Treasurystatuut 2025

Geldend van 17-02-2026 t/m heden

Intitulé

Treasurystatuut 2025

Hoofdstuk 1 Inleiding

Het Treasurystatuut is het kader voor het sturen en beheersen, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financieringspositie en de hieraan verbonden risico's. In de Wet financiering decentrale overheden (Wet fido) worden de kaders gesteld voor een verantwoorde, verstandige en professionele inrichting en uitvoering van de treasuryfunctie van decentrale overheden.

De Wet fido definieert de treasuryfunctie als:

het sturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op:

de financiële vermogenswaarden, de financiële geldstromen, de financiële posities en de hieraan verbonden risico’s

De gemeente heeft twee instrumenten op het gebied van treasury:

  • 1.

    Het treasurystatuut. In het treasurystatuut wordt de ‘beleidsmatige infrastructuur’ van de treasuryfunctie vastgelegd in de vorm van uitgangspunten, doelstellingen, richtingen en limieten. Het statuut maakt een objectieve en transparante verantwoording vooraf en achteraf mogelijk.

  • 2.

    Paragraaf financiering. Naast het treasurystatuut neemt de gemeente jaarlijks de paragraaf financiering op in zowel de begroting als het jaarverslag van de jaarstukken. Hierin worden de specifieke beleidsvoornemens respectievelijk de uitvoering van het beleid op het gebied van treasury toegelicht.

In dit statuut leggen we eerst uit wat we bedoelen met bepaalde begrippen en wat het doel is van de treasuryfunctie van de gemeente Beverwijk. Daarna maken we dit concreet voor drie onderdelen van treasury: het omgaan met risico’s, het regelen van geld voor de gemeente, en het beheren van de kas.

Ook beschrijven we hoe de organisatie rondom treasury is geregeld. Daarbij is het belangrijk dat duidelijk is wie welke taken heeft, wie ergens over mag beslissen, en wie waarvoor verantwoordelijk is.

De gemeente Beverwijk vindt het belangrijk om goed en verantwoord om te gaan met haar geld. Daarom wil de gemeente haar werkzaamheden op het gebied van treasury (zoals het beheren van geld en leningen) zo duidelijk en goed te controleren als mogelijk organiseren.

Op basis van de Financiële verordening art 18 lid 3 van de gemeente dient het treasurystatuut tenminste eens in de vier jaar aan de raad te worden aangeboden ter vaststelling Het huidige treasurystatuut was in 2020 vastgesteld.

Bij het opstellen van het treasurystatuut is rekening gehouden met de bepalingen van de wettelijke kaders (o.a. Gemeentewet, Wet fido, Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden (Ruddo) het verplicht schatkistbankeieren en de Uitvoeringsregeling financiering decentrale overheden).

Tot slot leggen we vast welke informatie nodig is om het hele proces goed te kunnen volgen en controleren. In de toelichting bij de artikelen leggen we, waar nodig, uit wat er precies in het treasurystatuut staat. Het treasurystatuut 2025 vervangt het treasurystatuut 2020.

Hoofdstuk 2 Begrippenkader

Artikel 1. Begrippenkader

In dit artikel worden de belangrijkste begrippen gedefinieerd die met betrekking tot treasury relevant zijn.

Algemene begrippen treasuryfunctie:

  • a.

    De treasuryfunctie omvat alle activiteiten die zich richten op het sturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financiële vermogenswaarden, de financiële stromen, de financiële posities en de hieraan verbonden risico’s.

  • b.

    Het treasurybeleid bestaat uit de uitgangspunten, doelstellingen, richtlijnen en limieten, de organisatorische en administratieve kaders, de informatievoorziening en de administratieve organisatie ter uitvoering van de treasuryfunctie. Het beleid wordt vastgelegd in een treasurystatuut.

  • c.

    Het treasurybeheer is de (beleids)uitvoering van de treasuryfunctie, binnen de kaders van het treasurystatuut. De beleidsuitvoering vindt zijn weerslag in specifieke beleidsplannen. Deze en de realisaties daarvan voor een referentieperiode komen aan de orde in de paragraaf financiering van achtereenvolgens de programmabegroting en de programmarekening.

De treasuryfunctie bestaat uit drie treasury deelfuncties:

Risicobeheer

  • renterisicobeheer

  • kredietrisicobeheer

  • koersrisicobeheer

  • intern liquiditeitsrisicobeheer

  • valutarisicobeheer

Gemeentefinanciering

  • financiering (voor minimaal 1 jaar)

  • uitzettingen (voor minimaal 1 jaar)

  • relatiebeheer

Kasbeheer

  • geldstromenbeheer (inclusief betalingsverkeer)

  • saldobeheer op dag basis

  • liquiditeitenbeheer (tot 1 jaar)

In dit statuut wordt verstaan onder:

Begrip

Omschrijving

Financiering

Het aantrekken van benodigde financiële middelen voor een periode van minimaal één jaar. Deze middelen kunnen bestaan uit zowel eigen vermogen als vreemd vermogen;

Garantie

Een borgstelling waarbij de gemeente zich tegenover een geldverstrekker verbindt een of meerdere vorderingen van een geldverstrekker op een debiteur te voldoen indien de debiteur niet aan zijn betalingsverplichtingen voldoet;

Geldstromenbeheer

Al die activiteiten die nodig zijn om liquiditeiten te transfereren zowel binnen de organisatie zelf als tussen de organisatie en derden (betalingsverkeer);

Gemeente

De gemeente Beverwijk;

Intern liquiditeitsrisico

De risico’s van mogelijke wijzigingen in de liquiditeitenplanning en meer jaren investeringsplanning waardoor financiële resultaten kunnen afwijken van de verwachtingen;

Kasgeldlening

Opname of uitzetting van geldmiddelen voor korte termijn (van 1 week tot 12 maanden);

Kasgeldlimiet

Een bedrag op basis van de Wet fido ter grootte van een percentage van het totaal van de jaarbegroting van de gemeente bij aanvang van het jaar;

Koersrisico

Het risico dat de financiële activa van de organisatie in waarde verminderen door negatieve koersontwikkelingen

Kredietrisico

De risico’s op een waardedaling van een vordering ten gevolge van het niet (tijdig) na kunnen komen van de verplichtingen door de tegenpartij;

Derivaten

Financiële instrumenten die hun bestaan ontlenen aan een bepaalde onderliggende waarde. De onderliggende waarden kunnen financiële producten, zoals leningen of obligaties zijn. Derivaten worden onder ander gebruikt om renterisico’s te sturen en financieringskosten te minimaliseren

Liquiditeitenbeheer

Het financieren en uitzetten van middelen voor een periode tot één jaar;

Liquiditeitenplanning

Een gestructureerd overzicht van de toekomstige inkomsten en uitgaven ingedeeld per tijdseenheid;

Onderhandse geldlening

Leningen waarbij de voorwaarden van de lening in onderling overleg met de geld gevende partij worden vastgesteld;

Publieke taak

Gemeenten kunnen uitsluitend leningen aangaan, middelen uitzetten en garanties verlenen voor de uitoefening van de publieke taak. De Wet fido geeft aan het begrip publieke taak een beperkte invulling. Bankachtige activiteiten (het aantrekken en uitzetten van middelen met als doel het genereren van inkomen) worden hiertoe niet gerekend en zijn verboden. De gemeenteraad bepaalt het kader van de publieke taak, binnen de normen van de Wet fido

Rating

Een oordeel over de kredietwaardigheid van een bedrijf, bank of een ander soort financiële instelling, financiële producten of een land;

Renterisico

Het gevaar van ongewenste veranderingen van de (financiële) resultaten van de gemeente door rentewijzigingen;

Renterisiconorm

Een bij de aanvang van het jaar op basis van de Wet fido gefixeerd percentage van het totaal van de vaste schuld van de gemeente dat bij de realisatie niet mag worden overschreden;

Rente typische looptijd

Het tijdsinterval gedurende de looptijd van een geldlening, waarin op basis van de voorwaarden van de geldlening sprake is van een door de verstrekker van de geldlening niet beïnvloedbare, constante rentevergoeding;

Rentevisie

Toekomstverwachting over de renteontwikkeling;

Saldobeheer

Het beheer van de dagelijkse saldi op de rekeningen;

Schatkistbankieren

Het (verplicht) aanhouden van publieke middelen bij het Ministerie van Financiën;

Solvabiliteitsratio van 0%

Status die door een bancaire toezichthouder in een EU-lidstaat aan het schuldpapier van een instelling kan worden toegekend;

Treasuryfunctie

De treasuryfunctie omvat alle activiteiten die zich richten op het besturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financiële vermogenswaarden, de financiële stromen, de financiële posities en de hieraan verbonden risico’s. De treasuryfunctie bestaat uit vier deelfuncties: risicobeheer, gemeentefinanciering, kasbeheer en debiteuren- en crediteurenbeheer;

Uitzetting

Het tijdelijk toevertrouwen van liquiditeiten aan derden tegen vooraf overeengekomen condities en bedingen. Kortlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode tot één jaar en langlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode van één jaar of langer.

Vaste schuld

Schuldtitels met een looptijd van minimaal één jaar en één dag;

Vlottende schuld

Schuldtitels met een looptijd van maximaal één jaar;

Wet fido

Wet financiering decentrale overheden.

Artikel 2. Algemene doelstellingen van de treasuryfunctie

  • 1. Het verzekeren van duurzame toegang tot de financiële markten tegen acceptabele condities.

  • 2. Het beschermen van de gemeentelijke vermogens- en (rente-)resultaten tegen ongewenste financiële risico’s zoals renterisico’s, valutarisico’s, koersrisico’s, liquiditeitsrisico’s en kredietrisico’s.

  • 3. Het minimaliseren van de interne verwerkingskosten en externe kosten bij het beheren van de geldstromen en financiële posities.

  • 4. Het optimaliseren van de renteresultaten binnen de kaders van de wet fido respectievelijk de limieten en voorschriften van dit statuut.

  • 5. Het genereren van informatie ter ondersteuning van het te voeren treasurybeleid en de af te leggen verantwoording over het gevoerde beheer.

  • 6. Het aantrekken van voldoende financiële middelen en het uitzetten van overtollige gelden met als doel het uitvoeren van de programma’s binnen de door de gemeenteraad vastgestelde kaders van de begroting.

  • 7. Waarborgen dat de taken en verantwoordelijkheden van de treasuryfunctie duidelijk worden geregeld.

Hoofdstuk 3 Risicobeheer

Artikel 3. Uitgangspunten risicobeheer

Met betrekking tot risicobeheer gelden de volgende algemene uitgangspunten:

  • 1. Het college mag leningen of garanties uit hoofde van de “publieke taak” uitsluitend verstrekken aan door de gemeenteraad goedgekeurde derde partijen, waarbij vooraf het advies van het college van burgemeester en wethouders wordt ingewonnen over de financiële positie en de kredietwaardigheid van de betreffende partij;

  • 2. Het college kan middelen uitzetten uit hoofde van de treasuryfunctie indien deze uitzettingen een behoedzaam karakter hebben en niet zijn gericht op het genereren van inkomen door het lopen van overmatig risico. Het behoedzame karakter van deze uitzettingen wordt gewaarborgd middels de richtlijnen en limieten van dit treasurystatuut;

  • 3. Het college mag conform artikel 2 lid 3 van de herziene Wet fido liquide middelen in de vorm van leningen uitzetten bij andere openbare lichamen in het kader waarvan gebruik kan worden gemaakt van diensten van tussenpersonen als genoemd in art 12 lid 4;

  • 4. Het beleid betreffende de financiering is gericht op spreiding van toekomstige renterisico’s. Hierdoor wordt voorkomen dat een ongewenst budgettaire belasting kan ontstaan in een jaar waarin voor een substantieel deel van de lening portefeuille hoogrentende leningen c.q. lening conversies moeten worden gesloten c.q. plaatsvinden;

  • 5. Om renterisico op het aantrekken van financieringsmiddelen te beheersen is het gebruik van derivaten niet toegestaan;

  • 6. Het uitzetten van geldmiddelen in de vorm van deelnemingen in rechtspersonen, maatschappen en verenigingen uit hoofde van de publieke taak, zoals opgenomen in artikel 160 van de Gemeentewet, is alleen toegestaan op basis van een besluit van de raad.

Artikel 4. Renterisicobeheer

  • 1. In afwijking van de wettelijke ruimte zoals opgenomen in artikel 4 van de Uitvoeringsregeling Financiering decentrale overheden, wordt in deze verordening vastgelegd dat de kasgeldlimiet niet langer dan twee achtereenvolgende kwartalen mag worden overschreden. Dit sluit aan bij de bepalingen uit de Wet Fido, waarin is opgenomen dat bij overschrijding gedurende drie kwartalen een herstelplan moet worden ingediend bij de toezichthouder;

  • 2. De rentenormrisico wordt niet overschreden conform de wet Fido;

  • 3. Nieuwe leningen/uitzettingen worden afgestemd op de bestaande financiële positie en de liquiditeitenplanning;

  • 4. De gemeente streeft naar spreiding in de rente typische looptijd van uitzettingen;

  • 5. Binnen de kaders gesteld onder lid 3 en 4, streeft het college tevens naar spreiding in de rentetypische looptijden van uitzettingen.

  • 6. De rentevisie wordt opgenomen in de paragraaf financiering van de programmabegroting.

Artikel 5. Koersrisicobeheer

  • 1. Het college beperkt de koersrisico’s op uitzettingen uit hoofde van treasury, door daarbij uitsluitend de volgende producten te hanteren: rekening-courant, spaarrekening, daggeld, deposito’s, commercial paper (CP), certificates of deposit (CD), obligaties, medium term notes (MTN) en garantieproducten (mits de hoofdsom voor 100% is gegarandeerd);

  • 2. Tevens beperkt het college de koersrisico’s door conform artikel 7 de looptijd van de uitzettingen af te stemmen op de liquiditeitenplanning.

Artikel 6. Kredietrisicobeheer

  • 1. In principe worden geen leningen uit hoofde van de publieke taak verstrekt. Indien de gemeenteraad toch besluit tot het verstrekken van leningen aan derden, dan worden indien mogelijk zekerheden of garanties geëist.

Artikel 7. Intern liquiditeitsbeheer

  • 1. Jaarlijks wordt een lange termijn liquiditeitenplanning opgesteld, die een periode van één tot maximaal vijf jaar bestrijkt.

  • 2. De liquiditeitenplanning wordt opgenomen in de paragraaf financiering van de programmabegroting en de meerjarenbegroting.

  • 3. In de programmarekening wordt aan het college van burgemeester en wethouders over de ontwikkeling van de liquiditeitspositie gerapporteerd.

Artikel 8. Valutarisicobeheer

  • 1. De gemeente loopt door middel van uitzettingen geen valutarisico.

  • 2. Gelden worden uitsluitend aangetrokken, uitgezet of gegarandeerd in de Euro.

Hoofdstuk 4 Gemeentefinanciering

Artikel 9. Aantrekken van lang vermogen

Bij het aantrekken van financieringen voor een periode van één jaar en langer gelden de volgende uitgangspunten:

  • 1.

    Financieringen worden enkel aangetrokken ten behoeve van de uitoefening van de publieke taak;

  • 2.

    Financiering met externe financieringsmiddelen wordt zoveel mogelijk beperkt door primair de beschikbare interne financieringsmiddelen te gebruiken teneinde de renterisico’s en het renteresultaat te optimaliseren;

  • 3.

    Toegestane financieringsinstrumenten voor een periode van minimaal één jaar:

    • a.

      Vaste geldleningen

    • b.

      Onderhandse geldleningen

    • c.

      Medium Term Notes

  • 4.

    De treasurer vraagt minimaal drie offertes op alvorens een financiering wordt aangetrokken.

  • 5.

    Het aantrekken van middelen op lange termijn is voorbehouden aan de treasurer. Hetgeen in samenspraak met de teammanager tot stand komt.

  • 6.

    In de jaarlijkse programmabegroting wordt in de paragraaf financiering het geprognosticeerde financieringsbeleid opgenomen.

  • 7.

    In de jaarlijkse programmarekening wordt verantwoording afgelegd over de uitvoering van de gemandateerde bevoegdheid tot het aangaan van geldleningen.

Artikel 10. Langlopende uitzettingen

Bij het uitzetten van middelen uit hoofde van de treasuryfunctie voor een periode van één jaar en langer gelden de volgende uitgangspunten:

  • 1.

    Uitzettingen worden uitsluitend gedaan onder de in artikel 4, 5 en 6 genoemde voorwaarden;

  • 2.

    Middelen die aangehouden worden bij de schatkist, mogen binnen de schatkist geplaatst worden op een depositorekening.

Artikel 11. Schatkistbankieren

  • 1. Door de invoering van het verplicht schatkistbankieren is het niet meer mogelijk tijdelijke overschotten weg te zetten bij een financiële instelling anders dan bij de schatkist. Wel is het mogelijk om als decentrale overheden gebruik te maken van elkaars overliquiditeit. Hierbij worden de richtlijnen en grensbedragen zoals genoemd in de Wet fido in acht genomen.

Artikel 12. Leningen en garanties

  • 1. De gemeente mag leningen of garanties uit hoofde van de publieke taak uitsluitend verstrekken aan door de Gemeenteraad goedgekeurde derde partijen. Met uitzondering van de achtervang-overeenkomst met het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) waartoe het college van burgemeester en wethouders bevoegd is op basis van artikel 160 lid 1 onder e van de Gemeentewet.

Artikel 13. In- en doorlenen van middelen

  • 1. Het in- en doorlenen van middelen met als doel hiermee inkomsten te genereren is niet toegestaan.

  • 2. Het in- en doorlenen van middelen in naam van de gemeente Beverwijk kan alleen geschieden vanuit haar publieke taak.

Artikel 14. Relatiebeheer

Het college beoogt het realiseren van gunstige c.q. marktconforme condities voor af te nemen financiële diensten. Hiervoor gelden de volgende uitgangspunten:

  • 1.

    Bankrelaties en hun bancaire condities worden tenminste ééns in de vier jaar beoordeeld;

  • 2.

    Bankrelaties dienen wat betreft hun kredietwaardigheid tenminste een A- rating te hebben;

  • 3.

    Financiële instellingen (banken, kredietinstellingen, beleggingsinstellingen, effecteninstellingen, verzekeraars en pensioenfondsen) dienen statutair in Nederland te zijn gevestigd. Bovendien dienen zij onder Nederlands toezicht te vallen, bijvoorbeeld van De Nederlandsche Bank of de Verzekeringskamer;

  • 4.

    Tussenpersonen dienen geregistreerd te staan bij de Autoriteit financiële markten (AFM);

  • 5.

    Het beheer van relaties met financiële instellingen, waaronder de bankrelaties, valt onder de verantwoordelijkheid van de treasurer. Hieronder wordt verstaan:

    • Het beheer van rekeningen bij verschillende bancaire instellingen, waarbij wordt gestreefd naar een zo klein mogelijk aantal rekeningen om de transparantie te vergroten;

    • Het zorgdragen voor voldoende kredietfaciliteit;

    • Het zorgdragen voor informatie bij financiële instellingen over verdeling van bevoegdheden binnen de gemeente ten behoeve van een efficiënte afhandeling en minimalisering van risico’s van transacties;

    • Het onderhouden van contacten met banken, instellingen en (geld)makelaars ten behoeve van de toegang tot en van kennis over de ontwikkelingen in de financiële markten.

Hoofdstuk 5 Kasbeheer

Artikel 15. Geldstromenbeheer

  • 1. Om de kosten van het geldstromenbeheer te minimaliseren wordt het liquiditeitsgebruik beperkt door de geldstromen op gemeenteniveau op elkaar en op de liquiditeitenplanning af te stemmen. Hierbij wordt erop toegezien dat de liquiditeitspositie voldoende is om te garanderen dat de verplichtingen tijdig kunnen worden nagekomen;

  • 2. Team Financiën voert het betalingsverkeer zoveel mogelijk elektronisch uit via één bank en beperkt zoveel mogelijk contante geldstromen.

  • 3. Het gemeentelijk betalingsverkeer vindt plaats onder verantwoordelijkheid van de teammanager Financiën.

Artikel 16. Saldo- en liquiditeitenbeheer

Voor het saldobeheer en het liquiditeitenbeheer gelden de volgende specifieke richtlijnen:

  • 1.

    Het college streeft naar concentratie van de liquiditeiten binnen één rentecompensatie-circuit bij de bank met de gunstigste condities;

  • 2.

    Indien er een liquiditeitsbehoefte ontstaat kan het college kortlopende middelen aantrekken. Hierbij wordt – conform artikel 4 lid 1 – de kasgeldlimiet niet overschreden;

  • 3.

    Toegestane instrumenten bij het aantrekken van kortlopende middelen zijn daggeld, kasgeldleningen en kredietlimiet op rekening-courant;

  • 4.

    Toegestane instrumenten bij het uitzetten van gelden voor een periode korter dan één jaar zijn rekening-courant, daggeld, spaarrekeningen en deposito’s;

  • 5.

    Het aantrekken en uitzetten van kort vermogen tot en met een bedrag van € 10.000.000,-- kan zonder goedkeuring van het college van burgemeester en wethouders door de treasurer worden uitgevoerd. Waarbij artikel 4, lid 1 van toepassing is;

  • 6.

    Het aantrekken en uitzetten van kort vermogen boven een bedrag van € 10.000.000,-- dient ter goedkeuring te worden voorgelegd aan het college van burgemeester en wethouders. Hierbij wordt – conform artikel 4 lid 1 – de kasgeldlimiet niet overschreden;

  • 7.

    Jaarlijks wordt in de paragraaf financiering van de jaarrekening gerapporteerd over het saldo- en liquiditeitenbeheer.

Hoofdstuk 6 Administratieve organisatie en interne controle

Artikel 17. Administratieve organisatie en interne controle

In het kader van de treasuryfunctie gelden de volgende algemene uitgangspunten op het gebied van administratieve organisatie en interne controle.

  • 1.

    De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van treasury activiteiten zijn op eenduidige wijze schriftelijk vastgelegd;

  • 2.

    Bevoegdheden zijn via mandaat nader schriftelijk vastgelegd;

  • 3.

    Bij de uit te voeren treasury activiteiten is functiescheiding doorgevoerd met als belangrijkste voorwaarden:

    • a.

      iedere transactie wordt door minimaal twee functionarissen geautoriseerd (het vier-ogen-principe);

    • b.

      de uitvoering en controle geschiedt door afzonderlijke functionarissen;

    • c.

      de uitvoering en registratie in de financiële administratie geschiedt door afzonderlijke functionarissen.

    • d.

      bij afwezigheid van functionarissen treedt een vervangingsregeling in werking om voortgang van de dagelijkse werkzaamheden te garanderen, waarbij de voorwaarden zoals gesteld in lid 3a tot en met c van dit artikel onverkort van kracht zijn.

  • 4.

    Tegenpartijen wordt opdracht gegeven bevestigingen van iedere transactie naar de financiële administratie te versturen zonder tussenkomst van de personen die bevoegd zijn tot het sluiten van de transacties;

  • 5.

    Een transactie wordt onmiddellijk geregistreerd door de functionaris die de transactie heeft afgesloten;

  • 6.

    Na ontvangst van de transactiebevestiging wordt de transactie direct gecontroleerd door de coördinator administratie.

Artikel 18. Verantwoordelijkheden

De verantwoordelijkheden met betrekking tot de treasuryfunctie van de gemeente staan in onderstaande tabel gedefinieerd.

Functie

Verantwoordelijkheden

De Gemeenteraad

  • Het vaststellen van het treasurystatuut;

  • Het vaststellen van treasury doelstellingen, het treasurybeleid, globale richtlijnen en limieten;

  • Het vaststellen van de paragraaf financiering in programmabegroting en programmarekening

  • Het houden van toezicht op het treasurybeleid en de uitvoering hiervan;

  • Het evalueren en als gevolg daarvan (eventueel) bijstellen van het treasurybeleid;

  • Stemt in met het aangaan van langlopende leningen;

  • Stemt in met het aangaan van garantiestellingen;

  • Stemt in met het verstrekken van langlopende leningen;

  • Stemt in met het aankopen van aandelen.

Het college van B&W

  • Het uitvoeren van het treasurybeleid (formele verantwoordelijkheid);

  • Het rapporteren aan de Gemeenteraad over de uitvoering van het treasurybeleid.

Gemeentesecretaris

  • Het toezien op de opzet, het bestaan en de voortdurend goede werking van adequate treasuryprocessen.

Concerncontroller

  • Het bewaken van de kwaliteit van de treasuryprocessen;

  • Het controleren en bewaken van de volledigheid en betrouwbaarheid van de informatievoorziening van de treasuryfunctie en hierover rapporteren aan het college van B&W.

Teammanager Financiën

  • Het zorgdragen voor een tijdige, juiste en volledige uitvoering van werkzaamheden door de uitvoerende functies;

  • Het zorgdragen voor een tijdige uitvoering van adequate controlewerkzaamheden door het team Financiën.

Medewerker VIC

  • Het voeren van de interne controle (inzake getrouwheid en rechtmatigheid) op de uitgevoerde treasurytransacties en hierover rapporteren aan de concerncontroller;

  • Het actualiseren van de interne-controlemaatregelen;

  • Het opstellen van een controledossier.

Treasurer

  • Algemeen: de treasurer verricht geldtransacties met een looptijd vanaf 1 maand, de medewerker belast met de uitvoering van de kassiersfunctie verricht geldtransacties met een looptijd tot 1 maand;

  • Het uitvoeren van de activiteiten met betrekking tot de volgende deelfuncties: het risicobeheer, gemeentefinanciering (financiering, uitzetting en relatiebeheer) en kasbeheer. Deze activiteiten moeten worden uitgevoerd conform het treasurystatuut en de paragraaf financiering en de transacties dienen geautoriseerd te zijn door de Teammanager Financiën;

  • Het aantrekken en uitzetten van gelden in het kader van het saldo- en liquiditeitenbeheer en het zorgdragen voor de liquiditeitsplanning en de financieringsprognose;

  • Het beheren van de geldstromen;

  • Het onderhouden van contacten met banken, geldmakelaars en overige financiële instellingen;

  • Het adviseren van de teams over de gevolgen/geldstromen van hun activiteiten en projecten voor de liquiditeitspositie;

  • Het schriftelijk vastleggen van de treasurytransacties en het doorgeven hiervan aan de medewerker belast met de uitvoering van de kassiersfunctie;

  • Het voorbereiden van beleidsvoorstellen op treasurygebied;

  • Het afleggen van verantwoording aan de algemene manager over de uitvoering van de activiteiten;

  • Het opstellen van de paragraaf financiering.

Budgethouders / teammanagers

  • Het zorgdragen voor een goede kwaliteit van de informatie die hun teams aanleveren aan het team Financiën met betrekking tot (toekomstige) uitgaven en ontvangsten;

  • Het zorgdragen voor het tijdig aanleveren van betrouwbare operationele informatie over toekomstige geldstromen aan het team Financiën;

  • Het fiatteren van betalingen en ontvangsten, ten laste c.q. ten gunste van hun budgetten.

De kassier (Team F&C)

  • Algemeen: de kassier verricht geldtransacties met een looptijd tot 1 maand, de treasurer verricht geldtransacties met een looptijd vanaf 1 maand;

  • Het beheren van de geldstromen;

  • Het overboeken van saldi tussen bankrekeningen;

  • Het afhandelen van het contante en girale betalingsverkeer;

  • Het aanleveren van tijdige, volledige en betrouwbare gegevens aan de gemeentelijke administratie.

  • Het rapporteren en afleggen van verantwoording aan de teammanager Financiën over de uitvoering van de aan hem/haar gemandateerde activiteiten.

Financiële administratie

  • Het juist en volledig administreren van de bezittingen, schulden, rechten, verplichtingen, inkomsten, uitgaven, ontvangsten en betalingen in de verplichtingen- en financiële administratie;

Financieel adviseur(s)

  • Het adviseren van de teams over de financiële gevolgen van hun activiteiten en projecten.

  • Het opzetten van administratieve richtlijnen op het gebied van treasury;

  • Het bewaken van de kwaliteit van de treasury processen;

  • Het voeren van de interne controle op de uitgevoerde treasury transacties en hierover rapporteren aan de teammanager Financiën en de controller.

Financieel administratief medewerker

  • Het ontvangen van de orderbevestiging van derden en het controleren of deze overeenkomt met de transactie-informatie zoals verstrekt door de treasurer;

De externe accountant

  • Het in het kader van haar reguliere controletaak adviseren en controleren omtrent de feitelijke naleving van het treasurystatuut.

Artikel 19. Bevoegdheden

In onderstaande tabel staan bevoegdheden met betrekking tot treasuryactiviteiten weergegeven alsmede de daarbij benodigde fiattering.

Bevoegd functionaris (eerste handtekening)

Autorisatie door (tweede handtekening)

Saldo-, liquiditeiten- en geldstromenbeheer

  • 1.

    Het uitzetten van middelen via callgeld, deposito en spaarrekening (looptijd korter dan één maand)

Medewerker fin. Adm.

Treasurer

  • 2.

    Het aantrekken van middelen via callgeld of kasgeld (looptijd korter dan één maand)

Medewerker fin. Adm.

Treasurer

  • 3.

    Betalingsopdrachten voorbereiden en versturen

Kassier

Gemandateerd medewerker fin. Adm.

Bankrelatiebeheer

  • 4.

    Bankrekeningen openen/sluiten/wijzigen (het wijzigen van betalingsbevoegdheden valt hier niet onder)

Burgemeester

Geen

  • 5.

    Bankcondities en tarieven afspreken

Burgemeester

Geen

Financiering en uitzetting

  • 6.

    Het vaststellen van kredietfaciliteiten (looptijd langer dan één maand)1

Treasurer

Teammanager Financiën

  • 7.a

    Het aantrekken van gelden via onderhandse kortlopende leningen tot een bedrag van € 10.000.000 zoals vastgelegd zoals vastgelegd in treasurystatuut en paragraaf financiering.2

Treasurer

Teammanager Financiën

  • 7.b

    Het aantrekken van gelden via onderhandse kortlopende leningen boven een bedrag van € 10.000.000 zoals vastgelegd zoals vastgelegd in treasurystatuut en paragraaf financiering.3

Teammanager Financiën

Burgemeester

  • 8.

    Het uitzetten van gelden zoals vastgelegd in treasurystatuut art. 16 en paragraaf financiering.

Treasurer

Teammanager Financiën

  • 10.

    Het verstrekken van garanties en leningen aan derden en het aankopen uit hoofde van de publieke taak.

College van B&W

Gemeenteraad

  • 11.

    Het aangaan van langlopende leningen uit hoofde van de publieke taak.

College van B&W

Gemeenteraad

Hoofdstuk 7 Informatievoorziening

Artikel 20. Informatievoorziening

Ter optimalisering van het treasurybeleid en de daarbij van belang zijnde transparantie dient de informatievoorziening tijdig opgeleverd te worden ter ondersteuning van de uitvoering van de treasury activiteiten.

Met betrekking tot de treasury activiteiten dient tenminste de in de onderstaande tabel opgenomen informatie te worden verstrekt door de betreffende functionarissen:

Informatie

Frequentie

Informatieverstrekker

Informatie-ontvanger

  • 1.

    Gegevens m.b.t. toekomstige uitgaven en ontvangsten voor de liquiditeiten-planning (relevante veranderingen in verwachtingspatronen dienen direct gemeld te worden)

Continu

Teammanagers

Treasurer

  • 2.

    Liquiditeitenplanning

Jaarlijks (begroting)

Treasurer

College B&W

  • 3.

    Beleidsplannen treasury in paragraaf financiering van de programmabegroting

Jaarlijks

College van B&W

Gemeenteraad

  • 4.

    Verantwoording en evaluatie treasuryactiviteiten in de paragraaf financiering van het jaarverslag

Jaarlijks (jaarrekening)

College van B&W

Gemeenteraad

  • 5.

    Informatie aan derden (toezichthouder en CBS) zoals genoemd in art. 8 Wet fido

Kwartaal

Teammanager Financiën

Derden

  • 6.

    Lenings- / uitzettings-/ garantiebesluiten

Binnen 14 dagen na besluit

College B&W

Provincie

Artikel 21. Inwerkingtreding

Dit treasurystatuut treedt in werking met ingang van 1 januari 2026.

Hoofdstuk 8 Handreiking aangaan van garantstellingen, verstrekken van leningen en aankopen van aandelen.

Volgorde

Het eerste uitgangspunt is dat de gemeente Beverwijk terughoudend omgaat met het verstrekken van garantstellingen, het verstrekken van leningen en het aankopen van aandelen.

In de onderstaande volgorde wordt op grond van de toetsingscriteria en randvoorwaarden gehandeld:

  • 1.

    Aangaan van garantiestellingen

  • 2.

    Indien garantiestellingen niet mogelijk is dan geldt het verstrekken van een lening

  • 3.

    Indien garantiestellingen en verstrekken van een lening niet mogelijk is, dan geldt het aankopen van aandelen.

Algemeen

De gemeente gaat alleen over tot garantstelling als deze maatregel past binnen de taak van

de gemeente als overheid en binnen de geldende Europese, landelijke en gemeentelijke wet- en regelgeving. Elke aanvraag voor een garantstelling wordt daarom getoetst aan een aantal criteria en randvoorwaarden, zoals hieronder opgenomen.

Toetsingscriteria

De toetsingscriteria zijn:

  • Er is sprake van publiek belang;

  • Er is sprake van strikte noodzakelijkheid;

  • Betrokkenheid van andere partijen is noodzakelijk en wenselijk om het publiek belang te borgen;

  • Er is financiële dekking voor het instrument;

  • De investering wordt financieel haalbaar geacht in relatie tot de financiële positie van de aanvrager;

  • Er is geen sprake van ongeoorloofde staatssteun en er is geen strijdigheid met de Wet Markt en Overheid.

Publiek belang

De gemeente mag financieringsinstrumenten alleen inzetten als er sprake is van publiek belang. De gemeente bepaalt - gemotiveerd en transparant - zelf wat onder de publieke taak verstaan moet worden en hoe deze zal worden uitgeoefend. Een verstrekte garantie moet dus nadrukkelijk verband houden met het uitvoering geven aan beleidsdoelstellingen. Het is de raad die de publieke taak bepaalt. Een aanvraag moet daarom altijd getoetst worden aan de kaders die door de raad zijn meegegeven, zoals de programmabegroting.

Idealiter zou men door middel van een kosten-baten analyse de publieke baten in euro’s willen uitdrukken. Dit is echter in de meeste gevallen onmogelijk. Het is echter belangrijk om toch zo helder mogelijk te verantwoorden wat de publieke baten zijn. Er zou bijvoorbeeld een overzicht kunnen worden opgesteld met de vraag wie er gebaat is bij het afgeven van de lening of garantie, hoe groot deze groep is, en hoe groot de baten naar schatting zijn. Hierbij is het dus van belang om de situatie zonder en met garantie of lening voor deze groep te vergelijken om duidelijk te maken wat het afgeven ervan voor de groep betekent.

Als het college een lening of garantie nodig en wenselijk acht, dient te worden verantwoord waarom men verwacht dat de baten de kosten zullen overstijgen.

De (verwachte) baten dienen te worden gespecificeerd.

  • o

    Wie heeft baat bij de afgegeven lening of garantie?

  • o

    Hoe groot is deze groep?

  • o

    Hoe groot zijn de baten voor deze groep? Het verschilt van geval tot geval hoe deze baten worden uitgedrukt.

Strikte noodzakelijkheid

Zoals aangegeven gaat de gemeente in beginsel terughoudend om met aanvragen voor garantstellingen. Het verstrekken van garanties is op zichzelf geen gemeentelijke taak en wordt daarom zoveel mogelijk overgelaten aan de markt. Dit om marktverstoring te voorkomen en vanuit het principe dat private partijen de zaken onderling vanuit hun eigen verantwoordelijkheid regelen, zonder tussenkomst van de gemeente. Een vereiste voor betrokkenheid van de gemeente is dan ook dat er sprake is van strikte noodzakelijkheid.

Bijvoorbeeld omdat externe partijen niet of slechts deels bereid zijn te financieren zonder tussenkomst van de gemeente, terwijl er wel een publiek belang is. Dit betekent meestal dat de gemeente risico’s loopt daar waar de markt niet bereid is tot financieren. Hiervoor zal de gemeente een vergoeding en/of waarborgen eisen.

Concreet houdt dit toetsingscriterium het volgende in:

  • Voor een garantstelling wordt alleen gekozen wanneer financiers niet bereid zijn (volledige) financiering te verstrekken, zonder een garantstelling. Dit moet worden aangetoond door de aanvrager.

  • De garantie moet van essentieel belang zijn voor het kunnen (blijven) uitoefenen van de activiteiten;

  • De gemeente verstrekt geen garantie als de financiële verantwoordelijkheid in handen is van een andere bestuurslaag (bijvoorbeeld gemeente of waterschap);

  • De aanvrager moet aantonen dat er geen of ontoereikende Rijks(garantie)regelingen of garanties vanuit andere instanties, zoals waarborgfondsen, mogelijk zijn waar het betreffende project/aanvrager gebruik van kan maken.

Financiële haalbaarheid en positie van de aanvrager

De risico's voor de gemeente worden beperkt door vooraf onderzoek te doen naar de financiële haalbaarheid en de financiële positie waarin de aanvragende instantie verkeert.

Bij de beoordeling wordt uitgegaan van de volgende criteria:

  • Door de aanvrager moeten voldoende zekerheden worden overlegd voor de garantstelling (bijvoorbeeld regresrecht of het eerste recht van hypotheek op een pand of op grond). Voor een zekerheidsstelling komen alleen roerende of onroerende zaken die gevestigd of gelegen zijn binnen de gemeente Beverwijk in aanmerking. De zekerheidsstelling wordt zo snel mogelijk - en in ieder geval binnen zes maanden - gevestigd na goedkeuring van de garantieaanvraag.

  • De gemeente kan op de afgegeven garantie een vergoeding in de vorm van een premie verlangen in het kader van de regels omtrent staatssteun. De premie wordt gesteld op een marktconform percentage waarvoor de gemeente in enig jaar risico loopt. De financiële positie en prognoses van de aanvrager dienen zodanig te zijn dat rente en aflossing naar verwachting betaald kunnen blijven worden.

  • De meerjarenbegroting, inclusief investering en kapitaallasten, is sluitend.

Staatssteun en Wet Markt en Overheid

Van staatssteun is sprake bij elk voordeel dat een overheid aan een onderneming geeft. Bijvoorbeeld door het verstrekken van een lening of het geven van een garantie aan een onderneming tegen een lagere rente of premie dan de markt biedt. Staatssteun is gebonden aan Europese regelgeving. Het is verboden om ongeoorloofde staatssteun te verstrekken. De staatssteunregels kennen een aantal uitzonderingen, bijvoorbeeld wanneer het gaat om een algemeen economisch belang. Op elke garantstellingsaanvraag wordt daarom een staatssteuntoets uitgevoerd om ongeoorloofde staatssteun te voorkomen. De gemeente neemt als uitgangspunt dat commerciële ondernemingen (gekenmerkt door een winstoogmerk) geen aanspraak kunnen maken op een garantie. Dit om het risico op ongeoorloofde staatssteun verder te minimaliseren.

Gerelateerd is de Wet markt en overheid. De Wet Markt en Overheid schrijft gedragsregels voor overheden voor om concurrentievervalsing te voorkomen. Ook in het kader van deze wet wordt een toets uitgevoerd bij elke garantstellingsaanvraag.

In de bijlage worden nog aanvullende onderwerpen voor de beoordeling vermeld.

Randvoorwaarden

Naast de hierboven uiteengezette toetsingscriteria is er een aantal randvoorwaarden waaraan elke aanvraag voor garantstelling moet voldoen:

  • Geen garantstellingen onder € 50.000. Voor kleinere bedragen zijn de administratieve lasten te hoog ten opzichte van het maatschappelijk nut. Aanvragen onder de € 50.000 worden niet in behandeling genomen.

  • Indien bij een garantstelling een beroep kan worden gedaan op een (nationaal) waarborgfonds, moet de aanvraag bij het desbetreffende fonds worden ingediend. Bij een positieve toets is de gemeente bereid maximaal 50% te participeren.

  • Geen langlopende garanties, tenzij. Langlopende garanties worden in principe niet toegekend, met name bij instellingen waar de gemeente slechts beperkte invloed heeft. Een looptijd van maximaal vijftien jaar wordt gehanteerd voor publiek maatschappelijke of grote gesubsidieerde instellingen. Alleen in bijzondere gevallen en na instemming van de raad kan hiervan worden afgeweken.

  • Garantstelling maximaal ‘pro rata’ bij bestuurlijk en / of financieel belang. Indien een garantstelling wordt verstrekt aan een organisatie waarin de gemeente een bestuurlijk en/of financieel belang heeft, geldt altijd dat de gemeente (maximaal) ‘pro rata’ bijdraagt aan de totale garantstelling. De gemeente zal bijvoorbeeld maximaal voor 20% garant staan voor een lening aan een rechtspersoon waarin de gemeente zelf voor 20% deelnemer is.

  • Geldlening binnen een jaar na goedkeuring garantie. De garantienemer moet binnen een jaar na goedkeuring (B&W besluit) van de garantie de geldlening hebben aangetrokken. Bij overschrijding van deze termijn moet een nieuw verzoek worden ingediend.

  • De geldlening waarop de garantstelling van toepassing is, is lineair of annuïtair.

  • Geen herziening rentepercentage lening tijdens looptijd garantstelling. Om risico’s te voorkomen door een stijgende rente mag de geldlening gedurende de looptijd van de garantstelling niet aan renteherziening onderhevig zijn.

  • Nieuwe aanvraag bij grote wijzigingen of herfinanciering. Als grote wijzigingen optreden in de aanvraag, zoals de hoogte van het bedrag of rentepercentage, of in het geval van herfinanciering dient opnieuw een aanvraag voor een garantie ingediend te worden. Het gehele toetsingsproces wordt opnieuw doorlopen, met de mogelijkheid dat de aanvrager alsnog wordt doorverwezen naar een waarborgfonds of de kapitaalmarkt.

  • De bovengrens wordt gemaximeerd op € 250.000 per geldlening. Voor sportverenigingen of-organisaties geldt aanvullend dat het SWS in ieder gratieverzoek voor eenzelfde bedrag participeert.

  • Het garantstellingsbedrag is gemaximeerd op € 500.000 in totaal. Voor sprotverenigingen of-organisaties geldt dat dit het totaal aan gemeentelijke garantstellingen betreft, exclusief de SW garantstellingen.

Gemeentelijke geldlening

Indien geen garantiestelling mogelijk is en toch aan de toetsingscriteria en randvoorwaarden wordt voldaan, dan gelden de onderstaande aanvullende voorwaarden.

De gemeente Beverwijk hanteert het principe dat er geen geldleningen aan derden worden verstrekt om de volgende redenen:

  • 1.

    Het vervullen van bancaire taken, zoals het verstrekken van leningen, is geen publieke taak. De gemeenteorganisatie is hier ook niet op ingericht.

  • 2.

    Met een garantstelling kan hetzelfde bereikt worden, namelijk dat een derde partij een lening verstrekt aan de instelling, met de zekerheid dat de gemeente als achtervang optreedt.

  • 3.

    Het verlenen van een geldlening betekent dat de gemeente zelf ook dit geld zal moeten aantrekken(doorverstrekking). Dit heeft direct effect op de gemeentelijke schuldpositie. Een gemeentelijke lening verstrekken ligt in die context minder voor de hand.

Beleidslijn is daarom dat alleen in zeer uitzonderlijke gevallen een lening wordt verstrekt. Het verstrekken van een garantstelling heeft altijd de voorkeur boven het verstrekken van een geldlening. Voorwaarden bij het verstrekken van een geldlening zijn dat er een zwaarwegend publiek belang in het spel is en dat door de benaderde financiers buitenproportionele eisen worden gesteld, zelfs bij garantstelling door de gemeente.

Voor de toetsing worden dezelfde toetsingscriteria gevolgd zoals in dit stuk opgenomen voor garantstellingen.

Aandelen

Aanvullend op de toetsingscriteria en randvoorwaarden zoals vermeld in dit hoofdstuk voor het verstrekken van garantiestellingen geldt onderstaande voor aankopen van aandelen.

De gemeente zal bij (de voorbereiding van) het besluit complexe afwegingen op verschillende gebieden moeten maken, zoals:

  • I.

    Onder welke voorwaarden mag de gemeente deze aandelen kopen (rechtmatigheid)?

  • II.

    Bereikt de gemeente met deze aankoop haar doel (doeltreffendheid)?

  • III.

    Wordt dit doel bereikt met de inzet van zo weinig mogelijk middelen (doelmatigheid)?

  • IV.

    Welke financiële risico’s loopt de gemeente bij de aankoop?

Ad I Alleen aandelen kopen om beleidsdoel na te streven en niet als financieringsfunctie

Goedkeuring voor substantiële uitbreiding van een belang in een deelneming.

Toetsing van Financieringsconstructie

Ad II Potentieel doel: Welk (beleids) doel wordt specifiek beoogd met de aankoop van de aandelen en wat is de reden dat dit niet kan middels garantiestelling of leningen.

Ad III Wat is de invloed op de aandeelhoudersvergadering, het benoemen leden van de Raad van Commissarissen.

Ad IV Financiering jaarlijkse rentelasten uit dividendopbrengsten. Wat is het koersrisico en niet verkoopbaar zijn van de aandelen

Risicobeheersing

In elke fase van de procedure voor garantstellingen zijn maatregelen getroffen met het doel risico’s in de uitvoering van dit proces te minimaliseren.

Risicobeheersing bij beoordelen en verstrekken van garantstellingen

In het voorgaande zijn toetsingscriteria en randvoorwaarden beschreven voor de verstrekking van garanties door de gemeente Beverwijk. Ten behoeve van de risicobeheersing in het uitvoeren van een beoordeling op een garantieaanvraag worden de volgende stappen ondernomen.

Beoordeling aanvraag

Bij beoordeling van een aanvraag vindt de eerste toetsing plaats aan de hand van de toetsingscriteria en randvoorwaarden zoals opgenomen in dit hoofdstuk. Daarnaast wordt bij de beoordeling van de aanvraag ingegaan op de risico’s van het in te zetten instrument en de wijze waarop deze risico’s worden afgedekt (hypotheekrecht, premie, etc.

Functiescheiding

In het proces van toetsing en beoordeling vindt functiescheiding plaats in de verschillende taken en verantwoordelijkheden voor verlening en registratie.

Overeenkomst

Een aantal randvoorwaarden voor het besluit of de overeenkomst ten behoeve van de garantstelling zijn:

  • Bij toekenning van een garantstelling wordt geëist dat er geen bedingen opgenomen worden in de geldleningovereenkomst die de aansprakelijkheid van de gemeente verhogen of uitbreiden boven of naast de aan de geldleningovereenkomst verbonden betaling van rente en aflossing.

  • Organisaties aan wie een garantie afgeven wordt moeten beleid formuleren over het inzetten van verklaringen omtrent het gedrag (VOG). De intentie is om alleen garanties af te geven aan organisaties met bestuurders, medewerkers en vrijwilligers van onberispelijk gedrag. Het betreffende beleid wordt door de gemeente opgevraagd en beoordeeld.

  • In het besluit of de overeenkomst worden bepalingen opgenomen over informatieverstrekking, interventie en het intrekken van een garantie, zoals hieronder uiteengezet.

Beheer en monitoring van garantstellingen

Na het besluit tot het verlenen van een gemeentegarantie is zowel op bestuurlijk als financieel vlak monitoring van belang. Hiervoor wordt de onderstaande werkwijze gehanteerd.

Jaarlijkse informatieverstrekking door geldnemer

In het besluit of de overeenkomst ten behoeve van de garantstelling is opgenomen dat de geldnemer jaarlijks -binnen zes maanden na het verstrijken van het boekjaar - de jaarstukken over het verstreken boekjaar bij het college indient. Dit bestaat uit de balans en de winst- en verliesrekening met toelichting en een accountantsverklaring of een verklaring van de kascommissie. Voor individuele gevallen is maatwerk mogelijk en kan de gemeente nadere eisen stellen. Daarnaast kan de gemeente de meest actuele gespecificeerde exploitatiebegroting bij de geldnemer opvragen. Ook treft de geldnemer actief risicobeheersmaatregelen en informeert de gemeente hierover. Wanneer dit op basis van de verstrekte informatie nodig blijkt vindt met het bestuur of de directie waaraan de garantie verstrekt is minimaal één keer per jaar overleg plaats waarin bovenstaande punten en de informatievoorziening door de geldverstrekker aan de orde komen.

Jaarlijkse informatievoorziening door geldverstrekker

De geldverstrekker informeert het college jaarlijks - binnen zes maanden na het verstrijken van het boekjaar of en in hoeverre de geldnemer zijn verplichtingen uit hoofde van de geldleningovereenkomst waarvoor de gemeente garant staat, is nagekomen.

Jaarlijkse risicoanalyse door gemeente

De door de geldnemer en geldverstrekker aangeleverde informatie wordt jaarlijks door de gemeente beoordeeld. Een risicoanalyse wordt uitgevoerd. Hieruit volgt een kleurcodering per garantstelling, die indiceert hoe risicovol de garantie is. Het college rapporteert hierover aan de raad middels een geheime rapportage, die voorafgaande aan de behandeling van de programmabegroting aan de raad wordt toegezonden.

Overige informatieverstrekking

De geldnemer en de geldverstrekker hebben daarnaast gedurende het gehele jaar de informatieplicht om aan het college die gegevens te verstrekken die van belang zijn voor de risico-ontwikkeling die met de garantstelling samenhangt. In het geval van betalingsproblemen onderneemt de garantienemer actie om de betalingsproblemen zo snel mogelijk weg te nemen of te beperken. In ieder geval zullen zij het college zo spoedig mogelijk berichten over:

  • Het niet nakomen door de geldnemer van de aan de geldlening verbonden betalingsverplichtingen waarvoor de gemeente garant staat. Hierbij is het uitgangspunt dat in het geval van betalingsproblemen de garantienemer actie onderneemt om de betalingsproblemen zo snel mogelijk weg te nemen of te beperken;

  • Wezenlijke wijzigingen van de gegevens en bescheiden die bij de aanvraag om garantie zijn overgelegd;

  • Rapportages waaruit blijkt dat de resultaten van de begroting significant nadeliger uitkomen;

  • Een statutenwijziging van de geldnemer;

  • Een fusie van de geldnemer;

  • Ontbinding van de geldnemer.

Interventiemogelijkheden

De gemeente kan interveniëren wanneer hier aanleiding voor is op basis van de verstrekte (al dan niet jaarlijkse) informatievoorziening. Het gaat hierbij om de volgende acties om risico’s te beperken of wegnemen:

  • De gemeente kan de frequentie en inhoud van informatievoorziening aanscherpen;

  • Het college kan een door hen aangewezen persoon laten deelnemen aan de bestuursvergaderingen van de geldnemer, die daarvoor de volledige agenda van deze vergaderingen en de notulen van de gehouden vergaderingen ontvangt. Deze persoon heeft inzage in de te behandelen stukken en de mogelijkheid om de risico-ontwikkeling voor de gemeente bij voorgenomen besluiten nader toe te lichten en hierover zo nodig terstond het college te informeren;

  • Het college kan één of meer door hen aangewezen personen zitting te laten nemen in het bestuur.

Intrekken van een garantie

De gemeente kan een garantie intrekken wanneer een of meerdere van de volgende zaken van toepassing zijn:

  • De overeenkomst van geldlening waarop de garantie betrekking heeft komt niet binnen een jaar na het garantiebesluit tot stand. Hierbij wordt de hoofdsom dus niet volgens het overeengekomen storting- en aflossingsschema aan de geldnemer ter beschikking gesteld;

  • Het risico dat voor de gemeente uit de verstrekte garantie voortvloeit, wordt significant gewijzigd door toedoen of nalaten van de geldnemer. De geldnemer onderneemt activiteiten die grote financiële risico's met zich meebrengen of treft geen maatregelen om vermogensverlies te voorkomen. Denk hierbij aan wanbeheer en het nalaten van afsluiten van verzekeringen;

  • De garantienemer voldoet niet aan de in de overeenkomst opgenomen verplichtingen;

  • De garantienemer heeft onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt, waarbij de juiste gegevens zouden leiden tot een andere beschikking tot garantieverlening;

  • De (aanvraag tot) garantstelling was anderszins onjuist of onvolledig en de garantienemer wist dit of kon dit weten.

Informatievoorziening aan de raad

In het onderdeel ‘Niet in de balans tot uitdrukking komende verplichtingen en aanspraken’ wordt in de jaarrekening door het college aan de raad verantwoording afgelegd over verstrekte garantstellingen.

Daarnaast wordt in de programmabegroting gerapporteerd over het (bijgestelde) risicoprofiel per garantstelling en, indien van toepassing, welke acties worden ondernomen.

Bijlage

Een risico mitigerende beheersmaatregel die de gemeente hanteert is dat voorafgaand aan de verstrekking van een garantie of geldlening grondig onderzoek wordt uitgevoerd naar de haalbaarheid van het project en naar de financiële en bestuurlijke positie van de aanvragende instelling. Dit onderzoek start nadat uit de fase van toetsing van het wettelijk kader is komen vast te staan dat de aanvraag voldoet aan de vigerende wet- en regelgeving binnen de gemeente.

Het onderzoek bestaat uit de volgende verschillende onderdelen;

  • 1.

    Toetsing van het onderwerp waarvoor garantie of geldlening wordt aangevraagd

    Hierbij richt het onderzoek zich op de volgende onderwerpen

    • o

      Betreft het een fysiek object (i.v.m. mogelijke zekerheidstelling)

    • o

      Eigendomsverhouding in relatie tot investeringsobject (wordt de aanvrager 100% eigenaar)

    • o

      Welk percentage van de financiering wordt gefinancierd - financieringsplan

    • o

      Is het investeringsobject financieel haalbaar (beoordelen kosten/baten analyse)

  • 2.

    Toetsing van het management van de aanvragende rechtspersoon

    Hierbij richt het onderzoek zich op de volgende onderwerpen;

    • o

      Juridische vorm van de rechtspersoon

    • o

      Dagelijks bestuur (consistentie en historie)

    • o

      Relatie met de gemeente

  • 3.

    Toetsing van de rentabiliteit (financiële positie) van de aanvragende rechtspersoon

    Hierbij richt het onderzoek zich op de volgende onderwerpen;

    • o

      Balans (o.a. EV, VV, activa, etc.)

    • o

      Resultaten van de afgelopen jaren (resultatenrekening)

    • o

      Meerjarenbegroting (toekomstige inkomsten en uitgaven)

    • o

      Investeringsplan

    • o

      Liquiditeitspositie

    • o

      Cashflowprognose

    • o

      Financiële ruimte voor vervanging en onderhoud

  • 4.

    Toetsing van de solvabiliteitspositie van de aanvragende rechtspersoon

    Hierbij richt het onderzoek zich op de volgende onderwerpen;

    • o

      Verhouding EV/VV

    • o

      Current ratio

    • o

      Niet uit de balans blijkende meerjarige verplichtingen

    • o

      Niet uit de balans blijkende bezittingen (stille reserves)

  • 5.

    Toetsen van mogelijkheid tot zekerheidstellingen

    Het onderzoek richt zich op de volgende onderwerpen;

    • o

      Onroerende goederen (hypotheek/pandrecht/borgstelling)

    • o

      Verzekeringen

    • o

      In uitzonderlijke gevallen persoonlijke zekerheidstelling

  • Voor een objectieve uitkomst is het van belang dat het toetsen van de verschillende onderdelen volgens een uniforme en vastgestelde werkwijze wordt uitgevoerd.

Beoordeling uitkomst

Om de uitkomsten van de toetsing eenduidig en objectief te beoordelen, wordt voor de toetsingscomponenten een rating (score) vastgesteld. De uitkomst van de rating vormt onderdeel van het advies dat wordt opgenomen in de B&W nota en/of het raadsvoorstel. Met de resultaten van dit onderzoek (uitkomst rating) wordt aan het college en/of de raad een beeld gegeven omtrent de financiële risico’s rondom een aanvraag voor een gemeentegarantie of geldlening.

Voorbeelden van ratio’s die worden gebruikt door de BNG bij het verstrekken van een geldlening zijn;

  • o

    Loan to value (LTV): lening gedeeld door de waarde van het object.

Hoe meer de uitkomst tendeert naar 1 des te hoger het risico

  • o

    Debt service cover ratio (DSCR): kengetal dat aangeeft of er voldoende kasstromen worden gegenereerd om rente en aflossing te dekken. Hoe hoger de uitkomst des te gunstiger.

  • o

    Interest coverage ratio (rentedekkingsratio): geeft aan hoeveel maal een onderneming haar interestlasten terugverdient.

Hoofdstuk 9 Artikelsgewijze toelichting

Toelichting op het statuut

In dit treasurystatuut is het treasurybeleid van de gemeente op hoofdlijnen vastgelegd. Dat gebeurt in de eerste plaats door het aangeven van de algemene doelstellingen van de treasuryfunctie (in artikel 2). Vervolgens geeft het bestuur in het treasurystatuut aan binnen welke richtlijnen en limieten de doelstellingen dienen te worden gerealiseerd. Een richtlijn is een bindend voorschrift voor een handelswijze die gevolgd moet worden, de limieten geven de “speelruimte” aan waarbinnen handelingen verricht mogen worden. Een belangrijk deel van de limieten en richtlijnen is bepaald door de Wet fido. Middels de limieten en richtlijnen wordt het “risicoprofiel” van de gemeente bepaald, waarbinnen de treasuryactiviteiten dienen te worden uitgevoerd.

De paragraaf financiering bij de begroting geeft de beleidsplannen voor de treasuryfunctie voor de komende jaren en in het bijzonder voor het eerstkomende jaar weer. Het bevat onder meer gegevens over de algemene ontwikkelingen en de concrete beleidsplannen binnen de kaders van het treasurystatuut. Het gaat hierbij vooral om de plannen voor het risicobeheer, de gemeentefinanciering (analyse financieringspositie, leningen- en garantieportefeuille en uitzettingsportefeuille) en het kasbeheer. Uit de toelichting zal moeten blijken dat de plannen binnen de kaders van de Wet fido en het treasurystatuut blijven. De paragraaf financiering in het jaarverslag geeft in het bijzonder een verschillenanalyse tussen de plannen zoals deze zijn opgenomen in de begroting en de realisatie in het verslagjaar.

Artikel 2

In artikel 2 worden de doelstellingen van de treasuryfunctie van de gemeente weergegeven, hieronder worden deze afzonderlijk toegelicht.

Artikel 2 lid 1

In de eerste plaats dient de treasury ervoor te zorgen dat de gemeente “duurzaam toegang heeft tot de financiële markten tegen acceptabele condities”. De treasury dient te waarborgen dat de gemeente duurzaam in staat is de voor haar activiteiten benodigde middelen aan te trekken c.q. haar overtollige middelen uit te zetten op de financiële markten (bijv. bij banken). De condities die daarbij worden bedongen dienen, in het licht van de op het betreffende moment gebruikelijke condities, acceptabel (tenminste marktconform) te zijn.

Artikel 2 lid 2

De gemeente loopt de volgende financiële risico’s: renterisico’s, koersrisico’s, kredietrisico’s, interne liquiditeitsrisico’s en valutarisico’s. Het is de taak van de treasury dergelijke risico’s tegen acceptabele condities te beperken. In de artikelen 4 tot en met 8 wordt aangegeven op welke wijze dit wordt gewaarborgd.

Artikel 2 lid 3

De derde doelstelling van de treasuryfunctie is het minimaliseren van de kosten bij het beheren van de geldstromen en de financiële posities. Deze kosten bestaan o.a. uit rentekosten, provisies en kosten van het betalingsverkeer. Het is de taak van de treasury het beheer zo efficiënt mogelijk uit te voeren.

Artikel 2 lid 4

De gemeente streeft ernaar de renteresultaten te optimaliseren. Dit betekent dat de gemeente geen middelen onbenut laat maar streeft naar zo hoog mogelijke renteopbrengsten (c.q. zo laag mogelijke rentekosten) zonder dat daarbij overmatige risico’s worden gelopen. De prioriteiten van de treasuryfunctie liggen in eerste instantie bij het beheersen en beperken van financiële risico’s; de treasuryfunctie is immers géén winstgerichte team (“profit center”). Binnen het acceptabele risicoprofiel zoals vastgesteld in de Wet fido en dit treasurystatuut dient desondanks te worden gestreefd naar optimalisatie van de renteresultaten.

Artikel 3 lid 1

De Wet fido geeft twee belangrijke beleidsmatige uitgangspunten met betrekking tot treasury. Dit betreft de “publieke taak” waarvoor leningen en garanties dienen enerzijds en het prudente (verstandige) karakter van (overige) uitzettingen anderzijds. Er wordt hierbij dus een specifiek onderscheid gemaakt tussen het verstrekken van leningen “uit hoofde van de publieke taak” en het uitzetten van middelen “uit hoofde van treasury”.

De wet stelt geen eisen aan het verstrekken van leningen en garanties uit hoofde van de publieke taak. Wel wordt in de toelichting op de Wet fido het volgende aangegeven: “Het gemeentebestuur bepaalt de publieke taak. De begroting en de begrotingswijzigingen bepalen het budgettaire kader voor de uitoefening van de publieke taak”. In dit licht is het dus het college van burgemeester en wethouders en niet de Concernstaf die het politieke besluit voor dergelijke garanties en leningen voorbereidt. Wel wordt geadviseerd dat het gemeentebestuur het advies van de Concernstaf inwint voordat zij een beslissing neemt t.a.v. het verstrekken van leningen of garanties uit hoofde van de publieke taak. De gemeente heeft dit advies overgenomen. De Concernstaf adviseert over bijv. financieringsvoorwaarden en de implicaties van de betreffende aanvraag voor de totale financiële positie van de gemeente. Daarnaast is het van belang dat de Concernstaf de betreffende aanvraag opneemt in de liquiditeitenplanning.

Artikel 3 lid 2

Conform de Wet fido, dienen uitzettingen “uit hoofde van treasury” (zie toelichting artikel 3 lid 1) een behoedzaam karakter te hebben.

In de Wet fido en de bijbehorende ministeriële regelingen wordt het begrip “prudent” nader uitgewerkt. Het aangaan van financiële transacties met als oogmerk die financiële waarden te zijner tijd eventueel met winst te verkopen, is nadrukkelijk niet toegestaan (zie artikel 2 lid 2 Wet fido en de memorie van toelichting op de Wet fido). Bankachtige activiteiten – het aantrekken en uitzetten van middelen met als doel het genereren van inkomen – zijn als gevolg van deze bepaling verboden. De richtlijnen en limieten van dit treasurystatuut vallen binnen de kaders van de Wet fido.

De limieten en richtlijnen van dit treasurystatuut zijn specifiek geformuleerd om het behoedzame karakter van de uitzettingen uit hoofde van treasury te garanderen en hebben derhalve géén betrekking op (eventueel) verstrekte leningen of garanties uit hoofde van de “publieke taak” van de gemeente .

Artikel 3 lid 3

Dit artikel bepaalt dat, conform artikel 2 lid 3 van de Wet fido, er leningen kunnen worden versterkt aan andere openbare lichamen. Voorwaarde is dat het leningverstrekkende openbare lichaam niet belast is met het financiële toezicht op het openbare lichaam waaraan de lening verstrekt wordt.

Artikel 3 lid 4

Door spreiding aan te brengen in de rentetypische looptijd (de periode dat de rente van een uitzetting vast is) van uitzettingen, wordt de invloed van een rentedaling op de renteresultaten gespreid over meerdere jaren. Deze spreiding is slechts mogelijk indien uit de liquiditeitenplanning blijkt dat middelen gedurende een langere periode beschikbaar zijn.

Artikel 3 lid 5

Derivaten zijn financiële instrumenten die hun bestaan ontlenen aan een bepaalde onderliggende waarde. Derivaten kennen een breed toepassingsgebied en worden onder andere gebruikt om renterisico’s te sturen en financieringskosten te minimaliseren. De Wet fido stelt dat derivaten uitsluitend mogen worden gebruikt ter beperking van financiële risico’s.

Artikel 4 lid 1

Renterisicobeheer omvat het beperken van de invloed van (externe-) rentewijzigingen op de financiële resultaten van de gemeente.

Een belangrijk uitgangspunt van de Wet fido is het vermijden van grote fluctuaties in de rentelasten van openbare lichamen. Teneinde een grens te stellen aan korte financiering (met een rentetypische looptijd tot één jaar) is in de Wet fido (evenals in de Wet filo) de kasgeldlimiet opgenomen. Juist voor korte financiering geldt dat het renterisico aanzienlijk kan zijn, aangezien fluctuaties in de rente bij korte financiering direct een relatief grote invloed hebben op de rentelasten. De kasgeldlimiet wordt berekend als een percentage (8,5%) van het totaal van de jaarbegroting van de gemeente bij aanvang van het jaar (zie artikel 3 en 4 van de Wet fido en de Uitvoeringsregeling financiering decentrale overheden).

Artikel 4 lid 2

Het doel van de renterisiconorm is het beheersen van de renterisico’s op de vaste schuld (schuld met een rentetypische looptijd van één jaar of langer) door het aanbrengen van spreiding in de looptijden in de leningenportefeuille. De renterisiconorm kan worden berekend door een vastgesteld percentage (20%) te vermenigvuldigen met de totale vaste schuld per 1 januari van enig jaar (zie artikel 6 van de Wet fido en de Uitvoeringsregeling financiering decentrale overheden).

Artikel 4 lid 3

Afstemming op de liquiditeitenplanning beoogt middelen slechts te lenen c.q. uit te zetten gedurende de periode dat zij daadwerkelijk nodig respectievelijk beschikbaar zijn.

Artikel 4 lid 4

Door spreiding aan te brengen in de rentetypische looptijd (de periode dat de rente van een uitzetting vast is) van uitzettingen, wordt de invloed van een rentedaling op de renteresultaten gespreid over meerdere jaren. Deze spreiding is slechts mogelijk indien uit de liquiditeitenplanning blijkt dat middelen gedurende een langere periode beschikbaar zijn.

Artikel 5 lid 1

Ten aanzien van de financiële instrumenten die kunnen worden gehanteerd voor uitzettingen in het kader van treasury, geldt in de Wet fido als belangrijkste uitgangspunt dat de hoofdsom van de betreffende uitzetting aan het einde van looptijd in tact blijft. Bij alle in dit artikel genoemde producten wordt aan het einde van de looptijd ten minste de hoofdsom (bij vastrentende waarden de “nominale waarde”) uitgekeerd.

Bij het uitzetten van gelden op rekening-courant, spaarrekening, daggeld of deposito’s worden géén koersrisico’s gelopen. Het kan bij dergelijke producten echter voorkomen dat de opnamemogelijkheden beperkt zijn (in het bijzonder bij deposito’s en soms bij een spaarrekening). Certificates of deposit, commercial papers, obligaties en medium term notes zijn vastrentende waarden die (tussentijds) verhandelbaar zijn. Bij tussentijdse verkoop kunnen koersrisico’s worden gelopen. Wanneer deze waarden tot het einde van hun looptijd worden aangehouden zal minimaal de nominale waarde en de vooraf overeengekomen (minimale) rente worden uitgekeerd.

Garantieproducten zijn beleggingsproducten waarbij de uitgevende (financiële) instelling garandeert dat op de afloopdatum (een bepaald percentage van) de hoofdsom wordt uitgekeerd. Garantieproducten keren vaak minder of geen rente uit en bieden in plaats daarvan bijvoorbeeld een rendement dat gebaseerd is op een aandelen-index (zoals de AEX-index). Garantieproducten waarbij minder dan 100% van de hoofdsom wordt gegarandeerd zijn expliciet niet toegestaan onder de Wet fido.

Bij garantieproducten is vaak enkel de hoofdsom gegarandeerd. Aangezien de reële waarde (de koopkracht) van de hoofdsom door inflatie kan verminderen, verdient het de aanbeveling om bij een langere looptijd naast een hoofdsomgarantie een minimaal rendement (bijv. ter hoogte van het inflatieniveau) te eisen.

Voor uitzettingen uit hoofde van de publieke taak van de gemeente worden in dit treasurystatuut geen richtlijnen met betrekking tot producten opgenomen. Van belang is dat de Gemeenteraad bepaalt dat de betreffende uitzetting tot de “publieke taak” van de gemeente behoort. In dit kader is het bijvoorbeeld mogelijk dat uitzettingen in de vorm van aandelen tot de publieke taak behoren.

Artikel 5 lid 2

Koersrisico’s kunnen nooit volledig worden uitgesloten. Als de organisatie in een vastrentend product heeft belegd maar – wegens wijziging in de liquiditeitenplanning - voor de afloopdatum deze uitzetting moet verkopen, dan wordt niet 100% van de hoofdsom terugbetaald, maar de actuele waarde van de uitzetting afhankelijk van de rente en resterende looptijd. Om deze koersrisico’s zoveel mogelijk te beperken stemt de gemeente de looptijd van de uitzetting af op de liquiditeitenplanning.

Artikel 6

De Wet fido stelt geen eisen aan de kwaliteit van de debiteuren bij het verstrekken van leningen of garanties aan derden in het kader van de publieke taak. Omdat de Gemeenteraad de publieke taak bepaalt, worden leningen of garanties uitsluitend verstrekt aan door de Gemeenteraad goedgekeurde partijen. Teneinde de kredietrisico’s te beheersen kunnen zekerheden of garanties worden verlangd van de debiteuren.

Artikel 7

Interne liquiditeitsrisico’s doen zich bijvoorbeeld voor wanneer de gemeente middelen voor een bepaalde periode heeft uitgezet en gedurende de looptijd van de uitzetting blijkt dat de middelen (onverwacht) nodig zijn voor het doen van een investering. Dit kan tot gevolg hebben dat de gemeente tijdelijk een lening moet aantrekken (wanneer de uitzettingen vast staan in bijvoorbeeld een deposito) ofwel tussentijds een uitzetting moet verkopen (bijvoorbeeld een obligatie). In beide gevallen kan dit negatieve gevolgen hebben voor de financiële resultaten.

Ter beperking van dit risico baseert de gemeente haar financiële transacties op een liquiditeitenplanning waarin de toekomstige inkomsten en uitgaven van de gehele organisatie zijn gepland. Teneinde aansluiting te zoeken op de meerjarige investeringsplanning van de gemeente is gekozen een liquiditeitenplanning met een periode van maximaal 5 jaar op te stellen.

In de praktijk is het opstellen van een betrouwbare en nauwkeurige liquiditeitenplanning niet eenvoudig. Dit heeft te maken met de inherente onzekerheden die verbonden zijn aan de activiteiten van de gemeente en de hieraan verbonden mogelijke financiële gevolgen. Het is daarom van groot belang dat de treasurer juist, tijdig en volledig wordt geïnformeerd door de overige teams over de financiële gevolgen van hun activiteiten.

Artikel 8

Dit betreft een ongewijzigde voortzetting van het beleid binnen de gemeente.

Artikel 9 lid 1

Het aantrekken van middelen met als doel deze met winstoogmerk te beleggen is door artikel 2 lid 2 van de Wet fido (zie ook memorie van toelichting op de Wet fido) nadrukkelijk niet toegestaan.

Artikel 9 lid 2

Teneinde de renteresultaten te optimaliseren wordt zoveel mogelijk intern gefinancierd.

Artikel 9 lid 3

Onderhandse geldleningen zijn leningen waarbij de voorwaarden van de lening in onderling overleg met de geldgevende partij kunnen worden vastgesteld. Een Medium Term Note (MTN) is een verhandelbare schuldbekentenis aan toonder, met een minimumlooptijd van twee jaar en een minimum- omvang van nominaal € 450.000,-. Deze maakt onderdeel uit van een medium term note programma. De term Commercial Paper staat voor verhandelbare schuldbekentenissen met een looptijd korter dan twee jaar, uitgegeven door niet-kredietinstellingen.

Artikel 9 lid 4

Deze richtlijn beoogt de marktconformiteit van financieringen te waarborgen, voor bijv. te betalen rentepercentages, provisies, (boete-) clausules bij vervroegde aflossing etc. Middels het opvragen van meerdere offertes wordt bereikt dat de gemeente een objectief beeld heeft van de op dat moment gebruikelijke tarieven en voorwaarden op de financiële markten. Op basis daarvan kan een afgewogen keuze worden gemaakt. Het opvragen van offertes gebeurt met inachtneming van de Europese aanbestedingsregels.

Artikel 10 lid 1

Uitzetting betreft het uitzetten van middelen (uit hoofde van treasury) voor een periode langer dan één jaar. In het onderdeel Risicobeheer (artikel 3 tot en met 8) is gedefinieerd op welke wijze de gemeente het prudente karakter van haar uitzettingen waarborgt. In dit artikel worden aanvullende richtlijnen met betrekking tot uitzettingen geformuleerd.

Artikel 10 lid 2

Als een decentrale overheid dat wenst kan een deel van de middelen op de rekening-courant voor langere tijd worden vastgezet in een of meerdere deposito’s. Een decentrale overheid kan een deposito vervroegd laten vrijvallen. Dit kan echter alleen als de decentrale overheid (een deel van) de middelen nodig heeft voor het uitoefenen van zijn publieke taak. In de praktijk is een directe koppeling tussen het vrijvallen van een deposito en een uitgave aan de publieke taak waarschijnlijk niet altijd te maken. Dat is ook niet nodig. Deze randvoorwaarde is alleen bedoeld om te voorkomen dat via het vervroegd opvragen van deposito’s gespeculeerd wordt op verwachte ontwikkelingen in de rentestand met als doel koerswinst te realiseren of koersverlies te minimaliseren. Het uitgangspunt is derhalve dat een deposito alleen vervroegd kan worden opgevraagd wanneer de middelen benodigd zijn voor het daadwerkelijk verrichten van uitgaven. Een deposito kan alleen in zijn geheel vervroegd vrijvallen. Uiteraard kan een deel van de vrijgevallen middelen wel worden gebruikt om een of meerdere nieuwe deposito’s af te sluiten.

Bij voortijdige beëindiging van een deposito wordt de actuele marktwaarde van het deposito uitgekeerd. Voor de berekening van de actuele markt-waarde wordt gebruik gemaakt van de methode voor bestaande deelnemers aan schatkistbankieren. Deze berekening is opgenomen in bijlage 1 van de Regeling rekening-courant- en leningenbeheer derden van het Rijk.

Artikel 11

Dit artikel is gebaseerd op artikel 2, lid 1 en 2 van de Wet fido. Het doel hiervan is om vast te leggen dat alle overtollige liquide middelen van een openbaar lichaam bij de schatkist moeten worden aangehouden. De middelen blijven echter wel te allen tijde beschikbaar voor de publieke taak. Uitgezonderd van het verplicht aanhouden in de schatkist zijn middelen voor zover deze, gerekend over een kwartaal, gemiddeld het drempelbedrag niet te boven gaan. Het drempelbedrag wordt bepaald op basis van het begrotingstotaal van de gemeente. Indien het begrotingstotaal kleiner of gelijk aan € 500 miljoen is, is het drempelbedrag gelijk aan 0,75% van het begrotingstotaal, waarbij het drempelbedrag minimaal € 250.000 bedraagt. Indien het begrotingstotaal groter dan € 500 miljoen is, is het drempelbedrag gelijk aan € 3,75 miljoen, vermeerderd met 0,2% van het deel van het begrotingstotaal dat de € 500 miljoen te boven gaat. Het drempelbedrag wordt jaarlijks in de financieringsparagraaf van de begroting opgenomen en over de benutting van het drempelbedrag wordt bij het jaarverslag gerapporteerd over de benutting per kwartaal.

Artikel 12

Dit artikel beoogt een duidelijke afbakening van bevoegdheden en verantwoordelijkheden bij het verstrekken van financiële middelen aan derden, zoals leningen en garanties. Het waarborgt dat dergelijke verstrekkingen uitsluitend plaatsvinden binnen het kader van de publieke taak en onder democratische controle.

Artikel 13 lid 1

Het doel van deze bepaling is het voorkomen van speculatief financieel gedrag door de gemeente. Gemeenten zijn publieke instellingen en behoren geen commerciële activiteiten te ontplooien met het oog op winstmaximalisatie. Door het verbod op het genereren van inkomsten via in- en doorlenen wordt geborgd dat de gemeente uitsluitend handelt binnen haar publieke taak en geen onnodige financiële risico’s neemt. Dit draagt bij aan prudent financieel beheer en voorkomt dat publieke middelen worden ingezet voor niet-maatschappelijke doeleinden.

Artikel 13 lid 2

Deze bepaling heeft als doel om het gebruik van financiële instrumenten zoals leningen en doorleningen te koppelen aan het algemeen belang. De gemeente mag alleen middelen aantrekken of verstrekken als dit direct bijdraagt aan haar publieke taak, zoals investeringen in infrastructuur, duurzaamheid, sociale woningbouw of maatschappelijke voorzieningen. Hiermee wordt voorkomen dat de gemeente middelen inzet voor private of commerciële doeleinden, en wordt de inzet van financiële middelen transparant, doelgericht en maatschappelijk verantwoord gehouden.

Artikel 14 lid 1

Op het gebied van relatiebeheer beoogt de treasury het realiseren van zo gunstig mogelijke condities voor de door haar af te nemen diensten. Teneinde structuur aan te brengen in de momenten waarop de beoordeling van bankrelaties plaats heeft, is opgenomen dat deze beoordeling minimaal ééns in de 4 jaar plaats moet hebben door het Hoofd FA en de medewerker belast met Treasury.

Artikel 14 lid 4

Tussenpersonen hebben een intermediairfunctie bij het afsluiten van financiële transacties en vallen niet onder “tegenpartijen”. De vereisten van lid 2 zijn voor tussenpersonen dan ook niet van toepassing. Om dit te ondervangen stelt de gemeente als eis dat tussenpersonen onder toezicht van de AFM staan.

Artikel 15 lid 1

Geldstromenbeheer omvat met name het zorgdragen voor een efficiënt betalingsverkeer. Geldstromen kunnen bijvoorbeeld op elkaar worden afgestemd door een betalingsdatum af te stemmen op verwachte ontvangsten. Hiermee wordt voorkomen dat de gemeente tijdelijk middelen aan moet trekken (c.q. middelen aan haar uitzettingenportefeuille moet onttrekken) teneinde de betreffende betaling (tijdelijk) te financieren.

Artikel 15 lid 2

Het laten uitvoeren van het betalingsverkeer door één bank heeft als voordeel dat de kosten van het overboeken van middelen tussen verschillende banken worden vermeden.

Contant geld is fraudegevoelig. Ter bescherming van gemeente en kasbeheerders wordt het handelen met contant geld tot een minimum beperkt.

Artikel 16 lid 1

Het saldo en liquiditeitenbeheer betreft het beheer van de dagelijkse saldi op de rekeningen (-courant) van de gemeente. Teneinde de noodzaak tot het doen van interne overboekingen te beperken, worden verschillende rekeningen die de gemeente bij één bank aanhoudt, opgenomen in een rentecompensatiecircuit. Dit is een systeem waarbij de (valutaire) debet en creditsaldi van alle rekeningen van een organisatie worden samengevoegd tot één gecombineerd saldo, waarover de rente wordt berekend.

Artikel 16 lid 3

In dit lid worden limitatief de mogelijke korte termijn financieringsinstrumenten benoemd. De term daggeld (ook wel callgeld genoemd) staat voor opgenomen of uitgezette middelen voor onbepaalde tijd die dagelijks gewijzigd kan worden. Kasgeldleningen zijn niet verhandelbare leningen voor een vast bedrag en een vaste periode (maximaal 2 jaar) en tegen een vooraf overeengekomen rentepercentage. Kredietlimiet op de rekening-courant betreft de mogelijkheid debet (“rood”) te staan op de rekening courant tegen vooraf overeengekomen condities.

Artikel 17

Bij de treasuryfunctie zijn meerdere personen en organen betrokken. Het treasurystatuut legt expliciet het mandateringspatroon vast, in casu welke taken en bevoegdheden de betrokken partijen hebben. Met het oog op de omvang en de aard van de transacties en de hiermee samenhangende risico’s, zijn in dit artikel een aantal specifieke uitgangspunten opgenomen teneinde een eenduidige functiescheiding aan te brengen tussen beleidsbepaling en de uitvoering en tussen de administratie en controle op financiële transacties.

Artikel 18

De taken en bevoegdheden van de functionarissen die binnen de gemeente betrokken zijn bij de treasuryactiviteiten zijn in artikel 16 respectievelijk artikel 17 beschreven. De toekenning van de genoemde functies en bijbehorende taken aan functies en/of functionarissen vindt plaats via de hiertoe dienende documenten (mandaten, e.d.). Deze taken dienen te worden gecommuniceerd naar de betrokkenen.

Artikel 19

De eindverantwoordelijkheid voor het treasurybeleid ligt primair bij het bestuur van de gemeente. Teneinde niet onnodig te worden belast met het dagelijkse treasurybeheer draagt het bestuur een deel van haar bevoegdheden over aan de ambtelijke organisatie. De praktische uitvoering van het beleid heeft dus vooral op ambtelijk niveau plaats, met als voordeel een slagvaardiger optreden. Bij de toewijzing van bevoegdheden is zoveel mogelijk rekening gehouden met de vereiste functiescheiding tussen besluitvorming, uitvoering, administratie en controle.

Artikel 20

De tabel in dit artikel geeft weer op welke wijze de informatievoorziening gewaarborgd wordt.

Artikel 20 pt. 1

Teams dienen informatie te verschaffen in een zo vroeg mogelijk stadium waarin zich significante wijzigingen aandienen.


Noot
1

Wanneer de hoogte van de leningen afwijkt van wat in de begroting is opgenomen, is een collegebesluit noodzakelijk.

Noot
2

Wanneer de hoogte van de leningen afwijkt van wat in de begroting is opgenomen, is een collegebesluit noodzakelijk.

Noot
3

Wanneer de hoogte van de leningen afwijkt van wat in de begroting is opgenomen, is een collegebesluit noodzakelijk.