Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR756882
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR756882/1
Besluit van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen tot vaststelling van de Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Amstelveen 2026
Geldend van 11-02-2026 t/m heden
Intitulé
Besluit van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen tot vaststelling van de Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Amstelveen 2026Zaaknummer: Z25-151633
Burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen;
gelezen het advies van afdeling Jeugd en Onderwijs van 27 januari 2026;
gelet op artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht;
besluiten vast te stellen de:
Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Amstelveen 2026
Hoofdstuk 1 Inleiding
In deze beleidsregels staat beschreven hoe er in de gemeente Amstelveen invulling wordt gegeven aan de Jeugdwet. Er staat beschreven welke uitgangspunten en richtlijnen van toepassing zijn bij de uitvoering van de Jeugdwet (door de lokale toegang). Binnen het jeugdhulpdomein is er een grote verscheidenheid aan situaties en vragen die zich kunnen voordoen. Dit zorgt ervoor dat deze beleidsregels niet uitputtend zijn. De beleidsregels Jeugdhulp zijn gebaseerd op de volgende doelen uit de Jeugdwet:
- •
Preventie en uitgaan van eigen verantwoordelijkheden en eigen mogelijkheden.
- •
Normaliseren en ontzorgen door onder meer het opvoedkundig klimaat te versterken in gezinnen, wijken, scholen en in voorzieningen als kinderopvang en peuterspeelzalen.
- •
Eerder de juiste hulp op maat te bieden (preventie) om het beroep op dure gespecialiseerde hulp te verminderen.
- •
Integrale hulp aan gezinnen volgens het uitgangspunt één gezin, één plan, één regisseur. Dit is relevant wanneer er naast jeugdhulp ook andere problematiek speelt.
- •
Meer ruimte voor professionals om de juiste hulp te bieden door vermindering van regeldruk.
De Jeugdwet, de verordening en de nadere regels liggen ten grondslag aan deze beleidsregels. Deze documenten moeten in samenhang gelezen worden.
In tegenstelling tot de Jeugdwet, de verordening en de nadere regels zijn de beleidsregels geen verbindende voorschriften. Het zijn afwegingskaders. Dit houdt in dat besluiten worden genomen op basis van de Jeugdwet, de verordening of de nadere regels. Welke afwegingen gehanteerd worden om al dan niet jeugdhulp toe te kennen staat in deze beleidsregels. Het is aan de verwijzer (jeugdhulpverleners aangewezen door de gemeente of de Gecertificeerde Instelling (GI)) om op basis hiervan ook een afweging te maken tussen verschillende belangen.
De begrippen in deze beleidsregels zijn gelijk aan de definities die worden gehanteerd in de Jeugdwet, verordening en nadere regels.
Hoofdstuk 2 Afwegingskader jeugdhulp
Er bestaat geen algemeen recht op een individuele voorziening; vanuit de jeugdwet dient de gemeente op individueel niveau vast te stellen of en in welke vorm ondersteuning noodzakelijk is. In dit hoofdstuk wordt beschreven welk afwegingskader hiervoor wordt gebruikt.
Het resultaat van de toetsingsprocedure moet zijn dat jeugdigen en gezinnen de hulp krijgen die passend is en die noodzakelijk is. De jeugdige moet in staat worden gesteld om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn om naar vermogen deel te nemen aan de samenleving, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. Ouders zijn hiervoor primair verantwoordelijk. Uitgangspunten bij het onderzoek:
Bij iedere hulpvraag moet zorgvuldig onderzoek plaatsvinden om te kunnen bepalen of en welke ondersteuning nodig is. Hierbij wordt het stappenplan, zoals vastgesteld door de Centrale Raad van Beroep, gevolgd. Er wordt altijd bekeken welke eigen mogelijkheden de jeugdige, zijn/haar ouders en hun netwerk hebben om de nodige hulp te krijgen. Hierbij kan de inzet van een Eigen Kracht Conferentie helpend zijn.
- •
Onder eigen mogelijkheden wordt ook verstaan dat gebruik gemaakt wordt van voorliggende voorzieningen (zie verder hoofdstuk 4).
- •
Er wordt rekening gehouden met de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn/haar ouders. Dit betekent dat de gemeente geen voorziening verstrekt wanneer ouders ervoor kiezen hun eigen mogelijkheden niet in te zetten, tenzij de veiligheid van de jeugdige in het geding is.
2.1 Normaliseren
Het uitgangspunt is om te normaliseren. Dit wil zeggen dat gekeken wordt welke opgaven en problemen ‘normaal’ zijn en hoe het normale leven versterkt kan worden (ook als sprake is van problemen of stoornissen). Kwetsbaarheid, problemen en tegenslag horen bij het leven. Kinderen opvoeden kost tijd en energie. Dat geldt voor alle kinderen en daarbij verschilt het per kind hoeveel tijd en energie dit kost. Jeugdhulp is bedoeld voor hulpvragen die de oorzaak hebben in gedrags- of opvoedproblematiek, psychische problemen of stoornissen en die niet behoren tot de ontwikkelingsfase waarin de jeugdige zich bevindt.
- •
Het is normaal dat kinderen soms lastig en afwijkend gedrag vertonen.
- •
Het uitgangspunt is het versterken van opvoedvaardigheden van ouders en de kennis over opvoeden vergroten. Hierbij hoort ook het (leren) accepteren van de jeugdhulpvraag of beperking door ouders.
- •
Er wordt rekening gehouden met de context. Dit betekent dat het gezinssysteem onderdeel is van de beoordeling van de hulpvraag en er naar de omgeving van de ouders en jeugdige wordt gekeken.
Ouders zijn zelf verantwoordelijk voor de inzet van algemeen beschikbare en voorliggende voorzieningen die bijdragen aan een positieve ontwikkeling van kinderen. Dit geldt ook voor kinderen met een jeugdhulpvraag.
- •
De Jeugdwet is bedoeld om de ontwikkeling van kinderen te bevorderen waar deze in gevaar komt en niet voor de bevordering van de algemene ontwikkeling die elke jeugdige doormaakt. Dit geldt ook voor jeugdigen waarbij de ontwikkelingsleeftijd kan variëren door een aandoening of stoornis.
- •
Begeleiding wordt ondersteunend aan of volgend op een behandeling ingezet. De behandelcomponent kan onderdeel zijn van de begeleiding. Uitzondering hierop zijn hulpvragen waarvoor geen behandeling mogelijk is.
De ontwikkelingsleeftijd van kinderen is verbonden aan bepaalde opgaven in de opvoeding. Er wordt een onderscheid gemaakt in ‘normale’ problemen die behoren bij de levensfase en ernstige problemen die zich niet volgens deze levensfasen ontwikkelen.
2.2 Eigen verantwoordelijkheid en probleemoplossend vermogen
Uitgangspunt is dat ouders allereerst zelf verantwoordelijk zijn voor de hulp en ondersteuning aan hun kind(eren), ook wanneer door een beperking of stoornis meer nodig is dan gemiddeld.
Van ouders wordt verwacht dat zij in ieder geval zelf de benodigde ondersteuning bieden die horen bij de opvoedingsopgaven en/of normale uitdagingen zoals omschreven door het Nederlands Jeugdinstituut in de uitgave ‘Opgroeien en opvoeden’.1
Jeugdhulp is alleen mogelijk wanneer ouders niet alle hulp en ondersteuning kunnen bieden en het netwerk en andere voorzieningen onvoldoende helpen om de hulpvraag te beantwoorden.
Indien ouders niet alle hulp en ondersteuning zelf kunnen bieden, wordt onderzocht in hoeverre zij wel meer zouden kunnen doen wanneer zij nieuwe vaardigheden leren, eigen problematiek aanpakken of werk anders inrichten.
2.2.1 Vergroten eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen
Wanneer het ouders niet lukt om alle hulp zelf te bieden, wordt eerst gekeken wat hiervan de oorzaak is. Er kan sprake zijn van (dreigende) overbelasting (niet samenhangend met de zorg aan het kind) door werk, door gebrek aan vaardigheden, door eigen problematiek, etc.
Hierin wordt in ieder geval verwacht van ouders dat zij de oorzaak van deze (dreigende) overbelasting aanpakken en waar mogelijk en/of nodig;
- •
Zorgverlof en andere soorten verlof inzetten
- •
Werktijden en aantal werkuren per week aanpassen
- •
Trainingen of cursussen volgen om opvoedvaardigheden, in relatie tot de problematiek, te vergroten
- •
Gebruik maken van opvangmogelijkheden van de Wet kinderopvang
- •
Hun sociale netwerk inzetten en proberen te vergroten indien van toepassing. De inzet van een netwerkconferentie kan hierbij een hulpmiddel zijn
- •
Hun kind voltijds onderwijs laten volgen
- •
Werken aan het verminderen van eigen problematiek door gebruik te maken van algemene voorzieningen, preventief aanbod of voorzieningen uit de Wmo, en/of zorgverzekeringswet of andere wetten en voorzieningen.
Als de oorzaak van de hulpvraag is gelegen in problematiek bij de ouder, bijv. vanwege lichamelijke handicap, psychosociale problematiek, financiële problematiek of een echtscheiding, dan hoort de ondersteuning van de ouder onder andere wetgeving of algemene voorzieningen, ook als de jeugdige een beperking of hulpvraag heeft.
Op het moment dat ouders aangeven overbelast te zijn, of wanneer er op basis van het onderzoek twijfel is over de draagkracht en belastbaarheid van ouders, wordt de belastbaarheid gemeten via een gevalideerd instrument, of wordt een deskundige geraadpleegd die in staat is om de belastbaarheid te beoordelen (onafhankelijk medisch advies). Voorbeelden van gevalideerde meetinstrumenten zijn: OBVL (opvoedbelasting vragenlijst), CSI (Caregiver Strain Index), EDIZ (Ervaren Druk Informele Zorg), etc.
Het wordt niet van ouders verwacht dat zij alle zorg en ondersteuning bieden wanneer een jeugdige aangewezen is op 24 uur toezicht en hulp, maar (nog) geen aanspraak kan maken op de Wlz.
2.2.2 Hulp bij overbelasting
Wanneer de ondersteuning van een jeugdige leidt tot aantoonbare overbelasting kan het noodzakelijk zijn om (tijdelijk) hulp in te zetten ter ontlasting van ouders om ervoor te zorgen dat ze de overige zorg volhouden. Hulp bij overbelasting kan worden ingezet door thuis tijdelijk de mantelzorgtaken voor het kind over te nemen of door de jeugdige tijdelijk een logeerplek aan te bieden. Voor de inzet van hulp bij overbelasting wordt in eerste instantie een beroep gedaan op het sociale netwerk waarbij de inzet van een netwerkconferentie een hulpmiddel kan zijn. Er hoeft dus niet altijd een individuele voorziening ingezet te worden.
Voor hulp bij overbelasting geldt dat er een verband moet zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de zorg die de ouder aan de jeugdige biedt. Als er een individuele voorziening nodig is voor hulp bij overbelasting wordt de duur bepaald door de aard, omvang van de benodigde hulp, het perspectief van de jeugdige en de aanwezige mogelijkheden om de eigen kracht te vergroten.
2.3 Gezinsproblematiek
Bij ouder-/ gezinsproblematiek geldt:
- •
Voor de problematiek van de ouders, bijvoorbeeld bij verslaving, GGZ of een conflictscheiding, wordt hulp vanuit de Zvw ingezet (GGZ), vanuit rechtsbijstand (bijv. bij mediation) of vanuit een algemene voorziening en niet vanuit de Jeugdwet.
- •
Om de hulp die wordt aangeboden vanuit de Jeugdwet effectief te laten zijn wordt de problematiek van de ouders en het gezinssysteem in samenhang behandeld.
- •
Als de jeugdhulpvraag samenhangt met ouderproblematiek is het een voorwaarde om het jeugdhulptraject in te zetten dat ook de ouder-/ systeemproblematiek wordt behandeld. Uitzondering hierop is als de veiligheid van de jeugdige in het geding komt.
- •
De jeugdhulpaanbieder heeft de verantwoordelijkheid om bij ouder-/ gezinsproblematiek het lokale team of de huisarts te betrekken (met toestemming van de jeugdige en ouders), zodat de juiste hulp kan worden ingezet.
2.4 Vervoer
Wanneer een jeugdige is aangewezen op jeugdhulp zorgen de ouders van de jeugdige in beginsel voor het vervoer van en naar de jeugdhulpaanbieder. Hierbij wordt ook gekeken naar de mogelijkheden van de jeugdige om zelfstandig of onder begeleiding met het openbaar vervoer te reizen of om te fietsen. Het kan voorkomen dat de jeugdige, zijn/haar ouders en hun netwerk hier niet voor kunnen zorgen.
In het geval dat er sprake is van een medische noodzaak of een beperking van de zelfredzaamheid van de jeugdige, zoals beschreven in artikel 3.11 van de verordening, kan een vervoersvoorziening worden toegekend.
In de volgende gevallen is het zelfstandig of begeleid reizen in ieder geval niet mogelijk:
- •
Bij het ontbreken van een verbinding met openbaar vervoer;
- •
Bij een reistijd van meer dan anderhalf uur voor een enkele reis tussen de woning en de jeugdhulplocatie.
2.4.1 Pgb voor vervoer
Het is niet mogelijk om een pgb te krijgen voor formeel vervoer. Voor begeleiding door ouders of anderen uit het sociale netwerk tijdens het vervoer kan wel een pgb worden verstrekt, wanneer de ouder de enige mogelijke begeleider is (namelijk als door de hulpvraag van de jeugdige de begeleiding tijdens het vervoer niet door anderen dan de ouders gedaan kan worden) en het vervoer anders niet kan plaatsvinden. In andere situaties, zoals vervoer door ouders (informeel vervoer), wordt geen pgb toegekend.
2.5 18-/18+
Op grond van de Jeugdwet wordt ondersteuning geboden aan jeugdigen totdat zij de leeftijd van 18 jaar bereiken. Hierdoor is de overgang van 17 naar 18 jaar een cruciale tijd. Om tijdig te acteren op de overgang naar volwassenheid is een toekomstplan nodig. Hierin wordt opgenomen:
- •
netwerkontwikkeling (‘support’)
- •
wonen
- •
werk en school
- •
inkomen en schulden
- •
hulp en ondersteuning.
Het toekomstplan wordt opgesteld voor jeugdigen vanaf 16 jaar waarbij de verwachting is dat extra ondersteuning ook na het 18e jaar nog nodig is. Meestal kan deze ondersteuning worden geboden vanuit de Zorgverzekeringswet, de Wmo of de Wlz. Van de betrokken jeugdhulpaanbieder wordt verwacht vanaf 16 jaar het initiatief te nemen voor een toekomstplan. In sommige gevallen is het nodig dat de ondersteuning van de jeugdige vanuit de jeugdwet doorloopt na de 18e verjaardag (verlengde jeugdhulp).
De Jeugdwet biedt de mogelijkheid om jeugdhulp te verlengen tot maximaal 23 jaar. In de volgende situaties is verlengde jeugdhulp mogelijk:
- •
Jeugdigen die in een pleeggezin of gezinshuis verblijven. Als de jeugdige het wil kan het verblijf verlengd worden tot de leeftijd van 21 vervolgens is er een mogelijkheid om te verlengen tot de leeftijd van 23
- •
Er is sprake van Jeugdhulp in het kader van een strafrechtelijke beslissing of jeugdreclassering, dan kan het verlengd worden tot het einde van de maatregel.
- •
Voortzetting van de hulp die een jeugdige voor de 18e verjaardag ontving is noodzakelijk en er kan geen vergelijkbare hulp op grond van een andere wet worden verleend.
De eerste twee bovenstaande situaties is de wet duidelijk over. De derde situatie behoeft een afwegingskader wat betreft de noodzakelijkheid. Voor de noodzakelijkheid van verlengde jeugdhulp gelden onderstaande uitgangspunten:
- •
Verlengde jeugdhulp kan enkel toegepast worden wanneer de hulp niet onder een andere wet (Zvw, Wlz, Wmo 2015 etc.) valt.
- •
In samenspraak met de jeugdhulpaanbieder neemt de lokale toegang de beslissing over de inzet van verlengde jeugdhulp, inclusief de duur van de verlenging.
- •
De hulp wordt ingezet, of er wordt bepaald dat hulp wordt ingezet, vóór de 18e verjaardag. Echter, één uitzondering is mogelijk: verlengde jeugdhulp kan ingezet worden wanneer er binnen en half jaar na de 18e verjaardag wordt geconstateerd dat hulp die voor de 18e verjaardag is beëindigd toch nodig blijkt te zijn.
Voor verblijf (behalve pleegzorg en gezinshuis) geldt dat verlengde jeugdhulp alleen ingezet kan worden wanneer er sprake is van een behandelcomponent.
2.5.1 Verzoek tot verlengde jeugdhulp via jeugdhulpaanbieder
De jeugdige of diens ouders doen een verzoek voor verlengde jeugdhulp bij de gemeente en kunnen zich hierbij desgewenst laten ondersteunen door de betrokken jeugdhulpaanbieder of GI. Deze instanties kunnen niet zelf verwijzen of een verlenging bij de gemeente aanvragen. De gemeente beoordeelt de noodzaak tot verlengde jeugdhulp.
Hoofdstuk 3 Proces
De Jeugdprofessional van de gemeentelijke toegang die betrokken is bij een jeugdhulpaanvraag en/of betrokken blijft tijdens het jeugdhulptraject, voert procesregie. Via procesregie houdt de Jeugdprofessional bijvoorbeeld zicht op de Awb termijnen en de rechtmatigheid van de jeugdhulp en organiseert in samenspraak met de betrokkenen wat nodig is voor de besluitvorming en toewijzing van de jeugdhulp.
3.1 Sturen op Jeugdhulp (SOJ) en coördinatie van zorg
Voor goede jeugdhulp is het belangrijk dat betrokken partijen weten wie het aanspreekpunt is en wie er regie heeft. Ook is hiermee de afstemming tussen verschillende domeinen gewaarborgd. Afspraken hierover worden vastgelegd in het perspectiefplan. Na toewijzing van jeugdhulp wordt een onderscheid gemaakt tussen sturen op Jeugdhulp vanuit de gemeente en coördinatie van zorg vanuit de jeugdhulpaanbieder.
De hulpvraag start bij het gezin, en is daarmee regiehouder van deze (vastgestelde) hulpvraag. Nadat via de gemeente is bepaald of en welke jeugdhulp nodig is blijft het gezin eigenaar van de hulpvraag en de gekozen oplossingsrichting. Dit vormt het uitgangspunt van vrijwillige hulpverlening. Vanaf 16 jaar is de jeugdige zelf eigenaar van de hulpvraag. Het gaat hierbij dus ook over de beoogde resultaten van de jeugdhulp zoals opgenomen in het perspectiefplan. Waar nodig wordt het gezin door de Jeugdprofessional van de gemeente ondersteund bij het voeren van deze regie; dit wordt Sturen op Jeugdhulp genoemd (SOJ). In dat geval sluit de Jeugdprofessional na de start van de jeugdhulp niet af, maar blijft procesregie voeren. Procesregie is gericht op het wat. Dus welke jeugdhulp voor wat nodig is.
De Jeugdprofessional bepaalt in afstemming met de betrokkenen actief wanneer en op welk gebied (nog) procesregie nodig is. Dit kan via deelname aan de evaluatie(s), bij onverwachte wendingen tijdens het hulptraject kan tussentijds overleg met betrokkenen nodig zijn. Deze vorm van regie gaat over de hulpvraag en de beoogde resultaten van de jeugdhulp, zoals opgenomen in het perspectief- of gezinsplan. De duur en intensiteit van procesregie hangt af van het regievermogen van het gezin, de complexiteit van de hulpvraag en/of de benodigde jeugdhulp. Veiligheid kan hierbij een belangrijk criterium zijn.
De coördinatie van zorg gaat over de te verlenen jeugdhulp en het behalen van de doelen, zoals opgenomen in het behandelplan, de planning (volgtijdelijkheid van de hulp) en de uitvoering. De coördinatie van zorg is extra belangrijk op het moment dat er meerdere partijen werken aan de beoogde resultaten. Dan moet duidelijk zijn wie er verantwoordelijk is voor de coördinatie van zorg. Deze vorm van regie ligt bij de jeugdhulpaanbieder. Als er meerdere jeugdhulpaanbieders betrokken zijn, stemmen deze onderling af wie de coördinatie van zorg heeft. De coördinatie van zorg gaat over het ‘hoe’, dus de wijze waarop de jeugdhulp wordt uitgevoerd en op elkaar afgestemd.
3.2 Sociaal Team
Als er op meerdere levensgebieden een ondersteuningsvraag is, kan voor regievoering het Sociaal Team betrokken worden. Dit is een multidisciplinair team waarvan de professional regie kunnen voeren bij complexe meervoudige problematiek waarbij het huishouden (tijdelijk) geen regie kan voeren op hun leven/situatie. Het betrekken van het Sociaal Team gebeurt na toestemming van de ouders en jeugdige. Een professional kan hiervoor een aanmelding doen. Regievoering door het Sociaal Team noemen we casusregie.
Hoofdstuk 4 Algemene en voorliggende voorzieningen
Een algemene of voorliggende voorziening is een voorziening waar een jeugdige/ouder een beroep op kan doen, zodat er geen of in mindere mate een beroep hoeft te worden gedaan op ondersteuning vanuit de Jeugdwet. Ook de Wet langdurige zorg, de Zorgverzekeringswet, de Wet Passend Onderwijs, de Participatiewet en de Wmo zijn voorliggend op de Jeugdwet.
4.1 Preventief aanbod
Preventief Jeugdaanbod is aanbod waarvan scholen, kinderopvangorganisaties, ouders/verzorgers en leerlingen zonder verwijzing gebruik kunnen maken. Het aanbod is vrij toegankelijk en gratis. Een overzicht van het aanbod voor jeugd en gezin is te vinden op de website van de gemeente. Deze organisaties kunnen hulp bieden en vragen beantwoorden over financiën, gezondheid, opvoeden, relaties, sporten of taalontwikkeling.
4.2 Vrijetijdsbesteding en sportactiviteiten
Activiteiten die gericht zijn op hobby’s, sport en recreatie vallen niet onder de Jeugdwet. Zo is bijvoorbeeld het volgen van (aangepaste) zwemles, ook wanneer het kind een beperking heeft, geen vorm van jeugdhulp. Indien ouders deze activiteiten niet kunnen betalen, kunnen zij terecht bij bijvoorbeeld de minimaregeling voor kinderen (‘kindregeling’). Voor de eventuele aanvullende ondersteuning die nodig is in verband met de opvoed- of opgroeiproblematiek van jeugdige, geldt, op basis van artikel 3.2 uit de Verordening Jeugdhulp 2025, dat van ouders wordt verwacht dat zij deze zelf bieden, of dat zij hiervoor hun netwerk gebruiken.
Jeugdhulp voor de aanvullende ondersteuning kan pas worden ingezet wanneer de noodzaak is vastgesteld van de aanvullende begeleiding en er geen andere voorliggende oplossing beschikbaar is.
4.3 Participatiewet (Minimabeleid)
Er zijn verschillende regelingen die mensen met weinig geld op weg kunnen helpen. Deze regelingen zijn uitgewerkt in de Beleidsregels Bijzondere Bijstand en Minimaregeling. Als inkomen een probleem is om mee te kunnen doen in de samenleving zijn deze regelingen voorliggend op de Jeugdwet.
4.4 Wet langdurige zorg
De Wet langdurige zorg (hierna: Wlz) regelt langdurige zorg voor mensen met een intensieve en blijvende zorgbehoefte en is voorliggend op de Jeugdwet. Dit betekent dat wanneer iemand toegang heeft tot deze wet, de benodigde zorg en ondersteuning ook vanuit deze wet betaald wordt.
Er wordt geen voorziening vanuit de Jeugdwet ingezet:
- •
Als er recht bestaat op zorg op grond van de Wlz.
- •
Als jeugdige en ouders weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een indicatiebesluit voor de Wlz, terwijl het aannemelijk is dat de jeugdige deze zou kunnen krijgen.
Soms wordt tegelijkertijd vanuit de Wlz en Jeugdwet zorg ingezet. Dit is het geval bij GGZ-behandeling of pleegzorg.
Waar nodig wordt in afwachting van het besluit vanuit de Wlz, jeugdhulp geboden tot het moment dat er een indicatie WLZ is afgegeven.
Zie meer informatie in Bijlage 1 onder REF _Ref211496115 \h Jeugdwet en WLZ.
4.5 Zorgverzekeringswet
Net als de Wlz is de Zorgverzekeringswet voorliggend op de Jeugdwet. De Zorgverzekeringswet wordt uitgevoerd door zorgverzekeraars en regelt medische zorg die gericht is op genezing en behandeling, thuisverpleging/wijkverpleging en kortdurende GGZ.
Voor de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) geldt dat:
- •
Alle verzorging die samenhangt met geneeskundige zorg of een hoog risico daarop valt onder de Zvw. Dus, ook de verzorging van kinderen die noodzakelijk is door een gezondheidsprobleem of verpleegkundige verzorging in de eigen omgeving.
- •
Een afgesloten aanvullende zorgverzekering is voorliggend op de Jeugdwet.
- •
Voor verzorging geldt:
- °
Begeleidende of ondersteunende verzorging is Jeugdwet.
- °
Geneeskundige verzorging en verpleging is Zorgverzekeringswet. Het accent bij deze zorgverlening ligt op de medische zorg.
- °
Palliatief terminale zorg is Zorgverzekeringswet.
- °
- •
Voor gespecialiseerde behandeling geldt:
- °
Bij een verstandelijke beperking valt behandeling onder de Jeugdwet.
- °
Bij een lichamelijke ziekte of lichamelijke beperking valt behandeling meestal onder de Zorgverzekeringswet.
- °
Bij een zintuiglijke handicap valt de behandeling onder de Zorgverzekeringswet.
- °
Bij psychiatrische problemen valt behandeling onder de Jeugdwet.
- °
- •
Het is mogelijk dat jeugdigen tegelijkertijd hulp ontvangen vanuit de Jeugdwet en de Zvw.
- •
Indien de jeugdige problemen ervaart als gevolg van ouderproblematiek, kan naast hulp aan de jeugdige vanuit de Jeugdwet, ook hulp ingezet voor de ouders vanuit de Zvw (bijvoorbeeld in geval van GGZ of verslavingsproblematiek).
Zie voor meer informatie Bijlage 1 Jeugdwet en zorgverzekering.
4.6 Wet Passend Onderwijs
De Wet passend onderwijs is in Nederland ingevoerd om ervoor te zorgen dat alle kinderen een passende plek in het onderwijs krijgen, ook als zij extra ondersteuning nodig hebben. Deze wet geldt voor het primair en voortgezet onderwijs. De zorgplicht van scholen houdt in dat scholen verantwoordelijk zijn voor het bieden van een passende onderwijsplek aan elke leerling, ook als die extra ondersteuning nodig heeft. Deze verplichting geldt zowel voor leerlingen die al op school zitten als voor nieuw aangemelde leerlingen.
Specialistische jeugdhulp tijdens het onderwijs is in sommige gevallen noodzakelijk om te zorgen dat jeugdigen onderwijs kunnen volgen. Doel is om te zorgen dat kinderen en jongeren een ononderbroken schoolloopbaan te bieden.
De Wet Passend Onderwijs en de Jeugdwet zijn complementair. Dit betekent dat ze elkaar aanvullen en versterken. Problematiek bij jeugdigen raakt vaak beide domeinen, waardoor er sprake is van samenwerking tussen de twee domeinen. Als in deze beleidsregels en bijlage 1 gesproken wordt over passend onderwijs dan worden hier zowel de samenwerkingsverbanden, als de scholen zelf mee bedoeld. In het onderwijs worden verschillende vormen van ondersteuning geboden, variërend van ondersteuning waar alle leerlingen behoefte aan hebben tot extra ondersteuning voor specifieke leerlingen.
Het onderwijs biedt de noodzakelijke ondersteuning die een jeugdige nodig heeft om het onderwijsprogramma te doorlopen. Het gaat dan om ondersteuning die gericht is op het volgen van het onderwijs en op het verder helpen van de leerling in zijn/haar onderwijsontwikkeling.
Zie voor meer informatie Bijlage 1 Jeugdwet en passend onderwijs.
4.7 Wmo
De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) is in principe geen voorliggende voorziening voor de Jeugdwet, tenzij er sprake is van een aanvraag voor verlengde jeugdhulp. Er zijn wel een aantal voorzieningen die vanuit de Wmo toegekend kunnen worden aan jeugdigen zoals (mobiliteits-)hulpmiddelen of woonaanpassingen. Daarnaast zijn er enkele Wmo voorzieningen die niet expliciet voor jeugdigen zijn bedoeld maar wel raakvlakken hebben met de Jeugdwet. Bijvoorbeeld, ondersteuning in het huishouden wanneer ouders een ondersteuningsvraag hebben op het gebied van opvoeden. Deze ondersteuning kan dan ingezet worden in het kader van respijtzorg.
Hoofdstuk 5 Het persoonsgebonden budget
Op basis van de Jeugdwet kan een individuele voorziening worden ingezet in de vorm van door de gemeente gecontracteerd aanbod (zorg in natura) of een persoonsgebonden budget (Pgb). Een besluit voor een Pgb wordt genomen met behulp van het pgb-plan. De aanvrager die een Pgb wilt, wordt gevraagd dit in te vullen als is vastgesteld dat jeugdhulp nodig is. Het pgb-plan is hiermee een aanvulling op het perspectiefplan. Om voor een Pgb in aanmerking te komen, moet worden voldaan het motiveringsvereiste en de gestelde kwaliteitscriteria. Zie hiervoor onder andere artikel 8.1.1 van de Jeugdwet en artikel 3.12 t/m 3.14 van de verordening.
5.1 Motiveren Pgb
De formulering van het eerste lid van artikel 8.1.1 van de Jeugdwet geeft aan dat het uitgangspunt is dat de jeugdige en zijn ouders een voorziening ‘in natura’ krijgen. Ouders en jeugdigen die een Pgb wensen te ontvangen moeten dit motiveren. De motivering is samen met de bekwaamheid en kwaliteit onderdeel van het budgetplan. Voor de motivering geldt dat:
- •
Uit de motivering moet blijken dat de ouders en jeugdige zich voldoende hebben georiënteerd op de voorziening in natura. Dit kan blijken uit het gesprek met de jeugdige en ouders en de gemandateerd professional waarin de Pgb aanvraag wordt besproken.
- •
Gemotiveerd moet worden waarom het aanbod in natura niet passend is.
- •
Voorbeelden van een motivering zijn:
- °
Jeugdhulp die op ongebruikelijke tijden of op veel korte momenten per dag geboden moet worden;
- °
Jeugdhulp die op verschillende locaties moet worden geleverd;
- °
Het is noodzakelijk om 24 uur jeugdhulp op afroep te organiseren.
- °
5.2 Kwaliteitscriteria Pgb
De keuze voor een Pgb brengt ook verantwoordelijkheden met zich mee. Het gaat dan onder meer om het aansturen van de hulp (regievoering) en het beheer van het budget. De budgetbeheerder moet voldoen aan een aantal kwaliteitscriteria om in aanmerking te komen voor een Pgb.
5.2.1 Bekwaamheid budgetbeheerder
De jeugdige en/of ouders moeten in staat zijn het Pgb te beheren. Het beheer kenmerkt zich door het voeren van regie. Dit houdt in dat de beheerder beschikt over de volgende vaardigheden:
- •
Een goed overzicht van de eigen situatie houden. De budgetbeheerder weet welke zorg nodig is en kan deze beschrijven.
- •
Weten welke regels er horen bij een Pgb of weten waar deze te vinden zijn. Het helpt als de budgetbeheerder digitaal vaardig is.
- •
Een overzichtelijke Pgb-administratie bijhouden. Onderdeel hiervan is dat de budgetbeheerder weet welk deel van het Pgb uitgegeven is. Een overzichtelijke Pgb-administratie is niet alleen belangrijk voor de beheerder, maar de administratie kan ook nodig zijn als de gemeente daarom vraagt.
- •
Communiceren met de gemeente, zorgverzekeraar of zorgkantoor, de SVB en zorgverleners. De beheerder moet zelfstandig en zelfverzekerd kunnen communiceren met andere partijen. Als er iets verandert, moet de beheerder dat zelf aangeven. Uit de verantwoordelijkheid vloeit ook voort dat de budgetbeheerder verantwoordelijk is voor het tijdig aanvragen van verlengingen, wijzigingen of de overgang naar andere wetgeving. De budgetbeheerder is bijvoorbeeld verantwoordelijk om tijdig actie te ondernemen op het moment dat de hulp nog nodig is na het 18e levensjaar.
- •
Zelfstandig handelen en zelf voor zorgverleners kiezen. De budgetbeheerder moet zelf zorgverleners uitzoeken en afspraken maken over de zorg die ze gaan geven. Onderdeel hiervan zijn het uurtarief en de ureninzet.
- •
Zelf afspraken maken en deze afspraken bijhouden. De budgetbeheerder moet tussendoor controleren of alles volgens afspraak verloopt. Ook moet de beheerder kunnen laten zien dat de zorg wordt ingekocht waarvoor het budget is ontvangen.
- •
Beoordelen of de zorg uit het Pgb passend is en of de kwaliteit van de zorg in orde is. Als de zorg niet goed is, kan de budgetbeheerder uitleggen waarom. Als de zorg niet volgens afspraak verloopt, moet de beheerder zelf kunnen ingrijpen.
- •
Zelf de zorg regelen met 1 of meer zorgverleners en zorg dragen voor de kwaliteit en continuïteit (bijvoorbeeld bij ziekte van de zorgverlener).
- •
Zorgverleners aansturen en aanspreken. De beheerder is de werkgever/opdrachtgever van de zorgverlener.
- •
De beheerder weet wat te doen als werkgever/opdrachtgever van een zorgverlener. Het is niet erg als de beheerder sommige regels over hoe een werkgever/opdrachtgever moet handelen niet kent, maar de beheerder moet de informatie daarover wel zelf kunnen vinden.
Als de jeugdige en/of ouders zelf niet beschikken over de benodigde vaardigheden om het Pgb te beheren, kan in een aantal situaties toch een Pgb worden verstrekt, zie artikel 6 van de nadere regels. Zo kan bijvoorbeeld iemand uit het netwerk of een wettelijk vertegenwoordiger deze rol op zich nemen. Daarbij zijn naast de hierboven genoemde vereisten ook de volgende criteria van belang:
- •
Er mag geen sprake zijn van een onwenselijke vermenging van rollen, daarmee wordt bedoeld dat het beheer en de uitvoering van het Pgb door dezelfde persoon worden gedaan. Slechts in uitzonderingssituaties is het toegestaan dat het beheer van het Pgb en het uitvoeren van de ondersteuning door één en dezelfde persoon wordt gedaan. De uitzondering is alleen van toepassing bij een informeel Pgb voor de inzet van ouders, voor professionele organisaties is deze uitzondering niet mogelijk. Er moet worden gemotiveerd waarom het niet mogelijk is om deze rollen te scheiden.
Criteria waarin aan de dubbelrol in ieder geval getoetst wordt zijn:
- °
Er is geen andere budgetbeheerder beschikbaar.
- °
Een andere zorgverlener is geen optie.
- °
De kwaliteit van de zorg is gewaarborgd.
- °
- •
Bewindvoerders zijn wettelijk vertegenwoordigers die kunnen ondersteunen bij met name de financiële en administratieve kant van het Pgb. Als de budgethouder wil dat zijn bewindvoerder het volledige budgetbeheer (dus naast de financiële ook de zorginhoudelijke kant) op zich neemt en de bewindvoerder daarmee akkoord gaat, dan zijn daartegen geen bezwaren. Het is echter geen eis dat een cliënt met een bewindvoerder het volledige budgetbeheer aan zijn bewindvoerder laat. Uit de Jeugdwet volgt dat gedeeltelijke vertegenwoordiging mogelijk moet kunnen zijn.
- •
Mentoren zijn wettelijk vertegenwoordigers die taken en beslissingen met betrekking tot verzorging, behandeling, begeleiding en verpleging en dus niet-vermogensrechtelijke handelingen overnemen van betrokkenen. Ook wanneer er sprake is van een Pgb. De mentor vervult geen financiële en administratieve rol. Daarom is een mentor alleen toegestaan als budgetbeheerder als deze aangeeft betrokken te willen zijn bij de financiële en administratieve kanten van de zorg.
5.3 Kwaliteit aanbieder
De derde eis uit de Jeugdwet om voor een pgb in aanmerking te komen is dat naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouders van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is.
Voor de kwaliteitscriteria van aanbieders wordt een onderscheid gemaakt in formele en informele aanbieders.
Formele aanbieders worden naast hetgeen bepaald in de verordening, getoetst op de criteria zoals opgenomen in de aanbesteding jeugdhulp. Hier is ook altijd de norm van verantwoorde werktoedeling van toepassing zoals opgenomen in het Kwaliteitskader Jeugd.
Voor informele aanbieders geldt dat, naast hetgeen bepaald in de verordening, het volgende:
De informele aanbieder:
- •
moet beschikbaar zijn. Werk, vrijetijdsbesteding of verplichtingen mogen het leveren van de zorg niet belemmeren;
- •
werkt conform de Arbeidstijdenwet. Het leveren van de zorg mag er niet toe leiden dat de zorgverlener overbelast raakt, omdat dit negatieve gevolgen heeft voor de kwaliteit van de hulp. Er wordt getoetst aan het criterium van overbelasting, waarbij het uitgangspunt is dat het pgb niet wordt toegekend boven de Arbeidstijdenwet.
Daarnaast mag de relatie tussen de informele aanbieder en jeugdige de kwaliteit van de geboden hulp niet in de weg staan. Informeel netwerk kan een jeugdige geen activerende begeleiding bieden. Dit laatste is immers onderdeel van de reguliere opvoeding door ouders. Het gaat dan om het aanleren van gedrag, sociale vaardigheden van algemene dagelijkse levensverrichtingen. Als hierin ondersteuning nodig is, door een opvoed- of opgroei-problematiek wordt dit geboden door een professional en niet door het informele netwerk. Een informeel pgb wordt niet ingezet om de (opvoed)vaardigheden van ouders te compenseren.
5.4 Terugvorderen van een pgb
Een pgb wordt toegekend aan de budgethouder. Die is daarmee ook verantwoordelijk en aansprakelijk hiervoor. Bij jeugdhulp is de jeugdige, en dus niet de budgetbeheerder, vaak de budgethouder.
In een aantal gevallen kan het pgb worden teruggevorderd, zoals opgenomen in de verordening. Om een pgb terug te kunnen vorderen moet deze eerst zijn beëindigd omdat er onjuiste en/of onvolledige gegevens zijn verstrekt (Jeugdwet 8.1.4 lid 1).
Gelet op de verantwoordelijkheid van de budgethouder wordt eerst gekeken of er sprake is van verwijtbaar handelen door de budgethouder. Van verwijtbaar handelen is in ieder geval sprake bij opzet of nalatigheid. In deze gevallen kan het pgb worden teruggevorderd.
Het kan ook aan de zorgverlener (inclusief ouder(s)) te wijten zijn dat het pgb niet juist wordt ingezet.
Budgethouders kunnen hiervoor niet altijd verantwoordelijk gehouden worden. Om toch op te kunnen treden in deze gevallen geldt het zogenaamde derdenbeding. De gemeente kan dan de zorgverlener rechtstreeks aansprakelijk stellen (vorderen) om het pgb terug te betalen. Dit derdenbeding moet opgenomen zijn in de zorgovereenkomst tussen de budgethouder en zorgverlener. Het handelen van de zorgverlener kan hem niet worden toegerekend als sprake is van overmacht. Er is sprake van overmacht als het handelen niet zijn schuld is.
Om het derdenbeding te waarborgen wordt een zorgovereenkomst niet goedgekeurd als dit beding niet is opgenomen.
Hoofdstuk 6 Slotbepaling
6.1 Inwerkingtreding en intrekkingsbesluit
- 1.
Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking.
- 2.
De regeling ‘Beleidsregels Jeugdhulp Gemeente Amstelveen 2022’ wordt ingetrokken op de dag van inwerkingtreding van deze regeling.
Aldus vastgesteld in de vergadering van 27 januari 2026.
De secretaris,
Bert Winthorst
De voorzitter,
Tjapko Poppens
Bijlage 1 Afbakening met andere wetten
In deze bijlage staat meer informatie over de afbakening tussen de Jeugdwet en andere wetten.
Jeugdwet en WLZ
De Jeugdwet en de Wlz verschillen op de volgende punten:
- •
De Jeugdwet biedt zorg en ondersteuning aan de jeugdige zelf, maar ook aan het systeem van de jeugdige. De Wlz gaat niet uit van een herstelgedachte ten opzichte van de Jeugdwet.
- •
De Wlz is bedoeld om jeugdigen met een blijvende beperking zorg te bieden. Om toegang te krijgen tot een Wlz-voorziening worden twee toetsingscriteria gehanteerd: ontwikkelperspectief en 24-uurs zorg.
- •
Omdat de Jeugdwet een leeftijdsrestrictie bevat, is er per definitie sprake van tijdelijke zorg. Anders dan de Jeugdwet biedt de Wlz levenslange en levensbrede zorg.
De toegangscriteria voor Wlz zijn opgenomen in de Wlz en beleidsregels indicatiestelling Wlz. Kort gezegd komen de toegangscriteria voor de Wlz op het onderstaande neer:
|
Blijvende zorgbehoefte |
Er wordt nagegaan of er nog mogelijkheden zijn voor verbetering van de situatie, zodat de zorgbehoefte (nog) niet blijvend is. Of de zorgbehoefte blijvend is wordt vastgesteld aan de hand van het ontwikkelingsperspectief van de jeugdige. |
|
24/7 zorg |
Deze kan bestaan uit: - permanent toezicht ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel voor de jeugdige, of - 24 uur per dag zorg in de nabijheid, omdat iemand zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen en om ernstig nadeel voor zichzelf te voorkomen. |
|
Gebruikelijke hulp |
Toegang tot de Wlz wordt verschaft wanneer er substantieel meer zorg nodig is dan gebruikelijk. Deze afweging staat verder toegelicht in de beleidsregels indicatiestelling Wlz van het CIZ. Grofweg gaat het om onderstaande uitgangspunten: 0-3 jarigen: 24 uur per dag zorg in nabijheid, volledige overname zelfzorg, voortdurende begeleiding en toezicht. 3-5 jarigen: overdag voortdurend begeleiding, toezicht en overname van zelfzorg nodig, ’s nachts soms nodig. 5-8 jarigen: overdag voortdurend begeleiding, toezicht op afstand, steeds zelfstandiger. Vanaf 8 jaar is geen 24 uur per dag zorg in nabijheid nodig. |
Wanneer een jeugdige een Wlz-indicatie heeft, blijft de behandeling van een psychische stoornis onder de Jeugdwet vallen. Uitzondering is wanneer de jeugdige verblijf en behandeling van dezelfde instelling ontvangt en de behandeling van de psychische stoornis niet los is te zien van de Wlz behandeling. Alleen in dat geval valt de behandeling van de psychische stoornis onder de Wlz.
Bij verblijf zonder behandeling, volledig pakket thuis, modulair pakket thuis en persoonsgebonden budget valt de behandeling van de psychische stoornis onder de Jeugdwet.
Onderstaand is opgenomen in welke gevallen de zorg onder de Wlz valt en in welke gevallen zorg onder de Jeugdwet valt.
|
24 uur zorg |
|
|
WLZ |
Jeugdwet |
|
Een jeugdige krijgt te maken met de Wlz wanneer het duidelijk is dat hij of zij blijvend is aangewezen op permanent toezicht of 24 uurszorg in de nabijheid. Vaak is deze duidelijkheid er pas na het vijfde levensjaar. Dit is echter geen harde grens. De zorgbehoefte en het ontwikkelpotentieel van de jeugdige staan altijd voorop. Zoals hierboven vermeld, valt de behandeling van een psychische stoornis of een psychiatrische aandoening in principe onder de Jeugdwet, tenzij de jeugdige zowel verblijf als behandeling krijgt in dezelfde Wlz-instelling en de behandeling van de psychische stoornis niet los valt te zien van de Wlz-behandeling. Alleen in deze gevallen valt ook de behandeling van de psychische stoornis of psychiatrische aandoening onder de Wlz. |
Wanneer er intensieve zorg nodig is, met blijvend permanent toezicht en 24 uurszorg in de nabijheid vanwege een psychische stoornis of een psychiatrische aandoening, dan behoort deze tot het 18e jaar tot de Jeugdwet. |
|
Respijtzorg |
|
|
WLZ |
Jeugdwet |
|
Wanneer logeeropvang wordt geboden als respijtzorg wordt deze vergoed vanuit de Wlz. Dit geldt alleen voor thuiswonende jeugdigen met een Wlz-indicatie. |
Alle overige respijtzorg (voor jeugdigen zonder Wlz-indicatie) valt onder de Jeugdwet. |
|
Behandeling |
|
|
WLZ |
Jeugdwet |
|
De behandeling van een jeugdige die door een verstandelijke of lichamelijke handicap of een somatische aandoening of beperking blijvend is aangewezen op permanent toezicht of 24 uurszorg in de nabijheid, valt onder de Wlz. Zoals hierboven vermeld, valt de behandeling van een psychische stoornis of een psychiatrische aandoening in principe onder de Jeugdwet, tenzij de jeugdige zowel verblijf als behandeling krijgt in dezelfde Wlz-instelling en de behandeling van de psychische stoornis niet los valt te zien van de Wlz-behandeling. Alleen in deze gevallen valt ook de behandeling van de psychische stoornis of psychiatrische aandoening onder de Wlz. |
De GGZ-behandeling van een jeugdige die is toegelaten tot de Wlz valt onder de Jeugdwet wanneer sprake is van verblijf zonder behandeling, of wanneer de behandeling voor een psychische stoornis wordt geleverd in de vorm van vpt (volledig pakket thuis), mpt (modulair pakket thuis) of pgb (persoonsgebonden budget) |
|
Kinderdienstencentra (KDC) |
|
|
WLZ |
Jeugdwet |
|
Een jeugdige die door een verstandelijke of lichamelijke handicap of een somatische aandoening of beperking blijvend is aangewezen op permanent toezicht of 24 uurszorg in de nabijheid, valt onder de Wlz. |
Als een jeugdige niet voldoet aan de toelatingscriteria van de Wlz, dan wordt jeugdhulp ingezet. Vanaf een leeftijd van 4 jaar hebben jeugdigen recht op onderwijs. De jeugdige neemt dan deel aan onderwijs en niet langer aan een KDC. Behoudens het geval dat er geen school is die de leerling kan toelaten. |
Ga terug naar beleidsregels 4.4 Wet langdurige zorg
Jeugdwet en zorgverzekering
Het kan voorkomen dat er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan bepaalde problematiek, zonder dat precies duidelijk is welke oorzaak de hoofdoorzaak is. Dit kan het geval zijn bij bijvoorbeeld een eetstoornis. Wanneer de hoofdoorzaak somatisch (lichamelijk) is, valt de benodigde zorg onder de Zvw. Als de hoofdoorzaak psychisch is, dan valt de benodigde zorg onder de Jeugdwet en is de gemeente verantwoordelijk.
Wanneer niet bepaald kan worden wat de hoofdoorzaak van de problematiek is, is de gemeente verantwoordelijk voor het treffen van de benodigde voorziening. Om een totaalbeeld te krijgen van de zorgbehoefte van het gezin, wordt een integraal zorgplan opgesteld.
In de volgende tabellen wordt schematisch weergegeven wanneer bepaalde problematiek onder de zorgverzekeringswet of jeugdwet valt:
|
Eetstoornis |
|
|
Zorgverzekeringswet |
Jeugdwet |
|
De geneeskundige zorg, inclusief de verpleging van een jeugdige die noodzakelijk is door een eetstoornis valt onder de Zvw. Het kan zo zijn dat een somatisch en psychisch behandeltraject naast elkaar lopen. In deze gevallen komt de behandeling van de somatische problematiek ten laste van de zorgverzekeraar. Begeleiding door een diëtiste, ook als onderdeel van een bredere behandeling waarvan het psychische deel onder de Jeugdwet valt, valt altijd onder de zorgverzekeringswet. |
De diagnose en behandeling van een psychische stoornis valt onder de Jeugdwet. |
|
Auditieve en visuele beperkingen |
|
|
Zorgverzekeringswet |
Jeugdwet |
|
De zorg en behandeling van auditieve en visuele beperkingen valt altijd onder de Zvw. Onder de Zvw vallen ook de psychische klachten die kunnen volgen uit een auditieve of visuele beperking. Een hulphond valt ook onder de Zvw, wanneer deze als hulpmiddel dient. Dit is het geval wanneer de hulphond ondersteunend is aan de algemene dagelijkse levensverrichtingen. |
Zorg die betrekking heeft op het vergroten van de zelfredzaamheid en het ondersteunen van de maatschappelijke participatie valt onder de Jeugdwet. Het gaat hier om de niet-medische component. |
|
Lichamelijke problemen |
|
|
Zorgverzekeringswet |
Jeugdwet |
|
De diagnose en behandeling van medische problematiek valt onder de Zvw. Hieronder valt ook de behandeling van Somatisch Onvoldoende verklaarde Lichamelijke Klachten (SOLK). Jeugdigen die behoefte hebben aan 24 uurszorg in de nabijheid of permanent toezicht, door complexe somatische problematiek of een lichamelijke handicap waardoor geneeskundige of verpleegkundige zorg noodzakelijk is, vallen onder de Zvw. Zij hebben geen toegang tot de Wlz. Onder de Zvw vallen ook; het medische kinderdagverblijf (verpleging) palliatieve terminale zorg en de hospice. Alle zorg die samenhangt met geneeskundige zorg of een hoog risico daarop, valt ook onder de Zvw. Zoals hierboven al aangegeven is ook een aanvullende zorgverzekering voorliggend op de jeugdwet. Dit houdt in dat alle behandelingen en therapieën die vallen onder de dekking van een aanvullende zorgverzekering, ook vergoed moeten worden vanuit deze verzekering. |
Begeleiding en persoonlijke verzorging bij algemene dagelijkse levensverrichtingen vallen onder de Jeugdwet. Ook de diagnose en behandeling van klachten die duiden op een psychische stoornis vallen onder de Jeugdwet. Onder de Jeugdwet valt ook het medische kinderdagverblijf (verzorging). NB. als er sprake is van een Wlz-indicatie valt het medische kinderdagverblijf (verzorging) onder de Wlz. |
|
Vaktherapie |
|
|
Zorgverzekeringswet |
Jeugdwet |
|
Zoals hierboven al aangegeven is ook een afgesloten aanvullende zorgverzekering voorliggend op de Jeugdwet. Dit houdt in dat alle behandelingen en therapieën die vallen onder de dekking van een aanvullende zorgverzekering, ook vergoed moeten worden vanuit deze verzekering. Een voorbeeld is speltherapie. |
Wanneer een jeugdige niet aanvullend verzekerd is, wordt vaktherapie vergoed vanuit de Jeugdwet. In enkele gevallen kan de Wet Passend Onderwijs voorliggend zijn voor het bieden van vaktherapie. Dan moet het doel van de vaktherapie op het volgen van onderwijs gericht zijn. |
|
Psychische en psychosociale problematiek |
|
|
Zorgverzekeringswet |
Jeugdwet |
|
Wanneer een jeugdige met psychische klachten naar de huisarts gaat en de (praktijkondersteuner van de) huisarts deze klachten voldoende kan behandelen, dan is dit huisartsenzorg die valt onder de Zvw. Psychiatrische diagnostiek door een kinderarts valt onder de Zvw. Dit geldt ook wanneer een jeugdige wordt doorverwezen naar een kinderarts met somatische klachten, zoals hoofdpijn of buikpijn, waar uiteindelijk een psychische oorzaak aan ten grondslag blijkt te liggen. De diagnostiek wordt dan ook beschouwd als onderdeel van de behandeling van de somatische problematiek en wordt dus vergoed door de Zvw. De psychofarmaca die een kinder- of jeugdpsychiater voorschrijft, worden versterkt vanuit de Zvw |
Als de jeugdige is aangewezen op meer specialistische zorg en begeleiding dan die de (praktijkondersteuner van de) huisarts kan bieden, dan valt de geestelijke gezondheidszorg aan jeugdigen tot 18 jaar onder de Jeugdwet. Zowel de begeleiding als de psychiatrische behandeling van de jeugdige zijn hiermee de verantwoordelijkheid van de gemeente. Ook medicatiecontrole valt onder de Jeugdwet. Op het moment dat er alleen nog sprake is van medicatiecontrole, is het mogelijk dat deze taak overgedragen wordt aan de huisarts. Dit gebeurt altijd conform de richtlijnen van de landelijke huisartsenvereniging (LHV). |
Ga terug naar beleidsregels 4.5 Zorgverzekeringswet.
Jeugdwet en passend onderwijs
Binnen het wettelijk kader, blijven er grijze gebieden tussen de Jeugdwet en de Wet Passend Onderwijs, waarin maatwerk moet worden geboden. Onderstaande uitgangspunten zijn hierbij helpend.
Vrijstelling
Bij een aanvraag voor jeugdhulp voor een jeugdige die (tijdelijk) niet naar school gaat, moet er sprake zijn van vrijstelling of de aanvraag hiervoor loopt. Zonder vrijstelling, of zonder dat deze in aanvraag is, is er sprake van ongeoorloofd verzuim. Het is dan in de eerste plaats belangrijk dat leerplicht betrokken is/wordt om met ouders in gesprek te gaan over het weer volgen van onderwijs en wat daarvoor nodig is. Indien nodig of gewenst kan de jeugdprofessional van de gemeente, met toestemming van ouders, hierbij aansluiten om mee te denken. De jeugdprofessional van de gemeente beoordeelt in hoeverre de jeugdige jeugdhulp nodig heeft omdat de oorzaak van het niet (volledig) kunnen volgen van onderwijs komt door specifieke problematiek die onder de jeugdwet valt. Voor dat deel wordt jeugdhulp ingezet.
Wanneer een jeugdige nog wel voor een deel naar school kan, maar niet het hele onderwijsprogramma kan meedoen, kan school bij de inspectie vragen om instemming voor afwijking van de onderwijstijd.
Wanneer de inspectie hier toestemming voor geeft, kan school de jeugdige een aangepast onderwijsprogramma aanbieden en is het geoorloofd dat de jeugdige minder uren onderwijs per week krijgt aangeboden.
Als sprake is van een vrijstelling van geregeld schoolbezoek (tijdelijke vrijstelling) dan blijft de leerling ingeschreven op school. De school waar de leerling staat ingeschreven, is verantwoordelijk om hem, waar en zodra mogelijk, een zo goed mogelijke plek in het onderwijs aan te bieden (maatwerkonderwijs op grond van de zorgplicht). De school stelt, in overleg met de ouders, een ontwikkelingsperspectiefplan voor de leerling op. Het is dan ook mogelijk om bijvoorbeeld dagbesteding in te zetten als tijdelijke vervanging van het onderwijs. School kan gepast onderwijs aanbieden op de locatie van de dagbesteding. Hiermee werkt de leerling aan het behalen van leerdoelen. Bij een tijdelijke vrijstelling in verband met problematiek die onder de Jeugdwet valt, is het van belang om te onderzoeken of er ook jeugdhulp nodig is om deze problematiek te verminderen en terugkeer naar onderwijs mogelijk te maken.
Als er een vrijstelling van inschrijving is (reguliere vrijstelling), heeft de school geen zorgplicht meer. Het is dan aan de gemeente om zorg te dragen voor een passende daginvulling voor de jeugdige als dit nodig is om aan de doelen van de Jeugdwet te voldoen (artikel 2.3 Jeugdwet). Daarvoor doet de gemeente eerst zelf nog onderzoek naar de problematiek van de jeugdige en de passende hulp hierbij.
Huiswerkbegeleiding
Zoals bovenstaand is genoemd, moeten scholen zorgen voor begeleiding bij leerproblemen.
Huiswerkbegeleiding is dan ook geen vorm van jeugdhulp, omdat huiswerkbegeleiding primair is gericht op het leerproces.
In de Jeugdwet wordt jeugdhulp omschreven als ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen (en hun ouders) bij opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen.
Huiswerkbegeleiding valt niet onder deze omschrijving, omdat huiswerkbegeleiding gericht is op het doorlopen van het onderwijsprogramma.
Als de hulpvraag is gericht op het aanbrengen van structuur in het dagelijks leven kan deze wel onder de Jeugdwet vallen, alleen kan huiswerkbegeleiding nog steeds geen onderdeel zijn van die bredere begeleiding. Voor dat deel is school verantwoordelijk en wanneer ouders meer willen bieden aan hun kind dan wat school redelijkerwijs biedt, zijn ouders hier zelf voor verantwoordelijk om te organiseren of te betalen (o.a. zelf bieden, huiswerkbegeleiding in een buurthuis, vrijwilliger, etc.)
Particulier onderwijs
Het bieden van passend onderwijs voor iedere leerling is een wettelijke taak van scholen en samenwerkingsverbanden. Particuliere scholen vallen niet onder de Wet Passend Onderwijs en zijn zelf verantwoordelijk voor het bieden van de juiste ondersteuning aan hun leerlingen. De gemeente speelt hier geen rol in. De gemeente is wel verantwoordelijk voor het bieden van jeugdhulp aan leerlingen die op een particuliere school zitten. De ondersteuning is dan niet gericht om deelname aan het onderwijs mogelijk te maken, maar is gericht op ondersteuning die samenhangt met opvoed- en opgroeiproblematiek.
Dyslexie
Scholen zijn verantwoordelijk voor het bieden van lees- en spellingonderwijs. Ook de ondersteuning die hierbij nodig kan zijn maakt onderdeel uit van de basisondersteuning die iedere school moet geven. Hierbij wordt gewerkt met de Protocollen Leesproblemen en Dyslexie voor het basisonderwijs.
De gemeente is verantwoordelijk voor de diagnostiek en behandeling van Ernstige Dyslexie (ED). Het gaat hierbij om jeugdigen in het basisonderwijs. De behandeling kan in het voortgezet onderwijs doorlopen op voorwaarde dat de behandeling is gestart in het basisonderwijs.
Bij ED is er geen sprake van verdere problematiek die het dyslexie-onderzoek of de behandeling kan belemmeren. Voordat een jeugdige kan starten met een onderzoek of behandeling van ED, moet een bijkomende stoornis niet langer belemmerend zijn. Dit wordt bepaald door de behandelend arts of behandelaar.
Onderstaand is het onderscheid tussen de verantwoordelijkheden van scholen en de gemeente m.b.t. dyslexie weergegeven:
|
Passend Onderwijs |
Jeugdwet |
|
Signalering en begeleiding/ondersteuning Fysieke hulpmiddelen |
Diagnose en behandeling van ernstige dyslexie voor leerlingen in het basisonderwijs. |
Specifieke leerbehoeften
Het beleid dat gericht is op passend onderwijs is bedoeld voor leerlingen met specifieke leerbehoeften. Hieronder vallen ook leerlingen met dyslexie, dyscalculie, faalangst, autisme, ADHD of hoogbegaafdheid. Het bieden van passend onderwijs aan deze leerlingen is een taak van de school en het samenwerkingsverband.
Naast de specifieke leerbehoeften kan er sprake zijn van andere ondersteuningsbehoeften waarvoor wel jeugdhulp kan worden ingezet. Samenwerking tussen gemeente en samenwerkingsverbanden is hierbij het uitgangspunt.
|
Intelligentieonderzoek |
|
|
Passend Onderwijs |
Jeugdwet |
|
Intelligentieonderzoek wanneer dit nodig is voor het geven van onderwijs aan de jeugdige. Het gaat hierbij om onderzoek naar laag- of hoogbegaafdheid of een verwijzing naar het speciaal (basis)onderwijs. |
Intelligentieonderzoek wanneer het onderdeel is van een diagnostisch proces in het kader van jeugdhulp. In dit geval moet er een vermoeden zijn dat er meer aan de hand is dan enkel laag- of hoogbegaafdheid. Het verzoek voor een intelligentieonderzoek mag geen los verzoek zijn. |
Ontwikkelperspectiefplan
In het ontwikkelperspectiefplan (OPP) wordt beschreven welke concrete doelen er gerealiseerd moeten worden met de jeugdige om het onderwijs voort te zetten. De school stelt het OPP op, samen met de ouders van de leerling.
|
Passend Onderwijs |
Jeugdwet |
|
Wanneer een leerling extra ondersteuning nodig heeft, naast de ondersteuning die de school standaard volgens het School Ondersteuningsprofiel (SOP) kan bieden moet er binnen zes weken na plaatsing in het SBO, SO of VSO een OPP opgesteld zijn. Dit geldt ook voor leerlingen met een grotere ondersteuningsbehoefte in het regulier onderwijs. |
Uit het OPP kan blijken dat er extra ondersteuning nodig is op school, vanuit de Jeugdwet. |
|
Het OPP wordt opgesteld in samenspraak met de ouders van de leerling. Ouders moeten instemmen op het handelingsdeel van het OPP. |
Het OPP en het Perspectiefplan worden op elkaar afgestemd. |
Stagebegeleiding
Voor de bepaling van stage lopen is het uitstroomprofiel van de leerling van belang. Dit is opgenomen in het OPP.
De uitstroomprofielen zijn:
- •
arbeidsmarktgericht uitstroomprofiel;
- •
vervolgonderwijs;
- •
dagbestedings-uitstroomprofiel.
|
Passend Onderwijs |
Jeugdwet |
|
Bij een stage moet er een stagecontract worden gesloten tussen de stageplaats, school en leerling. Bij een arbeidsmarktgericht uitstroomprofiel valt de noodzakelijke begeleiding onder ‘het aanleren van vaardigheden of gedrag’ en daarvoor is de school verantwoordelijk. Wanneer er extra begeleiding nodig is, is de leerling (nog) niet klaar voor een arbeidsmarktgerichte stage. |
Bij een dagbestedings-uitstroomprofiel geldt het stage lopen niet als officiële stage, maar als voorbereiding op dagbesteding en dus deelname aan een zorgprogramma. Dit soort stages vallen onder de Jeugdwet of de Wlz. Zoals gesteld onder 4.3 is de Wlz voorliggend op de Jeugdwet. De bedoeling van dit soort ‘stages’ is om jeugdige en/of ouders alvast kennis te laten maken met het dagbestedingscentrum. Het gaat hierbij om een gewenningsfase van maximaal zes maanden voordat de jeugdige de school verlaat. |
Ondersteuning binnen school aan leerlingen met een ondersteuningsbehoefte
|
Passend Onderwijs |
Jeugdwet |
|
Onderwijsondersteuning aan jeugdigen met een (vermoeden van) ondersteuningsbehoefte, bijvoorbeeld door ADHD of ASS. |
Een behandeling door bijv. een kinderpsychiater, kinderarts, orthopedagoog of GZ-psycholoog valt onder de Jeugdwet. |
|
Bij een leerling waarbij het vermoeden bestaat dat er sprake is van ADHD of ASS (niet limitatief), moet de school passende ondersteuning bieden. |
Een onderzoek om het behandelplan voor Jeugdhulp te bepalen, valt onder de Jeugdwet. |
|
Mogelijk extra inzet/ondersteuningsmiddelen vanuit het samenwerkingsverband. |
Diagnostiek en behandeling vallen binnen Jeugd-GGZ. |
Individuele begeleiding op school in de klas
In de basis geldt:
|
Passend Onderwijs |
Jeugdwet |
|
Extra didactische en pedagogische ondersteuning die nodig is om onderwijsdoelen te bereiken. Dit kan ook betekenen dat er op sommige momenten 1-op-1 begeleiding nodig is en dat deze nog steeds binnen het passend onderwijs valt. Deze begeleiding kan ook nodig zijn in verband met gedragsproblematiek of psychische problemen of stoornissen. Het gaat om het doel van de begeleiding of deze onder passend onderwijs valt of onder de jeugdwet. |
De gemeente is verantwoordelijk voor de bekostiging van begeleiding op school, gericht op doelen die vallen onder de Jeugdwet. Het gaat hier om jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblematiek, psychische problemen en psychische stoornissen, waarbij de ervaren problemen en beperkingen ook buiten het onderwijs spelen. |
|
Evt. met extra inzet/ondersteuning vanuit het samenwerkingsverband. |
- •
de problematiek zich ook voordoet buiten het onderwijs;
- •
er specialistische inzet nodig is om aan vooraf gestelde doelen te werken door of onder de verantwoordelijkheid van een SKJ-geregistreerde jeugdhulpverlener;
- •
de veiligheid van de jeugdige of zijn omgeving in het geding is.
Van een school mag niet verwacht worden dat deze structureel individuele begeleiding biedt aan een jeugdige.
Begeleiding tijdens de pauze en andere vrije momenten binnen het onderwijs
Als het gedrag van een jeugdige de omgang met andere leerlingen bemoeilijkt, kan individuele begeleiding vanuit de Jeugdwet worden ingezet. Dit kan aan de orde zijn bij bijvoorbeeld een jeugdige met een beperking die meer dan gebruikelijk toezicht en/of aansturing nodig heeft in ‘vrije situaties’, zoals buitenspelen of gymles.
Bij dit soort lessen/activiteiten is er een minder strakke structuur en is er sprake van een ander soort (leer)omgeving. Dit kan van invloed zijn op het gedrag van jeugdigen met een hulpvraag.
Uitgangspunt is dat het leren voor iedereen doorgang kan vinden. Onderstaand is dit verder toegelicht:
|
Passend Onderwijs |
Jeugdwet |
|
Basisscholen houden toezicht tijdens kleine pauzes. Bij lange lunchpauzes (of tussenschoolse opvang) zijn de ouders verantwoordelijk voor het overblijven van de leerlingen. In het geval van een continue-rooster spreken we van een korte lunchpauze. Hierbij zijn scholen verantwoordelijk voor het houden van toezicht. |
Wanneer er extra toezicht nodig is tijdens ‘vrije situaties’ dat niet direct betrekking heeft op het leerproces van de jeugdige, is de gemeente hiervoor verantwoordelijk. Extra toezicht kan worden ingezet als gedragsproblemen van de jeugdige de omgang met andere leerlingen bemoeilijkt. Voor de veiligheid van de jeugdige of de andere jeugdigen, tijdens vrije lessen of activiteiten die niet direct zijn gericht op het leerproces van de jeugdige zoals het speelkwartier, het lopen naar de gymlessen, etc. De problematiek moet ook buiten het onderwijs spelen. |
Verpleging of persoonlijke verzorging op school
De middelen die beschikbaar zijn voor extra ondersteuning in het (speciaal) onderwijs zijn in eerste instantie bedoeld voor onderwijsondersteuning, niet voor zorg. Om het bieden van zorg vanuit een onderwijsinstelling mogelijk te maken, moet deze gekoppeld zijn aan onderwijsactiviteiten.
Deze zorg wordt dan (deels) gefinancierd vanuit de Wet Passend Onderwijs, zoals in onderstaande tabel verder is uitgewerkt. Voor dit deel van de persoonlijke verzorging is de Wet Passend Onderwijs voorliggend op de Jeugdwet.
Wanneer een leerling naast de bovengenoemde zorg meer verpleging of persoonlijke verzorging nodig heeft, kan deze geboden worden door de zorgverzekeraar of gemeente. Verpleging is altijd de verantwoordelijkheid van de zorgverzekeraar.
Tabel: aftrek aantal minuten zorg per week, per grondslag, voor de functie PV
|
Grondslag |
Leeftijd schoolgaan kind |
PV in minuten per week |
|
Lichamelijke beperking |
Tot 12 jaar |
241 |
|
Vanaf 12 jaar |
176 |
|
|
Somatische aandoening of beperking |
Tot 12 jaar |
98 |
|
Vanaf 12 jaar |
0 |
|
|
Verstandelijke beperking |
Tot 12 jaar |
50 |
|
Vanaf 12 jaar |
30 |
|
|
Verstandelijke én lichamelijke beperking |
Tot 12 jaar |
185 |
|
Vanaf 12 jaar |
189 |
* Het onderwijs is verantwoordelijk voor het aantal minuten dat in deze tabel genoemd staat.
Buitenschoolse opvang
Voor buitenschoolse opvang gelden de volgende uitgangspunten:
- •
Buitenschoolse opvang is geen taak van het onderwijs, maar van ouders.
- •
Reguliere en specialistische (BSO+) naschoolse opvang is geen vorm van Jeugdhulp.
Wanneer de jeugdige tijdens de naschoolse opvang extra begeleiding nodig heeft, buiten wat BSO+ kan bieden, kan deze begeleiding onder de Jeugdwet vallen. De begeleiding wordt noodzakelijk geacht wanneer deze verband houdt met opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen en hierdoor niet past binnen de doelgroep van de reguliere naschoolse opvang. De BSO+ voorzieningen in de regio zijn hieraan voorliggend.
Ga terug naar beleidsregels 4.6 Wet Passend Onderwijs.
Ondertekening
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl