Beleidsregel voor de Wet Bibob gemeente Ommen 2026

Geldend van 13-02-2026 t/m heden

Intitulé

Beleidsregel voor de Wet Bibob gemeente Ommen 2026

De “Beleidsregel voor de Wet Bibob gemeente Ommen 2026” legt uit hoe de gemeente Ommen de Wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het Openbaar Bestuur (hierna: Wet Bibob) toepast en uitvoert.

Wat is de Wet Bibob?

Het doel van de Wet Bibob is voorkomen dat de gemeente criminele activiteiten of het witwassen van crimineel verdiend geld mogelijk maakt. Bibob staat voor “bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur”. De gemeente voert daarom een (eigen) Bibob-onderzoek uit bij activiteiten die een verhoogd risico op criminaliteit hebben. Met dit onderzoek controleert de gemeente iemands integriteit, dus of iemand te vertrouwen is en niet betrokken is bij criminele activiteiten. De gemeente kan ook mensen uit iemands zakelijke omgeving onderzoeken.

Wanneer kan de gemeente een (eigen) Bibob-onderzoek doen?

De gemeente mag alleen een (eigen) Bibob-onderzoek doen bij de volgende activiteiten:

  • activiteiten waar een vergunning/ontheffing voor nodig is;

  • activiteiten waarvoor een subsidie wordt aangevraagd;

  • opdrachten voor de overheid (overheidsopdrachten);

  • vastgoedtransacties, zoals onder andere het kopen of verkopen van gebouwen of grond van de gemeente.

In de Wet Bibob staat hoe gemeenten het (eigen) Bibob-onderzoek mogen doen.

Wat kunnen de gevolgen zijn van een (eigen) Bibob-onderzoek?

De gemeente kan bij het vermoeden van crimineel misbruik beslissen geen vergunning, ontheffing, subsidie of overheidsopdracht te geven, of geen vastgoedtransactie te sluiten. Ook kan de gemeente beslissen om voorschriften te verbinden een vergunning of subsidie of deze in te trekken of een overeenkomst te stoppen.

Overwegende dat:

  • Voorkomen moet worden dat de gemeente Ommen criminele activiteiten (onbewust) faciliteert of dat onrechtmatig verkregen voordeel wordt gebruikt.

  • De Wet Bibob hierbij een instrument is om te beoordelen of partijen waar de gemeente beschikkingen en/of subsidies aan verleent (of heeft verleend), dan wel overheidsopdrachten aan gunt of vastgoedtransacties mee aangaat, integer zijn.

  • de Wet Bibob de gemeente Ommen hierbij bestuurlijke beleidsruimte en keuzevrijheid geeft bij besluitvorming over het toepassen van de bevoegdheden die voortvloeien uit deze wet.

  • de inzet van een Bibob-toets weloverwogen en met inachtneming van de beginselen van behoor bestuur wordt uitgevoerd.

Besluit

De burgemeester en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ommen, ieder voor zover het hun bevoegdheid betreft besluiten vast te stellen de “Beleidsregel voor de Wet Bibob gemeente Ommen 2026” (hierna: Beleidsregel).

Hoofdstuk 1: Algemeen

Artikel 1.1 Uitleg begrippen

In deze Beleidsregel staan verschillende begrippen. In artikel 1.1 van de Wet Bibob leest u van de meeste begrippen wat ze betekenen. Daarnaast staan in deze Beleidsregel nog enkele andere begrippen. Hieronder leest u wat die begrippen betekenen.

  • a.

    Gemeente: in deze Beleidsregel verwijst gemeente naar een bestuursorgaan van de gemeente (de burgemeester, het college van burgemeester en wethouders of de gemeenteraad van de gemeente Ommen) of naar de rechtspersoon met een overheidstaak. Het hangt van de situatie af wie volgens de wet het recht heeft om iets te doen.

  • b.

    Eigen onderzoek: het Bibob-onderzoek dat de gemeente Ommen uitvoert, zoals bedoeld in artikel 7a van de Wet Bibob.

  • c.

    Eigen ambtelijke informatie: informatie die binnen de gemeente aanwezig is, bijvoorbeeld in documenten of digitaal. Of informatie die de gemeente in open of gesloten bronnen mag bekijken of aanvragen. De gemeente mag deze informatie gebruiken voor het eigen onderzoek.

  • d.

    Bibob -vragenformulier: het formulier dat iemand in moet vullen bij de start van het eigen Bibob-onderzoek (zie artikel 7a, lid 5 van de Wet Bibob) door de gemeente.

  • e.

    Rechtspersoon met een overheidstaak: de gemeente Ommen.

  • f.

    RIEC: het Regionaal Informatie- en Expertise Centrum, zoals bedoeld in artikel 28, lid 2 onder d van de Wet Bibob. Dit samenwerkingsverband gaat georganiseerde criminaliteit tegen.

  • g.

    LBB: het Landelijk Bureau Bibob, zoals bedoeld in artikel 8 van de wet. De gemeente kan dit bureau vragen om een Bibob-advies te geven.

Artikel 1.2 De gemeente mag afwijken van deze Beleidsregel

In deze Beleidsregel heeft de gemeente Ommen omschreven in welke gevallen het een (eigen) Bibob-onderzoek uitvoert. Ook in andere gevallen kan de gemeente een (eigen) Bibob-onderzoek uitvoeren als zij dat nodig vindt. De gemeente kan dit doen zolang het zich aan de Wet Bibob en andere wet- en regelgeving houdt.

Hoofdstuk 2: Publiekrechtelijke beschikkingen

In dit hoofdstuk leest u wanneer de gemeente de Wet Bibob kan gebruiken bij aanvragen voor publiekrechtelijke beschikkingen, zoals vergunningen en subsidies.

Artikel 2.1 Wanneer past de gemeente de Wet Bibob toe als iemand een vergunning aanvraagt?

  • 1. De gemeente voert een (eigen) Bibob-onderzoek uit als het een aanvraag voor één van de volgende vergunningen ontvangt:

    • Alcoholwetvergunning zoals bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet voor horecabedrijven, behalve paracommerciële rechtspersonen;

    • Exploitatievergunning openbare inrichting, zoals bedoeld in artikel 2:28 van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente (APV) Ommen;

    • Exploitatievergunning speelgelegenheid, zoals bedoeld in artikel 2:39 van de APV Ommen;

    • Exploitatievergunning voor een seksinrichting of escortbedrijf, zoals bedoeld in artikel 3:4 van de APV gemeente Ommen.

  • 2. De gemeente voert een (eigen) Bibob-onderzoek uit wanneer zij een aanvraag ontvangt voor een van de onderstaande vergunningen (lid a, b en c), mits:

    • de vergunning is aangevraagd voor één of meer risicoactiviteiten zoals opgenomen in bijlage 1 én de uitkomst van de beslisboom (bijlage 2) daartoe aanleiding geeft.

      Een vergunning als bedoeld in artikel 5.1 van de Omgevingswet, voor:

      • a.

        een bouwactiviteit;

      • b.

        een milieubelastende activiteit;

      • c.

        een evenementenvergunning als bedoeld in artikel 2:25 van de APV Ommen.

  • 3. Op alle vergunnings- of ontheffingsaanvragen waar de gemeente een wettelijke Bibob-bevoegdheid heeft voert de gemeente een (eigen) Bibob-onderzoek uit als:

    • De gemeente dit nodig vindt door eigen ambtelijke informatie of informatie die de gemeente kreeg van één van de partners van het samenwerkingsverband RIEC.

    • De gemeente een tip of een bericht heeft ontvangen van het LBB, zoals bedoeld in artikel 11 of 11a van de Wet Bibob.

    • De gemeente een tip heeft ontvangen van de officier van justitie, een ander bestuursorgaan dat de Wet Bibob mag uitvoeren, of een rechtspersoon met een overheidstaak die de Wet Bibob mag uitvoeren, zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob.

  • 4. De gemeente voert meestal geen (eigen) Bibob-onderzoek uit voor aanvragen van overheidsinstanties, semi-overheidsinstanties of woningcorporaties die zijn toegelaten als toegelaten instelling onder de Woningwet.

    Bij zulke aanvragen voert de gemeente wel een (eigen) Bibob-onderzoek uit als één van de situaties uit lid 3 van dit artikel voorkomen.

Artikel 2.2 Wanneer past de gemeente de Wet Bibob toe als iemand al een vergunning heeft (verleende vergunning)?

  • 1. De gemeente voert een (eigen) Bibob-onderzoek uit bij verleende vergunningen als:

    • a.

      De gemeente krijgt een melding dat de persoon die de vergunning heeft gekregen de vergunning op naam van iemand anders wil zetten (wijziging aanvrager of vergunninghouder zoals bedoeld in artikel 5.37 van de Omgevingswet) én één of meerdere activiteiten waarvoor de vergunning geldt een risicoactiviteit is (zie bijlage 1). Bij omgevingsvergunningen kan dit alleen als aan de voorwaarden is voldaan van artikel 5.40 van de Omgevingswet (bevoegdheid tot wijziging voorschriften omgevingsvergunning en intrekking omgevingsvergunning).

    • b.

      De gemeente dit nodig vindt door eigen ambtelijke informatie en/of informatie van één van de partners van het samenwerkingsverband RIEC.

    • c.

      De gemeente een tip of een bericht heeft ontvangen van het LBB, zoals bedoeld in artikel 11 of 11a van de Wet Bibob.

    • d.

      De gemeente een tip heeft ontvangen van de officier van justitie, een ander bestuursorgaan dat de Wet Bibob mag uitvoeren, of een rechtspersoon met een overheidstaak die de Wet Bibob mag uitvoeren, zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob.

  • 2. De gemeente kan een (eigen) Bibob-onderzoek uitvoeren bij een verleende vergunning als:

    • a.

      De gemeente de activiteit of het gebied waarvoor de vergunning geldt na het verlenen van de vergunning heeft toegevoegd aan de risicoactiviteiten (zie bijlage 1).

    • b.

      De leidinggevende(n) en/of zeggenschaphebbende(n) van de persoon die de vergunning heeft gekregen is/zijn veranderd.

Artikel 2.3 Wanneer past de gemeente de Wet Bibob toe bij subsidies?

De gemeente voert een (eigen) Bibob-onderzoek uit bij een aanvraag voor een subsidie of een (deels) goedgekeurde subsidie, zoals bedoeld in de algemene subsidieverordening als:

  • De gemeente dit nodig vindt door eigen ambtelijke informatie en/of informatie van één van de partners van het samenwerkingsverband RIEC.

  • De gemeente een tip of een bericht heeft ontvangen van het LBB, zoals bedoeld in artikel 11 of 11a van de Wet Bibob.

  • De gemeente een tip heeft ontvangen van de officier van justitie, een ander bestuursorgaan dat de Wet Bibob mag uitvoeren of een rechtspersoon met een overheidstaak die de Wet Bibob mag uitvoeren, zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob.

Artikel 2.4 Wat gebeurt er als iemand weigert de Bibob-vragenformulieren (helemaal) in te vullen?

  • 1. Gaat het om een aanvraag voor een vergunning of subsidie? Dan kan de gemeente beslissen de aanvraag niet te behandelen. Dit staat in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

  • 2. Gaat het om een verleende vergunning, ontheffing of subsidie? Dan kan de gemeente de vergunning, ontheffing of subsidie intrekken. Het weigeren om vragenformulieren (helemaal) in te vullen wordt door de Wet Bibob namelijk gezien als ernstig gevaar, zoals bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob.

Hoofdstuk 3: Privaatrechtelijke transacties

In dit hoofdstuk leest u wanneer de gemeente de Wet Bibob kan gebruiken bij privaatrechtelijke transacties, zoals vastgoedtransacties en/of overheidsopdrachten.

Artikel 3.1 Hoe past de gemeente de Wet Bibob toe bij vastgoedtransacties?

De gemeente kan een (eigen) Bibob-onderzoek uitvoeren als de gemeente zelf een vastgoedtransactie doet, zoals het kopen of verkopen van een gebouw of een stuk grond. De gemeente moet de betrokkene laten weten wanneer het een eigen Bibob-onderzoek doet en/of het LBB om advies vraagt. De gemeente kan deze informatie bijvoorbeeld in de verkoopleidraad zetten en/of dit vertellen bij de start van de onderhandelingen. De gemeente heeft een integriteitsclausule opgenomen in het contract voor de vastgoedtransactie (zie bijlage 4). Hierin staat dat de gemeente onder het contract uit kan als uit een (eigen) Bibob-onderzoek blijkt dat de andere partij niet integer is, zoals bedoeld in artikel 9, lid 3 van de Wet Bibob.

  • 1.

    De gemeente voert een (eigen) Bibob-onderzoek uit als:

    • a.

      De gemeente dit nodig vindt door eigen ambtelijke informatie en/of informatie van één van de partners van het samenwerkingsverband RIEC.

    • b.

      De gemeente een tip heeft ontvangen van het LBB, zoals bedoeld in artikel 11 of 11a van de Wet Bibob.

    • c.

      De gemeente een tip heeft ontvangen van de officier van justitie, een ander bestuursorgaan dat de Wet Bibob mag uitvoeren, of een rechtspersoon met een overheidstaak die de Wet Bibob mag uitvoeren, zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob.

Artikel 3.2 Hoe past de gemeente de Wet Bibob toe bij overheidsopdrachten?

De gemeente kan een (eigen) Bibob-onderzoek uitvoeren bij overheidsopdrachten, zoals bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en bij zorgovereenkomsten vanuit de Jeugdwet en/of de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo).

De gemeente moet de partijen die meedoen aan een aanbesteding of die een zorgovereenkomst willen sluiten met de gemeente, laten weten wanneer het een eigen Bibob-onderzoek doet en/of het LBB om advies vraagt. De gemeente zet deze informatie in (aanbestedings)documenten.

De gemeente heeft een integriteitsclausule opgenomen in het contract1. Daarin zet de gemeente dat het onder het contract uit kan als uit een (eigen) Bibob-onderzoek blijkt dat de uitvoerder van de opdracht niet integer is, zoals bedoeld in artikel 9, lid 2 van de Wet Bibob.

  • 1.

    De gemeente voert vóór het aangaan van het contract een (eigen) Bibob-onderzoek uit als:

    • a.

      De gemeente dit nodig vindt door eigen ambtelijke informatie en/of informatie van een van de partners van het samenwerkingsverband RIEC.

    • b.

      De gemeente een tip of een bericht heeft ontvangen van het LBB, zoals bedoeld in artikel 11 of 11a van de Wet Bibob.

    • c.

      De gemeente een tip heeft ontvangen van de officier van justitie, of een ander bestuursorgaan dat de Wet Bibob mag uitvoeren, of een rechtspersoon met een overheidstaak die de Wet Bibob mag uitvoeren, zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob.

  • 2.

    Als één of meer van de situaties onder 1 a t/m c voorkomen tijdens het uitvoeren van het contract kan de gemeente ook een (eigen) Bibob-onderzoek uitvoeren.

Artikel 3.3 Wat gebeurt er als iemand weigert mee te werken aan het (eigen) Bibob-onderzoek van de gemeente?

Als iemand weigert om de Bibob-vragenformulieren (helemaal) in te vullen, dan kan de gemeente beslissen om geen vastgoedtransactie of overheidsopdracht te sluiten met die persoon. Hetzelfde geldt als iemand weigert om informatie te geven aan het LBB.

Hoofdstuk 4: Slotbepalingen

Artikel 4.1 Toelichting

Meer informatie over de toepassing van de Wet Bibob door de gemeente Ommen staat in de toelichting (zie bijlage 3).

Artikel 4.2 Intrekking

De “Beleidsregel Bibob Ommen 2022” vastgesteld op 29 november 2022 wordt ingetrokken.

Artikel 4.3 Overgangsrecht

Deze Beleidsregel is van toepassing op alle aanvragen en (principe)verzoeken die voor de inwerkingtreding van deze Beleidsregel zijn ingediend, maar waarover nog geen definitief beluit is genomen.

Artikel 4.4 Citeertitel en inwerkingtreding

De “Beleidsregel voor de Wet Bibob gemeente Ommen 2026” is vastgesteld door de burgemeester, respectievelijk het college van burgemeester en wethouders, op 3 februari 2026 en treedt in werking de dag na bekendmaking.

Ondertekening

Zo hebben besloten op 3 februari 2026:

Burgemeester van de gemeente Ommen,

mr. drs. J.M. Vroomen

Burgemeester en wethouders van de gemeente Ommen,

Secretaris,

J.W.H. Blaauw

Burgemeester,

mr. drs. J.M. Vroomen

Bijlage 1 Risicoactiviteiten

In deze bijlage staan de activiteiten waar de gemeente Ommen een (eigen) Bibob-onderzoek kan uitvoeren indien bevoegd en de beslisboom (bijlage 2) hiertoe aanleiding geeft. Voor deze activiteiten bestaat een verhoogd risico op criminaliteit of het witwassen van crimineel verdiend geld.

Hoe zijn de risicoactiviteiten bepaald?

In de lijst met risicoactiviteiten staan de volgende activiteiten:

  • Activiteiten die onder de Wet Bibob vallen, zoals activiteiten waar een alcoholwetvergunning voor nodig is of sommige milieu- of bouwactiviteiten. Sinds 2013 vallen ook vastgoedtransacties onder de Wet Bibob, en sinds 2022 ook (zorg)aanbestedingen. Deze activiteiten vallen onder de Wet Bibob omdat bij deze activiteiten volgens de overheid een verhoogd risico is op criminaliteit. De overheid maakt hiervoor gebruik van een onderzoek van criminoloog / emeritus hoogleraar Cyrille Fijnaut (hierna: Fijnaut) (zie ook ‘Activiteiten die de overheid heeft toegevoegd aan de Wet Bibob’).

  • Activiteiten waarvoor in de gemeente Ommen een vergunning nodig is. Gemeenten mogen ervoor kiezen om voor sommige activiteiten een vergunning verplicht te maken (vergunningplicht voor aan te wijzen bedrijfsmatige activiteiten ter bestrijding van ondermijning). De gemeente heeft besloten dat er een vergunning nodig is voor die activiteiten om problemen zoals overlast of onveilige situaties aan te pakken.

  • Activiteiten waar de gemeente negatieve ervaringen mee heeft. Denk bijvoorbeeld aan problemen met sommige zorgbureaus (zorgfraude), uitzendbureaus of duurzaamheidsprojecten. De gemeente kan ook activiteiten die heel veel voorkomen in een gebied toevoegen aan de lijst.

De overheid heeft er bewust voor gekozen om geen definitieve lijst met risicoactiviteiten te maken, maar gemeenten de vrijheid te geven om zelf activiteiten toe te voegen. Ze kunnen dat bijvoorbeeld doen als uit onderzoek blijkt dat ook andere branches in hun gemeente een verhoogd risico hebben op criminaliteit. Met een definitieve lijst zou ook het risico bestaan dat criminelen overstappen naar andere branches die buiten de Wet Bibob vallen.

Activiteiten die de overheid heeft toegevoegd aan de Wet Bibob

Voor het bepalen van de risicoactiviteiten heeft de overheid het onderzoek van Fijnaut gebruikt2. Fijnaut heeft vier criteria omschreven waarmee je kunt bepalen of een branche een verhoogd risico heeft op criminaliteit:

  • 1.

    Zijn criminelen goed bekend met de branche?

  • 2.

    Is het makkelijk om als bedrijf onderdeel te worden van de branche?

  • 3.

    Is er veel concurrentie tussen kleine bedrijven waarin veel contant geld aanwezig is?

  • 4.

    Heeft de branche vage, ingewikkelde en soms tegenstrijdige regels?

Op basis van deze criteria heeft de overheid eerst alleen de volgende branches onder de Wet Bibob laten vallen: horeca, bouwsector, autobranche, textielindustrie, de afvalverwerkingsbranche, de transportsector, prostitutie- en seksbedrijven en de goksector. Later heeft de overheid daar de volgende branches aan toegevoegd: coffeeshops, bedrijven die drugs of andere stoffen die onder de Opiumwet vallen produceren of verhandelen en de ICT-sector3. In 2010 voegde de overheid daar nog de volgende branches aan toe: uitzendbranche, evenementenbranche, belwinkels, headshops, kansspelautomatenbranche en de vastgoedsector. De reden hiervoor was het onderzoek voor de Evaluatie- en Uitbreidingswet Bibob in 2010.

Later voegde de overheid nog de vuurwerksector en kamerverhuur toe4. Ook voegde het sommige niet-vergunningplichtige sectoren als belwinkels, massagesalons en avondkappers toe5. Deze sectoren hebben het risico gebruikt te worden voor het witwassen van geld, ontduiken van belasting en andere soorten van criminaliteit. Dit komt deels doordat er veel contant geld aanwezig is en het makkelijk is om onderdeel te worden van de branche (Fijnaut-criteria 2 en 3).

Uit onderzoek blijkt verder dat criminele organisaties in Nederland aanwezig zijn in de horecabranche, groothandel en detailhandel (zoals de import en export van fruit), de vastgoedsector, de prostitutie, de transportsector en de verhuur van motorvoertuigen6. Daarom zijn ook die branches opgenomen in de lijst met risicoactiviteiten.

De hippische sector is ook als risicobranche opgenomen, omdat deze ook is vertegenwoordigd in de gemeente. Uit diverse onderzoeken blijkt dat de paardensportbranche een hoge economische waarde vertegenwoordigt en een voor criminele inmenging kwetsbare sport is7. Dit komt onder meer omdat er veel (cash) handel plaatsvindt, geldstromen niet altijd duidelijk zijn, de waardes van paarden moeilijk te bepalen zijn en er weinig controle plaatsvindt. Hierbij valt ook te denken aan fenomenen als Trade based money laundering8, BTW-(carrousel)fraude9 en witwassen10. Daarnaast liggen maneges vaak op afgelegen locaties waar weinig (sociale) controle en veel ruimte is. Dit zorgt ervoor dat de paardensportbranche een aantrekkelijke wereld is voor criminelen.

Wanneer voert de gemeente een (eige)n Bibob-onderzoek uit bij deze risicoactiviteiten?

De gemeente kan alleen een eigen Bibob-onderzoek doen bij publiekrechtelijke beschikkingen (zoals vergunningen of subsidies) of privaatrechtelijke transacties (zoals overheidsopdrachten en vastgoedtransacties).

Voor onderstaande activiteiten is niet altijd een vergunning nodig. Als er geen vergunning nodig is voor een activiteit, kan de gemeente de Wet Bibob niet direct uitvoeren. Wel kan het zijn dat de gemeente nog andere beslissingen moeten nemen om die activiteit mogelijk te maken, zoals een omgevingsvergunning geven of een vastgoedtransactie sluiten. Als dat zo is, kan de gemeente de Wet Bibob toch nog uitvoeren.

Het is de bedoeling dat de gemeente het eigen Bibob-onderzoek zo vroeg mogelijk uitvoert. Anders kan het lastig zijn om een beslissing terug te draaien, bijvoorbeeld bij vastgoedtransacties. Ook geeft dit de betrokkene die de activiteit wil uitvoeren snel duidelijkheid.

De gemeente probeert het aantal eigen Bibob-onderzoeken per betrokkene zo klein mogelijk te houden. Toch moet de gemeente soms meerdere keren een eigen Bibob-onderzoek doen bij een betrokkene (mits één -integraal- besluit).

Voorbeelden hoe de gemeente de Wet Bibob uitvoert bij risicoactiviteiten

Voorbeeld 1: Bij de gemeente komt een ondernemer die een nagelstudio wil beginnen. Nagelstudio’s vallen onder de risicoactiviteiten, dus de gemeente voert een (eigen) Bibob-onderzoek uit, wanneer de beslisboom hiertoe aanleiding geeft.

De ondernemer zegt dat hij voor de nagelstudio een gebouw van de gemeente wil huren. Dit is een vastgoedtransactie, dus daarvoor kan de gemeente wel een eigen Bibob-onderzoek doen, mits

  • a.

    De gemeente dit nodig vindt door eigen ambtelijke informatie en/of informatie van een van de partners van het samenwerkingsverband RIEC.

  • b.

    De gemeente een tip of een bericht heeft ontvangen van het LBB, zoals bedoeld in artikel 11 of 11a van de Wet Bibob.

  • c.

    De gemeente een tip heeft ontvangen van de officier van justitie, of een ander bestuursorgaan dat de Wet Bibob mag uitvoeren, of een rechtspersoon met een overheidstaak die de Wet Bibob mag uitvoeren, zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob.

Als de ondernemer de nagelstudio wilde starten in een gebouw dat niet van de gemeente is, kan de gemeente geen eigen Bibob-onderzoek doen. Huurcontracten met particulieren vallen namelijk niet onder de Wet Bibob.

Voorbeeld 2: Een ondernemer meldt zich bij de gemeente met een plan om een zorgboerderij te starten. Het gebouw dat de ondernemer hiervoor wil gebruiken is van de gemeente. Dit gebouw is nu nog niet geschikt en heeft een andere functie in het omgevingsplan. De ondernemer wil het gebouw duurzaam verbouwen. Zij vraagt daarvoor duurzaamheidssubsidie aan bij de gemeente.

Het aanbieden van zorg is een risicoactiviteit. Daarom voert de gemeente een eigen Bibob-onderzoek uit, wanneer de beslisboom hiertoe aanleiding geeft. De gemeente heeft hier ook andere verschillende mogelijkheden voor, want voor alle activiteiten hieronder kan de gemeente een eigen Bibob-onderzoek starten, mits

  • a.

    De gemeente dit nodig vindt door eigen ambtelijke informatie en/of informatie van een van de partners van het samenwerkingsverband RIEC.

  • b.

    De gemeente een tip of een bericht heeft ontvangen van het LBB, zoals bedoeld in artikel 11 of 11a van de Wet Bibob.

  • c.

    De gemeente een tip heeft ontvangen van de officier van justitie, of een ander bestuursorgaan dat de Wet Bibob mag uitvoeren, of een rechtspersoon met een overheidstaak die de Wet Bibob mag uitvoeren, zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob.

Het is de bedoeling dat de gemeente het eigen Bibob-onderzoek zo vroeg mogelijk uitvoert. De eerste stap is waarschijnlijk het sluiten van een huurcontract (vastgoedtransactie) of het aanvragen van een omgevingsvergunning bouw. De gemeente kan het beste al meteen bij die eerste stap het eigen Bibob-onderzoek doen. Zo voorkomt de gemeente dat in een latere stap blijkt dat de ondernemer niet integer is en dan al van alles is geregeld voor de zorgboerderij.

Lijst van risicoactiviteiten gemeente Ommen

In onderstaande lijst staan de risicoactiviteiten die gelden in de gemeente Ommen. Ze zijn verdeeld over categorieën.

Horeca-activiteiten

Voor deze activiteiten is meestal een vergunning nodig vanuit de Alcoholwet of de APV van de gemeente, zoals de exploitatievergunning voor openbare inrichtingen.

  • Horecabedrijven

  • Hotel/pensions of andere locaties om te overnachten

  • Coffeeshops

  • Shishalounges

De rechter heeft in verschillende uitspraken over horecabedrijven11 geoordeeld dat algemeen bekend is dat deze sector een verhoogd risico heeft op criminaliteit. Zie ook de memorie van toelichting van de Wet Bibob12.

Recreatie en vrije tijd

Voor deze activiteiten kan een vergunning nodig zijn vanuit de APV van de gemeente. Ook kan er een combinatie zijn met andere activiteiten, bijvoorbeeld wanneer er ook horeca op een recreatiepark aanwezig is. Dan is er sowieso een vergunning nodig.

  • Recreatieparken | campings*13

  • Jachthavens

  • Evenementen, zoals:

    • o

      Vechtsportenevenementen, te weten: kickboksen, thaiboksen ('muaythai') en mixed martial arts)*14

    • o

      Ride outs motorclubs (of vergelijkbare evenementen)*15

  • Speelautomatenhallen/gamecenters/casino’s

  • Commerciële sportactiviteiten (georganiseerd met een winstoogmerk)

  • Fitnessbedrijven/sportscholen

  • Motorclubs

  • Sporthallen, -scholen en/of -complexen

Prostitutie

Voor deze activiteit is een vergunning nodig vanuit de APV van de gemeente. Voor deze activiteit geldt ook vaak een maximumaantal per gebied. Soms is ook een wijziging van het omgevingsplan nodig om deze activiteit op een locatie mogelijk te maken.

  • Prostitutie- en seksbedrijven

  • Sekswinkels

  • Escortbedrijven

  • Seksbioscopen

  • Erotische massagesalons

De rechter heeft in verschillende uitspraken over prostitutiebedrijven16 geoordeeld dat het algemeen bekend is dat deze sector een verhoogd risico heeft op criminaliteit. Zie ook de memorie van toelichting van de Wet Bibob17.

Detailhandel en dienstverlening

Voor deze activiteiten is meestal geen vergunning nodig, behalve als de gemeente een vergunning verplicht heeft gemaakt. Soms staat in het Omgevingsplan dat voor deze activiteiten een omgevingsplanactiviteit moet worden aangevraagd.

  • Smartshops / headshops

  • Wellnesscentra / zonnestudio’s/ schoonheidssalons

  • Kappers/ barbershops/ nagelstudio’s/tattooshops

  • Belwinkels

  • Goudinkoopbedrijven

  • Pandjeshuizen (inleveren spullen als onderpand voor een lening)

  • Verhuur van transportmiddelen (auto’s, (bestel)bussen, deelvoertuigen)

  • Darkstores*

Wonen

Voor deze activiteiten is meestal een omgevingswetvergunning nodig, bijvoorbeeld voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit. Ook kunnen er vergunningen nodig zijn vanuit de Huisvestingswet, de Wet goed verhuurderschap of regels van de gemeente.

  • Kamerverhuurbedrijven (inclusief omgevingsvergunningen voor kamerverhuur- en/of logiespanden met vijf of meer kamers)

  • Aanpassen kantoorpanden (naar woningen en/of kamers)

  • Opvang vluchtelingen*

  • Kavelverkoop (aan niet natuurlijke personen)

  • Huisvesting van arbeidsmigranten

Opslag

Als voor deze activiteiten gebouwd moet worden, is er vaak een omgevingsvergunning nodig. Ook moet het omgevingsplan misschien veranderd worden.

  • Garageboxen/opslagruimtes

  • Bedrijfsverzamelgebouwen*

Milieubelastende activiteiten

Voor deze activiteiten is meestal een vergunning nodig vanuit de Omgevingswet (vergunning voor een milieubelastende activiteit en/of omgevingsplanactiviteit):

  • (gevaarlijke) Afvalbewerking en -verwerking

  • Afvalrecycling

  • Mestverwerking

  • Grondverzet*

  • Sloop- en/ of asbestverwijdering

  • Autodemontage

  • Auto (verkoop en verhuur)

  • Vuurwerkopslag/ transport

  • Datacenters*

Zorg, welzijn en opleiden

Deze activiteiten gebeuren soms via een overheidsopdracht en soms kan er een subsidie voor worden aangevraagd. Ook is er soms een vergunning voor nodig vanuit de Omgevingswet.

  • Het aanbieden van zorg (inclusief aanbieden van zorgwoningen)

  • Re-integratie-activiteiten

  • Het aanbieden van particuliere schoolactiviteiten

  • Religieuze instellingen

Duurzaamheid en transitie

Voor deze activiteiten is soms een omgevingsvergunning nodig, bijvoorbeeld voor bouwactiviteiten. Ook kan er soms een subsidie voor worden aangevraagd.

  • Energieproductie (inclusief (mest)vergisters, windmolens, zonneparken, enzovoort)

  • Activiteiten voor uitkoop- en opkoopregelingen (in verband met onder andere stikstof)*

Hippische sector*

Deze activiteiten gebeuren soms via een vastgoedtransactie. Soms is voor deze activiteiten een omgevingsvergunning nodig, bijvoorbeeld voor bouwactiviteiten. Het is ook mogelijk dat een omgevingsplanactiviteit nodig is of dat er sprake is van een milieubelastende activiteit.

  • Maneges

  • Paardenhouderijen

  • Stoeterijen

  • Huisvesting van grooms

  • Het fokken of handelen in paarden

Bijlage 2 Beslisboom eigen Bibob-onderzoek – positief én negatieve signalen

Deze beslisboom helpt bepalen of bij een aanvraag binnen een risicocategorie een eigen Bibob-onderzoek gestart moet worden. Er wordt zowel gekeken naar negatieve signalen (risico-indicatoren) als naar een positief signaal (betrouwbaarheidsindicatoren).

Stap 1: Valideer risicocategorie

Valt de aanvraag van de omgevingsvergunning bouwactiviteit, milieubelastende activiteit of de evenementenvergunning onder een vastgestelde risicocategorie in deze Beleidsregel?

  • Nee: Dan is een eigen Bibob-onderzoek niet nodig.

  • Ja: Ga dan naar “Stap 2”.

Stap 2: Beoordeel de signalen van verhoogd risico en betrouwbaarheid

Negatieve signalen (risico-indicatoren)

Betrokkenen

  • 1.

    De aanvrager, een bestuurder, een feitelijk leidinggevende of een uiteindelijk belanghebbende (UBO) c.q. een zeggenschapshebbende heeft een strafrechtelijk verleden dat relevant is voor de aangevraagde activiteit (te controleren via JustiD of gelijkwaardige bron).

  • 2.

    Er is in een eerder Bibob-onderzoek een negatief advies met betrekking tot (een of meer van) de betrokkenen afgegeven en/of naar aanleiding van een eerder Bibob-advies een voor (een of meer van) de betrokkenen negatief besluit genomen, dan wel er is sprake van lopende onderzoeken (interne controle en eventueel RIEC-signalen) naar (een of meer van) de betrokkenen.

Open bronnen | ketenpartners

  • 3.

    Er zijn signalen of meldingen vanuit de eigen ambtelijke organisatie, het RIEC, de politie, het OM of andere bevoegde ketenpartners die wijzen op criminele activiteiten of integriteitsrisico’s, met betrekking tot (een of meer van) de hiervoor bedoelde betrokkenen.

  • 4.

    Uit een KvK-onderzoek blijkt dat de bij de aanvraag betrokken onderneming een negatieve of verdachte registratie heeft, zoals faillissementen, turboliquidaties of veelvuldige bestuurderswisselingen.

Sector | locatie | aanvraagtype

  • De aanvraag heeft betrekking op een pand of een locatie met een bekende criminele of overlastgevende reputatie (naar aanleiding van, bijvoorbeeld, bestuurlijke rapportages of eerdere handhavingsbesluiten).

Positief signaal (betrouwbaarheidsindicator)

Betrouwbare aanvrager

De aanvrager (de bij de aanvraag betrokken onderneming | ondernemer) staat bekend om het naleven van afspraken en regelgeving bij de uitoefening van soortgelijke activiteiten als waar de aanvraag op ziet, blijkend uit toezicht- of handhavingsdossiers.

Stap 3: Weeg de situatie en motiveer het besluit

  • 1.

    Er zijn één (1) of meer negatieve signalen -> start een eigen Bibob-onderzoek.

  • 2.

    Er is sprake van een positief signaal en er zijn geen negatieve signalen -> er is geen eigen Bibob-onderzoek nodig.

Bijlage 3 Toelichting: hoe past de gemeente Ommen de Wet Bibob toe?

Deze toelichting legt de stappen uit die de gemeente zet bij een eigen Bibob-onderzoek. Soms voert de gemeente het onderzoek anders uit. Dit mag, zolang de gemeente zich aan de wet houdt.

De gemeente begint altijd met een eigen Bibob-onderzoek. Als dit onderzoek niet genoeg informatie oplevert om een beslissing te nemen, kan de gemeente ook het LBB om advies vragen. Dit bureau heeft toegang tot meer informatie dan de gemeente.

Ook kan de gemeente tijdens het onderzoek hulp vragen aan het RIEC.

In deze Beleidsregel staat wanneer de gemeente een eigen Bibob-onderzoek uitvoert. Soms gebruikt de gemeente eigen ambtelijke informatie bij dit onderzoek. Het kan zijn dat de gemeente deze informatie heeft gekregen uit één of meerdere (gesloten) bronnen, zoals gegevens van de politie. De gemeente houdt zich hierbij altijd aan de Wet Bibob.

Gaat het om een privaatrechtelijke overeenkomst? Dan gelden de afspraken in het (algemene) inkoopbeleid van de gemeente, de (algemene) verkoopvoorwaarden van de gemeente en contracten. Deze Beleidsregel is een aanvulling op die afspraken.

Eigen Bibob-onderzoek door de gemeente

De gemeente start altijd met een eigen Bibob-onderzoek. De gemeente voert hiervoor onderstaande stappen uit.

- De betrokkene moet een Bibob -vragenformulier invullen

Wanneer de gemeente een eigen Bibob-onderzoek start, vraagt het de betrokkene om het Bibob-vragenformulier in te vullen en in te leveren bij de gemeente. De betrokkene moet ook alle documenten (bijlagen) inleveren waar in het vragenformulier om wordt gevraagd. Deze documenten gelden als bewijs voor de antwoorden. Als de betrokkene de aanvraag doet voor een nieuwe beschikking, zoals een vergunning of subsidie, maken de Bibob-vragenformulieren onderdeel uit van de aanvraag voor de vergunning of subsidie.

- De gemeente voert daarna de volgende acties uit:

  • 1.

    De gemeente controleert en onderzoekt alle informatie die de betrokkene heeft ingevuld op het Bibob-vragenformulier en alle toegevoegde documenten (bijlagen).

  • 2.

    De gemeente controleert en onderzoekt extra informatie die de betrokkene heeft ingeleverd bij de gemeente als de gemeente hierom heeft gevraagd.

  • 3.

    De gemeente doet onderzoek naar informatie over de betrokkene en de omgeving van de betrokkene in open bronnen waar iedereen toegang toe heeft, zoals de Kamer van Koophandel en het Kadaster.

- De gemeente kan de volgende extra gegevens opvragen:

  • Politiegegevens (zie artikel 4.3 onder l van het Besluit politiegegevens).

  • Justitiële gegevens, zoals een strafblad.

  • Informatie van het LBB, zoals bedoeld in artikel 11a van de Wet Bibob.

  • Informatie van de Rijksbelastingdienst zoals bedoeld in artikel 7c van de Wet Bibob.

De gemeente kan deze extra informatie opvragen van de betrokkene zoals bedoeld in artikel 1, lid 1 van de Wet Bibob, maar (met uitzondering van politiegegevens) ook van Bibob-relaties van de betrokkene. Daaronder vallen de volgende personen:

  • degene die direct of indirect leiding geeft of heeft gegeven aan de betrokkene;

  • degene die direct of indirect zeggenschap heeft of heeft gehad over de betrokkene;

  • degene die direct of indirect vermogen geeft of heeft gegeven aan de betrokkene;

  • degene die als leidinggevende, beheerder, bedrijfsleider of vervoersmanager staat vermeld op de aangevraagde of al gegeven beschikking;

  • degene die met de betrokkene gelijk kan worden gesteld door zijn invloed op de betrokkene.

- De betrokkene moet de volgende informatie geven over hoe hij het project of de activiteit financiert:

De financiering van het project of de activiteit moet aannemelijk en inzichtelijk zijn. Dit betekent dat geloofwaardig moet zijn dat de betrokkene het geld heeft en dat duidelijk moet zijn waar het geld vandaan komt. Daarom gelden de volgende regels:

Optie 1: De betrokkene gebruikt eigen vermogen

De betrokkene moet kunnen bewijzen dat hij/zij het geld heeft en waar het vandaan komt. Ook als de betrokkene met contant geld betaalt.

Optie 2: De betrokkene gebruikt vreemd vermogen

In dit geval moet de betrokkene de volgende documenten inleveren:

  • Een lenings- of schenkingscontract waarop staat wat de voorwaarden voor de lening of schenking zijn. Dit contract moet in het Nederlands zijn of vertaald zijn naar het Nederlands.

  • Documenten die de identiteit van de (indirecte) geldgever bewijzen:

  • Geldig identiteitsbewijs

  • Adres en woonplaats

  • Gegevens over de natuurlijke personen (aandeelhouders) als de financiering door rechtspersonen gebeurt.

  • Documenten waaruit blijkt waar het geld van de geldgever vandaan komt en om hoeveel geld het gaat. Denk aan overeenkomsten, jaaropgaven, loonstroken en belastingaangiftes.

  • Bankafschriften waaruit blijkt dat de betrokkene het geld heeft ontvangen.

  • Betaalt de betrokkene met contant geld? Dan moet de betrokkene laten zien hoe hij aan dit geld komt.

  • Maakt de betrokkene gebruik van crowdfunding of andere manieren om via een platform geld op te halen bij een groep mensen? Dan kan de gemeente het platform verplichten de identiteit van de uiteindelijke vermogensverschaffers bekend te maken aan de betrokkene of de gemeente.

Onderzoek door het LBB

De gemeente kan ook het LBB een onderzoek laten doen. Het LBB heeft toegang tot meer informatie dan de gemeente, zoals internationale informatie en informatie van inlichtingendiensten. Een onderzoek door het LBB heeft daarom meer invloed op een betrokkene en de privacy van een betrokkene dan een onderzoek door de gemeente. De gemeente laat het LBB daarom alleen een onderzoek doen als zij dit echt nodig vindt. De gemeente kan het LBB onderzoek laten doen in de volgende gevallen:

  • De gemeente heeft nog vragen over de integriteit van de betrokkene en/of de omgeving van de betrokkene, zoals bedoeld in artikel 3, lid 4 van de Wet Bibob.

  • De gemeente heeft nog vragen over de bedrijfsstructuur van één of meerdere bedrijven die te maken hebben met de beschikking, overheidsopdracht of vastgoedtransactie.

  • De gemeente heeft nog vragen over de financiering van de activiteiten.

  • Het LBB adviseert de gemeente om hen onderzoek te laten doen naar de betrokkene, zoals bedoeld in artikel 11 van de Wet Bibob.

  • De gemeente heeft een tip ontvangen van de officier van justitie, of een ander bestuursorgaan, of een rechtspersoon met een overheidstaak, zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet.

Een betrokkene kan geen bezwaar maken of in beroep gaan tegen een adviesvraag bij het LBB. De betrokkene kan de aanvraag wel altijd intrekken.

Wanneer besluit de gemeente om geen vergunning of subsidie te geven of geen vastgoedtransactie of overheidsopdracht te sluiten?

De gemeente beoordeelt zelf, of met een advies van het LBB wanneer het een negatief of positief besluit neemt. In de Wet Bibob staat hoe de gemeente moet omgaan met de kans op criminele activiteiten. Als die kans erg groot is, heeft de Wet Bibob het over ‘een ernstige mate van gevaar’. Als de kans kleiner is heeft de Wet Bibob het over ‘een mindere mate van gevaar’.

Vergunningen en subsidies

In de volgende gevallen kan de gemeente beslissen om een aanvraag voor een vergunning of subsidie niet te behandelen. Of een al verleende vergunning of subsidie in te trekken. Dit kan de gemeente doen volgens artikel 4:5 van de Awb en op grond van artikel 3 en artikel 4 van de Wet Bibob.

  • De betrokkene werkt niet mee aan het eigen Bibob-onderzoek van de gemeente. Bijvoorbeeld door het Bibob-vragenformulier niet of niet helemaal in te vullen, en/of niet alle gevraagde bewijzen mee te sturen. Ook niet nadat de gemeente de betrokkene tijd heeft gegeven om de missende informatie aan te vullen.

  • De betrokkene heeft expres informatie weggelaten van het Bibob-formulier of foute informatie gegeven. Dit is strafbaar volgens artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht. Als de gemeente denkt dat de betrokkene dit heeft gedaan, kan de gemeente aangifte doen bij de politie.

  • De betrokkene heeft niet goed genoeg kunnen bewijzen dat hij het geld voor de activiteit heeft en hoe hij aan dit geld is gekomen.

  • De betrokkene werkt niet mee aan het onderzoek van het LBB. Bijvoorbeeld door de gevraagde informatie of bewijzen niet te geven. Of door niet naar waarheid te antwoorden.

  • Uit het Bibob-onderzoek blijkt dat er een ernstig mate van gevaar is, zoals bedoeld in artikel 3, lid 1 van de Wet Bibob. Als de vergunning of subsidie al (af)gegeven is, kan de gemeente deze intrekken.

  • Is er geen ernstige mate van gevaar, maar een mindere mate van gevaar, zoals bedoeld in artikel 3, lid 1 van de Wet Bibob? Dan kan de gemeenten extra voorschriften (regels) opleggen voor de vergunning of subsidie. Die extra voorschriften moeten ervoor zorgen dat het gevaar voor criminele activiteiten verdwijnt of kleiner wordt. Als de betrokkene zich niet aan deze regels houdt, kan de gemeente de vergunning of subsidie intrekken.

  • Is er wel een ernstige mate van gevaar, maar vindt de gemeente het weigeren of intrekken van de vergunning of subsidie een te zware beslissing ? Ook dan kan de gemeente extra regels opleggen. Die extra regels moeten ervoor zorgen dat het gevaar voor criminele activiteiten verdwijnt of kleiner wordt. Als de betrokkene zich niet aan deze regels houdt, kan de gemeente de vergunning of subsidie intrekken.

Vastgoedtransacties

In de volgende gevallen kan de gemeente beslissen om een geen vastgoedtransactie te sluiten. Of het contract te verbreken dat na de vastgoedtransactie is gesloten. De gemeente moet die optie wel in het contract hebben opgenomen.

  • De betrokkene werkt niet mee aan het eigen Bibob-onderzoek van de gemeente. Bijvoorbeeld door het Bibob-vragenformulier niet of niet helemaal in te vullen, en/of niet alle gevraagde bewijzen mee te sturen. Ook niet nadat de gemeente de betrokkene tijd heeft gegeven om de missende informatie aan te vullen.

  • De betrokkene heeft expres informatie weggelaten van het Bibob-formulier of foute informatie gegeven. Dit is strafbaar volgens artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht. Als de gemeente denkt dat de betrokkene dit heeft gedaan, kan de gemeente aangifte doen bij de politie.

  • De betrokkene heeft niet goed genoeg kunnen bewijzen dat hij het geld voor de activiteit heeft en hoe hij aan dit geld is gekomen.

  • De betrokkene werkt niet mee aan het onderzoek van het LBB.

  • Bijvoorbeeld door de gevraagde informatie of bewijzen niet te geven. Of door niet naar waarheid te antwoorden.

  • Er is minimaal een mindere mate van gevaar dat de vastgoedtransactie wordt gebruikt voor het witwassen van crimineel geld of vermogen.

  • Er is minimaal een mindere mate van gevaar dat in of met het gebouw of de grond strafbare activiteiten zullen gebeuren.

  • De gemeente is ervan overtuigd dat de betrokkene mogelijk niet integer is door ernstige strafbare activiteiten waarmee de betrokkene te maken heeft.

  • De gemeente is ervan overtuigd dat er strafbare activiteiten zijn uitgevoerd om het gebouw of de grond te verkrijgen.

Overheidsopdrachten

In de volgende gevallen kan de gemeente beslissen om geen overheidsopdracht te geven. Of het contract voor deze overheidsopdracht te verbreken. De gemeente moet die optie wel in het contract hebben opgenomen.

De betrokkene werkt niet mee aan het eigen Bibob-onderzoek van de gemeente. Bijvoorbeeld door het Bibob-vragenformulier niet of niet helemaal in te vullen, en/of niet alle gevraagde bewijzen mee te sturen. Ook niet nadat de gemeente de betrokkene tijd heeft gegeven om de missende informatie aan te vullen.

De betrokkene heeft expres informatie weggelaten van het Bibob-formulier of foute informatie gegeven. Dit is strafbaar volgens artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht. Als de gemeente denkt dat de betrokkene dit heeft gedaan, kan de gemeente aangifte doen bij de politie.

De betrokkene heeft niet goed genoeg kunnen bewijzen dat hij het geld voor de activiteit heeft en hoe hij aan dit geld is gekomen.

De betrokkene werkt niet mee aan het onderzoek van het LBB. Bijvoorbeeld door de gevraagde informatie of bewijzen niet te geven. Of door niet naar waarheid te antwoorden.

Uit het Bibob-onderzoek blijkt dat één of meer uitsluitingsgronden van toepassing zijn als bedoeld in artikel 9 Wet Bibob. De gemeente kan dan beslissen dat de partij niet mee mag doen aan de aanbesteding volgens de Aanbestedingswet 2012.

Bij contracten zoals bedoeld in de Jeugdwet en/of de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) kan de informatie uit het Bibob-onderzoek reden voor de gemeente zijn om het contract niet te sluiten of te verbreken.

Hoe snel krijgt de betrokkene de uitslag van het onderzoek?

De gemeente moet binnen een bepaalde periode reageren op de aanvraag van een betrokkene voor een beschikking. Ook het LBB moet binnen een bepaalde periode reageren op een vraag van de gemeente voor een extra Bibob-onderzoek. In sommige gevallen krijgen de gemeente en het LBB meer tijd.

Als de gemeente een advies aanvraagt bij het LBB, dan krijgt de gemeente meer tijd om op de aanvraag te reageren. De periode wordt verlengd met het aantal dagen dat het LBB nodig heeft om dit advies te geven. De dag dat het LBB de aanvraag in behandeling neemt telt als dag 1 en de dag dat de gemeente het advies heeft ontvangen telt als de laatste dag. De periode hiertussen mag niet meer dan acht weken zijn (zie artikel 15, lid 1 van de Wet Bibob).

Lukt het het LBB niet om binnen acht weken een advies te geven aan de gemeente? Dan kan het de periode verlengen met maximaal vier weken (zie artikel 15, lid 3 van de Wet Bibob). De gemeente laat het de betrokkene direct weten als dit gebeurt.

Mist het LBB nog informatie om het onderzoek uit te voeren? Dan vraagt het dit op bij de betrokkene, de gemeente of een andere organisatie. De periode die het LBB moet wachten op deze extra informatie gaat niet af van het totaal van 8 weken dat het LBB heeft om een advies te geven. Ook de gemeente krijgt deze periode erbij om op de aanvraag te reageren.

Informatieplicht van de gemeente

Als de gemeente het LBB een onderzoek laat doen, moet de gemeente dit in een brief laten weten aan de betrokkene. De gemeente laat de betrokkene ook weten dat dit betekent dat de gemeente meer tijd krijgt om over de aanvraag van de betrokkene te beslissen (zie artikel 31 Wet Bibob). Een kopie van die brief voegt de gemeente toe aan de vraag om een advies bij het LBB.

De gemeente moet de betrokkene een kopie van het advies van het LBB geven als dit advies reden was voor de gemeente om:

  • een aanvraag voor een beschikking te weigeren;

  • een verleende beschikking in te trekken;

  • extra voorschriften (regels) op te leggen voor de beschikking.

De gemeente moet die kopie ook aan andere personen geven als die zijn onderzocht (derden, zoals bedoeld in artikel 28 en 33 van de Wet Bibob) en de informatie over deze personen onderdeel heeft uitgemaakt van de beslissing van de gemeente. De gemeente mag alleen de onderdelen die over hen gaan met hen delen.

De betrokkene en anderen die de kopie hebben ontvangen moeten de informatie hieruit geheimhouden (geheimhoudingsplicht). De gemeente laat dit in een brief aan hen weten (zie artikel 28 Wet Bibob).

Reageren op een negatief besluit naar aanleiding van een Bibob-onderzoek

Komt er een negatief besluit na het onderzoek? Dan mogen de betrokkene en andere personen die zijn onderzocht hierop reageren, zoals bedoeld in artikel 33 van de Wet Bibob.

Andere rechten en plichten van de gemeente

Gebruiken van Bibob-advies (en informatie uit eigen onderzoek)

De gemeente mag een advies van het LBB en informatie uit het eigen onderzoek vijf jaar lang gebruiken voor een andere beslissing.

- Aantekening maken in het Bibob-register

Het Bibob-register zorgt ervoor dat verschillende overheidsorganisaties informatie met elkaar kunnen delen. De gemeente maakt een aantekening in het Bibob-register, zoals bedoeld in artikel 7a, lid 7 en 8 van de Wet Bibob, als:

  • uit het eigen Bibob-onderzoek van de gemeente blijkt dat de betrokkene een gevaar vormt.

  • de gemeente vermoedt dat de betrokkene de aanvraag heeft ingetrokken omdat de gemeente de Wet Bibob uitvoert.

- Tippen andere gemeenten en/of rechtspersonen

De gemeente tipt andere gemeenten of rechtspersonen met een overheidstaak als het denkt dat zij informatie over betrokkenen moeten hebben, zoals bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob.

- Delen van gegevens met andere gemeenten en/of rechtspersonen

De gemeente deelt Bibob-informatie met andere gemeenten en/of rechtspersonen met een overheidstaak als zij daarom vragen, zoals bedoeld en onder de voorwaarden in artikel 28, lid 2 onder m van de Wet Bibob.

Bijlage 4 Integriteitsclausule vastgoedtransactie

Onderstaande artikelen zullen worden opgenomen bij vastgoedtransacties tussen de gemeente Ommen en derde partijen. Vastgoedtransacties kunnen zijn, aan- en verkoop van percelen, kavels woningbouw of bedrijventerrein, verhuur, (erf-)pacht en dergelijke.

Artikel 1

Op deze overeenkomst is de huidige “Beleidsregel voor de Wet Bibob gemeente Ommen” van toepassing. Door ondertekening verklaart [naam wederpartij(koper/huurder e.d.)] kennis te hebben genomen van deze Beleidsregel.

Artikel 2

Gemeente kan de overeenkomst onmiddellijk en naar eigen keuze opschorten, ontbinden of beëindigen, zonder gehouden te zijn tot vergoeding van eventuele schade en zonder daarbij een termijn in acht te hoeven nemen, voor zover:

  • a.

    Er sprake is van een ernstige of tenminste een mindere mate van gevaar is dat de vastgoedtransactie mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten;

  • b.

    Er sprake is van een ernstige of tenminste een mindere mate van gevaar is dat in of met de onroerende zaak waar de vastgoedtransactie betrekking op heeft, mede strafbare feiten zullen worden gepleegd;

  • c.

    Er sprake is van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat [naam partij invullen] in relatie staat tot strafbare feiten;

  • d.

    Er sprake is van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging of ter behoud van deze vastgoedtransactie een strafbaar feit is gepleegd;

  • e.

    [Naam partij] heeft nagelaten de vragen die hem door [naam rechtspersoon met een overheidstaak] zijn gesteld op grond van artikel 7a Wet Bibob, volledig en naar waarheid te beantwoorden, of;

  • f.

    [Naam partij] heeft nagelaten de vragen die hem door het Landelijk Bureau Bibob (LBB) zijn gesteld op grond van artikel 12, derde lid Wet Bibob, volledig en naar waarheid te beantwoorden.

De begrippen ernstig gevaar, mindere mate van gevaar, strafbare feiten, in relatie staan tot en feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden hebben in deze overeenkomst de betekenis die hen in de Wet Bibob toekomt.

Artikel 3

De gemeente kan het LBB met het oog op diens taak, zoals bedoeld in artikel 9, derde lid Wet Bibob, om advies vragen.


Noot
1

Het gaat hierbij om zowel de aanbestedingsfase (inschrijvingsleidraad of beschrijvend document) als de uitvoeringsfase.

Noot
2

Kamerstukken II, 1999/00, 26 883, nr. 5, p. 2

Noot
3

Kamerstukken II, 1999/00, 26 883, nr. 3

Noot
4

Kamerstukken II, 2010/11, 32 676, nr. 3, p 4-7

Noot
5

Zie: consultatieversie van de memorie van toelichting bij de wetswijziging Evaluatie- en Uitbreidingswet (januari 2010)

Noot
6

Zie de studies van Ferwerda en Unger (2015) en Kruisbergen, Kleemans en Kouwenberg (2015), Wat doen daders met hun geld? Uitkomsten van de Monitor Georganiseerde Criminaliteit 2014. Zij onderzochten in welke branches veel crimineel geld wordt geïnvesteerd door te kijken naar Nederlandse strafzaken. Zie ook: Essen en Maan (2022), Criminele inmenging in het mkb: casusonderzoek naar de faciliterende rol van bonafide ondernemingen in het criminele bedrijfsproces.

Noot
7

Zie: H. Ferwerda, J. Wolsink, M. Olfers en R. te Velde: van inzicht naar aanpak: een onderzoek naar ondermijning in de amateursport in de regio Rotterdam (2021), pag. 2.1.3 (2021)

Noot
9

Zie rapport Project Centaur, alinea 1.1, bladzijde 2

Noot
11

Bijvoorbeeld: ECLI:NL:RVS:2009:BJ1892, overweging 2.12.1

Noot
12

Kamerstukken II, 1999/00, 26883, nr. 3, p. 4

Noot
13

Risicoactiviteiten met een * zijn nieuw opgenomen.

Noot
14

De Nederlandse Vechtsportautoriteit (VA) heeft deze vier sporten aangewezen. Dit vloeit voort uit een verleden waarin specifiek rond deze vier sporten maatschappelijke problemen bestonden, zoals verstoringen van de openbare orde bij evenementen, witwasconstructies en infiltratie door ondermijnende criminaliteit.

Noot
15

Georganiseerde, vergunnings- of meldingsplichtige motorritten of bijeenkomsten, zoals: ride-outs georganiseerd door (support-) motorclubs die gelieerd zijn aan outlaw motorcycle gangs (OMG’s); toertochten of bijeenkomsten waarbij sprake is van herkenbare OMG-uitingen of clubstructuren; motorritten die onderdeel zijn van een groter evenementen met een bestuurlijk risicoprofiel. Hieronder vallen niet: reguliere toertochten van motorclubs of merkclubs zonder OMG-kenmerken.

Noot
16

Bijvoorbeeld: ECLI:NL:RVS:2009:BJ1892, overweging 2.12.1

Noot
17

Kamerstukken II, 1999/00, 26883, nr. 3, p. 4