Verordening op de uitgangspunten voor het financieel beleid, alsmede voor het financieel beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie van de gemeente De Wolden 2025

Geldend van 12-02-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2025

Intitulé

Verordening op de uitgangspunten voor het financieel beleid, alsmede voor het financieel beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie van de gemeente De Wolden 2025

De raad van de gemeente DE WOLDEN;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders;

gelet op artikel 212 van de Gemeentewet;

besluit vast te stellen de volgende verordening:

Verordening op de uitgangspunten voor het financieel beleid, alsmede voor het financieel beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie van de gemeente De Wolden 2025

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a. Administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, het functioneren en het beheersen van (onderdelen van) de organisatie van de gemeente De Wolden en ten behoeve van de verantwoording die daarover moet worden afgelegd;

  • b. Administratieve organisatie: Het stelsel van organisatorische maatregelen gericht op het tot stand brengen en het in stand houden van de goede werking van de bestuurlijke en ambtelijke informatieverzorging ten behoeve van de verantwoordelijke leiding;

  • c. Begroting: begroting of programmabegroting zoals bedoeld in artikel 189 van de Gemeentewet;

  • d. Beheer van de vermogenswaarden: het uitoefenen van bestuur over en toezicht op het geheel van gemeentelijke middelen en rechten;

  • e. Beleidsdoel: een politiek relevant onderdeel van een programma;

  • f. Eenheid: iedere organisatorische eenheid binnen de gemeentelijke organisatie;

  • g. College: het college van burgemeester en wethouders;

  • h. Investeringsproject: een project voor de verwerving of vervaardiging van een goed, waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt, niet zijnde een grondexploitatie;

  • i. Jaarstukken: de in artikel 197 van de Gemeentewet bedoelde jaarrekening en jaarverslag;

  • j. Primitieve begroting: De primitieve begroting is de begroting zoals die is vastgesteld door de gemeenteraad voorafgaand aan het begrotingsjaar. Dit is niet hetzelfde als het boekwerk waarover de gemeenteraad heeft besloten. In de primitieve begroting zijn ook verwerkt begrotingswijzigingen waarover de gemeenteraad separaat heeft besloten, tussen het moment van het opstellen van de begroting en 1januari van het begrotingsjaar en amendementen die de raad heeft aangenomen bij de besluitvorming over de begroting;

  • k. Programma: onderdeel van de programmabegroting bestaande uit een samenhangend geheel van activiteiten om beoogde maatschappelijke doelen te bereiken én waarin doelstellingen en middelen worden gekoppeld;

  • l. Rechtmatigheid in het kader van de accountantscontrole: het in overeenstemming zijn van de financiële beheershandelingen en de vastlegging daarvan met de begroting en de relevante weten regelgeving, zoals omschreven in het Besluit accountantscontrole decentrale overheden;

  • m. Verbonden partij: een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke organisatie waarin de gemeente een bestuurlijk én een financieel belang heeft;

  • n. Verplichting: door opdrachtverstrekking, schriftelijk of mondeling, ontstaat voor de gemeente de plicht tot betaling aan een derde;

  • o. Rechtmatigheidsverantwoording: de rapportage van burgemeester en wethouders waarbij aangegeven wordt in welke mate de totstandkoming van de financiële beheers handelingen en de vastlegging daarvan overeenstemmen met de relevante wet- en regelgeving;

  • p. Overheidsbedrijf: onderneming met privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid, waarin de gemeente, al dan niet tezamen met een of meer andere publiekrechtelijke rechtspersonen, in staat is het beleid te bepalen of een onderneming in de vorm van een personenvennootschap, waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon deelneemt.

Hoofdstuk 2 Begroting en verantwoording

Artikel 2 Programma-indeling

  • 1. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode een programma-indeling voor die raadsperiode vast.

  • 2. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode op voorstel van het college de taakvelden per programma vast. De onderverdeling van de programma's in taakvelden staat voor de raadsperiode vast, tenzij er dringende redenen zijn tot het wijzigen daarvan. Wijzigingen worden bij de begroting expliciet gemeld.

  • 3. De raad stelt op voorstel van het college per programma de beleidsindicatoren vast. Het voorstel van het college bevat ten minste de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

  • 4. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode vast over welke onderwerpen hij in extra paragrafen naast de verplichte paragrafen van de begroting en de jaarstukken kaders wil stellen en wil worden geïnformeerd.

  • 5. De aanpassingen die voortvloeien uit de leden één tot en met vier worden verwerkt in de eerst volgende door de raad vast te stellen programmabegroting.

Artikel 3 Inrichting begroting en jaarstukken

  • 1. Bij de begroting en de jaarstukken worden bij elk van de programma’s, de baten en lasten per taakveld weergegeven.

  • 2. Bij de programma’s in de begroting wordt van de nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringskrediet weergegeven.

  • 3. Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt in aanvulling op het bepaalde in de artikelen 20 en artikel 21 van het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten inzicht gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de begroting, de meerjarenraming, de investeringen en de grondexploitatie.

  • 4. In de jaarstukken wordt van de investeringen de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten en de actuele raming van de totale uitgaven en inkomsten weergegeven.

  • 5. In het overzicht van de geraamde incidentele baten en lasten per programma worden posten vanaf € 25.000 afzonderlijk gespecificeerd.

Artikel 4 Kaders begroting

Het college biedt vóór 15 mei aan de raad een nota aan met een voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de begroting voor het volgende begrotingsjaar en een meerjarenraming.

De raad stelt deze nota vóór 31 juli vast.

Artikel 5 Autorisatie begroting en investeringskredieten

  • 1. De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten per programma.

  • 2. Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad aan van welke nieuwe investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. De overige nieuwe investeringen worden bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van de financiële positie geautoriseerd.

  • 3. Voor een investering waarvan het investeringskrediet niet met het vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt het college voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel met een voorstel voor het vaststellen van een investeringskrediet aan de raad voor.

  • 4. Bij de behandeling van de tussenrapportages in de raad bedoeld in artikel 6 doet het college voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde baten en lasten, het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten en het bijstellen van het beleid. In geval van investeringen met een meerjarig karakter doet het college indien nodig ook bij iedere begroting op grond van geactualiseerde ramingenvoorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten.

  • 5. Het college is bevoegd de voorbereidingskosten bij bouwgrondexploitatie te activeren.

Artikel 6 Tussentijdse rapportage

  • 1. Het college informeert de raad minimaal één keer per jaar en maximaal twee keer per jaar over de realisatie van de begroting van de gemeente gedurende het lopende boekjaar.

  • 2. De inrichting van de tussentijdse rapportage sluit aan bij de programma-indeling van de begroting.

  • 3. De rapportage gaat in op afwijkingen, zowel wat betreft de baten en de lasten, de kwalitatieve en kwantitatieve doelstellingen en als daar aanleiding voor is, de maatschappelijke effecten als mede overige politiek relevante onderwerpen. Daarnaast wordt ingegaan op de raming en realisatie van de investeringskredieten.

  • 4. In de tussenrapportage worden afwijkingen op de oorspronkelijke ramingen van de baten en lasten en investeringskredieten in de begroting groter dan € 25.000 toegelicht.

Artikel 7 Jaarstukken

  • 1. Het college legt verantwoording af over de uitvoering van de programma's. In de verantwoording geeft het college aan:

    • a.

      Wat is bereikt;

    • b.

      Welke goederen en diensten zijn geleverd;

    • c.

      Wat de kosten zijn;

    • d.

      Hoe de resultaten zich verhouden tot de in de begroting gestelde doelen.

  • 2. De raad bepaalt aan de hand van de uitvoering van de programma's of de beleidsdoelen van de programma's voor het lopende jaar bijstelling behoeven.

  • 3. Gelijktijdig met het aanbieden van de jaarstukken biedt het college de raad het voorstel aan over de bestemming van het jaarrekeningresultaat.

  • 4. Vooruitlopend op het bestemmingsvoorstel over het jaarrekeningresultaat kan het college de raad voorstellen om restantmiddelen op onderdelen van het rekeningresultaat over te hevelen naar het volgende begrotingsjaar.

Artikel 8 EMU-saldo

Als het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting.

Artikel 9 Informatieplicht

Het college besluit niet over de aan- en verkoop van werken, diensten en goederen indien deze niet passen binnen het bestaande beleid en de daarbij behorende financiële kaders, dan nadat de raad is geïnformeerd over het voornemen en hiertoe in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen.

Hoofdstuk 3. Rechtmatigheidsverantwoording

Artikel 10 Verantwoordings- en rapportagegrens rechtmatigheidsverantwoording

  • 1. De raad stelt (bij aanvang van iedere bestuursperiode) vast op welke wijze zij door middel van de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de jaarstukken, naast de verplichte onderdelen van deze paragraaf, wil worden geïnformeerd over rechtmatigheid.

  • 2. In de rechtmatigheidsverantwoording bij de jaarstukken rapporteert het college aan de raad over afwijkingen met een verantwoordingsgrens van 2% van de totale lasten van de gemeente, exclusief dotaties aan de reserves.

  • 3. In de paragraaf bedrijfsvoering worden de geconstateerde afwijkingen (fouten of onduidelijkheden) groter dan € 50.000 nader toegelicht.

Artikel 11 Voorwaardencriterium

  • 1. Het voorwaardencriterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op de eisen die worden gesteld bij de uitvoering van de financiële beheershandelingen. De eisen/voorwaarden zijn afkomstig uit diverse wet- en regelgeving en hebben betrekking op aspecten als doelgroep, termijn, grondslag, administratieve bepalingen, normbedragen, bevoegdheden, bewijsstukken, recht, hoogte en duur.

  • 2. Het college biedt de raad jaarlijks uiterlijk op 15 november ter vaststelling een normenkaderrechtmatigheid aan. Dit kader bestaat uit alle relevante (interne) wet- en regelgeving waaruit financiële beheershandelingen kunnen voortvloeien.

Artikel 12 Begrotingscriterium

  • 1. Het begrotingscriterium is een criterium van rechtmatigheid dat betrekking heeft op de grenzen van de baten en lasten in de door de raad geautoriseerde begroting van exploitatie en investeringskredieten en de hiermee samenhangende programma’s, waarbinnen de financiële beheershandelingen tot stand moeten zijn gekomen.

  • 2. De begrotingsrechtmatigheid wordt beoordeeld op het niveau waarop de begroting door de raad is geautoriseerd, zoals is opgenomen in artikel 5.

  • 3. Bij investeringsprojecten wordt de begrotingsrechtmatigheid beoordeeld op het niveau van het totaal gevoteerde kredietbedrag. Een overschrijding van het jaarbudget, passend binnen het totaalbedrag van het krediet, wordt daarmee als rechtmatig beschouwd.

Artikel 13 Omgang begrotingsonrechtmatigheden

  • 1. Uitgangspunt is dat iedere overschrijding op de lasten en/of investeringen van de begroting als onrechtmatig wordt beschouwd. Afwijkingen worden als acceptabel aangemerkt in de volgende situaties:

    • a.

      Begrotingsafwijkingen die passen binnen het vastgestelde beleid van de raad;

    • b.

      Er is sprake van een overschrijding waarbij direct gerelateerde inkomsten de overschrijding compenseren;

    • c.

      Er is sprake van een overschrijding op een open-einde regeling;

    • d.

      Begrotingsafwijkingen waarover de raad via een raadsvoorstel, raadsinformatiebrief, een tussentijdse rapportage of op andere wijze gedurende het jaar is geïnformeerd;

    • e.

      Begrotingsafwijkingen als gevolg van interpretatieverschillen bij de uitleg van wet- en regelgeving en die zijn geconstateerd tijdens en na het verantwoordingsjaar;

    • f.

      Begrotingsafwijkingen als gevolg van een onttrekking aan een bestemmingsreserve op basis van realisatie voor zover deze onttrekking daarmee voor een gelijk bedrag overeenkomst met de realisatie van de last, en de activiteit of het project nog niet is beëindigd en de resterende lasten volgen in het jaar na het verantwoordingsjaar. Is de activiteit of het project wel beëindigd en zijn de lasten definitief lager dan begroot, dan vindt de onttrekking overeenkomstig het begrote bedrag plaats en wordt de raad een voorstel gedaan tot nadere aanwending van de restant-bestemmingsreserve;

    • g.

      Begrotingsafwijkingen als gevolg van de verplichte uitgaven als bedoeld in artikel 193 gemeentewet, te weten:

      • i.

        De renten en aflossingen van de door de gemeente aangegane geldleningen en alle overige opeisbare schulden;

      • ii.

        De uitgaven die bij of krachtens de wet aan de gemeente zijn opgelegd;

      • iii.

        De uitgaven die voortvloeien uit de van het gemeentebestuur gevorderde medewerking tot uitvoering van wetten en algemene maatregelen van bestuur, voor zover die uitgaven niet ten laste van anderen zijn gebracht;

    • h.

      Begrotingsafwijkingen die passen binnen de door de raad vastgestelde totale exploitatieopzet van een grondexploitatie;

    • i.

      Begrotingsoverschrijdingen van een jaarschijf binnen een investeringsbudget, waarbij aannemelijk is dat het totaal van de uitgaven binnen een investeringsbudget blijft;

2. Uitgangspunt is dat bij onderschrijdingen van lasten per programma of investeringskredieten en/of lagere of hogere baten dan begroot dit in beginsel niet als onrechtmatig wordt beschouwd, mits deze tijdig aan de raad worden gemeld. Onder ‘tijdig melden’ wordt verstaan het melden van de afwijking via een raadsvoorstel, raadsinformatiebrief, een tussentijdse rapportage of op andere wijze gedurende het jaar of in de jaarstukken.

3. Alle begrotingsafwijkingen (ook die ingevolge lid 13.1 niet in strijd zijn met het budgetrecht van de raad) worden definitief vastgesteld door de raad bij vaststelling van de jaarstukken.

Artikel 14 Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium

  • 1. Het misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op het voorkomen, detecteren en corrigeren van misbruik en oneigenlijk gebruik van overheidsgelden en gemeentelijke eigendommen bij financiële beheershandelingen.

  • 2. Het college zorgt voor en legt vast de regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen.

Hoofdstuk 4 Financieel beleid

Artikel 15 Waardering en afschrijving vaste activa

  • 1. Het college biedt de raad eens in de vier jaar een beleidsnotitie aan over waarderen, activeren en afschrijven van vaste activa en het verlenen van investeringskredieten. De raad stelt deze notitie vast.

  • 2. De notitie behandelt ten minste:

    • a.

      De wijze waarop voorstellen voor investeringen worden aangeboden en geautoriseerd door de raad, in aanvulling op wat in deze verordening is vastgelegd;

    • b.

      De afschrijvingsmethode en afschrijvingstermijn per categorie;

    • c.

      Het moment van starten met afschrijven;

    • d.

      De componentenbenadering.

  • 3. Het college biedt de raad jaarlijks een meerjareninvesteringsplan aan als bijlage bij de begroting, waarbij inzicht wordt verschaft in de geplande investeringen en de daarmee gepaard gaande kapitaallasten voor de komende meerjarenperiode.

Artikel 16 Voorziening voor oninbare vorderingen

  • 1. Voor alle vorderingen, behalve sociaaldomein, wordt op basis van de invordering status bepaald hoe hoog de voorziening voor betreffende vordering dient te zijn. De werkwijze hiervoor is vastgelegd in door het college vastgestelde uitvoeringsregels.

  • 2. Voor de vorming van de voorziening van het sociaal domein worden ook de door het college vastgestelde uitvoeringsregels gehanteerd.

Artikel 17 Reserves en voorzieningen

  • 1. Het college biedt de raad eens in de vier jaar een beleidsnotitie aan over reserves en voorzieningen. De raad stelt deze notitie vast.

  • 2. De notitie behandelt ten minste:

    • a.

      Voorschriften voor het vormen, besteden en opheffen van reserves;

    • b.

      Voorschriften voor het vormen, besteden en opheffen van voorzieningen;

    • c.

      De soorten reserves en voorzieningen die worden onderscheiden;

  • 3. Bij een voorstel voor de instelling van een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen wordt minimaal aangegeven:

    • a.

      Het specifieke doel van de reserve;

    • b.

      De dotaties aan de reserve;

    • c.

      Het bestedingsplan van de reserve;

    • d.

      De maximale hoogte van de reserve;

    • e.

      De maximale looptijd;

  • 4. Als een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen binnen de aangegeven maximale looptijd niet heeft geleid tot een investering, valt de bestemmingsreserve vrij en wordt deze aan de algemene reserve toegevoegd.

Artikel 18 Kostprijsberekening

  • 1. Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden naast de directe kosten, de overheadkosten en de rente van de inzet van vreemd vermogen, reserves en voorzieningen voor de financiering van de in gebruik zijnde activa betrokken.

  • 2. Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa. Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid betrokken alsmede de eventueel comptabele rente boven de omslagrente.

  • 3. Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten die kunnen worden toegerekend aan activiteiten welke geheel of deels worden bekostigd met een specifieke uitkering of subsidie, binnen het taakveld overhead apart geadministreerd en in de desbetreffende verantwoordingen over de besteding toegerekend aan die activiteiten.

  • 4. Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten die kunnen worden betrokken inde aangifte vennootschapsbelasting, binnen het taakveld overhead apart geadministreerd en voor de belastingaangifte aan de kostprijs van de vennootschapsbelastingplichtige activiteiten toegerekend.

  • 5. Voor de toerekening van overhead aan de kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht wordt de volgende methode van opslag gehanteerd. Omvang van het taakveld overhead gedeeld door de omvang van alle taakvelden exclusief het taakveld overhead maal de toegerekende omvang van de van toepassing zijnde taakvelden. Op de omvang van alle taakvelden zijnde bijdrage aan de veiligheidsregio en de budgetten in het sociaal domein waar de gemeente een sluisfunctie heeft op in mindering gebracht.

  • 6. Het percentage van de omslagrente voor de toerekening van rente voor de financiering van de in gebruik zijn de activa, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld.

Artikel 19 Prijzen economische activiteiten

  • 1. Voor de levering van goederen, diensten of werken door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt ten minste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de levering van de desbetreffende goederen, diensten of werken wordt gemotiveerd.

  • 2. Bij het verstrekken van leningen of garanties door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden ten minste de geraamde integrale kosten in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een publiekbelang doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de lening of de garantie wordt gemotiveerd.

  • 3. Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden gaat het college uit van een vergoeding van ten minste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waar in het publiek belang van de kapitaalverstrekking wordt gemotiveerd.

  • 4. Raadsbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in de vorige leden zijn niet nodig als minder dan de integrale kostprijs in rekening wordt gebracht en sprake is van:

    • a.

      Leveringen van goederen, diensten of werken en het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal aan andere overheden voor zover deze leveringen en verstrekkingen zijn bedoeld voor de uitoefening van de publieke taak door die andere overheid;

    • b.

      Een bevoordeling van activiteiten in het kader van een bij wet opgedragen publiekrechtelijke taak;

    • c.

      Een bevoordeling van activiteiten in het kader van een toegekend bijzonder of uitsluitend recht waarvoor prijsvoorschriften gelden;

    • d.

      Een bevoordeling van sociale werkplaatsen;

    • e.

      Een bevoordeling van onderwijsinstellingen;

    • f.

      Een bevoordeling van publieke media-instellingen;

    • g.

      Een bevoordeling die valt onder de reikwijdte van de staatssteunregels van het Werkingsverdrag van de Europese Unie en daarmee verenigbaar is.

Artikel 20 Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen

  • 1. Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor de belastingen, de heffingen en overige leges.

  • 2. In de programmabegroting wordt in de paragraaf Lokale heffingen de methodiek voor de toerekening van overhead bij de berekening van de tarieven opgenomen.

Artikel 21 Financieringsfunctie

  • 1. Het college neemt bij het uitzetten en het aantrekken van middelen de volgende kaders in acht:

    • a.

      Voor het aantrekken van financieringen met een looptijd langer dan één jaar worden tenminste tweeprijsopgaven bij verschillende financiële instellingen gevraagd;

    • b.

      Er wordt geen gebruik gemaakt van financiële derivaten als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wetfinanciering decentrale overheden.

  • 2. Het college informeert de raad vooraf indien de wettelijke kasgeldlimiet, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet financiering decentrale overheden, of de wettelijke renterisiconorm, bedoeld in artikel 1, onder h, van de Wet financiering decentrale overheden, dreigt te worden overschreden.

  • 3. Het college neemt bij de uitvoering van de financieringsfunctie de richtlijnen in acht zoals vastgelegd in het Treasurystatuut.

  • 4. Bij het verstrekken van leningen, het verstrekken van garanties en het verstrekken van risicodragend kapitaal bedingt het college indien mogelijk zekerheden.

Artikel 22 Budgetoverhevelingen

  • 1. Het college kan de raad voorstellen om incidentele budgetten, die in een jaar nog niet (volledig) zijn besteed, over te hevelen naar het volgende begrotingsjaar. Daarbij gelden de volgende criteria/afspraken:

    • a.

      De overheveling moet betrekking hebben op incidenteel beschikbaar gestelde budgetten;

    • b.

      Door de overheveling mogen de betreffende budgetten in jaar t niet worden overschreden;

    • c.

      De voorgenomen aanwending van de budgetten in t+1 is gelijk aan de oorspronkelijk geplande besteding in jaar t. Doel en aard zijn identiek;

    • d.

      Het minimumbedrag is € 25.000;

    • e.

      Voor één activiteit wordt in principe één keer een budgetoverheveling aangevraagd, tenzij hiervoor goede argumenten (onvermijdelijkheid) zijn om hiervan af te wijken;

    • f.

      Alle verzoeken tot budgetoverheveling wordt gemotiveerd en aan de raad aangeboden in een integraal raadsvoorstel. Dit is hetzelfde raadsvoorstel waarmee de jaarstukken aan de raad wordt aangeboden’;

    • g.

      De raad beslist over het voorstel tot budgetoverheveling bij de vaststelling van de jaarstukken inclusief de verwerking van de financiële gevolgen voor het begrotingsjaar t+1.

Artikel 23 Verbonden partijen

  • 1. Het college biedt de raad eens in de vier jaar een notitie aan over de verbonden partijen. De raad stelt deze notitie vast.

  • 2. Deze notitie bevat ten minste de volgende onderwerpen:

  • 3. Een beleidskader voor de wijze waarop wordt omgegaan met oprichting;

    • a.

      Uitbreiding;

    • b.

      Beheer;

    • c.

      Uittreding;

    • d.

      Beëindiging van de verbonden partijen van de gemeente.

Artikel 24 Weerstandsvermogen en risicomanagement

  • 1. Het college biedt de raad eens in de vier jaar een notitie aan over het weerstandsvermogen en risicomanagement. De raad stelt deze notitie vast.

  • 2. Deze notitie behandelt ten minste de volgende onderwerpen:

    • a.

      Spelregels voor het bepalen en beoordelen van het weerstandsvermogen;

    • b.

      Beleid inzake de beheersing van risico’s;

    • c.

      Taken en verantwoordelijkheden inzake risicomanagement.

Artikel 25 Grondbeleid

Het college biedt de raad tenminste eens in de vier jaar een nota Grondbeleid aan. De raad stelt deze nota vast.

In deze nota worden de verschillende instrumenten voor het grondbeleid met de kaders voor de uitvoering van het grondbeleid beschreven. Zoals:

  • 1. Het doel van het gemeentelijk grondbeleid.

  • 2. Het streven naar een optimalisatie van het financiële resultaat per project.

  • 3. De vorm van grondbeleid (actief, faciliterend of passief).

  • 4. Strategische verwervingen: De raad neemt een (vertrouwelijk) besluit met begrotingswijziging over aankopen door het college, indien per transactie het aankoopbedrag hoger is dan € 750.000 of indien het verschil tussen taxatie- en aankoopwaarde meer dan € 100.000, - bedraagt.

  • 5. De kosten en opbrengsten die het verwerven, het bouw- en woonrijp maken en het uitgeven van grondmogelijk maken worden opgenomen in de grondexploitatie.

  • 6. De grondprijzen worden zoveel mogelijk marktconform, gebaseerd op de te realiseren functie, vastgesteld.

  • 7. Diverse toekomstige ontwikkelingen als de vennootschapsbelasting voor ondernemingen van overheidsorganisaties, de BBV-regels rondom grondexploitaties en de Omgevingswet.

  • 8. Het college actualiseert de grondprijzen jaarlijks in een grondprijzennotitie en stelt deze vast.

Artikel 26 Leningen Garant- en Borgstellingen

Het college biedt de raad eens in de vier jaar een beleidsnotitie aan over het beleid over Leningen, Garant en borgstellingen. De raad stelt deze notitie vast. Deze notitie bevat spelregels hoe we omgaan met verzoeken van partijen om te helpen met leenvermogen.

Artikel 27 Financiële gedragsregels

In deze notitie leggen we de financiële uitgangspunten en gedragsregels vast die een basis leggen voor een sluitende meerjarenbegroting. Deze notitie wordt periodiek geëvalueerd.

Artikel 28 Investeringen en vervangingsinvesteringen

Deze nota maakt inzichtelijk hoeveel geld de gemeente de komende 10 jaar moet reserveren voor het tijdig vervangen van deze diverse voorzieningen zoals gebouwen, wegen, speelvoorzieningen, begraafplaatsen, sportvelden etc. Daarnaast geeft de nota ook een aantal financiële uitgangspunten en kaders mee.

Artikel 29 Treasurystatuut

Het college biedt de raad eens in de vier jaar een Treasurystatuut aan. In het Treasurystatuut staan regels over het sturen en beheersen, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financiële positie. In dit document worden de uitgangspunten, doelstellingen, richtlijnen en limieten voor het treasurybeleid opgenomen.

Artikel 30 Control statuut

Het college biedt de raad eens in de vier jaar een Control statuut aan. In het Control statuut besteden we onder meer aandacht aan de positie, de bevoegdheden en de taken van de controllers alsmede een algehele visie op control en de daarbij behorende uitgangspunten. Ook besteden we aandacht aan de opzet en inrichting van het ‘Huis van Control’. Daarnaast worden ook de ontwikkelingen met betrekking tot het In Control Statement (ICS)meegenomen in het nieuw op te zetten Control-statuut.

Artikel 31 Notitie Misbruik en Oneigenlijk gebruik

Het college biedt de raad eens in de vier jaar een Notitie Misbruik en Oneigenlijk gebruik aan. In deze notitie wordt aandacht besteed aan belangrijkste risicogebieden en wordt beschreven in hoeverre ten aanzien van deze risicogebieden beleid is ontwikkeld om misbruik en/of oneigenlijk gebruik te voorkomen dan wel te bestrijden.

Hoofdstuk 5 Paragrafen

Artikel 32 Paragrafen

  • 1. Bij de begroting en de jaarstukken verstrekt het college in de betreffende paragrafen de informatie als bedoeld in de artikelen 9 tot en met 16 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

  • 2. Indien gewenst kan de raad bepalen dat hij over aanvullende zaken in de paragrafen wordt geïnformeerd.

Hoofdstuk 6 Financiële organisatie en financieel beheer

Artikel 33 Administratie

De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor:

  • a. Het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente als geheel en in de eenheden;

  • b. Het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van activa, passiva en niet uit de balans blijkende verplichtingen;

  • c. Het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het maken van kostencalculaties;

  • d. Het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid;

  • e. Het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving;

  • f. De controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving.

Artikel 34 Financiële organisatie

Het college draagt zorgt voor:

  • a. Een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie;

  • b. Een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden, verantwoordelijkheden;

  • c. De verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten;

  • d. De interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie;

  • e. De kostenverdeelsleutels voor het eenduidig toewijzen van baten en lasten aan de taakvelden;

  • f. Het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten;

  • g. Het beleid en de interne regels voor de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen;

Opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan.

Artikel 35 Interne controle

  • 1. Het college draagt zorg voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen rapporteren het college daarover in de rechtmatigheidsverantwoording, zoals beschreven in artikel 10 onder lid 3. Daarnaast informeert het college de raad over genomen maatregelen en herstel van de tekortkomingen.

  • 2. Het college zorgt voor de systematische controle van de administratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het financieel vermogen van de gemeente met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd en registergoederen en bedrijfsmiddelen ten minste eenmaal in de 4/5 jaar. Bij afwijkingen in de administratie neemt het college maatregelen tot herstel van de tekortkomingen.

Hoofdstuk 7 Slotbepalingen

Artikel 36 Overgangsrecht

  • 1. De “Financiële verordening gemeente De Wolden 2023” wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de jaarstukken en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar voorafgaan aan het jaar waarin deze verordening in werking treedt.

  • 2. Op investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut die voor 1 januari 2023 zijn gedaan, blijft de “Financiële verordening gemeente De Wolden 2023 van toepassing zoals deze gold op de dag voor de inwerkingtreding van deze verordening.

Artikel 37 Intrekken oude verordening

  • 1. De Financiële verordening gemeente De Wolden 2023 wordt ingetrokken met ingang van de datum waarop deze verordening in werking treedt.

  • 2. Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2025.

Ondertekening

Zuidwolde, 25 september 2025

De raad voornoemd,

griffier, voorzitter,

J. van Roeden-Hoekstra Inge C.J. Nieuwenhuizen

Notitie waarderen, activeren en afschrijven van vaste activa De Wolden

Inleiding

Deze notitie is opgesteld om duidelijkheid te scheppen over hoe gemeente De Wolden omgaat met de waardering en afschrijving van haar bezittingen, oftewel activa. Het is van groot belang voor een helder inzicht in de financiële positie van gemeente De Wolden en draagt bij aan een verantwoorde besteding van middelen.

Volgens artikel 212 van de Gemeentewet is elke gemeente verplicht een financiële verordening te hebben, die regels bevat voor de activering, waardering en afschrijving van activa. Waar dit beleid in het verleden deel uitmaakte als bijlage bij de financiële verordening, presenteren wij het nu als een zelfstandige notitie.

Deze notitie geeft de kaders weer voor het opnemen van uitgaven als vaste bezittingen, en hoe de waarde hiervan wordt bepaald en de kosten over de levensduur worden gespreid. De regels zijn gebaseerd op het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV), de landelijke voorschriften voor gemeenten, en zijn aangevuld met specifieke keuzes die gemeente De Wolden maakt binnen de geboden ruimte.

Het doel van deze notitie is om:

  • •

    Een eenvoudig en begrijpelijk overzicht te bieden van het beleid.

  • •

    De basis te leggen voor een eenduidige omgang met investeringen en afschrijvingen in de praktijk.

  • •

    Bij te dragen aan een solide financieel beleid dat verrassingen in de toekomst verkleint.

Activabeleid

Het activabeleid omvat de richtlijnen voor het registreren, waarderen, activeren en afschrijven van alle bezittingen van gemeente De Wolden. Dit beleid draagt bij aan een correcte weergave van de bezittingen op de balans en een rechtvaardige spreiding van de kosten over de jaren waarin deze bezittingen nut opleveren.

Voor het waarderen, activeren en afschrijven worden de volgende regels gehanteerd:

  • 1.

    Activeringsgrens investeringen

    • a.

      Investeringen met economisch nut ten bedrage van minder dan € 10.000 worden niet geactiveerd.

    • b.

      Investeringen met maatschappelijk nut ten bedrage van minder dan € 10.000 worden niet geactiveerd.

    • c.

      Het begrote bedrag van de investering is voor de activagrens bepalend voor het wel of niet activeren.

    • d.

      Identieke investeringen/ goederen die afzonderlijk beneden de activagrens liggen en in één boekjaar worden aangeschaft en gezamenlijk als totaal boven de activagrens liggen worden als één investering geactiveerd.

  • 2.

    Kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio

    De afsluitkosten van opgenomen geldleningen worden afgeschreven gedurende de resterende looptijd van de betreffende geldlening.

  • 3.

    Kosten van onderzoek en ontwikkeling van een bepaald actief

    De kosten van onderzoek en ontwikkeling worden in vijf jaar afgeschreven. De afschrijving van de geactiveerde kosten van onderzoek en ontwikkeling vangt aan bij ingebruikneming van het hieraan gerelateerde materiële vaste actief.

  • 4.

    Bijdragen aan activa in eigendom van derden

    Bijdragen aan activa van derden worden volgens het desbetreffende raadsbesluit geactiveerd. Dergelijke geactiveerde bijdragen zijn gewaardeerd tegen het bedrag van de verstrekte bijdragen, verminderd met afschrijvingen. De verleende bijdragen worden afgeschreven in de periode waarin het betrokken actief van de derde op basis van de door de gemeente gestelde voorwaarden moet bijdragen aan de publieke taak.

  • 5.

    Reserve dekking kapitaallasten (activa reserve)

    De raad kan op voorstel van het college besluiten om bestemmingsreserves voor gehele of gedeeltelijke dekking van kapitaallasten in te stellen. De reserve wordt in dat geval niet op de investering in mindering gebracht, maar valt jaarlijks vrij volgens de afschrijvingstermijn van het actief (bruto waarderingsmethode).

  • 6.

    Gronden en terreinen

    Gronden en terreinen worden altijd geactiveerd. Op gronden en terreinen wordt niet afgeschreven. Kosten van grondaankopen ten behoeve van investeringen met maatschappelijk nut (wegen, riolering, etc.) worden tot de kosten van de specifieke investering gerekend.

  • 7.

    Restwaarde

    Bij afschrijving wordt geen rekening gehouden met een restwaarde.

  • 8.

    Afschrijvingsmethode

    • a.

      Op activa wordt afgeschreven op basis van de lineaire methode.

    • b.

      In afwijking van het bepaalde onder a. kan de raad op voorstel van het college besluiten om op basis van de annuïtaire methode af te schrijven.

  • 9.

    Afschrijvingstermijn

    • a.

      Investeringen worden afgeschreven volgens de termijnen zoals opgenomen in de afschrijvingstabel die in bijlage 1 is opgenomen in deze notitie.

    • b.

      Het college kan aan de raad voorstellen om in afwijking van de afschrijvingstabel een andere afschrijvingstermijn te hanteren gebaseerd op de verwachte toekomstige gebruiksduur.

    • c.

      Afschrijvingstermijnen van investeringen die niet voorkomen in de tabel worden bij de autorisatie van de betreffende investeringskredieten vastgesteld.

    Investeringen worden afgeschreven volgens de termijnen zoals opgenomen in de afschrijvingstabel die in bijlage 1 is opgenomen in deze notitie.

    Het college kan aan de raad voorstellen om in afwijking van de afschrijvingstabel een andere afschrijvingstermijn te hanteren gebaseerd op de verwachte toekomstige gebruiksduur.

    Afschrijvingstermijnen van investeringen die niet voorkomen in de tabel worden bij de autorisatie van de betreffende investeringskredieten vastgesteld.

  • 10.

    Moment start afschrijving

    De afschrijving vangt bij alle investeringen aan met ingang van het jaar volgend op de ingebruikneming/oplevering. Een actief wordt in ieder geval als gereed beschouwd als meer dan 90% van de uitgaven zijn gedaan.

  • 11.

    Autoriseren

    Investeringen worden geautoriseerd door de raad. De autorisatie van het investeringsbedrag, inclusief de dekking van de financiële gevolgen vindt als volgt plaats:

    • a.

      Voor investeringen die bekend zijn en worden vastgesteld bij de programmabegroting vindt de autorisatie plaats bij de vaststelling van de begroting aan de hand van het meerjareninvesteringsprogramma.

    • b.

      Voor investeringen die bekend zijn bij de programmabegroting maar die nog niet zijn vastgesteld vindt de autorisatie plaats via een apart raadsvoorstel.

    • c.

      Voor investeringen die nog niet bekend zijn bij de programmabegroting en waarvoor in de loop van het jaar een beslissing wordt genomen vindt de autorisatie plaats via een apart raadsvoorstel.

  • 12.

    Wijzigingen

    Indien sprake is van verwachte kredietoverschrijdingen wordt hier op de volgende wijze mee omgegaan:

    • a.

      Bij investeringen met een kredietoverschrijding onder de € 25.000 ten opzichte van het beschikbaar gestelde krediet wordt in beginsel geen aanvullend krediet gevraagd.

    • b.

      Bij investeringen wordt een kredietoverschrijding boven de € 25.000 ten opzichte van het beschikbaar gestelde krediet gerapporteerd in de eerstvolgende bestuursrapportage en wordt aan de raad een aanvullend krediet gevraagd.

  • 13.

    Hardheidsclausule

    Bij onvoorziene omstandigheden en gegronde redenen behoudt de raad op voorstel van het college het recht om anders te beslissen dan is opgenomen in deze notitie.

Activeren

Het activeren van investeringen vormt een belangrijk onderdeel van het gemeentelijk financieel beleid. Door activa te activeren worden zij opgenomen op de balans en worden de lasten over meerdere jaren verdeeld via afschrijvingen. Dit zorgt voor een betere matching van lasten met de periode waarin het actief daadwerkelijk wordt gebruikt.

Artikel 1. Activeringsgrens investeringen

  • a.

    Investeringen met economisch nut ten bedrage van minder dan € 10.000 worden niet geactiveerd.

  • b.

    Investeringen met maatschappelijk nut ten bedrage van minder dan € 10.000 worden niet geactiveerd.

  • c.

    Het begrote bedrag van de investering is voor de activagrens bepalend voor het wel of niet activeren.

  • d.

    Identieke investeringen/goederen die afzonderlijk beneden de activagrens liggen en in één boekjaar worden aangeschaft en gezamenlijk als totaal boven de activagrens liggen worden als één investering geactiveerd.

De gemeenteraad heeft vastgelegd dat investeringen met economisch nut en investeringen met maatschappelijk nut niet worden geactiveerd indien het bedrag lager is dan € 10.000. Deze grens is bedoeld om te voorkomen dat de balans wordt belast met een groot aantal kleine investeringen, wat de administratie complex zou maken en de transparantie zou verminderen. Tegelijkertijd blijft de exploitatie wel volledig in beeld, omdat de lasten van deze kleinere uitgaven direct worden verantwoord in het jaar van aanschaf.

De grens geldt per investering. Bij identieke investeringen die afzonderlijk onder de grens blijven maar in hetzelfde boekjaar gezamenlijk boven de grens uitkomen, wordt de totaliteit als één investering aangemerkt en geactiveerd. Dit voorkomt het kunstmatig opsplitsen van investeringen om onder de activeringsgrens te blijven.

Artikel 3. Kosten van onderzoek en ontwikkeling van een bepaald actief

De kosten van onderzoek en ontwikkeling worden in vijf jaar afgeschreven. De afschrijving van de geactiveerde kosten van onderzoek en ontwikkeling vangt aan bij ingebruikneming van het hieraan gerelateerde materiële vaste actief.

Onderzoek en ontwikkeling ten behoeve van een specifiek materieel vast actief kan aanzienlijke kosten met zich meebrengen. Wanneer deze kosten aantoonbaar bijdragen aan de totstandkoming van het actief, worden ze geactiveerd en in vijf jaar afgeschreven. Hiermee wordt bereikt dat de lasten van onderzoek en ontwikkeling niet volledig drukken op het jaar waarin de uitgaven worden gedaan, maar gespreid worden over meerdere jaren.

De afschrijving start op het moment dat het daarmee samenhangende materiële vaste actief in gebruik wordt genomen. Op die manier sluiten de lasten aan bij de periode waarin het actief daadwerkelijk wordt ingezet en economische of maatschappelijke waarde genereert.

Artikel 4. Bijdragen aan activa in eigendom van derden

Bijdragen aan activa van derden worden volgens het desbetreffende raadsbesluit geactiveerd. Dergelijke geactiveerde bijdragen zijn gewaardeerd tegen het bedrag van de verstrekte bijdragen, verminderd met afschrijvingen. De verleende bijdragen worden afgeschreven in de periode waarin het betrokken actief van de derde op basis van de door de gemeente gestelde voorwaarden moet bijdragen aan de publieke taak.

Wanneer de gemeente bijdraagt aan de realisatie van een actief dat eigendom is van een derde, kan zij besluiten deze bijdrage te activeren. De raad stelt dit vast via een afzonderlijk raadsbesluit. Het actief wordt op de balans opgenomen voor het bedrag van de verstrekte bijdrage, verminderd met de afschrijvingen. De afschrijving vindt plaats over de periode waarin het betrokken actief van de derde, volgens de gestelde voorwaarden, bijdraagt aan de publieke taak.

Door deze benadering wordt de bijdrage van de gemeente in lijn gebracht met de periode waarin maatschappelijke baten worden gerealiseerd. Hiermee wordt recht gedaan aan het principe dat lasten zoveel mogelijk worden toegerekend aan de periode waarin ook de baten optreden.

Artikel 6. Gronden en terreinen

Gronden en terreinen worden altijd geactiveerd. Op gronden en terreinen wordt niet afgeschreven. Kosten van grondaankopen ten behoeve van investeringen met maatschappelijk nut (wegen, riolering, etc.) worden tot de kosten van de specifieke investering gerekend.

Ten aanzien van gronden en terreinen geldt een apart regime. Deze worden altijd geactiveerd, omdat zij per definitie duurzame bezittingen zijn die voor een lange periode in de gemeentelijke huishouding aanwezig blijven. Hierop wordt niet afgeschreven, omdat gronden in beginsel niet in waarde verminderen door gebruik. Kosten van grondaankopen die rechtstreeks samenhangen met investeringen met maatschappelijk nut, zoals de aanleg van wegen of riolering, worden echter toegerekend aan die specifieke investering en vallen dus onder de afschrijvingssystematiek van dat actief.

Waardering van activa

Bij de waardering van activa is door de raad gekozen voor een eenvoudige en uniforme werkwijze. Er wordt bij afschrijving geen rekening gehouden met een restwaarde. Dit betekent dat een actief gedurende de volledige gebruiksduur volledig wordt afgeschreven tot een boekwaarde van nul.

Artikel 7. Restwaarde

Bij afschrijving wordt geen rekening gehouden met een restwaarde.

Deze keuze bevordert de eenvoud en eenduidigheid van de administratie. Het hanteren van restwaarden kan immers leiden tot verschillen in behandeling van soortgelijke investeringen en maakt de financiële verantwoording complexer. Daarnaast zijn restwaarden vaak lastig betrouwbaar vast te stellen, zeker bij activa die een lange gebruiksduur kennen. Door het hanteren van een stelsel zonder restwaarden ontstaat een transparanter en beter vergelijkbaar financieel beeld.

Het uitgangspunt is dat activa gewaardeerd worden op de verkrijgings- of vervaardigingsprijs, inclusief de bijkomende kosten die rechtstreeks aan de investering zijn toe te rekenen. De verkrijgingsprijs omvat de inkoopprijs en de bijkomende kosten. De vervaardigingsprijs omvat de aanschafkosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten die rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend, inclusief de direct toe te rekenen salariskosten. In de vervaardigingsprijs kunnen voorts worden opgenomen: een redelijk deel van de indirecte kosten en de rente over het tijdvak dat aan de vervaardiging van het actief kan worden toegerekend; in dat geval moet de toelichting bij het actief vermelden dat deze rente wordt geactiveerd.

5. Kapitaallasten

De kapitaallasten bestaan uit de rente en de afschrijving die voortvloeien uit investeringen. Deze lasten drukken jaarlijks op de exploitatie en vormen daarmee een structureel onderdeel van het gemeentelijk huishoudboekje.

Artikel 2.

Kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio

De afsluitkosten van opgenomen geldleningen worden afgeschreven gedurende de resterende looptijd van de betreffende geldlening.

De afsluitkosten van opgenomen geldleningen worden niet direct ten laste van de exploitatie gebracht, maar geactiveerd en vervolgens afgeschreven over de resterende looptijd van de betreffende lening. Op deze manier worden de lasten gelijkmatig verdeeld over de periode waarin de lening wordt benut. Dit sluit aan bij het uitgangspunt dat lasten zoveel mogelijk worden toegerekend aan de jaren waarin de baten ontstaan. Ook het saldo van agio en disagio wordt op gelijke wijze verwerkt. Hiermee ontstaat een transparant en evenwichtig financieel beeld.\

Artikel 5. Reserve dekking kapitaallasten

De raad kan op voorstel van het college besluiten om bestemmingsreserves voor gehele of gedeeltelijke dekking van kapitaallasten in te stellen. De reserve wordt in dat geval niet op de investering in mindering gebracht, maar valt jaarlijks vrij volgens de afschrijvingstermijn van het actief (bruto waarderingsmethode).

De raad kan besluiten om bestemmingsreserves in te stellen die worden gebruikt voor de gehele of gedeeltelijke dekking van deze kapitaallasten. Hierbij wordt de zogenaamde bruto waarderingsmethode toegepast. Dit betekent dat de reserve niet direct van de investering wordt afgetrokken, maar jaarlijks evenredig wordt aangewend gedurende de afschrijvingstermijn. Hierdoor blijft de volledige omvang van de investering zichtbaar op de balans, terwijl tegelijkertijd de lasten in de exploitatie worden verlaagd door de jaarlijkse vrijval van de reserve.

Artikel 8. Afschrijvingsmethode

  • 1.

    Op activa wordt afgeschreven op basis van de lineaire methode.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde onder a. kan de raad op voorstel van het college besluiten om op basis van de annuïtaire methode af te schrijven.

Wat betreft de afschrijvingssystematiek geldt als standaard dat activa lineair worden afgeschreven. Deze methode leidt tot hogere lasten in de eerste jaren en lagere lasten in de latere jaren, wat bijvoorbeeld kan aansluiten bij de werkelijke benutting van een actief of bij de financieringsstructuur.

De toepassing van de annuïtaire afschrijvingsmethode is uitsluitend mogelijk indien de raad daartoe besluit op voorstel van het college. Deze methode bewerkstelligt een evenredige toerekening van de lasten over de gehele gebruiksduur van het actief. Daarmee wordt enerzijds voorzien in voorspelbaarheid en beheersbaarheid van de lasten, en anderzijds wordt een directe samenhang gewaarborgd tussen het feitelijke gebruik en de hieraan gerelateerde lasten.

Artikel 9. Afschrijvingstermijn

  • 1.

    1. Investeringen worden afgeschreven volgens de termijnen zoals opgenomen in de afschrijvingstabel die in de bijlage is opgenomen in deze notitie.

  • 2.

    2. Het college kan aan de raad voorstellen om in afwijking van de afschrijvingstabel een andere afschrijvingstermijn te hanteren gebaseerd op de verwachte toekomstige gebruiksduur.

  • 3.

    3. Afschrijvingstermijnen van investeringen die niet voorkomen in de tabel worden bij de autorisatie van de betreffende investeringskredieten vastgesteld.

De afschrijvingstermijnen zijn vastgelegd in een overzichtelijke tabel die als bijlage 1 aan deze notitie is toegevoegd. Deze termijnen zijn gebaseerd op gangbare economische levensduren en landelijke richtlijnen. Wanneer een investering niet voorkomt in de tabel, wordt de termijn vastgesteld bij de autorisatie van het investeringskrediet. In uitzonderlijke gevallen kan het college de raad voorstellen om af te wijken van de tabel, bijvoorbeeld wanneer een specifiek actief een aantoonbaar kortere of langere levensduur heeft.

6. Procedures

De procedure rondom het afschrijven en autoriseren van investeringen is zorgvuldig ingericht om zowel rechtmatigheid als doelmatigheid te waarborgen.

Artikel 10. Moment start afschrijving

De afschrijving vangt bij alle investeringen aan met ingang van het jaar volgend op de ingebruikneming/oplevering. Een actief wordt in ieder geval als gereed beschouwd als meer dan 90 % van de uitgaven zijn gedaan.

De afschrijving van een investering start altijd in het jaar na de ingebruikneming of oplevering. Dit voorkomt dat lasten al op de exploitatie drukken terwijl het actief nog niet wordt gebruikt. Een investering wordt als gereed beschouwd zodra meer dan negentig procent van de uitgaven is gedaan, zodat er geen onnodige vertraging in de administratieve verwerking ontstaat.

Artikel 11. Autoriseren

Investeringen worden geautoriseerd door de raad. De autorisatie van het investeringsbedrag, inclusief de dekking van de financiële gevolgen vindt als volgt plaats:

  • 1.

    Voor investeringen die bekend zijn en worden vastgesteld bij de programmabegroting vindt de autorisatie plaats bij de vaststelling van de begroting aan de hand van het meerjareninvesteringsprogramma.

  • 2.

    Voor investeringen die bekend zijn bij de programmabegroting maar die nog niet zijn vastgesteld vindt de autorisatie vindt plaats via een apart raadsvoorstel.

  • 3.

    Voor investeringen die nog niet bekend zijn bij de programmabegroting en waarvoor in de loop van het jaar een beslissing wordt genomen vindt de autorisatie plaats via een apart raadsvoorstel.

De autorisatie van investeringen is een bevoegdheid van de gemeenteraad. Indien de investering onderdeel is van het meerjareninvesteringsprogramma en reeds bij de programmabegroting is vastgesteld, vindt de autorisatie plaats bij de begrotingsvaststelling. Wanneer een investering wel al bekend is bij de programmabegroting maar nog niet is vastgesteld, volgt de autorisatie via een afzonderlijk raadsvoorstel. Ook voor investeringen die pas in de loop van het jaar ontstaan en nog niet bekend waren ten tijde van de begroting, geldt dat de raad via een apart voorstel de investering moet autoriseren. Op die manier blijft de raad volledig in control en wordt geborgd dat investeringsbeslissingen altijd democratisch gelegitimeerd zijn.

Artikel 12. Wijzigingen

Indien sprake is van verwachte kredietoverschrijdingen wordt hier op de volgende wijze mee omgegaan:

  • 1.

    Bij investeringen met een kredietoverschrijding onder de € 25.000 ten opzichte van het beschikbaar gestelde krediet wordt in beginsel geen aanvullend krediet gevraagd.

  • 2.

    Bij investeringen wordt een kredietoverschrijding boven de € 25.000 ten opzichte van het beschikbaar gestelde krediet gerapporteerd in de eerstvolgende bestuursrapportage en wordt aan de raad een aanvullend krediet gevraagd.

Indien er sprake is van een kredietoverschrijding wordt hier onderscheid gemaakt naar de omvang ervan. Wanneer de overschrijding kleiner is dan € 25.000 ten opzichte van het beschikbaar gestelde krediet, wordt in beginsel geen aanvullend krediet gevraagd. Bij grotere overschrijdingen is transparantie richting de raad essentieel. In dat geval wordt de overschrijding opgenomen in de eerstvolgende bestuursrapportage en wordt aan de raad een aanvullend krediet gevraagd. Dit systeem biedt flexibiliteit bij kleine overschrijdingen, maar zorgt er tegelijkertijd voor dat de raad betrokken blijft bij substantiële afwijkingen.

7. Slotbepalingen

Artikel 14. Hardheidsclausule

Bij onvoorziene omstandigheden en gegronde redenen behoudt de raad op voorstel van het college het recht om anders te beslissen dan is opgenomen in deze notitie.

Daarnaast is in dit beleid een hardheidsclausule opgenomen. Deze clausule stelt dat de raad, op voorstel van het college, het recht behoudt om in onvoorziene omstandigheden en bij gegronde redenen af te wijken van de bepalingen in deze notitie. Het doel hiervan is om flexibiliteit te behouden voor situaties die niet konden worden voorzien op het moment van vaststelling van dit beleid. Voorbeelden hiervan zijn nieuwe wet- en regelgeving, technologische ontwikkelingen die de levensduur van bepaalde activa aanzienlijk beïnvloeden, of bijzondere omstandigheden bij een project. Door de toepassing van de hardheidsclausule blijft de raad in staat om maatwerk te leveren zonder de systematiek van het activabeleid te ondergraven.

Bijlage 1 Afschrijftermijnen

Afschrijvingstermijnen materiële vaste activa met economisch nut

Actief

Componenten

Afschrijvingstermijn

Gronden en terreinen

Gronden

Niet afschrijven

 

Erfpachtgronden

Niet afschrijven

 
 
 

Woonruimten

Woningen

40 jaar

 
 
 

Bedrijfsgebouwen

Bedrijfsgebouwen (o.a. integraal accommodatiebeleid en gemeentelijke gebouwen)

40 jaar

 

Loodsen/onderkomens

15 jaar

 

Noodlokalen

10 jaar

 

Kunstgras, atletiekbaan

Afhankelijk en overeenkomstig de in het plan van aanleg genoemde termijnen.

 

Renovatie, restauratie en aankoop bestaande woonruimten en bedrijfsgebouwen

25 jaar

 

Technische installaties in en rondom bedrijfsgebouwen

15 jaar

 

Overige inventaris

10 jaar

 
 
 

Grond-, weg-, en waterbouwkundige werken

 
 

Riolering

Vrijvervalriolering

60 - 65 jaar overeenkomstig GRP

 

Druk- en vacuümriolering

30 jaar

 

Mechanisch, elektrisch en pompen

15 jaar overeenkomstig GRP

 

Overige riolering

Zie GRP

 
 
 

Begraafplaatsen

Begraafplaatsen

40 jaar

 

Urnenmuur/tuin

30 jaar

 

Groenvoorziening

30 jaar

 
 
 

Vervoersmiddelen

Bedrijfsauto’s

8 jaar

 

Personenauto’s

7 jaar

 

Aanhangwagens

10 jaar

 

Tractoren/vrachtauto’s

10 jaar

 
 
 

Machines, apparaten en installaties

 
 

Automatisering-klantsysteem

PDA

2 jaar

 

Thin Cliënt

5 jaar

 

Computer

3 jaar

 

Telefoon-mobiel

2 jaar

 

Telefoon-vast

5 jaar

 

Monitor

4 jaar

 

Laptop

3 jaar

 

Tokens

3 jaar

 

Automatiseringsapparatuur/kasregisters

4 jaar

 
 
 

Automatisering- centraal systeem

SAN

5 jaar

 

Brandbeveiligingsinstallatie

10 jaar

 

UPS

7 jaar

 

Switchers

6 jaar

 

Servers

3 jaar

 
 
 

ICT

Implementatie systemen

5 jaar

 

Software (niet zijnde SaaS)

4 jaar

 

Scanapparatuur

5 jaar

 

Schermen vergaderzalen

5 jaar

 

Smartboards/televisie

5 jaar

 
 
 

Installaties

(Veiligheids)installaties

5 – 15 jaar

 

Parkeermeters

10 jaar

 
 
 

Apparaten/machines

Gereedschap

5 jaar

 

Diverse apparaten

5 jaar

 
 
 

Overig

Meubilair

10 jaar

 

1e inrichting onderwijs

10 jaar

 

Beelden

10 jaar

Afschrijvingstermijnen materiële vaste activa met maatschappelijk nut

Grond-, weg-, en waterbouwkundige werken

Componenten

Afschrijvingstermijnen

Openbare ruimte

Reconstructie openbare ruimte (integraal project)

40 jaar

Wegen

Slijtlagen wegen (asfalt)

15 jaar

 

Slijtlagen wegen (beton)

40 jaar

 

Reconstructies/nieuwe aanleg wegen en fietspaden (asfalt, beton en elementen)

60 jaar

 

Reconstructies/nieuwe aanleg wegen en fietspaden (halfverhardingen)

15 jaar

 

Civiele kunstwerken (houten bruggen)

30 jaar

 

Civiele kunstwerken (bruggen, duikers, viaducten, tunnels: beton)

80 jaar

 

Civiele kunstwerken (bruggen, duikers, viaducten, tunnels: staal)

60 jaar

 

Civiele kunstwerken (bruggen, duikers, viaducten, tunnels: composiet)

40 jaar

 

Openbare verlichting (masten)

40 jaar

 

Openbare verlichting (armaturen)

20 jaar

 

Geluidswal (grond/beton)

80 jaar

 

Geluidswal (staal)

60 jaar

 

Geluidswal (hout)

30 jaar

 

Verkeersborden

10 jaar

 
 
 

Water

Havens/kades/waterkeringen (hout)

20 jaar

 

Havens/kades/waterkeringen (overige materialen)

40 jaar

 

Watergangen/waterberging/walbeschoeiing (hout)

20 jaar

 

Watergangen/waterberging/walbeschoeiing (overige materialen)

60 jaar

Aanleg sportvelden

Aanleg/reconstructie sportvelden (gras)

15 jaar

 

Aanleg/reconstructie sportvelden (kunstgras)

10 jaar

Speelvoorzieningen

Speelvoorzieningen

10 jaar

Openbaar gebied groen

Bomen

45 jaar

 

Heesterbeplanting en gazon

25 jaar

 

Overige beplanting (o.a. vaste planten)

15 jaar

 

Straatmeubilair (banken, paaltjes)

20 jaar

 

Straatmeubilair (prullenbakken)

10 jaar

Bijlage 2 Toelichting begrippen

Activeren: het opnemen van een investering op de balans van de gemeente als vast actief.

Afschrijving: het jaarlijks verwerken van de waardevermindering van een actief in de exploitatie.

Activeringsgrens: de minimale waarde die een investering moet hebben om te worden geactiveerd.

Economisch nut: investeringen die bijdragen aan de mogelijkheid om middelen te genereren of die verhandelbaar zijn.

Maatschappelijk nut: investeringen die niet verhandelbaar zijn en primair ten dienste staan van de publieke taak, zoals wegen en riolering.

Bruto waarderingsmethode: methode waarbij reserves niet in mindering worden gebracht op de investering, maar jaarlijks vrijvallen volgens de afschrijvingstermijn.

Kapitaallasten: de lasten die voortvloeien uit een investering: rente en afschrijving.

Programmabegroting: de jaarlijkse begroting waarin beleidsdoelen, activiteiten en financiële kaders van de gemeente zijn opgenomen.

Investeringskrediet: het door de gemeenteraad beschikbaar gestelde bedrag voor de realisatie van een investering.

Hardheidsclausule: bepaling die het mogelijk maakt om in uitzonderingsgevallen af te wijken van de regels.