de expertisecentra.

  • 7.

    Wanneer de situatie daar om vraagt, of de inwoner dat wenst, en de beoordeling van de aanspraak op een aangevraagde voorziening zonder uitgebreid onderzoek als bedoeld in lid 1 kan worden gedaan, kan worden afgezien van dat onderzoek.

1.8. Onafhankelijke cliëntondersteuning

  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat inwoners een beroep kunnen doen op een kosteloze cliëntondersteuning waarbij het belang van de inwoner uitgangspunt is.

  • 2.

    Het college zorgt voor de inzetbaarheid van cliënt ondersteuners van verschillende organisaties.

  • 3.

    Het college stelt een subsidieregeling vast waarin regels worden gesteld voor de verdeling van middelen voor de bekostiging van professionele cliëntondersteuners in de gemeente. De regeling kent een subsidieplafond.

  • 4.

    Cliëntondersteuning moet voldoen aan nader door het college vast te stellen richtlijnen die ten minste beschrijven:

    • a.

      Op welke manier ondersteuners voor cliënten vindbaar en benaderbaar zijn

    • b.

      Op welke manier ondersteuners hun ondersteuning uitvoeren

    • c.

      Op welke manier ondersteuners aan inwoners kenbaar maken op welk vlak hun kennis en ervaring ligt

  • 5.

    Het college wijst inwoners en mantelzorgers actief op de mogelijkheden van cliënt ondersteuning.

1.9. Hardheidsclausule

  • 1.

    In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet beslist het college.

  • 2.

    Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening als strikte toepassing daarvan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.

  • 3.

    Deze hardheidsclausule is niet van toepassing op besluiten die worden gebaseerd op de Wmo2015 en de Jeugdwet.

1.10 Innovatie (experimenten)

  • 1.

    Het college kan, als experiment in het kader van het onderzoeken en toepassen van mogelijkheden om de participatie te bevorderen, afwijken van het bepaalde in deze verordening.

  • 2.

    De duur van een experiment als bedoeld in het eerste lid is ten hoogste drie jaar.

  • 3.

    Indien het experiment noodzaakt tot bijstelling van deze verordening kan de periode zoals genoemd in het tweede lid worden verlengd tot aan het moment van inwerkingtreding van de bijstelling.

1.11. Cliëntenparticipatie

  • 1.

    Het college betrekt inwoners van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning (Jeugdwet, Wmo 2015 en Participatiewet), overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

  • 2.

    Het college stelt inwoners vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 3.

    Het college zorgt ervoor dat inwoners kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

  • 4.

    Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid.

Hoofdstuk 2 Hoofdtaken sociaal domein (Maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp, participatie en inkomensvoorzieningen)

2.1 Wmo2015

2.1.1 Algemene voorzieningen

  • 1. In de gemeente Meppel zijn de volgende algemene voorzieningen beschikbaar:

    • a.

      Activeringscentrum de MensA

    • b.

      Het Leer Werk centrum

    • c.

      Een rolstoel of een scootmobiel uit de poolen van Reestoord; het Irenehuis; 't Anker; De Beemd en de Plataan.

    • d.

      Een rolstoelfiets, gestald bij de Snippe i.s.m. de MensA.

    • e.

      De stadsbus MUG.

    • f.

      De dagopvang op werkdagen bij: De Plataan; de Buurtkamer en het Kerspel

    • g.

      Stamtafels van Welzijn Mensenwerk.

  • 2. De algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijk voor eenieder maar kunnen een geringe bijdrage vragen in de kosten voor consumpties of gebruikte materialen of ritten die ter plekke moet worden voldaan.

2.1.2. Onderzoek Wmo hulpvraag

  • 1. Het college gaat in samenspraak met de inwoner, diens vertegenwoordiger en eventuele mantelzorger of familieleden bepalen wat de hulpvraag is.

  • 2. Het college kijkt samen met de inwoner naar wat nodig is om zo zorg-onafhankelijk mogelijk te worden en te blijven

  • 3. Bij het bepalen van de hulpvraag wordt onderzoek gedaan binnen de leefdomeinen: wonen, financiën, zelfzorg, sociaal netwerk, eigen kracht en daginvulling

  • 4. Een zorgvuldig onderzoek omvat de volgende 5 stappen:

    • a.

      Wat is de hulpvraag en vanuit welke wet onderzoeken: Wmo, Zvw of Wlz?

    • b.

      Wat zijn de eigen mogelijkheden en beperkingen van de inwoner (lichamelijk en/of geestelijk)?

    • c.

      Welke ondersteuning naar aard en omvang is nodig om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid en participatie?

    • d.

      In hoeverre kunnen de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en algemene voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden?

    • e.

      Welke problemen worden er na het doorlopen van de stappen a tot en met d nog ondervonden bij de zelfredzaamheid en participatie die met een maatwerkvoorziening kunnen worden opgelost?

  • 5. Het college kan ter uitvoering van het onderzoek ook huisgenoten van de inwoner met een hulpbehoefte oproepen voor een gesprek of een onderzoek door een deskundige.

2.1.3. Criteria voor een maatwerkvoorziening

  • 1. Een maatwerkvoorziening kan alleen worden toegekend als het onderzoek als bedoeld in artikel 2.1.2 de conclusie oplevert dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk en geschikt is om zelfredzaam te zijn of om te kunnen participeren, er geen algemene of algemeen gebruikelijke voorziening beschikbaar is, en de inwoner de noodzaak tot ondersteuning redelijkerwijs niet had kunnen voorkomen en kunnen voorzien.

  • 2. Een maatwerkvoorziening moet er voor zorgen dat een inwoner hierdoor zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven wonen.

  • 3. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder verstrekte maatwerkvoorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte maatwerkvoorziening technisch is afgeschreven, behalve in de volgende gevallen:

    • a.

      De eerder verstrekte maatwerkvoorziening is verloren gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de inwoner kunnen worden toegerekend

    • b.

      De inwoner komt geheel of gedeeltelijk tegemoet in de veroorzaakte kosten

    • c.

      De eerder verstrekte maatwerkvoorziening is niet langer meer een oplossing voor de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning van de inwoner.

  • 4. Het college houdt bij het bepalen welke maatwerkvoorziening wordt toegekend rekening met de omstandigheden, behoeften en mogelijkheden van de inwoner en kiest daarbij voor de meest adequate en goedkope oplossing.

  • 5. Indien de aanvraag betrekking heeft op kosten voor maatschappelijke ondersteuning die de cliënt voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt, kan het college hier slechts een voorziening voor verstrekken:

    • a.

      als op het moment van de aanvraag nog steeds sprake is van de noodzaak voor het ondersteunen om zelfredzaam te zijn of om te kunnen participeren waarvoor de hulp is ingezet, en;

    • b.

      voor zover het college de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen.

    • c.

      De voorziening als bedoeld in lid 5 kan slechts betrekking hebben op gemaakte kosten over een periode van maximaal 3 maanden vóór de aanvraag.

2.1.3.1 Beoordeling aanwezigheid gebruikelijke hulp na melding

  • 1. In aansluiting op de artikelen 1.2.1, onder a. en 2.3.5 lid 3 van de Wmo wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt voor zover de inwoner de problematiek waarvoor in het gegeven geval een maatwerkvoorziening wordt aangevraagd, kan verminderen of wegnemen:

    • a.

      door gebruik te maken van zijn eigen kracht;

    • b.

      met gebruikelijke hulp van huisgenoten;

    • c.

      met mantelzorg of hulp van anderen uit zijn sociale netwerk;

    • d.

      door gebruik te maken van algemene voorzieningen;

    • e.

      door gebruik te maken van algemeen gebruikelijke zaken of diensten.

  • 2. Bij het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4. onder b. van de Wmo beoordeelt het college of er gebruikelijke hulp van huisgenoten als bedoeld in artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015 beschikbaar is.

  • 3. Huisgenoten van de inwoner zijn verplicht, als zij daarom gevraagd worden, aan het college de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van het onder lid 2 genoemde onderzoek, alsmede bij heronderzoek als bedoeld in artikel 2.3.9 van de Wmo.

  • 4. Het college vraagt een daartoe door hem aangewezen adviseur om advies, indien dat advies naar het oordeel van het college nodig is voor een zorgvuldig onderzoek rond een melding, aanvraag of heronderzoek;

  • 5. De adviseur moet, afhankelijk van de aard van het onderzoek, aantoonbaar beschikken over:

    • a.

      Sociaal-medische kennis op het niveau van een arts;

    • b.

      Ergonomische kennis;

    • c.

      Bouwkundige/technische kennis;

    • d.

      Gedragswetenschappelijke kennis.

  • 6. Bij de beoordeling als bedoeld in het tweede lid wordt, voor zover daartoe aanleiding is, rekening gehouden met:

    • a.

      de samenstelling van de leefeenheid van de inwoner en diens huisgenoot of huisgenoten;

    • b.

      de aard van de relatie tussen de inwoner en diens huisgenoten;

    • c.

      de inhoudelijke aard, de omvang en de complexiteit van de ondersteuningsbehoefte van de inwoner;

    • d.

      de beschikbaarheid en de praktische, lichamelijke en geestelijke mogelijkheden van de huisgenoot of de huisgenoten voor het ondersteunen van de inwoner bij diens zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving;

    • e.

      de mate waarin en de wijze waarop de inwoner voorafgaand aan de melding is ondersteund door diens huisgenoot of huisgenoten op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving;

    • f.

      overige relevante omstandigheden van de huisgenoot of huisgenoten van de cliënt die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de inwoner hulp te bieden op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving.

2.1.4 Het Wmo-ondersteuningsplan

  • 1. Het onderzoek wordt afgerond met het opmaken van een Wmo ondersteuningsplan.

  • 2. Het Wmo ondersteuningsplan bevat de resultaten die de inwoner wil bereiken om zijn hulpvraag op te lossen en een beschrijving op welke manier dat moet gaan. Dit geldt ook voor resultaten die met inzet van een maatwerkvoorziening moeten worden behaald.

  • 3. Het onderzoek kan periodiek worden herhaald, bijvoorbeeld met het aflopen van een toegekende maatwerkvoorziening.

  • 4. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan worden gedaan door het Wmo ondersteuningsplan ondertekend terug te sturen naar het college. De inwoner kan daar opmerkingen en aanvullingen in opnemen.

2.1.5. Soorten maatwerkvoorzieningen

De gemeente Meppel kent de volgende maatwerkvoorzieningen waarvoor zij met leveranciers afspraken heeft gemaakt voor het leveren van zorg of diensten in natura:

  • a.

    Huishoudelijke ondersteuning

  • b.

    Begeleidende ondersteuning

  • c.

    Woonvoorzieningen

  • d.

    Rolstoelvoorzieningen

  • e.

    Vervoersvoorzieningen

  • f.

    Sportvoorzieningen

  • g.

    Kortdurend verblijf

  • h.

    Beschermd wonen en maatschappelijke opvang

2.1.6. Beschermd wonen en maatschappelijke opvang door centrumgemeente

  • 1. De uitvoering van de taken beschermd wonen en maatschappelijke opvang wordt namens het college gedaan door centrumgemeente Assen. Het college heeft daarvoor afspraken gemaakt met gemeente Assen in het convenant Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang.

  • 2. Op de uitvoering van de taken die de centrumgemeente uitvoert zijn de lokale regels van de centrumgemeente, bij voorrang op deze regeling, van toepassing.

2.1.7. ( Gereserveerd )beschermd wonen vanaf 1-1-2025

2.1.8. (Gereserveerd) Beschermd thuiswonen

2.1.9. Collectief vervoer / taxivervoer (Wmo-vervoerpas)

  • 1. Wanneer een inwoner een maatwerkvoorziening krijgt voor vervoer in een collectieve of individuele taxi is het aantal kilometers beperkt tot maximaal 1250 per jaar en maximaal 25 kilometer per rit.

  • 2. Voor het gebruik van de vervoerpas is een eigen bijdrage verschuldigd per rit van € 1,01 (instaptarief) plus 0,18 eurocent per km.

  • 3. Een medereiziger die meereist omdat de pashouder niet alleen kan reizen reist gratis mee.

  • 4. Maximaal drie huisgenoten mogen meereizen met de pashouder. Zij betalen hetzelfde tarief per rit als de pashouder.

  • 5. Maximaal 2 kinderen tot 5 jaar reizen gratis mee met de pashouder.

  • 6. Een medereiziger die niet tot het huishouden behoort betaalt €0,45 per km.

  • 7. Een blindegeleidehond of hulphond reist gratis mee.

  • 8. De in dit artikel genoemde tarieven kunnen door het college op dezelfde manier worden verhoogd als de jaarlijkse indexering van OV tarieven.

2.1.10. Aanschaf en aanpassing van een aangepaste auto

Een maatwerkvoorziening voor aanschaf of aanpassing van een auto wordt alleen onder de volgende voorwaarden verstrekt:

  • a.

    Andere collectieve, algemene of maatwerkvoorzieningen zijn niet voldoende geschikt om in de ondersteuningsbehoefte van de inwoner te voorzien

  • b.

    Een aanpassing of bijdrage in de aanschafkosten wordt alleen verstrekt voor auto’s die op het moment van de aanvraag niet ouder zijn dan drie jaar.

2.1.11. Kwaliteitscriteria voor maatwerkvoorzieningen en jeugdhulp

  • 1. De verstrekte Wmo maatwerkvoorzieningen waarbij het gaat om individuele begeleiding (basis en plus), dagbesteding (basis en plus), vervoer naar de dagbesteding en kortdurend verblijf moeten met ingang van 1 januari 2026 voldoen aan de kwaliteitseisen zoals deze zijn beschreven in het Landelijke toetsingskader Wmo. Op de verstrekte maatwerkvoorzieningen tot 1 januari 2026 is het Drents Kwaliteitskader Sociaal Domein 2019 (DKK) van toepassing.

  • 2. De overige Wmo maatwerkvoorzieningen, niet zijnde de voorzieningen genoemd in lid 1, en de jeugdhulpvoorzieningen moeten voldoen aan de kwaliteitscriteria zoals deze beschreven zijn in het Drents Kwaliteitskader Sociaal Domein 2019 (DKK). Onder verantwoorde hulp wordt verstaan dat het hulp is van ‘goed’ niveau; hulp die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig, cliëntgericht is (en die is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt en andere vormen van hulp).

  • 3. Het college stelt, in overleg met de regio Drenthe, het DKK voor Meppel vast.

  • 4. Bij de inkoop en aanbestedingsprocedure en bij toezicht is dit de leidraad waaraan wordt getoetst of de ingekochte maatwerkvoorzieningen voldoen aan de norm voor verantwoorde hulp.

  • 5. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen door:

    • a.

      Het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;

    • b.

      Het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg;

    • c.

      Erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werk handelen volgens professionele standaarden.

  • 6. In situaties waarin toezicht wordt uitgeoefend op een maatwerkvoorziening die met een persoonsgebonden budget is ingekocht wordt ook getoetst aan het Landelijk toetsingskader Wmo respectievelijk het DKK, afhankelijk van het bepaalde in lid 1 en 2 van dit artikel.

2.1.12. Toezicht en handhavingskader Wmo 2015 en Jeugdwet

  • 1. Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het houden van toezicht op de naleving van kwaliteit en rechtmatige uitvoering van de Wmo 2015 en Jeugdwet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet.

  • 2. Het college kan nadere regels vaststellen over de bevoegdheden van de toezichthouder

  • 3. Het college houdt in het kader van de Wmo toezicht op de naleving van de eisen in artikel 2.1.11 door:

    • 1.

      periodieke overleggen met de aanbieders;

    • 2.

      continumeting cliëntervaring;

    • 3.

      als het nodig is in overleg met de cliënt ter plaatse de geleverde voorzieningen te controleren.

  • 4. Steekproefsgewijs de bestedingen van PGB’s te controleren

  • 5. De aangewezen toezichthouder heeft de bevoegdheid om:

    • a.

      inlichtingen te vragen;

    • b.

      (cliënten) administratie te vorderen bij de zorgverlener

    • c.

      de administratie te vorderen van de cliënt of de PGB-beheerder

    • d.

      identificatie te vragen;

    • e.

      documenten en gegevens te lezen en gebruiken

    • f.

      ergens naar binnen gaan (met uitzondering van woningen)

    • g.

      te controleren of de zorgverlener zich aan de afspraken uit de toekenningsbeschikking of de raamovereenkomst of de uitvoeringsovereenkomst met het college houdt;

    • h.

      te controleren of de overeenkomst (ondersteuningsinhoudelijk) die de cliënt of de PGB-houder heeft gesloten voldoet aan de gegevens en informatie die bij de aanvraag zijn gegeven. Iedereen is verplicht om mee te werken aan het onderzoek van de toezichthouder.

  • 6. Het college stelt voor onderzoeksmethoden die vaak worden toegepast protocollen op. Het gaat in ieder geval om een protocol voor de inzet van huisbezoeken. De protocollen moeten ervoor zorgen dat er geen ongeoorloofde inbreuk op het privéleven van inwoners plaatsvindt.

  • 7. Bij het uitvoeren van onderzoek zorgt het college ervoor dat inbreuk op persoonlijkheidsrechten, zoals op de bescherming van het privéleven, niet verder gaat dan wat noodzakelijk, passend en wettelijk toegestaan is.

2.1.13. Normtijden huishoudelijke ondersteuning

  • 1. Bij huishoudelijke ondersteuning wordt de omvang van de maatwerkvoorziening bepaald met behulp van Het Normenkader Huishoudelijke ondersteuning, uitgebracht door bureau HHM (kenmerk MW/25/0050 | januari 2025).

  • 2. De normtijden zijn van toepassing op de volgende zes onderdelen die deel kunnen uitmaken van huishoudelijke ondersteuning:

    • a.

      Schoon en leefbaar huis

    • b.

      Wasverzorging

    • c.

      Boodschappen

    • d.

      Maaltijden

    • e.

      Kindzorg

    • f.

      Regie /organisatie en advies, instructie en voorlichting

2.1.14. Eigen bijdragen

  • 1. Degene die een maatwerkvoorziening ontvangt is een periodieke eigen bijdrage verschuldigd.

  • 2. De hoofdbewoner van een woning waarin ten behoeve van een jeugdig gezinslid aanpassingen worden aangebracht in de vorm van een maatwerkvoorziening is een periodieke eigen bijdrage verschuldigd.

  • 3. De eigen bijdrage wordt berekend over maximaal de kosten die de gemeente betaalt aan leveranciers voor het ter beschikking stellen van de maatwerkvoorziening.

  • 4. Bij PGB-maatwerkvoorzieningen wordt de bijdrage berekend over maximaal de hoogte van het PGB voor de maatwerkvoorziening.

  • 5. De eigen bijdrage is verschuldigd zolang van de maatwerkvoorziening gebruik wordt gemaakt en het bedrag zoals genoemd in lid 3 of 4 niet is bereikt.

  • 6. In afwijking van artikel 3.8, eerste lid, van het Uitvoeringbesluit Wmo 2015 is de bijdrage gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste het bedrag zoals genoemd in het op grond van dat artikel bepaalde bedrag per maand voor de ongehuwde inwoner of de gehuwde inwoner tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de wet geen of een lagere bijdrage is verschuldigd.

  • 7. [vervallen per 1-1-2025]

  • 8. De kostprijs van een maatwerkvoorziening voor het bepalen van de eigen bijdrage wordt bepaald:

    • a.

      door een aanbesteding;

    • b.

      na een consultatie in de markt, of

    • c.

      in overleg met de aanbieder.

  • 9. Een inwoner is een bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van collectief vervoer, ter hoogte van € 0,18 per kilometer voor ritten tot en met 25 kilometer plus het instaptarief van € 0,90. Deze tarieven kunnen door het college jaarlijks worden verhoogd met het zelfde kostenstijgingspercentage dat wordt toegepast op tarieven van het openbaar (bus-) vervoer. Er wordt dus voor het collectief vervoer geen gebruik gemaakt van het abonnementstarief voor eigen bijdragen via het CAK.

2.1.15. Persoonsgebonden budget (PGB)

  • 1. Het college verstrekt een PGB in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de Wmo2015.

  • 2. Er wordt geen PGB verstrekt voor kosten die de inwoner voorafgaand aan de aanvraag al heeft gemaakt en achteraf niet is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was.

  • 3. Wanneer een inwoner heeft aangegeven dat hij zijn maatwerkvoorziening in wil zetten met behulp van een PGB, maakt het college met hem afspraken over:

    • a.

      Welke maatwerkvoorziening met het PGB wordt ingekocht en waarom deze passend is;

    • b.

      Wie deze maatwerkvoorziening levert;

    • c.

      Wat de kosten zijn van deze maatwerkvoorziening;

    • d.

      Waarom hij de maatwerkvoorziening in de vorm van een PGB wil ontvangen;

    • e.

      Hoe invulling wordt gegeven aan het beheer van het PGB;

    • f.

      Hoe de kwaliteit geborgd is aan de hand van de kwaliteitscriteria zoals opgenomen in het DKK.

    • g.

      De besteding van het budget. De inwoner levert hiervoor een ingevuld PGB-plan aan.

  • 4. Het college legt de in het derde lid genoemde afspraken vast in het Wmo ondersteuningsplan als bedoeld in artikel 2.1.4. Het PGB-plan als bedoeld in het derde lid wordt aan het Wmo ondersteuningsplan toegevoegd en maakt daar deel van uit.

  • 5. De persoon aan wie een PGB wordt verstrekt kan de maatwerkvoorziening, uitgezonderd behandeling, betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, mits deze persoon:

    • a.

      meerderjarig is, en

    • b.

      veilige, doelmatige en cliëntgerichte hulp verleent, die is afgestemd op de reële behoefte van de inwoner, en

    • c.

      deze persoon heeft aangegeven dat de hulp aan de inwoner voor hem niet tot overbelasting leidt.

  • 6. Een PGB dient door de inwoner binnen drie maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het doel waarvoor het is verstrekt.

  • 7. Een PGB is alleen bestemd voor het betalen van loonkosten van een hulpverlener of het aanschaffen van hulpmiddelen volgens het programma van eisen van ergotherapeut of anders.

  • 8. Een PGB beheerder mag niet ook hulpaanbieder zijn.

  • 9. Een PGB beheerder moet bekwaam zijn om het PGB te beheren. Het college kan van een beoogde PGB beheerder verlangen dat deze een vaardigheidstest doet. De beoogd PGB beheerder moet in dat geval slagen voor de vaardigheidstest voordat een PGB kan worden verleend.

  • 10. Een PGB wordt alleen verstrekt voor de maatwerkvoorzieningen zoals genoemd in artikel 2.1.5.

  • 11. Het bedrag waarvoor een PGB wordt verstrekt wordt berekend in vergelijking met de kosten die verbonden zouden zijn aan de verstrekking van een maatwerkvoorziening in natura, bepaald op de manier van artikel 2.1.2.

  • 12. Bij een PGB voor maatschappelijke ondersteuning met inschakeling van een professional wordt de vergoeding bepaald op 75% van het tarief voor de kosten van zorg in natura, zoals het college die inkoopt.

  • 13. Bij een PGB voor maatschappelijke ondersteuning met inschakeling van een persoon uit het sociaal netwerk wordt de vergoeding als volgt bepaald:

    • a.

      Bij huishoudelijke hulp: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende cao VVT, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren.

    • b.

      Bij begeleiding: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij FWG 30 van de voor de betreffende periode geldende cao VVT, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren.

  • 14. Bij een PGB voor een hulpmiddel wordt de hoogte bepaald op basis van de aanschaf en installatie kosten zodat het voldoet aan het programma van eisen, verhoogd met een bedrag voor het periodiek onderhoud en eventuele verzekering voor wettelijke aansprakelijkheid.

  • 15. Bij een PGB voor een woningaanpassing wordt de hoogte bepaald op basis beoordeling van offertes met inachtneming van de doelmatigste, adequaatste en goedkoopste oplossing.

  • 16. Het PGB mag niet worden gebruikt om een PGB beheerder of tussenpersoon te betalen.

2.1.16. Opschorting betalingen uit het PGB

  • 1. Het college kan beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het PGB voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de Wmo2015.

  • 2. Het college kan beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het PGB voor de duur van de opname als de inwoner langer dan een door het college vastgestelde periode verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet.

  • 3. Indien het college een besluit neemt op grond van het eerste en/of tweede lid van dit artikel, wordt de PGB-houder daarover schriftelijk geïnformeerd.

2.1.17. Regels voor het aanwijzen van professionele PGB-zorgaanbieders

Als professionele PGB-aanbieders van maatschappelijke ondersteuning kwalificeren aanbieders die:

  • a.

    Niet door toezichthouders zijn gesignaleerd wegens het verlenen van ondeskundige zorg, handelen in strijd met de wet, misleiding, fraude of uitbuiting van het personeel;

  • b.

    Een kwaliteitszorgsysteem hanteren, waarbij onder andere de cliënttevredenheid wordt getoetst;

  • c.

    Aangesloten zijn bij een professioneel collectief;

  • d.

    Een duidelijke regeling voor hulpverlening in periode van ziekte of vakantie hanteren;

  • e.

    Verzekerd zijn voor beroepsaansprakelijkheid/bedrijfsaansprakelijkheid voor minimaal €1.250.000,-- per gebeurtenis en €2.500.000,-- per jaar;

  • f.

    Voldoen aan specifieke opleidingseisen gericht op het verlenen van maatschappelijke ondersteuning;

  • g.

    Beschikken over een adequate klachtenregistratie;

  • h.

    Zich richting de belastingdienst gedragen als een zelfstandig ondernemer blijkend uit een of meer aangiften inkomstenbelasting over de afgelopen 3 jaar.

  • i.

    Beschikken over een inschrijving in de Kamer van Koophandel als zorgaanbieder gericht op maatschappelijke ondersteuning;

2.1.18. Intrekking en terugvordering van maatwerkvoorzieningen

  • 1. Als een maatwerkvoorziening door het college wordt ingetrokken op grond van de wet, kan deze voorziening door het college worden teruggevorderd. Een hulpmiddel dat in eigendom of in bruikleen is verstrekt moet dan worden teruggeleverd door de inwoner.

  • 2. Als een huis met een woningaanpassing wordt verkocht en de waarde van het huis is gestegen door de woningaanpassing, wordt de hoogte van de waardestijging bepaald door het verschil tussen de waarde van het huis met de gerealiseerde woonvoorziening en de waarde van het huis als ware de woonvoorziening niet gerealiseerd.

2.1.19. Voorwaarden bij kortdurend verblijf in een instelling (adempauzeregeling*)

  • 1. De ondersteuning kortdurend verblijf in een instelling is gericht op de volgende resultaten:

    • a.

      Voorkomen of verminderen van overbelasting van een mantelzorger en / of

    • b.

      Stimuleren dat de inwoner zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven wonen

  • 2. Deze ondersteuning kan worden ingezet als voldaan is aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      De inwoner is langdurig aangewezen op meer dan gebruikelijke hulp en

    • b.

      De maatwerkvoorzieningen ondersteuning en begeleiding bieden onvoldoende een oplossing en

    • c.

      De inwoner en zijn mantelzorger kunnen geen aanspraak maken op voorliggende voorzieningen om overbelasting te voorkomen.

  • 3. De omvang is maximaal 3 etmalen per week

2.1.20. Jaarlijkse waardering mantelzorgers

  • 1. Er is een jaarlijkse blijk van waardering in natura voor mantelzorgers in de gemeente ter waarde van tenminste € 50,--

  • 2. Het college kan het in het eerste lid jaarlijks verhogen met het in de begroting gehanteerde kostenstijgingspercentage.

2.1.21. Regels over verhouding kwaliteit en prijs van ingekochte diensten voor maatwerkvoorzieningen

  • 1. Om te waarborgen dat er een goede verhouding is tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de dienst stelt het college stelt bij het aanbesteden of inkopen van diensten voor de levering van maatwerkvoorzieningen de volgende zaken vast:

    • a.

      Een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met een derde; of

    • b.

      Een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

      • 1.

        Een inschrijving en het aangaan van de overeenkomst met de derde, en

      • 2.

        De vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

  • 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

    • a.

      overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en

    • b.

      rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

  • 3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen:

    • a.

      de kosten van de beroepskracht;

    • b.

      redelijke overheadkosten;

    • c.

      kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

    • d.

      reis en opleidingskosten;

    • e.

      indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;

    • f.

      overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

  • 4. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.

  • 5. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat.

2.1.22. Tarieven wmo voorzieningen voor zover nog niet elders benoemd

  • 1. De bijdrage in de aanschafkosten van een aangepaste auto is € 920 per gebruiksjaar, te verstrekken ineens tot de maximale gebruiksduur.

  • 2. De bedragen in dit artikel worden jaarlijks verhoogd met de indexering die de gemeenteraad bij de programmabegroting toepast bij de begroting voor de sociale voorzieningen.

2.1.23. Financiële tegemoetkomingen

In plaats van een maatwerkvoorziening kan het college aan een inwoner een financiële tegemoetkoming verstrekken op grond van artikel 2.1.7 van de Wmo2015 in de volgende gevallen:

  • a.

    De vanwege zelfredzaamheid of participatie noodzakelijke kosten van een verhuizing

  • b.

    De vanwege zelfredzaamheid of participatie noodzakelijke meerkosten van een hulpmiddel om zichzelf door middel van spierkracht te verplaatsen, mits de inwoner zelf zorgdraagt voor onderhoud en reparaties van het hulpmiddel.

2.1.24. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

  • 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen met meer dan 50 klanten.

  • 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders.

2.1.25. Klachtenregeling wmo-aanbieders

  • 1. Iedere aanbieder van een maatwerkvoorziening is verplicht om te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten.

  • 2. De aanbieder zorgt ervoor dat de informatie over de klachtenregeling goed kenbaar is voor zijn cliënten.

2.2. Jeugdwet

2.2.1 Vormen van jeugdhulp

  • 1. De volgende vormen van overige voorzieningen zijn beschikbaar:

    • a.

      Informatie en advies via bijvoorbeeld de Jeugdgezondheidszorg

    • b.

      Lichte vormen van opvoed- en opgroeiondersteuning via bijvoorbeeld de Jeugdgezondheidszorg

    • c.

      Korte ambulante zorg, bijvoorbeeld via de praktijkondersteuner huisartsen jeugd

    • d.

      Schoolmaatschappelijk werk

    • e.

      Vrijwilligersinitiatieven, zoals Buurtgezinnen

  • 2. De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn beschikbaar:

    • a.

      Ambulante begeleiding

    • b.

      Gezinsbegeleiding/gezinsbehandeling

    • c.

      Diagnostiek en behandeling van Ernstige Enkelvoudige Dyslexie (EED) voor kinderen die basisonderwijs volgen

    • d.

      Jeugd-ggz

    • e.

      Dagbehandeling/dagbesteding

    • f.

      Logeren/respijtzorg

    • g.

      Pleegzorg/gezinshuizen

    • h.

      Open residentiële zorg

    • i.

      Gesloten jeugdhulp

    • j.

      Spoedeisende zorg

2.2.2 Toegang jeugdhulp via een huisarts, medisch specialist of jeugdarts

  • 1. Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.

  • 2. Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jeugdige of zijn ouder(s) is verleend door een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt, behalve als er voldaan is aan de voorwaarden voor een pgb verstrekking, niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft.

  • 3. Van het tweede lid kan uitsluitend worden afgeweken als het college daarmee schriftelijk heeft ingestemd voorafgaand aan de start van de zorgverlening op grond van bijzondere feiten of omstandigheden.

  • 4. Als de jeugdige of ouders daarom verzoeken kan een beslissing van een huisarts, medisch specialist of jeugdarts door het college in een beschikking aan hen worden uitgereikt.

  • 5. De jeugdhulpaanbieder houdt zich bij het beoordelen van de hulpvraag na een verwijzing aan de regels in deze verordening en de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie.

  • 6. Het college maakt afspraken met de huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing, als bedoeld in artikel 2.6 eerste lid, onderdeel e van de Jeugdwet en in lid 1 van dit artikel, plaatsvindt.

  • 7. In de afspraken met de huisartsen wordt geregeld hoe de inzet van een praktijkondersteuner (poh) plaatsvindt.

2.2.3 Toegang jeugdhulp via de gemeente

  • 1. Jeugdigen en ouders kunnen met hun hulpvraag terecht bij het college.

  • 2. Het eerste contact over de hulpvraag wordt aangemerkt als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 3. Het college neemt het besluit op een aanvraag uiterlijk binnen tien weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 4. De beslistermijn kan worden opgeschort of verlengd volgens de regels van de Algemene wet bestuursrecht

  • 5. Het college legt het besluit op een aanvraag voor een individuele voorziening vast in een beschikking.

  • 6. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende individuele voorziening. Het college legt de beslissing omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking.

2.2.4 Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren

  • 1. Als bij het college een aanvraag om een individuele voorziening wordt ingediend, voert het college in samenspraak met de jeugdige of zijn ouder(s) zo spoedig mogelijk een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met zesde lid en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek.

  • 2. Het college wijst voor het onderzoek op de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 2.5, van de Jeugdwet en van gratis cliëntondersteuning als bedoeld in artikel 2.2.4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

  • 3. Voordat het onderzoek van start gaat, kunnen de jeugdige of zijn ouder(s) het college een familiegroepsplan verstrekken. Het college brengt hen van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hen gedurende twee weken na de aanvraag in de gelegenheid het plan te overhandigen. Als de jeugdige of zijn ouder(s) daarom vragen, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van het familiegroepsplan.

  • 4. Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouder(s) afzien van een onderzoek als de aanvraag wordt ingetrokken. Dat wordt schriftelijk bevestigd.

  • 5. Het college onderzoekt wanneer een jeugdige of een ouder zich meldt met een vraag over jeugdhulp met de jeugdige of zijn ouder(s):

    • a.

      wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s) is en waardoor die hulpvraag is ontstaan;

    • b.

      de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige en zijn ouder(s), de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie;

    • c.

      of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouder(s) of adoptiegerelateerde problemen, en zo ja dan onderzoekt het college achtereenvolgens:

      • 1°.

        welke problemen of stoornissen dat zijn;

      • 2°.

        welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;

      • 3°.

        of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden; en

      • 4°.

        voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, algemene voorziening, overige voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp;

    • d.

      hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouder(s);

    • e.

      indien van toepassing, hoe de toekenning van een individuele voorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen.

  • 6. Als de jeugdige of zijn ouder(s) een familiegroepsplan aan het college hebben overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord.

2.2.4.1 Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming

  • 1. Het college wint een specifiek deskundig oordeel en advies in, als de toeleiding en onderzoek naar, advisering over of de beoordeling van een aanvraag dit vereist. Adviezen kunnen worden gegeven door:

    • a.

      Een SKJ-geregistreerde jeugdconsulent van de gemeente;

    • b.

      de jeugdgezondheidszorg;

    • c.

      een medicus gespecialiseerd in de betreffende handicap;

    • d.

      een orthopedagoog;

    • e.

      een jeugdpsycholoog, of;

    • f.

      een ander gespecialiseerd deskundige anders dan onder a t/m e, als situatie dit vereist.

  • 3. Het college treft voorzieningen waarmee is gewaarborgd dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming via de gemeente op zorgvuldige wijze plaatsvindt, in het bijzonder door te voorkomen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp biedt of mogelijk gaat bieden, ook het advies geeft over het al dan niet toekennen van jeugdhulp of het daarop betrekking hebbende besluit neemt.

2.2.4.2 Identificatie

  • 1. Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de jeugdige en zijn ouder(s) vast aan de hand van een door hen ter inzage verstrekt document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

  • 2. Ten aanzien van personen zonder de Nederlandse nationaliteit merkt het college voor de wet als geldig identiteitsbewijs aan:

    • a.

      een vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER;

    • b.

      een verblijfskaart Ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen);

    • c.

      een buitenlands paspoort; of

    • d.

      een vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers).

2.2.4.3 Verslag

  • 1. Binnen tien werkdagen na het onderzoek verstrekt het college aan de jeugdige of zijn ouder(s) in concept een schriftelijke weergave van het uitgevoerde onderzoek en het in verband daarmee gevoerde gesprek. Opmerkingen of aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(s) worden aan het verslag toegevoegd.

  • 2. Het college vergewist zich ervan dat de jeugdige en zijn ouder(s) de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek hebben begrepen.

  • 3. Bij het besluit van het college wordt het definitieve verslag als bijlage meegestuurd.

2.2.5 Criteria voor toekenning van een individuele voorziening

  • 1. Onverminderd dat jeugdhulp toegankelijk is na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts, komt een jeugdige of ouder in aanmerking voor een door het college verleende individuele voorziening als het college van oordeel is dat de jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn en gebruikmaking van een andere of overige voorziening deze noodzaak niet kan verminderen of wegnemen.

  • 2. Overeenkomstig de definitie van jeugdhulp uit artikel 1.1, van de Jeugdwet wordt geen individuele voorziening verstrekt voor hulp of ondersteuning aan een jeugdige die niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd. Bij de beoordeling hiervan wordt aangesloten bij de uitgangspunten voor (boven)gebruikelijke zorg zoals beschreven in 2.2.5.2.

  • 3. Een andere of overige voorziening kan de noodzaak verminderen of wegnemen als deze:

    • a.

      daadwerkelijk beschikbaar is; en

    • b.

      passend en toereikend is voor de hulpvraag.

  • 4. Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate, tijdig beschikbare voorziening.

  • 5. Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag, er nooit met een bewezen niet effectieve interventie wordt gewerkt en waar beschikbaar met een bewezen effectieve interventie.

  • 6. Er is in ieder geval sprake van effectieve voorzieningen als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(s) zijn opgenomen als zijnde ‘erkend’ in:

    • a.

      de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut;

    • b.

      de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden;

    • c.

      de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg);

  • 7. In situaties waarbij ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening, komt een jeugdige of zijn ouder(s) niet in aanmerking voor een door het college te verlenen individuele jeugdhulpvoorziening als bedoeld in deze verordening.

  • 8. Het voorgaande lid is niet van toepassing als er parallel aan een hulpvraag sprake is van zeer ernstige problematiek in de context van het gezin.

2.2.5.1 Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen

  • 1. Een individuele voorziening wordt niet verstrekt als naar het oordeel van het college uit het onderzoek blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) toereikend zijn om binnen de eigen mogelijkheden, zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen, de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s).

  • 2. Tot het sociale netwerk behoren personen binnen de kring van gezin, familie, vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor, en bijdragen aan, het welzijn en welbevinden van de jeugdige of zijn ouder(s).

  • 3. Tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen behoort in elk geval het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering als die is afgesloten.

  • 4. Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, bedoeld in het eerste lid, neemt het college, gelet op het bepaalde in de artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouder(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden. Uit het onderzoek kan evenwel blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) tekortschiet, omdat sprake is van:

    • a.

      geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden;

    • b.

      een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of

    • c.

      overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven;

    • d.

      structurele, bovengebruikelijke zorg waarvan niet redelijkerwijze zonder meer verwacht kan worden dat ouders deze zelf bieden door de omvang van de zorgvraag, zoals getoetst aan de richtlijnen in 2.2.5.2.

  • 5. Bij de beoordeling van het vierde lid, onder c, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(s) hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ouder(s) maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met:

    • a.

      de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige;

    • b.

      de duur van de inzet, waarbij als uitgangspunt geldt dat kortdurende inzet van niet langer dan drie maanden in een jaar niet tot overbelasting leidt;

    • c.

      de planbaarheid van de hulp;

    • d.

      de benodigde ondersteuningsintensiteit;

    • e.

      de samenstelling van het gezin en de woonsituatie;

    • f.

      de wens van de ouder(s) om in een inkomen te voorzien;

2.2.5.2 Richtlijnen gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp

  • 1. Gebruikelijke hulp is de normale, dagelijkse hulp en zorg die partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden. Voor kinderen geldt dat er een bandbreedte is in het normale ontwikkelingsprofiel.

  • 2. In chronische situaties is pas sprake van boven gebruikelijke hulp wanneer de omvang van de hulp en zorg substantieel meer is dan een gezond kind van dezelfde leeftijd gemiddeld nodig heeft. Met substantieel wordt een omvang bedoeld van gemiddeld meer dan 5 uur per week. Deze 5 uur zijn in de thuissituatie geen bovengebruikelijke hulp, maar behoren nog tot gebruikelijke hulp en zorg. Als er binnen een gezin meerdere kinderen met beperkingen zijn en deze kinderen hebben een Jeugdwet-zorgvraag, dan wordt de 5 uur substantieel slechts één keer in mindering gebracht.

  • 3. Onderstaande tabel laat zien in hoeverre een jeugdige/jongere gezien zijn leeftijd ontwikkeld zou moeten zijn op de genoemde gebieden om veilig op te groeien tot een zelfstandig en gelukkig persoon. Waarbij:

  • 4.

    1 = jeugdige heeft bij alles ondersteuning nodig

    2 = kan het samen met iemand

    3 = kan sommige dingen zelf, maar meestal steun nodig

    4 = kan het als iemand meekijkt

    5 = kan het als hij vooraf geïnstrueerd wordt of als het in zijn routine zit

    6 = kan het zelf, maar krijgt af en toe nog tips

    7 = heeft geen enkele ondersteuning nodig

Gebied

1

2

3

4

5

6

7

PERSOONLIJKE VERZORGING

Douchen, aankleden, tandenpoetsen.

Kamer opruimen

Bijdragen aan huishouden.

0-4 jr

5-8 jr

9-15 jr

16-18 jr

18+

DAGINVULLING

School, stage, werk.

Sport en vrije tijd.

Weekenden en

vakanties.

0-4 jr

5-10 jr

11-15 jr

16-18 jr

18+

REGIE & REFLECTIE

Ontwikkelen & leren. Keuzes maken.

Notie van oorzaak – gevolg. Zelfvertrouwen.

0-4 jr

5-12 jr

13-15 jr

16-18 jr

18+

SOCIAAL NETWERK

Vrienden maken en vriendschappen onderhouden.

0-4 jr

5-12 jr

13-15 jr

16-18 jr

18+

FYSIEKE & SOCIALE VEILIGHEID

Beschermd voelen. Zelf veilige omgeving creëren.

Vertrouwd zonder toezicht kunnen zijn.

0-4 jr

5-12 jr

13-15 jr

16-18 jr

18+

REIZEN

Verplaatsen in de directe omgeving.

Vervoer op kleine en grote afstand.

0-4 jr

5-9 jr

10-15 jr

16-18 jr

18+

2.2.5.3. Hulp tijdens onderwijs

  • 1. Geïndiceerde hulp in de vorm van begeleiding die moet worden geleverd naast gebruikelijke hulp mag worden ingezet zowel op school als in de thuissituatie. Daarbij geldt dat als de begeleiding thuis valt onder gebruikelijke hulp daarvoor op school ook geen jeugdhulp kan worden ingezet.

2.2.5.4 Dyslexie

  • 1. Dyslexiezorg (diagnostiek en behandeling) is beschikbaar voor kinderen tot en met 13 jaar die op een basisschool zitten.

  • 2. Om voor vergoeding in aanmerking te komen moet er sprake zijn van Ernstige Enkelvoudige Dyslexie (EED).

  • 3. Dyslexiezorg moet worden uitgevoerd conform het geldende protocol “Dyslexie Diagnostiek & Behandeling versie 3.0 uit 2022.

2.2.6 Regels voor een individuele jeugdhulpvoorziening in de vorm van een pgb

  • 1. Als een jeugdige of zijn ouder(s) in aanmerking komen voor een individuele voorziening, maar de jeugdhulp zelf wensen in te kopen door middel van een pgb, dienen de jeugdige of zijn ouder(s) daartoe een pgb-plan in. In het pgb-plan is opgenomen:

    • a.

      Welke ondersteuning met het PGB wordt ingekocht en waarom deze ondersteuning passend is;

    • b.

      Wie deze ondersteuning levert;

    • c.

      Wat de kosten zijn van deze ondersteuning;

    • d.

      Waarom het aanbod in zorg in natura (ZIN) niet passend is;

    • e.

      Hoe invulling wordt gegeven aan het budgethouderschap

    • f.

      Hoe de kwaliteit geborgd is zoals beschreven in artikel 2.2.6.4.

  • 2. Het college verstrekt een pgb als:

    • a.

      de jeugdige of zijn ouder(s) zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een door het college gecontracteerde aanbieder, niet passend achten;

    • b.

      uit de beoordeling van de pgb-vaardigheid met inachtneming van artikel 2.2.6.2 blijkt dat de budgethouder of, indien van toepassing, de budgetbeheerder in staat is uitvoering te geven aan de eisen die het beheer van een pgb met zich meebrengt; en

    • c.

      naar het oordeel van het college met inachtneming van 2.2.6.4 is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouder(s) van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het pgb-plan opgenomen beoogde resultaat.

  • 3. Het college verstrekt geen pgb als er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp, wat zich in ieder geval voordoet als de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp in de vier jaar voorafgaande aan de aanvraag:

    • a.

      fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, heeft gepleegd;

    • b.

      betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen;

    • c.

      veroordeeld is wegens het plegen van strafbare feiten tot een gevangenisstraf;

    • d.

      op basis van een Bibob-toets door het college is geweigerd als zorgaanbieder; of

  • 4. Het college weigert een pgb als:

    • 1.

      de kosten van het betrekken van de jeugdhulp van derden hoger zijn dan de kosten van de individuele voorziening, tenzij ouders bereid zijn de meerkosten te betalen, of

    • 2.

      het college eerder een pgb heeft herzien of ingetrokken omdat het college heeft vastgesteld dat:

      • a.

        de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

      • b.

        de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van het pgb; of

      • c.

        de jeugdige of zijn ouders het persoonsgebonden budget niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is.

2.2.6.2 Pgb-vaardigheid

  • 1. Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen dient de beoogd budgethouder, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een budgetbeheerder, in ieder geval:

    • a.

      een duidelijk beeld te hebben van de hulpvraag;

    • b.

      op de hoogte te zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf weten te vinden;

    • c.

      in staat te zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden;

    • d.

      voldoende vaardig te zijn om in de Nederlandse taal te communiceren met de gemeente, de SVB en de zorgverleners;

    • e.

      in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen;

    • f.

      in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college;

    • g.

      in staat te zijn om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is;

    • h.

      in staat te zijn de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte;

    • i.

      in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en

    • j.

      voldoende kennis te hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden.

  • 2. Een budgethouder of een budgetbeheerder wordt in beginsel niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden:

    • a.

      het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert aan de budgethouder, tenzij hiervoor door het college toestemming is verleend OF de persoon eerste of tweedegraads bloed- of aanverwant is van de jeugdige;

    • b.

      er is sprake van één of meer van de volgende omstandigheden:

      • 1°.

        schuldenproblematiek;

      • 2°.

        ernstige verslavingsproblematiek;

      • 3°.

        aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag;

      • 4°.

        een aanmerkelijke verstandelijke beperking;

      • 5°.

        een ernstig psychiatrisch ziektebeeld;

      • 6°.

        een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis;

      • 7°.

        het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift;

2.2.6.3 Onderscheid formele en informele hulp

  • 1. Van formele hulp is sprake als de jeugdhulp verleend wordt door onderstaande personen:

    • a.

      personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister conform artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007, en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of

    • b.

      personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007 en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.

  • 2. Formele hulp wordt geleverd door personen geregistreerd in het beroepsregister jeugd (SKJ) of BIG;

  • 3. Als de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de eerste- of tweede graad van de budgethouder, is altijd sprake van informele hulp omdat zij onderdeel uitmaken van het sociale netwerk.

  • 4. Als de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in het eerste lid, onder a of b, en er niet voldaan is aan het tweede lid, is er sprake van informele hulp.

2.2.6.4 Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb

  • 1. Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van de jeugdhulp aan de volgende eisen:

    • a.

      beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie. Ouder(s) zijn uitgesloten van deze eis;

    • b.

      beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde hulp te bieden;

    • c.

      houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde hulp;

    • d.

      is voldoende vaardig om in de Nederlandse taal te communiceren;

    • e.

      werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd;

    • f.

      voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het college;

    • g.

      stemt de hulp af op de persoonlijke situatie van de jeugdige of zijn ouder(s);

    • h.

      stemt de hulp af op andere voorzieningen, overige voorzieningen en individuele voorzieningen waar de jeugdige of zijn ouder(s) gebruik van maken;

    • g.

      respecteert de privacy van de jeugdige of zijn ouder(s) en gaat vertrouwelijk om met informatie over de persoonlijke situatie;

    • h.

      neemt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de jeugdige of zijn ouder(s) voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis;

    • i.

      meldt calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van jeugdhulp aan het college;

    • j.

      werkt mee aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid; en

    • k.

      is of raakt door verlening van de jeugdhulp naar het oordeel van het college niet overbelast.

  • 2. Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van formele jeugdhulp aan de volgende aanvullende eisen:

    • a.

      hetgeen is bepaald in artikel 2.2.6.3, eerste en tweede lid;

    • b.

      handelt in overeenstemming met de professionele standaard;

    • c.

      werkt op basis van een hulpverleningsplan;

    • d.

      werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking;

    • e.

      hanteert de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp; en

    • f.

      stelt een vertrouwenspersoon in staat zijn taak uit te voeren.

  • 3. Er wordt geen pgb voor informele jeugdhulp verstrekt als, conform het afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling op basis van het Kwaliteitskader Jeugd, formele jeugdhulp noodzakelijk is.

2.2.6.5 Hoogte pgb

  • 1. De hoogte van het PGB wordt door het college als volgt berekend:

    • a.

      Voor formele jeugdhulp maximaal 100% van het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura.

    • b.

      Voor informele jeugdhulp 45% van het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura.

  • 2. Het tarief is lager als op basis van het door de jeugdige of zijn ouder(s) ingediende pgb-plan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht.

2.2.6.6 Uitgesloten van pgb

  • 1. De volgende kosten zijn uitgesloten van vergoeding vanuit een pgb:

    • a.

      kosten voor bemiddeling;

    • b.

      kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers;

    • c.

      kosten voor het voeren van een pgb-administratie;

    • d.

      kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb;

    • e.

      kosten die worden gemaakt voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college;

    • f.

      Een eenmalige uitkering;

    • g.

      Feestdagenuitkering

    • h.

      kosten voor vervoer als de jeugdige op grond van artikel 11 naar het oordeel van het college niet in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening

    • i.

      kosten voor hulp die direct ingezet moet worden (crisishulp);

    • j.

      kosten voor een aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag;

2.2.7 Pupilkosten

  • 1. Pupilkosten worden alleen toegekend aan een GI als:

    • a.

      Er een maatregel is opgelegd uitgevoerd door de GI niet zijnde pleegzorg. In het pleegzorgtarief zijn in plaats hiervan bijzondere kosten opgenomen;

    • b.

      Ouders aantoonbaar deze kosten niet kunnen betalen. Ouders blijven wettelijk verantwoordelijk voor het levensonderhoud van hun kind, ook als het kind niet meer bij hen kan wonen (uithuisplaatsing) en/of als er sprake is van gezagsbeëindiging (voogdij).

    • c.

      De GI aantoonbaar de ouder met gezag stimuleert en indien nodig de aanwijzing geeft om bronnen aan te wenden waarmee de ouder aan de verantwoordelijkheid van het bekostigen van pupilkosten invulling kan geven.

    • d.

      De looptijd van de pupilkosten in combinatie met een verblijfsindicatie worden gelijk getrokken met de einddatum van het verblijf. Als een jongere weer naar huis gaat kan de toets voor het betalen van de kosten door de ouders opnieuw plaatsvinden.

2.2.8 Overgang 18 min, 18 plus

  • 1. Als een jeugdige van 17 jaar of ouder die hulp op grond van de wet ontvangt naar alle waarschijnlijkheid na het achttiende levensjaar hulp of ondersteuning nodig heeft vanuit een wettelijke kader als bedoeld in het eerste lid, is het college gehouden om:

    • a.

      voor het achttiende levensjaar zodanige hulp en ondersteuning te bieden dat de benodigde hulp en ondersteuning vanaf het achttiende jaar zo beperkt mogelijk kan zijn; en

    • b.

      de continuïteit van hulp en ondersteuning te waarborgen voor zover dat nodig is.

  • 2. Het college onderzoekt tijdig welke andere voorziening nodig is, vanaf de achttiende verjaardag en op welke wijze en vanuit welke andere voorzieningen (Wet maatschappelijke ondersteuning, Wet langdurige zorg, of de Zorgverzekeringswet) deze ondersteuning vanaf het achttiende levensjaar wordt ingezet.

2.2.9 Overgangsrecht

  • 1. Een jeugdige of zijn ouder(s) houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de ‘Verordening Sociaal Domein gemeente Meppel’ totdat het college een nieuw besluit heeft genomen ten aanzien van die voorziening.

  • 2. Aanvragen die zijn ingediend onder de ‘Verordening Sociaal Domein gemeente Meppel’ waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

  • 3. Bezwaarschriften gericht tegen besluiten die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening, worden behandeld op grond van ‘Verordening Sociaal Domein gemeente Meppel’ die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt. Hier kan ten gunste van de jeugdige of zijn ouder(s) van worden afgeweken als heroverweging op grond van de huidige ‘Verordening Sociaal Domein gemeente Meppel’ leidt tot een gunstiger uitkomst.

  • 4. Het college is bevoegd een besluit, dat is genomen op grond van ‘Verordening Sociaal Domein gemeente Meppel’ te herzien:

    • a.

      op de gronden, vermeld in ‘Verordening Sociaal Domein gemeente Meppel’. als uit een door het college uitgevoerd heronderzoek blijkt dat er met toepassing van de ten tijde van het onderzoek geldende verordening een afwijkend besluit zou zijn genomen;

    • b.

      als de cliënt wenst te veranderen van aanbieder of van verstrekkingsvorm.

  • 5. Het college heeft de bevoegdheid om een pgb dat is verstrekt onder ‘Verordening Sociaal Domein gemeente Meppel’ terug te vorderen op de in de ‘Verordening Sociaal Domein gemeente Meppel’ genoemde gronden.

2.3. Participatiewet /IOAW/IOAZ (maatregelen niet geüniformeerde en geüniformeerde verplichtingen)

2.3.1. Opleggen van een maatregel (bij niet geüniformeerde verplichtingen)

  • 1. Het college legt overeenkomstig deze verordening een maatregel op indien de belanghebbende naar het oordeel van het college:

    • a.

      Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de Participatiewet;

    • b.

      de uit de Participatiewet voortvloeiende verplichtingen, met uitzondering van artikel 17, eerste lid, niet of onvoldoende nakomt;

    • c.

      een verplichting als bedoeld in artikel 13, tweede en vierde lid, IOAW/IOAZ of een op grond van hoofdstuk III IOAW/IOAZ aan de uitkering verbonden verplichting niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW/IOAZ;

    • d.

      een inkomen zou hebben kunnen verwerven uit of in verband met arbeid als bedoeld in artikel 20 IOAW/IOAZ.

  • 2. Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Ook wordt beoordeeld of de met de maatregel te dienen doelen niet onevenredig zijn met de nadelige gevolgen voor de inwoner.

2.3.2. Niet meewerken aan een taaltoets

Als een inwoner niet meewerkt aan het afleggen van een taaltoets als bedoeld in artikel 18b, tweede lid van de Participatiewet, wordt een maatregel opgelegd van:

  • a.

    20% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand;

  • b.

    40% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand als de inwoner zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een maatregel is toegepast vanwege het niet meewerken aan het afleggen van een taaltoets opnieuw schuldig maakt aan dezelfde verwijtbare gedraging;

  • c.

    100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand als belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit in de zin van artikel 2.3.1., lid 1 onderdeel b, van deze verordening, opnieuw schuldig maakt aan dezelfde verwijtbare gedraging.

2.3.3. Gedragingen Participatiewet

Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a en 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:

  • a.

    eerste categorie;

    het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie.

  • b.

    tweede categorie;

    • I.

      het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet.

    • II.

      het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de Participatiewet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet.

    • III.

      het niet of niet tijdig voldoen aan een oproep om op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen, in verband met arbeidsinschakeling.

    • IV.

      het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet.

    • V.

      het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet.

    • VI.

      geen uitvoering geven aan de door het college opgelegde verplichting om ingeschreven te staan bij vijf uitzendbureaus.

  • c.

    derde categorie;

    het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet.

2.3.4. Gedragingen Ioaw en Ioaz

Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de IOAW of de artikelen 37 en 38 van de IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:

  • a.

    eerste categorie:

    het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie;

  • b.

    tweede categorie:

    • I.

      het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;

    • II.

      het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW/IOAZ, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening;

    • III.

      het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW/IOAZ niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de IOAW/IOAZ;

    • IV.

      het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de IOAW/IOAZ;

    • V.

      geen uitvoering geven aan de door het college opgelegde verplichting om ingeschreven te staan bij vijf uitzendbureaus;

  • c.

    derde categorie:

    • I.

      het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen;

    • II.

      het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW/IOAZ, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening;

    • III.

      gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren.

2.3.5. Hoogte en duur van de maatregel

  • 1. De maatregel, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 2.3.3. en 2.3.4. wordt vastgesteld op:

    • a.

      20% van de norm gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie;

    • b.

      50% van de norm gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie;

    • c.

      100% van de norm gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie.

  • 2. De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een eenzelfde verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie.

  • 3. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd, wordt gelijk gesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, als bedoeld in artikel 2.3.4., tweede lid.

  • 4. Indien binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het besluit waarbij een maatregel is opgelegd als genoemd in het eerste lid, belanghebbende zich nog tweemaal schuldig maakt aan een eenzelfde verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie, dan wordt door het college aan belanghebbende een maatregel opgelegd van honderd procent van de norm gedurende maximaal drie maanden.

  • 5. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 2.3.4., tweede lid.

2.3.6. Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid

  • 1. Het college weigert de uitkering blijvend naar de mate waarin de belanghebbende die arbeid in dienstbetrekking heeft aanvaard uit of in verband met deze arbeid inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 IOAW/IOAZ zou hebben kunnen verwerven indien:

    • a.

      aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt;

    • b.

      de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, weigert het college de uitkering overeen periode van 26 weken gedeeltelijk door het bedrag van de uitkering te verlagen met 50% van het inkomen, bedoeld in de eerste zin van het eerste lid, indien het eindigen van de dienstbetrekking belanghebbende niet in overwegende mate kan worden verweten.

2.3.7. Niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid

Het college weigert de uitkering blijvend naar de mate waarin de belanghebbende met het verrichten van arbeid inkomen zou hebben kunnen verwerven als bedoeld in of op grond van artikel 8 IOAW/IOAZ indien de belanghebbende:

  • a.

    nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden;

  • b.

    door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.

2.3.8. Duur maatregel bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting

  • 1. Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de maatregel honderd procent van de norm gedurende één maand.

  • 2. Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18,vierde lid, van de Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, bedraagt de verlaging honderd procent van de norm gedurende twee maanden.

2.3.8.1. Verrekenen verlaging

  • 1. Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 2.3.8., wordt toegepast over de maand van oplegging van de maatregel en de volgende 2 maanden als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Waarbij over de eerste maand ten minste 1/3 van het bedrag van de verlaging wordt verrekend.

  • 2. Als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde lid, onderdeel a, van de PW, vindt geen verrekening als bedoeld in het eerste lid plaats.

2.3.9. Beleidsregels inkeerregeling

  • 1. Het college stelt beleidsregels vast waarin het de inkeerregeling, als bedoeld in artikel 18, elfde lid, van de participatiewet, nader invult.

  • 2. Op basis van deze beleidsregels heroverweegt het college de op grond van artikel 18, vijfde, zesde, zevende of achtste lid van de participatiewet opgelegde maatregel, indien belanghebbende het college daarom verzoekt.

2.3.10. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

  • 1. Een maatregel wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordtafgestemd op het benadelingsbedrag, tenzij het benadelingsbedrag niet kan worden vastgesteld.

  • 2. De maatregel wordt vastgesteld op 20% van de norm gedurende één maand indien het benadelingsbedrag niet kan worden vastgesteld.

  • 3. De maatregel wordt vastgesteld op 100% van de norm gedurende één maand indien sprake is van een benadelingsbedrag.

  • 4. Indien het bedrag van de maatregel op grond van het derde lid hoger zou zijn dan het benadelingsbedrag, is het bedrag van de maatregel, in afwijking van het derde lid, gelijk aan het benadelingsbedrag doch niet lager dan 20% van de norm.

  • 5. De duur van de maatregel als bedoeld in het tweede lid en derde lid wordt met één maand verlengd, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd opnieuw een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan betoont. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd,wordt gelijk gesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, als bedoeld in artikel 6, tweede lid van de Participatiewet.

  • 6. Onder tekortschietend besef voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in het eerste lid wordt onder andere verstaan:

    • a.

      het niet alles in het werk stellen om een boedelscheiding tot stand te brengen;

    • b.

      het verkopen van het woon en/of bedrijfspand beneden de WOZ-waarde;

    • c.

      het te snel interen van vermogen op grond van de Participatiewet;

    • d.

      onderbedeling bij echtscheiding;

    • e.

      te late of geen aanvaarding van een voorliggende voorziening op grond van artikel 15 van de participatiewet;

    • f.

      het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering;

    • g.

      het feitelijk niet kunnen beschikken over een voorliggende voorziening op grond van artikel 15 van de Participatiewet omdat een bestuurlijke boete daarmee is verrekend zonder rekening te houden met de beslagvrije voet vanwege recidive;

    • h.

      bij nadere overeenkomst geen aanspraak maken op de door de rechter toegekende alimentatie;

    • i.

      het niet hebben van een op grond van de Zorgverzekeringswet verplichte basisverzekering.

2.3.11. Zeer ernstige misdragingen

  • 1. Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet en/of de IOAW/IOAZ als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de Participatiewet en artikel 37 lid 1 onder g van de IOAW/IOAZ, wordt een maatregel opgelegd van 50% van de norm gedurende één maand.

  • 2. De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een eenzelfde verwijtbare gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd, wordt gelijk gesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, als bedoeld in artikel 6, tweede lid van de Participatiewet.

  • 3. Onder zeer ernstige misdragingen als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt onder andere verstaan:

    • a.

      extreem verbaal geweld;

    • b.

      discriminatie;

    • c.

      ernstige intimidatie (uitoefenen van psychische druk);

    • d.

      zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);

    • e.

      mensgericht fysiek geweld;

    • f.

      overige/combinatie van agressievormen.

2.3.12. Niet nakomen van overige verplichtingen

  • 1. Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een maatregel opgelegd. De maatregel wordt vastgesteld op:

    • a.

      20% van de norm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;

    • b.

      20% van de norm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand;

    • c.

      40% van de norm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand;

    • d.

      100% van de norm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.

  • 2. Als een belanghebbende een door het college opgelegde budgetteringsplicht als bedoeld in artikel 57,onderdeel a, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een maatregel opgelegd van 20% van de norm gedurende één maand.

  • 3. De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een eenzelfde verwijtbare gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd, wordt gelijk gesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, als bedoeld in artikel 6, tweede lid van de Participatiewet.

  • 4. Indien binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het besluit waarbij een maatregel is opgelegd als genoemd in het eerste lid, belanghebbende zich nog tweemaal schuldig maakt aan een eenzelfde verwijtbare gedraging, dan wordt door het college aan belanghebbende een maatregel opgelegd van honderd procent van de norm gedurende maximaal drie maanden. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid.

2.3.13. Horen van belanghebbende

  • 1. Voordat een maatregel wordt opgelegd wordt een belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.

  • 2. Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als:

    • a.

      de vereiste spoed zich daartegen verzet;

    • b.

      belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengenen zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;

    • c.

      het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid, of

    • d.

      belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken.

2.3.14. Afzien van het opleggen van een maatregel

  • 1. Het college ziet af van het opleggen van een maatregel als:

    • a.

      elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of

    • b.

      de gedraging meer dan één jaar voor constatering daarvan door het college heeft plaatsgevonden.

  • 2. Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.

  • 3. Als het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.

2.3.15. Ingangsdatum en tijdvak van een maatregel

  • 1. De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende norm, tenzij de verordening anders bepaalt.

  • 2. Een maatregel kan met terugwerkende kracht worden opgelegd over de periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad of over de periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden als een maatregel overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is omdat de bijstand en/of uitkering is beëindigd of ingetrokken.

2.3.16. Berekeningsgrondslag

  • 1. Een maatregel wordt toegepast op de norm.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan de maatregel worden toegepast op de bijzondere bijstand als aan belanghebbende die in een inrichting verblijft bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 20 van de Participatiewet.

2.3.17. Samenloop van gedragingen

  • 1. Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één maatregel opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de maatregel wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste maatregel is gesteld.

  • 2. Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd. Deze maatregelen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.

  • 3. Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een in deze verordening of artikel18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, wordt geen maatregel opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd.

  • 4. Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.

2.3.18. Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ

Als het college de uitkering op grond van artikel 20 van de IOAW/IOAZ blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die gedraging achterwege.

2.3.19. Het besluit tot opleggen van een maatregel

In het besluit tot het opleggen van een maatregel worden in ieder geval vermeld:

  • a.

    de reden van de maatregel;

  • b.

    de duur van de maatregel;

  • c.

    het bedrag of percentage waarmee de bijstand of uitkering wordt verlaagd of geweigerd; en

  • d.

    indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardmaatregel.

2.3.20. (gereserveerd) Bestrijding misbruik

2.3.21. Terugvordering ten onrechte verstrekte uitkeringen

Het college maakt gebruik van de wettelijke bevoegdheden tot herziening en terugvordering van ten onrechte verstrekte uitkeringen. De vordering kan worden verhoogd met de bruto belastingen premies die daarover door het college zijn afgedragen

2.4. Participatiewet/ Ioaw/Ioaz (toeslagen)

2.4.1. Doelgroep individuele inkomenstoeslag

Tot de doelgroep van deze regeling behoren personen van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig een laag inkomen, geen in aanmerking te nemen vermogen en geen uitzicht op inkomensverbetering hebben, als bedoeld in artikel 36, eerste lid van de Participatiewet, én ten tijde van aanvraag in de gemeente Meppel woonachtig zijn.

2.4.2. Langdurig laag inkomen

Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 105% van de voor hem in zijn situatie toepasbare bijstandsnorm.

2.4.3. Hoogte individuele inkomenstoeslag

  • 1. Voor de individuele inkomenstoeslag is een bedrag van € 444,00 per kalenderjaar vastgesteld voor alleenstaanden, alleenstaande ouders en gehuwden.

  • 2. Het bedrag in het eerste lid kan door het college jaarlijks worden geïndexeerd met 1,5%. Het bedrag wordt afgerond op hele euro’s.

2.4.4. Inhoud van een tegenprestatie

Als tegenprestatie gelden onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, voor zover die werkzaamheden:

  • a.

    naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt;

  • b.

    niet zijn bedoeld als re-integratie-instrument;

  • c.

    worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin ze worden verricht; en

  • d.

    geen arbeid verdringend karakter hebben, noch een financieel gewin tot doel hebben.

2.5. Participatiewet/Ioaw en Ioaz Tegenprestatie en arbeidsinschakeling

2.5.1. Het opdragen van een tegenprestatie

  • 1. Het college kan een inwoner een tegenprestatie opdragen.

  • 2. Het college stelt ter uitvoering van deze verordening beleidsregels vast waarin wordt aangegeven wanneer sprake is van verdringing op de arbeidsmarkt.

  • 3. In afwijking van het eerste lid draagt het college geen tegenprestatie op aan de inwoner die:

    • a.

      aantoonbaar vrijwilligerswerk verricht dat naar aard en omvang minimaal vergelijkbaar is met een tegenprestatie als bedoeld in deze verordening;

    • b.

      mantelzorg verricht voor zover het verrichten van die mantelzorg naar het oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is;

    • c.

      een belanghebbende snel toegang tot de arbeidsmarkt heeft.

  • 4. Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening met de volgende factoren:

    • a.

      Het vermogen om een tegenprestatie te verrichten;

    • b.

      De persoonlijke situatie en individuele omstandigheden;

    • c.

      Het verrichten van mantelzorg of vrijwilligerswerk.

  • 5. Een inwoner dient zelf met een voorstel te komen voor een passende tegenprestatie, zodat de hij invloed heeft op de invulling van de tegenprestatie.

  • 6. Indien een inwoner dit nalaat bepaalt het college zelf de inhoud van de tegenprestatie.

2.5.2. Duur en omvang van een tegenprestatie

  • 1. De tegenprestatie wordt opgedragen voor de duur van 12 maanden.

  • 2. Na de periode als genoemd in het eerste lid wordt de duur verlengd met 12 maanden, nadat de consulent heeft beoordeeld of de omstandigheden en situatie van de belanghebbende verder onveranderd zijn gebleven.

  • 3. De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal 8 uren per week.

2.5.3. Voorzieningen gericht op re-integratie en arbeidsinschakeling (PW/IOAW/IOAZ)

  • 1. Het college biedt aan inwoners ondersteuning bij de re-integratie naar de arbeidsmarkt voor zover het college deze ondersteuning noodzakelijk vindt.

  • 2. Het college onderzoekt de individuele wensen, acties gericht op vergroting van zelfstandigheid, mogelijkheden en capaciteiten van een belanghebbende om de ondersteuning zo doelmatig en duurzaam mogelijk te realiseren. Waar mogelijk wordt rekening gehouden met individuele wensen. Het college legt dat vast in het plan van aanpak van de belanghebbende.

  • 3. Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een inwoner. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die inwoner en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan:

    • a.

      de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar; en

    • b.

      de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg.

  • 4. Een voorziening is mogelijk ten behoeve van organisaties met of zonder winstoogmerk.

2.5.4. Algemene bepalingen over voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling

  • 1. Het college stelt desgewenst via een plan al bedoeld in artikel 44a Pw en na overleg met de belanghebbende vast welke voorziening wordt aangeboden aan een inwoner uit de doelgroep.

  • 2. Het college bepaalt de voorwaarden waaronder de voorziening wordt aangeboden bijvoorbeeld een budgetplafond of een bijdrage door de persoon uit de doelgroep.

  • 3. Het college kan een voorziening beëindigen als:

    • a.

      de inwoner die aan de voorziening deelneemt zijn verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de Participatiewet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt;

    • b.

      de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep;

    • c.

      de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet;

    • d.

      de voorziening naar het oordeel van het college niet langer voldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling;

    • e.

      de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening;

    • f.

      de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening, of;

    • g.

      de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.

2.5.5. Vormen van ondersteuning tot arbeidsinschakeling

De volgende vormen van maatwerkvoorzieningen zijn beschikbaar:

  • a.

    Sociale activering

  • b.

    Scholing

  • c.

    Werkervaringsplek en proefplaatsing

  • d.

    Participatieplaats

  • e.

    Participatievoorziening beschut werk

  • f.

    Detacheringsbaan

  • g.

    Ondersteuning bij leer-werktraject

  • h.

    Persoonlijke ondersteuning

  • i.

    Verwervingskosten (tussen gemeente en werkgever)

  • j.

    Indienstnemingssubsidie personen behorend tot de doelgroep

2.5.6. Sociale activering

  • 1. Het college kan een inwoner die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering.

  • 2. Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van de inwoner.

  • 3. Het college biedt de activiteiten uitsluitend aan als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.

2.5.7. Scholing

  • 1. Het college kan een inwoner die behoort tot de doelgroep scholing aanbieden

  • 2. De scholing kan worden aangeboden in de vorm van subsidie of een verstrekking in natura.

  • 3. Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen:

    • a.

      Het gaat de capaciteiten van de inwoner niet te boven en;

    • b.

      Het vergroot de kansen van de inwoner op de arbeidsmarkt.

2.5.8. Werkervaringsplaats en proefplaatsing

  • 1. Het college kan een inwoner uit de doelgroep een werkervaringsplek of proefplaatsing aanbieden als er een overbrugging noodzakelijk is tot de reguliere arbeidsmarkt.

  • 2. Het doel van een werkervaringsplek is het opdoen van werkervaring of het leren functioneren in een arbeidsrelatie. Het doel van een proefplaatsing is het beoordelen of een inwoner voldoende competenties heeft voor een beoogde werkplaats.

  • 3. Een werkervaringsplek kan worden aangeboden voor maximaal 6 maanden. Indien de arbeidsmarktkansen worden vergroot, kan dit eenmalig worden verlengd. Partijen sluiten een schriftelijke overeenkomst. In de overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      het doel van de werkervaringsplek; en

    • b.

      de werkzaamheden; en

    • c.

      de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.

  • 4. Een proefplaatsing duurt maximaal twee maanden. Voorwaarden voor het verkrijgen van een proefplaatsing zijn:

    • a.

      De proefplaatsing wordt gedurende twee maanden aansluitend uitgevoerd, met maximaal één verlenging van vier maanden, en;

    • b.

      De proefplaatsingsduur is gekoppeld aan een dienstverband, en;

    • c.

      Er worden alleen werkzaamheden verricht die passen binnen het doel en de opzet van de proefplaatsing, en;

    • d.

      Er is een overeenkomst gesloten over de proefplaatsing, en;

    • e.

      De werkgever geeft schriftelijk zijn intentie aan om de inwoner bij goed functioneren na de proefplaatsing voor minimaal 6 maanden, zonder proeftijd, in dienst te nemen.

    • f.

      Als de werkzaamheden tijdens de proefplaatsing worden onderbroken wegens ziekte, tellen deze dagen niet meer voor de totale periode in lid 4 en 4a.

  • 5. Het college plaatst de inwoner niet als hierdoor de concurrentieverhoudingen onverantwoord worden beïnvloed of verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.

  • 6. Het college vergewist zich ervan voor de plaatsing dat de aansprakelijkheids- en ongevallen risico’s ten behoeve van de inwoner zijn afgedekt.

2.5.9. Participatieplaats

  • 1. Het college kan een inwoner van met recht op algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de Participatiewet onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten.

  • 2. Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat verrichten.

  • 3. De overeenkomst voor een participatieplaats wordt gesloten voor maximaal twee jaar en kan maximaal twee keer worden verlengd met een jaar.

  • 4. De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet bedraagt 10% van de gehuwdennorm ex artikel 21 onder b Pw, zoals deze geldt op 1 januari van het lopende kalenderjaar, afgerond op hele euro's naar boven per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces.

  • 5. Het college vergewist zich ervan voor de plaatsing dat de aansprakelijkheids- en ongevallen risico’s ten behoeve van de inwoner zijn afgedekt.

2.5.10. Participatievoorziening beschut werk

  • 1. Het college biedt de voorziening beschut werk aan:

    • a.

      aan een inwoner van wie is vastgesteld dat deze alleen in een beschutte omgeving én onder aangepaste omstandigheden, de mogelijkheid heeft tot arbeidsparticipatie én deze inwoner, behoort tot de doelgroep.

  • 2. Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken zet het college de volgende ondersteunende voorzieningen in: fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur.

  • 3. Het college biedt de volgende voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling aan tot het moment dat de dienstbetrekking beschut werk aanvangt:

    • a.

      dagbesteding of

    • b.

      scholing, of

    • c.

      vrijwilligerswerk, of

    • d.

      schuldhulpverlening, of

    • e.

      andere vormen van maatschappelijke participatie of werk. Als er op korte termijn geen passende beschutte werkplek wordt gevonden.

2.5.11. Detacheringsbaan

  • 1. Het college kan zorgen voor toeleiding van een inwoner die behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever waaronder een detacheerder.

  • 2. Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beinvloed of er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.

2.5.12. Ondersteuning bij leer-werktraject

Het college kan overeenkomstig artikel 10f van de wet ondersteuning bieden aan een inwoner uit de doelgroep voor wie volgens het college een leer-werktraject nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een leer-werktraject en het inwoners betreft:

  • a.

    Van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of;

  • b.

    Van achttien tot zevenentwintig jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald.

2.5.13. Persoonlijke ondersteuning

  • 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep.

  • 2. Persoonlijke ondersteuning bij werk als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt overeenkomstig artikel 2.5.14 tot en met 2.5.28.

2.5.14. Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen

  • 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen verstrekken ten behoeve van een persoon met een arbeidsbeperking.

  • 2. Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen gelden, onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.3 en 2.5.4, de volgende voorwaarden:

    • a.

      de persoon behoort tot de doelgroep en is minimaal achttien jaar oud, tenzij hij VSO/PRO-onderwijs heeft genoten;

    • b.

      de persoon kan zonder deze vorm van ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen;

    • c.

      de werkgever biedt een dienstbetrekking aan van minimaal drie maanden, met een minimale arbeidsduur van 8 uur per week;

    • d.

      het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is;

    • e.

      het betreft geen meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie;

    • f.

      er is naar het oordeel van het college geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en

    • g.

      de kosten van de voorziening(en) zijn naar het oordeel van het college proportioneel, dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de [maatschappelijke] opbrengsten van uitstroom naar werk.

2.5.15. Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen

  • 1. Een aanvraag om persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen kan bij het college worden ingediend door de persoon of zijn werkgever. Het college kan hiervoor een aanvraagformulier vaststellen.

  • 2. Het college onderzoekt, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen acht weken na de aanvraag, de mogelijkheden en ondersteuningsbehoefte van de persoon.

  • 3. Het college kan een deskundig oordeel en advies inwinnen, als de beoordeling van een aanvraag dit vereist.

  • 4. Het college bepaalt na overleg met de persoon, en indien van toepassing met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening(en) het beste kunnen bijdragen aan de arbeidsinschakeling.

  • 5. Het college onderzoekt, voor zover nodig en gelet op de omstandigheden van de persoon, in daartoe voorkomende gevallen de mogelijkheden om door samenwerking met andere partijen, onder meer op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening met het oog op de arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 1, of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 2, van de wet.

2.5.16. Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen

Het college geeft in een beschikking tot toekenning van persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening in ieder geval aan:

  • a.

    welke persoonlijke ondersteuning of overige voorziening wordt verstrekt;

  • b.

    als subsidie wordt verstrekt, wat de omvang is van het subsidiebedrag;

  • c.

    de duur en intensiteit van de ondersteuning;

  • d.

    de ingangsdatum van de ondersteuning of overige voorziening;

  • e.

    als de verstrekking afwijkt van wat is aangevraagd, wat de reden is van afwijking; en

  • f.

    voor zover van toepassing, welke andere ondersteuning of voorziening relevant is, of kan zijn, waaronder de wijze waarop de persoon integraal kan worden ondersteund.

2.5.17. Jobcoaching

  • 1. Het college kan ambtshalve of op aanvraag jobcoaching in natura verstrekken door middel van een jobcoach die werkzaam is in een dienstverband bij of in opdracht van de gemeente OF een derde, die de gemeente voor de uitvoering van de jobcoaching heeft ingeschakeld.

  • 2. Het college kan jobcoaching in de vorm van een subsidie toekennen aan de werkgever voor:

    • a.

      Externe jobcoaching: de werknemer wordt begeleid door een gecertificeerde jobcoach van een externe organisatie. De gemeente koopt dit in bij een jobcoachorganisatie;

    • b.

      Interne jobcoaching:

      • i.

        De werknemer wordt intern door een collega begeleid die qua kennis en ervaring voldoet aan de eisen die we stellen aan de externe jobcoach, als genoemd in artikel 2.5.19

      • ii.

        De werknemer wordt door een externe jobcoach begeleid die wordt ingehuurd door de werkgever.

      • iii.

        De werkgever kan voor beide vormen van interne jobcoaching vergoeding aanvragen bij de gemeente.

  • 3. Als er sprake is van een gemeentelijke jobcoach wordt de werknemer begeleid door een jobcoach van de gemeente die de werknemer heeft geplaatst. De werkgever krijgt hiervoor dan geen vergoeding.

  • 4. De in het eerste of tweede lid genoemde ondersteuning kan ook worden aangeboden met het oog op het verrichten van werkzaamheden, anders dan in dienstverband, zoals bij een proefplaats of een leer-werktraject.

2.5.18. Specifieke voorwaarden toekenning jobcoaching bij werk

  • 1. De aanvraag voor jobcoaching moet binnen twee maanden na de ingangsdatum van de dienstbetrekking zijn ontvangen, tenzij voorafgaand aan of op het moment van aanvang van het dienstverband de noodzaak voor die jobcoaching redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn.

  • 2. Het college besluit op basis van individueel maatwerk, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit van de jobcoaching wordt gewogen.

2.5.19. Kwaliteit en inzet bij jobcoaching

  • 1. Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt moet voldoen aan de volgende kwaliteitseisen:

    • a.

      Beschikken over minimaal hbo werk en denkniveau,

    • b.

      een jobcoach opleiding en

    • c.

      ervaring op het gebied van jobcoaching.

  • 2. Uitzonderingen op de gestelde voorwaarden van het eerste lid gelden voor situaties waarin een werknemer met baan en bijbehorende jobcoach binnenkomt bij de gemeente, als gevolg van verhuizing, een stageplek vanuit het VSO/PRO onderwijs of als er een interne werkbegeleider is, zijnde “Een Harrie”, oftewel de medewerker die begeleiding op de werkvloer verzorgt.

  • 3. De in te zetten jobcoaching wordt bepaald op basis van de volgende begeleidingsregiems: licht, midden, intensief met een maximale duur van drie jaar

    • Licht: jaar 1, 6%, jaar 2, 3% en jaar 3, 3% van het aantal overeengekomen werkuren

    • Midden: jaar 1, 10%, jaar 2, 5%, en jaar 3, 3% van het aantal overeengekomen werkuren

    • Intensief: jaar 1, 15%, jaar 2, 7,5%, en jaar 3, 6% van het aantal overeengekomen werkuren

  • 4. Het college kan van de in het derde lid bedoelde regimes afwijken voor zover toepassing daarvan, gelet op het belang dat beoogt te worden beschermd, leidt tot onbillijkheid van overwegende aard.

2.5.20. Subsidievoorwaarden voor jobcoaching

  • 1. Het college kan op aanvraag subsidie voor het organiseren van jobcoaching verlenen aan de werkgever.

  • 2. Subsidie voor het organiseren van jobcoaching kan, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 2.5.17 tot en met 2.5.19, worden verleend als:

    • a.

      de jobcoaching bestaande uit een individueel trainings- of inwerkprogramma en een systematische begeleiding van de persoon behorend tot de doelgroep, gericht op het kunnen uitvoeren van de aan hem opgedragen taken, wordt geborgd door middel van een coachingsplan;

    • b.

      de omvang en de kwaliteit van de georganiseerde jobcoaching passend is;

    • c.

      de continuïteit van de jobcoaching geborgd is; en

    • d.

      de persoon voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en schriftelijk instemt met het organiseren van jobcoaching door de werkgever.

  • 3. Voor externe jobcoaching wordt een maximaal tarief gehanteerd excl. btw per uur gelijk aan de vergoeding die het UWV verstrekt. Deze bedragen worden jaarlijks op 1 juli en 1 januari geïndexeerd (conform indexeringspercentage UWV).

2.5.21. Interne werkbegeleiding

  • 1. Als een persoon uit de doelgroep voor het kunnen verrichten van werk is aangewezen op begeleiding die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat, kan het college een subsidie verlenen aan de werkgever voor de aangetoonde meerkosten die verbonden zijn aan het organiseren van de interne werkbegeleiding.

  • 2. Het college kan aan de werkgever ambtshalve of op aanvraag een (Harrie-) training aanbieden voor een of meer medewerkers om hen in staat te stellen aan personen behorend tot de doelgroep interne werkbegeleiding te bieden

2.5.22. Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening

  • 1. Het college kan een vervoersvoorziening toekennen aan een persoon die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt.

  • 2. Het college biedt een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

    • a.

      de persoon kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en

    • b.

      het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer.

  • 3. De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en bedraagt het in de markt reguliere tarief voor openbaar vervoer.

  • 4. Het college brengt een eventueel bedrag voor een vervoersvoorziening van de werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening.

2.5.23. Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen

  • 1. Het college kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de persoon om te kunnen werken.

  • 2. Er is geen limitatieve lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar is.

  • 3. De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld. In bijzondere gevallen kan het college besluiten de voorziening in eigendom te verstrekken.

2.5.24. Verwervingskosten

Het college kan aan een inwoner een vergoeding voor verwervingskosten bieden.

2.5.25. Indienstnemingssubsidie personen behorend tot de doelgroep

  • 1. Het college kan een indienstnemingsubsidie verstrekken aan werkgevers die met een persoon behorend tot de doelgroep een arbeidsovereenkomst sluiten.

  • 2. De indienstnemingsubsidie is mogelijk ten behoeve van arbeidsplaatsen in organisaties met of zonder winstoogmerk.

  • 3. De indienstnemingsubsidie moet worden aangevraagd voor de ingangsdatum van de arbeidsovereenkomst. Voor het aanvragen van de indienstnemingsubsidie dient de werkgever gebruik te maken van een daarvoor vastgestelde formulier.

  • 4. De indienstnemingsubsidie bedraagt ten hoogste 50 procent van de loonkosten gedurende de arbeidsperiode maar maximaal 1 jaar.

  • 5. Het college bepaalt bij de subsidieverlening de tijdstippen en wijze van uitbetaling. Het college kan voorschotten verstrekken op de subsidie welke worden verrekend met de vaststelling.

  • 6. De subsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed, geen verdringing plaatsvindt en voldaan wordt aan Europese regelgeving.

2.5.26. Vaststelling doelgroep loonkostensubsidie

  • 1. Het college stelt vast of een inwoner behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie.

  • 2. Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht:

    • a.

      een inwoner moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet; en

    • b.

      die inwoner is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen; en

    • c.

      die inwoner heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie.

  • 3. Het college kan advies inwinnen over het oordeel of de aanvrager tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. De adviseur neemt daarbij de in het tweede lid neergelegde criteria in acht.

2.5.27. Specifiek aanvraagproces loonkostensubsidie

  • 1. Het college verstrekt overeenkomstig artikel 10d, van de wet, ambtshalve of op aanvraag, loonkostensubsidie aan de werkgever die voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. In geval van een aanvraag zijn het tweede tot en met het vijfde lid van dit artikel van toepassing.

  • 2. Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als het een persoon betreft die nog niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, ook beschouwd als een aanvraag om vast te stellen of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10c, eerste lid, onder a, van de wet. Als deze aanvraag is gedaan na het begin van de dienstbetrekking voor een persoon als bedoeld in artikel 10d, tweede lid, van de wet, wordt de vaststelling of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie bepaald door middel van de Praktijkroute.

  • 3. Het college stelt binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever toepassing wordt gegeven aan artikel 10d, vijfde lid, van de wet.

  • 4. Het college neemt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie in acht.

2.5.28. Vaststelling loonwaarde

  • 1. Het college maakt gebruik van de loonwaardemethode om de loonwaarde van een inwoner te bepalen. Het college neemt het advies van een gecertificeerde aanbieder in overweging. De loonwaardebepaling gebeurt volgens landelijk afspraken.

  • 2. De loonwaardemethode is een objectieve meting van competenties gebaseerd op kennis van werknemers aan de onderkant van de arbeidsmarkt. De definitieve bepaling van de loonwaarde vindt eerst plaats na bedrijfsbezoek. De bepaling van loonwaarde wordt vastgelegd In een schriftelijk rapport met advies.

  • 3. Een loonwaarde wordt Individueel bepaald als iemand aan 2 criteria voldoet:

    • a.

      de persoon behoort tot de doelgroep;

    • b.

      er is een werkgever.

  • 4. De loonwaarde wordt bepaald aan de hand van het overeengekomen inkomen, afgezet tegen de prestatiemogelijkheid van de inwoner om een arbeidsprestatie te leveren. Het percentage is gerelateerd aan de arbeidsprestatie van een medewerker zonder arbeidsbeperking in dezelfde functie. Hoe dat percentage wordt berekend, is ook geüniformeerd. De loonkostensubsidie vergoedt het verschil tussen het minimumloon en de loonwaarde.

Hoofdstuk 3 Leerlingenvervoer

3.1. Leerlingenvervoer

3.1.1. Doelstelling

Dit hoofdstuk heeft tot doel op basis van een beoordeling op grond van in de verordening bepaalde criteria en op basis van een onderzoek naar de individuele situatie van de leerling een gehele of gedeeltelijke bekostiging toe te kennen aan de ouders voor het goedkoopst passend vervoer van de leerling van de woning dan wel de opstapplaats naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor de leerling en terug met inachtneming van het bepaalde in deze verordening.

3.1.2. Aanvraagprocedure

  • 1. Een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt gedaan in de gemeente waar de leerling zijn woning heeft, door indiening bij het college van een volledig ingevuld en door de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling ondertekend papieren of digitaal formulier, voorzien van de op het formulier vermelde gegevens.

  • 2. Als dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is, kan het college de ouders verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken.

  • 3. De gegevens voortvloeiend uit de aanvraag voor een vervoersvoorziening worden slechts gebruikt om de aanvraag te kunnen beoordelen en uitvoering te kunnen geven aan de vervoersvoorziening voor de leerling.

  • 4. Het college besluit binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag voor een vervoersvoorziening.

  • 5. Het college kan het in het vorige lid bedoelde besluitvormingstermijn met ten hoogste vier weken verdagen. Het college stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis.

  • 6. Als een vervoersvoorziening wordt toegekend geldt deze:

    • a.

      wanneer het een bekostiging betreft, met ingang van de door de ouders verzochte datum, met dien verstande dat de datum niet ligt vóór de datum van ontvangst van de aanvraag;

    • b.

      wanneer het aanbieding van aangepast vervoer betreft, met ingang van een datum die zo mogelijk aansluit bij de door de ouders verzochte datum.

3.1.3. Gesprek over zelfstandigheid en zelfredzaamheid bij de aanvraag

  • 1. Bij de beoordeling van een aanvraag voor een vervoersvoorziening voor de leerling en eventueel een begeleider, wordt rekening gehouden met de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en die van het gezin.

  • 2. Het college kan bij een aanvraag in een gesprek, met de ouders, desgewenst de leerling en een deskundige, de noodzakelijk te achten vervoersvoorziening onderzoeken als bedoeld in de onderzoeksfase

  • 3. Bij gewijzigde omstandigheden kan het gesprek als bedoeld in het tweede lid opnieuw plaatsvinden.

  • 4. Het college betrekt in het gesprek tenminste de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en de dichtstbijzijnde toegankelijke school als bedoeld in artikel 3.1.7.

  • 5. Wanneer de leerling de leeftijd van negen jaar bereikt, kan het college in overleg met de ouders, desgewenst de leerling en in samenhang met het eventuele ontwikkelingsperspectief een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan opstellen, waarin de weg naar zelfstandig reizen naar school wordt beschreven alsmede de mogelijkheden van de leerling. Dit plan maakt onderdeel uit van het besluit.

  • 6. In het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan kan het college ondersteuning bieden om de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling te bevorderen.

3.1.4. Algemene voorwaarden voor toekenning van de vervoersvoorziening

  • 1. Ten behoeve van het schoolbezoek kent het college aan de ouders van de in de gemeente verblijvende leerling op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening.

  • 2. Als het college toepassing geeft aan het eerste lid, verlangt het college van de ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de vervoerskosten toekomt, betaling van een bijdrage tot ten hoogste het bedrag dat de ouders volgens het bepaalde in deze verordening moeten bijdragen aan de kosten van het vervoer. Weigering tot of nalatigheid in de betaling van de in de vorige volzin bedoelde bijdrage doet de aanspraak op de vervoersvoorziening vervallen.

  • 3. De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun kinderen.

  • 4. Als de leerling een meerderjarige en handelingsbekwame leerling is, wordt de vervoersvoorziening op aanvraag toegekend aan de leerling.

  • 5. Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de uitbetaling, alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening.

  • 6. Het college kan aan de toekenning van een vervoersvoorziening nadere voorwaarden verbinden.

  • 7. Het college verstrekt een vervoersvoorziening voor het vervoer van de leerling van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school en terug.

  • 8. Het college kan ten behoeve van de uitvoering van deze verordening nadere regels stellen.

3.1.5. Herziening, opschorting, intrekking of terugvordering van de vervoersvoorziening

  • 1. De ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling zijn verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op de toegekende vervoersvoorziening, onder vermelding van de datum van wijziging, direct schriftelijk mede te delen aan het college.

  • 2. Als sprake is van een wijziging die van invloed is op de toegekende vervoersvoorziening, vervalt de aanspraak daarop en kent het college al dan niet opnieuw een vervoersvoorziening toe.

  • 3. Als de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling niet voldoen aan het bepaalde in het eerste lid, en het college een wijziging als bedoeld in het tweede lid vaststelt, waardoor blijkt dat ten onrechte een vervoersvoorziening is verstrekt, vervalt de aanspraak op de vervoersvoorziening terstond en kent het college al dan niet opnieuw een vervoersvoorziening toe. Het college deelt het besluit schriftelijk mee aan de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling.

  • 4. Het college kan een besluit als bedoeld in deze verordening herzien, opschorten dan wel intrekken, als het college vaststelt dat:

    • a.

      niet of niet meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen gesteld bij of krachtens deze verordening;

    • b.

      beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een ander besluit zou zijn genomen;

    • c.

      de verstrekte vervoersvoorziening niet meer de meest passende vervoersvoorziening is;

    • d.

      sprake is van onaanvaardbaar wangedrag door de leerling of ouders gedurende of rond het verblijf in het aangepast vervoer; of

    • e.

      het vervoeren van de leerling leidt tot een onveilige situatie in het aangepast vervoer.

  • 5. De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling gedurende het verblijf van de leerling in het aangepaste vervoer berust bij de ouders.

  • 6. Ten onrechte genoten bekostiging kan van de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling worden teruggevorderd, dan wel worden verrekend bij een eventuele nieuw verstrekte vervoersvoorziening.

3.1.6. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school

  • 1. Een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee brengt en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk instemmen.

  • 2. Met inachtneming van het bepaalde in het voorgaande lid wordt eveneens een vervoersvoorziening verstrekt over de afstand tussen de woning of de opstapplaats en:

    • a.

      de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is; of

    • b.

      een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a bedoelde samenwerkingsverband, als het vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de speciale school voor basisonderwijs als bedoeld onder a.

  • 3. Als de ouders vanwege een specifieke onderwijskundige behoefte van de leerling een vervoersvoorziening aanvragen naar een school op een grotere afstand, dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen, wordt deze slechts toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      aan het college is door de ouders genoegzaam aangetoond wat de specifieke en noodzakelijke onderwijskundige onderwijsbehoefte van de leerling is;

    • b.

      aan het college is door de ouders genoegzaam aangetoond dat de beoogde school de dichtstbijzijnde school is die het noodzakelijk specifieke onderwijsaanbod kan bieden.

3.1.7. Afstandsgrens

  • 1. Een vervoersvoorziening wordt toegekend als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor:

    • a.

      basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer;

    • b.

      speciaal basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer; of

    • c.

      speciaal onderwijs meer bedraagt dan vijf kilometer.

  • 2. Een vervoersvoorziening wordt toegekend aan gehandicapte leerlingen als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor:

    • a.

      basisonderwijs en speciaal basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020 meer bedraagt dan nul kilometer; of

    • b.

      speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra meer bedraagt dan vijf kilometer

  • 3. In aanvulling op lid 2 moet aan burgemeester en wethouders genoegzaam worden aangetoond dat het een gehandicapte leerling betreft. Zo nodig kunnen burgemeester en wethouders hierover advies vragen aan een onafhankelijk medisch deskundige.

3.1.8. Aanwijzing opstapplaats

  • 1. Het college kan bij het verstrekken van aangepast vervoer een opstapplaats aanwijzen van waaruit de leerling gebruik maakt van de vervoersvoorziening.

  • 2. De ouders dragen er zorg voor dat de leerling naar en op de opstapplaats wordt begeleid als dit noodzakelijk is.

  • 3. Het college wijst geen opstapplaats aan als door de ouders wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is.

  • 4. Het college wijst geen opstapplaats aan als het gebruik van een opstapplaats leidt tot hogere kosten dan aangepast vervoer vanaf de woning van de leerling.

3.1.9. Peildatum leeftijd leerling

Voor het verstrekken van een vervoersvoorziening op basis van artikel 3.1.16. is de leeftijd van de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de vervoersvoorziening betrekking heeft bepalend.

3.1.10. Andere vergoedingen

De aanspraak op een toelage, voor zover die voor de betreffende leerling betrekking heeft op de reiskosten, wordt op een bekostiging in mindering gebracht, dan wel als eigen bijdrage in rekening gebracht.

3.1.11. Schooltijden en wachttijden

  • 1. Bekostiging van het aangepast vervoer vindt plaats op standaard schooldagen en schooltijden, zoals deze zijn opgenomen in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt.

  • 2. Ingeval er binnen een school sprake is van verschillende lesroosters binnen de vaste schooltijden, kan het college besluiten met de inzet van het aangepaste vervoer een wachttijd aan te houden van één of meerdere lesuren, om zodoende aan te sluiten op het reguliere leerlingenvervoer.

  • 3. Het aangepast vervoer op schooldagen en schooltijden die afwijken van de in de schoolgids genoemde dagen en tijden wordt niet bekostigd, tenzij de ouders bewijs overleggen waaruit blijkt dat de structurele handicap van een leerling de aansluiting op de standaard schooltijden onmogelijk maakt.

3.1.12. Tijdelijk verblijf buiten de gemeente

  • 1. Het college kan een tijdelijke vervoersvoorziening voor een periode van maximaal zes weken toekennen aan de ouders van een leerling, die als gevolg van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente verblijft, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

    • a.

      de leerling blijft zijn eigen school bezoeken;

    • b.

      in de periode, voorafgaand aan het tijdelijke verblijf buiten de gemeente, is een vervoersvoorziening toegekend op grond van deze verordening; en

    • c.

      de intentie bestaat dat de leerling terugkeert naar de oorspronkelijke gemeente.

  • 2. Het besluit waarin de vervoersvoorziening is toegekend voorafgaand aan een tijdelijke vervoersvoorziening wordt opgeschort met ingang van de datum van tijdelijk verblijf buiten de gemeente en herleeft weer zodra de leerling terugkeert in de gemeente, tenzij de geldigheidsduur van dit besluit is verstreken.

3.1.13. Vervoersvoorziening naar stageadres

  • 1. Als er al aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening naar een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet onderwijs kan op verzoek een vervoersvoorziening worden toegekend voor het vervoer naar een stageadres. Hiervoor wordt een afzonderlijke aanvraag ingediend.

  • 2. De vervoersvoorziening naar een stageadres wordt slechts toegekend als er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de stage is onderdeel van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de school of in het stagecontract;

    • b.

      de stagetijden komen overeen met de reguliere schooltijden;

    • c.

      de stage vindt plaats op één stageadres; en

    • d.

      Vervoer naar het stageadres brengt evenveel of minder kosten met zich mee dan vervoer naar de school.

  • 3. Een vervoersvoorziening wordt slechts toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling dan wel de opstapplaats en het dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke stageadres.

  • 4. Het college kan het stagecontract opvragen.

3.1.14. Verstrekking van de vervoersvoorziening

  • 1. Het college betrekt bij de verstrekking van de vervoersvoorziening het eventuele persoonlijk vervoersontwikkelingsplan of vervoersadviezen van deskundigen die voor de onderzoekfase van belang zijn.

  • 2. Als begeleiding in het vervoer vereist is, vergoedt het college de vervoerskosten die verbonden zijn aan de begeleiding van de leerling in het vervoer en de extra heenreis en retourreis van de begeleider.

3.1.15. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets

  • 1. Als voldaan is aan de afstandsgrens genoemd in artikel 3.1.7., eerste lid, verstrekt het college aan de ouders van de leerling die een school voor primair onderwijs of speciaal onderwijs bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer. Voor het bepalen van de kosten wordt gebruik gemaakt van de routebepaling op de website www.9292.nl.

  • 2. Als aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in het eerste lid en de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per (aangepaste) fiets, verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets.

  • 3. De kilometervergoeding voor de fiets is gelijk aan € 0,10 per kilometer gemeten langs de kortste afstand volgens de ANWB routeplanner.

3.1.16. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer of vervoer per fiets ten behoeve van een begeleider

  • 1. Burgemeester en wethouders verstrekken aan de ouders van de leerling, die een school bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer of vervoer per fiets van de leerling en een begeleider van de leerling als:

    • a.

      voldaan is aan de afstandsgrens genoemd in artikel 3.1.7., eerste lid, de leerling jonger dan negen jaar is en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken; of

    • b.

      er sprake is van een gehandicapte leerling.

  • 2. De kilometervergoeding voor de fiets is gelijk aan €0,10 per kilometer gemeten langs de kortste afstand volgens de ANWB routeplanner.

  • 3. Als een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één begeleider voor bekostiging in aanmerking.

3.1.17. Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer

Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school bezoekt, als:

  • a.

    aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 3.1.15. of 3.1.16. en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht;

  • b.

    aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 3.1.15. of 3.1.16. en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets;

  • c.

    aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 3.1.16.en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is; of

  • d.

    de leerling, naar het oordeel van het college, ook niet onder begeleiding in staat is van het openbaar vervoer gebruik te maken.

3.1.18. Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer

  • 1. Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de ouders vragen of op aanvraag toestaan één of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren.

  • 2. Als toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, als aanspraak zou bestaan op een voorziening in de vorm van aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde lid. Deze vergoeding bedraagt het belastingvrije kilometerbedrag per kilometer.

  • 3. Als toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan één leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, behoudens het bepaalde in het vierde lid.

  • 4. Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die voor het vervoer van één of meer leerlingen bekostiging van het college ontvangen, wordt door het college geen bekostiging verstrekt.

3.1.19. Bekostiging andere passende vervoersvoorziening

Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college na overleg met de ouders een bekostiging verstrekken voor een andere passende voorziening, die goedkoper is dan of gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer.

3.1.20. Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie

  • 1. Met inachtneming van artikel 3.1.7. kent het college desgewenst een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie toe aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft.

  • 2. Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het weekeindevervoer van de leerling voor de, eenmaal per weekeinde gemaakte, reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de weekeinden niet vallen binnen de in het tweede lid bedoelde schoolvakanties.

  • 3. Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het vakantievervoer van de leerling voor de, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer, gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de vakantie voorkomt in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt.

  • 4. Artikel 3.1.17., eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing.

3.1.21. Eigen bijdrage in de vorm van een drempelbedrag

  • 1. Aan de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs bezoekt, van wie het inkomen samen meer bedraagt dan € 27.000,- wordt slechts bekostiging verstrekt voor zover de kosten van het vervoer van die leerling de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 3.1.7. bepaalde afstand te boven gaan.

  • 2. In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgen dan wel doen verzorgen, betalen de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, per leerling per schooljaar een eigen bijdrage die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 3.1.7. bepaalde afstand, als het inkomen van de ouders meer bedraagt dan € 27.000,-, tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer.

  • 3. De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede lid, betreffen de kosten van openbaar vervoer die bij gebruik van de OV-chipkaart of een andere binnen de gemeente geldende OV-betaalmogelijkheid voor de in artikel 3.1.7 bepaalde afstand redelijkerwijs zouden worden gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van openbaar vervoer of het daadwerkelijk gebruik ervan. Bij het bepalen van de kosten wordt rekening gehouden met de kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden.

  • 4. Het inkomensbedrag van € 27.000,- genoemd in het eerste en tweede lid, wordt met ingang van 1 januari 2021 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450,-. Het aangepaste bedrag treedt in plaats van het in het eerste en tweede lid genoemde bedrag van € 27.000,-.

  • 5. Het eerste tot en met het vierde lid zijn niet van toepassing op gehandicapte leerlingen.

3.1.22. Eigen bijdrage in de vorm van een draagkrachtafhankelijke bijdrage

  • 1. Als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan twintig kilometer bedraagt, wordt de vastgestelde bekostiging verminderd met een van de financiële draagkracht van de ouders afhankelijk bedrag.

  • 2. In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, en de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan twintig kilometer bedraagt, betalen de ouders een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer.

  • 3. De hoogte van het bedrag als bedoeld in het eerste lid en de bijdrage als bedoeld in het tweede lid worden berekend per gezin en is afhankelijk van de hoogte van het inkomen van de ouders. Zij bedragen:

    Inkomen in euro’s

    Eigen bijdragen in euro’s per gezin

    0-35.500

    Nihil

    35.500-42.000

    150

    42.000-48.500

    630

    48.500-55.000

    1.180

    55.000-62.500

    1.725

    62.500-69.000

    2.270

    69.000 en verder

    Voor elke extra € 5.500: € 560 erbij

  • 4. De inkomensbedragen, genoemd in het derde lid, worden met ingang van 1 januari 2021 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500,-.

  • 5. De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid, worden met ingang van 1 januari 2021 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5,-.

  • 6. Dit artikel is niet van toepassing op gehandicapte leerlingen.

4.1 [Vervallen]

Hoofdstuk 5 Overige taken in het Sociaal domein

5.1 Wet Inburgering 2021

5.1.1. Opleggen van verplichtingen

Het college kan een inburgeringsplichtige als bedoeld in artikel 3 van de Wet inburgering bij beschikking een of meer van de volgende verplichtingen opleggen:

  • a.

    het deelnemen aan de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening;

  • b.

    het deelnemen aan gesprekken met de trajectbegeleider;

  • c.

    het deelnemen aan voortgangsgesprekken;

  • d.

    voor de eerste maal deelnemen aan het inburgeringsexamen of staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II op een tijdstip dat door het college wordt bepaald;

  • e.

    het melden indien door ziekte dan wel door andere relevante omstandigheden niet aan de verplichtingen in de beschikking kan worden voldaan;

  • f.

    overige verplichtingen die het bereiken van het doel van de voorziening ondersteunen.

5.1.2. De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende overtredingen

  • 1. De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 250 indien de inburgeringsplichtige of de persoon ten aanzien van wie het college op redelijke gronden kan vermoeden dat deze inburgeringsplichtige is, geen of onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, bedoeld in artikel 25, vierde lid van de Wet inburgering.

  • 2. De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 500 indien de inburgeringsplichtige geen of onvoldoende medewerking verleent aan de uitvoering van de voor hem vastgestelde inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Wet inburgering of aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 5.1.1. van deze verordening.

  • 3. De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 500 indien de inburgeringsplichtige niet binnen de in artikel 7, eerste lid, van de Wet inburgering bedoelde termijn of binnen de door het college op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van de Wet inburgering verlengde termijn het inburgeringsexamen heeft behaald.

  • 4. Voor de inburgeringsplichtige die een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangt gelden de regels van paragraaf 2.3. van deze verordening bij voorrang boven de bepalingen uit dit hoofdstuk.

5.1.3. Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de overtreding

  • 1. De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 5.1.2, eerste lid, van deze verordening bedraagt ten hoogste € 250 indien de inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw schuldig maakt aan dezelfde overtreding.

  • 2. De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 5.1.2, tweede lid, van deze verordening bedraagt ten hoogste € 500 indien de inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw schuldig maakt aan dezelfde overtreding.

  • 3. De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 1000 indien de inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond van artikel 32 en 33 van de Wetinburgering vastgestelde termijn zijn inburgeringsexamen heeft behaald.

5.1.4. Afstemming van de bestuurlijke boete

  • 1. Er wordt geen bestuurlijke boete opgelegd, zoals bedoeld in artikel 5.1.2. en 5.1.3. van deze verordening voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.

  • 2. De hoogte van de bestuurlijke boete bedoeld in artikel 5.1.2. en 5.1.3. van deze verordening wordt afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid.

  • 3. Bij de afstemming bedoeld in het tweede lid wordt zo nodig rekening gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding heeft plaatsgevonden.

5.1.5. Beloning

  • 1. Het college kan besluiten de inburgeringsplichtige die na het volgen van een door het college vastgestelde voorziening het inburgeringsexamen, NT2Staatsexamen programma I of II dan wel diploma binnen een termijn van drie jaar behaalt, daarvoor te belonen.

  • 2. De beloning is ten hoogste gelijk aan de vastgestelde eigen bijdrage voor de inburgering. Uitgangspunt is dat de eigen bijdrage conform de Wet inburgering eerst wordt geïnd.

  • 3. Wanneer de eigen bijdragenog niet volledig is betaald, wordt de beloning verrekend met de nog verschuldigde eigen bijdrage.

  • 4. De termijn van drie jaar start nadat de voorziening bij beschikking is vastgesteld. Voor analfabeten geldt een termijn van vijf jaar.

5.2. Wet Gemeentelijke Schuldhulpverlening

5.2.1. Beslistermijn schuldhulpverlening

De beschikking tot schuldhulpverlening of de afwijzing ervan, bedoeld in artikel 4a, eerste lid, van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, wordt genomen binnen een termijn van 8 weken na de dag waarop het eerste gesprek, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van die wet, heeft plaatsgevonden.

5.3 Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorziening

5.3.1. Laagdrempeligheid antidiscriminatievoorziening

  • 1. Het college zorgt dat er een procedure is zodat ingezetenen in hun directe leefomgeving melding kunnen maken van een klacht. Deze melding kan plaatsvinden op/via het stadhuis van de gemeente Meppel.

  • 2. De inwoner heeft in ieder geval de mogelijkheid om een klacht bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van de Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen te melden:

    • a.

      Per post;

    • b.

      Per e-mail;

    • c.

      Telefonisch;

    • d.

      Op een door de gemeente beschikbaar gestelde locatie als bedoeld in lid 1.

  • 3. de medewerker die meldingen van klachten opneemt en doorgeleidt voor behandeling over de daarvoor vereiste deskundigheid beschikt;

  • 4. een klacht na de melding ervan wordt doorgeleid naar de antidiscriminatievoorziening;

  • 5. de in het eerste lid genoemde procedure bekend wordt gemaakt.

5.3.2. Deskundigheid en onafhankelijkheid klachtbehandeling

  • 1. Burgemeester en wethouders dragen er zorg voor dat:

    • a.

      de klachtbehandelaars beschikken over de voor de klachtbehandeling vereiste deskundigheid en onafhankelijkheid;

    • b.

      de klachtbehandelaars hun deskundigheid kunnen onderhouden en verder kunnen ontwikkelen;

    • c.

      patronen van discriminatie worden gemonitord en maatregelen worden genomen ter preventie van discriminatie door beleidsadvisering en publieksvoorlichting.

5.3.3. Protocol behadeling klachten en verzoeken

Het protocol voor de behandeling van klachten, als bedoeld in artikel 6 van het Besluit, en het protocol voor de behandeling van verzoeken, als bedoeld in artikel 12, derde lid, van het Besluit, regelen in ieder geval:

  • a.

    de afdoeningstermijn van de klachten en verzoeken;

  • b.

    de wijze van afdoening van klachten en verzoeken;

  • c.

    de registratie van klachten en verzoeken;

  • d.

    de verslaglegging richting burgemeester en wethouders over de klachten en verzoeken en de wijze waarop de klachten en verzoeken zijn afgedaan.

5.4. Fonds Maatschappelijke activiteiten

5.4.1. Bijdrage uit het fonds maatschappelijke activiteiten

  • 1. Er is een Fonds Deelname Maatschappelijke Activiteiten dat wordt ingesteld als onderdeel van het minimabeleid.

  • 2. Uit dit Fonds kan het college bijdragen toekennen voor culturele, sociaal-culturele, educatieve of sportactiviteiten.

  • 3. De bijdragen die verband houden met de activiteiten onder lid 2 worden toegekend met inachtneming van het bepaalde in artikelen 95 tot en met 99 van het fonds deelname Maatschappelijke activiteiten.

  • 4. Het college kan het nemen van een beslissing op een aanvraag opdragen onder nader door hen te stellen voorwaarden aan een door hen te wijzen ambtenaar.

5.4.2. De hoogte van de bijdrage

  • 1. De hoogte van de bijdrage uit het Fonds Deelname Maatschappelijke Activiteiten is voor:

    • a.

      een alleenstaande € 172,50 per kalenderjaar.

    • b.

      echtparen/samenwonenden € 345 per kalenderjaar.

    • c.

      een ten laste komend kind jonger dan 18 jaar € 115 per kalenderjaar

  • 2. De bijdragen zijn binnen het gezin overdraagbaar.

    Het college verhoogt de bedragen in het eerste lid met het in de begroting gehanteerde kostenstijgingspercentage.

5.4.3. Aanvraagprocedure.

  • 1. Een aanvraag om een bijdrage kan in een kalenderjaar bij het College worden ingediend, tot en met 31 december van dat jaar.

  • 2. Uitbetaling van de bijdrage vindt per kalenderjaar ineens plaats. Afhankelijk van het aantal gezinsleden, wordt de geldende maximale vergoeding uitbetaald.

  • 3. Op een aanvraag wordt uiterlijk binnen acht weken beslist. Een besluit tot afwijzing

  • 4. wordt schriftelijk aan de aanvrager bekend gemaakt.

5.4.4. Voorwaarden.

Een bijdrage wordt toegekend als aan onderstaande voorwaarden is voldaan:

  • a.

    de aanvrager is inwoner van de gemeente Meppel.

  • b.

    het inkomen mag niet hoger zijn dan de van toepassing zijnde norm verhoogd met een percentage van 10.

  • c.

    het vermogen van alle gezinsleden tezamen mag niet hoger zijn dan de bedragen genoemd in artikel 34 Participatiewet.

  • d.

    aangetoond kan worden dat men tenminste 3 maanden voorafgaande aan de aanvraag aangewezen is geweest op een inkomen dat niet hoger is dan de van toepassing zijnde norm verhoogd met een percentage van 10.

  • e.

    aanvrager dient aan de verplichting te voldoen om alle relevante informatie te verstrekken die nodig is om een beslissing op de aanvraag te nemen en tevens medewerking te verlenen aan onderzoeken om achteraf de rechtmatigheid van de verstrekking te kunnen vaststellen.

  • f.

    bewoners van woonzorgcentra of beschermde woonvormen komen voor een bijdrage in aanmerking mits voldaan wordt aan punt c. en d. en men een inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd is. Aanvullende voorwaarde is dat de activiteit buiten het wooncentrum of beschermde woonvorm moet plaatsvinden en niet door het woonzorgcentrum of begeleide woonvorm mag worden georganiseerd.

5.4.5. Geen bijdrage

Geen beroep op een bijdrage uit het Fonds Deelname Maatschappelijke Activiteiten kan worden gedaan door degene die onderwijs of een beroepsopleiding volgt als bedoeld in de Wet Studiefinanciering zonder ten laste komende kinderen.

5.4.6. Doelgroep.

Een bijdrage uit het Fonds Deelname Maatschappelijke Activiteiten (FDMA) kan worden verstrekt aan:

  • a.

    alleenstaanden;

  • b.

    echtparen/samenwonenden;

  • c.

    ten laste komende kinderen tot 18 jaar.

5.4.7. Nadere regels.

Het college is bevoegd nadere regels te stellen met betrekking tot de aanvraagprocedure en de afhandeling van de aanvraag FDMA.

Hoofdstuk 6 Slotbepalingen

6.1 Overgangsrecht

  • 1.

    Besluiten genomen op grond van de Verordening Sociaal Domein gemeente Meppel, zoals deze gold voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening blijven hun werking houden volgens de bepalingen van de verordening waaronder zij zijn genomen.

  • 2.

    Aanvragen die bij het college zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze verordening maar waarop nog niet is beslist worden afgehandeld krachtens deze Verordening.

6.2. Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking na haar bekendmaking in het gemeenteblad. Indien bekendmaking plaatsheeft na 1 januari 2026 treedt deze verordening in werking met terugwerkende kracht met ingang van 1 januari 2026.

6.3. Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als “Verordening Sociaal Domein Gemeente Meppel”.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 29 januari 2026,

W.J. Spoelstra

Griffier

A. Maathuis

Voorzitter

Toelichting

Algemeen

Deze verordening omvat alle regels van de gemeente Meppel die door de gemeenteraad zijn vastgesteld met betrekking tot het sociaal domein. De bedoeling hiervan is dat voor inwoners en dienstverleners de gemeentelijke regelgeving op sociaal gebied overzichtelijk en gebundeld beschikbaar is. Naast deze verordening bestaat in Meppel ook een verordening waarin alle regelgeving over de fysieke leefomgeving is gebundeld (Verordening Fysieke Leefomgeving). Het totaal aan gemeentelijke regelgeving is hiermee zoveel mogelijk in een overzichtelijk aantal regelingen verwerkt.

De verordening heeft een hoofdstukindeling waarin makkelijk wijzigingen kunnen worden verwerkt. De grondslagen voor bepalingen in deze verordening zijn in veel verschillende wetten vastgelegd. Regelmatig veranderen regels in deze wetten of er zijn uitspraken van rechters die moeten worden opgevolgd, en dan moet de verordening veranderd worden.

De structuur is zo gekozen dat makkelijk artikelen kunnen worden ingevoegd of verwijderd zonder dat er teveel vernummering van andere bepalingen plaatsvindt. Dit vergroot de overzichtelijkheid en begrijpelijkheid van de teksten en het voorkomt fouten in de regelgeving zonder daarbij de integrale benadering te verliezen zoals we die in Meppel in de regelgeving rond het sociaal domein sinds 2018 kennen.

In deze toelichting worden wetten aangeduid met hun afkorting. Aan het eind van deze toelichting is een lijst met afkortingen opgenomen waarin deze worden vermeld.

Maatschappelijke ondersteuning

De Wmo 2015 bepaalt dat de gemeenteraad regels moet geven over de manier waarop de gemeente inwoners in aanmerking brengt voor voorzieningen, wat de kwaliteitseisen zijn die worden gesteld aan maatwerkvoorzieningen (hulpmiddelen en hulp) en op welke manier de hoogte van passende tarieven en bijdrage wordt bepaald. Dat wordt in deze verordening geregeld.

Jeugdhulp

De Jeugdwet bepaalt op gelijke manier als de Wmo2015 dat de raad regels moet geven over de soorten hulp die worden geboden en de manier waarop inwoners daarvoor in aanmerking kunnen komen. Ook moeten regels worden gegeven over de kwaliteit van geleverde hulp en over de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet

Rechten en plichten in de Participatiewet/ IOAW en IOAZ

De gemeente heeft een verantwoordelijkheid met betrekking tot de invulling van de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet het gemeentelijk beleid vastgelegd worden in een verordening. Rechten en plichten zijn echter twee kanten van één medaille. Het recht op algemene bijstand is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering.

2.2 Jeugdwet

Opbouw van de verordening

In hoofdstuk 2.2 leest u welke vormen van jeugdhulp de gemeente kan bieden, de verschillende wegen die leiden naar toegang tot jeugdhulp, de manier waarop een verzoek om jeugdhulp wordt beoordeeld en hoe een besluit daarover wordt voorbereid, aanvullende regels voor het bieden van jeugdhulp in de vorm van een persoonsgebonden budget, pupilkosten, de overgang van 18 min naar 18 plus en overgangsrechten.

De opdracht van de wetgever: wat moet de Verordening regelen?

Sinds 1 januari 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor alle jeugdhulp. De taken van de gemeenten zijn geregeld in de Jeugdwet (hierna: de wet). Gemeenten moeten ervoor zorgen dat jongeren met een beperking, stoornis of aandoening de jeugdhulp en ondersteuning krijgen die nodig is. Eén van de doelen van de wet is om gebruik te maken van de eigen kracht van jongeren, ouders en hun sociale netwerk, zodat jeugdhulp wordt geboden aan jeugdigen en gezinnen in de meest kwetsbare situaties, waarbij de inzet van jeugdhulp noodzakelijk is gezien de aard en ernst van de hulpvraag.

Deze verordening geeft uitvoering aan de wet die de gemeenteraad opdraagt om bij verordening regels vast te stellen over:

  • a.

    de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening;

  • b.

    de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen;

  • c.

    de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; en

  • d.

    de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.

Daarnaast regelt deze verordening, overeenkomstig de wet, op welke wijze ingezetenen, waaronder in ieder geval jeugdigen of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij de uitvoering van de wet, waarbij wordt geregeld de wijze waarop zij:

  • a.

    in de gelegenheid worden gesteld voorstellen voor het beleid te doen;

  • b.

    vroegtijdig in staat worden gesteld gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen;

  • c.

    worden voorzien van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen,

  • d.

    deel kunnen nemen aan periodiek overleg;

  • e.

    onderwerpen voor de agenda van dit overleg kunnen aanmelden; en

  • f.

    worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie.

De verordening bevat ook regels ter waarborging van:

  • a.

    een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van diensten door derden en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan; en

  • b.

    de continuïteit van de jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering.

Achtergronden

De wet maakt deel uit van de in 2015 ingezette bestuurlijke en financiële decentralisatie naar gemeenten van de jeugdzorg, de jeugd-ggz, de zorg voor verstandelijk beperkte jeugdigen en de begeleiding en persoonlijke verzorging van jeugdigen. Eén van de uitgangspunten hierbij was dat een omslag gemaakt zou worden van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg (aanspraak) naar een stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten (voorziening), op een wijze zoals eerder is gebeurd met de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). Het wettelijke recht op jeugdzorg en individuele aanspraken op jeugdzorg zijn vervangen door een voorzieningenplicht, waarvan de aard en omvang in beginsel door de gemeente worden bepaald (maatwerk). Het doel van het jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd het waar nodig tijdig bieden aan jeugdigen en ouders van bij hun situatie passende hulp, met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jongere en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin wordt versterkt.

Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op grond van artikel 2.2, van de wet heeft vastgesteld. In dit beleidsplan is het door het gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met betrekking tot preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering.

Vrij toegankelijk en niet vrij toegankelijk

In de verordening is onderscheid gemaakt tussen overige (vrij-toegankelijke) en individuele (niet vrij-toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een vrij-toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige en/of zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden.

Toegang jeugdhulp via de gemeente

Een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder kan binnenkomen bij de gemeente (in sommige gevallen nadat zij naar de gemeente zijn doorverwezen door het Advies- en Meldpunt Huiselijk Geweld en Kindermishandeling). De beslissing door de gemeente welke hulp een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft, komt vervolgens tot stand op basis van het onderzoek dat namens het college in samenspraak met die jeugdige en zijn ouders wordt uitgevoerd. Veelal zal op basis van één of meerdere gesprekken tussen een door de gemeente ingezette deskundige en de jeugdige en zijn ouders gekeken worden wat de jeugdige en zijn ouders eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen aan het probleem. Als aanvullend daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, dan zal eerst gekeken worden of dit een vrij-toegankelijke voorziening is of een niet vrij-toegankelijke voorziening. Is het laatste het geval dan neemt het college een besluit tot verstrekking van de voorziening en worden de jeugdige en zijn ouders doorverwezen naar een jeugdhulpaanbieder die in staat is om de betreffende problematiek aan te pakken. Dit proces is in deze verordening nader ingekaderd.

Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist

De wet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft gecontracteerd. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze afspraken zullen verder ook ingaan op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij meervoudige problematiek, kan worden geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ zal plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die in deze verordening zijn gesteld. Deze verordening regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente toegankelijk is en stuurt op collectief niveau op de omvang en duur van de beschikte individuele voorzieningen. De bepalingen in de verordening over het onderzoek naar de hulpvraag zijn onverkort op jeugdhulpaanbieders van toepassing, ook bij de toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist.

Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het Openbaar Ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting

Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het Openbaar Ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of beëindiging van het gezag uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de wet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening.

Afbakening jeugdhulpplicht

De reikwijdte van de jeugdhulpplicht in de wet vormt al enkele jaren een belangrijk onderwerp in gesprekken over de jeugdzorg. In de Hervormingsagenda Jeugd is de afspraak gemaakt dat de wetgever de wet gaat aanpassen om deze reikwijdte te verduidelijken en af te bakenen c.q. te begrenzen. Dit om ervoor te zorgen dat de jeugdhulp terechtkomt bij de meest kwetsbare gezinnen of gezinnen in de meest kwetsbare situaties. Het doel is om duidelijk te maken wat er wel onder de jeugdhulpplicht valt, in plaats van wat er niet onder valt. Op dit moment geldt er geen jeugdhulpplicht voor hulp die op ‘eigen kracht’ kan worden geboden of worden georganiseerd, maar deze begrippen zijn echter niet gedefinieerd in de wet. Als er vrij toegankelijke voorzieningen zijn, dan gaan deze momenteel voor op niet-vrij toegankelijke voorzieningen.

De verordening voorziet in:

  • -

    Het scherper verwoorden en uitwerken van het beschikbare voorzieningenpakket;

  • -

    Een verbeterde afstemming tussen de wet en andere wetgeving;

  • -

    Het uitwerken van de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen ouders en het college als verstrekker van individuele voorzieningen;

  • -

    Een uitdrukkelijke opname van het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) verplicht stellen voor de medische verwijsroute; en

  • -

    Duidelijke voorwaarden ter voorkoming van oneigenlijk gebruik en misbruik van de wet.

Deze verordening vormt het normstellend kader waarmee de jeugdhulp nader wordt geregeld, met inachtneming van de wet.

ARTIKELSGEWIJS

In deze artikelsgewijze toelichting worden enkel die (onderdelen) van bepalingen behandeld die nadere toelichting behoeven.

2.2 JEUGDWET

2.2.1. Vormen van jeugdhulp

Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet, op grond waarvan de gemeente verplicht is bij verordening regels te stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen. Daarnaast beoogt deze verordening voor iedereen duidelijk te maken wat het gemeentelijke aanbod aan jeugdhulpvoorzieningen is. Ook vindt de gemeente het belangrijk dat op voorhand duidelijk is – uitgaande van toegang tot de jeugdhulp via de gemeente – welke vormen van voorzieningen alleen toegankelijk zijn na een besluit van de gemeente (de ‘individuele voorzieningen’) en welke in beginsel vrij toegankelijk zijn voor iedereen waarvoor ze bedoeld zijn (de ‘overige voorzieningen’).

Gelet op het voornoemde belang bevat dit artikel een opsomming van de vormen van jeugdhulp die de gemeente biedt. Van verschillende van de hier genoemde vormen van jeugdhulp bestaan diverse varianten. Welke variant wordt ingezet zal steeds afhankelijk zijn van de uitkomst van het onderzoek en de betreffende situatie en de specifieke behoeften van de jeugdige en zijn ouders.

2.2.2 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

Eerste lid

Naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp (zie hierna), bestaat ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp (artikel 2.6, eerste lid, onder e, van de Jeugdwet). Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder.

Tweede lid

De huisarts, medisch specialist en jeugdarts moeten in beginsel verwijzen naar een door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. Als de jeugdige of zijn ouders na een verwijzing door de huisarts kiezen voor een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, en de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee zij een contract of subsidierelatie heeft, is de gemeente niet gehouden de andere keuze te vergoeden (Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 3, p. 149). De gemeente bepaalt bij de medische verwijsroute niet welke jeugdhulp moet worden geleverd, maar heeft wel de regie over wie de jeugdhulp verleent (Rb. Oost-Brabant 26 maart 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:1761). De verordening sluit vergoeding van deze kosten in een dergelijke situatie dan ook uit. De jeugdige of zijn ouders kunnen in een situatie als deze wel een pgb aanvragen. Het college zal deze aanvraag dan beoordelen op basis van de aan de verkrijging van een pgb gestelde voorwaarden (zie hoofdstuk 5).

Derde lid

Van dit uitgangspunt kan enkel worden afgeweken als het college heeft ingestemd met de levering van de jeugdhulp door een aanbieder die niet is gecontracteerd of gesubsidieerd. Deze instemming dient voorafgaand aan de zorgverlening schriftelijk te worden verkregen. De gemeente betaalt dan de aanbieder. De instemming van het college is geen automatisme. Er zal sprake moeten zijn van een bijzondere situatie die dit rechtvaardigt en waarbij de jeugdige of zijn ouders geen gebruik kunnen maken van een pgb.

Vijfde lid

In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of de orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of zijn ouders daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2). Op grond van het eerste lid zorgt het college voor de inzet van deze jeugdhulp. Het vijfde lid bepaalt dat de jeugdhulpaanbieder daarbij wel gehouden is aan hetgeen volgt uit de contract- of subsidierelatie met de gemeente. Ook is hij gehouden aan hetgeen volgt uit deze verordening. Dit betekent concreet dat hij zich onder meer houdt aan het beoordelingskader dat in artikel 2.2.4 is voorgeschreven en dat het stappenplan van de CRvB volgt. Ook dient hij zich in beginsel te beperken tot de inzet van individuele voorzieningen die in artikel 2.2.1 zijn opgesomd. Zie ook de algemene toelichting en de toelichting bij artikel 2.2.1. Zo legt de verordening een koppeling tussen de beschikbare vormen van individuele voorzieningen en de toegang via de medische verwijsroute.

2.2.3 Toegang jeugdhulp via de gemeente

Deze en volgende bepalingen regelen de toegang tot jeugdhulp via de gemeente. Dit artikel regelt in algemene zin het toegangs- en besluitvormingsproces en de daaraan verbonden beslistermijnen. De CRvB heeft geoordeeld dat de toegang tot jeugdhulp via de gemeente onderverdeeld kan worden in verschillende “stappen” (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477). Die stappen zijn in dit artikel en in artikel 2.2.4 verdisconteerd en zijn opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het college is daarbij verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en bevoegd om de toegang tot jeugdhulp te verlenen op grond van de wet. In de praktijk zal het college de beslissing over het inzetten van jeugdhulp niet altijd zelf uitvoeren, maar mandateren aan deskundigen.

Eerste tot en met derde lid

Jeugdigen en ouders kunnen bij het college terecht met hun hulpvraag. Terecht kunnen betekent ook dat zij geholpen worden bij het vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouders is. Het college is (mede)verantwoordelijk voor het verkennen of verhelderen van de hulpvraag. Dat kan door het voeren van een of meer gesprekken (zie artikel 2.2.4). Hierbij wordt overeenkomstig de jurisprudentie een zekere medewerking van de jeugdige of de ouders verlangd (CRvB 16 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:276).

Vervolgens wordt op basis van een (geconcretiseerde) aanvraag een besluit genomen op de aanvraag, in overeenstemming met de Awb en de in de wet en de verordening opgenomen beoordelingskaders.

Derde lid

In dit geval wordt in algemene zin tien weken redelijk geacht om een besluit te nemen. Jeugdigen en ouders hebben in beginsel namelijk de gelegenheid om tot twee weken na de aanvraag een familiegroepsplan in te dienen. Dit plan betrekt het college vervolgens bij het onderzoek. Om dit onderzoek zorgvuldig uit te kunnen voeren én het plan hierbij te kunnen betrekken, kan als uitgangspunt worden gehanteerd dat het onderzoek uiterlijk zes weken na ontvangst van de aanvraag uitgevoerd moet zijn. Vervolgens heeft het college dan nog twee weken om de beschikking af te geven. Zodoende wordt een totale doorlooptijd van tien weken redelijk geacht.

Vijfde lid

Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Een individuele voorziening wordt altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking. Deze verplichting vloeit ook voort uit de Awb.

Zesde lid

Deze bepaling regelt de toeleiding naar jeugdhulp in spoedsituaties of crisissituaties. In gevallen waar onmiddellijke start van de hulp nodig is (en het besluit niet kan worden afgewacht) kan het besluit tot inzet van een individuele voorziening genomen worden na de daadwerkelijke start van de hulp. Het besluit tot inzetten van de hulp moet vervolgens binnen 4 weken na de start van de hulp zijn vastgelegd in een beschikking.

2.2.4 Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren

Eerste lid

Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle relevante feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een goed beeld van de jeugdige en zijn ouders en de gezinssituatie te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat er één of meerdere gesprekken gevoerd worden met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger.

Tweede lid

Op grond van artikel 2.5, van de Jeugdwet informeert het college jeugdigen, ouders en pleegouders tijdig over de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon. Ter verduidelijking van deze tijdige informatieverplichting is deze verplichting in het tweede lid opgenomen. Op grond van artikel 4.1.1, van het Besluit Jeugdwet heeft de informatie die het college verstrekt over de mogelijkheid gebruik te maken van de diensten van een vertrouwenspersoon in ieder geval betrekking op:

  • de onafhankelijke rol van de vertrouwenspersoon;

  • de aard van de ondersteuning door een vertrouwenspersoon;

  • de vertrouwelijkheid van die ondersteuning;

  • het feit dat de ondersteuning kosteloos is; en

  • de bereikbaarheid en beschikbaarheid van de vertrouwenspersoon.

Op grond van artikel 2.2.4, van de Wmo 2015, stelt het college onafhankelijke cliëntondersteuning beschikbaar. Op grond van artikel 2.3.2, derde lid, van de Wmo 2015, wijst het college op de mogelijkheid om hier gebruik van te maken. Deze cliëntondersteuning beperkt zich niet tot de Wmo 2015, maar strekt zich onder andere ook uit tot de wet. Daarom is in het tweede lid, ter verduidelijking, deze informatieverplichting opgenomen.

Derde lid

Ouders hebben het recht een zelf (al dan niet met ondersteuning) opgesteld familiegroepsplan in te dienen. Het college betrekt dit plan bij zijn onderzoek. Om dit mogelijk te maken is er een termijn van twee weken gesteld om een familiegroepsplan in te dienen bij het college.

Vierde lid

Het is mogelijk dat een jeugdige of zijn ouders, na het indienen van de aanvraag tot de conclusie komt dat een (verder) onderzoek niet nodig is. Bijvoorbeeld omdat de jeugdige of zijn ouders zelf een oplossing heeft gevonden, of geholpen is met een algemene voorziening. Zij kunnen in dat geval hun aanvraag intrekken, waardoor het college geen besluit meer hoeft te nemen. Om misverstanden te voorkomen wordt dit schriftelijk bevestigd door het college.

Vijfde lid

De wet schept een jeugdhulpplicht voor gemeenten, maar die geldt alleen als de jeugdige en zijn ouders er zelf niet uitkomen. De jeugdhulp is bedoeld om de eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders te versterken en om het gezin en andere mensen die dichtbij de jeugdige staan te leren om de jeugdige (nog) beter te helpen en te verzorgen, zodat de jeugdige gezond en veilig op kan groeien en zo goed mogelijk mee kan doen in de maatschappij (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:2017:1477, rov. 4.3.1.). Een zorgvuldig onderzoek vereist het achtereenvolgens doorlopen van de volgende stappen:

Stap 1 - inventariseer de vraag.

Wat is de jeugdhulpvraag van de jeugdige of zijn ouders? In dit verband moet opgemerkt worden dat uit artikel 1.1, van de wet voortvloeit dat jeugdhulp niet alleen de hulp aan de jeugdige is, maar ook dat de ouder zelf in aanmerking kan komen voor jeugdhulp. Hierbij wordt ook nadrukkelijk gekeken naar hoe de situatie is ontstaan waarom de jeugdige of zijn ouders nu een beroep doen op de gemeente.

Stap 2 - breng de onderliggende problematiek minutieus in kaart leg dat vast.

Welke opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen zijn er? Bij deze stap in het onderzoek wordt nadrukkelijk ook beoogd om de oorzaken van de waargenomen problematiek in de context van de systeem- en gezinsdynamiek in kaart te brengen.

Stap 3 - stel de aard en de omvang van de noodzakelijke hulp vast.

De vraag of hulp noodzakelijk is en zo ja, met welke omvang moet, met inachtneming van de bevindingen uit de eerste twee stappen, worden beantwoord op een wijze die rekening houdt met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige, alsmede (zoveel mogelijk) met de godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, met als doelstelling dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien, dat hij kan groeien naar zelfstandigheid en dat hij voldoende zelfredzaam kan zijn en maatschappelijk kan participeren.

Stap 4 - kijk wat de discrepantie tussen noodzaak en eigen kracht is.

Onderzoek naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk en of de op basis van de eerste drie stappen als noodzakelijk bepaalde hulp hiermee al dan niet volledig kan worden ondervangen. Anders gezegd: het bepalen van de mate waarin de eigen kracht toereikend is. De stappen 1 tot en met 3 bouwen als het ware de jeugdhulpplicht eerst op tot een bepaald maximum. Stap 4 verkleint deze vervolgens weer, eventueel zelfs tot nul.

Stap 5 - stel vast welke voorziening de geconstateerde discrepantie adequaat oplost.

Het is deze discrepantie tussen zorgvuldig geïnventariseerde noodzaak en eigen kracht die uiteindelijk de jeugdhulpplicht concretiseert, welke op het college rust.

Ten aanzien van de afstemmingsplicht in lid 5 onderdeel e valt te denken aan een voorziening die een jeugdige ontvangt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015), Wet langdurige zorg (hierna: Wlz) of de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) en een voorziening op het gebied van passend onderwijs (artikel 27 e.v.).

Zesde lid

Als de jeugdige of zijn ouder(s) een familiegroepsplan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord. Hiermee wordt artikel 12, van het Verdrag inzake de rechten van het kind in acht genomen. Op grond van de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst mogen jeugdigen vanaf 16 jaar over de eigen behandeling een beslissing nemen en is het mede afhankelijk van de wens van de jongere of de ouders al dan niet geïnformeerd mogen worden door de behandelaar.

2.2.4.1 Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming

Het college is op grond van artikel, 2.3 eerste lid, van de Jeugdwet verantwoordelijk voor het waarborgen van een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen jeugdhulpvoorziening. Voor iedere stap in artikel 2.2.4.1 geldt dat het college de deskundigheid inzet die nodig is om de stap goed af te kunnen ronden. Ook kan (medisch) advies worden ingezet om bepaalde medische stukken te laten beoordelen. Als dit noodzakelijk is voor het onderzoek, zal de jeugdige of zijn ouder(s) hier aan mee moeten werken, omdat anders niet vastgesteld kan worden hoe een hulpvraag opgelost kan worden. De verschillende stadia van onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid.

In artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet is nader uitgewerkt dat het gaat om relevante deskundigheid met betrekking tot:

  • opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen;

  • opvoedingssituaties waardoor jeugdigen mogelijk in hun ontwikkeling worden bedreigd;

  • taal- en leerproblemen;

  • somatische aandoeningen;

  • lichamelijke of verstandelijke beperkingen; en

  • kindermishandeling en huiselijk geweld.

Het college moet ervoor zorgen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager. De rechtspraak over de wet vereist dat adviseurs beschikken over de voor het uitbrengen van hun adviezen noodzakelijke deskundigheid en dat dit vereiste wordt vastgelegd in de verordening (CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1097, rov. 4.9 (slot)). Daartoe bepaalt artikel 6, tweede lid, van de verordening dat adviezen worden uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd, een registratie bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen, of een registratie op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register. Daarmee is vastgesteld welke vakbekwaamheid van hen verwacht mag worden en is gezekerd dat de (eindverantwoordelijke) adviseur zich toetsbaar opstelt. Geregistreerden in de betreffende registers vallen namelijk onder het tuchtrecht.

Het derde lid waarborgt de zorgvuldige voorbereiding van besluiten over de toekenning of afwijzing van jeugdhulp, door te bepalen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp uitvoert, niet ook adviseert en/of besluit over het al dan niet toekennen van jeugdhulp (vergelijk CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1096, rov. 4.11). Daarnaast blijft het college – in het kader van een zorgvuldige voorbereiding van het besluit – ook altijd verplicht om zich ervan te vergewissen of het advies concludent is, dat wil zeggen of inzichtelijk is op grond van welke vormen van onderzoek en op basis van welke gegevens de adviseur tot zijn bevindingen is gekomen, of de gegevens actueel en betrouwbaar zijn, of het onderzoek volledig is geweest en met de juiste deskundigheid is uitgevoerd en of de uit het onderzoek getrokken conclusies logisch voortvloeien uit het onderzoek.

2.2.4.2 Identificatie

Het college is verplicht de identiteit vast te stellen van de jeugdige en zijn ouders. Dit is noodzakelijk ten behoeve van het vast te stellen van de rechtmatigheid: komt de eventuele inzet van jeugdhulp bij de juiste persoon terecht. Deze bepaling voorziet hierin.

2.2.4.3 Verslag

In het kader van het onderzoek naar aanleiding van een hulpvraag, vindt een gesprek plaats. De bevindingen van het onderzoek en hetgeen in het gesprek aan de orde is gekomen, worden vastgelegd in een verslag. De jeugdige en zijn ouders krijgen daarbij de gelegenheid om eventuele opmerkingen of aanvullingen aan het verslag toe te voegen, voordat het college dit verslag gebruikt als basis voor haar besluitvorming. Vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid vergewist het college zich ervan dat de jeugdige en diens ouders de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek, zoals neergelegd in het verslag, hebben begrepen.

Meppel kiest ervoor om een vormvrije aanvraag in behandeling te nemen vanaf datum van de melding. De melding (die als aanvraag geldt) wordt gaandeweg het onderzoek verder geconcretiseerd in het verslag. Als het verslag is toegestuurd aan de aanvrager en hij retourneert het met opmerkingen is het voor aanvrager en college duidelijk wat de hulpvraag is en wat de aangevraagde voorziening is. Vanwege deze werkwijze sturen we ook een beschikking als de conclusie van het onderzoek is als de aanvrager met een algemene voorziening in zijn hulpvraag kan voorzien. Zo blijft het telkens voor iedereen helder wanneer de aanvraagprocedure is geëindigd.

2.2.5 Criteria voor toekenning van een individuele voorziening

In artikel 2.9, aanhef en onder a, van de Jeugdwet is onder meer bepaald dat de raad bij verordening regels moet stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Daaraan is onder andere in dit artikel uitvoering gegeven, met de kanttekening dat het bij het verstrekken van een individuele voorziening altijd op maatwerk aankomt.

Eerste lid

Het eerste lid bevat de algemene beoordelingscriteria om in aanmerking te komen voor een individuele voorziening op grond van de wet. Deze criteria worden in volgende leden en artikelen verder uitgewerkt.

Tweede lid

Jeugdhulp is in artikel 1.1, van de Jeugdwet gedefinieerd. Met deze definitie wordt de taak van de gemeente in algemene zin afgebakend. Niet alle hulp en zorg, bevordering van deelname aan het maatschappelijk verkeer en ondersteuning bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging ten behoeve van een jeugdige valt onder de definitie van jeugdhulp. Om onder jeugdhulp te vallen moet er een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking aan de behoefte ten grondslag liggen. Deze bepaling maakt duidelijk dat de gemeente niet verantwoordelijk is voor het bieden van hulp en ondersteuning op grond van de wet als de noodzaak van die hulp en ondersteuning van de jeugdige past bij het normale ontwikkelingspatroon van die jeugdige, gezien zijn leeftijd. Dit betekent dat er bijvoorbeeld geen individuele voorziening voor het voeden van een baby wordt verstrekt.

Om te bepalen welke hulp en ondersteuning niet geboden hoeft te worden vindt een beoordeling plaats op basis van de uitgangspunten in artikel 2.2.5.2.

Derde en vierde lid

Inzet van een individuele voorziening vormt een laatste vangnet. Eerst wordt gekeken naar de mogelijkheid om de noodzaak voor de inzet van jeugdhulp te verminderen of weg te nemen met een andere of overige voorziening. Voorwaarde is wel dat deze voorziening daadwerkelijk beschikbaar is en passend en toereikend is voor de hulpvraag. Een andere of overige voorziening waarvoor bijvoorbeeld een wachtlijst geldt terwijl de hulp aan de jeugdige niet kan wachten, is geen voorziening die aan deze criteria voldoet. Omgekeerd, als de jeugdige wel even kan wachten voordat hij daadwerkelijk van de voorziening gebruik kan maken, dan voldoet de voorziening wel aan deze criteria.

Als er wel een individuele voorziening nodig is, dan kiest het college de goedkoopst adequate voorziening. Ook dan is van belang dat de jeugdige hier voor hem tijdig gebruik van kan maken. Dit betreft een individuele beoordeling van de situatie van de jeugdige en het gezin.

Vijfde en zesde lid

Het vijfde en zesde lid sluiten aan bij de rechtspraak waarin is geoordeeld dat een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen, door het college geweigerd kan worden als deze geen toegevoegde waarde heeft ten opzichte van beschikbare voorzieningen (bijv. CRvB 12 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2785 en CRvB 26 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:254). Het college zal bij de weigering van een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen moeten motiveren waarom in die specifieke situatie een andere oplossing passender of eveneens passend is. Bij toepassing van deze bepaling kan het college gebruik maken van de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut (https://www.nji.nl/interventies), de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden (https://www.ggzstandaarden.nl/), de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg) en […].

Het college kan in beleid regelen welke vormen van jeugdhulp zij aantoonbaar niet effectief acht. Het college kan daarbij gebruik maken van de door de praktijk opgestelde zogenaamde ‘niet doen-lijst’ die in het kader van de Hervormingsagenda Jeugd zal worden gepubliceerd.

Zevende en achtste lid

Een opgave van de Hervormingsagenda 2023-2028 is dat de jeugdhulp beschikbaar moet zijn voor jeugdigen en gezinnen in de meest kwetsbare situaties. Er is geconstateerd dat deze groep nu onvoldoende passende jeugdhulp ontvangt. De Hervormingsagenda presenteert als onderdeel van de oplossing dat het voor jeugdigen en hun ouders helder moet zijn waarvoor ze in het kader van jeugdhulp bij de overheid terecht kunnen en waarvoor niet. Niet elke hulpvraag behoeft een zorgantwoord. Het moet duidelijker worden wat jeugdhulp precies inhoudt en wat binnen de huidige wettelijke kaders onder jeugdhulp moet vallen en wat niet.

In deze bepaling wordt als uitgangspunt genomen dat de gemeente op basis van de wet louter aan zet is als er sprake is van een hulpvraag als bedoeld in de wet. Als er problemen zijn binnen een gezin, die met name bij de ouders liggen, zonder dat er een hulpvraag is vanuit het kind, is er geen verplichting om jeugdhulp te verstrekken. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin ouders zich in een vechtscheiding bevinden en niet bereid zijn het gedrag aan te passen ten behoeve van de jeugdige, of geldproblemen binnen het gezin die direct effect hebben op de jeugdige en waar ouders via een andere weg dan de jeugdhulp deze geldproblemen kunnen verminderen. In die situatie is jeugdhulp mogelijk minder doelmatig dan een alternatieve optie zoals lotgenotencontact (bij een vechtscheiding) of schuldhulpverlening bij geldproblemen. In het achtste lid wordt dit uitgangspunt genuanceerd in die zin dat als er sprake is van meervoudige problematiek in de context van het kind en gezin, en binnen die problematiek speelt ook een hulpvraag, de gemeente op grond van de wet dan wel verplicht is jeugdhulp te verstrekken. Deze bepalingen dwingen het college om bij problemen in de context van het gezin niet als automatisme jeugdhulp te verstrekken, maar om zich goed af te vragen of er daadwerkelijk sprake is van een hulpvraag en er sprake is van een jeugdhulpplicht.

2.2.5.1 Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen

Algemeen

Artikel 2.3 van de Jeugdwet legt als uitgangspunt vast dat het college op grond van de wet alleen een voorziening moet treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij zelf – zo nodig met hulp van het sociale netwerk en/of andere hulpverlenende instellingen – niet in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, moet de gemeente hulp bieden. Dit uitgangspunt wordt in artikel 2.2.5.1 geconcretiseerd.

De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf. Van ouders mag worden verwacht dat zij de nodige aanpassingen doen om de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen te realiseren. Dat kan betekenen dat zij hun eigen loopbaanplannen, de wijze waarop zij hun betaalde arbeid hebben georganiseerd of hun financiële situatie moeten bijstellen om voor het kind beschikbaar te zijn en de noodzakelijke hulp te bieden. Als uit zorgvuldig uitgevoerd onderzoek blijkt dat de noodzakelijke hulp met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen kan worden geboden, hoeft het college geen voorziening te treffen. Ouders behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft. Ook bovengebruikelijke hulp kan in beginsel van ouders worden verwacht, zo blijkt uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. Deze oordeelde dat de ouder, die haar baan had opgezegd in verband met de zorg voor haar kind, de zorg aankon en verleende en het dus van haar mocht worden verwacht. Er was sprake van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (CRvB 17 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362).

De in de wet bedoelde maatstaven eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de ouder(s) bieden geen ruimte voor een beoordeling van de financiële draagkracht van een gezin om zelf jeugdhulp te kunnen verlenen (CRVB 26 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1326). Dit laat onverlet dat het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen wel door de Centrale Raad in de beoordeling wordt betrokken.

Bij gescheiden ouders geldt als uitgangspunt dat beide ouders met gezag verantwoordelijk zijn voor het bieden van ondersteuning. Ook stiefouders zijn verantwoordelijk voor het bieden van ondersteuning aan tot het gezin behorende (stief)kinderen.

Ook uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 2.3 van de Jeugdwet volgt dat het college alleen gehouden is een voorziening te treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij er zelf niet uitkomen, moet de gemeente hulp bieden. De wetgever formuleert het als volgt:

(…) Allereerst is het college niet gehouden om voor een jeugdige of zijn ouders een voorziening op het gebied van jeugdhulp te treffen voor zover de jeugdige en zijn ouders de problemen zelf het hoofd kunnen bieden, eventueel met behulp van personen uit het sociale netwerk of andere instellingen die ondersteuning bieden. Om dit buiten twijfel te stellen is in het eerste lid opgenomen dat een gemeente alleen een voorziening hoeft te treffen voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouder ontoereikend zijn. Dit zou ook strijdig zijn met het uitgangspunten van artikel 2.1, waarbij ervan uit wordt gegaan dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt en waarin tot uitdrukking komt dat moet worden uitgegaan van de eigen kracht van de jeugdige, zijn ouders en het sociale netwerk. Hierbij past een actieve rol van de ouders en het kind om in eerste instantie te trachten de op hun weg komende problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk op lossen. (…) Als de jeugdige en zijn ouders zelf mogelijkheden hebben om de problemen op te lossen of het hoofd te bieden, is een voorziening niet nodig (…)” (Kamerstukken II, 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 135-136).

Eerste lid

Het eerste lid van artikel 2.2.5.1 geeft invulling aan de hiervoor geformuleerde uitgangspunten. Daarbij wordt een ruime beoordelingsruimte aan het college toegekend. Het college maakt in de individuele situatie een beoordeling van de mogelijkheden en neemt daarbij de geformuleerde uitgangspunten als basis.

Tweede lid

Het tweede lid geeft nader invulling aan welke personen tot het sociale netwerk van de jeugdige of zijn ouders gerekend worden. Het college zal concreet moeten beoordelen welke hulp zij kunnen bieden, waardoor er geen of in mindere mate een beroep gedaan hoeft te worden op een individuele voorziening. De jeugdige en de ouder(s) verlenen, op grond van hun medewerkingsplicht, medewerking aan dit onderzoek.

Als het gaat om intieme persoonlijke verzorging aan oudere kinderen is hulp hierbij door het sociaal netwerk niet altijd passend. Wanneer een kind (of het netwerk) niet wil dat deze hulp door het netwerk wordt uitgevoerd, is het netwerk niet beschikbaar voor deze hulp en wordt een andere oplossing gezocht.

Derde lid

Het derde lid bevat een concrete plicht van ouders om hun eigen mogelijkheden eerst te benutten. Op het moment dat ouders een aanvullende verzekering hebben afgesloten op basis waarvan zij (al dan niet gedeeltelijk) recht hebben op hulp (gefinancierd) vanuit de verzekeraar, dan moeten zij daar eerst gebruik van maken. Het gaat hierbij om een al afgesloten verzekering. Het derde lid verplicht ouders niet tot het afsluiten van een aanvullende verzekering, zodat zij daar vervolgens een beroep op zouden kunnen doen.

Vierde lid

De inzet van ‘eigen mogelijkheden’ is het uitgangspunt bij de uitvoering van de Jeugdwet. De in het Burgerlijk Wetboek (in de artikelen 1:82 en 1:247 BW) verankerde eigen verantwoordelijkheid van ouders en de jeugdige om problemen op te lossen, staat voorop. Daarbij geldt dat het aan ouders is om de tot hun gezin behorende minderjarig kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Als de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend zijn, wordt geen individuele voorziening verstrekt, zo bepaalt het eerste lid.

Het vierde lid bevat de normerende hoofdrichting van de betekenis die de gemeenteraad wenst toe te kennen aan de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen. In het vierde lid wordt uitgewerkt met welke factoren rekening wordt gehouden bij het bepalen van de eigen mogelijkheden, waaronder de draagkracht en belastbaarheid van de ouders. Deze factoren sluiten aan bij bestaande rechtspraak.

Het onderzoek naar aanleiding van de hulpvraag wordt uitgevoerd op de in artikel 2.2.4, vijfde lid, van de verordening beschreven wijze. Bezien wordt daarbij of noodzakelijke hulp door de ouder zelf geboden kan worden. Het college neemt daarbij indachtig het bepaalde in de artikelen 1:82 en 1:247 BW in aanmerking dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en jeugdigen zelf ligt en dat deze hulp in uitgangspunt ook geleverd kan worden. Uit onderzoek kan blijken dat dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en de ouder(s) tekortschieten, bijvoorbeeld omdat sprake is van:

  • a.

    geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden;

  • b.

    een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden;

  • c.

    overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven. Onderzocht moet worden welke mogelijkheden de ouder(s) hebben (heeft) om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Onder andere mag verwacht worden dat zij bereid zijn maatschappelijke activiteiten te beperken en betaalde arbeid aan te passen om zo de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen.

Vijfde lid

Op de in artikel 5, vijfde lid, van de verordening beschreven wijze moet onderzocht worden of er aanleiding is om aan te nemen dat de hulp die de jeugdige behoeft, in een concreet geval niet door de ouder(s) geleverd kan worden. Daarmee wordt het noodzakelijke verband tussen de beoordeling van de hulpvraag en de eigen mogelijkheden met de toekenningscriteria gelegd. Als blijkt dat de draagkracht van het gezin de draaglast aankan is er geen noodzaak voor het college om een voorziening op basis van de wet toe te kennen. Dat is dus ook niet het geval als de jeugdhulp is aan te merken als bovengebruikelijke hulp. Als de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht en duidelijk is dat het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en het sociale netwerk onvoldoende is om de noodzakelijke hulp te verlenen, dient de gemeente een voorziening te treffen. Van belang daarbij is dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of de noodzakelijke hulp door de ouders kan worden geleverd. Bij het onderzoek ter beantwoording van die vraag moet worden stilgestaan bij het onderscheid tussen onmacht en eventuele onwil of opvattingen over de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen.

2.2.5.2 Richtlijnen gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp

In dit artikel wordt beschreven welke hulp wordt gezien als gebruikelijk en welke hulp als bovengebruikelijk. Daarnaast bepaalt dit artikel dat tot 5 uur aan bovengebruikelijke hulp per week binnen het probleemoplossingsvermogen van de ouders vallen.

2.2.5.3 Hulp tijdens onderwijs

In artikel wordt verduidelijkt dat in voorkomende gevallen ook jeugdhulp op school ingezet kan worden. Dit is met name het geval bij onderwijs-zorgarrangementen.

Artikel 12. Dyslexie

Uit de parlementaire geschiedenis en rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat de behandeling van ernstige dyslexie onder de wet valt, met dien verstande dat de wetgever bij de overheveling van de dyslexiezorg van de Zorgverzekeringswet naar de wet niet een ruimer of ander bereik van dyslexiezorg heeft beoogd. Hieruit volgt dat het college op grond van artikel 2.3, van de wet enkel verplicht is dyslexiezorg te verlenen als sprake is van de diagnose ED (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 50, 104 en 118; CRvB 24 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3454; CRvB 22 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1345; en CRvB 17 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1430).

2.2.6 Regels voor een individuele jeugdhulpvoorziening in de vorm van een pgb

Eerste lid

Wanneer een jeugdige of zijn ouders naar aanleiding van het onderzoek in aanmerking komt voor een individuele voorziening, en de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger vervolgens aangeeft deze in de vorm van een pgb geleverd te willen hebben, is aan dit verzoek een aantal eisen verbonden. In het eerste lid wordt bepaald wat er in het pgb-plan dient te zijn opgenomen.

Uit de motivering in het pgb-plan moet duidelijk blijken dat men zelf de regie kan voeren, hoe men dit gaat doen en waarom men een pgb wil in plaats van gebruik te maken van het aanbod dat de gemeente heeft voor zorg in natura. Ook moet onderbouwd worden dat de beoogde voorziening van voldoende kwaliteit is. Van belang is of de motivering doordacht en houdbaar is en verband houdt met de rechten, verplichtingen en vrijheden die een pgb met zich meebrengt. Het pgb-plan moet zijn van voorzien van een motivatie waarom is voldaan aan de 10 punten van pgb-vaardigheid als benoemd in artikel 2.2.6.2 van de verordening. Verder moet uit het pgb-plan blijken welke kosten er aan de inhuur van de beoogde uitvoerder van de jeugdhulp verbonden zijn.

Tweede lid

De in het tweede lid van dit artikel opgenomen voorwaarden concretiseren de wettelijke verleningsvoorwaarden die staan in artikel 8.1.1, tweede lid, van de Jeugdwet. In de wet zijn de voorwaarden voor het verstrekken van een pgb in het kort als volgt geformuleerd:

  • a.

    de jeugdige of zijn ouders zijn op eigen kracht of met gekwalificeerde hulp voldoende in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, en in staat de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;

  • b.

    de jeugdige of zijn ouders stellen zich gemotiveerd op het standpunt dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een gecontracteerde aanbieder, niet passend achten; en

  • c.

    de individuele voorziening die men in wil kopen is van goede kwaliteit.

Derde lid

In het derde lid wordt niet limitatief geregeld wanneer een pgb niet wordt verstrekt omdat er twijfels zijn met betrekking tot de integriteit van de beoogde uitvoerder van de jeugdhulp. Deze gronden hebben betrekking op omstandigheden die tot de conclusie leiden dat niet aan de voorwaarden van artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet is voldaan, in het bijzonder dat de kwaliteit voldoende zal zijn geborgd. De gronden zien op de betrouwbaarheid van de pgb-aanbieder. Als deze twijfelachtig is, heeft het college ruimte om geen pgb te verstrekken omdat in die situatie niet geborgd kan worden dat de kwaliteit van de zorg van voldoende kwaliteit is. Daarmee wordt niet voldaan aan een van de verleningsvoorwaarden als bedoeld in artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet.

Vierde lid

Een pgb wordt geweigerd als er een wettelijke weigeringsgrond van toepassing is. Dit is imperatief geformuleerd omdat het van groot belang is dat jeugdhulp in de vorm van een pgb, evenals jeugdhulp in de vorm van zorg in natura waarvoor in artikel 4.1.1, eerste lid, van de Jeugdwet al eisen zijn gesteld, op een verantwoorde manier wordt verleend: ‘waaronder wordt verstaan hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder’.

2.2.6.2 Pgb-vaardigheid

Eerste lid

Om in aanmerking te komen voor een pgb moet een budgethouder of budgetbeheerder in staat zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, en in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren (artikel 8.1.1, tweede lid, van de Jeugdwet).

Het gaat daarbij om de vraag of de budgethouder (en/of met een vertegenwoordiger: de budgetbeheerder) voldoende zelfstandig beslissingen kan nemen over de ondersteuning en de financiering daarvan. De bekwaamheid voor het hebben van een pgb wordt in samenspraak met de aanvrager getoetst, het oordeel van het college is hierin leidend. Mocht het college van oordeel zijn dat de persoon niet bekwaam is voor het houden of beheren van een pgb, dan weigert het college de aanvraag voor het pgb.

Een goed beheer van een toegekend pgb vraagt volgens een in opdracht van het Ministerie van VWS opgesteld rapport om de volgende vaardigheden en basisvoorwaarden (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-833053.pdf):

  • 1.

    Aanvragen van de ondersteuning (inclusief formuleren ondersteunings-, cq. zorgvraag);

  • 2.

    Inkopen van de zorg/aansturen van de zorg (ook als de ondersteuningsvraag wijzigt);

  • 3.

    Goed werkgeverschap;

  • 4.

    Coördinatie van zorgverleners en betrokkenheid familie en mantelzorg;

  • 5.

    Voeren van een administratie;

  • 6.

    Verantwoording afleggen en contact met de gemeente; en

  • 7.

    In algemene zin taalvaardig in de Nederlandse taal en ICT vaardig.

Deze taken dienen als basis om op basis van een pgb-plan de benodigde kennis en vaardigheden van de cliënt vast te stellen. Deze taken zijn door VWS uitgewerkt in het document ‘10 punten pgb-vaardigheid’ (https://open.overheid.nl/documenten/ronl-277e25d6-4c27-4356-8950-2f1e9f27e89b/pdf). In deze bepaling wordt daarbij aangesloten. Daarbij wordt in aanvulling op het belang van de beheersing van de Nederlandse taal gewezen op artikel 2:6, van de Awb, waaruit volgt dat er in de Nederlandse taal met bestuursorganen wordt gecommuniceerd.

Mocht de cliënt, die zelf niet over deze vaardigheden beschikt, alsnog een pgb wensen, dan dient er een vertegenwoordiger te zijn die de aan het pgb verbonden taken kan uitvoeren (de budgetbeheerder). Ook de budgetbeheerder dient te voldoen aan de gestelde eisen en wordt eveneens getoetst op de genoemde aspecten.

Tweede lid

In het tweede lid wordt uitgewerkt onder welke omstandigheden de budgethouder of een budgetbeheerder niet in staat wordt geacht de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Deze omstandigheden geven het signaal aan de beoordelaar van de aanvraag van het pgb dat dóór de omstandigheden, de budgethouder niet in staat wordt geacht zelf een pgb te kunnen beheren. In de afwijzende beschikking dient deze beoordeling per geval goed onderbouwd en gemotiveerd te worden. Van een categorale uitsluiting is derhalve geen sprake.

  • 1.

    Problematische schuldenproblematiek: Problematische schuldenproblematiek maakt de kans groot en aannemelijk dat de budgethouder of budgetbeheerder voor het beheren van een pgb belangrijke financiële vaardigheden en verantwoordelijkheden ontbeert. Het is daarom niet wenselijk dat deze persoon, zolang hij zijn financiële zaken niet goed en zelfstandig op orde heeft, een pgb beheert.

    Signalen die kunnen wijzen op problematische schulden zijn bijvoorbeeld dat de budgethouder of budgetbeheerder zelf aangeeft dat er verwijtbare schulden zijn, in de schuldhulpverlening of schuldsanering zit, onder bewind staat, dan wel een indicatie heeft gekregen voor het resultaatgebied ‘Financiën’.

    Voor de definitie van problematische schulden wordt verwezen naar de definitie zoals deze door NVVK wordt gehanteerd. Er is volgens deze definitie sprake van problematische schulden als sprake is van de situatie waarin te voorzien is dat een natuurlijke persoon schulden niet zal kunnen blijven afbetalen of is gestopt met afbetalen.

  • 2.

    Ernstige verslavingsproblematiek: Ernstige verslavingsproblematiek bij een budgethouder of budgetbeheerder maakt dat deze vanwege de verslaving niet in staat is regie te voeren over zijn eigen leven, laat staan over een pgb. Ook de omstandigheid van een problematische ex-verslaving of de omstandigheid dat de budgethouder of budgetbeheerder bezig is de verslaving de baas te worden maakt dat deze persoon minder in staat geacht wordt om regie te voeren over zijn eigen leven, of over een pgb. Bij vermoedens van ernstige verslaving kan daar in het onderzoek nader onderzoek naar gedaan worden, bijvoorbeeld door het opvragen van een medische verklaring dan wel inschakeling van het verslavingsteam, consultatie- en diagnoseteam, hierna: CDT of expertiseteam jeugd. Signalen die kunnen wijzen op verslavingsproblematiek bij budgethouder of budgetbeheerder, zijn bijvoorbeeld dat dit onderdeel is van de melding en uit het onderzoek komt, of dat cliënt verslaving gerelateerd gedrag vertoont.

  • 3.

    Aangetoonde fraude begaan in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag: Wanneer budgethouder of budgetbeheerder eerder frauduleus heeft gehandeld, op welk terrein dan ook, is het aannemelijk dat de verleidingsrisico’s bij het verstrekken van een pgb te groot zijn. Dit geldt te meer als budgethouder of budgetbeheerder, dan wel het bedrijf waar de vertegenwoordiger werkt, dan wel de beoogde pgb-aanbieder, eerder betrokken is geweest bij pgb-fraude.

  • 4.

    Een aanmerkelijke verstandelijke beperking: Een indicatie voor een verstandelijke beperking is een laag of zeer laag IQ. Tevens zijn er beperkingen in de sociale aanpassing die - zonder ondersteuning - participatie in de weg staan. Er is vaak sprake van moeite met concentratie en aandacht en een laag zelfbeeld; soms zijn er bijkomende lichamelijke problemen dan wel een kwetsbare gezondheid.

  • 5.

    Een ernstig psychiatrisch ziektebeeld: Bij GGZ-problematiek die in ernstige mate aanwezig is, is de kans groot dat het vrijwel onmogelijk is voor de budgethouder of budgetbeheerder om op stabiele en consistente wijze de regie te kunnen voeren over een pgb. Met name de beoordeling of de geleverde zorg doeltreffend en professioneel is, zal ingewikkeld zijn. Dat maakt dat er een verhoogd risico is op niet wenselijke afhankelijkheidsrelaties tussen de budgethouder of budgetbeheerder en de pgb-aanbieder. Een aanbod van ZIN past vaak beter in het zorgbelang van de cliënt.

  • 6.

    Vastgestelde blijvende cognitieve stoornis: Wanneer een budgethouder of budgetbeheerder een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis heeft, is het aannemelijk dat cliënt daarmee de regie over zijn leven niet in de hand heeft. Voorbeelden van blijvende cognitieve stoornissen zijn de diverse vormen van dementie, de gevolgen van ander niet-aangeboren hersenletsel.

  • 7.

    Het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal, in woord en geschrift: Het beheren van een pgb is niet mogelijk wanneer budgethouder of budgetbeheerder de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Het voldoende kunnen begrijpen, en daarmee kunnen lezen, van alle voorwaarden en eisen ten aanzien van een pgb, is niet mogelijk bij een onvoldoende beheersing van het Nederlands. Ook het opstellen en afsluiten van bijvoorbeeld zorgovereenkomsten, is dan buiten bereik. Hiervan afgeleid kan tevens worden gesteld dat men voldoende kennis dient te hebben van de Nederlandse samenleving, zodat men bijvoorbeeld de vraag kan beantwoorden wat de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB) is en doet in relatie tot het pgb.

2.2.6.3 Onderscheid formele en informele hulp

Voor de bepaling van het pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. Voor formele hulp geldt het hogere pgb-tarief en voor informele hulp geldt het lagere tarief op basis van het wettelijk minimumloon. Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet(Zvw) wordt gehanteerd.

Eerste en tweede lid

Van formele hulp is, kortweg, sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep en volgens professionele standaarden. De hulp wordt dan verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige jeugdhulpverlener (ZZP-er), die onder toezicht staat van de in de wet aangewezen inspecties. Van formele hulp is ook sprake als de hulpverlener een BIG of SKJ-registratie heeft. Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener een bloed- of aanverwant is in de 1e of 2e graad (o.a. (groot)ouders, broers, zussen en (adoptie)kinderen). Bij hulpverlening door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad, is altijd sprake van informele hulp. In de praktijk gaat het dan om personen uit het sociale netwerk. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in lid 1 van deze bepaling; dan nog wordt hulp van deze bloed- of aanverwant in het kader van deze verordening als informele hulp beschouwd. De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief.

Professionals die hulp verlenen – ook vanuit een pgb – moeten geregistreerd zijn in het SKJ of BIG. Dat is een kwaliteitseis voor jeugdhulpverleners. De inspectie controleert de kwaliteit van jeugdhulpverleners. Ook als het gaat om hulpverleners die ingekocht worden met een pgb.

Een voorwaarde voor toekennen van een pgb is dat de hulpverlening die ingekocht wordt van goede kwaliteit is. Hiervoor gelden de kwaliteitseisen uit de wet. Eén van deze eisen is de verplichte registratie (artikel 4.1.6, vijfde lid, van de wet en paragraaf 5.1, van het Besluit Jeugdwet). Professionele hulpverleners die via een pgb hulpverlenen moeten dus in beginsel geregistreerd zijn, in het SKJ of BIG (register voor beroepen in de individuele gezondheidszorg).

In bijzondere situaties kan de hulp verleend worden door een professional die niet geregistreerd is. De gemeente mag de hulp alleen door deze niet-geregistreerde professionals laten uitvoeren, als aannemelijk gemaakt kan worden dat de kwaliteit van de uit te voeren taak daardoor niet nadelig wordt beïnvloed (zie artikel 5.1.1, tweede lid, Besluit Jeugdwet). Let op: het gaat hier dan echt om een uitzondering op de hoofdregel dat de professional moet zijn geregistreerd.

Derde en vierde lid

Informele hulp is derhalve alle hulp die geboden wordt door bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad, of door personen die niet beroeps- of bedrijfsmatig jeugdhulp verlenen. In de praktijk gaat het dan eigenlijk altijd om personen uit het sociale netwerk.

Bloedverwanten

Bloedverwantschap ontstaat door:

geboorte;

afstamming van dezelfde voorvader;

erkenning;

gerechtelijke vaststelling van het vaderschap;

adoptie.

Bloedverwanten zijn in de:

Eerste graad:

(adoptie)ouders;

(adoptie)kinderen.

Tweede graad:

grootouders;

kleinkinderen;

broers en zussen.

2.2.6.4 Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb

Om te waarborgen dat jeugdhulp in de vorm van een pgb, evenals jeugdhulp in de vorm van zorg in natura, op een verantwoorde manier wordt verleend zijn in deze bepaling kwaliteitseisen uitgewerkt. Dit moet ervoor zorgen dat de jeugdhulp van goed niveau is en in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder.

2.2.6.5 Hoogte pgb

Eerste lid

In de verordening moet in ieder geval worden bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld (artikel 2.9, onderdeel c, van de wet). Daarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn om de benodigde hulp in te kunnen kopen. Ook als de hulp wordt betrokken van het sociale netwerk.

De essentialia van het voorzieningenpakket moeten in de verordening worden vastgelegd. Dit volgt onder andere uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 17 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1803). Deze uitspraak betrof weliswaar de Wmo 2015, maar hetgeen in rechtsoverweging 4.5 is van gelijke toepassing op de wet (zie Rb. Noord-Nederland 28 maart 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:1092).

Er wordt onderscheid gemaakt tussen een tarief voor formele hulp en een tarief voor informele hulp. Voor formele hulp gelden hogere pgb-tarieven en voor informele hulp geldt een lager tarief, dat in ieder geval hoger is dan het minimumloon. Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt gehanteerd. Daarmee wordt rekening gehouden met de aanvullende kosten die formele aanbieders moeten maken om aan de kwaliteitseisen die op hen van toepassing zijn te kunnen voldoen.

De tarieven voor formele hulp zijn afgeleid van de tarieven zorg-in-natura. Voor formele hulp door kleine aanbieders, in elk geval zzp-ers, wordt een lager tarief gehanteerd. Het tarief voor een dergelijke zorgaanbieder is lager vanwege een lager opslagpercentage voor overheadkosten waarmee is gerekend. In de praktijk hebben deze organisaties vaak lage overheadkosten en een hogere productiviteit als gevolg van minder beleidsmatige activiteiten en of zeer beperkt vast personeel.

In deze verordening is het pgb-tarief voor informele hulp gebaseerd op 45 procent het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura. De jeugdige of ouder kan daarmee te allen tijde aan zijn arbeidsrechtelijke verplichtingen voldoen.

Tweede lid

Als uit het budgetplan blijkt dat de hulp voor formele hulp voor een lager tarief ingekocht kan worden dan genoemde tarieven voor formele hulp, dan mag uitgegaan worden van dit lagere tarief.

Derde en vierde lid

De pgb-tarieven worden met het oog op de kenbaarheid vastgesteld door het college in nadere regels.

2.2.6.6 Uitgesloten van pgb

Niet alle kosten die worden gemaakt in het kader van de inkoop van jeugdhulp vanuit een pgb komen voor vergoeding vanuit het pgb in aanmerking. Deze kosten worden in artikel 21 opgesomd.

Een pgb is niet mogelijk voor de betaling van een persoon of organisatie die de jeugdige of ouder(s) helpt met het beheer van het pgb. Een vertegenwoordiger wordt derhalve niet betaald vanuit het pgb. Ook kosten als administratiekosten, intakekosten, bemiddelingskosten, worden niet vanuit het pgb betaald. Mochten dergelijke kosten zich voordoen, dan is de jeugdige of zijn ouder hier zelf verantwoordelijk voor aangezien hijzelf ook de keuze heeft gemaakt deze eventuele financiële verplichting aan te gaan.

De jeugdige of zijn ouders heeft een inlichtingenplicht en moet het college vooraf informeren over een buitenlands verblijf. Als besteding van het pgb in het buitenland gewenst is, is dat alleen mogelijk als hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven.

2.2.7 Pupilkosten

Dit artikel beschrijft de voorwaarden waaronder pupilkosten kunnen worden toegekend.

2.2.8 Overgang 18 min, 18 plus

Dit artikel beschrijft op welke wijze het college de overgang van 18 min naar 18 plus wil laten verlopen.

2.2.9 Overgangsrecht

Het is noodzakelijk om duidelijke overgangsbepalingen vast te stellen voor met name de situatie dat er sprake is van:

  • Een verstrekte voorziening op grond van een bepaling die niet meer geldend is;

  • Een bezwaarschrift over een besluit dat betrekking heeft op een periode waar afwijkende regelgeving gold dan op het moment van indiening van het bezwaarschrift;

  • Terugvordering.

Dat is met deze bepaling geregeld. Een besluit voor een verstrekte individuele voorziening blijft gehandhaafd totdat het besluit wordt ingetrokken of de looptijd van het besluit is verstreken. Bij aanvragen waarop nog geen besluit is genomen geldt deze verordening.

Bij de behandeling van een bezwaarschrift wordt de regelgeving toegepast die gold op het moment waarop het besluit is genomen c.q. de periode waarop de terugvordering betrekking heeft, tenzij heroverweging op basis van de nieuw vastgestelde verordening leidt tot een gunstiger resultaat voor de bezwaarmaker of geadresseerde van het terugvorderingsbesluit.

2.3 Leerlingenvervoer

Voor de bepalingen over leerlingenvervoer is de tekst van de oude gemeentelijke verordeningen verlaten. Er is aansluiting gezocht bij de tekst van de modelverordening Leerlingenvervoer 2020 van de VNG met toepassing van het bestaande Meppeler beleid. Er is een aanpassing doorgevoerd op het gebied van de kilometergrens en de fietsvergoeding is opgenomen.

Ieder kind heeft recht op passend onderwijs. In sommige gevallen is de afstand naar de school groot, of kan het kind wegens zijn structurele handicap niet zelfstandig naar school. Ouders kunnen dan een beroep doen op dit hoofdstuk.

Wettelijke plicht

De gemeenteraad heeft de wettelijke plicht een regeling vast te stellen voor het leerlingenvervoer. In artikel 4, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: WPO), artikel 4, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 (hierna: WVO2020) en artikel 4, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra (hierna: WEC), heet het ‘de bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten vervoerskosten ten behoeve van het schoolbezoek’. Het gaat hierbij zowel om scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs en regulier voortgezet onderwijs die zijn aangesloten bij samenwerkingsverbanden primair of voortgezet onderwijs, als om instellingen voor cluster 1 en cluster 2.

Naast voorschriften voor de wijze waarop ouders de aanvraag kunnen indienen, bevat dit hoofdstuk criteria aan de hand waarvan ouders aanspraak kunnen maken op een vervoersvoorziening. Uitgangspunt daarbij is dat de verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek van de leerling bij de ouders blijft.

Dit hoofdstuk is zodanig opgebouwd, dat eerst het recht op een vergoeding wordt vastgesteld, waarna onderzocht wordt welke vergoeding wordt verstrekt.

Vervoersvoorziening

In dit hoofdstuk wordt het begrip ‘vervoersvoorziening’ gehanteerd. Dat houdt in dat er niet altijd sprake is van een kostendekkende betaling. Zo is ook een voorziening mogelijk in de vorm aangepast vervoer, dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen.

Het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) bepaalt in welke vorm de voorziening wordt verstrekt. Het vervoer dient echter te allen tijde passend te zijn.

Uitgangspunt van de regeling is bekostiging van het openbaar vervoer. Wanneer de leerling door zijn structurele handicap geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, zelfs niet met begeleiding, komt hij in aanmerking voor aangepast vervoer.

Als ouders aangeven hun kind zelf te willen vervoeren dienen ze hiervoor toestemming te vragen aan het college. De bekostiging van het vervoer is vervolgens gebaseerd op de vervoersvoorziening waar de ouders voor in aanmerking komen. Het college kan toestemming weigeren op grond van de kosten.

Drempelbedrag en draagkrachtafhankelijke bijdrage

De gemeente kan ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt een drempelbedrag in rekening brengen. De ouderlijke bijdrage is hierbij gekoppeld aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens, dat wil zeggen de afstand van de woning tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school waarboven aanspraak kan bestaan op leerlingenvervoer. In dit hoofdstuk is deze grens vastgesteld op vijf kilometer (zie artikel 3.1.7.). De ouderlijke bijdrage is dan gelijk aan de kosten van het openbaar vervoer over deze afstand. Het drempelbedrag wordt per leerling in rekening gebracht.

Daarnaast kan de gemeente een bijdrage vragen aan ouders van leerlingen die een school voor basisonderwijs bezoeken die meer dan twintig kilometer van de woning is gelegen. Deze bijdrage is afhankelijk van de financiële draagkracht en wordt per gezin geheven (zie verder artikel 3.1.21.) .

Zelfstandigheid en zelfredzaamheid

Dit hoofdstuk gaat uit van een voorziening voor het zo zelfstandig mogelijk reizen door de leerling. Om dit te monitoren en te stimuleren wordt de aanvraag met ouders besproken en wordt vanaf een bepaalde leeftijd in overleg met ouders een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan voor de leerling opgesteld (zie artikel 3.1.3).

Voorwaarden toekenning leerlingenvervoer

Er worden voor de uitvoeringspraktijk en voor voorlichtingsdoelen stroomschema’s ontwikkeld. De verordening verbindt voorwaarden aan de toekenning. Een vervoersvoorziening wordt alleen toegekend als dit voortvloeit uit de wet en strekt alleen tot vervoer naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school. Uitgangspunt is een voorziening in de vorm van openbaar vervoer. Als dit niet passend is kan gekeken worden naar andere vormen, zoals eigen vervoer of aangepast vervoer.

Wet Inburgering 2021

De WI2021 bevat geen grondslagen voor het geven van gemeentelijke regels. De wet geeft geen beleidsruimte en geen beleidsvrijheid. Dat betekent dat bepalingen over inburgering uit de verordening alleen nog van toepassing zijn voor trajecten die voor 1-1-2022 zijn begonnen. Ze moeten dan ook gegrond zijn in de oude Wet inburgering zoals deze gold tot 1-1-2021.

Wet Gemeentelijke antidiscriminatievoorziening

De Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen (hierna: de Wet) voorziet erin dat de burger zoveel mogelijk in zijn directe leefomgeving terecht kan voor bijstand als hij zich gediscrimineerd voelt. Om dat te bereiken verplicht de Wet het college van burgemeester en wethouders (hierna ook: burgemeester en wethouders) om ingezetenen toegang te bieden tot een antidiscriminatievoorziening (hierna: voorziening). De gemeenteraad dient op grond van artikel 2, tweede lid van de Wet bij verordening regels vast te stellen omtrent de inrichting van de voorziening en de uitvoering door die voorziening van diens taak. Deze verordening voorziet in die regels.

Diverse andere wetten

Er zijn nog vele andere wetten in het sociaal domein die een wettelijke grondslag geven voor het bij verordening regelen van gemeentelijke taken. Zoveel mogelijk zijn de opdrachten die die wetten aan de gemeente geven voor het opstellen van regels in deze verordening opgenomen waardoor een totaalbeeld van de gemeentelijke regelgeving in het sociaal domein ontstaat.

Artikelsgewijs hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Voor de duidelijkheid wordt in dit hoofdstuk een achtergrond geschetst van de gedachten waarmee een bepaalde tekst van een artikel is geschreven. Dit helpt bij de interpretatie van die bepalingen. Het voert te ver en is ook niet nodig om dit voor elk artikel te doen. Daarom vindt u niet over alle artikelen een aparte toelichting.

1.3.Definities maatschappelijke voorzieningen en jeugdhulp

Algemeen gebruikelijke voorziening

Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt. Bij de vraag of een voorziening algemeen gebruikelijk is, wordt altijd gekeken naar de individuele situatie. De volgende criteria worden gebruikt bij het beoordelen van de algemeen gebruikelijkheid (zie CRvB 20 11 2019, nr. 18/3544 WMO)

  • 1.

    is het middel niet speciaal voor mensen met een handicap of beperking?

  • 2.

    is het middel daadwerkelijk beschikbaar?

  • 3.

    levert het middel een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is?

  • 4.

    kan het middel worden betaald door iemand met een minimum inkomen? Een (hulp)middel kan financieel worden gedragen met een inkomen op minimumniveau indien de kosten daarvan binnen een termijn van 36 maanden kunnen worden terugbetaald bij een aflossing van 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm.

Indien alle vier de vragen met ‘ja’ kunnen worden beantwoord is in de regel sprake van een algemeen gebruikelijke voorziening.

1.5. Definities leerlingenvervoer

Gemeente Meppel neemt de ‘kortste route’ routeberekening volgens de ANWB routeplanner als uitgangspunt. Bij afstanden tot 6 kilometer wordt gebruikt gemaakt van de kortste route per fiets, bij afstanden daarboven van de kortste route per auto.

1.7. Melding en onderzoek

Eerste en zevende lid

Bij een melding met een hulpvraag wordt zoveel mogelijk een brede uitvraag naar de omstandigheden van de inwoner en zijn gezin gedaan. Daarbij kunnen verschillende methoden worden gebruikt, zoals bijvoorbeeld: de doorbraak methode van het Instituut voor Publieke Waarden, de omgekeerde toets die is ontwikkeld door StimulanSZ, de methode 1 gezin 1 plan (big five; 5 leefgebieden: wonen, financiën, zelfzorg/welzijn, netwerk , dagbesteding/school/werk) of de methode van Positieve gezondheid (Machteld Huber).

De bedoeling van deze bepaling is om ruimte te geven aan consulenten om een passende brede uitvraag te doen, zodat de gemeente binnen het sociaal domein de benodigde voorzieningen zo goed mogelijk kan afstemmen op de situatie. Wanneer een inwoner dit brede onderzoek niet wenst heeft hij de mogelijkheid om alleen die informatie te geven die nodig is voor de behandeling van de specifieke aanvraag die hij wil doen.

Derde lid

De bepaling heeft uitdrukkelijk ruimte willen laten voor verschillende soorten behandeling van aanvragen, zodat daarin gedaan kan worden wat passend of wettelijk verplicht is. Zo kent alleen de Wmo2015 een procedure van melding en onderzoek (6 weken) gevolgd op het nemen van een beslissing (2 weken) (art. 2.3.2 Wmo2015). Alle andere wetten in het sociaal domein werken met de algemene beslistermijn uit art. 4:13 Awb: (8 weken) of geven eigen specifieke bepalingen over de te volgen procedures. Deze wettelijke procedures mogen niet door de verordening worden doorkruist.

Het kan zijn dat een inwoner zelf een familiegroepsplan of wmo plan heeft opgesteld. De wet stelt aanvragers in de gelegenheid om zelf een plan op te stellen. Als zo’n plan er is blijkt het uit het onderzoek en dan zal de gemeente er zoveel mogelijk rekening mee houden. Het is een activiteit die GI’s en jeugdhulpaanbieders hebben om een plan te maken met het gezin. Art. 4.1.2. jeugdwet. Het persoonlijk plan op grond van de Wmo2015 dat in een aanvraag betrokken moet worden is geregeld in art. 2.3.2. lid 2 Wmo2015.

Vierde, lid

Het vierde lid is ontleend aan wetsvoorstel WAMS artikel 2.2.5. Het geeft richting aan de wijze waarop de consulenten zorgvuldig kunnen omgaan met vragen die niet leiden tot een Wmo melding of hulpvraag. De vorm van de triage kan worden uitgewerkt in een werkinstructie, dat kan dus ook een telefonische triage zijn.

1.8. Regels over onafhankelijke cliëntondersteuning.

Clientondersteuning wordt aangeboden door meerdere organisaties die verschillende vormen van rechtspersoonlijkheid hebben. Het gaat hierbij om stichtingen, bedrijven, maar ook om zelfstandigen. Samen vormen deze partijen een goed dekkend netwerk aan cliëntondersteuners. Hiervoor is in Meppel het netwerk onafhankelijke cliënt ondersteuning ingesteld waarin deze organisaties samenwerken.

1.9. Hardheidsclausule

Eerste en tweede lid

Een hardheidsclausule kan worden toegepast als met de regels uit de verordening een situatie zou ontstaan die voor de belanghebbende niet redelijk en billijk is. Het probleem van de belanghebbende zou met toepassing van de regels niet worden opgelost, terwijl het wel de bedoeling is dat de gemeente de belanghebbende verder helpt.

Ook de situatie waarin iemand juist door toepassing van de regels uit de verordening extra zou worden benadeeld kan met een beroep op deze bepaling worden voorkomen. Te denken valt bijvoorbeeld aan de situatie waarin iemand een eigen bijdrage moet betalen omdat hij daar volgens de rekenregels het inkomen naar heeft terwijl in de praktijk bijzondere lasten of bijzondere situaties maken dat het besteedbaar inkomen niet zo hoog is als het op papier lijkt.

Derde lid

Reden voor deze bepaling is dat de Jeugdwet en de Wmo2015 altijd een maatwerkbesluit vergen, dan hoef je dus nooit van de regel af te wijken.

Artikelsgewijs hoofdstuk 2 Hoofdtaken sociaal domein (Maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp, participatie en inkomensvoorzieningen)

2.1.2. Onderzoek Wmo hulpvraag

Derde lid

Het onderzoek spitst zich toe op de zogenaamde big five: wonen, financiën, zelfzorg, netwerk en dag invulling, daarna: invulling door eigen kracht, gebruikelijke hulp mantelzorg sociaal netwerk

Vierde lid

De CRvB heeft sinds het “Steenwijkerland-arrest” van 1 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1477) een stappenplan ontwikkeld voor het vaststellen van de behoefte aan jeugdhulp. In haar uitspraak van 21 maart 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:819)”Groningen” heeft zij dit stappenplan voor het eerst ook toegepast binnen de Wmo2015 om het zorgvuldig onderzoek naar de behoefte aan Wmo-hulp te definiëren.

2.1.3. Criteria voor een maatwerkvoorziening

Eerste lid

Hiermee wordt beoogd aan te sluiten bij de geldende rechtspraak over de criteria vermijdbaarheid en voorzienbaarheid.

Vijfde lid

Dit is nieuw beleid. Er is jurisprudentie die maakt dat bij bijzondere omstandigheden de gemeente alsnog onderzoek moet doen of achteraf is vast te stellen of dit de goedkoopste adequate oplossing is.

2.1.6. Beschermd wonen en maatschappelijke opvang door centrumgemeente

De verordening en beleidsregels van Assen worden hiermee leidend voor toepassing door medewerkers van die gemeente voor gevallen in Meppel. Er is dan eenheid van beleid. Een wetswijziging die ervoor zorgt dat de taak beschermd wonen wordt gedecentraliseerd is op het moment van opstellen van deze verordening controversieel verklaard. Verwacht wordt een mogelijke invoering per 1 januari 2025. Vanaf dat jaar zal Meppel moeten beschikken over eigen regels. Met het oog hierop is een reservering opgenomen met de artikelen 2.1.7 en 2.18.

2.1.9. Collectief vervoer / taxivervoer (Wmo vervoerpas)

Eerste lid

Het aantal kilometers is ontleend aan de Beleidsvisie Sociaal Domein en Mobiliteit 2021 nr. 1432741/1464533 d.d. 25 maart 2021

2.1.10 Aanschaf en aanpassing van een aangepaste auto

Het beleid is niet nieuw. Voor het eerst is hierover een aparte bepaling in de verordening opgenomen. Voorheen was dit onderdeel alleen opgenomen in de tarieventabel bij de verordening, maar dat is niet de juiste plek om regels te geven. Bovendien is bij deze verordening de tarieventabel als geheel komen te vervallen.

2.1.12. Toezicht en handhavingskader Wmo2015 en Jeugdwet

Met deze grondslag geldt het aanwijzen van een toezichthouder ook voor jeugdzaken. Anders is het alleen mogelijk om een toezichthouder wmo aan te wijzen.

2.1.13. Normtijden huishoudelijke ondersteuning

Het HHM normenkader is een algemeen geldend normenkader dat de Centrale Raad van beroep naast het (inmiddels verouderde) CIZ model heeft beoordeeld als een voldoende grondslag om afwegingen voor de omvang van een maatwerkvoorziening te bepalen.

2.1.14. Eigen bijdragen

Zesde lid

Op het moment van schrijven van deze verordening is de minimale en maximale eigenbijdrage per periode €19. In 2024 zal dit bedrag worden verhoogd

Eigen bijdragen worden gerekend over alle maatwerkvoorzieningen. Dit bestaande beleid wordt onder deze verordening voortgezet. De hoogte van de maximale eigen bijdrage per periode is wettelijk geregeld. Het maximum dat de gemeente vraagt aan eigen bijdragen is gelijk aan de totale kostprijs van de verstrekking. De kostprijs is gebaseerd op facturen van leveranciers of aannemers.

Bij een PGB werkt dit anders; de hoogte van het PGB is gebaseerd op offertes van leveranciers of aannemers. De maximale eigen bijdrage staat hiermee vast. De regeling voorziet er in dat het totaal van de periodieke eigen bijdragen nooit hoger wordt dan de kosten van de maatwerkvoorziening. Dit is vooral van belang bij materiele voorzieningen, aangezien bij hulp of begeleiding de kosten blijven oplopen zolang de voorziening wordt geïndiceerd. Toch is deze regeling in de meeste gevallen niet nodig, want door het wettelijke lage abonnementstarief komt men in veel gevallen niet toe aan “afbetaling” van de maatwerkvoorziening.

Negende lid

Omdat de tarieventabel voortaan vervalt is hier het tarief opgenomen inclusief de manier waarop dit bepaald wordt.

Dertiende lid

De normen voor pgb's zijn door jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep vastgesteld in recente uitspraken: CRVB 16-08-2023, gemeente Etten-Leur, ECLI:NL:CRVB:2023:1394 en CRvB, 16-08-2023, gemeente Gemert-Bakel, ECLI:NL:CRVB:2023:1580. Alle oude normen die opgenomen waren in de verordening zijn daardoor onverbindend geworden en moeten dus vervangen worden.

2.1.20 Jaarlijkse waardering mantelzorgers

Artikel 75 oud gaf het college de mogelijkheid om een regeling vast te stellen. De formulering van dat artikel was te ruim. De gemeenteraad moet in de verordening wel een omvang of een richtingskader opnemen. Daarom is in deze tekst het huidige beleid opgenomen met de mogelijkheid dat de blijk van waardering in verschillende vormen kan plaatsvinden en dat er een minimale financiële waarde aan gekoppeld is. Het genoemde bedrag van €50,00 is gebaseerd op bestaand beleid. De Adviesraad Sociaal Domein heeft geadviseerd om dit bedrag opnieuw te bepalen op, zo mogelijk, een hoger bedrag. Deze formulering stelt het college in staat om in 2024 een positieve beleidswijziging door te voeren als daar financiële ruimte voor is. Het onderzoek daarnaar kan op het moment van aanbieden van de conceptverordening nog niet uitgevoerd worden.

2.1.21. Regels over verhouding kwaliteit en prijs van ingekochte diensten voor maatwerkvoorzieningen

De wet vereist deze bepaling in artikel 2.6.6. Wmo2015 en artikel 5.4. van het Uitvoeringsbesluit Wmo. Ook artikel 2.6.4. Wmo2015 stelt eisen waarbij bij aanbesteding meer moet worden gelet op kwaliteit en niet uitsluitend mag worden gekeken naar de laagste prijs van diensten.

2.1.23. Financiële tegemoetkomingen

Hiermee wordt de gangbare praktijk voorzien van een juridische grondslag in de verordening. Omdat het gaat om een kan bepaling onstaat hiermee de ruimte voor het college om een nadere uitwerking te maken in beleidsregels.

Door middel van spierkracht is opgenomen, om hiermee auto’s en elektrische rolstoelen uit te sluiten, maar ruimte te geven aan verschillende soorten hulpmiddelen die de mobiliteit vergroten. Voor de grotere en duurdere hulpmiddelen, waarbij ook regelmatig onderhoud moet worden gepleegd is een financiële tegemoetkoming geen goed middel. Een Pgb is daarvoor meer geschikt, vanwege de waarborgen waarmee het trekkingsrecht bij de Sociale Verzekeringsbank is omkleed.

2.2.2. Toegang jeugdhulp via een arts of een gecertificeerde instelling

Vierde lid

De bedoeling hiervan is dat men dan via de gemeente een besluit kan vragen waartegen bezwaar kan worden gemaakt. De verwijzers reiken zo’n beschikking niet uit. Dat doet alleen het college.

2.2.5. Inzet Jeugdhulp

Vierde lid

Met dit lid wordt beoogd vorm te geven aan de zorgplicht van het college voor een goede overgang van jeugdhulp naar maatschappelijke ondersteuning. De inzet is dan dat jeugdhulp zoveel mogelijk leidt tot zelfredzaamheid voor het 18e levensjaar zodat de inzet van maatschappelijke ondersteuning minimaal of niet nodig is. Jeugdhulp is immers meer specifieke hulp gezien de leeftijd en de ontwikkeling van de persoon van de inwoner dan maatschappelijke ondersteuning. Deze bepaling laat onverlet de mogelijkheid van het inzetten van verlengde jeugdhulp, maar geeft aan dat de prioriteit zoveel mogelijk moet liggen op het bereiken van doelen voor het einde van het 18e levensjaar.

2.3.1.Opleggen van een maatregel bij niet geüniformeerde verplichtingen

Tweede lid

Er is naar aanleiding van vele jurisprudentie over het evenredigheidsbeginsel, die is ontstaan door de zelfreflectie van de Raad van State over haar rechtspraak in Toeslagenzaken, toegevoegd dat moet worden gelet op onevenredigheid van de nadelen van de maatregel voor de inwoner met het behalen van het doel waarvoor een maatregel werd opgelegd. Die nadelen mogen niet zo groot zijn dat de inwoner in ernstige (financiële) problemen komt. Het doel van de prikkel die met de maatregel is beoogd wordt dan voorbijgeschoten, en er is meer hulp nodig. Dat is niet gewenst.

Artikel 2.3.8.1. Verrekenen verlaging

Het college heeft de mogelijkheid bij verlaging van de bijstand wegens schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, de verlaging te verrekenen. Dit over de maand van oplegging van de maatregel en ten hoogste over de twee volgende maanden. Over de eerste maand moet minimaal een derde van het bedrag van de verlaging worden verrekend (artikel 18, vijfde lid, tweede volzin, van de PW). Wanneer belanghebbende tot inkeer komt, wordt de verlaging stopgezet en ontvangt belanghebbende weer de volledige uitkering (artikel 18, elfde lid, van de PW). Het gaat hier om een facultatieve bepaling.

2.3.21. Terugvordering van ten onrechte verstrekte uitkeringen

Deze regeling vervangt artikel 11 oud. Artikel 11 oud was een uitleg van wettelijke mogelijkheden. Hier wordt als uitgangspunt bepaald dat het college in principe altijd ten onrechte verstrekte bijstand terugvordert, wat daar ook de reden voor is. Bij een wettelijke bevoegdheid kan dan naar de bestaande beleidsregels gekeken worden. Het is dus een verbetering van de weergave van bestaand beleid.

2.4.3. Hoogte individuele inkomenstoeslag

Artikel 8 Pw bepaalt dat bij verordening regels moeten worden gesteld over het verlenen van een individuele inkomenstoeslag en ook hoe hoog deze moet zijn. Omdat deze verordening geen tarieventabel meer kent is de hoogte van de inkomenstoeslag opgenomen in de tekst van de verordening.

2.5.1. Het opdragen van een tegenprestatie

Het tweede lid van artikel 87 oud is geschrapt. Het betrof een opdracht van de gemeenteraad aan het college om beleidsregels vast te stellen. Het opstellen van beleidsregels is echter een discretionaire bevoegdheid van het college. De gemeenteraad kan het gebruikmaken daarvan niet bij verordening afdwingen. Met het vervallen van dit artikellid komt er overigens geen wijziging in de bestaande beleidsregels over dit onderwerp.

2.5.3.Voorzieningen gericht op re-integratie en arbeidsinschakeling (PW/IOAWIOAZ)

Adequate voorziening en afstemming

Lid een regelt het uitgangspunt dat het college, afgestemd op de situatie van de persoon, de adequaat goedkoopst voorziening verstrekt. Dit betekent dat de voorziening goed genoeg moet zijn om een verantwoorde oplossing te bieden. Die oplossing hoeft dus niet noodzakelijkerwijs de meest optimale oplossing te zijn. Zijn er meerdere adequate opties om de klant te ondersteunen, dan zullen de kosten van de oplossingen doorslaggevend zijn. Deze afweging wordt per individueel persoon gemaakt.

Lid twee regelt ook de afstemming binnen het gemeentelijke sociale domein. Artikel 8a lid 2 onderdeel g PW stelt dat er regels opgenomen moeten worden over de samenwerking binnen het gehele sociale domein als dat nodig is voor een integrale ondersteuning van de persoon (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 56). Het gaat om de integraliteit van de geboden ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en om de continuïteit van de geboden ondersteuning bij de overgang van onderwijs naar werk, van werk naar onderwijs en van werk naar werk. Het is belangrijk om hier bij de inzet van voorzieningen rekening mee te houden en dit te benoemen in een eventueel plan van aanpak.

2.5.4. Algemene bepalingen over voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling

Beëindigingsgronden

Het college kan een voorziening beëindigen. Onder beëindigen wordt ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van beëindigen moeten vanzelfsprekend is ook het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling van toepassing.

Een voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de personen zoals bedoeld in artikel 7 lid 1 onderdeel a onder 2 PW maakt de wet een uitzondering. Het gaat om de persoon als bedoeld in de artikelen 34a lid 5 onderdeel b, 35 lid 4 onderdeel b en 36 lid 3 onderdeel b van de WIA (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen). Tenminste tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende 2 aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die 2 jaar geen loonkostensubsidie (artikel 10d PW) is verleend. Voor deze laatste doelgroep geldt dat het college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden tot het hierboven beschreven moment.

2.5.5. Vormen van ondersteuning tot arbeidsinschakeling

De PW schrijft niet uitputten voor welke voorzieningen het college moet aanbieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid. Afhankelijk van de afstand van een persoon tot de arbeidsmarkt, kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van isolement (bijv. vrijwilligerswerk), het leren van vaardigheden of kennis of het opdoen van werkervaring.

Een voorziening is mogelijk bij organisaties met of zonder winstoogmerk.

2.5.6. Sociale activering

Volgens de Participatiewet moet ook sociale activering uiteindelijk gericht zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet re-integratie, maar participatie voorop.

Sociale activering: het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandig maatschappelijke participatie. Dit staat in artikel 6 lid 1 onderdeel c PW. Bij activiteiten in het kader van sociale activering kan worden gedacht aan het zelfstandig, zonder externe begeleiding, verrichten van vrijwilligerswerk of deelnemen aan activiteiten in de wijk of buurt.

Doel: personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt terug te leiden naar de arbeidsmarkt. Als dit nog niet mogelijk is er al tussendoel bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven. Het is wel noodzakelijk dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. Bestaat die mogelijkheid niet, dan kan een persoon niet worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke voorziening. Als het einddoel (arbeidsinschakeling) namelijk niet kan worden bereikt, is er geen grond om die persoon te verplichten om gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale activering (CRvB 24-4-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW4400).

Duur: het college moet de duur afstemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van een persoon. Dit is maatwerk. Het is daarom niet wenselijk een te strakke termijn te hanteren.

Bij toekenning van de voorziening wordt de omschrijving gebruikt van het type voorziening zoals gehanteerd door het CBS in de meest actuele versie van de Richtlijnen Statistiek Re-integratie door gemeenten (SRG).

2.5.7. Scholing

Scholing is bij uitstek een maatwerkinstrument. Het varieert van een startkwalificatie opleiding tot een functiegerichte training. Het uitgangspunt is om eerst de arbeidsmogelijkheden te verkennen waarvoor geen scholing nodig is.

Scholing is geïndiceerd voor mensen die zonder scholing geen kans maken op plaatsing op de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld omdat terugkeer naar het oude beroep onmogelijk is. Mensen zonder startkwalificatie lopen snel tegen dit probleem aan. Ook wordt er gekeken naar de arbeidsmarktrelevantie van de scholing. En de scholing wordt getoetst aan de motivatie en de cognitieve vaardigheden van de kandidaat. Doel van de scholing is om in te zetten op (uitstroom naar) passend en zo duurzaam mogelijk werk.

Startkwalificatie: een havo of vwo-diploma of een diploma van het mbo, niveau 2.

Bij toekenning van de voorziening wordt de omschrijving gebruikt van het type voorziening zoals gehanteerd door het CBS in de meest actuele versie van de Richtlijnen Statistiek Re-integratie door gemeenten (SRG).

Scholing bij een participatieplaats: wanneer een persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats niet over een startkwalificatie beschikt, moet het college aan deze persoon scholing of opleiding aanbieden. Dit geldt vanaf 6 maanden na aanvang van de werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn gericht op vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Het college hoeft aan een persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke scholing of opleiding naar zijn oordeels de krachten of bekwaamheden van de persoon te boven gaan. Of als naar zijn oordeel scholing of opleiding niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van de persoon. Zie artikel 10a lid 5 PW.

Zie artikel 2.5.9. van deze verordening over de voorziening participatieplaatsen.

2.5.8. Werkervaringsplaats en proefplaatsing

Bij een werkervaringplaats, bijvoorbeeld een werkstage, is er geen sprake van een gewone arbeidsovereenkomst. Bij een beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst toetst de rechter aan de 3 criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst: persoonlijk verrichten van arbeid, loon en gezagsverhouding. Daarbij wordt gekeken naar een aantal aspecten zoals de bedoeling van de partijen en wat al dan niet schriftelijk is overeengekomen. De rechter besteedt vooral aandacht aan de feitelijke invulling van de overeenkomst.

Deze voorziening is gericht op het opdoen van werkervaring en het uitbreiden van kennis. De Hoge Raad heeft bepaald dat bij werkervaringsplaatsen weliswaar sprake is van het persoonlijk verrichten van arbeid, maar dat dit overwegen gericht is op het uitbreiden van de kennis en ervaring van de werknemer. Daarnaast is er bij deze voorziening in de regel geen sprake van beloning. Er kan wel een onkostenvergoeding worden gegeven, als er daadwerkelijk sprake is van een vergoeding van gemaakte kosten. Deze worden niet verrekend met de uitkering.

Verdringing

Zie de Handreiking Verdringing voorkomen bij het bevorderen van arbeidsparticipatie van Divosa.

Bij toekenning van de voorziening wordt de omschrijving gebruikt van het type voorziening zoals gehanteerd door het CBS in de meest actuele versie van de Richtlijnen Statistiek Re-integratie door gemeenten (SRG).

Vierde lid

Volgens artikel 8a lid 2 onderdeel d PW moet de gemeente in de verordening de voorwaarden aangeven waaronder “het college toestemming verleent aan een persoon als bedoeld in artikel 7 lid 1onderdeel a PW die algemene bijstand ontvangt, om op een proefplaats gedurende twee maanden met de mogelijkheid tot verlenging met maximaal vier maanden, werkzaamheden te verrichten”. Het doel van deze verplichting is om meer harmonisatie tot stand te brengen. Voor de termijn is aangesloten bij de wetgeving die wordt uitgevoerd door het UWV en het door het UWV gevoerde beleid (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 55). Artikel 2.5.8 lid 4 geeft hier invulling aan. Het na een proefplaats inzetten van een dienstverband met een forfaitaire loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d lid 5 PW is onwenselijk. Partijen in de (landelijke) Werkkamer hebben zich in die zin ook expliciet uitgesproken.

2.5.9. Participatieplaats

Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt.

Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Dat betekent dat de werkzaamheden die de persoon verricht geen gewone functie in het bedrijf betreft die ook door een betaalde werknemer verricht kunnen worden. In plaats daarvan is er speciaal een functie gecreëerd die aansluiten bij de behoeften en mogelijkheden van de persoon.

Niet de te verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het (opnieuw) wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van de Participatiewet). Na negen maanden wordt beoordeeld door het college of de participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a, achtste lid, van de Participatiewet). Zo niet dan wordt de participatieplaats beëindigd. Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de participatieplaats wordt opnieuw beoordeeld of de participatieplaats wordt voorgezet. Als de gemeente concludeert dat voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de persoon gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan kan de participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat geval dient een andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a, negende lid, van de Participatiewet). Na 36 maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling plaats (artikel 10a, tiende lid, van de Participatiewet).

De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid PW). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het college voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt.

Derde lid

In de oude tekst stond hier verlenging met 2 jaar in 1 keer. Dat mag niet volgens de wet. Je mag nog wel 2 keer telkens voor 1 jaar verlengen. Daarom is hier een tekstcorrectie doorgevoerd.

Vierde lid

De hoogte van de premie moet in de verordening vastgelegd worden (artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, PW). In plaats van een bedrag is er in de arbeidsmarktregio Zwolle voor gekozen om te kiezen voor een percentage, zodat dit automatisch mee wijzigt met de gekozen norm van een uitkering. Hiermee is het bedrag tevens geharmoniseerd in de arbeidsmarktregio Zwolle. Voor de persoon die voor 1-1-2024 een premie toegekend heeft gekregen, geldt een overgangsrecht. De persoon ontvangt de reeds toegekende premie. De premie wordt vrijgelaten op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, PW. In verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd door het in de vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Daarnaast moet bij het bepalen van de hoogte van de premie ook de risico's van de armoedeval worden betrokken. Er is gekozen voor een premie per 6 maanden van maximaal 10% van de gehuwdennorm van artikel 21 onderdeel b PW op basis van fulltime dienstverband. Bij een parttime dienstverband is dat naar rato van het aantal gewerkte uren. De gehuwdennorm van 1 januari van het betreffende kalenderjaar is van toepassing. De procentuele berekening wordt afgerond op hele euro’s.

Bij toekenning van de voorziening wordt de omschrijving gebruikt van het type voorziening zoals gehanteerd door het CBS in de meest actuele versie van de Richtlijnen Statistiek Re-integratie door gemeenten (SRG).

2.5.10. Participatievoorziening beschut werk

Algemeen

Met ingang van 1 januari 2017 is het college verplicht beschut werk aan te bieden aan personen van wie het college, op advies van UWV, heeft vastgesteld dat zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet).

De gemeenteraad is, gelet op artikel 10b, zevende lid PW, verplicht om bij verordening in elk geval vast te stellen:

  • welke voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling worden aangeboden om adequaat functioneren op een beschutte werkplek mogelijk te maken,

  • welke voorzieningen worden aangeboden tot het moment dat de dienstbetrekking aanvangt.

Eerste lid

In dit artikel is tot uitdrukking gebracht dat aanspraak bestaat op de genoemde ondersteunende voorzieningen (op de arbeidsinschakeling). Daarmee wordt uitvoering gegeven aan artikel 10b, zevende lid, van de Participatiewet.

Tweede lid

Nadat het college heeft vastgesteld, dat iemand tot de doelgroep voor beschut werk behoort, dient deze persoon geplaatst te worden op een beschut werkplek. In de wetenschap dat een plaatsing afgestemd dient te worden op de persoonlijke eigenschappen en omstandigheden van betrokkene, dient dit een vorm van maatwerk te zijn, die niet altijd direct tot plaatsing op een geschikte werkplek zal leiden. Het college is verplicht om ter overbrugging van de periode tot de plaatsing betrokkene voorzieningen (op de arbeidsinschakeling) aan te bieden die bijdragen aan een succesvolle plaatsing. De voorzieningen die hiervoor aangeboden worden zijn genoemd in het vierde lid. Welke (combinatie van) voorziening(en) in een concreet geval ingezet wordt zal gezien het maatwerkkarakter van dat geval afhangen.

Dergelijke voorzieningen kunnen op grond van andere regelingen, zoals de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, worden verstrekt en bijdragen aan een geslaagde plaatsing.

Vierde lid

Tevens kan bij verordening worden geregeld dat een hoger aantal te realiseren dienst -betrekkingen wordt vastgesteld dan op grond van de ministeriële regeling is bepaald (artikel 10b, vijfde lid, PW ). Hiervoor volgen we lid twee en krijgen beschutwerkers die verhuizen naar Meppel en reeds een beschutwerkplek hebben voorrang

2.5.11. Detacheringsbaan

De Participatiewet biedt de mogelijkheid personen uit de doelgroep een dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te doen. In de verordening zijn de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de banen vormgegeven worden. Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het aangaan van het dienstverband. Het college zorgt ervoor dat een persoon een dienstverband krijgt aangeboden door een derde, de werkgever. Die derde kan bijvoorbeeld een detacheringsbureau zijn.

Er moeten schriftelijke afspraken worden gemaakt.

  • 1.

    Tussen het inlenende bedrijf en de werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot de werkgever, de hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop begeleiding wordt vormgegeven.

  • 2.

    Tussen werknemer en inlener. Hierin worden afspraken gemaakt over werktijden, verlof en de inhoud van het werk.

Verdringing

Zie de Handreiking Verdringing voorkomen bij het bevorderen van arbeidsparticipatie van Divosa.

Bij toekenning van de voorziening wordt de omschrijving gebruikt van het type voorziening zoals gehanteerd door het CBS in de meest actuele versie van de Richtlijnen Statistiek Re-integratie door gemeenten (SRG).

In het tweede lid wordt bepaald dat het gaat om detachering. Daarbij worden op twee vlakken afspraken gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot de werkgever, de hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop de begeleiding wordt vormgegeven. In de overeenkomst tussen werknemer en inlener worden afspraken gemaakt over werktijden, verlof en de inhoud van het werk.

2.5.12. Ondersteuning bij leer-werktraject

De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor jongeren van zestien of zeventien jaar oud die dreigen uit te vallen uit school, maar middels een leer/werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Om te voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de mogelijkheid geboden extra ondersteuning te bieden. Deze voorziening kan ook worden ingezet ter voorkoming van schooluitval bij jongeren van achttien tot 27 jaar die door een leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen.

Bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgen, zijn uitgesloten van ondersteuning op grond van artikel 7, derde lid, onder a, PW. Voor de conclusie dat een jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen is vereist dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of daarvoor in aanmerking komt [9]. In het kader van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet betekent dit dat het college vanaf het moment dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of kan volgen geen ondersteuning bij de arbeidsinschakeling kan bieden.

In artikel 10f PW is bepaald dat het college onder omstandigheden ondersteuning kan bieden aan personen jonger dan achttien jaar en aan personen van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald en voor wie een leer-werktraject nodig is. Er wordt vanuit gegaan dat het mogelijk is een leer-werktraject aan te bieden aan personen die voldoen aan het bepaalde in de artikelen 10 en 10f van de Participatiewet, in afwijking van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet.

2.5.13 Persoonlijke ondersteuning

Het gaat hier om een voorziening zoals een jobcoach, die op vaste tijden en gedurende een langere periode de werknemer met beperkingen bij het verrichten van zijn taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een systematische ondersteuning. Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via een dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn.

2.5.14 Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen

Dit artikel bevat een aantal voorwaarden voor de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen aan personen met een arbeidsbeperking. Het betreft een aantal specifieke voorwaarden die verband houden met de aard van deze voorzieningen. Het artikel vormt daarmee een aanvulling op de in artikel 2.5.3 en 2.5.4 opgenomen algemene voorwaarden om in aanmerking te komen voor een re-integratievoorziening. Deze voorwaarden dragen bij aan een evenwichtige verdeling van de beschikbare voorzieningen over de doelgroep, zoals bedoeld in artikel 8a lid 2, onderdeel a PW.

Vereist is dat de persoon behoort tot de doelgroep, bedoeld in artikel 7 PW, waarbij er voor personen die VSO/PRO-onderwijs hebben genoten een uitzondering wordt gemaakt, waardoor zij ook voor persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen in aanmerking kunnen komen (a). Het is van belang dat de inzet van de persoonlijke ondersteuning en/of overige voorziening noodzakelijk is om het werk uit te kunnen voeren (b). Om een doelmatige inzet van de re-integratiemiddelen te waarborgen is er een minimale omvang verbonden aan de dienstbetrekking (c). Op het moment dat het gaat om een voorziening waarvan verwacht mag worden dat de werkgever hiervoor zelf zorgdraagt, omdat dit bijvoorbeeld voortvloeit uit de Arbo-regels, wordt de voorziening niet verstrekt op grond van deze verordening (d, e en f). De aan de voorziening(en) verbonden kosten kunnen in uitzonderlijke gevallen leiden tot het afwijzen van de gevraagde voorziening(en), op het moment dat deze kosten in geen verhouding staan tot de [maatschappelijke] baten die verbonden zijn aan de verstrekking van de voorziening(en) (g).

2.5.15. Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen

De aanvraag is geen verplichting. Het college kan ook zonder aanvraag beoordelen wat nodig is. Dit zal ook in de meeste gevallen gebeuren. Het college zorgt dan zelf voor een goede match met een werkgever met passende ondersteuning.

2.5.17. Jobcoaching e.v.

De bepalingen over jobcoaching zijn aangepast aan de afspraken die het college in de arbeidsmarktregio heeft gemaakt.

Persoonlijke ondersteuning bij werk omvat zowel jobcoaching als interne werkbegeleiding. Deze twee vormen van persoonlijke ondersteuning worden beide benoemd. Het eerste, tweede en derde lid geven aan op welke wijze het college zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning aan de doelgroep in natura en in de vorm van een subsidie (artikel 8a, tweede lid, onder e, sub 1, PW). De gemeente kan een eigen jobcoach inzetten, of een jobcoach inhuren en die aan een werkgever toekennen. Ook is mogelijk dat een werkgever zelf een eigen jobcoach in dienst heeft (interne jobcoach) of een jobcoach inhuurt (externe jobcoach).

Het vierde lid maakt duidelijk dat de in het eerste en tweede lid bedoelde ondersteuning ook kan worden aangeboden op het moment dat er geen sprake is van een dienstverband. Dit vormt een uitbreiding op de wettelijke basisplicht om deze ondersteuning aan te bieden ten behoeve van opgedragen taken die worden verricht in het kader van een dienstverband bij een werkgever.

2.5.19. Kwaliteit en inzet bij jobcoaching

Het eerste lid is een uitwerking van artikel 8a lid 2, onder e, onderdeel 2 PW, waarin de opdracht is neergelegd om in de verordening aan te geven welke kwaliteitseisen het college stelt aan de jobcoach en hoe deze eisen worden gewaarborgd. Dit is relevant omdat kwaliteit, en kwaliteitseisen, een waarborg (kunnen) zijn voor een goede inzet van de jobcoach. De kwaliteitseisen zijn hier vastgelegd. Om te controleren of de jobcoach aan deze voorwaarden voldoet kun je vragen om een registratie in het Register Loopbaancoach (voormalig Noloc Jobcoach) of het NVS-Beroepenregister voor jobcoaches en/of bewijs dat de persoon is werkzaam bij een organisatie die een Blik op werk of Oval Keurmerk heeft of een jobcoach erkenning heeft van het UWV. Naast devoorwaarden is het wenselijk als de jobcoach ervaring heft op het gebied van jobcoaching én kennis heeft van de specifieke doelgroep met een arbeidsbeperking, regionale arbeidsmarkt (ontwikkelingen) en de regionale sociale kaart. Daarnaast mag je verwachten dat de jobcoach er voor zorgt dat zijn kennis en vaardigheden actueel blijven en hij investeert in na- en bijscholing.

Het tweede lid bevat een uitzondering op de gestelde voorwaarden van lid 1 en geldt bijvoorbeeld voor situaties waarin een werknemer met baan en bijbehorende jobcoach binnenkomt bij de gemeente, bijvoorbeeld als gevolg van verhuizing of een stageplek vanuit het VSO/PRO onderwijs. De jobcoach moet binnen 1 jaar alsnog aan de in lid 1 gestelde eisen voldoen.

Het derde lid bepaalt dat de in te zetten jobcoaching wordt bepaald op basis van de daarin genoemde begeleidingsregimes. Lid 3 is een uitwerking van de uit artikel 8a lid 2, onder e, sub 1 PW voortvloeiende verordeningsplicht. Het bepalen van de duur en de intensiteit van de jobcoaching is maatwerk.

2.5.20. Subsidievoorwaarden voor jobcoaching

Artikel 8a lid 2 onderdeel e onder 1 PW bepaalt onder andere dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning door middel van subsidieverstrekking, waaronder jobcoaching. Dit artikel voorziet hierin.

In het tweede lid zijn de randvoorwaarden opgenomen om voor subsidieverlening in aanmerking te komen. Bij de keuze voor deze voorwaarden is, met het oog op het realiseren van een zo uniform mogelijk kader, aansluiting gezocht bij door het UWV gehanteerde voorwaarden op grond van artikel 12 van het Reïntegratiebesluit.

Het derde lid geeft aan op welke wijze de hoogte van de subsidie voor jobcoaching door het college kenbaar wordt gemaakt. Het college moet er voor zorgen dat de tarieven voor een bepaald jaar vindbaar en kenbaar zijn voor werkgevers en de doelgroep. Daarbij is als eis opgenomen dat het door het college vastgestelde tarief toereikend moet zijn om jobcoaching in te kopen. Dit betekent dat het college moet onderzoeken in de markt wat een toereikend tarief is. Door aan te sluiten bij de tarieven van het UWV gaan we hiervan uit. Voor (externe) jobcoaching wordt een maximaal uurtarief gehanteerd excl. BTW en incl. rapportage en reiskosten. Reiskosten en reisuren zijn verwerkt in de maximale uurtarieven. Deze kunnen dus niet apart gefactureerd worden. Zie Externe jobcoaching | UWV | Particulieren.

Het feit dat een persoon of werkgever een beroep wenst te doen op een duurdere jobcoach betekent niet dat het college gehouden is het meerdere te verstrekken. Er is immers een maximumtarief waarvan vaststaat dat dit toereikend is om passende jobcoaching in te kopen.

2.5.21. Interne werkbegeleiding

Artikel 8a lid 2, onderdeel e, onder 1 PW in combinatie met artikel 10 lid 3 onder b PW bepaalt onder andere dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning in de vorm van een interne werkbegeleider door middel van subsidieverstrekking. Dit artikel regelt hoe dit mogelijk is en op welke wijze de hoogte van de subsidie hiervoor wordt bepaald.

In het tweede lid wordt geregeld dat het aanbod van het college tevens een training voor de collega van de persoon kan bevatten, zodat deze de begeleiding op een verantwoorde wijze kan bieden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een “Harrie-training” (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 20).

2.5.22. Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening

Artikel 8a lid 2 onder f onderdeel 1 PW bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van een vervoersvoorziening die ertoe strekt dat de persoon zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan bereiken. Artikel 2.5.21. regelt, in aanvulling op de artikelen 2.5.3. t/m 2.5.5. en 2.5.14. onder welke voorwaarden dit mogelijk is en op welke wijze de hoogte van de vergoeding hiervoor wordt bepaald als het college het vervoer niet zelf (in natura) organiseert.

Bij de bepaling van de vergoeding wordt uitgegaan van het reguliere tarief in de markt. Daarbij vormt, in lijn met de toelichting op artikel 2.5.3. de adequaat goedkoopste oplossing het uitgangspunt.

Het bedrag dat de werknemer voor vervoer ontvangt van de werkgever, bijv. een reiskostenvergoeding op grond van de arbeidsovereenkomst of CAO, wordt door het college in mindering gebracht (lid 4).

Voorbeelden van vervoersvoorzieningen zijn:

  • -

    aangepaste fiets

  • -

    bruikleen-auto

  • -

    kilometervergoeding

  • -

    rolstoeltaxi

  • -

    begeleidingskosten

2.5.23. Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen

Artikel 8a lid 2 onderdeel f onder 3 PW bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van meeneembare voorzieningen voor de inrichting van de werkplek, de productie- en werkmethoden, de inrichting van de opleidingslocatie of de proefplaats en bij het werk of opleiding te gebruiken hulpmiddelen.

Gedacht kan worden aan een aangepaste bureaustoel, toetsenbord, koptelefoon, enzovoort.

Wat een passende voorziening is, is sterk afhankelijk van de individuele behoefte van de persoon. Dit vraagt om maatwerk. Wel gelden de voorwaarden zoals opgenomen in de (toelichting) van de artikelen 2.5.3. t/m 2.5.5. en 2.5.14.

2.5.25. Indienstnemingssubsidie personen behorend tot de doelgroep

Een indienstnemingssubsidie als vorm van gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de arbeidsinschakeling te bevorderen voor zover dit gezien de afstand tot de arbeidsmarkt van de persoon passend is. Bij de indienstnemingssubsidie is sprake van compensatie voor het feit dat voor een persoon ten minste het wettelijk minimumloon moet worden betaald, terwijl de werkgever een persoon (nog) niet ten volle kan inzetten. Zo kan het college een subsidie aan de werkgever verstrekken om tijdelijk het verschil in arbeidsproductiviteit te compenseren en zo de re-integratie van de bijstandsgerechtigde te bewerkstelligen. De indienstnemingssubsidie moet worden onderscheiden van de loonkostensubsidie zoals bedoeld in de artikelen 10c en 10d PW. De laatstgenoemde loonkostensubsidie is geïntroduceerd in de PW door de Invoeringswet Participatiewet en is specifiek bedoeld voor personen met een arbeidsbeperking. De in dit artikel opgenomen indienstnemingssubsidie is niet noodzakelijk gericht op personen met een arbeidsbeperking, maar ondersteunt personen waarbij dat gezien hun afstand tot de arbeidsmarkt door het college noodzakelijk wordt geacht

Het gaat hier dus niet om de loonkostensubsidie die verstrekt kan worden aan personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, PW van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van een wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben (artikel 6, eerste lid, onderdeel e, PW.

Gelet op het tweede artikel in deze verordening heeft het college de opdracht om de doelgroep voor de indienstnemingssubsidie nader in te vullen. Daarnaast is het college gehouden om ten aanzien van het tweede lid beleid te ontwikkelen om concurrentievervalsing en verdringing op de arbeidsmarkt te voorkomen.

2.5.28. Vaststelling loonwaarde

Vanaf 1 juli 2021 is er nog maar één methode om de loonwaarde te bepalen van mensen met een arbeidsbeperking. Vanaf dan werken alle aanbieders met dezelfde uniforme loonwaardemethode. Vanaf deze datum mogen alleen gecertificeerde loonwaardedeskundigen de loonwaardebepalingen uitvoeren.

Blik op Werk bewaakt de uniforme loonwaardemethodiek binnen de private sector en zorgt dat de markt toegankelijk is voor nieuwe aanbieders. Blik op Werk monitort de uitvoering van de loonwaardebepaling, de opleiding en het examenproces van opleidingsorganisaties en de loonwaarde-instrumenten.

Artikelsgewijs hoofdstuk 3 Leerlingenvervoer

Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven, worden hieronder nader behandeld.

1.5. Definities leerlingenvervoer

Afstand

De afstand dient consequent te worden gemeten. Er wordt voor elke afstand eenzelfde, professionele routeplanner gehanteerd. Het verdient aanbeveling de ouders bij de aanvraag te informeren over de wijze waarop de afstand wordt gemeten. Gemeente Meppel neemt de routeberekening volgens de ANWB routeplanner als uitgangspunt.

De route hoeft overigens niet in alle gevallen toegankelijk te zijn voor gemotoriseerd verkeer, volgens een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State ((hierna: Afdeling) ABRvS 12 juni 1995, nr. R03.93.5575). Ook kan de route – en daarmee de afstand – op de heenweg verschillen van die van de terugweg (zie ABRvS 27 december 1989, nr. R03.88.7309).

Begeleider

Wanneer een leerling begeleiding nodig heeft tijdens het vervoer, is dat een verantwoordelijkheid van de ouders. Zij zijn en blijven verantwoordelijk voor de schoolgang van hun kind. Werk van ouders of anderszins ontslaat ouders niet van deze verantwoordelijkheid. Wanneer ouders zelf niet in staat zijn om begeleiding te bieden, is het hun verantwoordelijkheid iemand te zoeken, die deze taak van hen hetzij tijdelijk en/of deeltijds overnemen.

Gehandicapte leerling

Een leerling die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken, wordt aangemerkt als een gehandicapte leerling in de zin van dit hoofdstuk.

Wanneer een leerling, ondanks zijn handicap wél zelf kan reizen met het openbaar vervoer, is deze in de zin van dit hoofdstuk géén gehandicapte leerling. De beperking die de leerling door de handicap ervaart moet structureel van aard zijn, in ieder geval langer dan drie maanden duren. Wanneer de beperking met medicijnen te verbeteren is, is er geen sprake van een beperking in de zin van deze verordening. Van een beperking in deze verordening is dus alleen sprake wanneer deze structureel en niet behandelbaar is.

Inkomen

Als peiljaar voor het inkomen moet op grond van de WPO (artikel 4, zevende lid) worden aangemerkt het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het schooljaar waarvoor bekostiging van de vervoerskosten wordt gevraagd, begint. Bepalend is het verzamelinkomen van het huishouden waarin de leerling leeft, dat af te lezen is van de aanslag inkomstenbelasting. Bij het ontbreken van een aanslag inkomstenbelasting wordt uitgegaan van het bij de Belastingdienst geregistreerde inkomen. Bij het opvragen van de Inkomstenbelastingverklaring vermeldt de Belastingdienst het bij de Belastingdienst geregistreerde inkomen, dan wel het verzamelinkomen ingeval er aangifte is gedaan.

Leerling

Voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs geldt dat kinderen de leeftijd van vier jaar moeten hebben bereikt om als leerling te worden toegelaten (artikel 39, eerste lid, van de WPO). In het derde lid van artikel 39 van de WPO is bepaald dat kinderen vanaf drie jaar en tien maanden ten hoogste vijf dagen (schoolgewenningsdagen) de basisschool mogen bezoeken. Deze kinderen zijn echter geen leerlingen in de zin van de wet, en de ouders kunnen dan ook geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening.

Voor het (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs geldt dat ouders van leerlingen die zijn toegelaten tot scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs aanspraak kunnen maken op een vervoersvoorziening indien wordt voldaan aan de voorwaarden van dit hoofdstuk. De leeftijd van de leerling is hierbij niet van belang.

Een belangrijke uitzondering vormen leerlingen die rijdende scholen bezoeken voor kinderen van kermisexploitanten of van circusmedewerkers (Titel B van het Besluit trekkende bevolking WPO). Ouders van leerlingen die deze scholen bezoeken kunnen geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening. De kosten voor noodzakelijk vervoer van deze leerlingen ten behoeve van het schoolbezoek vormen onderdeel van de materiële instandhouding van die scholen.

Ontwikkelingsperspectief

Voor leerlingen in het speciaal basisonderwijs, het speciaal onderwijs, het voortgezet speciaal onderwijs, het praktijkonderwijs (hierna: pro) én voor leerlingen, die in het regulier basis- en voortgezet onderwijs extra ondersteuning krijgen, zijn de scholen verplicht een ontwikkelingsperspectief op te stellen.

Het ontwikkelingsperspectief wordt in overleg met ouders vastgesteld. Het bevat de onderwijsdoelen van de leerlingen en het uitstroomprofiel (vervolgonderwijs, arbeidsmarktgericht en dagbesteding).

Openbaar vervoer

Bij de definiëring van het begrip ‘openbaar vervoer’ is aangesloten bij de begripsomschrijving zoals deze is vastgelegd in artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000, met uitzondering van de zinsnede ‘volgens een dienstregeling’; zodoende kan ook de regiotaxi desgewenst als een vorm van openbaar vervoer worden beschouwd.

Opstapplaats

Eén van de mogelijkheden om het vervoer efficiënter en daardoor goedkoper te organiseren, is het instellen van centrale opstapplaatsen, van waar de leerlingen met de taxi of bus worden vervoerd. Met een dergelijk systeem worden de leerlingen niet thuis voor de deur opgehaald, maar dienen zij zich, al dan niet onder begeleiding van de ouders, te begeven naar de door de gemeente aangewezen opstapplaats.

Een reistijd naar de opstapplaats van dertig minuten acht de Afdeling alleszins redelijk (ABRvS 26 februari 1992, nr. R03.89.0419/83-107).

Ouders

De omschrijving volgt de begripsbepalingen van de WPO en de WEC.

Ook pleegouders zijn aan te merken als verzorgers en vallen daarmee onder het begrip ‘ouders’.

Reistijd

De omschrijving van het begrip ‘reistijd’ is van belang om de tijd die een leerling met het openbaar vervoer onderweg is te kunnen vergelijken met de tijd die nodig is om diezelfde leerling met aangepast vervoer naar en van school te vervoeren. Immers, wanneer de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug meer dan anderhalf uur onderweg is én de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht, komt de leerling in aanmerking voor aangepast vervoer (artikel 3.1.17, eerste lid, aanhef en onder a).

De praktijk leert dat leerlingen, ongeacht de manier waarop zij de afstand naar school overbruggen, zo’n tien minuten voor de aanvang van de lessen op het schoolplein aankomen. Het ligt voor de hand deze tijd uit te sluiten van de reistijd. De eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer aan het einde van de schooldag wordt wel meegerekend. Wanneer een leerling met aangepast vervoer wordt vervoerd, is er tijd nodig de school te verlaten en in de taxi(bus) te stappen. Het is in dit geval dan ook redelijk enige tijd (tien minuten) op te tellen bij de berekende duur van de rit. Deze periode is ook volgens de Afdeling redelijk (ABRvS 5 oktober 1990, nr. R03.90.6236/86538).

Naast deze tien minuten is er vrijwel altijd sprake van een wachttijd, voordat de reis van een leerling werkelijk aanvangt. Veelal moeten leerlingen aan het einde van de schooldag wachten tot het aangepast vervoer na aankomst vertrekt. Er wordt dan gewacht op andere leerlingen van die school. Indien meerdere scholen in één route gecombineerd worden, kan datzelfde zich nogmaals voordoen wanneer er bij de volgende school gewacht moet worden op andere leerlingen. De totale tijd, dat een leerling aan het einde van de schooldag moet wachten op of in het aangepast vervoer kan op deze manier flink oplopen. Het is dan ook redelijk om van de vervoerder te verlangen, dat de wachttijd per leerling niet meer bedraagt dan ongeveer twintig minuten (inclusief de toegestane wachttijd van maximaal vijftien minuten op de eigen school van de leerling).

Samenwerkingsverband

Onder 1°

Een samenwerkingsverband primair onderwijs omvat volgens artikel 18a van de WPO alle binnen een bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van basisscholen, speciale scholen voor basisonderwijs, scholen voor speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en cluster 4. Een uitzondering vormen vestigingen van scholen waarvoor het bestuur is aangesloten bij een landelijk samenwerkingsverband.

Onder 2°

Scholen voor speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit samenwerkingsverband.

Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het samenwerkingsverband.

Onder 3°

Een samenwerkingsverband voortgezet onderwijs omvat volgens artikel 17a van de WVO alle binnen een bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van scholen voor voortgezet onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan voortgezet speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en cluster 4. Een uitzondering vormen vestigingen van scholen waarvoor het bestuur is aangesloten bij een landelijk samenwerkingsverband.

Scholen voor voortgezet speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit samenwerkingsverband.

Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het samenwerkingsverband.

School

Onder 1°

In de WPO gaat het om basisscholen en scholen voor speciaal basisonderwijs.

Onder 2°

In de WEC gaat het om onderwijs aan dove kinderen of slechthorende kinderen, kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden, visueel gehandicapte kinderen, lichamelijk gehandicapte kinderen, langdurig zieke kinderen, zeer moeilijk lerende kinderen, zeer moeilijk opvoedbare kinderen, meervoudig gehandicapte kinderen en kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten.

De WEC onderscheidt de volgende clusters:

Cluster 1: onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met deze handicap,

Cluster 2: onderwijs aan dove kinderen, slechthorende kinderen en kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps,

Cluster 3: onderwijs aan langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap, lichamelijk gehandicapte kinderen en zeer moeilijk lerende kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps en

Cluster 4: onderwijs aan langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke handicap, zeer moeilijk opvoedbare kinderen en kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten.

Het onderwijs van cluster 1 en cluster 2 wordt gegeven in instellingen. Deze instellingen vallen ook onder het begrip ‘school’.

Onder 3°

In de WVO gaat het om scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (hierna: vwo), hoger algemeen vormend onderwijs (hierna: havo), voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (hierna: vmbo) en pro.

Leerwegondersteunend onderwijs is geen aparte schoolsoort, maar betreft extra ondersteuning aan leerlingen in het vmbo.

Toegankelijke school

Leerlingen kunnen op grond van hun lichamelijke of geestelijke toestand zijn aangewezen op een bepaalde school.

In de WPO is bepaald dat het samenwerkingsverband primair onderwijs beoordeelt of een leerling toelaatbaar is tot een speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband of tot het speciaal onderwijs van cluster 3 en cluster 4 (artikel 18a, zesde lid, van de WPO). Het samenwerkingsverband laat zich daarbij adviseren door deskundigen.

De WVO2020 kent een dergelijke bepaling: het samenwerkingsverband voortgezet onderwijs beoordeelt of een leerling toelaatbaar is tot het voortgezet speciaal onderwijs (artikel 2.47, zevende lid, van de WVO2020). Ook hier geldt dat het samenwerkingsverband zich daarbij laat adviseren door deskundigen.

Vooralsnog bepaalt de regionale verwijzingscommissie de toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs (artikel 2.30 van de WVO2020) en beslist of een leerling op leerwegondersteunend onderwijs is aangewezen. Met ingang van 1 augustus 2015 wordt het praktijkonderwijs en het leerwegondersteunend onderwijs in het passend onderwijs geïntegreerd; dan beslist het samenwerkingsverband of een leerling toelaatbaar is tot het praktijkonderwijs of is aangewezen op leerwegondersteunend onderwijs.

Voor instellingen voor cluster 1 en cluster 2 geldt een afwijkende procedure. In de WEC is bepaald dat de commissie van onderzoek beoordeelt of een leerling in aanmerking komt voor het onderwijs op de instelling óf op begeleiding vanuit de instelling, waarbij de leerling dan is ingeschreven op een andere school (artikel 41, tweede lid, van de WEC).

Vervoer

Het vervoer vindt plaats in aansluiting op het begin en einde van de schooldag, zoals aangegeven in de schoolgids van de school. Alleen wanneer de leerplichtige leerling door een structurele handicap slechts een deel van het onderwijsprogramma kan volgen, kan in een voorkomend geval tijdens de schooltijd vervoerd worden. Sociale omstandigheden, lichamelijke problemen van tijdelijke aard of leeftijd zijn geen grond voor het vervoer tijdens schooltijd.

Met afwijkende roosters, zoals deze voorkomen in het voortgezet onderwijs, kan in beginsel geen rekening gehouden worden. De vervoerskosten zouden dan te hoog oplopen. Soms zijn, in overleg met leerlingen, ouders en de school, bepaalde vervoersarrangementen en -combinaties mogelijk, waarbij dan de leerlingen beurtelings een bepaalde tijd moeten wachten op het vervoer.

Vervoersvoorziening

De wet bepaalt dat de gemeenten het vervoer zelf kunnen verzorgen, dan wel doen verzorgen. In de begripsbepaling ‘vervoersvoorziening’ is dit nader uitgewerkt.

Woning

Onder ‘woning’ wordt verstaan: de plaats waar de leerling structureel en feitelijk verblijft. Hierbij is het niet relevant in welke gemeente de ouders en/of het kind staan ingeschreven.

Wanneer de leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft, bijvoorbeeld in verband met noodzakelijke opvang, dient een aanvraag voor een vervoersvoorziening bij die gemeente ingediend te worden. Vakantie van de ouders geldt overigens niet als reden voor noodzakelijke opvang van de leerling elders.

Het adres waar kinderen een bepaalde tijd vóór aanvang en/of na afloop van de schooldag worden opgevangen (de buitenschoolse opvang) valt in beginsel niet onder het begrip ‘woning’.

3.1.1. Doelstelling

Het doel van het leerlingenvervoer is om een financiële ondersteuning te verstrekken ten behoeve van passend vervoer van de woning dan wel de opstapplaats naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school aan de ouders van kinderen wie of van wie de school verder dan de, door de gemeente bepaalde, afstandsgrens gelegen is, of voor wie het medisch niet mogelijk is om de school zelfstandig te bereiken.

3.1.2. Aanvraagprocedure

Eerste lid

Indien ouders menen voor een vervoersvoorziening voor hun kind in aanmerking te komen, dienen zij een aanvraag in bij het college. De meerderjarige en handelingsbekwame leerling kan dit ook zelf doen. De aanvraag wordt gedaan in de gemeente waar de feitelijke en structurele verblijfplaats (woning) van de leerling is. Dit kan ook een vast logeeradres zijn, waar de leerling op vaste dagen verblijft. De gemeente stelt hiervoor een papieren of digitaal aanvraagformulier beschikbaar. Het is wenselijk om de aanvraag zo eenvoudig mogelijk te maken. Hierbij kan worden gedacht aan een voorgedrukt, dan wel deels ingevuld aanvraagformulier waarbij gebruik kan worden gemaakt van gegevens, die reeds bekend zijn bij de gemeente.

Tweede lid

Onder gegevens moet ook worden verstaan eventuele toevoeging van verklaringen (bewijsstukken), bijvoorbeeld een medische verklaring, werkgeversverklaring, verklaring van de rijksinspecteur van de belasting of een verklaring van overwegende bezwaren. Huisartsen zijn hiervan uitgezonderd, omdat de Landelijke Huisartsen Vereniging in haar richtlijn heeft opgenomen, dat huisartsen deze verklaringen niet mogen verstrekken. Het schaadt mogelijk de relatie met de patiënt en daar werken huisartsen liever niet aan mee. Bij twijfel zal de gemeente zelf een onafhankelijke deskundige moeten inschakelen.

Ouders zijn op grond van artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verplicht deze gegevens te overleggen, als deze van belang zijn voor de beslissing op de aanvraag. De gegevens dienen juist en volledig ingevuld te zijn. Het college bepaalt of dat daadwerkelijk het geval is.

Als het aanvraagformulier aanvulling behoeft of gecorrigeerd dient te worden, stuurt het college het aanvraagformulier terug. Ouders worden dan in de gelegenheid gesteld om de verlangde gegevens binnen een door het college te bepalen termijn (bijvoorbeeld vier weken) aan te vullen of te verbeteren. Wordt hiervan geen gebruik gemaakt, dan dient het college de afweging te maken of de aanvraag in behandeling wordt genomen (artikel 4:5, eerste lid, van de Awb). Op grond van artikel 4:5, vierde lid, van de Awb dient in een voorkomend geval aan de aanvrager bekend te worden gemaakt dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen.

Uit jurisprudentie blijkt dat gemeenten zich bij een afwijzende beschikking niet louter kunnen beroepen op een onjuist dan wel onvolledig ingevuld aanvraagformulier, maar dat zij bij hun beoordeling mede moeten betrekken wat de kennelijke bedoeling van de aanvrager is, zoals die uit aanvragen van de voorafgaande jaren gebleken is (zie ABRvS 9 november 1989, nr. R03.89.5831/S6535).

Artikel 4:15 van de Awb bepaalt dat de beslistermijn wordt opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. In artikel 3.1.2., vierde lid, is daarom bepaald dat het college binnen acht weken na ontvangst van alle benodigde gegevens een beslissing neemt.

Derde lid

Op de voor het verkrijgen van een vervoervoorziening verstrekte gegevens is de Algemene verordening gegevensbescherming van toepassing. Dit houdt in, dat de verstrekte persoonsgegevens slechts mogen worden gebruikt voor het kunnen behandelen van een aanvraag en het organiseren van het vervoer en of de bekostiging.

Vierde lid

Artikel 4:13 van de Awb bepaalt dat een redelijke termijn waarbinnen een beschikking dient te worden gegeven in ieder geval is verstreken indien het college binnen acht weken geen beschikking heeft gegeven, of aan de aanvrager een bericht van verdaging heeft gezonden.

Voor dit hoofdstuk is gekozen voor de wettelijk toegestane beslistermijn van acht weken.

Vijfde lid

Het kan voorkomen dat de gestelde afwikkelingstermijn niet haalbaar is voor de gemeente. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer het gevraagde oordeel van deskundigen uitblijft, of indien er sprake is van een bijzondere situatie. In dergelijke gevallen kan het college de beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen.

Uiterlijk een dag vóór het verstrijken van de tweede termijn dient een beschikking op de ingediende aanvraag door het college te zijn gegeven. Als blijkt dat ook de verdagingstermijn onvoldoende is, bijvoorbeeld als gevolg van het uitblijven van het advies van deskundigen, dient er toch een beschikking te worden afgegeven.

Een beschikking treedt niet in werking voordat deze bekend is gemaakt (artikel 3:44 van de Awb). De termijnen die in artikel 3.1.2. zijn opgenomen zijn inclusief de tijd die het college nodig heeft om een genomen beschikking aan de aanvragers bekend te maken.

Bezwaar en beroep

Er kan bezwaar gemaakt worden tegen een besluit van de gemeente, tegen het feit, dat de gemeente te laat beslist en tegen het verdagen van een besluit. Dit moet wel op tijd worden ingediend, namelijk binnen zes weken.

Als bovenstaande termijnen (acht weken en een eventuele verdaging van vier weken) overschreden worden, kunnen de aanvragers op basis van artikel 6:2 van de Awb daartegen bezwaar maken en beroep instellen. In dit geval is het bezwaar en beroep niet aan een termijn gebonden (artikel 6:12, eerste lid, van de Awb). Het bezwaar- of beroepschrift wordt niet-ontvankelijk verklaard indien het onredelijk laat is ingediend (artikel 6:12, derde lid, van de Awb).

Zesde lid

Een toegekende vervoersvoorziening kan bestaan uit een bekostiging aan de ouders, óf aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen, in de vorm van busvervoer of een taxi(busje).

In het geval van een bekostiging zal de ingangsdatum van deze bekostiging in principe samenvallen met de in het aanvraagformulier verzochte datum van ingang, maar niet zijn gelegen vóór de datum waarop de aanvraag door de gemeente werd ontvangen (onder a). Er vindt dus geen bekostiging met terugwerkende kracht plaats.

Wanneer de leerling aangepast vervoer krijgt aangeboden dat verzorgd wordt door de gemeente zal de datum van ingang zo veel mogelijk aansluiten bij de door de ouders verzochte datum. Deze ligt dan uiteraard niet vóór de datum waarop de aanvraag door de gemeente werd ontvangen. Bovendien dient rekening te worden gehouden met het feit dat het inschakelen of contracteren van een vervoerder enige tijd kan kosten (onder b).

Datum van aanvraag voor het nieuwe schooljaar

In dit hoofdstuk wordt geen datum genoemd waarvóór een aanvraag die het eerstvolgende schooljaar betreft moet zijn ingediend. Het vaststellen van een datum zou er toe kunnen leiden dat aanvragen die later worden ingediend als onrechtmatig worden beoordeeld door de accountant. Er kunnen echter gegronde redenen zijn voor het laat indienen van een aanvraag, bijvoorbeeld wanneer het nog niet vaststaat of een leerling op een bepaalde school wordt toegelaten.

De gemeente kan bij de voorlichting de ouders uiteraard wijzen op het belang van het indienen van een aanvraag zodra bekend is welke school de leerling gaat bezoeken.

3.1.3. Gesprek over zelfstandigheid en zelfredzaamheid bij de aanvraag

Eerste tot en met vierde lid

Om ouders te informeren over het leerlingenvervoer is het aan te bevelen een gesprek met de aanvrager(s) te voeren, om:

  • verwachtingen aangaande het leerlingenvervoer voor de eventuele komende jaren te managen;

  • de aanvraag goed te kunnen beoordelen;

  • te onderzoeken wat de vervoersmogelijkheden van de leerling zijn.

Indien dit mogelijk is, is het van meerwaarde om ook de leerling te betrekken bij het gesprek. Zonodig kan ook een deskundige betrokken worden bij het gesprek. Dit kan iemand met medische kennis zijn, zoals een orthopedagoog, iemand van de school, het samenwerkingsverband of anderszins.

In het gesprek wordt onderzocht in welke mate en in welk tempo te verwachten is, dat een leerling zelfstandig(er) kan reizen en hoe ouders hierbij kunnen ondersteunen en/of welke faciliteiten een gemeente daarbij biedt.

Het is aan te raden om dit gesprek in ieder geval bij een eerste aanvraag te voeren. Wanneer de omstandigheden van de leerling wijzigen kan dat aanleiding zijn om een nieuw gesprek te voeren (3e lid). Het spreekt voor zich, dat een schoolwissel en adreswijziging zo’n nieuwe omstandigheid is, maar ook het gegeven, dat de leerling ouder wordt en zich ontwikkelt kan gezien worden als een gewijzigde omstandigheid.

Indien de leerling niet de dichtstbijzijnde school bezoekt is dit eveneens onderwerp van gesprek. Wat is er gedaan om wél naar de school dichtbij de woning te gaan? En wat wordt er gedaan, ook door het samenwerkingsverband, om het onderwijs in de toekomst dichterbij te organiseren?

Zelfredzaamheid

Bij de beoordeling van een aanvraag leerlingenvervoer is het belangrijk te kijken naar wat een leerling kan en wil. De vergoedingsstructuur is zodanig opgebouwd, dat, binnen de gestelde criteria (beoordelingsfase), de meest zelfstandige en onafhankelijke manier van reizen door de leerling wordt vergoed. Ouders spelen hierin een belangrijke rol en een eigen verantwoordelijkheid. Het is aan hen om eventueel samen met hun sociale netwerk of met behulp van andere ouders hun kind zelf te (laten) vervoeren of te leren zelf naar school te reizen.

Veel leerlingen hebben door hun ontwikkelachterstand en/of gedragsproblemen extra begeleiding nodig op weg naar zelfstandigheid. Dit is een verantwoordelijkheid van de ouders, maar gemeenten kunnen hierbij ondersteunen door het inzetten van een leerproject, waarvan er verschillende worden aangeboden. Ook het bekostigen van het reizen met openbaar vervoer, bijvoorbeeld bij leerlingen van het voortgezet speciaal onderwijs, kan het voor gezinnen makkelijker maken om de weg naar zelfstandig reizen te vinden. Voor het voortgezet speciaal onderwijs is hiervoor de wettelijke plicht bij de invoering van de Wet passend onderwijs overigens weggevallen.

Uiteraard blijft het maatwerk om te beoordelen hoe een kind kan reizen. Daarin speelt niet alleen de beperking een rol, maar ook de leeftijd, de route en de behoeften van de leerling. Om het maatwerk te kunnen beoordelen is het van belang om kennis te hebben van de situatie van de leerling, de meest geschikte en haalbare vervoerswijze en de zelfredzaamheid van de leerling en het gezin.

Vijfde en zesde lid

Het college stelt, in overleg met de ouders en zo mogelijk met de leerling, een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan voor de leerling op. In dit plan wordt vastgelegd waar de leerling qua mobiliteit naartoe kan groeien en hoe dit begeleid moet worden. Het doel hiervan is om te beschrijven welke mogelijkheden er zijn om de leerling zelfstandiger te laten reizen, wat hiervoor nodig is, welke periode hiervoor gepland wordt, wat ouders hierin kunnen betekenen en waar de gemeente ondersteunt. Het onderwijs heeft ook tot doel om leerlingen zelfstandig te leren functioneren in de maatschappij. Onder meer voor dit doel wordt door de school een ontwikkelingsperspectief opgesteld voor de leerling. Dit plan wordt betrokken bij het vervoersontwikkelingsplan en het is aan te raden met scholen frequent overleg te hebben over wat te verwachten valt in het leerlingenvervoer.

Het moment waarop de leerling de leeftijd van negen jaar bereikt, lijkt een goed moment om het eerste persoonlijke vervoersontwikkelingsplan samen met de ouders en de leerling te maken. Dit plan kijkt twee tot drie jaar vooruit, maar kan jaarlijks naar aanleiding van de nieuwe aanvraag geëvalueerd worden. De ontwikkeling van kinderen staat immers niet stil en maakt, dat een kind zich sneller kan ontwikkelen dan gedacht. Voor de leeftijd van negen jaar in dit artikel geldt geen peildatum, waardoor er spreiding van gesprekken is.

Wanneer ouders geen medewerking willen verlenen aan het opstellen van een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan voor de leerling kan het college overwegen om een onafhankelijk medisch advies in te winnen, waarmee de vervoersmogelijkheden van de leerling duidelijk worden.

Advies van deskundigen

Het is voor een gemeente bij een aanvraag om een vergoeding leerlingenvervoer niet altijd duidelijk wat een kind met het oog op zelfstandig reizen kan. Het onderzoek daarnaar kan bepalend zijn voor het recht op een vergoeding en in andere gevallen bepalend zijn voor de vraag welke vervoerskostenvergoeding er wordt verstrekt. Daarmee is het een belangrijk onderdeel van de behandeling van een aanvraag. De mening van ouders en het advies van de school helpen niet altijd in voldoende mate. Een onafhankelijk onderzoek is soms noodzakelijk. De kosten hiervan komen voor rekening van de gemeente.

Adviezen kunnen worden gegeven door:

  • een pedagogisch deskundige;

  • de commissie voor de begeleiding, ingesteld door een of meer scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs van cluster 3 en cluster 4;

    de commissie van onderzoek, ingesteld door een of meer instellingen van cluster 1 en cluster 2;

    de ambulante begeleider van de leerling;

    de directeur van de school;

    het samenwerkingsverband;

  • de jeugdgezondheidsdienst;

  • de geneeskundige dienst;

  • een sociaal-medische adviesdienst;

  • een medicus gespecialiseerd in de betreffende handicap;

  • een orthopedagoog;

  • kinderpsycholoog, e.a.

Om een zo objectief mogelijk advies te verkrijgen is het van belang gerichte vragen te stellen en te verzoeken de antwoorden te motiveren.

3.1.4. Algemene voorwaarden voor toekenning van de vervoersvoorziening

Eerste lid

Ook als het college het vervoer zelf verzorgt of laat verzorgen, kan het van ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de vervoerskosten toekomt, verlangen een eigen bijdrage te betalen voor het vervoer van hun leerlingen (artikel 3.1.4., tweede lid).

De hoogte van deze eigen bijdrage, die slechts van toepassing is op ouders van leerlingen die scholen voor basisonderwijs of speciale scholen voor basisonderwijs bezoeken, is afhankelijk van het inkomen van de ouders en de afstand tussen de woning en de te bezoeken school (zie de artikelen 3.1.21. en 3.1.22.). Indien de ouders weigeren de bijdrage te betalen of nalatig hierin zijn leidt dit tot het vervallen van de aanspraak op de bekostiging dan wel, indien gebruik wordt gemaakt van bijvoorbeeld een taxi (busje), tot stopzetting van het vervoer.

Tweede lid

In het tweede lid komt ook tot uitdrukking dat het drempelbedrag en de bijdrage afhankelijk van het inkomen nooit hoger kunnen zijn dan de werkelijke kosten van vervoer.

Derde lid

De verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek blijft ingevolge de Leerplichtwet in alle gevallen bij de ouders liggen. In het derde lid is deze verantwoordelijkheid nog eens expliciet vastgelegd. Deze verantwoordelijkheid kan door de ouders niet op- of overgedragen worden aan de gemeente. De wettelijke regeling, noch de gemeentelijke verordening beperkt deze verantwoordelijkheid van de ouders.

Vierde lid

Het vierde lid bepaalt dat een leerling die meerderjarig en handelingsbekwaam is zelf een aanvraag voor leerlingenvervoer kan indienen, in plaats van de ouders of verzorgers.

Vijfde lid

Om enige beleidsruimte te creëren is in het vijfde lid bepaald, dat het college bij de toekenning van de vervoersvoorziening tevens de termijn van de verstrekking vastlegt. In de beschikking dient deze termijn aangegeven te worden. Per geval wordt de termijn bepaald.

Vanuit het oogpunt van lastenverlichting voor de burger is het wenselijk dat het aantal aanvragen zo veel mogelijk wordt beperkt. In dat kader verdient het aanbeveling om als gemeente te bezien of het mogelijk is om voor een langere periode dan één schooljaar de vervoersvoorziening toe te kennen. Wanneer te verwachten valt dat er geen verandering zal optreden in de lichamelijk of geestelijke toestand van de leerling en deze dus aan de geldende criteria blijft voldoen, is het wenselijk te kiezen voor een periode van enkele jaren, of zelfs voor de hele schoolperiode.

Als er in de situatie van de leerling echter verandering valt te verwachten, bijvoorbeeld een verbetering in de lichamelijke of geestelijke toestand, dient te worden gekozen voor een verstrekking over een termijn van één schooljaar.

De eigen bijdrage moet jaarlijks worden vastgesteld. Hiervoor dient de aanvrager jaarlijks de inkomensgegevens te overleggen, ook al wordt de vervoersvoorziening voor een langere periode verstrekt.

Aanvragers dienen wijzigingen die van invloed zijn op de toegekende vervoersvoorziening direct door te geven aan het college. Het is raadzaam aanvragers nadrukkelijk te wijzen op het feit dat ten onrechte genoten bekostiging kan worden teruggevorderd, dan wel kan worden verrekend (zie ook artikel 3.1.5.).

Tevens dient het college, wanneer er bekostiging plaatsvindt, de wijze en het tijdstip van uitbetaling te bepalen. Zo zal moeten worden bepaald of:

  • de bekostiging per maand, kwartaal, of halfjaar geschiedt;

  • de bekostiging in de vorm van een voorfinanciering of op declaratiebasis, dan wel via een vast termijnbedrag achteraf geschiedt.

De praktijk laat ten aanzien van de wijze en het tijdstip van betaling veel verschillende varianten zien. Afhankelijk van de lokale gewoonte of de lokale wensen kan hieraan invulling worden gegeven.

Zesde lid

Aan de verstrekking van een vervoersvoorziening kan het college voorwaarden verbinden. Zo kan het college bepalen, dat, bijvoorbeeld in het kader van het streven naar zelfredzaamheid, in de winterperiode een vergoeding van de kosten van het aangepast vervoer wordt verstrekt, onder de voorwaarde dat in de andere maanden met de fiets of het openbaar vervoer wordt gereisd en dat hiervoor wordt geoefend en/of wordt deelgenomen aan een project met dit doel. Ook is het mogelijk om te verwijzen naar het vervoersontwikkelingsplan bedoeld in artikel 3.1.3, vijfde lid.

Zevende lid

De vervoersvoorziening heeft betrekking op het vervoer tussen de woning en de school. Een vergoeding van het vervoer naar een opvanglocatie, zorglocatie, buitenschoolse voorziening of andere instelling anders dan een school zijn uitgesloten voor een vergoeding. Het staat het college vrij om in beleidsregels hiervan, al dan niet onder voorwaarden, af te wijken.

3.1.5. Herziening, opschorting, intrekking of terugvordering van de vervoersvoorziening

Eerste lid

Ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling zijn verplicht wijzigingen die van directe invloed zijn op de toegekende vervoersvoorziening zo snel mogelijk door te geven aan het college.

Van invloed op de vervoersvoorziening zijn onder andere:

  • wijziging in het woonadres van de leerling, bijvoorbeeld door verhuizing;

  • verandering van school (bijvoorbeeld van speciaal onderwijs naar voortgezet speciaal onderwijs);

  • wijziging van het adres van de school;

  • wijziging van de schooltijden;

  • verandering van de reistijd, bijvoorbeeld door een wijziging in het openbaar vervoer;

  • wijziging in de gezinssituatie, in verband met het al dan niet kunnen begeleiden van leerlingen.

Tweede lid

Als de wijziging daartoe aanleiding geeft trekt het college de verstrekte vervoersvoorziening in, en kent het college al dan niet opnieuw een vervoersvoorziening toe (artikel 3.1.5., tweede lid).

Van ouders van leerlingen die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoeken kan in bepaalde gevallen, afhankelijk van het inkomen, een bijdrage worden gevraagd (zie de artikelen 3.1.21 en 3.1.22.). Deze bijdrage kan worden verrekend met de eventuele bekostiging. Een wijziging in het inkomen van deze ouders heeft in principe geen invloed op de bekostiging van de vervoerskosten voor datzelfde jaar. Indien echter sprake is van een structurele daling in het inkomen van de ouders kan het college, vooruitlopend op een komend schooljaar, de bekostiging aanpassen.

Derde, vierde en zesde lid

Het college kan, zonder dat ouders of meerderjarige en handelingsbekwame leerling iets hebben doorgegeven, zelf wijzigingen constateren die van invloed kunnen zijn op de vervoersvoorziening. Daarbij kan blijken dat ten onrechte bekostiging is verstrekt. Het zesde lid biedt in dergelijke situaties een kapstok om de ten onrechte betaalde bekostiging terug te vorderen of in mindering te brengen bij eventueel nieuw te verstrekken bekostiging (zie ABRvS 25 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:165).

Een leerling aan wie een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer is verstrekt, kan het college de toegang tot dit vervoer tijdelijk of voor de rest van het schooljaar ontzeggen, indien bij herhaling is gebleken dat de leerling door onaangepast gedrag of anderszins de orde in het voertuig verstoort of de veiligheid van het voertuig en inzittenden in gevaar brengt. Het is aan te raden een protocol op te stellen, hoe het college handelt in dergelijke situaties. Uiteraard kunnen uitzonderlijke situaties noodzaken tot andere besluiten (bijvoorbeeld bij direct gevaar).

Vijfde lid

De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling gedurende het verblijf van de leerling in het aangepast vervoer berust bij de ouders. Zij moeten de gelegenheid krijgen hun kind te begeleiden bij het vervoer. Wanneer het gedrag beïnvloedbaar is door de leerling te laten begeleiden, is er geen reden om de leerling individueel te vervoeren.

Het recht op een vervoersvoorziening is geen absoluut recht. Als de leerling zich onaanvaardbaar gedraagt, kan dit gedrag er uiteindelijk toe leiden dat de vervoersvoorziening beëindigd wordt. Onder onaanvaardbaar gedrag door de leerling of de ouder wordt verstaan het gedrag dat onder de gegeven omstandigheden in het maatschappelijk verkeer onacceptabel is. Gedacht kan worden aan beschadiging van het interieur van de taxi(-bus), mishandeling van medepassagiers, grove belediging of bedreiging van de chauffeur etc. Voordat daar echter consequenties aan worden verbonden dient nagegaan te worden of het gedrag verwijtbaar is. Bepaalde aandoeningen kunnen met zich meebrengen, dat dit niet het geval is. In dat geval zal beoordeeld moeten worden of een andere vervoersvoorziening uitkomst biedt, zoals inzet eigen vervoer.

Het beoordelen van een aanvraag leerlingenvervoer valt uiteen in twee vragen. In eerste instantie zal beoordeeld moeten worden of er recht is op een vergoeding . In tweede instantie wordt onderzocht wat passend vervoer is voor de leerling.

In deze beoordelingsfase wordt beoordeeld of voldaan wordt aan de criteria die het college hanteert al dan niet recht te krijgen op een vergoeding leerlingenvervoer, ongeacht het type vervoersvoorziening.

Eerst nadat is vastgesteld dat aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening volgt de onderzoeksfase, waarin de aard en omvang van de vervoersvoorziening die kan worden toegekend wordt beschreven.

3.1.6. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school

Eerste lid

In de artikelen 4 van de WPO, de WEC en artikel 8.29 van de WVO2020 is bepaald dat de gemeenteraad bij het vaststellen van de verordening de “op godsdienst of levensbeschouwing van ouders berustende keuze van een school dient te eerbiedigen”. Tevens is in genoemde artikelen bepaald dat in de verordening geen onderscheid wordt gemaakt tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Als toegankelijke school is dan aan te merken de school van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school. Daar komt een tweede criterium bij, namelijk de school van de soort waarop de leerling is aangewezen op grond van zijn lichamelijke of geestelijke toestand.

Als dichtstbijzijnde school kan worden aangemerkt de school die naar afstand het dichtstbij gelegen is, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende (meest) begaanbare, veilige weg.

Wanneer een leerling een school bezoekt die, met voorbijgaan van een vergelijkbare school van dezelfde gewenste richting, verder van de woning van de leerling is verwijderd, blijft de aanspraak in principe beperkt tot de kosten verbonden aan het vervoer naar en van de dichtst bij de woning gelegen school. Het college is echter niet verplicht in dat geval deze kosten te vergoeden. Het college kan besluiten om in het geheel geen bekostiging te verstrekken, als vervoer aanwezig is waarvan de kosten voor de gemeente gelijk blijven, ongeacht het feit of de leerling van dat vervoer gebruik maakt. Bijvoorbeeld in het geval de gemeente busjes laat rijden naar de dichtstbij gelegen school.

Indien de situatie zich zou voordoen dat vervoer naar een verder van de woning van de leerling gelegen school van dezelfde richting voor de gemeente goedkoper zou zijn (of niet meer kosten met zich brengt), kan het college aan de ouders vragen ermee in te stemmen dat de leerling naar die school wordt vervoerd. Voor een openbare school geldt hetzelfde.

Richting

Als erkende richtingen binnen het bijzonder onderwijs gelden het (rooms) katholiek onderwijs, protestants-christelijk onderwijs (gereformeerd, hervormd), onderwijs naar de leer van de Gereformeerde kerk (vrijgemaakt), reformatorisch onderwijs en het evangelisch onderwijs; voorts het joods onderwijs, (orthodox) islamitisch onderwijs en het hindoe onderwijs, en ten slotte het algemeen bijzonder of neutraal bijzonder onderwijs en het onderwijs op antroposofische grondslag (vrijescholen). Sinds 2004 zijn gereformeerd en hervormd opgegaan in de Protestantse Kerk Nederland (PKN).

Een bepaalde onderwijskundige methode wordt niet tot het begrip ‘richting’ gerekend. Hiermee worden onder andere bedoeld: Jenaplanscholen, Montessorischolen, Daltonscholen, Iederwijsscholen, etc.

Instellingen voor cluster 1 en cluster 2

Voor instellingen voor cluster 1 en cluster 2 geldt het volgende: De instelling of de reguliere school waar de leerling is aangemeld of staat ingeschreven vraagt de toelaatbaarheid tot een instelling aan bij de commissie van onderzoek. Deze commissie beoordeelt aan de hand van criteria of een leerling is aangewezen op onderwijs op de instelling of op begeleiding vanuit de instelling.

Als de leerling niet toelaatbaar is tot de instelling, kunnen ouders hun kind inschrijven bij een reguliere school of, als daar reden voor is, bij een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs. De ouders kiezen zelf voor een school, maar kunnen daarbij advies krijgen van de commissie van onderzoek van de instelling. Bepaalt deze commissie dat de leerling extra ondersteuning nodig heeft op een reguliere school, dan krijgt de leerling begeleiding vanuit de instelling.

De school is vol

Het spreekt voor zich dat op een voor de leerling geschikte school wel ruimte voor de leerling moet zijn en dat de leerling moet zijn/worden toegelaten. Een school die vol is heeft geen zorgplicht voor de leerling.

Indien de dichtstbijzijnde school niet toegankelijk is voor een leerling omdat de school vol is, wordt een vervoersvoorziening toegekend naar de eerstvolgende dichtstbijzijnde, toegankelijke school. De aanspraak op vervoer naar deze verder weg gelegen school blijft bestaan, zolang er een wachtlijst is voor de dichtstbijzijnde school.

Als de wachtlijst is opgelost en de leerling kan worden geplaatst op de dichtstbijzijnde school – de gemeente dient naar de duur van de wachtlijst te informeren – kan de vervoersvoorziening beperkt worden tot aan de dichtstbijzijnde school, aangezien deze weer toegankelijk is geworden. Dit ongeacht het feit of de leerling vanaf dat moment ook daadwerkelijk de dichtstbijzijnde school gaat bezoeken. Ouders zijn vrij om hun kind naar elke school van hun keus te laten gaan, maar in het kader van het leerlingenvervoer hoeft slechts een vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde, toegankelijke school te worden verstrekt.

Dislocaties en nevenvestigingen

Als een school die een leerling bezoekt meer dan een locatie heeft, rijst de vraag of slechts de hoofdvestiging dan wel alle onderwijslocaties als school in de zin van dit hoofdstuk moeten worden beschouwd. Aansluitend bij de regelgeving inzake de huisvesting en materiele instandhouding geldt dat de feitelijke locatie die door de leerling wordt bezocht kan worden aangemerkt als ‘school’.

Tweede lid

Het tweede lid is een aanvulling op het eerste lid. Voor alle onderwijssoorten geldt de hoofdregel: een vervoersvoorziening wordt toegekend naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school. Volgens artikel 4, vijfde lid, van de WPO moet echter, wanneer het gaat om speciale scholen voor basisonderwijs, het vervoer naar de dichtstbijzijnde school in het samenwerkingsverband ook worden bekostigd. Dat hoeft niet persé de dichtstbijzijnde toegankelijke speciale school voor basisonderwijs te zijn. Het is mogelijk dat er een school buiten het samenwerkingsverband, maar dichterbij de woning is gelegen.

Na invoering van het passend onderwijs beoordeelt het samenwerkingsverband of leerlingen toelaatbaar zijn tot het onderwijs aan speciale scholen voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband (artikel 18a, zesde lid, aanhef en onder c, van de WPO). Een ‘toelaatbaarheidsverklaring’ voor een speciale school voor basisonderwijs, afgegeven door het samenwerkingsverband aan een leerling, geldt alleen binnen dat samenwerkingsverband (artikel 40, achtste lid, van de WPO). Een ander samenwerkingsverband kan immers gekozen hebben voor een hoger of lager niveau van basisondersteuningsvoorzieningen, die op elke school aanwezig zijn.

In het derde lid wordt gesproken van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is. Dit is op grond van de voorgaande leden van artikel 3.1.6. de dichtstbijzijnde toegankelijke basisschool. Daarnaast geldt, bij toepassing van het derde lid, aanhef en onderdeel b, ook hier het vereiste van schriftelijke instemming van de ouders.

Passend onderwijs

De zorgplicht van de school waar de leerling wordt aangemeld is een van de kernpunten van het passend onderwijs. Wanneer de school waar de leerling is aangemeld niet zelf in de benodigde onderwijsondersteuning kan voorzien, is het de verantwoordelijkheid van deze school om een andere school te vinden die wel een passende onderwijsplek kan bieden. Is het niet haalbaar om de leerling binnen het regulier onderwijs te plaatsen, dan kan een aanbod op het (voortgezet) speciaal onderwijs worden gedaan.

Bij de beoordeling of een school zelf in de benodigde ondersteuning kan voorzien vormt het schoolondersteuningsprofiel het uitgangspunt. In dit profiel wordt aangegeven welke ondersteuning deze school kan bieden.

Het samenwerkingsverband stelt een ondersteuningsplan op waarin – onder meer – wordt aangegeven welk niveau van basisondersteuning voor elke school geldt, hoe de scholen met elkaar een samenhangend geheel aan ondersteuningsvoorzieningen hebben gecreëerd, op welke wijze verwijzing naar het (voortgezet) speciaal onderwijs plaatsvindt en hoe zij ouders informeren. Uit het ondersteuningsplan blijkt welke scholen bepaalde ondersteuning kunnen bieden.

Symbiose

Wanneer een leerling van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs gedurende ten minste 180 minuten per week onderwijs volgt op een basisschool, een speciale school voor basisonderwijs of een school voor voortgezet onderwijs, is er sprake van symbiose (artikel 24 van de WEC en Titel IV van het Onderwijskundig besluit WEC). Daarvoor moet wel een overeenkomst tussen de scholen gesloten zijn. De leerling volgt in dat geval onderwijs op twee verschillende locaties. Komt de leerling in aanmerking voor een vervoersvoorziening naar de school waar hij staat ingeschreven, dan bestaat er in beginsel ook aanspraak op leerlingenvervoer naar de school waar een symbiose-overeenkomst mee gesloten is, voor zover deze reis voldoet aan de voorwaarden van de verordening. Het gaat dan om vervoer in aansluiting op het begin en einde van de schooldag.

3.1.7. Afstandsgrens

Eerste lid

Artikel 4, achtste lid, van de WPO en artikel 4, zevende lid, van de WEC stellen dat de gemeentelijke regeling kan bepalen dat geen aanspraak op bekostiging bestaat op grond van de afstand. Artikel 4, zevende lid, van de WPO stelt een afstand van zes kilometer als bovengrens. In Meppel kiezen we nu vanwege ervaringen uit de achterliggende jaren voor 5 kilometer. Gebleken is namelijk dat in een aantal gevallen de oude grens van 6 kilometer in Nijeveen tot ongewenste verschillen leidt . Bij 5 kilometer vallen alle leerlingen uit het dorp onder dezelfde voorwaarden. Bij 6 kilometer zou de ene leerling wel vervoerd worden en de andere niet, afhankelijk van de straat waar hij woont. Op deze manier is het voor het hele dorp gelijk. De afstand moet per route, zowel voor de heen- als voor de terugweg, worden bepaald.

Een combinatie van afstandscriterium en leeftijdscriterium is op grond van de wet niet mogelijk (artikel 4, achtste en negende lid, van de WPO en artikel 4, zevende en achtste lid, van de WEC). Met andere woorden: een voor de hand liggend onderscheid in afstand tussen jongere en oudere kinderen is niet toegestaan. Het is wel mogelijk om de afstandsgrens per schoolsoort te laten verschillen.

Tweede lid

Volgens artikel 4, het vierde lid, van de WEC en artikel 4, eerste lid, van de WVO komen leerlingen slechts voor een vervoersvoorziening in aanmerking als zij wegens hun handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel vanwege hun handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken.

Voor het voortgezet speciaal onderwijs (artikel 4, vierde lid, van de WEC) en het regulier voortgezet onderwijs (artikel 4, eerste lid, van de WVO) geldt, dat gehandicapte leerlingen slechts recht hebben op een vervoersvoorziening.

Om te kunnen beoordelen of een leerling door zijn handicap beperkt is om zelfstandig te reizen, is in een aantal gevallen onafhankelijk advies van deskundigen ter zake nodig. Het zal dan veelal gaan om de vraag of een leerling door zijn handicap in het geheel niet van openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken, of alleen onder begeleiding daarvan gebruik kan maken.

Zelfstandig reizen

De praktijk wijst uit, dat wanneer leerlingen geholpen worden om zelfstandig te leren reizen, de overstap er naar toe makkelijker wordt. In het kader van het stimuleren van het zelfstandig reizen, kan het college overwegen om leerlingen van het voortgezet speciaal onderwijs (onder voorwaarden) wél in aanmerking te laten komen voor een vergoeding voor het openbaar vervoer.

3.1.8. Aanwijzing opstapplaats

Eerste lid

Eén van de mogelijkheden om het vervoer efficiënter en daardoor goedkoper te organiseren, is het instellen van centrale opstapplaatsen, vanwaar de leerlingen met de taxi of bus worden vervoerd. Met een dergelijk systeem worden de leerlingen niet thuis voor de deur opgehaald, maar dienen zij zich, al dan niet onder begeleiding van de ouders, te begeven naar de door de gemeente aangewezen opstapplaats.

Tweede lid

In de uitspraak van 26 februari 1992 (nr. R03.89.0419/83-107) acht de Afdeling het redelijk dat de gemeente opstapplaatsen opstelt vanaf waar de leerling van het vervoer gebruik kan maken. De Afdeling vindt de reistijd, die niet meer dan dertig minuten bedraagt, alleszins redelijk. Hiermee is echter nog niet aangegeven wanneer de Afdeling de reistijd niet meer redelijk acht.

Wanneer gekozen wordt voor het aanwijzen van opstapplaatsen, dan is het van belang dat de gemeente daarbij let op de af te leggen afstand van huis naar de opstapplaats. Hierbij kan in ieder geval gedacht worden aan bestaande halteplaatsen binnen een loopafstand van dertig minuten. Het feit alleen dat de halte aan een drukke verkeersweg ligt en dus niet veilig genoeg zou zijn voor een leerling, is niet voldoende om af te zien van het aanwijzen van opstapplaatsen. Van ouders mag in dergelijke gevallen verwacht worden, dat zij hun kind begeleiden tot ten minste het moment dat hun kind in het voertuig is gestapt (zie ABRvS 24 augustus 1992, nr. R03.90.1504/83-105).

Wanneer een verzoek om een tegemoetkoming van de vervoerskosten wordt ingediend, blijft de afstand tussen de woning en de school relevant; het instellen van opstapplaatsen verandert daar niets aan. Dit betekent dat ouders die op bijvoorbeeld negen kilometer van de school wonen terwijl de gemeente op vijf kilometer afstand een opstapplaats heeft ingesteld, recht hebben op bekostiging van het vervoer (en eventueel begeleiding) over de resterende drie kilometer. Ook blijft het berekenen van de reistijd zoals dat nu geldt onverkort intact. Met andere woorden: de tijdsduur die gemoeid is met het bereiken van de opstapplaats telt mee als reistijd als bedoeld in artikel 3.1.17 eerste lid, onder a.

Derde lid

Wanneer het voor ouders onmogelijk is om de leerling naar de opstapplaats te begeleiden, dan wijst het college geen opstapplaats aan. Om te bepalen hoe ouders dit dienen aan te tonen zie artikel 3.1.17, eerste lid, onder c.

Vierde lid

Wanneer het vervoer niet goedkoper, maar zelfs duurder wordt, door het organiseren van opstapplaatsen, wijst het college geen opstapplaatsen aan. Het behaalt dan niet de efficiency, die het beoogt.

3.1.9. Peildatum leeftijd leerling

In artikel 3.1.16. is het leeftijdscriterium in het basisonderwijs als een van de – wettelijk toegestane – volumebeperkende middelen opgenomen om al dan niet in aanmerking te komen voor vervoer onder begeleiding. Dan verdient het aanbeveling een peildatum van de leeftijd van de leerling te kiezen. Om administratieve lasten te beperken is een peildatum gewenst die geldt voor het gehele schooljaar. Aangezien 1 augustus de wettelijke start is van het schooljaar, is deze datum als peildatum gekozen.

De bepaling houdt in dat indien de leerling op 1 augustus van een bepaald schooljaar acht jaar is, hij in het kader van dit hoofdstuk het gehele schooljaar als acht jaar wordt aangemerkt, ook al wordt de leerling halverwege het schooljaar negen jaar. Er hoeft dan ook maar één beschikking voor het gehele schooljaar te worden afgegeven.

Het recht op leerlingenvervoer staat overigens in geen relatie tot een bepaalde leeftijdgrens. Toelating en inschrijving bij een school volstaat.

3.1.10. Andere vergoedingen

Als kan worden aangetoond dat een aanvrager van leerlingenvervoer via een andere weg (bijvoorbeeld via de werkgever) vergoeding ontvangt voor de kosten van het vervoer naar school, mag de gemeente die vergoeding aftrekken van de bekostiging die de aanvrager zou hebben gekregen op basis van de verordening leerlingenvervoer. Ook is het mogelijk deze vergoeding als bijdrage in rekening te brengen, wanneer het om aangepast vervoer gaat dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen.

Het bovenstaande geldt echter niet voor vergoedingen die – op aanvraag – aan ouders van schoolgaande kinderen in het voortgezet onderwijs worden verstrekt op basis van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Deze vergoeding is opgebouwd uit verschillende componenten, zoals lesgeld, en is zeker niet uitsluitend bestemd voor reiskosten. Daarom wordt deze vergoeding niet verrekend met de vervoersvoorziening.

3.1.11. Schooltijden en wachttijden

Eerste lid

Het vervoer vindt plaats in aansluiting op het begin en einde van de schooldag, zoals aangegeven in de schoolgids van de school. Alleen wanneer de leerplichtige leerling door een structurele handicap slechts een deel van het onderwijsprogramma kan volgen, kan er in een voorkomend geval tijdens de schooltijd vervoerd worden. Sociale omstandigheden, lichamelijke problemen van tijdelijke aard of leeftijd zijn geen grond voor het vervoer tijdens schooltijd. De ouders dienen hun verzoek om een vervoersvoorziening op deze afwijkende tijden te onderbouwen door:

  • een verklaring van de leerplichtambtenaar, waaruit een leerplichtakkoord blijkt;

  • een opbouwschema om te komen tot een volledig schoolprogramma/onderwijstijd;

  • een verklaring van de (directie van de) school waaruit de medische noodzaak blijkt; of

  • een verklaring van een deskundige (bijvoorbeeld een arts, psycholoog of orthopedagoog) al dan niet door het college ingewonnen, waaruit de medische onmogelijkheid blijkt om de volledige schooltijden te volgen.

In alle andere situaties zijn ouders zelf verantwoordelijk voor de schoolgang van hun kind.

Vervoer dat nodig is in verband met een activiteit van de school (sportdag, excursie, sinterklaas- of andersoortige feestdagviering) vallen buiten het leerlingenvervoer.

Tweede en derde lid

In het voortgezet speciaal onderwijs en het regulier voortgezet onderwijs kan het voorkomen, dat er binnen de vaste schooltijden gewerkt wordt met lesroosters. Ook in dat geval vindt het vervoer in principe plaats op het begin en het einde van de schooldag volgens de schoolgids. Het college kan, ingeval van aangepast vervoer, echter overwegen om dan een wachttijd te hanteren, waarbij leerlingen op elkaar wachten, dan wel eerder op school zijn. Hierdoor kan het vervoer toch gecombineerd worden.

De gemeente zal indien mogelijk proberen de leerlingen met afwijkende schooltijden van één of meerdere scholen gezamenlijk te vervoeren, wanneer de begin- en/of eindtijden nagenoeg hetzelfde zijn (zie artikel 1 het begrip ‘reistijd’).

Het vervoer op afwijkende tijden kan leiden tot individueel aangepast vervoer buiten schooltijden en dat brengt extra vervoerskosten met zich mee. Gemeenten zijn hier in principe niet toe verplicht, tenzij de leerling een gedeeltelijke vrijstelling van de leerplicht heeft.

3.1.12. Tijdelijk verblijf buiten de gemeente

Een aanvraag wordt gedaan in de gemeente waar de leerling feitelijk en structureel verblijft. Dit hoeft niet de gemeente te zijn waar de leerling is ingeschreven in de Basisregistratie Personen.

Wanneer de leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft, bijvoorbeeld in verband met noodzakelijke opvang, is het de vraag of het redelijk is, dat deze gemeente de vervoerskosten moet dragen. Immers: bij gemeente A moeten de vervoersvoorziening (tijdelijk) worden stop gezet, bij gemeente B moet een vervoersvoorziening worden aangevraagd en een aantal weken later dienen zij het omgekeerde te doen.

Het incidentele karakter van dit verblijf en het vervoer zorgt voor een omslachtige belasting voor zowel de ouders als de tijdelijke gemeente. Bovendien bevat de definitie ‘woning’ een structureel karakter.

In voorkomend geval kan als volgt worden gehandeld.

Als de leerling door een crisissituatie gedurende een korte periode in een andere gemeente verblijft, zijn eigen school blijft bezoeken en van gemeentewege al een vergoeding leerlingenvervoer kreeg naar deze school, dan wordt dit verblijf voor de duur van maximaal zes weken aangemerkt als verblijf in de oorspronkelijke gemeente. De oorspronkelijke gemeente neemt dan de kosten voor vervoer voor de duur van maximaal zes weken voor haar rekening.

Wanneer de oorspronkelijke gemeente niet akkoord gaat met vergoeding van de kosten voor de eerste zes weken of als het verblijf een langere periode in beslag neemt, wordt door de oorspronkelijke gemeente geen vergoeding meer verstrekt. Er kan dan een vervoersvoorziening worden aangevraagd bij de gemeente waar de leerling gedurende die periode feitelijk woont. Dit verzoek wordt dan beoordeeld op basis van de eigen verordening van die gemeente.

Aangezien er in een dergelijke situatie over het algemeen geen sprake is van de dichtstbijzijnde toegankelijke school, bestaat er vaak geen recht op een vergoeding. In een dergelijke situatie dienen de desbetreffende gemeenten in onderling overleg te treden om de situatie voor de leerling zo goed mogelijk op te lossen. De kosten voor een dergelijke oplossing zouden gedragen kunnen worden door de oorspronkelijke gemeente (op basis van de hardheidsclausule of de Jeugdwet), waarbij de gemeente van de verblijfplaats van de leerling wel het vervoer organiseert. Wanneer door de rechter wordt bepaald dat de leerling definitief wordt geplaatst op het opvangadres, eindigt de tussen de gemeenten gemaakte afspraak en neemt de gemeente, waar de leerling nu definitief verblijft, een besluit.

Vakantie van de ouders geldt overigens niet als reden voor noodzakelijke opvang van de leerling elders.

3.1.13. Vervoersvoorziening naar stageadres

Eerste en tweede lid

Een stage kan deel uitmaken van het onderwijsprogramma van scholen voor voortgezet onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs. In het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel van het voortgezet speciaal onderwijs is voor leerlingen vanaf 14 jaar minstens één stage op ten hoogste vier dagen per week zelfs verplicht (artikel 17, eerste lid, van de WEC).

Wanneer de stage is opgenomen in de schoolgids van de school is het stageadres aan te merken als ‘school’. Komt de leerling in aanmerking voor een vervoersvoorziening naar de school waar hij staat ingeschreven, dan bestaat er in beginsel ook aanspraak op leerlingenvervoer naar het stageadres.

Voor stagevervoer moet een aparte aanvraag worden ingediend.

Derde tot en met vijfde lid

Het college kan daarbij vragen om een stageovereenkomst. Aangezien stage in feite een verlenging van de schoolactiviteit is, komen de dagen en tijden, waarvoor de vervoersvoorziening wordt verstrekt overeen met de reguliere schooltijden.

Naar analogie van ‘dichtstbijzijnde toegankelijke school’ wordt slechts een vervoersvoorziening verstrekt naar de dichtstbijzijnde toegankelijke stage en naar één stage-locatie. Hiervoor kan het college een maximale afstand van de woning of de school bepalen.

De gemeente kan tijdens het overleg scholen er op attenderen dat stageplaatsing financiële gevolgen kan hebben voor gemeenten. Scholen kunnen dit aspect dan mee laten wegen door een stageplek te zoeken zo dicht mogelijk bij huis, of op de route van het leerlingenvervoer.

Stage is een opstap naar deelname in het maatschappelijk verkeer. Bij het onderzoek naar wat passend vervoer is voor de leerling kan voor de stage een andere vervoersvoorziening worden verstrekt, dan naar de school van de leerling. Het doel blijft om zo zelfstandig mogelijk te reizen

3.1.14. Verstrekking van de vervoersvoorziening

Eerste lid

Bij het onderzoek naar wat passend vervoer is voor een leerling wordt uitgegaan van hoe de leerling zo zelfstandig mogelijk van en naar zijn school kan reizen. Wanneer een leerling nog niet zelfstandig kan reizen is, vanaf de leeftijd van 9 jaar, in het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan voor de leerling beschreven welke mogelijkheden er zijn om de leerling zelfstandiger te laten reizen, wat hiervoor nodig is, welke periode hiervoor gepland is, wat ouders hierin kunnen betekenen en waar de gemeente ondersteunt. Dit vervoersontwikkelingsplan wordt betrokken bij het onderzoek naar de reismogelijkheden.

Bij dit onderzoek kan ook het advies van deskundigen van belang zijn. In samenspraak met het samenwerkingsverband wordt bepaald wie het college in dergelijke situaties als deskundige kan adviseren (zie artikel 3.1.3.).

Tweede lid

Uit het onderzoek naar de zelfstandigste manier van reizen van de leerlingen kan naar voren komen, dat de leerling niet in staat is alleen met de fiets of het openbaar vervoer te reizen. Dit kan te maken hebben met de leeftijd van de leerling en/of de beperkingen, die de handicap van de leerling met zich mee brengt. In dat geval worden ook de vervoerskosten van de begeleider vergoed, niet alleen voor zover de begeleider met de leerling meereist, maar ook de terugreis naar het woonadres en de heenreis voor het weer ophalen van de leerling.

Soms is begeleiding in het aangepast vervoer noodzakelijk, bijvoorbeeld wanneer een leerling verzorging nodig heeft, of in het geval een leerling bepaald ongewenst gedrag vertoont. In dit geval worden eveneens alleen de kosten van het vervoer die aan deze begeleiding verbonden zijn vergoed. Ook kan de gemeente een plaats beschikbaar stellen in het aangepast vervoer. Salariskosten worden niet vergoed.

Voor medische begeleiding tijdens het vervoer is de gemeente niet verantwoordelijk.

4.1.16. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets

Eerste lid

Deze vergoeding kan worden verstrekt voor de leerling die een basisschool of school voor speciaal basisonderwijs (artikel 4 van de WPO) of een school voor speciaal onderwijs (artikel 4 van de WEC) bezoekt. De wet kent in artikel 4 van de WEC en de WVO2020 niet de mogelijkheid om het zelfstandig reizen van leerlingen van het voortgezet speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs te vergoeden.

De gemeente bekostigt de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer. Het gaat hierbij om de kosten die met de OV-chipkaart (of eventueel een andere, binnen de gemeente of regio geldende betaalmogelijkheid) worden gemaakt, rekening houdend met kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden.

Derde lid

Nieuw is een kilometervergoeding voor het gebruik van een (aangepaste) fiets. Deze vergoeding is opgenomen om het gebruik van de fiets te stimuleren. Het vergroot de ontwikkeling naar zelfredzaamheid van leerlingen en wordt daarom aangemoedigd.

3.1.16. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer of vervoer per fiets ten behoeve van eenbegeleider

Eerste lid

In een aantal gevallen zal blijken dat het voor een leerling niet mogelijk is zelfstandig met het openbaar vervoer of de fiets te reizen.

Leerling is jonger dan negen jaar

In artikel 3.1.7. is bepaald dat ouders van leerlingen van het primair onderwijs en speciaal onderwijs in aanmerking komen voor bekostiging van de vervoerskosten, als de afstand van de woning naar de school meer dan vijf kilometer is. Als daarbij de leerling jonger dan negen jaar is, en de ouders op een voor het college bevredigende wijze kunnen aantonen dat het kind niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken, komen de ouders in aanmerking voor de bekostiging van de vervoerskosten voor een begeleider. Hierbij kan men denken aan de volgende situaties:

  • de leerling moet een of meerdere malen overstappen;

  • de route van het uitstappunt van de bus naar de school kent gevaarlijke punten;

  • het is voor de leerling door zijn handicap niet veilig om alleen naar school te fietsen.

In dit verband is artikel 3.1.9 van belang. Indien de leerling op 1 augustus van het schooljaar acht jaar is, geldt voor het hele schooljaar dat de leerling als acht jaar wordt aangemerkt, ook al wordt de leerling in de loop van het schooljaar negen jaar.

De grens van negen jaar is gebaseerd op onderzoek (2001). Over het algemeen, zo bleek, kan een kind van negen jaar zonder begeleiding alleen met de fiets over straat.

Structurele handicap

Ouders van leerlingen die door hun structurele handicap niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen, komen in aanmerking voor bekostiging van de vervoerskosten voor de leerling én een begeleider, ongeacht de afstand van de woning naar de school.

Het gaat om de vraag of de leerling, door zijn handicap, al dan niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken.

Zo zijn er situaties denkbaar waarbij een leerling met een bepaalde structurele handicap wel degelijk zelfstandig met het openbaar vervoer kan reizen. Een gewenningsperiode zal dan meestal noodzakelijk zijn, waarbij de leerling de gelegenheid krijgt de weg te leren kennen, om leert gaan met de OV-chipkaart en dergelijke.

Bij de aanvraag dienen ouders verklaringen van deskundigen te overleggen. Het college kan ook advies van onafhankelijke deskundigen inwinnen (zie artikel 3.1.3.).

Wanneer er sprake is van een tijdelijke handicap (bijvoorbeeld een gebroken been) valt het vervoer van de leerling onder de verantwoordelijkheid van de ouders. Echter, wanneer de leerling een groot gedeelte van het schooljaar in verband met – bijvoorbeeld – herstel van een operatie en/of revalidatie niet of niet zelfstandig met het openbaar vervoer kan reizen, kunnen ouders een aanvraag voor een vervoersvoorziening indienen. Als criterium kan een termijn van langer dan drie maanden worden aangehouden. Toen de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten nog van kracht was werd ook een termijn van drie maanden aangehouden vóórdat er sprake kon zijn van een vervoersvergoeding.

Begeleiding

Begeleiding in het vervoer is primair een taak van de ouders. Als zij niet in staat zijn hun kind te begeleiden, dienen zij zelf voor een oplossing te zorgen. Zo kan ook een familielid, een kennis, een oppas, een van de buren, een ouder van een andere leerling of een klassenassistent de leerling begeleiden. Met de begeleiding van een jongere leerling door een oudere leerling moet uiteraard heel omzichtig worden omgegaan. Een en ander hangt af van factoren als leeftijd, verkeerssituaties en dergelijke.

Wie de leerling ook begeleidt, de bekostiging vindt plaats aan de ouders van de leerling voor het deel van de reis, dat de leerling begeleidt wordt. Als een begeleider meer dan een leerling tegelijk begeleidt, wordt de begeleider slechts één maal bekostigd. Dit sluit aan bij de systematiek, dat in het aangepast vervoer ook alleen het deel van de reis betaald wordt, dat de leerling meereist.

3.1.17. Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer

Eerste lid

Een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer dient in principe slechts in uitzonderingsgevallen te worden versterkt. Deze uitzonderingen zijn in artikel 3.1.17 vastgelegd.

Onderdeel a

Bij een reisduur tot anderhalf uur met het openbaar vervoer komt de vrijheid van de ouders om voor een bepaalde school te kiezen niet in de knel. Er kan aangepast vervoer worden aangeboden, wanneer de reistijd met aangepast vervoer, de reistijd ten opzichte van het openbaar vervoer met 50% of meer kan worden teruggebracht. Van belang is dat via individuele meting die conclusie kan worden getrokken. Overigens is het niet zo, dat de ouders in voorkomend geval van het college kunnen eisen dat de totale reistijd ook daadwerkelijk tot 50% of minder wordt teruggebracht. Het aangepast vervoer wordt veelal in combinatie van een aantal leerlingen georganiseerd. De reistijd is dan meestal langer, dan gemeten op individuele basis. Van belang is hier de omschrijving van het begrip ‘reistijd’ (zie artikel 1.5.).

De praktijk leert dat leerlingen, ongeacht de manier waarop zij de afstand naar school overbruggen, zo’n tien minuten vóór de aanvang van de lessen op het schoolplein aankomen. Het ligt voor de hand deze tijd uit te sluiten van de reistijd. De eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer aan het einde van de schooldag wordt wel meegerekend. Wanneer een leerling met aangepast vervoer wordt vervoerd, is er tijd nodig de school te verlaten en in de taxi(bus) te stappen. Het is in dit geval dan ook redelijk enige tijd (tien minuten) op te tellen bij de berekende duur van de rit (zie ABRvS 5 oktober 1990, nr. R03.90.6236/86538).

Het kan voorkomen dat voor de heenreis (woning-school) de reistijd van anderhalf uur met het openbaar vervoer overschreden wordt, terwijl dit voor de terugreis niet het geval is (of vice versa). In een dergelijk geval wordt er voor de heenreis aangepast vervoer toegekend, en voor de terugreis bekostiging op basis van openbaar vervoer.

Overigens kunnen ouders, als zij op basis van het criterium reistijd aanspraak op aangepast vervoer maken, niet van het college eisen dat de totale reistijd ook daadwerkelijk tot 50% of minder wordt teruggebracht.

Onderdeel b

In een aantal gemeenten ontbreekt openbaar vervoer geheel of rijdt zo weinig frequent dat leerlingen daar geen gebruik van kunnen maken voor het vervoer van de woning naar de school of terug.

In dat geval kan het college allereerst het volgende overwegen:

  • de vervoersonderneming verzoeken om wijzigingen aan te brengen in de dienstregeling, zodat het openbaar vervoer bruikbaar wordt voor het reizen naar de school en terug;

  • het bevoegd gezag van de school verzoeken de schooltijden (beter) af te stemmen op de dienstregeling van het openbaar vervoer.

Overigens biedt artikel 3.1.17., het eerste lid, aanhef en onderdeel b, het college de mogelijkheid om te beoordelen of de leerling in staat mag worden geacht met de fiets naar school te gaan (zie artikel 3.1.15.).

Onderdeel c

De ouders dienen op een voor de gemeente bevredigende wijze aan te tonen dat het hun onmogelijk is hun kind in het openbaar vervoer te begeleiden, of dat deze begeleiding tot ernstige benadeling van het gezin zou leiden. Van ouders wordt ook verwacht dat zij allereerst zelf een oplossing zoeken voor het (laten) begeleiden van hun kinderen, wanneer dit nodig is (zie artikel 3.1.17.).

In de toelichting op het amendement van de Kamerleden Dijkgraaf en Ferrier van 5 maart 2012, dat tot een wetswijziging heeft geleid, staat een en ander als volgt omschreven: “De inzet die van ouders wordt gevraagd moet redelijk zijn. Van ouders mag uiteraard een bepaalde mate van inzet verwacht worden, maar die inzet mag niet zover gaan dat de mogelijkheid van leerlingenvervoer illusoir wordt.”

Met de term ‘leerlingenvervoer’ zal overigens ‘aangepast vervoer’ bedoeld zijn.

Per ouder(paar) en per aanvraag zal het college moeten beoordelen of de gevraagde inzet redelijk is.

Onderdeel d

Als de leerling door zijn structurele handicap niet in staat is, zelfs niet onder begeleiding, van het openbaar vervoer gebruik te maken, verstrekt het college een voorziening in de vorm van aangepast vervoer.

3.1.18. Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer

Artikel 3.1.18. geeft nadere regels voor de bekostiging van het eigen vervoer. Hiervan is sprake wanneer ouders de leerlingen zelf naar school vervoeren of laten vervoeren met een eigen vervoermiddel (auto, bromfiets, etc.), of wanneer een leerling gebruikmaakt van de fiets.

Eerste lid

Als ouders de leerling zelf wensen te (laten) vervoeren, is toestemming van het college noodzakelijk. Een belangrijke maatstaf voor toestemming kan zijn dat de bekostiging van het vervoer door de ouders voor de gemeente goedkoper is. Daarvan is in ieder geval geen sprake als de leerling in aanmerking komt voor een voorziening in de vorm van aangepast vervoer, en er is plaats in een busje dat toch al rijdt.

Het college kan ouders ook vragen of zij bereid zijn de leerlingen naar school te vervoeren. Verplichten is echter niet toegestaan.

Tweede lid

De bekostiging van het eigen vervoer is gerelateerd aan de voorziening waar de ouders in principe op basis van de bepalingen in dit hoofdstuk voor in aanmerking komen:

Met het verdwijnen van de Reisregeling Binnenland is het reëel om voor de kilometervergoeding aan te sluiten bij de algemeen gebruikelijke belastingvrije kilometervergoeding (peil 2023: € 0,19) gerekend over de kortste afstand tussen de woning en de school. Omdat dit vrijwel gelijk is aan de helft van de voormalige vergoeding dient ’s morgens ook de retourreis en ’s middags ook de heenreis van de chauffeur vergoed te worden.

Geen vergoeding wordt verstrekt wanneer de leerling ook tussen de middag wordt vervoerd.

Derde lid

Het derde lid bepaalt dat ouders aanspraak maken op bekostiging op basis van een kilometervergoeding als zij – na toestemming van het college – meer dan één leerling tegelijk vervoeren. Dit geldt ook wanneer ouders in principe slechts aanspraak maken op bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer. De kilometervergoeding geldt voor de auto, en wordt niet per leerling verstrekt.

3.1.19. Bekostiging andere passende vervoersvoorziening

Het kan voorkomen, dat een leerling of een ouder op een andere manier kan of wenst te reizen, dan de reeds beschreven vervoerswijzen, als hij daarvoor een geschikt vervoermiddel heeft. Artikel 3.1.19. maakt het mogelijk dit maatwerk toe te passen en de vergoeding zodoende te laten aansluiten bij de vermogens van de leerling en/of de ouder. Het kan er tevens toe bijdragen, dat het zelfstandig reizen wordt gestimuleerd.

Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een handbike, elektrische fiets, bakfiets. Het college kan besluiten ouders hierin tegemoet te komen, mits de kosten van dit vervoermiddel niet uitstijgen boven de kosten van het openbaar vervoer naar de school.

3.1.20. Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie

Eerste tot en met derde lid

Artikel 4, zesde lid, van de WEC geeft aan in de verordening bepalingen op te nemen voor het weekeinde- en vakantievervoer. In artikel 3.1.20 wordt hier invulling aan gegeven.

Het artikel bevat twee belangrijke componenten:

1- Een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie wordt alleen verstrekt als het verblijf van de leerling in een internaat of een pleeggezin noodzakelijk is met het oog op het volgen van passend (voortgezet) speciaal onderwijs. Zo is het bepaald in de WEC.

Doorslaggevend is de directe relatie tussen het verblijf in een internaat of pleeggezin en het volgen van passend onderwijs op een school die ver van de woning is gelegen. Dit betekent dat het college geen vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie toekent, als de leerling passend onderwijs kan volgen op een school die redelijkerwijs met dagelijks vervoer vanuit het ouderlijk huis bereikt kan worden. Ook betekent dit dat er geen vervoersvoorziening van en naar de woning van de ouders wordt verstrekt als de leerling om medische of sociale redenen in een internaat of pleeggezin verblijft, en daar in de buurt een school bezoekt. De gemeente dient na te gaan op welke gronden een leerling op een internaat of bij een pleeggezin is geplaatst.

Ouders van leerlingen van het regulier en speciaal basisonderwijs en van het regulier voortgezet onderwijs komen niet in aanmerking voor een vervoersvoorziening voor het weekeinde of de vakantie.

2- Het college van de gemeente waar de ouders wonen verstrekt de vervoersvoorziening voor het weekeinde- en vakantievervoer, als de ouders daarvoor in aanmerking komen. Zo is het bepaald in de WEC. Het college van de gemeente waar de leerling in een internaat of een pleeggezin verblijft heeft hierin geen rol.

Wanneer de leerling in aanmerking komt voor dagelijks vervoer van het internaat of pleeggezin naar de school en terug, verstrekt het college van de gemeente waar de leerling in het internaat of het pleeggezin verblijft deze voorziening.

Vierde lid

Het vierde lid geeft aan dat artikel 3.1.17., eerste lid, aanhef en onder a, niet van toepassing is. Verder geldt het volgende:

  • Alleen die leerlingen van het voortgezet speciaal onderwijs komen in aanmerking voor een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie, die wegens hun structurele handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kunnen maken.

  • Voor de toekenning is bekostiging van de kosten van openbaar vervoer het uitgangspunt.

  • Het college bekostigt ook de kosten van het openbaar vervoer voor een begeleider, als de leerling wegens zijn structurele handicap of leeftijd niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken (zie artikel 3.1.16.).

  • Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer als:

    • a.

      openbaar vervoer ontbreekt;

    • b.

      begeleiding in het openbaar vervoer niet mogelijk is;

    • c.

      de leerling wegens zijn structurele handicap niet in staat is – ook niet onder begeleiding – van het openbaar vervoer gebruik te maken (zie artikel 3.1.17.).

  • Een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer wordt in dit geval niet verstrekt als de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer meer dan anderhalf uur onderweg is.

Het college kan toestaan dat de ouders de leerling zelf vervoeren of laten vervoeren. De bekostiging is dan afhankelijk van de vervoersvoorziening waarop de ouders aanspraak zouden maken (zie artikel 3.1.18).

3.1.21. Eigen bijdrage in de vorm van een drempelbedrag

Eerste en tweede lid

Artikel 4, zevende lid, van de WPO biedt gemeenten de mogelijkheid een drempelbedrag bij ouders in rekening te brengen. De wetgever heeft bedoeld de ouders verantwoordelijk te laten zijn voor een bepaald deel van de (werkelijk gemaakte) kosten van het vervoer, de zogenaamde drempel.

Het bedrag wordt per leerling in rekening gebracht, tenzij ouders meer dan één eigen kind met het eigen vervoer vervoeren en hiervoor een kilometervergoeding ontvangen. Dan wordt er per auto een drempelbedrag geheven (ABRvS 19 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1959). Als een leerling slechts voor een deel van het schooljaar een vervoersvoorziening wordt toegekend, wordt het drempelbedrag naar evenredigheid in rekening gebracht. Dit geldt ook wanneer alleen voor de heen- of terugreis een vervoersvoorziening wordt toegekend, of voor enkele dagen per week.

Bij het drempelbedrag is de ouderlijke bijdrage gekoppeld aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens, dat wil zeggen de afstand van de woning tot de school waarboven aanspraak kan bestaan op een vervoersvoorziening. Invoering van het drempelbedrag houdt in dat de kosten van het openbaar vervoer tot aan deze kilometergrens voor rekening van de ouders komen.

Doelgroep voor het drempelbedrag zijn de ouders van leerlingen van scholen voor basisonderwijs of speciale scholen voor basisonderwijs, die een gezamenlijk inkomen hebben dat boven een bepaalde grens uitkomt. Een uitzondering geldt voor leerlingen die wegens hun structurele handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, of vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken. Aan hun ouders mag geen drempelbedrag gevraagd worden.

Voor deze leerlingen geldt ook geen kilometergrens als voorwaarde voor een vervoersvoorziening.

Aan ouders van leerlingen die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoeken kan geen drempelbedrag worden opgelegd, aangezien de WEC deze mogelijkheid niet biedt.

Onder ‘inkomen’ moet worden verstaan: het inkomensgegeven, zoals bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in het peiljaar.

De inkomensgrens voor het drempelbedrag en de wijze van indexering zijn bepaald in artikel 4, zevende lid, van de WPO.

Als peiljaar moet worden aangemerkt het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het schooljaar waarvoor bekostiging van de vervoerskosten wordt gevraagd, begint (zie artikel 1). Als grenswaarde wordt in de wet een gezamenlijk inkomen genoemd van € 17.700,- voor het school jaar 1998-1999; dit bedrag moet per 1 januari 1999 jaarlijks worden geïndexeerd op een voorgeschreven wijze.

In de modelverordening is de grenswaarde van het gezamenlijk inkomen voor het heffen van een drempelbedrag voor het schooljaar 2020-2021 (dus voor het peiljaar 2018) vastgesteld op € 27.000,-.

Derde lid

Als een drempelbedrag wordt ingevoerd, is de gemeente voor de berekening van de hoogte daarvan gebonden aan de wet. Er kan niet worden gewerkt met een fictief bedrag. Het gaat om de kosten van het openbaar vervoer die zouden worden gemaakt om de afstand tot aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens te overbruggen. De kosten van het openbaar vervoer worden berekend, die met de OV-chipkaart (of eventueel een andere, binnen de gemeente of regio geldende betaalmogelijkheid) zouden worden gemaakt, rekening houdend met kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden.

Bij de vaststelling van de hoogte van het drempelbedrag is het niet van belang of de leerling daadwerkelijk gebruikmaakt van het openbaar vervoer. Ook wanneer de leerling gebruikmaakt van aangepast vervoer, of wanneer er geen openbaar vervoer aanwezig is, dienen de ouders de kosten van het openbaar vervoer over de afstand tot aan de door de gemeente gestelde kilometergrens zelf te dragen. In dat geval wordt uitgegaan van de meest gangbare, voor de leerling toegankelijke route, en gerekend met een OV-prijs die geldt binnen het betreffende vervoersgebied.

Afwijkende bepalingen

Het heffen van een drempelbedrag is in de WPO een ‘kan’-bepaling. Dat wil zeggen, dat het college ervan kan afzien een eigen bijdrage te vragen. Het college kan de ouders altijd in positieve zin tegemoet komen, maar er zijn grenzen aan wat het college ouders mag opleggen. Het is bijvoorbeeld mogelijk om voor scholen voor speciaal basisonderwijs een andere kilometergrens te hanteren dan voor reguliere basisscholen. Ook kan de gemeente het drempelbedrag wel voor het ene maar niet voor het andere schooltype invoeren.

Wanneer aan meerdere kinderen van een gezin een vervoersvoorziening is toegekend, en daarbij het inkomen van de ouders relatief laag is, kan het drempelbedrag een grote financiële belasting betekenen. De gemeente kan bepalen dat het drempelbedrag een beperkt aantal keer per gezin geheven wordt.

Aantonen van het inkomen

Als de gemeente zelf geen inzage kan verkrijgen in de inkomensgegevens kunnen aanvragers een kopie van de belastingaanslag sturen om het inkomen aan te tonen. Ouders kunnen ook een inkomensverklaring opvragen bij de belastingdienst.

Wanneer ouders weigeren de gevraagde informatie over hun inkomen te verstrekken, wordt op grond van artikel 4:15 van de Awb de beslistermijn opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld, of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. In het laatste geval kan het college besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen. De aanvragers worden hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld (zie artikel 3.1.2.).

Als het gezamenlijk inkomen van het peiljaar nog niet bekend is, kan het derde jaar voorafgaande aan het desbetreffende schooljaar als voorlopig uitgangspunt worden gehanteerd. In een later stadium, als het inkomen van het peiljaar wel bekend is, kan een definitieve berekening worden gemaakt.

Structurele daling van inkomen

Wanneer het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het peiljaar en het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend op een structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in het voordeel van de ouders een later peiljaar te kiezen door gebruik te maken van de afwijkingsmogelijkheid van artikel 26. Om te bepalen in welk geval het redelijk is van de peildatum af te wijken, kan artikel 6.12 van de Wet studiefinanciering als richtsnoer dienen.

Pleegouders

Pleegouders kunnen als ‘ouders’ in de zin van de verordening worden aangemerkt (zie artikel 1.5.). Zij kunnen dus, als zij voldoen aan de voorwaarden, in aanmerking komen voor een vervoervoorziening. In de uitspraak van 31 augustus 1993 (nr. R03.93.1702 en nr. R03.93.1773) vindt de Afdeling het redelijk dat als de verzorgers pleegouders zijn, hun ook het drempelbedrag in rekening gebracht kan worden. (Uiteraard hebben gemeenten de vrijheid om op dit punt gebruik te maken van de hardheidsclausule in artikel 1.9.)

In tegenstelling tot de vrijwillige plaatsing zijn de natuurlijke ouders bij een justitiële plaatsing niet meer aan te spreken voor de extra kosten, tenzij de natuurlijke ouders en niet de pleegouders de aanvraag hebben ingediend.

In de bekostiging op basis van de Regeling vrijwillige pleegzorg zit in het algemeen geen component voor de kosten van het schoolbezoek, die door de gemeente in mindering gebracht kan worden op de gemeentelijke bekostiging voor het leerlingenvervoer. Pleegouders die bekostiging ontvangen op basis van de Regeling vrijwillige pleegzorg, dienen bij een honorering van hun aanvraag tot bekostiging van de kosten van het leerlingenvervoer door de gemeente ook het drempelbedrag per schooljaar aan de gemeente te betalen, als hun inkomen boven de inkomensgrens ligt. Tevens zullen de pleegouders de eventuele bijdrage naar financiële draagkracht aan de gemeente moeten voldoen. Eventueel kunnen zij deze kosten wel verhalen op de natuurlijke ouders of voogden van de leerling.

Voogdij-instellingen kunnen ook als ‘ouder’ worden aangemerkt. Zij kunnen tevens een aanvraag indienen. Bij hen kan echter geen drempelbedrag worden vastgesteld, omdat zij geen inkomen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting hebben. (Deze wet ziet op natuurlijke personen.)

Invordering drempelbedrag

Artikel 3.1.21. geeft de regels voor de invordering van het drempelbedrag.

Wanneer het college zelf het vervoer verzorgt of laat verzorgen dienen de ouders die daarvoor in aanmerking komen het drempelbedrag aan de gemeente over te maken. Wanneer de ouders in gebreke blijven vervalt de aanspraak en wordt het vervoer stopgezet. Wanneer het college een bekostiging voor de vervoersvoorziening verstrekt, wordt hierop het drempelbedrag in mindering gebracht.

Zelfstandig reizen

Wanneer een leerling de overstap maakt van aangepast vervoer naar zelfstandig reizen met het openbaar vervoer of de fiets, kan de vergoeding hiervan wegvallen tegen het te betalen drempelbedrag. De gemeente kan bepalen dat het drempelbedrag dan niet of beperkt geheven wordt.

Vijfde lid

De ouders van gehandicapte leerlingen, die niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen, zijn vrijgesteld van het betalen van een eigen bijdrage.

3.1.22. Eigen bijdrage in de vorm van een draagkrachtafhankelijke bijdrage

Artikel 4, elfde lid, van de WPO biedt gemeenten de mogelijkheid een bijdrage te vragen in de kosten van het vervoer, wanneer de afstand tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school meer is dan twintig kilometer. Deze bijdrage kan alleen worden gevraagd wanneer het een school voor regulier basisonderwijs betreft. De bijdrage is afhankelijk van de financiële draagkracht van de ouders.

Er wordt geen bijdrage gevraagd wanneer het gaat om leerlingen die wegens hun structurele handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, of vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken.

De draagkrachtafhankelijke bijdrage wordt per gezin geheven, in tegenstelling tot het drempelbedrag dat per leerling in rekening wordt gebracht.

In artikel 3.1.22 is gekozen voor een systeem waarin met een aantal inkomensblokken wordt gewerkt, waaraan een vooraf vastgestelde draagkrachtafhankelijke ouderlijke bijdrage is gekoppeld. Zowel de bedragen van de inkomensblokken als van de verschuldigde bijdrage worden geïndexeerd vastgesteld op een wijze die aansluit bij artikel 4 van de WPO.

Voor het aantonen van het inkomen, hoe om te gaan met een structurele daling van het inkomen, een aanvraag door pleegouders en de invordering (zie artikel 3.1.21).

De ouders van gehandicapte leerlingen, die niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen, zijn vrijgesteld van het betalen van een eigen bijdrage.

Artikelsgewijs Hoofdstuk 5 Overige taken in het Sociaal domein

Artikel 5.3.3. Protocol behandeling klachten en verzoeken

In het Besluit is al deels omschreven hoe de voorziening haar taken uit moet voeren. Zo bevat artikel 4 een opsomming van hoe de voorziening onafhankelijke bijstand verleent, is in artikel 9 en 10 in grote lijnen kenbaar gemaakt hoe de voorziening (voor)onderzoek doet naar een klacht en is in artikel 11 beschreven welke voorwaarden er voor de voorziening zijn om tussen een klager en een beklaagde te bemiddelen.

Op grond van artikel 6 van het Besluit dient de voorziening echter ook een protocol vast te stellen waarin is vastgelegd hoe de voorziening klachten behandelt. Verder dient de voorziening op grond van artikel 12, derde lid, van het Besluit een protocol vast te stellen waarin staat hoe de voorziening verzoeken behandelt om een onderzoek te doen naar de wijze waarop een persoon, werkzaam onder de voorziening, zich jegens een klager of beklaagde heeft gedragen.

In artikel 5.3.3. van deze verordening zijn een viertal elementen opgesomd die in elk geval een plaats moeten krijgen in het protocol voor de behandeling van klachten en verzoeken. In de eerste plaats is geregeld dat het protocol moet voorzien in een afdoeningstermijn zodat helder is hoe lang de behandeling van een klacht of verzoek duurt. Verder moet het protocol voorschriften bevatten over de wijze waarop de voorziening een klacht of verzoek afdoet. Dit betekent dat de voorziening, aan de hand van hetgeen in het Besluit opgenomen is, uit moet werken welke stappen de voorziening tijdens het proces zet en welke werkwijze de voorziening daarbij precies toepast. Daarnaast moet het protocol regels bevatten over de registratie van klachten en verzoeken. Dit onder andere zodat duidelijk is hoe de voorziening de privacy waarborgt. Tot slot is opgenomen dat in het protocol moet staan hoe verslaglegging richting burgemeester en wethouders plaatsvindt. Dit in verband met de verplichting van burgemeester en wethouders om op grond van artikel 3 van de Wet jaarlijks verslag uit te brengen aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de door de voorziening geregistreerde klachten.

Lijst van afkortingen

ABRVS: Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State

Awb: Algemene wet bestuursrecht

FDMA Fonds Deelname Maatschappelijke Activiteiten

IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers

IOAZ: Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen

Jw: Jeugdwet

PW: Participatiewet

SZW: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

WAMS: (wetsvoorstel) Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein

WEC: Wet op de expertisecentra

WI: Wet Inburgering

Wlz: Wet Landurige Zorg

Wmo2015: Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015

WPO: Wet op het primair onderwijs

WVO2020: Wet op het voortgezet onderwijs 2020

ZVW: Zorgverzekeringswet