Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR756934
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR756934/1
Beleidsregels rechtmatigheid 2026 gemeente Tilburg
Geldend van 13-02-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026
Intitulé
Beleidsregels rechtmatigheid 2026 gemeente TilburgHet college van burgemeester en wethouders van de Tilburg;
gelezen het voorstel van 27 januari 2026;
gelet op:
- •
titel 4.3. van de Algemene wet bestuursrecht;
- •
artikel 160 lid 1 onder a Gemeentewet;
- •
De Participatiewet in balans, spoor 1.
overwegende dat:
het wenselijk is beleidsregels vast te stellen met betrekking tot rechten en plichten verbonden aan het ontvangen van een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) of het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) (waar het gaat om de regels m.b.t. handhaving).
besluit vast te stellen de beleidsregels rechtmatigheid 2026 gemeente Tilburg.
Artikel 1: Begripsomschrijvingen
-
1. Alle begrippen die in deze beleidsregels gebruikt worden en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Verzamelverordening PW, IOAW, IOAZ en Bbz.
-
2. In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
- a.
Bbz: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004.
- b.
Bijstandsuitkering: een uitkering voor levensonderhoud o.g.v. de Participatiewet (Pw), IOAW of IOAZ;
- c.
Commerciële kamerbewoner: een persoon die een kamer huurt op commerciële basis, en die niet is een bloedverwant in de eerste of tweede graad van de hoofdbewoner. Van huren op commerciële basis is sprake als de woonsituatie voldoet aan het volgende:
- i.
er is sprake van huur op contractbasis; en
- ii.
er is sprake van een commerciële relatie wat blijkt uit de aanwezigheid van een overeenkomst en betaling van een commerciële (huur)prijs; en
- iii.
het te huren deel van de woning is al dan niet samen met gemeenschappelijke ruimtes geschikt voor zelfstandige bewoning; en
- iv.
de kamerbewoner staat ingeschreven in de basisregistratie van de gemeente op het huuradres.
- i.
- d.
Commerciële kostganger: een persoon die op commerciële basis inwoont, en die niet is een bloedverwant in de eerste en tweede graad en tevens bij de verhuurder de maaltijden gebruikt. De woonsituatie moet voldoen aan het volgende:
- i.
er is sprake van vergoeding op contractbasis; en
- ii.
er is sprake van een commerciële relatie, wat blijkt uit de aanwezigheid van een overeenkomst en betaling van een commerciële prijs; en
- iii.
de woning is geschikt voor inwoning en er is toestemming verleend door de eigenaar van het pand; en
- iv.
de kostganger staat ingeschreven in de basisregistratie van de gemeente op het huuradres.
- i.
- e.
Commerciële prijs: hiervan is sprake als de huur, exclusief onder andere servicekosten, of vergoeding hoger is dan de basishuur zoals gebruikt bij de huurtoeslag.
- f.
Co-ouderschap: de verdeling van de zorg- en opvoedtaken van een minderjarig kind/kinderen. Beide ouders nemen een gelijkwaardig deel van de verzorging en opvoeding van hun kinderen voor hun rekening.
- g.
Gehuwdennorm: de norm zoals bedoeld in artikel 21, onderdeel b, Pw.
- h.
Gift: een onverplichte betaling van geld of goederen uit vrijgevigheid door een natuurlijke persoon of door een instelling, waar geen tegenprestatie van de ontvanger aan verbonden is.
- i.
Hoofdbewoner: een belanghebbende die eigenaar of hoofdhuurder is van een woning en die in dezelfde woning hoofdverblijf heeft.
- j.
Kwetsbare jongere: de persoon jonger dan 27 jaar zoals opgenomen in artikel 41 lid 4 van de wet aangevuld met de jongere die:
- -
bekend is of ondersteund wordt door erkende maatschappelijke (zorg)organisaties; of
- -
studietoeslag op grond van artikel 36b Pw ontvangen heeft;
- -
vanwege een andere reden aangemerkt kan worden als kwetsbaar.
- -
- k.
Kostendelersnorm: norm voor de hoogte van een uitkering volgens artikel 22a Pw. Naarmate meer mensen in een huis wonen, ontvangt iedere afzonderlijke uitkeringsgerechtigde een lagere uitkering omdat meer mensen de kosten kunnen delen. Personen jonger dan 27 jaar tellen niet mee als kostendeler.
- l.
Mantelzorg: van mantelzorg is sprake als onbetaalde ondersteuning wordt verleend aan een hulpbehoevende met een aantoonbare zorgbehoefte, waarbij deze zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de bestaande sociale relatie, en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt en niet wordt verleend in het kader van de hulpverlenend beroep;
- m.
Participatiewet: Pw;
- n.
Terugwerkende kracht: een bijstandsuitkering wordt toegekend per datum melding, tenzij er redenen zijn om de uitkering eerder in te laten gaan wegens bijzondere of individuele omstandigheden. Dan kan mogelijk de uitkering eerder in gaan.
- o.
Vermogen: het totaal aan bezittingen minus schulden zoals bedoeld in artikel 34 Participatiewet.
- p.
Vermogensvrijlatingsgrens: het bedrag aan vermogen dat volgens de wet buiten beschouwing blijft.
- q.
Woning: een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip, als bedoeld in artikel 3, zesde lid, Pw.
- r.
Woonkosten:
- i.
als sprake is van bewoning van een huurwoning: de per maand geldende huurprijs, zoals gebruikt voor de huurtoeslag;
- ii.
als sprake is van bewoning van een eigen woning: de tot een bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente en- aflossing met inbegrip van eventueel ter zake van de hypotheek verplichte verzekeringen, inleggen of premies en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud.
- i.
- s.
Woonlasten: hetgeen in geld verschuldigd is voor het (mede)gebruik van voorzieningen, aanwezig in de woonruimte waarin de belanghebbende woont, zoals energiekosten, water etcetera.
- t.
Zorgbehoefte:
- -
Van een zorgbehoefte zoals bedoeld in lid 2 onder l van dit artikel, is sprake als degene die verzorging nodig heeft door ziekte of een lichamelijke, verstandelijke of psychische stoornis:
- •
in aanmerking komt voor een opname in een Wlz-inrichting; en/of
- •
langdurig is aangewezen op dagelijkse hulp bij alle of de meeste algemene dagelijkse levensverrichtingen; en/of
- •
langdurig is aangewezen op constant toezicht om mogelijk gevaar voor zichzelf of anderen te voorkomen.
- •
- -
- a.
De aanvraag:
Artikel 2: Digitale aanvraag
De gemeente maakt gebruik van de mogelijkheid om aanvragen via DIGID in te dienen zodra dit technisch mogelijk is.
Artikel 3: Verkorte aanvraag
-
1. Wanneer iemand na het eindigen van de algemene bijstand binnen zes maanden een nieuwe aanvraag doet, dan gebruikt het college de gegevens die reeds bekend zijn in verband met de eerdere bijstandsverlening;
-
2. Het college onderzoekt bij een dergelijke nieuwe aanvraag nog de volgende gegevens:
- -
Reden aanvraag;
- -
Bankafschriften i.v.m. het vaststellen van het vermogen;
- -
Andere relevante informatie die nodig is om het recht op bijstand vast te stellen i.v.m. gewijzigde omstandigheden.
- -
Artikel 4: Terugwerkende kracht
-
1. Voor wat betreft de ingangsdatum van zowel de algemene bijstand, als de uitkering op grond van de IOAW of IOAZ hanteert het college de hoofdregel, zoals neergelegd in artikel 44, eerste lid, PW, respectievelijk artikel 16a, eerste lid, IOAW of IOAZ.
-
2. Bij het toekennen van algemene bijstand, dan wel een uitkering op grond van de IOAW of IOAZ, is afwijking van het bepaalde in het eerste lid slechts mogelijk als de belanghebbende de te late melding vanwege bijzondere omstandigheden redelijkerwijs niet kan worden verweten of als de individuele omstandigheden dusdanig van aard zijn dat terugwerkende kracht noodzakelijk is om bestaanszekerheid te borgen.
-
3. Bepalend voor de duur van de terugwerkende kracht, zoals bedoeld in lid 2 van dit artikel is het moment dat het recht op uitkering ontstond, maar kan tot maximaal drie maanden terug voor datum melding.
-
4. Er is sprake van bijzondere omstandigheden voor het toekennen van bijstand met terugwerkende kracht als de te late aanvraag de aanvrager niet kan worden verweten.
-
5. Er is sprake van individuele omstandigheden voor het toekennen van bijstand met terugwerkende kracht als het in de persoonlijke situatie van de aanvrager onwenselijk is schulden te maken of verder op te bouwen.
-
6. Het is aan de aanvrager om aan te tonen dat er over de periode van de terugwerkende kracht al recht op bijstand bestond en ook het bestaan van bijzondere dan wel individuele omstandigheden die de te late melding verklaren.
-
7. Het college bepaalt of de bijzondere dan wel individuele omstandigheden van dusdanige aard zijn dat het noodzakelijk is om bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen.
Artikel 5: Zoektermijn jongeren
-
1. Voor een jongere tot 27 jaar, niet zijnde kwetsbaar zoals gedefinieerd in artikel 41 lid 4 Pw en artikel 1 lid 2 sub j van deze beleidsregels, die zich heeft gemeld voor een bijstandsuitkering, geldt de eerste vier weken wettelijk de inspanningsverplichting (zoektermijn) om:
- a.
zijn of haar mogelijkheden tot het terugkeren naar school te onderzoeken en zich voor een opleiding aan te melden, of, de mogelijkheden met betrekking tot arbeid te onderzoeken en te solliciteren naar algemeen geaccepteerde arbeid; en
- b.
gebruik te maken van de dienstverlening van het Jongerenpunt Midden-Brabant;
- a.
-
2. De inspanningsverplichting als genoemd in het eerste lid is niet van toepassing als er zwaarwegende redenen bestaan in de individuele situatie van de jongere, die ertoe leiden dat de jongere niet in staat kan worden geacht aan de inspanningsverplichting vanuit de zoektermijn te voldoen.
Vaststellen recht op bijstand:
Artikel 6: Bewijsstukken
-
1. Het college vraagt bij een bijstandsaanvraag alleen die informatie op, waar het college niet zelf uit de systemen over kan beschikken én die noodzakelijk zijn om het recht op bijstand vast te kunnen stellen;
-
2. Een belanghebbende is zelf verantwoordelijk voor het overleggen van eventuele aanvullende noodzakelijke en opgevraagde informatie en gegevens bij een aanvraag voor bijstand;
-
3. Wanneer deze gegevens niet meer in het bezit zijn, moet belanghebbende zorgen voor vervangende exemplaren;
-
4. Als een belanghebbende geen vervangende exemplaren kan overleggen, beoordeelt het college of dat verwijtbaar is;
-
5. Als het niet kunnen overleggen van gegevens niet verwijtbaar is, beoordeelt het college de aanvraag aan de hand van de wel aanwezige gegevens.
Artikel 7: Bankafschriften
-
1. Bij onderzoeken naar het recht op uitkering vraagt het college in beginsel bankafschriften op over de laatste drie maanden voorafgaand aan de start van de onderzoeken.
-
2. Het is mogelijk om afschriften op te vragen over een langere periode wanneer daartoe concrete aanleiding bestaat.
Artikel 8: Vermogen
-
1. De gemeente beoordeelt het recht op bijstand op basis van het daadwerkelijke vermogen van de aanvrager. Hierbij houdt de gemeente alleen rekening met direct opeisbare schulden.
-
2. Alleen het vermogen boven de vermogensvrijlatingsgrens zoals opgenomen in artikel 34 lid 3 Pw wordt in aanmerking genomen.
-
3. Bij twijfel of onduidelijkheid over het vermogen of bij aanwijzingen dat het vermogen boven de vrijlatingsgrens uitkomt wordt nader onderzoek ingesteld.
-
4. De belanghebbende kan vermogensaanwas doorgeven op het hiervoor beschikbaar gestelde wijzigingsformulier.
-
5. De gemeente maakt gebruik van gegevensuitwisseling met andere instanties waar mogelijk.
Artikel 9: Vaststelling van het vermogen
-
1. Bij de vaststelling van het vermogen zoals bepaald in artikel 34 Pw laat het college auto’s en motoren die ouder zijn dan 10 jaar buiten beschouwing, tenzij het een auto of motor betreft met een bijzondere dagwaarde. Bromfietsen en scooters worden, ongeacht bouwjaar, niet tot het vermogen geteld.
-
2. Bij het bepalen van de waarde van auto’s en motoren jonger dan 10 jaar of die met een bijzondere dagwaarde, hanteren we de dagwaarde (vervanging bij total loss) van de Koerslijst ANWB of als dat niet mogelijk is, van een taxatie voor de verzekering.
-
3. Bij de auto’s en motoren die tot het vermogen worden gerekend, hanteren we een vrijlating van € 3.000 in totaal.
-
4. De vrijlating zoals bedoeld in lid 3 van dit artikel geldt niet voor boten, caravans of campers.
-
5. Van het bij de aanvraag om bijstand aanwezige saldo op de betaalrekening wordt een bedrag van 1,5 maal de van toepassing zijnde norm (exclusief vakantietoeslag) niet meegerekend tot het vermogen.
-
6. De volledige waarde van een uitvaartverzekering wordt niet meegenomen, ook niet als deze afkoopbaar is.
-
7. Bij co-ouderschap wordt de vermogensgrens bepaald door het gemiddelde te nemen van de vermogensgrens voor een alleenstaande en een alleenstaande ouder (artikel 34 lid 3 Pw);
-
8. Bij een wijziging van de norm, waardoor ook de wettelijke grens van het vrij te laten vermogen wijzigt, gaat het college uit van ‘gespaard uit de uitkering’ wanneer het vermogen boven de wettelijke grens uitkomt.
-
9. Alle cryptovaluta die iemand bezit zijn middelen als bedoeld in artikel 34 Pw waarover de belanghebbende beschikt of kan beschikken en worden volledig tot het vermogen gerekend.
Artikel 10: Informatieverstrekking tijdens de uitkering
-
1. De belanghebbende dient informatie, die relevant kan zijn voor het recht op uitkering (indien mogelijk) te verstrekken binnen vijf werkdagen gerekend vanaf het moment waarop het relevante feit of de omstandigheid zich heeft voorgedaan. Indien sprake is van inkomsten uit arbeid en belanghebbende een verplichting heeft om maandelijks een inkomstenverklaring (IV) in te leveren dienen deze inkomsten uiterlijk op de uiterste inleverdatum van de eerstvolgende IV opgegeven te worden.
-
2. Mensen die niet werken kunnen wijzigingen doorgeven via het hiervoor beschikbaar gestelde wijzigingsformulier, digitaal of op papier.
Artikel 11: Giften
-
1. Alle eenmalige en periodieke giften zowel in geld als in natura worden niet tot de middelen gerekend, voor zover deze:
- a.
de vrijlatingsgrens, zoals genoemd in artikel 31, tweede lid, onder m, van de wet, niet overschrijden;
- b.
de vrijlatingsgrens overschrijden en naar het oordeel van het college, in het licht van bijstandsverlening, verantwoord zijn.
- a.
-
2. Voor giften boven de giftenvrijlating vindt altijd een maatwerkbeoordeling plaats.
-
3. Het ontvangen van giften tot een bedrag zoals opgenomen in artikel 31 lid 2 onder m per kalenderjaar valt niet onder de inlichtingenplicht.
-
4. De wettelijke vrijlating geldt per uitkering, niet per uitkeringsgerechtigde.
-
5. De vrijlatingsgrens wordt per kalenderjaar vastgesteld en geldt voor het gehele kalenderjaar, ongeacht de ingangsdatum van de bijstandsverlening. Het restant vrijlatingsbedrag kan na afloop van het kalenderjaar niet meegenomen worden naar het volgende jaar.
-
6. Als de gift een voorwerp is, wordt de waarde van dit voorwerp door het college in geld bepaald.
-
7. Alle niet-herleidbare ontvangsten of ontvangsten waarvoor geen afdoende verklaring is, worden als middelen aangemerkt. Dit betreft bijvoorbeeld kasstortingen, betaalverzoeken, cryptovaluta en/of bijschrijvingen op de bankrekening van de klant of zijn in de bijstand inbegrepen gezinsleden.
-
8. Giften met een periodiek karakter worden boven de giftenvrijlating in aanmerking genomen als inkomen. Giften hoger dan de wettelijke grens met een eenmalig karakter worden voor het meerdere in aanmerking genomen als vermogen.
-
9. Giften in natura verstrekt door een charitatieve instelling worden niet tot de middelen gerekend.
-
10. Als een bonus wordt ontvangen van de werkgever dan telt deze mee als gift wanneer de bonus eenmalig als beloning voor een bijzondere prestatie is toegekend en niet valt onder de CAO afspraken, afspraken in de individuele arbeidsovereenkomst of wettelijke aanspraken.
Artikel 12: Schadevergoeding
-
1. De schadevergoeding die de belanghebbende ontvangt voor materiële schade wordt niet als inkomen of vermogen aangemerkt.
-
2. Een schadevergoeding die is bedoeld ter compensatie van het verlies van arbeidsvermogen wordt aangemerkt als inkomen in verband met arbeid voor de periode waarop de vergoeding toeziet.
-
3. Een schadevergoeding die de belanghebbende ontvangt voor immateriële schade die valt onder de uitzonderingen van artikel 31 lid 2 sub l wordt niet tot het vermogen gerekend.
-
4. Immateriële schadevergoedingen, die niet vallen onder de bepaling zoals opgenomen in lid 3 van dit artikel worden vrijgelaten tot een bedrag ter hoogte van het vrij te laten vermogen voor alleenstaande ouders/echtparen. Als een immateriële schadevergoeding dit bedrag overschrijdt, dan beoordelen we op basis van de individuele omstandigheden of het redelijk is om 2/3 deel van de overschrijding tot het vermogen te rekenen. We volgen hiervoor de meest recente jurisprudentie.
-
5. Vergoedingen op grond van de 'regeling tegemoetkoming Chroom6' worden beschouwd als vergoedingen die op grond van artikel 31 lid 2 sub m Pw niet tot de middelen van de belanghebbende worden gerekend.
Artikel 13: Criteria voor het verlagen van de norm
-
1. De bepalingen in dit artikel gelden alleen voor belanghebbenden van 21 jaar en ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd. De verlaging van de uitkering in verband met de woonsituatie, zoals bedoeld in artikel 27 Pw bedraagt:
- a.
10% van de gehuwdennorm, als de belanghebbende een woning bewoont waarvoor hij geen woonkosten of woonlasten verschuldigd is;
- b.
20% van de gehuwdennorm als de belanghebbende een woning bewoont waarvoor hij geen woonkosten en geen woonlasten verschuldigd is;
- c.
20% van de gehuwdennorm indien belanghebbende dakloos is en geen woning aanhoudt.
- a.
-
2. Het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing op belanghebbenden waarop de kostendelersnorm van toepassing is.
-
3. Het college verlaagt de uitkering niet als er sprake is van commerciële kamerbewoner of een commerciële kostganger.
Artikel 14: Inkomsten uit commerciële verhuur en commercieel kostgangerschap
-
1. De bepalingen in dit artikel gelden alleen voor belanghebbenden van 21 jaar en ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die een bijstandsuitkering op grond van de Pw ontvangen. Als de hoofdbewoner de woning deelt met inwonende commerciële kamerbewoner(s) of commerciële kostganger(s) dan brengt het college het ontvangen huurbedrag en/of kostgeld, minus de gemiste huurtoeslag en een forfaitair bedrag van € 100 (kamer verhuur) en € 150 (kostganger) per maand als inkomen in mindering op de uitkering.
-
2. Belanghebbende toont het in het eerste lid van dit artikel genoemde aan door de volgende gegevens in te leveren:
- a.
een huurovereenkomst of kostgangersovereenkomst; en
- b.
bankafschriften waaruit duidelijk blijkt dat de huurder of kostganger de gevraagde prijs daadwerkelijk betaalt; en
- c.
een beschikking huurtoeslag.
- a.
Artikel 15a: Tijdelijk verblijf en kostendelersnorm ter voorkoming dakloosheid
-
1. Wanneer een hoofdbewoner met een bijstandsuitkering iemand tijdelijk onderdak biedt vanwege een acute noodzaak tot huisvesting, ter voorkoming van dakloosheid dan wordt de kostendelersnorm voor de hoofdbewoner tijdelijk buiten toepassing gelaten.
-
2. De termijn van tijdelijk niet toepassen van de kostendelersnorm zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel bedraagt in beginsel drie maanden. Deze termijn kan steeds met drie maanden worden verlengd, afhankelijk van de inspanning die de inwonende levert om andere woonruimte te vinden. Wanneer de duur op voorhand bekend is, dan kan het college besluiten om de termijn direct hierop vast te stellen.
-
3. Het is niet mogelijk om de kostendelersnorm buiten beschouwing te laten bij permanente inwoning.
-
4. De kostendelersnorm wordt in beginsel ook niet buiten beschouwing gelaten als iemand, na tijdelijk verblijf in een instelling dan wel detentie, terugkeert op het adres waar deze persoon hiervoor woonachtig was.
Artikel 15b: Tijdelijk verblijf en kostendelersnorm/norm echtpaar vanwege mantelzorg
-
1. Wanneer vanwege een zorgbehoefte zoals bedoeld in artikel 1 lid 2 onder t van deze beleidsregels tijdelijk samenwonen in hetzelfde huis noodzakelijk is, dan telt de mantelzorger niet mee als kostendeler of partner bij de norm echtpaar.
-
2. Het is aan de inwoner om het bestaan van de zorgbehoefte, zoals bedoeld in artikel 1 lid 2 onder t aannemelijk te maken door het overleggen van bewijsstukken. Indien de inwoner hier niet in slaagt, kan het college besluiten een medisch advies op te vragen.
-
3. De termijn van tijdelijk niet toepassen van de kostendelersnorm zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel bedraagt in beginsel drie maanden. Deze termijn kan steeds met drie maanden worden verlengd, afhankelijk van de individuele situatie. Wanneer de duur op voorhand bekend is, dan kan het college besluiten om de termijn direct hierop vast te stellen.
-
4. Het is niet mogelijk om de kostendelersnorm buiten beschouwing te laten bij permanente inwoning.
Artikel 16: Recht op jongerentoeslag
-
1. Het is aannemelijk dat een jongere voor de kosten van levensonderhoud geen beroep kan doen op de onderhoudsplicht van de ouders als deze:
- a.
aantoonbaar niet thuis kan wonen bij de ouder(s) en
- b.
geen beroep kan doen op diens onderhoudsrecht jegens de ouders omdat de middelen van de ouders ontoereikend zijn of het beroep hierop wegens veiligheid niet mogelijk is; of
- c.
als de ouders overleden zijn of niet bereikbaar in het buitenland zijn;
- a.
-
2. De aanvullende norm kan verhoogd worden op grond van artikel 18 Pw (afstemming) als sprake is van individueel noodzakelijk hogere algemene kosten van bestaan dan waarin de samengestelde normen o.g.v. artikel 20 Pw voorzien.
-
3. De totale uitkering voor jongeren kan nooit hoger zijn dan de norm voor 21 jaar en ouder in een vergelijkbare situatie of het wettelijk minimum jeugdloon dat geldt voor de betreffende jongere.
Artikel 17: Gokactiviteiten tijdens bijstand
-
1. Wanneer uit onderzoek blijkt dat een belanghebbende gokactiviteiten verricht, wordt aan belanghebbende direct de verplichting opgelegd om vanaf dat moment via de inkomstenverklaring opgaaf van alle inkomsten te doen voor zover belanghebbende deze inkomsten niet zelf al heeft opgegeven.
-
2. Indien de gokactiviteiten problematisch zijn of kunnen worden, krijgt belanghebbende de mogelijkheid om mee te werken aan een hulpverleningstraject. Hieraan wordt de voorwaarde verbonden dat belanghebbende zelf een afspraak met een hulpverleningsinstantie maakt uiterlijk binnen drie weken nadat belanghebbende de toezegging heeft gedaan om mee te werken aan een hulpverleningstraject.
-
3. Of en in welke mate de inkomsten uit gokactiviteiten in mindering worden gebracht op de bijstandsuitkering is afhankelijk van of en in welke mate belanghebbende medewerking verleent aan het hulpverleningstraject. We onderscheiden:
- a.
Belanghebbende wil meewerken aan een hulpverleningstraject, maakt tijdig een afspraak met een hulpverleningsinstantie en komt de gemaakte afspraken volgend uit dit hulpverleningstraject na: de inkomsten uit gokactiviteiten worden niet gekort op de bijstandsuitkering;
- b.
Belanghebbende wil meewerken aan een hulpverleningstraject, maakt tijdig een afspraak met een hulpverleningsinstantie en komt de gemaakte afspraken volgend uit dit hulpverleningstraject niet na: de inkomsten uit gokactiviteiten worden gekort vanaf het moment dat duidelijk is dat belanghebbende de gemaakte afspraken niet nakomt;
- c.
Belanghebbende wil niet meewerken aan een hulpverleningstraject: inkomsten worden gekort vanaf het moment dat is geconstateerd dat sprake is van inkomsten uit gokactiviteiten.
- a.
-
4. Wanneer belanghebbende niet tijdig een afspraak met een hulpverleningsinstantie maakt, krijgt belanghebbende na het verstrijken van die drie weken als bedoeld in het tweede lid nogmaals een week de tijd een afspraak te maken. Maakt belanghebbende binnen die week een afspraak, dan worden de inkomsten, afhankelijk van de medewerking aan het hulpverleningstraject, in mindering gebracht zoals bedoeld in sub a of b van het tweede lid. Maakt belanghebbende binnen die week geen afspraak met een hulpverleningsinstantie, dan worden de inkomsten in mindering gebracht op de bijstandsuitkering zoals bedoeld in sub c van het tweede lid.
-
5. Inkomsten uit gokactiviteiten worden toegerekend aan de maand waarin de inkomsten zijn ontvangen.
Artikel 18: Bevordering naleving en bestrijden misbruik en oneigenlijk gebruik
Hoe het college invulling geeft aan zijn bevoegdheden met betrekking tot het bevorderen van de naleving en het bestrijden van opzettelijk misbruik en oneigenlijk gebruik, staat beschreven in de bijlage ‘Handhaving in balans: beoordelingskader en instrumenten’. Deze bijlage maakt integraal onderdeel uit van deze beleidsregels.
Artikel 19: Overgangsrecht
Lopende onderzoeken en aanvragen van voor de ingangsdatum van deze beleidsregels, waarover het college pas na de ingangsdatum van deze beleidsregels een besluit neemt, handelt het college af op basis van het meest gunstige beleid voor de belanghebbende. Dit kan zowel het nieuwe als het oude beleid zijn.
Artikel 20: Hardheidsclausule
Het college kan in bijzondere gevallen, ten gunste van de belanghebbende, afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, indien toepassing van deze regels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Artikel 21: Citeertitel
Deze beleidsregels worden aangehaald als 'Beleidsregels rechtmatigheid bijstandsuitkering 2026 gemeente Tilburg'.
Artikel 22: Inwerkingtreding
Deze beleidsregels treden met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2026.
Ondertekening
Toelichting
In 2025 zijn de beleidsregels rechtmatigheid gemeente Tilburg vastgesteld. Hierin zijn de regels zijn opgenomen over de rechten en plichten die verbonden zijn aan de bijstandsuitkering. Waar gesproken wordt over een bijstandsuitkering of bijstand gaat het ook over de uitkering o.g.v. de IOAW en IOAZ. Vanwege de invoering van de Participatiewet in balans (verder Pwet in balans), spoor 1, fase 1 moeten de beleidsregels aangepast worden. Deze aanpassingen zijn verwerkt in deze nieuwe set beleidsregels die ingaan per 1 januari 2026.
Hieronder volgt, voor zover noodzakelijk, een artikelsgewijze toelichting.
Artikel 1: Begripsomschrijvingen
Deze omschrijvingen spreken in principe voor zich.
De volgende definities zijn nieuw en relevant voor de Pwet in balans:
- •
Kwetsbare jongere (lid 2 sub j): de wet geeft een aantal voorbeelden van jongeren die in ieder geval als kwetsbaar kunnen worden aangemerkt, en waar de zoektermijn niet op van toepassing is. Deze redenen vullen wij in ieder geval aan met de redenen, zoals genoemd in artikel 1 lid 2 sub j.
In de memorie van toelichting bij de Participatiewet in balans staat een aantal situaties beschreven waarin sprake kan zijn van kwetsbare omstandigheden. Het gaat bijvoorbeeld om jongeren:
- •
die in een inrichting verblijven of recht hebben op opvang als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015)5 ;
- •
die uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding in een inrichting verbleven of recht hadden op opvang als bedoeld in de Wmo 2015;
- •
die uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding bij een pleegouder of in een gezinshuis verbleven als bedoeld in de Jeugdwet; Denk aan een beschermde woonplek of maatschappelijke opvang.
- •
voor wie uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding een kinderbeschermingsmaatregel gold die werd uitgevoerd door een gecertificeerde instelling als bedoeld in de Jeugdwet; en
- •
die niet zijn ingeschreven als ingezetene in de basisregistratie personen of die zonder woonadres, maar met een briefadres zijn ingeschreven in de basisregistratie personen.
- •
-
Deze opsomming is niet limitatief, maar een indicatie voor ‘kwetsbaar’, waarbij de zoektermijn niet effectief kan zijn als instrument naar werk.
- •
Mantelzorg en zorgbehoefte.
De definitief ziet in deze beleidsregels vooral op het tijdelijk en noodzakelijk moeten delen van een woning vanwege een zorgbehoefte. Om het opvangen van mensen vanwege een aantoonbare zorgbehoefte tijdelijk mogelijk te maken, heeft de wetgever de Pwet hierop aan te passen. Deze intentie bepaalt mede de definitie. De aanwezigheid van een zorgbehoefte bij één van de bewoners die de aanleiding is voor het samenwonen is het belangrijkste criterium in de context van deze beleidsregels. De uitzondering geldt voor de periode dat de zorg wordt verleend en uitsluitend wanneer de zorgbehoefte aanleiding is voor het samenwonen. De uitzondering geldt dus niet wanneer mensen al langer samenwonen en zorg dragen voor elkaar en er gaandeweg in de tijd of plotseling een zorgbehoefte ontstaat. De zorgbehoefte is dan immers niet de aanleiding voor het samenwonen als iemand permanent voor een inwonende partner of kind zorgt, dan is dit wel mantelzorg, maar niet voor de toepassing van de kostendelersnorm of de norm gehuwden.
In de beleidsregels re-integratie zal de definitie van mantelzorg gericht zijn op het niet waarderen als betaald werk en staat het los van de noodzaak tot tijdelijk samenwonen.
De aanvraag:
Artikel 2: digitale aanvraag:
De wetgever heeft in de Pwet in balans ook wijzigingen aangebracht in de wijze van legitimeren. Mensen kunnen zich voortaan ook legitimeren met een Europees rijbewijs. Daar is geen beleidsruimte in, dus hoeft niet in de beleidsregels opgenomen te worden. Wel stelt de wetgever dat de gemeente legitimatie met een DIGID mogelijk kan maken. Dit is al geregeld als mensen zich melden voor een bijstandsaanvraag bij het UWV (werk.nl). We willen in de toekomst als gemeente ook breder legitimatie met DIGID mogelijk maken en zijn de technische mogelijkheden hiervoor aan het onderzoeken. Vandaar dat in deze beleidsregels de keuze voor legitimatie met DIGID mogelijk wordt gemaakt, zodra de techniek dit toelaat.
Artikel 3: verkorte aanvraag:
De wetgever wil gemeenten ruimte geven om gebruik te maken van reeds bij de gemeente bekende gegevens als iemand eerder een uitkering bij dezelfde gemeente heeft ontvangen. De wetgever noemt hierbij een maximale termijn van twaalf maanden. We kennen in Tilburg reeds een verkorte procedure wanneer iemand korter dan zes maanden voor de nieuwe aanvraag is uitgestroomd vanwege werkaanvaarding. Reden hiervoor is tweeledig:
- -
We willen mensen geen drempel laten voelen als ze gaan werken en zo min mogelijk bureaucratie laten ervaren als ze weer een beroep moeten doen op een uitkering en
- -
We hebben gekozen voor de termijn < zes maanden, omdat mensen na zes maanden werken recht hebben op WW.
Ook al werken we met een verkorte procedure, we moeten altijd nog relevante informatie opvragen waar we niet via systemen of oude gegevens over kunnen beschikken, zoals informatie over vermogen en einde werk / reden aanvraag. Deze informatie ligt bij onze inwoners zelf. Om hen niet over te lange tijd te belasten, en omdat bovenstaande redenen nog steeds relevant zijn, handhaven we voor de verkorte procedure zes maanden i.p.v. de maximale twaalf maanden. We beperken deze mogelijkheid niet alleen tot mensen die zijn uitgestroomd vanwege werk, maar ook voor alle andere aanvragen, omdat we daarmee naast onze inwoner ook de uitvoering minder belasten.
Ook voor aanvragen die langer geleden zijn of van mensen die nog nooit bijstand in onze gemeente hebben aangevraagd geldt dat we geen gegevens mogen opvragen waarover we vanuit voor ons toegankelijke systemen kunnen beschikken (Wet eenmalige gegevens uitvraag WEU). Dus ook daarbij geldt dat we alleen datgene opvragen bij onze inwoners waar we niet al over kunnen beschikken.
Artikel 4: terugwerkende kracht
De wetgever heeft nog steeds als hoofdregel vastgelegd dat de bijstandsuitkering ingaat per datum melding (art. 44 lid 1 Pw). Nieuw is de aanvulling in lid 5 van dit artikel, waarbij gemeenten de ruimte krijgen om bijstand eerder dan datum melding (met terugwerkende kracht) in te laten gaan indien individuele omstandigheden hiertoe noodzaken. Individuele omstandigheden is ruimer dan bijzondere omstandigheden, waarmee de wetgever gemeenten meer ruimte geeft dan voorheen in de jurisprudentie was opgenomen. Hierbij wordt wettelijk deze mogelijkheid van terugwerkende kracht wel beperkt tot drie maanden voor datum melding.
Hierbij maken we een onderscheid tussen bijzondere omstandigheden en individuele omstandigheden:
Bijzondere omstandigheden:
Hiervan is sprake als de te late melding de inwoner niet verweten kan worden, veelal ligt de oorzaak buiten de invloedsfeer van de inwoner. Denk hierbij aan een ziekenhuisopname, te late afwijzing van een andere uitkeringsaanvraag etc. Deze opsomming is niet limitatief. Hiermee wordt voorkomen dat mensen onterecht worden uitgesloten van ondersteuning, en wordt uitvoering gegeven aan de menselijke maat en maatwerk-beginselen.
Individuele omstandigheden:
Met het inzetten van terugwerkende kracht bij individuele omstandigheden beoogd het college dat de belanghebbende niet onnodig schulden maakt of opbouwt. Er is aandacht voor de persoonlijke situatie van de belanghebbende, waarbij zowel de oorzaken als de gevolgen van de te late melding worden meegewogen.
Let op: voor alle situaties geldt het volgende:
- -
Mede bepalend voor de duur van de terugwerkende kracht is wanneer het recht op bijstand ontstond.
- -
De belanghebbende moet aantonen dat in de betreffende periode recht op bijstand bestond en de noodzaak en/of omstandigheden voor de te late melding verklaren.
- -
Het college bepaalt of de bijzondere omstandigheden van dusdanige aard zijn om bijstand met terugwerkende kracht te verlenen.
Het is belangrijk om de termijn van de terugwerkende kracht beperkt te houden, in principe tot de wettelijke maximale drie maanden. En ook om alert te zijn bij terugwerkende kracht als deze het kalenderjaar overschrijdt. Dit heeft te maken met het fiscale jaar inkomen wat hoger wordt en waardoor mensen mogelijk toeslagen moeten terugbetalen.
Als mensen eerder een andere voorziening (IOAW, IOAZ of Bbz) hebben aangevraagd en die is afgewezen, dan geldt de datum melding voor deze regeling ook als datum melding voor de Pwet.
Artikel 5: zoektermijn jongeren
Gemeenten krijgen wettelijk de ruimte om de zoektermijn (eerste vier weken na melding voor een uitkering) voor kwetsbare jongeren niet toe te passen. In de wet (art. 41 lid 4 Pw) staat opgenomen wie wettelijk aangemerkt worden als kwetsbaar. Dit vullen we in deze beleidsregels aan met de volgende groepen jongeren:
- -
Die bekend zijn of ondersteund worden door erkende maatschappelijke (zorg)organisaties (lees: bekend bij de Toegang); of
- -
studietoeslag op grond van artikel 36b Pw ontvangt of ontvangen hebben
De tweede groep met studietoeslag die kennen we zelf vanuit de Pw, de andere groep is veelal bekend bij onze partners in de Toegang, maar daarmee niet automatisch bij Werk & Inkomen. We moeten dit dus navragen bij de jongeren, mogen niet zelf in die systemen kijken.
Deze opsomming is niet limitatief. Er blijft ruimte voor maatwerk bij het beoordelen of een jongere aan de zoektermijn kan voldoen. Deze is immers bedoeld als stimulans voor de jongeren die dit kunnen om verder te studeren of om een baan te accepteren.
Vaststellen recht op bijstand:
Artikel 6: Bewijsstukken
Artikel 53a Pw geeft het college de bevoegdheid te bepalen welke gegevens en bewijsstukken door een belanghebbende verstrekt moeten worden, als het gaat om het bepalen van het recht op, de hoogte van de bijstandsnorm en de voortzetting van de bijstand. Op basis van de WEU mogen we alleen die gegevens opvragen bij onze inwoners, waar we niet zelf over kunnen beschikken vanuit de systemen.
Op voorhand is niet aan te geven welke gegevens bij de concrete aanvraag nodig zijn voor de beoordeling van het recht op uitkering. Dit is afhankelijk van de situatie en de omstandigheden van de belanghebbende (maatwerk). Individueel wordt bepaald welke nadere gegevens noodzakelijk zijn en belanghebbende wordt daarover in ieder geval schriftelijk geïnformeerd. Bij een nieuwe aanvraag van een uitkering geldt wel dat een vast aantal gegevens gevraagd wordt, omdat dit veelal de minimale gegevens betreffen die nodig zijn om een beslissing te kunnen nemen op de uitkeringsaanvraag.
Dit artikel geeft een nadere uitwerking van wat van een belanghebbende wordt verwacht als nadere gegevens/bewijsstukken worden opgevraagd.
Als gegevens uit onze eigen systemen kunnen worden gehaald, worden ze niet ook nog bij belanghebbende opgevraagd.
Artikel 7: Bankafschriften
Bij een rechtmatigheidsonderzoek moet belanghebbende een aantal afschriften, of een uitdraai van internetbankieren verstrekken van rekeningen, die bij hem/haar in gebruik zijn of waren. Het gaat hier om afschriften over de laatste drie maanden voor de datum van het onderzoek. Wanneer het voor onderzoek nodig is om afschriften over een periode van langer dan drie maanden te beoordelen, worden over de benodigde langere periode afschriften opgevraagd.
De belanghebbende mag de uitgaven op zijn bankafschriften onleesbaar maken. Doorvragen over onleesbaar gemaakte transacties/saldi mag als dat voor de vaststelling van het recht op bijstand nodig is.
Artikel 8: Vermogen
Bij het vaststellen van het vermogen wordt uitgegaan van de waarde van de aanwezige bezittingen verminderd met de aanwezige schulden, zoals bedoeld in artikel 34 Pw. Dit is niet gewijzigd.
Wel is de zgn ‘staffelmethode’ afgeschaft, welke inhield dat de gemeente bij de aanvang van de uitkering het vermogen op dat moment vaststelde met daarnaast het maximaal ‘vrij te laten vermogen’, d.w.z. de ruimte tussen het wettelijk maximaal vermogen en het daadwerkelijke vermogen.
Met de nieuwe regeling, moet bij ieder onderzoek uitgegaan worden van het op dat moment aanwezig vermogen. Vermogensaanwas hoeven inwoners in principe niet meer te melden, tenzij ze hiermee boven het wettelijk vrij te laten vermogen uitkomen.
Om te voorkomen dat mensen in de problemen komen met hun vermogensaanwas, hebben we in de beleidsregels opgenomen dat inwoners vermogensaanwas, niet zijnde giften tot 1200 euro per kalenderjaar, via het wijzigingsformulier kunnen doorgeven. We houden hierbij de ruimte om onderzoek te doen naar onduidelijke vermogensaanwas. Maar niet doorgeven van vermogensaanwas, waardoor het totale vermogen onder de wettelijke grens blijft, is geen schending van de inlichtingenplicht.
Als mensen vermogen ontvangen dat hoger is dan de wettelijke maximale grens, en ze hebben niet direct opeisbare schulden, dan is het in beginsel niet de bedoeling dat ze deze schulden aflossen. Ze moeten de vermogensaanwas doorgeven en de gemeente onderzoekt of het verantwoord is om eerst de schulden af te lossen of dat ze van het vermogen kunnen leven, totdat het ingeteerd is tot aan de wettelijke vermogensgrens. Hiermee voorkomen we dat er indirect bijstand voor schulden wordt verstrekt.
Artikel 9: vaststelling van het vermogen
Auto:
In dit artikel staat hoe het college om gaat met het bezit van auto’s en motoren en de waarde hiervan. Hierbij moet opgemerkt worden dat de vrijlating van € 3000 niet per auto gelezen moet worden, maar voor alle auto’s bij elkaar die iemand in bezit kan hebben. Bromfietsen en scooters tellen we niet bij het vermogen.
Cryptogeld
Cryptogeld (ofwel cryptocurrency of cryptovaluta) zoals bijvoorbeeld de bitcoin, zijn digitale munteenheden en vallen onder middelen als bedoeld in artikel 34 Pw waarover de belanghebbende beschikt of kan beschikken. Het cryptogeld wordt toegerekend aan het vermogen.
Dit is alleen anders als er sprake is van handel in cryptogeld. Dan moeten de inkomsten daarvan worden aangemerkt als inkomsten als bedoeld in artikel 32 Pw. Vanaf het moment dat men hierover kan beschikken wordt de opbrengst van deze handel aangemerkt als inkomen.
Om de waarde van het cryptogeld vast te stellen zal belanghebbende inzage moeten geven in het online transactieoverzicht van het cryptogeld. Onder de waarde wordt verstaan de actuele waarde van de desbetreffende digitale munt in euro’s. De inlegkosten worden niet in mindering gebracht op de totale waarde van het cryptogeld.
Specificering wijze vaststellen (bepaalde) bezittingen
Het college geeft in dit artikel op de volgende onderdelen een nadere invulling op het vaststellen van het vermogen:
- 1.
Vrijlating van vermogen in een auto of motor: als een belanghebbende beschikt over (een) auto(‘s) of motor(en), wordt de waarde van dit vervoermiddel/deze vervoermiddelen tot een bedrag van € 3.000 in totaal buiten beschouwing gelaten. Als de waarde hoger is, dan wordt het meerdere bij het vermogen geteld. Ook auto’s en motoren van ouder dan 10 jaar worden buiten beschouwing gelaten. Uitzondering op laatstgenoemde regel zijn auto’s/motoren met een bijzondere dagwaarde (bijvoorbeeld een oldtimer). Deze regel geldt niet per auto, maar in totaal voor het aantal auto’s wat iemand in bezit kan hebben.
- 2.
De waarde van auto’s/motoren jonger dan 10 jaar of die met een bijzondere dagwaarde is de dagwaarde volgens de Koerslijst ANWB. Als auto’s/motoren niet op de Koerslijst staan kan een dealer of taxateur worden ingeschakeld.
- 3.
Lid 1 en 2 zijn niet van toepassing voor boten, caravans en campers. De aanwezige dagwaarde telt volledig mee voor de vermogensvaststelling.
- 4.
Vrijlating van saldo lopende rekening(en): Van het saldo wat op het moment van de bijstandsaanvraag op alle lopende rekeningen bij elkaar staat, wordt tot een bedrag van 1,5 de toepasselijke bijstandsnorm niet meegenomen bij de vermogensvaststelling. Met alle lopende rekeningen worden ook de spaarrekeningen of vermogensrekeningen bedoeld. Ook de spaar-/vermogensrekeningen van de ten laste komende kinderen.
Wanneer het totaal saldo op alle rekeningen meer bedraagt dan 1,5 keer de toepasselijke bijstandsnorm, wordt het meerdere wel als vermogen in aanmerking genomen.
- 5.
Vrijlating van vermogen in een uitvaartverzekering: in een uitvaartverzekering gereserveerde bedragen voor een uitvaart worden volledig buiten beschouwing gelaten bij de vermogensvaststelling, ongeacht de waarde van de uitvaartverzekering. Dit geldt ook voor uitvaartverzekeringen die afkoopbaar zijn.
- 6.
Alle cryptovaluta die iemand bezit tellen mee voor de vaststelling van het vermogen.
Co-ouderschap:
Verder wordt in dit artikel aangegeven hoe om moet worden gegaan met de vermogensvaststelling bij co-ouderschap. Co-ouderschap is geen wettelijk gedefinieerde leefvorm, maar geeft een feitelijke situatie weer. Co-ouderschap hebben wij gedefinieerd als de verdeling van de zorg- en opvoedtaken van een minderjarig(e) kind/kinderen. Beide ouders nemen een gelijkwaardig deel van de verzorging en opvoeding van hun kinderen voor hun rekening. Bij co-ouderschap is de feitelijke situatie van het verblijf en de feitelijke verzorging doorslaggevend. Niet van belang is welke ouder de kinderbijslag ontvangt. Er is geen sprake van co-ouderschap als het kind of de kinderen incidenteel en voor een korte periode bij de andere ouder verblijven (bijvoorbeeld voor vakantie). Ook als de verdeling van het ouderschap zodanig is dat deze niet afwijkt van een gebruikelijke omgangsregeling, is er geen sprake van co-ouderschap. Het college hanteert bij het vaststellen van de vermogensgrens bij co-ouders de volgende regel: de vermogensgrens wordt bepaald door het gemiddelde te nemen van de vermogensgrens voor een alleenstaande en een alleenstaande ouder. Let op: dit geldt voor de vermogensgrens. Het daadwerkelijke vermogen telt volledig mee en wordt afgezet tegen deze grens. Tot het daadwerkelijk vermogen behoort ook het saldo op de rekening van minderjarige kinderen.
Voor het vaststellen van het vermogen kunnen we in sommige situaties ook maatwerk toepassen om onwenselijke situaties te voorkomen. Een voorbeeld hiervan is de vermogensvaststelling bij wijziging van de leefvorm. In artikel 34 lid 3 Pw is vastgelegd tot welke grens vermogen als bedoeld in artikel 34 lid 2 onder b Pw wordt vrijgelaten bij alleenstaanden, alleenstaande ouders en gezinnen.
Bij wisseling van leefvorm is wettelijk niet bepaald hoe om te gaan met het vaststellen van de grens van het vrij te laten vermogen.
Het college hanteert in de situatie dat een belanghebbende van alleenstaande ouder alleenstaande wordt de volgende regel:
In de situatie dat men van alleenstaande ouder alleenstaande wordt, en er meer vermogen is dan mag worden vrij gelaten bij een alleenstaande, wordt de grens van het vrij te laten vermogen op het feitelijke aanwezige vermogen vastgesteld. In een dergelijke situatie gaan we uit van ‘gespaard vanuit de uitkering, art. 34 lid 2 sub c Pw’.
Artikel 10: Informatieverstrekking tijdens de uitkering
In de Pw (artikel 17 lid 1) en de IOAW/IOAZ (artikel 13, lid 1) staat de inlichtingenplicht: ‘de plicht van belanghebbende om op verzoek of direct uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op arbeidsinschakeling of het recht op bijstand’.
Het college mag het begrip 'onverwijld uit eigen beweging' zo hanteren dat kan worden volstaan met het van belanghebbende verwachten dat hij betreffende informatie meldt op de eerstvolgende inkomstenverklaring.
In Tilburg ontvangen enkel belanghebbenden met inkomsten een inkomstenverklaring die zij moeten invullen. Belanghebbenden die de inkomstenverklaring niet ontvangen, moeten belangrijke wijzigingen die van invloed zijn op de uitkering doorgeven met een wijzigingsformulier.
In dit artikel is geregeld welke termijn het college hanteert voor het uit eigen beweging verstrekken van informatie en dat is vijf werkdagen. Als mensen werken en een inkomstenverklaring ontvangen kunnen ze tot de uiterste inleverdatum van de inkomstenverklaring wijzigingen doorgeven.
Artikel 11: Giften
Het college vindt het belangrijk dat bijstandsgerechtigden financiële hulp kunnen accepteren zonder dat zij bang hoeven te zijn dat dit negatieve gevolgen voor hun uitkering heeft. Deze hulp moet dan vanuit het oogpunt van bijstandsverlening wel verantwoord zijn. Tot 1 januari 2026 had het college in Tilburg de giftengrens vastgesteld op € 1800 per kalenderjaar.
Met ingang van 1 januari 2026 is de grens wettelijk vastgesteld in artikel 31 lid 2 onder M van de wet. Gemeenten mogen individueel nog wel giften vrijlaten tot een hoger bedrag, maar dan alleen als dit naar het oordeel van het college verantwoord is in het licht van bijstandsverlening. Dit is veelal het geval als het gaat om giften in natura of geld voor goederen waarvoor anders bijzondere bijstand verstrekt of gevraagd zou kunnen worden of bedoeld voor specifieke kosten (denk hierbij aan crowdfunding). De beoordeling hiervan is altijd maatwerk.
De wetgever heeft ook bepaald dat giften tot de wettelijke grens niet meer onder de inlichtingenplicht vallen. Dit betekent dat inwoners zelf bij moeten gaan houden of ze giften in een kalenderjaar bij elkaar opgeteld onder deze grens hebben gekregen. Dit vraagt veel van onze inwoners. We zullen hen hierover goed informeren en faciliteren door de vragen over giften en een staatje hiervoor op te nemen op een nieuw wijzigingsformulier, dat in januari 2026 aan alle Tilburgse bijstandsgerechtigden (Pwet) wordt toegestuurd.
Het is niet zo dat de wettelijke grens per persoon geldt, als er meer mensen binnen één uitkeringsnorm vallen (b.v. echtpaar met ten laste komende kinderen) daarvoor geldt ook 1x de giftengrens.
Soms ontvangen mensen geld of goederen, zonder dat de herkomst hiervan bekend is of wordt gemaakt. Deze tellen we niet mee als giften, maar eerder als inkomen of vermogen.
In geval van giften in natura, bepaalt het college wat daarvan de waarde in geld is aan de hand van de door belanghebbende overlegde bewijsstukken met betrekking tot de waarde of op basis van hetgeen hierover in het maatschappelijk verkeer bekend is (b.v. goudprijs, Nibud prijslijst, ANWB koerslijst etc).
Werkgevers kunnen hun medewerkers een cadeau geven. Vaak is dit een kerstpakket of –geschenk. Als dit een geschenk is dat past binnen de fiscale vrijlating dan wordt hier niets mee gedaan. Als een werknemer eenmalig een bonus ontvangt omdat deze een extra prestatie heeft geleverd, dan wordt deze meegeteld als gift (en niet als inkomen gekort) tot aan de giftengrens. Als de bonus hoger is dan de giftengrens dan wordt het meerdere als inkomen aangemerkt, het gaat hierbij immers om een middel in verband met arbeid.
Let wel: een dergelijke bonus is vaak belast en kan dus gevolgen hebben voor de hoogte van de huurtoeslag in het volgende kalenderjaar. Het is belangrijk de belanghebbende hierop te wijzen.
Via de werkkostenregeling (WKR) kan de werkgever echter wel onbelaste vergoedingen (en dus ook bonussen) aan de werknemer geven. De werkgever moet de bonus dan onderbrengen in de vrije ruimte van de WKR bij de Belastingdienst. Deze vrije ruimte bedraagt een maximaal percentage van de totale loonsom. Dit wordt jaarlijks opnieuw vastgesteld door de Belastingdienst.
Een eindejaarsuitkering en het vakantiegeld of andere bonussen die onder de CAO vallen worden niet tot de giftenvrijlating gerekend.
Artikel 12: Schadevergoeding
Het college mag bepalen welke bedragen aan vergoeding voor materiële en immateriële schade vanuit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn en derhalve niet meetellen als vermogen bij de vermogensvaststelling (vermogensvrijlating). Het college maakt hierbij onderscheid tussen vergoedingen voor materiële en immateriële schade.
Een materiële schadevergoeding gaat het om een vergoeding voor schade of verlies van iets dat belanghebbende al had. Bijvoorbeeld vervanging van een kapotte auto of brandschade in huis. Het kunnen reeds gemaakt kosten zijn of kosten die nog gemaakt moeten worden. Wanneer een belanghebbende een materiële schadevergoeding ontvangt, is deze dus bestemd om iets te vervangen of te repareren. Daarom wordt een dergelijke schadevergoeding niet als vermogenstoename aangemerkt en hoeft het vermogen in het kader van de Participatiewet niet gewijzigd te worden.
Bij immateriële schadevergoeding, ook wel smartengeld genoemd, gaat het om een vergoeding voor gederfde levensvreugde. Deze vergoeding is bedoeld voor geleden emotionele schade, waarvan de hoogte door een rechter of schadeverzekeraar is bepaald. Het college heeft bepaald dat een immateriële schadevergoeding tot de maximale vermogensgrens voor echtparen/alleenstaande ouders, (art. 34 lid 3 onder b en c Pw) ongeacht de leefvorm niet als vermogen wordt aangemerkt en dus ook geen gevolgen voor de vermogensvaststelling in het kader van de Pw heeft. Overschrijdt de immateriële schadevergoeding dit bedrag, dan wordt op basis van een maatwerkbeoordeling bezien of het redelijk is om 2/3 van de overschrijding tot het vermogen te rekenen.
Een schadevergoeding met een loon dervend karakter wordt wel aangemerkt als inkomen voor de periode waarop deze schadevergoeding betrekking heeft.
Schadevergoedingen die op grond van de Regeling tegemoetkoming chroom6 zijn uitgekeerd, worden niet als vermogen aangemerkt bij de vermogensvaststelling in het kader van de Pw.
Artikel 13: Criteria voor het verlagen van de norm
Artikel 27 van de Pw geeft het college de bevoegdheid de norm als bedoeld in de artikelen 20 en 21 van de Pw, lager vast te stellen als gevolg van de woonsituatie van de belanghebbende, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning.
Van deze bevoegdheid maakt het college gebruik door bij een belanghebbende die geen woonkosten en/of woonlasten de uitkeringsnorm te verlagen.
In de begripsomschrijvingen in artikel 1 is omschreven wat onder woonkosten en woonlasten wordt verstaan.
Bewoont een belanghebbende een woning waarvoor geen woonkosten of woonlasten zijn verschuldigd, dan verlaagt het college de uitkering met 10% van de gehuwdennorm. Bewoont een belanghebbende een woning waarvoor geen woonkosten én geen woonlasten zijn verschuldigd, dan verlaagt het college de uitkering met 20% van de gehuwdennorm. Dit laatste geldt ook voor belanghebbenden die dakloos zijn en geen woning aanhouden.
Als een belanghebbende de kostendelersnorm heeft, of een commerciële kamerbewoner/kostganger is, dan wordt de uitkering niet verlaagd wegens lagere woonkosten of woonlasten.
Wanneer sprake is van een all-inclusive huurprijs, dus een prijs waar zowel de huur als een bijdrage in de kosten van energie en/of water zijn inbegrepen, wordt de hoogte van deze huur afgezet tegen het bedrag van de basishuur zoals bedoeld in artikel 16 WHT (Wet op de huurtoeslag)). De basishuur is het deel van de rekenhuur waarover geen huurtoeslag wordt toegekend en dat te allen tijde voor rekening van de huurder blijft. Is de all-inclusive huurprijs veel lager dan de basishuur dan stemmen we de uitkering af op de lage woonkosten op grond van artikel 18 lid 1 van de Pw.
Artikel 14: Inkomsten uit commerciële verhuur en commercieel kostgangerschap
In de Pw is het uitgangspunt dat wanneer kosten gedeeld kunnen worden met kostendelende medebewoners ouder dan 27 jaar, de bijstandsnorm daarop wordt aangepast (kostendelersnorm). De kostendelersnorm is niet van toepassing als er sprake is van commerciële verhuur of commercieel kostgangerschap. De inkomsten die daaruit voortvloeien moeten als inkomsten worden gekort op de bijstandsuitkering.
Er is sprake van commerciële verhuur/commercieel kostgangerschap als er sprake is van een commerciële relatie. Hiervan is sprake als het een volledig zakelijke relatie betreft en dit kan nooit een ouder-kind relatie zijn. Hierbij vraagt de verhuurder/kostgever een commerciële prijs en de huurder/kostganger betaalt deze commerciële prijs. Deze prijs en andere belangrijke verplichtingen van de huurder en verhuurder zijn vastgelegd in een huur-/kostgangersovereenkomst. Deze overeenkomst moet overlegd kunnen worden. Huur-/kostgangersbetalingen vinden plaats per banktransacties en deze moeten kunnen worden aangetoond met bankafschriften.
Het ontvangen huurbedrag/kostgeld wordt als inkomsten op mindering gebracht op de bijstandsuitkering. Van dit huurbedrag/kostgeld wordt wel de gemiste huurtoeslag afgetrokken, omdat deze omlaag gaat als er meerdere personen op een adres wonen. Dit moet worden aangetoond met een beschikking huurtoeslag. Daarnaast wordt een forfaitair bedrag op de huur of het kostgeld in mindering gebracht, omdat de hoofdbewoner meer extra kosten heeft dan alleen gemiste huurtoeslag. Hierbij kan gedacht worden aan extra energiekosten, water en voor kostgangers eten en drinken. We willen in het kader van de woningnood het opnemen van huurders of kostgangers enigszins bevorderen of in ieder geval niet frustreren vanuit de bijstand.
Wanneer een woning gedeeld wordt met personen die uitgezonderd zijn van de kostendelersnorm (meestal inwonende kinderen jonger dan 27 jaar) dan laten we het eventuele betaalde kostgeld buiten beschouwing en brengen we dit niet in mindering op de uitkering van de belanghebbende(n) omdat veelal de huurtoeslag lager wordt bij werkende inwonende kinderen. Dit voor zover dit naar het oordeel van het college vanuit het oogpunt van de bijstandsverlening verantwoord is.
Artikel 15: Tijdelijk verblijf en kostendelersnorm
In uitzonderlijke gevallen kan het wenselijk zijn om in een individuele situatie maatwerk te leveren en de kostendelersnorm niet toe te passen of iemand niet als kostendeler mee te laten tellen. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan crisissituaties, waarbij door belanghebbende tijdelijk onderdak geboden of verkregen wordt. Hierbij kan gedacht worden aan personen uit detentie komen of uit een instelling en acuut onderdak nodig hebben. Door het niet toepassen van de kostendelersnorm voor de hoofdbewoner wordt de bereidheid om iemand op te vangen bevorderd en dakloosheid voorkomen.
In dit soort situaties moet in ieder geval aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:
- 1.
Het moet gaan om een acute noodzaak tot huisvesting; en
- 2.
Het moet gaan om een tijdelijke oplossing en
- 3.
de kostendeler moet niet voordat deze in een instelling of detentie zat op hetzelfde adres hebben gewoond, dan is het een herstel van de reguliere situatie en geen tijdelijke noodsituatie.
Er is hierbij een verschil tussen tijdelijk inwonen vanwege het voorkomen van dakloosheid en vanwege mantelzorg.
De uitzondering op de kostendelersnorm is in het nieuwe wetsartikel alleen vastgelegd voor de mantelzorger. Wanneer deze tijdelijk inwoont bij een alleenstaande zorgbehoevende bijstandsgerechtigde, geldt voor deze laatste ook geen kostendelersnorm. De mantelzorger is op grond van het wetsartikel immers geen kostendeler, dus heeft de zorgbehoevende bijstandsgerechtigde geen kostendelende medebewoner. Trekt een mantelzorger tijdelijk in bij een zorgbehoevende in een meerpersoonshuishouden, dan heeft dit ook geen effect op de (kostendelers)norm van de bijstandsgerechtigden in dit huishouden.
Het inwonen moet wel aantoonbaar tijdelijk en noodzakelijk zijn vanwege een intensieve zorgbehoefte. In de definitiebepaling van deze beleidsregels zijn mantelzorg en zorgbehoefte in het kader van deze tijdelijke inwoning opgenomen.
De kostendelersnorm wordt wél toegepast in situaties, waarin duidelijk is dat er sprake is van duurzaam verblijf. Dit kan blijken uit de intentie van belanghebbenden of wanneer de situatie langer duurt (in ieder geval na 1 jaar) en er geen activiteit is om dit te veranderen. Voor mantelzorg betekent het dat het voortduren van de zorgbehoefte mede bepalend is voor de duur van het niet toepassen van de kostendelernorm.
In de situaties zoals in dit artikel bedoeld, wordt de kostendelersnorm gedurende 3 maanden niet toegepast voor de hoofdbewoner. Degene die inwoont ontvangt wel de kostendelersnorm als deze ook een bijstandsuitkering ontvangt, met uitzondering van de situaties van mantelzorg. Na 3 maanden moet de situatie opnieuw beoordeeld worden via een heronderzoek. Hierbij wordt onderzocht:
- •
Welke inspanningen heeft de inwonende persoon verricht om eigen huisvesting te vinden dan wel om terug te keren naar zijn of haar eigen woning.
- •
Is er onvoldoende gedaan om zelfstandig te gaan wonen, dan wordt de kostendelersnorm vanaf dat moment alsnog toegepast.
- •
Is er wel voldoende gedaan maar heeft dit niet tot het gewenste effect geleid, dan kan de situatie (steeds) worden verlengd met 3 maanden, afhankelijk van de inspanning die de inwonende levert om eigen woonruimte te vinden.
Artikel 16: recht op jongerentoeslag
De jongerentoeslag stond tot 1-1-2026 in artikel 12 Pw als bijzondere bijstand. Deze bepaling is vervallen en er is een rijksnorm voor jongerentoeslag vastgesteld, zodat de hoogte landelijk geharmoniseerd wordt. De hoogte wordt verlaagd tot de norm voor uitwonende studiefinanciering. In Tilburg hadden wij de hoogte van de bijzondere bijstand jongerentoeslag vastgesteld op de norm > 21 jaar. Op grond van het overgangsrecht is bepaald dat de mensen die voor 1 januari 2026 deze uitkering toegekend hadden, deze blijven houden totdat ze 21 jaar worden of uitstromen uit de uitkering.
De gemeente kan de jongerentoeslag verhogen o.g.v. art. 18 Pw als dit nodig is, omdat ze hogere algemene kosten van bestaan hebben. De totale hoogte van de uitkering mag nooit hoger uitvallen dan de norm > 21 jaar of het wettelijk minimum jeugdloon (afhankelijk van de leeftijd van de jongere).
De regels zoals opgenomen in de beleidsregels bijzondere bijstand, wanneer jongeren geen beroep kunnen doen op de onderhoudsplicht van hun ouders zijn overgenomen in deze beleidsregels. Het moet gaan om:
Jongeren die noodzakelijk zelfstandig wonen en
Geen beroep kunnen doen op de onderhoudsplicht van hun ouders of
Waarvan de ouders zijn overleden of onvindbaar in het buitenland verblijven.
Artikel 17: Gokactiviteiten tijdens bijstand
Er is sprake van gokactiviteiten wanneer er meerdere keren per maand pinopnames in een gokinstelling (bijvoorbeeld casino) worden gedaan of met regelmaat online wordt gegokt (ECLI:NL:CRVB:2021:629). Een enkele keer meedoen aan een loterij of een keer naar het casino vallen hier dus niet onder.
Inkomsten uit gokactiviteiten moeten worden gekort op de bijstandsuitkering. Ze komen naar hun aard overeen met inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, Pw en zijn dus vergelijkbaar met bijvoorbeeld inkomsten uit arbeid. Dit ook vanwege het feit dat gokken als beroepsmatige activiteit kan worden uitgevoerd. De inkomsten moeten worden toegerekend aan de maand waarin de inkomsten zijn ontvangen.
Het college is zich ervan bewust dat gokken, of het nou online is of fysiek, heel verslavend kan zijn. En juist wanneer iemand verslaafd is, zal hij het vaker per maand doen. Net zoals bij andere verslavingen moet iemand steeds meer gebruiken/doen om hetzelfde effect te bereiken. En dan wordt het problematisch.
In die gevallen willen we belanghebbenden eerst de gelegenheid bieden mee te werken aan een hulpverleningstraject (gericht op het stoppen van de gokverslaving). Afhankelijk van de mate van medewerking aan een hulpverleningstraject korten we wel of niet de inkomsten op de bijstandsuitkering. Dit voor zover dit naar het oordeel van het college vanuit het oogpunt van de bijstandsverlening verantwoord is.
Het niet (of niet volledig korten van de inkomsten willen we inzetten om te voorkomen dat belanghebbenden die gemotiveerd aan hun gokverslaving willen werken van de regen in de drup belanden door de inkomsten te korten. Vaak is de inleg namelijk vele malen groter, maar blijkens de Pw en de wetsgeschiedenis mag met deze inlegkosten (verwervingskosten) in principe geen rekening worden gehouden bij de vaststelling van het te korten inkomen.
In het artikel staan de verschillende scenario’s uitgelegd, van het willen meewerken en ook daadwerkelijk goed meewerken tot aan het weigeren van een hulpverleningstraject.
Op dit moment worden er frequent verschillende uitspraken van de Rechtbank gedaan over met name de manier van het korten van inkomsten bij gokken. In die gevallen waarin wij overgaan tot het korten van de inkomsten volgen wij de recente jurisprudentie hierover.
Artikel 19: Overgangsrecht
In dit artikel is opgenomen dat bij aanvragen en lopende onderzoeken voor de ingangsdatum van deze beleidsregels, waarover nog geen besluit is genomen na de ingang van he nieuwe beleid, niet nadelig kunnen uitpakken als het nieuwe beleid minder gunstig is voor de belanghebbende. Het besluit kan dus genomen worden op zowel het oude beleid als het nieuwe beleid.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl