Financiële verordening Samenwerkingsorganisatie De Wolden Hoogeveen ex artikel 212 Gemeentewet

Geldend van 12-02-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2025

Intitulé

Financiële verordening Samenwerkingsorganisatie De Wolden Hoogeveen ex artikel 212 Gemeentewet

Het bestuur van de Samenwerkingsorganisatie De Wolden Hoogeveen;

Gelet op artikel 35 lid 6 Wet gemeenschappelijke regelingen juncto artikel 212 van de Gemeentewet;

Besluit vast te stellen de navolgende verordening:

Financiële verordening Samenwerkingsorganisatie De Wolden Hoogeveen ex artikel 212 Gemeentewet

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a. administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, het functioneren en het beheersen van (onderdelen van) de organisatie van de Samenwerkingsorganisatie De Wolden Hoogeveen (SWO) en ten behoeve van de verantwoording die daarover moet worden afgelegd;

  • b. administratieve organisatie: Het stelsel van organisatorische maatregelen gericht op het tot stand brengen en het in stand houden van de goede werking van de bestuurlijke en ambtelijke informatieverzorging ten behoeve van de verantwoordelijke leiding;

  • c. begroting: begroting of programmabegroting zoals bedoeld in artikel 189 van de Gemeentewet;

  • d. beheer van de vermogenswaarden: het uitoefenen van bestuur over en toezicht op het geheel van middelen en rechten;

  • e. beleidsdoel: een politiek relevant onderdeel van een programma;

  • f. bestuur: het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur of de voorzitter van de gemeenschappelijke regeling, ieder voor zover het betreft de uitoefening van de aan hen bij of krachtens de Wet gemeenschappelijke regelingen opgedragen bevoegdheden;

  • g. directie: de door het bestuur van de gemeenschappelijke regeling aangewezen functionaris of functionarissen die zijn belast met de dagelijkse leiding en de uitvoering van de taken van de gemeenschappelijke regeling, waaronder mede wordt begrepen de door het dagelijks bestuur aangewezen leidinggevenden of gemachtigden;

  • h. netwerk: Organisatorische eenheid binnen de organisatie;

  • i. investeringsproject: een project voor de verwerving of vervaardiging van een goed, waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt, niet zijnde een grondexploitatie;

  • j. jaarstukken: de in artikel 197 van de Gemeentewet bedoelde jaarrekening en jaarverslag;

  • k. primitieve begroting: De primitieve begroting is de begroting zoals die is vastgesteld door het bestuur voorafgaand aan het begrotingsjaar. Dit is niet hetzelfde als het boekwerk waarover het bestuur heeft besloten. In de primitieve begroting zijn ook verwerkt begrotingswijzigingen waarover het bestuur separaat heeft besloten, tussen het moment van het opstellen van de begroting en 1 januari van het begrotingsjaar en amendementen die het bestuur heeft aangenomen bij de besluitvorming over de begroting;

  • l. rechtmatigheid in het kader van de accountantscontrole: het in overeenstemming zijn van de financiële beheershandelingen en de vastlegging daarvan met de begroting en de relevante weten regelgeving, zoals omschreven in het Besluit accountantscontrole decentrale overheden;

  • m. verplichting: door opdrachtverstrekking, schriftelijk of mondeling, ontstaat voor de SWO de plicht tot betaling aan een derde;

  • n. rechtmatigheidsverantwoording: de rapportage van de directie waarbij aangegeven wordt in welke mate de totstandkoming van de financiële beheershandelingen en de vastlegging daarvan overeenstemmen met de relevante wet- en regelgeving;

  • o. overheidsbedrijf: onderneming met privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid, waarin de SWO, al dan niet tezamen met een of meer andere publiekrechtelijke rechtspersonen, in staat is het beleid te bepalen of een onderneming in de vorm van een personenvennootschap, waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon deelneemt.

Hoofdstuk 2 Begroting en verantwoording

Artikel 2 Programma-indeling

  • 1. Het bestuur stelt bij aanvang van iedere raadsperiode van de deelnemende gemeenten een programma-indeling voor die raadsperiode vast. Voor de SWO beperkt zich dit tot het programma bedrijfsvoering.

  • 2. Het bestuur stelt op voorstel van de directie de beleidsindicatoren vast. Het voorstel van de directie bevat ten minste de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

  • 3. Het bestuur stelt bij aanvang van iedere raadsperiode van de deelnemende gemeenten vast over welke onderwerpen hij in extra paragrafen naast de verplichte paragrafen van de begroting en de jaarstukken kaders wil stellen en wil worden geïnformeerd.

  • 4. De aanpassingen die voortvloeien uit de leden één tot en met drie worden verwerkt in de eerst volgende door het bestuur vast te stellen begroting.

Artikel 3 Inrichting begroting en jaarstukken

  • 1. Bij de begroting en de jaarstukken worden de baten en lasten per taakveld weergegeven.

  • 2. In de begroting wordt van de nieuwe investeringen per investeringscategorie het benodigde investeringskrediet weergegeven.

  • 3. Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt in aanvulling op het bepaalde in de artikelen 20 en artikel 21 van het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten inzicht gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de begroting, de meerjarenraming, de investeringen.

  • 4. In de jaarrekening wordt van de investeringen de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten en het saldo van door te schuiven restantkredieten weergegeven.

  • 5. In de jaarrekening worden incidentele baten en lasten groter dan € 50.000 toegelicht.

Artikel 4 Kaders begroting

  • 1. Het bestuur biedt uiterlijk 30 april de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de raden van de deelnemende gemeenten aan voor het volgende begrotingsjaar en de drie opvolgende jaren.

  • 2. Het bestuur stelt deze kaderbrief vóór 1 mei vast.

Artikel 5 Autorisatie begroting en investeringskredieten

  • 1. Het bestuur autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten per programma.

  • 2. Bij de begrotingsbehandeling geeft het bestuur aan van welke nieuwe investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. De overige nieuwe investeringen worden bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van de financiële positie geautoriseerd.

  • 3. Voor een investering waarvan het investeringskrediet niet met het vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt de directie voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel met een voorstel voor het vaststellen van een investeringskrediet aan het bestuur voor.

  • 4. Bij de behandeling van de tussenrapportages door het bestuur bedoeld in artikel 6 doet de directie voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde baten en lasten en het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten. In geval van investeringen met een meerjarig karakter doet de directie indien nodig ook bij iedere begroting op grond van geactualiseerde ramingenvoorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten.

Artikel 6 Tussentijdse rapportage

  • 1. De directie informeert het bestuur over de realisatie van de begroting van de SWO gedurende het lopende boekjaar.

  • 2. De inrichting van de tussentijdse rapportage sluit aan bij de indeling van de begroting.

  • 3. De rapportage gaat in op afwijkingen, zowel wat betreft de baten en de lasten, de kwalitatieve en kwantitatieve doelstellingen en als daar aanleiding voor is, de maatschappelijke effecten als mede overige politiek relevante onderwerpen. Daarnaast wordt ingegaan op de raming en realisatie van de investeringskredieten.

  • 4. In de tussenrapportage worden afwijkingen op de oorspronkelijke ramingen van de baten en lasten en investeringskredieten in de begroting groter dan € 50.000 toegelicht.

Artikel 7 Jaarstukken

  • 1. De directie legt verantwoording af over de uitvoering van het programma bedrijfsvoering. In de verantwoording geeft de directie aan:

    • a.

      wat is bereikt;

    • b.

      wat de kosten zijn;

    • c.

      hoe de resultaten zich verhouden tot de in de begroting gestelde doelen.

  • 2. Het bestuur bepaalt aan de hand van de uitvoering van het programma of de beleidsdoelen van het programma voor het lopende jaar bijstelling behoeft.

  • 3. De directie kan het bestuur voorstellen om restantmiddelen op onderdelen van de beschikbaar gestelde budgetten over te hevelen naar het volgende begrotingsjaar door het vormen van een reserve ‘nog uit te voeren werkzaamheden’.

Hoofdstuk 3. Rechtmatigheidsverantwoording

Artikel 8 Verantwoordings- en rapportagegrens rechtmatigheidsverantwoording

  • 1. Het bestuur stelt (bij aanvang van iedere bestuursperiode van de deelnemende gemeenten) vast op welke wijze zij door middel van de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de jaarstukken, naast de verplichte onderdelen van deze paragraaf, wil worden geïnformeerd over rechtmatigheid.

  • 2. In de rechtmatigheidsverantwoording bij de jaarrekening rapporteert de directie aan het bestuur over afwijkingen met een verantwoordingsgrens van 2% van de totale lasten van de SWO, exclusief dotaties aan de reserves.

  • 3. In de paragraaf bedrijfsvoering worden de geconstateerde afwijkingen (fouten of onduidelijkheden) groter dan € 50.000 nader toegelicht.

Artikel 9 Voorwaardencriterium

  • 1. Het voorwaardencriterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op de eisen die worden gesteld bij de uitvoering van de financiële beheershandelingen. De eisen/voorwaarden zijn afkomstig uit diverse wet- en regelgeving en hebben betrekking op aspecten als doelgroep, termijn, grondslag, administratieve bepalingen, normbedragen, bevoegdheden, bewijsstukken, recht, hoogte en duur.

  • 2. De directie biedt het bestuur jaarlijks uiterlijk op 15 november ter vaststelling een normenkaderrechtmatigheid aan. Dit kader bestaat uit alle relevante (interne) wet- en regelgeving waaruit financiële beheers handelingen kunnen voortvloeien.

Artikel 10 Begrotingscriterium

  • 1. Het begrotingscriterium is een criterium van rechtmatigheid dat betrekking heeft op de grenzen van de baten en lasten in de door het bestuur geautoriseerde begroting van exploitatie en investeringskredieten en de hiermee samenhangende programma’s, waarbinnen de financiële beheershandelingen tot stand moeten zijn gekomen.

  • 2. De begrotingsrechtmatigheid wordt beoordeeld op het niveau waarop de begroting door het bestuur is geautoriseerd, zoals is opgenomen in artikel 5.

  • 3. Bij investeringsprojecten wordt de begrotingsrechtmatigheid beoordeeld op het niveau van het totaal gevoteerde kredietbedrag. Een overschrijding van het jaarbudget, passend binnen het totaalbedrag van het krediet, wordt daarmee als rechtmatig beschouwd.

Artikel 11 Omgang begrotingsonrechtmatigheden

  • 1. Uitgangspunt is dat iedere overschrijding op de lasten en/of investeringen van de begroting als onrechtmatig wordt beschouwd. Afwijkingen worden als acceptabel aangemerkt in de volgende situaties:

    • a.

      begrotingsafwijkingen die passen binnen het door het bestuur vastgestelde beleid of binnen door het bestuur vastgestelde kaders;

    • b.

      er is sprake van een overschrijding waarbij direct gerelateerde inkomsten de overschrijding compenseren;

    • c.

      er is sprake van een overschrijding op een open-einde regeling;

    • d.

      begrotingsafwijkingen waarover het bestuur via een bestuursvoorstel, bestuursinformatiebrief, een tussentijdse rapportage of op andere wijze is geïnformeerd;

    • e.

      begrotingsafwijkingen als gevolg van interpretatieverschillen bij de uitleg van wet- en regelgeving en die zijn geconstateerd tijdens en na het verantwoordingsjaar;

    • f.

      begrotingsafwijkingen als gevolg van een onttrekking aan een bestemmingsreserve op basis van realisatie voor zover deze onttrekking daarmee voor een gelijk bedrag overeenkomst met de realisatie van de last, en de activiteit of het project nog niet is beëindigd en de resterende lasten volgen in het jaar na het verantwoordingsjaar. Is de activiteit of het project wel beëindigd en zijn de lasten definitief lager dan begroot, dan vindt de onttrekking overeenkomstig het begrote bedrag plaats en wordt het bestuur een voorstel gedaan tot nadere aanwending van de restant-bestemmingsreserve;

    • g.

      de begrotingsafwijking vloeit voort uit verplichte uitgaven voor zover deze rechtstreeks voortvloeien uit:

      • i.

        rente en aflossing van aangegane geldleningen en andere opeisbare verplichtingen;

      • ii.

        uitgaven die bij of krachtens de wet aan de organisatie of het bestuur zijn opgelegd;

      • iii.

        uitgaven die voortvloeien uit door het bestuur gevorderde medewerking aan de uitvoering van wetten of uitvoeringsregelingen, voor zover deze uitgaven niet door derden worden vergoed;

    • h.

      begrotingsoverschrijdingen van een jaarschijf binnen een investeringsbudget, waarbij aannemelijk is dat het totaal van de uitgaven binnen een investeringsbudget blijft;

  • 2. Uitgangspunt is dat bij onderschrijdingen van lasten per programma of investeringskredieten en/of lagere of hogere baten dan begroot dit in beginsel niet als onrechtmatig wordt beschouwd, mits deze tijdig aan het bestuur worden gemeld. Onder ‘tijdig melden’ wordt verstaan het melden van de afwijking via een bestuursvoorstel, bestuursinformatiebrief, een tussentijdse rapportage of op andere wijze gedurende het jaar of in de jaarstukken.

  • 3. Alle begrotingsafwijkingen – ook afwijkingen die op grond van lid 1 niet in strijd worden geacht met de begrotingsrechtmatigheid – worden definitief beoordeeld door het algemeen bestuur bij de vaststelling van de jaarrekening.

Artikel 12 Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium

  • 1. Het misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op het voorkomen, detecteren en corrigeren van misbruik en oneigenlijk gebruik van overheidsgelden en eigendommen van de SWO bij financiële beheershandelingen.

  • 2. De directie zorgt voor en legt vast de regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van regelingen en eigendommen van de SWO.

Hoofdstuk 4 Financieel beleid

Artikel 13 Waardering en afschrijving vaste activa

  • 1. Immateriële en materiële vaste activa worden afgeschreven volgens de methodiek en de termijnen zoals vermeld in de bijlage afschrijvingsbeleid bij deze verordening.

  • 2. Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht.

  • 3. Een saldo voor agio of disagio wordt lineair in ten hoogste 5 jaar afgeschreven.

Artikel 14 Reserves en voorzieningen

  • 1. In de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening vindt geen toerekening van rente over de reserves en voorzieningen aan de taakvelden plaats.

  • 2. Bij een voorstel voor de instelling van een bestemmingsreserve wordt minimaal aangegeven:

    • a.

      het specifieke doel van de reserve;

    • b.

      de voeding van de reserve;

    • c.

      het bestedingsplan van de reserve;

    • d.

      de maximale hoogte van de reserve;

    • e.

      de maximale looptijd.

  • 3. Als een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen binnen de aangegeven maximale looptijd niet heeft geleid tot een investering, valt de bestemmingsreserve vrij en vloeien deze middelen terug naar de deelnemende gemeenten.

Artikel 15 Kostprijsberekening

  • 1. Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van goederen, werken en diensten die door de organisatie worden geleverd aan deelnemers, overheidsbedrijven of derden, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden in ieder geval betrokken:

    • a.

      de directe kosten,

    • b.

      de toerekenbare overheadkosten, en

    • c.

      de rente van de inzet van vreemd vermogen, reserves en voorzieningen voor de financiering van de in gebruik zijnde activa.

  • 2. Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten die kunnen worden toegerekend aan activiteiten welke geheel of deels worden bekostigd met een specifieke uitkering of subsidie, binnen het taakveld overhead apart geadministreerd en in de desbetreffende verantwoordingen over de besteding toegerekend aan die activiteiten.

  • 3. Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten die kunnen worden betrokken in de aangifte vennootschapsbelasting, binnen het taakveld overhead apart geadministreerd en voor de belastingaangifte aan de kostprijs van de vennootschapsbelastingplichtige activiteiten toegerekend.

  • 4. Het percentage van de omslagrente voor de toerekening van rente voor de financiering van de in gebruik zijnde activa, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld.

Artikel 16 Prijzen economische activiteiten

  • 1. Voor de levering van goederen, diensten of werken door de SWO aan overheidsbedrijven en derden waarbij de SWO in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt ten minste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het bestuur vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een bestuursbesluit, waarin het publiek belang van de levering van de desbetreffende goederen, diensten of werken wordt gemotiveerd.

  • 2. Bij het verstrekken van leningen of garanties door de SWO aan overheidsbedrijven en derden worden ten minste de geraamde integrale kosten in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een publiekbelang doet de directie vooraf een voorstel voor een bestuursbesluit, waarin het publiek belang van de lening of de garantie wordt gemotiveerd.

  • 3. Bij het verstrekken van kapitaal door de SWO aan overheidsbedrijven en derden gaat de directie uit van een vergoeding van ten minste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet de directie vooraf een voorstel voor een bestuursbesluit, waar in het publiek belang van de kapitaalverstrekking wordt gemotiveerd.

  • 4. Bestuursbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in de vorige leden zijn niet nodig als minder dan de integrale kostprijs in rekening wordt gebracht en sprake is van:

    • a.

      leveringen van goederen, diensten of werken en het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal aan andere overheden voor zover deze leveringen en verstrekkingen zijn bedoeld voor de uitoefening van de publieke taak door die andere overheid;

    • b.

      een bevoordeling van activiteiten in het kader van een bij wet opgedragen publiekrechtelijke taak;

    • c.

      een bevoordeling van activiteiten in het kader van een toegekend bijzonder of uitsluitend recht waarvoor prijsvoorschriften gelden;

    • d.

      een bevoordeling van sociale werkplaatsen;

    • e.

      een bevoordeling van onderwijsinstellingen;

    • f.

      een bevoordeling van publieke media-instellingen;

    • g.

      een bevoordeling die valt onder de reikwijdte van de staatssteunregels van het Werkingsverdrag van de Europese Unie en daarmee verenigbaar is.

Artikel 17 Financieringsfunctie

  • 1. De directie neemt bij het uitzetten en het aantrekken van middelen de volgende kaders in acht:

    • a.

      voor het aantrekken van financieringen met een looptijd langer dan één jaar worden tenminste tweeprijsopgaven bij verschillende financiële instellingen gevraagd;

    • b.

      er wordt geen gebruik gemaakt van financiële derivaten als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wetfinanciering decentrale overheden.

  • 2. De directie informeert het bestuur vooraf indien de wettelijke kasgeldlimiet, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet financiering decentrale overheden, of de wettelijke renterisiconorm, bedoeld in artikel 1, onder h, van de Wet financiering decentrale overheden, dreigt te worden overschreden.

  • 3. De directie neemt bij de uitvoering van de financieringsfunctie de richtlijnen in acht zoals vastgelegd in het treasurystatuut.

  • 4. Bij het verstrekken van leningen, het verstrekken van garanties en het verstrekken van risicodragend kapitaal bedingt de directie indien mogelijk zekerheden.

Artikel 18 Overhevelingen

  • 1. De directie kan het bestuur voorstellen om incidentele budgetten, die in een jaar nog niet (volledig) zijn besteed, over te hevelen naar het volgende begrotingsjaar. Daarbij gelden de volgende criteria/afspraken:

    • a.

      de overheveling moet betrekking hebben op incidenteel beschikbaar gestelde budgetten;

    • b.

      door de overheveling mogen de betreffende budgetten niet worden overschreden;

    • c.

      de voorgenomen aanwending van de budgetten in t+1 is gelijk aan de oorspronkelijk geplande besteding in jaar t. Doel en aard zijn identiek;

    • d.

      het minimum bedrag is € 25.000;

    • e.

      voor één activiteit wordt in principe één keer een budgetoverheveling aangevraagd, tenzij hiervoor goede argumenten (onvermijdelijkheid) zijn om hiervan af te wijken;

    • f.

      alle verzoeken tot budgetoverheveling wordt gemotiveerd en aan het bestuur aangeboden in een integraal bestuursvoorstel. Dit is hetzelfde bestuursvoorstel waarmee de jaarrekening aan de het bestuur wordt aangeboden;

    • g.

      het bestuur beslist over het voorstel tot budgetoverheveling bij de vaststelling van de jaarrekening inclusief de verwerking van de financiële gevolgen voor het begrotingsjaar t+1.

Hoofdstuk 5 Paragrafen

Artikel 19 Paragrafen

  • 1. Bij de begroting en de jaarstukken verstrekt de directie in de betreffende paragrafen de informatie als bedoeld in de artikelen 9 tot en met 16 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

  • 2. Indien gewenst kan het bestuur bepalen dat hij over aanvullende zaken in de paragrafen wordt geïnformeerd.

Hoofdstuk 6 Financiële organisatie en financieel beheer

Artikel 20 Administratie

  • 1. De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor:

    • a.

      het sturen en het beheersen van activiteiten en processen binnen de SWO als geheel en in de eenheden;

    • b.

      het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van activa, passiva en niet uit de balans blijkende verplichtingen;

    • c.

      het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het maken van kostencalculaties;

    • d.

      het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot de productie van goederen en diensten;

    • e.

      het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving;

    • f.

      de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving.

Artikel 21 Financiële organisatie

De directie draagt zorgt voor:

  • a. een eenduidige indeling van de bedrijfsvoeringsorganisatie;

  • b. een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden, verantwoordelijkheden;

  • c. de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten;

  • d. de interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie;

  • e. de kostenverdeelsleutels voor het eenduidig toewijzen van baten en lasten aan de taakvelden;

  • f. het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten;

  • Opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan.

Artikel 22 Interne controle

  • 1. De directie draagt zorg voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen rapporteren de directie daarover in de rechtmatigheidsverantwoording, zoals beschreven in artikel 10 onder lid 3. Daarnaast informeert de directie het bestuur over genomen maatregelen en herstel van de tekortkomingen.

  • 2. De directie zorgt voor de systematische controle van de administratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het financieel vermogen van de SWO met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd en registergoederen en bedrijfsmiddelen ten minste eenmaal in de 5 jaar. Bij afwijkingen in de administratie neemt de directie maatregelen tot herstel van de tekortkomingen.

Hoofdstuk 7 Slotbepalingen

Artikel 23 Overgangsrecht

  • 1. De “Verordening op de uitgangspunten voor het financieel beleid, alsmede voor het financieel beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie van de bedrijfsvoering organisatie” wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de jaarstukken en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar voorafgaan aan het jaar waarin deze verordening in werking treedt.

  • 2. Op investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut die voor 1 januari 2023 zijn gedaan, blijft de “Verordening op de uitgangspunten voor het financieel beleid, alsmede voor het financieel beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie van de bedrijfsvoering organisatie” van toepassing zoals deze gold op de dag voor de inwerkingtreding van deze verordening.

Artikel 24 Intrekken oude verordening

  • 1. De Verordening op de uitgangspunten voor het financieel beleid, alsmede voor het financieel beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie van de bedrijfsvoering organisatie wordt ingetrokken met ingang van de datum waarop deze verordening in werking treedt.

  • 2. Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2025.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van het bestuur van 18 december 2025.

Inge C.J. Nieuwenhuizen en Martijn Breukelman

De voorzitters

Bijlage afschrijvingsbeleid bij artikel 14

Immateriële vaste activa

  • 1.

    Activeringsgrens investeringen

    • a.

      Investeringen met economisch nut ten bedrage van minder dan € 50.000 worden niet geactiveerd.

    • b.

      Investeringen met maatschappelijk nut ten bedrage van minder dan € 50.000 worden niet geactiveerd.

    • c.

      Het begrote bedrag van de investering is voor de activagrens bepalend voor het wel of niet activeren.

    • d.

      Identieke investeringen/ goederen die afzonderlijk beneden de activagrens liggen en in één boekjaar worden aangeschaft en gezamenlijk als totaal boven de activagrens liggen worden als één investering geactiveerd.

  • 2.

    Kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio

  • De afsluitkosten van opgenomen geldleningen worden afgeschreven gedurende de resterende looptijd van de betreffende geldlening.

  • 3.

    Kosten van onderzoek en ontwikkeling van een bepaald actief

  • De kosten van onderzoek en ontwikkeling worden in vijf jaar afgeschreven. De afschrijving van de geactiveerde kosten van onderzoek en ontwikkeling vangt aan bij ingebruikneming van het hieraan gerelateerde materiële vaste actief.

  • 4.

    Bijdragen aan activa in eigendom van derden

  • Bijdragen aan activa van derden worden volgens het desbetreffende bestuursbesluit geactiveerd. Dergelijke geactiveerde bijdragen zijn gewaardeerd tegen het bedrag van de verstrekte bijdragen, verminderd met afschrijvingen. De verleende bijdragen worden afgeschreven in de periode waarin het betrokken actief van de derde op basis van de door de SWO gestelde voorwaarden moet bijdragen aan de publieke taak.

  • 5.

    Reserve dekking kapitaallasten (activa reserve)

  • Het bestuur kan op voorstel van de directie besluiten om bestemmingsreserves voor gehele of gedeeltelijke dekking van kapitaallasten in te stellen. De reserve wordt in dat geval niet op de investering in mindering gebracht, maar valt jaarlijks vrij volgens de afschrijvingstermijn van het actief (bruto waarderingsmethode).

  • 6.

    Gronden en terreinen

  • Gronden en terreinen worden altijd geactiveerd. Op gronden en terreinen wordt niet afgeschreven. Kosten van grondaankopen ten behoeve van investeringen met maatschappelijk nut (wegen, riolering, etc.) worden tot de kosten van de specifieke investering gerekend.

  • 7.

    Restwaarde

  • Bij afschrijving wordt geen rekening gehouden met een restwaarde.

  • 8.

    Afschrijvingsmethode

    • a.

      Op activa wordt afgeschreven op basis van de lineaire methode.

    • b.

      In afwijking van het bepaalde onder a. kan het bestuur op voorstel van de directie besluiten om op basis van de annuïtaire methode af te schrijven.

  • 9.

    Afschrijvingstermijn

    • a.

      Investeringen worden afgeschreven volgens de termijnen zoals opgenomen in de afschrijvingstabel van deze bijlage.

    • b.

      De directie kan aan het bestuur voorstellen om in afwijking van de afschrijvingstabel een andere afschrijvingstermijn te hanteren gebaseerd op de verwachte toekomstige gebruiksduur.

    • c.

      Afschrijvingstermijnen van investeringen die niet voorkomen in de tabel worden bij de autorisatie van de betreffende investeringskredieten vastgesteld.

  • 10.

    Moment start afschrijving

  • De afschrijving vangt bij alle investeringen aan met ingang van het jaar volgend op de ingebruikneming/oplevering. Een actief wordt in ieder geval als gereed beschouwd als meer dan 90% van de uitgaven zijn gedaan.

  • 11.

    Autoriseren

  • Investeringen worden geautoriseerd door het bestuur. De autorisatie van het investeringsbedrag, inclusief de dekking van de financiële gevolgen vindt als volgt plaats:

  • a.

    Voor investeringen die bekend zijn en worden vastgesteld bij de programmabegroting vindt de autorisatie plaats bij de vaststelling van de begroting aan de hand van het meerjareninvesteringsprogramma.

  • b.

    Voor investeringen die bekend zijn bij de programmabegroting maar die nog niet zijn vastgesteld vindt de autorisatie plaats via een apart bestuursvoorstel.

  • c.

    Voor investeringen die nog niet bekend zijn bij de programmabegroting en waarvoor in de loop van het jaar een beslissing wordt genomen vindt de autorisatie plaats via een apart bestuursvoorstel.

  • 12.

    Wijzigingen

  • Indien sprake is van verwachte kredietoverschrijdingen wordt hier op de volgende wijze mee omgegaan:

    • a.

      Bij investeringen met een kredietoverschrijding onder de € 50.000 ten opzichte van het beschikbaar gestelde krediet wordt in beginsel geen aanvullend krediet gevraagd.

    • b.

      Bij investeringen wordt een kredietoverschrijding boven de € 50.000 ten opzichte van het beschikbaar gestelde krediet gerapporteerd in de eerstvolgende bestuursrapportage en wordt aan het bestuur een aanvullend krediet gevraagd.

  • 13.

    Hardheidsclausule

  • Bij onvoorziene omstandigheden en gegronde redenen behoudt het bestuur op voorstel van de directie het recht om anders te beslissen dan is opgenomen in deze bijlage.

Afschrijvingsbeleid immateriële vaste activa

De volgende immateriële vaste activa worden lineair afgeschreven in:

Actief

Componenten

Afschrijvingstermijn

Bijdragen aan activa in eigendom van derden

Maximaal 5 jaar

Kosten voor onderzoek en ontwikkeling

5 jaar

Afschrijvingsbeleid materiële vaste activa met economisch nut

De volgende materiële vaste activa met economisch nut worden lineair afgeschreven in:

Actief

Componenten

Afschrijvingstermijn

Gronden en terreinen

Gronden

Niet afschrijven

Erfpachtgronden

Niet afschrijven

Woonruimten

Woningen

40 jaar

Bedrijfsgebouwen

Bedrijfsgebouwen

40 jaar

Loodsen/onderkomens

15 jaar

Noodlokalen

10 jaar

Renovatie, restauratie en aankoop bestaande woonruimten en bedrijfsgebouwen

25 jaar

Technische installaties in en rondom bedrijfsgebouwen

15 jaar

Overige inventaris

10 jaar

Groenvoorziening

30 jaar

Vervoersmiddelen

Bedrijfsauto's

8 jaar

Personenauto's

7 jaar

Aanhangwagens

10 jaar

Tractoren/ vrachtauto's

10 jaar

Machines, apparaten en installaties

Automatisering-klantsysteem

PDA

2 jaar

Thin Cliënt

5 jaar

Computer

3 jaar

Telefoon - mobiel

2 jaar

Telefoon - Vast

5 jaar

Monitor

4 jaar

Laptop

3 jaar

Beamer

3 jaar

Printer

3 jaar

Token

3 jaar

Automatiseringsapparatuur/kasregisters

4 jaar

Automatisering-centraal systeem

SAN

5 jaar

Brandbeveiligingsinstallatie

10 jaar

UPS

7 jaar

Switcher

6 jaar

Server

3 jaar

ICT

Implementatie systemen

5 jaar

Software (niet zijnde SaaS)

4 jaar

Scanapparatuur

5 jaar

Schermen vergaderzalen

5 jaar

Smartboards/ televisie

5 jaar

Installaties

(Veiligheid)installaties

5 - 15 jaar

Parkeermeters

10 jaar

Apparaten/machines

Gereedschap

5 jaar

Diverse apparaten

5 jaar

Overig

Meubilair

10 jaar