Verordening Fysieke Leefomgeving Gulpen-Wittem 2026

Geldend van 13-02-2026 t/m heden

Intitulé

Verordening Fysieke Leefomgeving Gulpen-Wittem 2026

De gemeenteraad van Gulpen-Wittem,

Overwegende

het voorstel BDO11 van het college van burgemeester en wethouders d.d. dinsdag 16 december 2025;

artikel 149 van de Gemeentewet.

Besluit

de Verordening Fysieke Leefomgeving Gulpen-Wittem 2026 vast te stellen, zoals hierna volgt:

VERORDENING FYSIEKE LEEFOMGEVING GULPEN-WITTEM 2026

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1:1 Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    APV: Algemene Plaatselijke Verordening Gulpen-Wittem 2026;

  • b.

    bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet;

  • c.

    beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage onder A, bij de Omgevingswet;

  • d.

    bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de omgevingswet;

  • e.

    bouwwerk: hetgeen in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet daaronder wordt verstaan;

  • f.

    bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;

  • g.

    college: het college van burgemeester en wethouders;

  • h.

    gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

  • i.

    handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;

  • j.

    makelaarsbord: ieder bord, particulier dan wel commercieel, dat tot doel heeft de verkoop/verhuur van een pand kenbaar te maken dan wel te bevorderen;

  • k.

    motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

  • l.

    openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;

  • m.

    openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan;

  • n.

    parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

  • o.

    rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;

  • p.

    voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen;

  • q.

    weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet daaronder wordt verstaan.

Artikel 1:2 Beslistermijn

  • 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning, ontheffing of overig (toestemmings)besluit binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald

  • 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen.

  • 3. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.

Artikel 1:3 Voorschriften en beperkingen

  • 1. Aan een vergunning, ontheffing of overige (toestemmings)besluiten kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning, ontheffing of overig (toestemmings)besluit is vereist.

  • 2. Degene aan wie een vergunning, ontheffing of op een andere manier toestemming is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Artikel 1:4 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

  • 1. De vergunning, ontheffing of een ander toestemmingsbesluit is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1:5 Intrekking of wijziging

  • 1. De vergunning, ontheffing of ander (toestemmings)besluit) kan worden ingetrokken of gewijzigd als:

    • a.

      ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

    • b.

      op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing, vergunning of ander (toestemmings)besluit, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

    • c.

      de aan de vergunning, ontheffing of ander toestemmingsbesluit verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

    • d.

      van de vergunning, ontheffing of ander (toestemmings)besluit geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of

    • e.

      indien de houder dit verzoekt.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1:6 Termijnen

  • 1. De vergunning, ontheffing of ander (toestemmings)besluit geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning, ontheffing of ander (toestemmings)besluit anders is bepaald of de aard van de vergunning, ontheffing of ander toestemmings(besluit) zich daartegen verzet.

  • 2. De aard van de vergunning, ontheffing of ander (toestemmings)besluit verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd indien het aantal vergunningen, ontheffingen of andere (toestemmings)besluiten is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen, ontheffingen of andere (toestemmings)besluiten overtreft.

Artikel 1:7 Weigeringsgronden

  • 1. Een vergunning, ontheffing of ander (toestemmings)besluit kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de openbare orde;

    • b.

      de openbare veiligheid;

    • c.

      de volksgezondheid;

    • d.

      de bescherming van het milieu.

  • 2. Een vergunning, ontheffing of ander (toestemmings)besluit kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Artikel 1:8 Samenloop

Vervallen

HOOFDSTUK 2. WEGEN EN OMGEVING

Afdeling 1. BRUIKBAARHEID TEN AANZIEN VAN DE WEG

Artikel 2:1 Voorwerpen op of aan de weg

  • 1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik:

    • a.

      schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of

    • b.

      niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

  • 2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang van 1,50 m strekkende meter wordt gelaten op voetpaden en van 3,50 m strekkende meter op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer, dan wel zo breed mogelijk indien van oudsher een smallere doorgang bestaat.

  • 3. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van voorwerpen op, boven, in of aan een de weg.

  • 4. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod.

  • 5. Het verbod is niet van toepassing op:

    • a.

      Het maken van foto- en/of filmopnames als bedoeld in artikel 2:1a;

    • b.

      evenementen als bedoeld in artikel 2:24 Algemene Plaatselijke Verordening Gulpen-Wittem 2026;

    • c.

      standplaatsen als bedoeld in artikel 4:15;

    • d.

      overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.

  • 6. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:1a Maken van foto- en/of filmopnames

  • 1. Het is verboden om foto- en/of filmopnames te maken in de openbare ruimte voor andere dan privédoeleinden.

  • 2. In dit artikel wordt onder foto- en/of filmopnames verstaan: het maken van foto- en/of filmopnames voor commerciële, creatieve of educatieve doeleinden die impact hebben op de openbare ruimte en waar de omgeving overlast van kan ondervinden vanwege afzettingen, parkeren van materiaalwagens, etc.

  • 3. Het verbod is niet van toepassing als:

    • a.

      Degene die het voornemen om foto- en/of filmopnames te maken daarvan niet minimaal vier weken van tevoren een (digitale) melding heeft gedaan aan het college;

    • b.

      De melding als bedoeld onder a, bevat:

      • -

        een toelichting waar de foto- en/of filmopnames over gaan;

      • -

        een datum, begintijd en eindtijd van de foto- en/of filmopnames, inclusief op- en afbouw;

      • -

        een tekening met de situatie van de plek van de foto- en/of filmopnames en een situatieschets met de plek waar de materiaal en- of cateringwagens staan.

    • c.

      De foto- en/of filmopnames plaatsvinden tussen 07:00-22:00 uur, tenzij het college toestemming heeft gegeven om buiten dit tijdstip foto- en/of filmopnames te maken;

    • d.

      De duur van de foto- en/of filmopnames maximaal drie werkdagen en één weekenddag is;

    • e.

      Buurtbewoners minimaal twee weken voorafgaand aan de foto- en/of filmopnames door middel van een bewonersbrief worden ingelicht over het maken van de foto- en/of filmopnames, met daarin een contactpersoon die tijdens het maken van de foto- en/of filmopnames bereikbaar is;

    • f.

      Onbeperkt doorgang wordt verleend aan hulpdiensten. Indien dit niet gegarandeerd kan worden, wordt bij de melding een verkeersplan met omleiding toegevoegd, welke wordt beoordeeld door een verkeerskundige van de gemeente;

    • g.

      Consumpties niet worden klaar gemaakt op de openbare weg en/of tafels en stoelen niet worden geplaatst op de openbare weg, tenzij daarvoor een ontheffing is verleend op grond van artikel 2:1, vierde lid of wordt voldaan aan de nadere regels als genoemd in artikel 2:1, derde lid;

    • h.

      Afval niet wordt gedeponeerd in de openbare afvalbakken, maar wordt verzameld en weggebracht;

    • i.

      Aan de volgende verkeerscriteria wordt voldaan:

      • -

        Parkeren vindt plaats in de parkeervakken of op de parkeerstroken;

      • -

        Verkeersmaatregelen voldoen aan de CROW richtlijnen 96a/96b;

      • -

        Er wordt geen weg afgezet, een parkeerplaats gereserveerd en/of borden geplaats zonder toestemming van het college;

      • -

        Als toestemming is verkregen door het college wordt geplaatste bebording door de melder na afloop van de foto- en/of filmopnames op dezelfde dag verwijderd;

      • -

        Als verkeersregelaars worden ingezet zijn deze gecertificeerd en duidelijk herkenbaar;

      • -

        Bij een wegafsluiting wordt door de melder een gedetailleerd verkeersplan/tekening ingediend welke wordt beoordeeld door een verkeerskundige van de gemeente. In dit plan is opgenomen:

        • o

          Waar de afsluiting plaatsvindt en op welke wijze de omleiding wordt vormgegeven;

        • o

          Een afbeelding van de verkeersmaatregelen, zoals de plaatsing van de verkeersborden/schrikhekken, inzet verkeersregelaars en de omleiding.

    • j.

      De overige benodigde vergunningen/ontheffingen of overige toestemmingen zijn aangevraagd en verleend.

  • 4. Het college kan besluiten een foto- en/of filmopname, zoals bedoeld in het eerste lid, te verbieden, binnen een termijn van twee weken na ontvangst van de melding, als daardoor de openbare orde en/of (verkeers)veiligheid in het gedrang komt.

Artikel 2:2 Maken of veranderen van een uitweg

  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:7 wordt de vergunning slechts geweigerd:

    • a.

      ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;

    • b.

      in het belang van de bruikbaarheid van de weg;

    • c.

      als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

    • d.

      in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

    • e.

      als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of;

    • f.

      als sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg op hetzelfde perceel ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.

  • 3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.

Afdeling 2. VEILIGHEID OP DE WEG

Artikel 2:3 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.

Artikel 2:4 Openen straatkolken e.d.

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2:5 Rookverbod in bossen en natuurterreinen

  • 1. Het is verboden in bossen, of heide of binnen een afstand van dertig meter daarvan:

    • a.

      te roken gedurende een door het college aangewezen periode en in ieder geval in de maanden mei tot en met november;

    • b.

      hooi of stro of andere brandgevaarlijke stoffen op te slaan;

    • c.

      voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.

  • 3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.

Artikel 2:6 Voorzieningen voor verkeer en verlichting

  • 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.

Artikel 2:6a Verbod gebruik openbare plaats als slaapplaats

  • 1. Het is verboden een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken of op een openbare plaats een voertuig, vaartuig, woonwagen, tent of een andere vorm van beschutting als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden.

  • 2. Het verbod geldt niet:

    • a.

      voor woonwagens met een woonbestemming;

    • b.

      op een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd;

    • c.

      op kampeerplaatsen die op grond van artikel 3:23 zijn aangewezen.

HOOFDSTUK 3. BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE

Afdeling 1. VOORKOMEN OF BEPERKEN GELUIDHINDER EN HINDER DOOR VERLICHTING

Artikel 3:1 Definities

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

  • b.

    collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

  • c.

    gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • d.

    gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • e.

    horeca-inrichting: een inrichting waarbij sprake is van:

    • I.

      Hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek of een daaraan verwante inrichting waar tegen vergoeding logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken of spijzen voor directe consumptie worden bereik of verstrekt;

    • II.

      Dansscholen en andere inrichtingen waar één of meer voorzieningen aanwezig zijn voor het dansen;

    • III.

      Muziekscholen, muziek oefenlokalen en andere inrichtingen waar één of meer voorzieningen aanwezig zijn voor het beoefenen van muziek.

  • f.

    houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

  • g.

    incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

  • h.

    inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 3:2 tot en met 3:6 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • i.

    onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

Artikel 3:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten

  • 1. De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 (artikel 22.63 tot en met 2.69 Bruidsschat) van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  • 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 22.239 Bruidsschat) gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  • 3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer gedeelten van de gemeente.

  • 4. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.

  • 5. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

  • 6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 70 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

  • 7. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

Artikel 3:3 Melding incidentele festiviteiten

  • 1. Het is toegestaan in een horecainrichting om maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 22.63 tot en met 2.69 Bruidsschat), niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voorafgaand aan de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.

  • 2. Het is toegestaan in een inrichting, niet zijnde horeca-inrichting, toegestaan om maximaal 2 dagen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 22.63 tot en met 2.69 Bruidsschat) en artikel 3:7, niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voorafgaand aan de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.

  • 3. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 22.239 Bruidsschat) niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.

  • 4. Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding. Dit formulier wordt digitaal ingediend via de gemeentelijke website.

  • 5. De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ontvangen op de plaats op dat formulier vermeld.

  • 6. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

  • 7. Minimaal acht dagen voorafgaand aan een incidentele festiviteit dienen omwonenden in de directe omgeving van de inrichting schriftelijk in kennis gesteld te worden van aard, datum, contactpersoon, aanvangstijd en de duur van die festiviteit.

Artikel 3:4 Verboden incidentele festiviteiten

  • 1. Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te laten dan wel feitelijk te leiden indien:

    • a.

      de melding daarvan niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:3, eerste lid en het vierde tot en met het zesde lid, is gedaan;

    • b.

      gehandeld wordt in afwijking van de gegevens die bij de melding als bedoeld in artikel 3:3 zijn verstrekt;

    • c.

      de houder van de inrichting verzuimt te doen of na te laten hetgeen redelijkerwijs gevergd kan worden om overmatige (onduldbare) hinder te voorkomen;

    • d.

      het maximaal toegestane aantal festiviteiten als vervat in artikel 3:3, eerste en/of tweede lid is overschreden;

    • e.

      sprake is van overmatige (onduldbare) hinder naar de omgeving toe.

  • 2. Van overmatige hinder als bedoeld in het eerste lid, sub c is sprake als ten tijde van een incidentele festiviteit het het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, meer bedraagt dan 70 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter.

  • 3. De geluidsnorm, bedoeld in het tweede lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

Artikel 3:5 Voorschriften collectieve en incidentele festiviteiten in inrichtingen

Het is verboden een incidentele of collectieve festiviteit binnen een inrichting te organiseren, toe te laten dan wel feitelijk te leiden indien de houder van de inrichting verzuimt de hiernavolgende voorschriften na te leven:

  • 1.

    Ten tijde van een incidentele of collectieve festiviteit dient het ten gehore brengen van extra muziekgeluid/geluid – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 22.63 tot en met 22.69 Bruidsschat) - uiterlijk om 23:00 uur en op vrij-, zaterdagen en erkende feestdagen om 01:00 uur te zijn beëindigd.

  • 2.

    Bij horeca-inrichtingen mag maximaal eenmaal per kalenderjaar twee dagen, die elk afzonderlijk als een incidentele activiteit gelden, achter elkaar worden opgenomen als incidentele festiviteit, mits dit toelaatbaar is ten aanzien van de omgevingsdruk.

  • 3.

    Ten tijde van een incidentele dan wel collectieve festiviteit mag geen sprake zijn van overmatige (onduldbare) hinder en mag het geluidniveau in een inrichting nooit meer dan 102 dB(A) LAeq bedragen waar ook gemeten in de lokaliteit.

  • 4.

    Geluidmetingen vinden plaats conform de Omgevingsregeling, Bijlage IVh.

  • 5.

    Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen; de toegangsdeuren mogen niet in geopende stand worden vastgezet, moeten zelfsluitend zijn uitgevoerd en dienen zacht te sluiten.

  • 6.

    De glasbezetting mag ten tijde van een incidentele dan wel collectieve festiviteit en tijdens het ten gehore brengen van muziek en/of spraak via een geluidsinstallatie niet geheel of gedeeltelijk gebroken of beschadigd zijn.

  • 7.

    Zowel ten tijde van een incidentele als van een collectieve festiviteit is het gebruik van geluidsboxen op het terras, aan de gevels en/of in raam- c.q. deuropeningen van inrichtingen, niet toegestaan.

Artikel 3:6 Buitenterreinen

De aanwijzing van een collectieve festiviteit als bedoeld in artikel 3:2, dan wel de melding van een incidentele festiviteit, als bedoeld in artikel 3:3 is niet van toepassing op een buitenterrein of terras, behorende bij een inrichting.

Artikel 3:7 Geluidhinder in de openlucht

  • 1. Het is verboden (buiten een inrichting) in de openlucht een geluidsapparaat, toestel of machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  • 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  • 3. Het college kan terreinen aanwijzen waar het verbod niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, toestellen of machines, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van geluidhinder.

  • 4. De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op:

    • a.

      het maximale geluidsniveau;

    • b.

      de situering van geluidsbronnen;

    • c.

      de frequentie en tijden van gebruik.

  • 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 3:8 (Geluid)hinder door dieren

Degene die buiten een inrichting de zorg heeft voor een dier moet voorkomen dat dit voor omwonenden of overigens voor de omgeving (geluid)hinder veroorzaakt.

Artikel 3:9 (Geluid)hinder door motorvoertuigen en bromfietsen

Het is verboden zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder ontstaat.

Artikel 3:10 (Geluid)hinder door vrachtwagens

  • 1. Het is verboden een vrachtauto als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1994 op zodanige wijze te laden of te lossen dat hierdoor voor omwonende of overigens (geluid)hinder wordt veroorzaakt.

  • 2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

Afdeling 2. HET BEWAREN VAN HOUTOPSTANDEN

Artikel 3:11 Definities

  • 1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

    • a.

      boom: een houtachtig, opgaand gewas met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 20 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam;

    • b.

      boomwaarde: de monetaire waarde van een boom zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen;

    • c.

      bomen effect analyse: een standaard beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor houtopstand, op basis van landelijke richtlijnen van de Bomenstichting;

    • d.

      hakhout: één of meer bomen, die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen.

    • e.

      houtopstand: één of meer bomen of boomvormers, of andere houtachtige gewassen, mogelijk onderdeel uitmakend van hakhout, een houtwal, een grotere (lint)begroeiing van heesters en struiken, een beplanting van bosplantsoen, een struweel of een heg, met een lengte van minimaal 25 meter;

    • f.

      kandelaberen: (een boom) snoeien tot op de hoofdtakken;

    • g.

      knotten: periodiek terugsnoeien van een boom en/of houtopstand, waarbij alle takken van een boom worden terug gesnoeid tot op een centrale knot, een verdikking aan de stam.

    • h.

      monumentale boom: bijzondere beschermwaardige houtopstand met een relatief hoge leeftijd en met een bijzondere schoonheid- of zeldzaamheidswaarde, of een bijzondere functie voor de omgeving;

    • i.

      vellen: het afzagen of vernietigen van een boom en/of houtopstand;

  • 2. In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

Artikel 3:12 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een houtopstand te vellen of te doen vellen.

  • 2. Het gestelde verbod geldt niet voor:

    • a.

      houtopstand in privaat eigendom op percelen van minder dan 120m2, tenzij het een monumentale boom betreft.

    • b.

      het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

    • c.

      het periodiek knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

    • d.

      het vellen van naaldbomen en coniferen;

    • e.

      bomen met een stamdiameter kleiner dan 25 centimeter, gemeten op 1,30 meter boven het maaiveld.

  • 3. Het verbod is tevens niet van toepassing als de burgemeester toestemming verleent voor het vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een direct gevaar voor personen of goederen.

Artikel 3:13 Aanvraag vergunning

De vergunning moet worden aangevraagd door of namens dan wel met toestemming van degene, die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.

Artikel 3:14 Weigeringsgronden

  • 1. Een vergunning wordt geweigerd indien de belangen van verlening niet opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand op basis van één of meer van de volgende waarden:

    • a.

      natuur en milieuwaarden;

    • b.

      landschappelijke waarden;

    • c.

      cultuurhistorische waarden;

    • d.

      waarden van stads en dorpsschoon;

    • e.

      waarden voor recreatie en leefbaarheid;

    • f.

      beeldbepalende waarde van de houtopstand.

  • 2. Een vergunning voor het vellen van een monumentale en beschermingswaardige boom of houtopstand wordt slechts bij uitzondering verleend, als:

    • a.

      een zwaarwegend maatschappelijk belang opweegt tegen duurzaam behoud van de monumentale of beschermingswaardige boom of houtopstand;

    • b.

      geen alternatieven aanwezig zijn;

    • c.

      naar boomdeskundige maatstaven instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of schade.

Artikel 3:15 Vergunningsvoorschriften

  • 1. Aan een vergunning als bedoeld in artikel 3:12, eerste lid, kan tevens een voorschrift worden opgenomen waarbij een herplantverplichting wordt opgelegd.

  • 2. Degene aan wie een voorschrift als bedoeld in het eerste lid is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

Artikel 3:16 Herplant-/instandhoudingsplicht

  • 1. Als wordt gehandeld in strijd met artikel 3:12, eerste lid of de boom dan wel houtopstand op een andere wijze teniet is gegaan, kan het college aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de boom/houtopstand bevond dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een gestelde termijn.

  • 2. Als een herplantplicht op grond van het eerste lid wordt opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na herplant en op welke wijze niet aangeslagen herplant moet worden vervangen.

  • 3. Indien houtopstand waarop artikel 3:12, eerste lid van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het college aan de zakelijk gerechtigde tot de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om:

    • a.

      overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen binnen een te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen;

    • b.

      een bomen effect analyse op te stellen en aan te bieden aan het college.

  • 4. De verplichting om aan dit artikel te voldoen geldt ook voor diens rechtsopvolger.

Artikel 3:17 Afstand van de erfgrenslijn

De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heesters en heggen.

Artikel 3:18 Bestrijding van boomziekten

  • 1. Als zich op een terrein één of meer bomen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn:

    • a.

      de houtopstand te vellen;

    • b.

      conform richtlijnen van het college de gevelde houtopstand direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen.

  • 2. Het is verboden gevelde bomen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een boomsoort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden.

  • 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het tweede lid.

Artikel 3:19 Bescherming publieke houtopstand

  • 1. Het is verboden om houtopstanden en groenvoorzieningen, die publiek eigendom zijn:

    • a.

      te beschadigen, te bekladden of te beplakken;

    • b.

      daaraan snoeiwerk te verrichten, behoudens door de gemeente opgedragen boomverzorgende taken.

  • 2. Het is verboden om één of meer voorwerpen in of aan een publieke houtopstand aan te brengen of anderszins te bevestigen, behoudens als hiervoor toestemming is verkregen van het college.

Afdeling 3. MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN (STANK)OVERLAST

Artikel 3:20 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke

  • 1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

    • a.

      onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

    • b.

      bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

    • c.

      kampeermiddelen als bedoeld in artikel 3:21 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of

    • d.

      mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

  • 2. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.

Afdeling 4. KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREIN

Artikel 3:21 Definitie

In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Artikel 3:22 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

  • 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd.

  • 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein, tenzij dat gebruik in strijd is met het omgevingsplan.

  • 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  • 4. Naast de weigeringsgronden in artikel 1:7 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van:

    • a.

      natuur en landschap; of

    • b.

      een stadsgezicht.

Artikel 3:23 Aanwijzing kampeerplaatsen

  • 1. Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod van artikel 3:22, eerste lid niet van toepassing is.

  • 2. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd artikel 3:22, vierde lid.

HOOFDSTUK 4. ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING VAN DE GEMEENTE

Afdeling 1. PARKEEREXCESSEN EN STOPVERBOD

Artikel 4:1 Definities

Vervallen (staat nu in artikel 1:1, bij de algemene begripsbepalingen)

Artikel 4:2 Voertuigen van autobedrijven en dergelijke

  • 1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:

    • a.

      het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of

    • b.

      het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

  • 2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:

    • a.

      voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of

    • b.

      voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.

  • 3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:

    • a.

      drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;

    • b.

      de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

  • 4. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.

  • 5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:3 Te koop aanbieden van voertuigen

  • 1. Het is verboden een voertuig op de weg te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

  • 2. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.

  • 3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4.4 Defecte voertuigen

Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.

Artikel 4.5 Voertuigwrakken

  • 1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 4.6 Kampeermiddelen, aanhangwagens, keetwagens e.a.

  • 1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:

    • a.

      langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben binnen de bebouwde kom op de weg of op een andere door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente;

    • b.

      op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  • 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a.

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.

  • 4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 4:7 Reclamevoertuigen

  • 1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.

  • 2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

  • 3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 4:8 Parkeren van grote voertuigen

  • 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op of aan de openbare weg, met uitzondering door het college aangewezen plaatsen .

  • 2. Het verbod is niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.

  • 3. Het college kan van het verbod een ontheffing verlenen.

  • 4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 4:9 Uitzichtbelemmerende voertuigen

  • 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

  • 2. Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

Artikel 4:10 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

  • 1. Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.

  • 2. Dit verbod is niet van toepassing op:

    • a.

      de weg;

    • b.

      voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam;

    • c.

      voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

  • 3. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

Artikel 4:11 Overlast van fietsen of bromfietsen

  • 1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.

  • 2. Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan.

Afdeling 2. COLLECTEREN

Artikel 4:12 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving

  • 1. Het is verboden een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd (hierna: de inzameling) als:

    • a.

      degene die het voornemen heeft een inzameling te doen als bedoeld in het eerste lid, daarvan niet minimaal vier weken van tevoren een melding heeft gedaan aan het college;

    • b.

      in de periode waarbinnen het voornemen bestaat om de inzameling te doen als bedoeld in het eerste lid, door een landelijke instelling al wordt gedaan die is ingedeeld in het landelijke collecte- en wervingsrooster voor het betreffende kalenderjaar;

    • c.

      het college de inzameling op grond van het vierde lid heeft verboden.

  • 2. Onder een inzameling als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook geschreven of gedrukte stukken worden gerekend, dan wel bij het aanbieden van diensten, aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

  • 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet:

    • a.

      voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt;

    • b.

      voor een instelling die is ingedeeld op het landelijk collecte- en wervingsrooster voor het betreffende kalenderjaar, mits de inzameling of werving overeenkomstig dat collecte- en wervingsrooster plaatsvindt; of

    • c.

      door een andere, door het college aangewezen instelling.

  • 4. Het college kan besluiten een inzameling, zoals bedoeld in het eerste lid, onder c, te verbieden, binnen een termijn van vier weken na ontvangst van de melding, als het vermoeden bestaat dat de opbrengst van de inzameling niet geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

Afdeling 3. VENTEN

Artikel 4:13 Definitie

  • 1. In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.

  • 2. Onder venten wordt niet verstaan:

    • a.

      het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;

    • b.

      het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;

    • c.

      het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 4:15.

Artikel 4:14 Ventverbod

  • 1. Het is verboden te venten:

    • a.

      indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt;

    • b.

      tussen 22.00 en 10.00 uur op door de weeks- of zondagen;

    • c.

      er geen melding is gedaan aan het college uiterlijk 10 werkdagen voorafgaand aan het venten;

    • d.

      de venter jonger is dan 18 jaar en niet voorzien is van een geldig legitimatiebewijs;

    • e.

      de venter overlast veroorzaakt voor winkelend publiek, overige voetgangers en gebruikers van de openbare ruimte;

    • f.

      de venter zich ophoudt op of nabij hoeken van wegen;

    • g.

      de venter zich ophoudt binnen een afstand van 50 meter, gemeten langs de straat, van een winkel of een standplaats die dezelfde of soortgelijke waren, goederen of diensten aanbiedt als waarmee wordt gevent;

    • h.

      er gebruik wordt gemaakt van een geluidsinstallatie of megafoon.

  • 2. De venter is verplicht:

    • a.

      de schade die hij door zijn handelen aan gemeentelijke eigendommen of eigendommen van derden toebrengt te vergoeden en voorts dient hij alle mogelijke maatregelen te nemen om te voorkomen dat de gemeente dan wel derden ten gevolge van zijn handelen schade zullen lijden;

    • b.

      Aanwijzingen, gegeven door ambtenaren van politie, dan wel andere bevoegde ambtenaren, dienen te worden opgevolgd.

  • 3. Het verbod is niet van toepassing op:

    • a.

      situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet;

    • b.

      het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard.

  • 4. Het college kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid, onder c, f en g.

Afdeling 4. STANDPLAATSEN

Artikel 4:15 Definities

  • 1. In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

  • 2. Onder standplaats wordt niet verstaan:

    • a.

      een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;

    • b.

      een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24 Algemene Plaatselijke Verordening Gulpen-Wittem 2026.

Artikel 4:16 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

  • 2. Een standplaats mag worden ingenomen iedere dag van 10.00 uur tot en met 22.00 uur en overeenkomstig het bepaalde in de Verordening winkeltijden gemeente Gulpen-Wittem 2011.

  • 3. Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan.

  • 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de vergunning worden geweigerd als:

    • a.

      de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of

    • b.

      een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang.

  • 5. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:17 Toestemming rechthebbende

Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.

Artikel 4:18 Afbakeningsbepalingen

  • 1. Artikel 4.13, eerste lid, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

  • 2. De weigeringsgrond van artikel 4:16, vierde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.

Afdeling 5. OPENBAAR WATER

Artikel 4:19 Voorwerpen op, in of boven openbaar water

  • 1. Het is verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

  • 2. Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college.

  • 3. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.

  • 4. Van de melding wordt kennis gegeven op de in de gemeente gebruikelijke wijze van bekendmaking.

  • 5. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 4:20 Beschadigen van waterstaatswerken

  • 1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 4.21 Reddingsmiddelen

Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.

Afdeling 6. CROSSTERREINEN EN GEMOTORISEERD RUITERVERKEER IN NATUURGEBIEDEN

Artikel 4:22 Definities

(Vervallen staat nu in algemene definities, artikel 1:1).

Artikel 4:23 Crossterreinen

  • 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:

    • a.

      het voorkomen of beperken van overlast;

    • b.

      de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;

    • c.

      de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

  • 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of het Besluit geluidproductie sportmotoren.

Artikel 4:24 Beperking verkeer in natuurgebieden

  • 1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, quad, bromfiets, een fiets of een paard.

  • 2. Het college kan terreinen aanwijzen waarop het verbod in het eerste lid niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen in het belang van:

    • a.

      het voorkomen van overlast;

    • b.

      de bescherming van natuur- of milieuwaarden;

    • c.

      de veiligheid van het publiek.

  • 3. Het verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden:

    • a.

      ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten;

    • b.

      die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    • c.

      die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;

    • d.

      van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    • e.

      voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.

  • 4. Het verbod is voorts niet van toepassing:

    • a.

      op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen;

    • b.

      binnen de bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel.

  • 5. Het college kan ontheffing verlenen van het gestelde verbod.

Afdeling 7. VERBOD VUUR TE STOKEN

Artikel 4:25 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

  • 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

  • 2. Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op:

    • a.

      verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

    • b.

      sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand;

    • c.

      vuur voor koken, bakken en braden.

  • 3. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.

  • 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.

  • 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder onder 1˚ of 3˚, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.

Afdeling 8. VERSTROOIING VAN AS

Artikel 4:26 Definitie

In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.

Artikel 4:27 Verboden plaatsen

  • 1. Incidentele as verstrooiing is verboden op:

    • a.

      verharde delen van de weg;

    • b.

      gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.

  • 2. Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat op andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid as verstrooiing plaatsvindt.

  • 3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, onder a.

  • 4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 4:28 Hinder of overlast

Incidentele as verstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.

Artikel 4:29 Verbod vuur te stoken

Vervallen (is reeds geregeld in artikel 4:25)

HOOFDSTUK 5 INZAMELING AFVALSTOFFEN

Afdeling 1. ALGEMEEN

Artikel 5:1 Definities

  • -

    inzamelmiddel: voor de inzameling van afvalstoffen bestemd hulp- of bewaarmiddel, ten behoeve van een huishouden;

  • -

    inzamelplaats: daartoe op grond van artikel 5 aangewezen plaats;

  • -

    inzamelvoorziening: voor de inzameling van afvalstoffen bestemd(e) bewaarmiddel of -plaats ten behoeve van meerdere huishoudens;

  • -

    perceel: perceel waar geregeld huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan.

Artikel 5:2 Doelstelling

De toepassing van deze afdeling is gericht op de bescherming van het milieu, met inbegrip van een doelmatig beheer van afvalstoffen.

Afdeling 2. HUISHOUDELIJKE AFVALSTOFFEN

Artikel 5:3 Aanwijzing van de inzameldienst

  • 1. De Gemeenschappelijke Regeling Reinigingsdienst Rd4 (hierna de inzameldienst) gevestigd te Heerlen is als inzameldienst belast met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen.

  • 2. Aan de aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld.

  • 3. Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop de inzameldienst huishoudelijke afvalstoffen inzamelt.

Artikel 5:4 Regulering van andere inzamelaars

  • 1. Het is voor anderen dan de inzameldienst verboden huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen, tenzij de inzamelaar:

    • a.

      daartoe is aangewezen door het college;

    • b.

      bij nadere regels van het college van het verbod is vrijgesteld; of

    • c.

      verplicht is tot inname, bedoeld in artikel 9.5.2, derde lid, aanhef en onderdeel b, of vierde lid, van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2. Het college kan aan een aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, onder a, voorschriften verbinden en beperkingen stellen.

Artikel 5:5 Aanwijzing van inzamelplaats

Het college draagt zorg voor ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats binnen de gemeenten waarmee wordt samengewerkt, waar in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen, met inbegrip van grof huishoudelijk afval, achter te laten.

Artikel 5.6 Algemene verboden

Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen:

  • a.

    ter inzameling aan te bieden aan een ander dan de inzameldienst of een inzamelaar als bedoeld in artikel 5.3, eerste lid;

  • b.

    over te dragen aan een ander dan een inzamelaar als bedoeld in artikel 5.3, eerste lid; of

  • c.

    achter te laten op een andere plaats dan de inzamelplaats, bedoeld in artikel 5:5;

  • d.

    achter te laten in een afvalbak bedoeld voor het inzamelen van afval dat ontstaat in de openbare ruimte.

Artikel 5:7 Afvalscheiding

  • 1. Het college stelt nadere regels over de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen die afzonderlijk door de inzameldienst worden ingezameld, over de frequentie van de inzameling van elk van deze bestanddelen, en over de locaties van deze inzameling bij of nabij elk perceel.

  • 2. In ieder geval worden de volgende bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen afzonderlijk ingezameld:

    • a.

      groente-, fruit- en tuinafval;

    • b.

      plastic, metaal en drinkkartons (pmd),

    • c.

      papier en karton;

    • d.

      glas;

    • e.

      textiel;

    • f.

      klein chemisch afval;

    • g.

      gevaarlijke afvalstoffen;

    • h.

      afgedankte elektrische en elektronische apparatuur.

  • 3. In het belang van een doelmatig afvalstoffenbeheer kan het college de aanwijzing van afzonderlijk in te zamelen bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in het tweede lid, of fracties daarvan, achterwege laten.

Artikel 5:8 Gescheiden aanbieding

  • 1. Het is verboden de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 5:7, anders dan afzonderlijk:

    • a.

      ter inzameling aan te bieden;

    • b.

      achter te laten op een inzamelplaats, bedoeld in artikel 5:5.

  • 2. Het college kan nadere regels stellen. Deze regels kunnen voor categorieën van gevallen of personen een vrijstelling inhouden van het verbod

Artikel 5:9 Tijdstip van aanbieding

Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan op de door het college daartoe bepaalde dag en tijden. Deze kunnen voor verschillende bestanddelen verschillend worden vastgesteld.

Artikel 5:10 Wijze en plaats van aanbieding

  • 1. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door burgemeester en wethouders te stellen regels over het gebruik van:

    • a.

      inzamelmiddelen voor het aanbieden ter inzameling bij een perceel;

    • b.

      inzamelvoorzieningen voor het aanbieden ter inzameling nabij een perceel.

  • 2. Het is verboden om een inzamelmiddel na afloop van de tijden, bedoeld in artikel 5:9, buiten een perceel te laten staan.

  • 3. Het college kan nadere regels stellen voor categorieën van percelen. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod inhouden.

Afdeling 3. BEDRIJFSAFVALSTOFFEN

Artikel 5:11 Inzameling bedrijfsafvalstoffen door afvalstoffendienst

Het college kan bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen aanwijzen die worden ingezameld door de inzameldienst die is aangewezen krachtens artikel 5:3, in gevallen waarin de voor deze inzameling verschuldigde reinigingsheffing is voldaan.

Artikel 5:12 Aanbieden ter inzameling van bedrijfsafvalstoffen

Het is verboden anders dan in overeenstemming met artikel 5:11 bedrijfsafvalstoffen ter inzameling door de inzameldienst aan te bieden, aan de inzameldienst over te dragen of bij de inzamelplaats, bedoeld in artikel 5:5, achter te laten.

Artikel 5:13 Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen

  • 1. Het is verboden bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door het college te stellen nadere regels over de dagen, tijden, wijzen en plaatsen van inzameling van de krachtens artikel 5:11 aangewezen bedrijfsafvalstoffen.

  • 2. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbieden of overdragen van bedrijfsafvalstoffen. Deze regels kunnen mede worden vastgesteld voor anderen dan de inzameldienst. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod, inhouden.

Afdeling 4. ZWERFAFVAL EN OVERIGE

Artikel 5:14 Dumpingsverbod

  • 1. Het is verboden zonder ontheffing van het college, buiten een inrichting, hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu te veroorzaken, door een afvalstof, een stof of een voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen in overeenstemming met dit hoofdstuk;

    • b.

      het composteren van huishoudelijk groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan;

    • c.

      het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen, met inbegrip van daarbij niet te vermijden plaatsing van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen op de weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994;

    • d.

      handelingen die zijn verboden bij of krachtens de Waterschapsverordening, het Besluit kwaliteit leefomgeving, Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving.

  • 3. Indien de overtreder van dit artikel onbekend is, wordt de persoon tot wie de aangetroffen afvalstof, stof of voorwerp kan worden herleid, geacht te hebben gehandeld in strijd met dit artikel.

Artikel 5:15 Zwerfafval in de openbare ruimte

  • 1. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen van beperkte omvang en gewicht die zijn ontstaan buiten een perceel, achter te laten in de openbare ruimte, anders dan in daartoe bestemde afvalbakken of andere middelen ter inzameling van deze afvalstoffen.

  • 2. Reclamedrukwerk, ander promotiemateriaal en de verpakking daarvan, die in weerwil van het eerste lid in de openbare ruimte wordt weggeworpen of achtergelaten, wordt terstond opgeruimd door degene die het in de betreffende omgeving onder het publiek verspreidde.

  • 3. Het is verboden ter inzameling gereedstaande afvalstoffen of inzamelmiddelen te doorzoeken of te verspreiden.

  • 4. Het is verboden ter inzameling gereedstaande afvalstoffen of inzamelmiddelen te doorzoeken of te verspreiden, te stoten, te schoppen, omver te werpen of door deze anderszins te behandelen.

Artikel 5:15a Ongeadresseerd drukwerk

  • 1. In dit artikel wordt verstaan onder:

    • a.

      huis-aan-huisblad: ongeadresseerd blad dat met een vaste frequentie gratis huis aan huis wordt verspreid in een geografisch beperkt gebied, waarvan tenminste 10% van de inhoud bestaat uit informatie over en nieuws uit het eigen verspreidingsgebied, niet zijnde reclame;

    • b.

      ongeadresseerd reclamedrukwerk: reclamedrukwerk of proefmonsters van producten die gratis huis aan huis worden verspreid zonder vermelding van naam, adres of postbus en woonplaats van de ontvanger, niet zijnde:

      • -

        een huis-aan-huisblad of andere informatie over werkzaamheden of activiteiten in de buurt die voor de bewoners of gebruikers van een woning, bedrijf of woonschip in die buurt van belang zijn om te weten;

      • -

        drukwerk van vrijwilligers of niet-commerciële organisaties.

  • 2. Een huis-aan-huisblad en ongeadresseerd drukwerk mag worden bezorgd bij een perceel, tenzij de bewoner of gebruiker expliciet kenbaar heeft gemaakt geen prijs te stellen op het ontvangen ervan.

Artikel 5:16 Zwerfafval rondom inrichtingen

  • 1. Degene die een inrichting drijft waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd draagt zorg voor de aanwezigheid in of nabij de inrichting, van een steeds voor gebruik door het publiek beschikbare en tijdig geleegde afvalbak of soortgelijk middel voor het houden van afval.

  • 2. Degene die de inrichting drijft verwijdert zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, afval of andere materialen die kennelijk uit de inrichting afkomstig zijn of voor de inrichting zijn bestemd binnen een straal van ten minste 25 meter van de inrichting.

  • 3. De vorige leden gelden niet voor situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of de Omgevingswet.

Artikel 5:17 Afval en verontreiniging op de weg

  • 1. Het is verboden een weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994, te verontreinigen of het milieu nadelig te beïnvloeden door afvalstoffen, stoffen of voorwerpen te laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten.

  • 2. Degene die in strijd met het eerste lid de weg verontreinigt of het milieu nadelig beïnvloedt of diens opdrachtgever zorgt terstond na de beëindiging van de werkzaamheden van die dag voor het reinigen van de weg, of zoveel eerder als nodig is om de veiligheid van het verkeer of de bescherming van het wegdek te verzekeren.

Artikel 5:18 Geen opslag van afval in de openlucht

Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht en buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan wanneer in overeenstemming met afdeling 2 van dit hoofdstuk.

Artikel 5:19 Ontdoen van autowrakken

Het is verboden zich te ontdoen van een autowrak dat afkomstig is van een perceel, anders dan door afgifte aan een inrichting als bedoeld in artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Afdeling 4a. KADAVERS EN GEZELSCHAPSDIEREN

Artikel 5:19a Kadavers van gezelschapsdieren

  • 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder gezelschapsdier verstaan: een dier dat de mens in of rond het huis houdt en verzorgt, niet zijnde een hobby- of landbouwhuisdier.

  • 2. Het college wijst één of meer verzamelplaatsen aan waar kadavers van gezelschapsdieren worden ingezameld.

  • 3. Het college kan een ondernemer aanwijzen die tevens belast is met de inzameling van kadavers van gezelschapsdieren.

  • 4. Van ingezamelde kadavers wordt aangifte gedaan bij Rendac Son B.V. De kadavers worden bewaard en overgedragen aan Rendac Son B.V. in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens artikel 3.1 van de Wet dieren.

  • 5. Uiterlijk op de eerste werkdag die volgt op de dag waarop het gezelschapsdier dood is aangetroffen, geeft de houder van het kadaver dit af op een aangewezen verzamelplaats of ondernemer als bedoeld in het tweede, respectievelijk derde lid.

  • 6. Tot het tijdstip van afgifte bewaart de houder het kadaver zodanig dat er geen vermenging is met ander materiaal.

  • 7. Het vijfde lid is niet van toepassing op het kadaver dat wordt begraven op een terrein dat ter beschikking staat van de houder van het kadaver of dat uiterlijk de eerste werkdag na overlijden wordt afgegeven aan een ondernemer die is erkend op grond van artikel 24, eerste lid, onder b, c of d, van de Verordening 1069/2009/EG.

HOOFDSTUK 6 CULTUREEL ERFGOED

Afdeling 1. ALGEMEEN

Artikel 6:1 Definities

In dit hoofdstuk en de daarop berustende voorschriften wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder:

  • -

    gemeentelijk beschermd cultuurgoed: cultuurgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3, eerste lid;

  • -

    gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht: stads- of dorpsgezicht als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet dat als zodanig is aangewezen op grond van artikel 18;

  • -

    gemeentelijk beschermde verzameling: verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet die als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3, tweede lid;

  • -

    gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister;

  • -

    minister: minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

  • -

    omgevingsvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet voor een activiteit met betrekking tot een gemeentelijk monument of een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht.

Artikel 6:2 Gemeentelijk erfgoedregister

  • 1. Het college houdt een door eenieder te raadplegen gemeentelijk erfgoedregister bij van krachtens dit hoofdstuk aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed inclusief de locaties waaraan krachtens artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet in het omgevingsplan de functie cultureel erfgoed is toebedeeld.

  • 2. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat gegevens:

    • a.

      over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed;

    • b.

      over door het college van de minister ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet en instructies als bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet betreffende een locatie met de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht;

    • c.

      over door het college van gedeputeerde staten ontvangen instructies als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, van de Omgevingswet betreffende een locatie met de functie-aanduiding provinciaal monument, provinciaal archeologisch monument of provinciaal beschermd stads- en dorpsgezicht.

Afdeling 2. AANWIJZING GEMEENTELIJK BESCHERMD CULTUURGOED OF GEMEENTELIJK BESCHERMDE VERZAMELING

Artikel 6:3 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling

  • 1. Het college kan besluiten een cultuurgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of uitzonderlijke schoonheid is en dat als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en dat in eigendom is van de gemeente of dat aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als gemeentelijk beschermd cultuurgoed.

  • 2. Het college kan besluiten een verzameling van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis, die als geheel of door een of meer van de cultuurgoederen die een wezenlijk onderdeel van de verzameling zijn, als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en die in eigendom van de gemeente is of die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als gemeentelijk beschermde verzameling.

  • 3. Voor de aanwijzing van een cultuurgoed dat of een verzameling die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd is toestemming van de eigenaar vereist.

  • 4. Over het voornemen van een aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid, alsmede over de vervreemding van een gemeentelijk beschermd cultuurgoed of een gemeentelijk beschermde verzameling of over het afstand doen van de zorg daarvoor vraagt het college advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 van de Erfgoedwet.

  • 5. Dit artikel is niet van toepassing op:

    • a.

      door de minister beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, en

    • b.

      cultureel erfgoed dat is aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.

  • 6. Het college verwerkt de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 6:4 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling

  • 1. Het college kan een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 6:3, eerste of tweede lid, wijzigen of intrekken. Artikel 6:3, vierde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het gemeentelijk beschermd cultuurgoed of de gemeentelijk beschermde verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan.

  • 2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het gemeentelijk beschermd cultuurgoed of de gemeentelijk beschermde verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als:

    • a.

      door de minister beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, of

    • b.

      beschermd cultureel erfgoed op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.

  • 3. Het college verwerkt de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.

Afdeling 3. AANWIJZING GEMEENTELIJK MONUMENT

Artikel 6:5 Aanwijzing als gemeentelijk monument

  • 1. Het college kan besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument.

  • 2. Dit artikel is niet van toepassing op:

    • a.

      rijksmonumenten, en

    • b.

      monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet.

Artikel 6:6 Voornemen tot aanwijzing

  • 1. Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 6:5, eerste lid, wordt door het college schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.

  • 2. Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voert het college overleg over het voornemen met de eigenaar.

Artikel 6:7 Voorbescherming

  • 1. De bescherming van afdeling 4 is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 6:6, eerste lid, is bekendgemaakt.

  • 2. De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 6:8 Advies gemeentelijke adviescommissie

  • 1. Het college vraagt over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 6:5, eerste lid, advies aan een gemeentelijke adviescommissie zoals bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet en de Verordening gemeentelijke adviescommissie Mergelland.

  • 2. De gemeentelijke adviescommissie betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies.

Artikel 6:9 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit

  • 1. Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 2. De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument.

Artikel 6:10 Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving

  • 1. De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet.

  • 2. Het college verwerkt de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 6:11 Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument

  • 1. In een spoedeisend geval kan het college een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 6:8 wordt in dat geval aan de gemeentelijke adviescommissie advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument.

  • 2. Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als het college een besluit heeft genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 6:5, eerste lid.

  • 3. Afdeling 4 is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat zakelijk gerechtigden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van het college tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument. Artikel 6:10 is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing.

Artikel 6:12 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument

  • 1. Het college kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister.

  • 2. Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is afdeling 3 van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan.

  • 3. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.

Afdeling 4. BESCHERMING GEMEENTELIJK MONUMENT

Artikel 6:13 Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument

Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.

Artikel 6:14 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument

  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een gemeentelijk monument:

    • a.

      te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of

    • b.

      te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt;

    • b.

      alleen inpandige veranderingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft;

    • c.

      het binnen een monument dat als begraafplaats in gebruik is met inachtneming van de monumentale waarden:

      • -

        plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift;

      • -

        doen van begravingen of as bijzettingen, of

      • -

        ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als gemeentelijk monument.

  • 3. Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het tweede lid.

Artikel 6:15 Weigeringsgronden

  • 1. De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet.

  • 2. Een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar.

Afdeling 5. AANWIJZING GEMEENTELIJK BESCHERMD STADS- OF DORPSGEZICHT

Artikel 6:16 Aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht

  • 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, stads- of dorpsgezichten aanwijzen als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht.

  • 2. Het college zendt het voorstel voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 6:8, eerste lid. Artikel 6:8, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid.

  • 4. Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister.

  • 5. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een op grond van het eerste lid aangewezen gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet vast. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld.

  • 6. Bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre het tijdelijk omgevingsplan als beschermend in de zin van het vorige lid kan worden aangemerkt.

  • 7. Dit artikel is niet van toepassing op een beschermd stads- of dorpsgezicht dat via instructies de functie-aanduiding rijksbeschermd of provinciaal beschermd stads- of dorpsgezicht heeft, of dat is aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld bij of krachtens de Omgevingswet.

Artikel 6:17 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht

  • 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 6:16, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 6:16, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan.

  • 2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht op grond van een instructie als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, of artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet.

  • 3. Het college verwerkt de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel 6:18 Verbodsbepaling en aanvraag omgevingsvergunning

  • 1. Het is in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te slopen.

  • 2. De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van het college niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

  • 3. Artikel 6:15 is van overeenkomstige toepassing.

  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet of ingevolge een verplichting zoals gesteld in een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 3.5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Afdeling 6. VANGNET ARCHEOLOGIE

Artikel 6:19 Vangnet archeologie

  • 1. Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten of waarden worden verwacht als in het daar vigerende omgevingsplan niet is voldaan aan artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, tenzij:

    • a.

      voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet is verleend;

    • b.

      het de verstoring betreft van een archeologisch monument, waarde of verwachting die is aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleids-, waarden- of verwachtingskaart, de provinciale archeologische monumentenkaart of de landelijke indicatieve kaart van archeologische waarden en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met door het college vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring;

    • c.

      de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen, of

    • d.

      met een vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn.

  • 2. Het college kan nadere regels stellen over het verrichten van archeologisch onderzoek.

HOOFDSTUK 7 ONDERGRONDSE INFRASTRUCTUUR

Afdeling 1. ALEGEMENE BEPALINGEN

Artikel 7:1 Definities

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    breekverbod: verbod voor het uitvoeren van breek- en graafwerkzaamheden in de grond, geldend bij extreme weersomstandigheden;

  • b.

    degeneratiekosten: de vergoeding voor de versnelde degeneratie van het verhardingsoppervlak als gevolg van graafwerkzaamheden;

  • c.

    gedoogplichtige: degene op wie een gedoogplicht rust als bedoeld in artikel 1, van de Belemmeringenwet Privaatrecht of in artikel 5.2, eerste lid, van de Telecommunicatiewet;

  • d.

    grondroerder: degene, waaronder de netbeheerder, onder wiens verantwoordelijkheid of leiding, graafwerkzaamheden worden verricht;

  • e.

    (huis)aansluiting: het gedeelte van de kabel of leiding door openbare grond dat een netwerk verbindt met een netwerkaansluitpunt ten behoeve van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met d, van de Wet Waardering Onroerende Zaken, of met een ander netwerk;

  • f.

    instemmingbesluit: schriftelijk besluit van het college op een aanvraag van voorgenomen werkzaamheden voor de aanleg, het houden, het onderhoud, vervangen, verwijderen van één of meer kabels en leidingen, waaronder begrepen een netwerk van kabels en/of leidingen;

  • g.

    kabels en leidingen: kabels en/of leidingen als onderdeel van een net(werk), daaronder mede begrepen de daarmee verbonden transformator-, schakel-, verdeel- en onderstations en andere hulpmiddelen, behoudens voor zover deze verbindingen en hulpmiddelen liggen binnen de installatie van een producent of van een afnemer, en tevens omvattende lege buizen, ondergrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken; voorbeelden van deze kabels en leidingen zijn kabels als bedoelt in de Telecommunicatiewet, elektriciteitskabels (koppel-, transport- en distributiekabels), gasleidingen (transport-, distributie- en dienstleidingen), waterleidingen, rioleringen (buizen) en kabels en leidingen ten behoeve van industriële netwerken;

  • h.

    marktconforme kosten: kosten zoals deze onder normale omstandigheden in een markteconomie op de desbetreffende markt worden gemaakt;

  • i.

    moor: meldingen opbrekingen openbare ruimte. Dit is een digitaal platform welke door de gemeente wordt gehanteerd en waarmee de communicatie over kabels en leidingen met de gemeente dient te worden gevoerd;

  • j.

    net of netwerk: samenstel van ondergrondse kabel(s) en/of leiding(en), bestemd voor het transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie via een, al dan niet openbaar, elektronisch communicatienetwerk als bedoeld in artikel 1.1. van de Telecommunicatiewet;

  • k.

    netbeheerder: de rechtspersoon die is aangewezen als beheerder van een net of netwerk voor levering van elektriciteit, gas of water, dan wel aanbieder is van een, al dan niet openbaar, elektronisch communicatienetwerk;

  • l.

    niet openbare kabels en/of leidingen: kabels en leidingen (dan wel het netwerk waartoe deze behoren) die, direct of indirect, niet gebruikt worden om openbare diensten aan te bieden;

  • m.

    openbare gronden: openbare ruimte van de gemeente, waaronder openbare wegen met inbegrip van de daartoe behorende stoepen, glooiingen, bermen, sloten, bruggen, viaducten, tunnels, duikers, beschoeiingen en andere werken. Ook wateren met de daartoe behorende bruggen, plantsoenen, pleinen en andere plaatsen die voor iedereen toegankelijk zijn, horen hierbij;

  • n.

    spoedeisende werkzaamheden: werkzaamheden ten gevolge van een ernstige belemmering of storing waarvan uitstel niet mogelijk is. Calamiteiten zijn een mogelijk resultaat van de ernstige belemmering of storing;

  • o.

    werken: een constructie, of werkzaamheden, niet zijnde een gebouw, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

  • p.

    werkzaamheden: handmatige en mechanische (graaf)werkzaamheden in de openbare grond in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en leidingen, en daarnaast alle werkzaamheden die de gemeente uit hoofde van haar functie als beheerder van openbare grond in het kader van kabels en leidingen dient uit te voeren.

Artikel 7:2 Toepasselijkheid

  • 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de procedures en voorschriften voor het aanleggen, instandhouden en opruimen van kabels en leidingen in of op openbare gronden, voor zover de gemeente deze gronden beheert, in bezit heeft dan wel daarover coördinatieverplichtingen heeft conform de Telecommunicatiewet en de Belemmeringenwet Privaatrecht.

  • 2. Voor Enexis en WML staat de inhoud van de van toepassing zijnde OGN2021in rangorde boven de bepalingen in dit hoofdstuk. De bepalingen in dit hoofdstuk hebben een aanvullende werking op de OGN2021 voor Enexis en WML.

Artikel 7:3 Nadere regels en nadere uitwerking

  • 1. Het college kan ter uitvoering van de bepalingen in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen.

  • In het Handboek Kabels en Leidingen 2019 gemeente Gulpen-Wittem (hierna: het Handboek) is nader uitgewerkt hoe met de bepalingen in dit hoofdstuk moet worden omgegaan. Waar in de bepalingen van dit hoofdstuk wordt verwezen naar het Handboek wordt daarmee ook bedoeld eventuele toekomstige versies.

Afdeling 2. AANVRAGEN EN MELDEN VAN GRAAFWERKZAAMHEDEN

Artikel 7:4 Instemmingvereiste (aanvragen en melden)

  • 1. Het is een netbeheerder, of haar gemachtigde hoofdaannemer verboden zonder of in afwijking van een door het college genomen instemmingbesluit of zonder melding als bedoeld in het derde lid, omtrent plaats, tijdstip en wijze van uitvoering van werkzaamheden, medegebruik van voorzieningen en de afstemming van voorgenomen werkzaamheden met overige netbeheerders, kabels en/of leidingen in of op openbare gronden aan te leggen, in stand te houden of op te ruimen.

  • 2. Een netbeheerder, of haar gemachtigde hoofdaannemer, die werkzaamheden wil verrichten kan hierover vooroverleg voeren met het college ten einde de instemmingaanvraag, als bedoeld in het eerste lid, voor te bereiden.

  • 3. Behoudens voor zover artikel 5.5 van de Telecommunicatiewet van toepassing is, wordt, wanneer de werkzaamheden mede betrekking hebben op gronden van een andere gedoogplichtige dan de gemeente, uiterlijk vier werkweken na ontvangst van de instemmingaanvraag, als genoemd in het eerste lid, het college schriftelijk in kennis gesteld van de uitkomsten van het (voor)overleg tussen de grondroerder en de overige gedoogplichtige(n).

  • 4. Voor het verrichten van werkzaamheden van minder ingrijpende aard en voor spoedeisende werkzaamheden is geen instemming, als bedoeld in het eerste lid, noodzakelijk maar kan worden volstaan met een melding aan het college.

  • 5. Een melding als bedoeld in het vierde lid dient:

    • a.

      voor het verrichten van werkzaamheden van minder ingrijpende aard drie werkdagen voor aanvang te worden gedaan;

    • b.

      voor spoedeisende werkzaamheden, indien mogelijk, voorafgaand aan de start van de werkzaamheden te worden gedaan. Als dat niet mogelijk is dient dit op de eerst mogelijke werkdag na optreden te gebeuren.

  • 6. Na ontvangst van het instemmingsbesluit worden belanghebbenden en instanties vooraf in kennis gesteld van de voorgenomen datum van aanvang, beëindiging en aard van de werkzaamheden.

  • 7. Het instemmingbesluit vervalt als daarvan geen gebruik wordt gemaakt binnen 6 maanden na de datum waarop het besluit onherroepelijk is geworden.

Artikel 7:5 Gegevensverstrekking

  • 1. Voor het aanvragen van een instemmingbesluit, als bedoeld in artikel 7:4, dient gebruik te worden gemaakt van het door het college aangewezen digitale platform.

  • 2. Bij een aanvraag voor een instemmingbesluit, als bedoeld in artikel 7:4, eerste lid, dienen de volgende gegevens te worden verstrekt:

    • a.

      Bij een eerste aanvraag, recent uittreksel van de Kamer van Koophandel van de netbeheerder;

    • b.

      een machtiging als het een instemmingaanvraag betreft voor de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels of leidingen voor of namens een netbeheerder;

    • c.

      naam, adres en woonplaatsgegevens van de eigenaar, beheerder en exploitant van de kabels en/of leidingen en van de (onder)aannemer, evenals de naam en telefoonnummer van de uitvoerder, zijnde een Nederlands sprekende contactpersoon voor de werkzaamheden;

    • d.

      een opgave van het aantal, de soort en het beoogde gebruik van de kabels en/of leidingen;

    • e.

      een uitvoeringsplan met daarin opgenomen:

      • -

        een opgave van het gewenste tracé;

      • -

        een opgave van de objecten die ten tijde van de werkzaamheden worden geplaatst, van permanente als tijdelijke aard, evenals van de situering daarvan;

      • -

        een opgave of er een riool, niet zijnde een huisaansluiting, wordt gekruist middels een persing of (gestuurde) boring;

      • -

        de, ten behoeve van het werk, te nemen verkeersmaatregelen;

      • -

        de te nemen maatregelen in verband met bereikbaarheid van panden en bedrijven;

      • -

        de informatievoorziening naar en afstemming met betrokken partijen zoals bewoners, bedrijven, hulpdiensten en openbaar vervoerbedrijven;

      • -

        faseringen van de werkzaamheden;

      • -

        het voorgenomen tijdstip van aanvang en beëindiging van de werkzaamheden.

  • 3. Als de werkzaamheden betrekking hebben op kabels en leidingen van elektronische communicatienetwerken dient, aanvullend op het tweede lid, bij de instemmingaanvraag tevens, bij een eerste aanvraag een kopie van de door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) afgegeven registratie te worden verstrekt.

  • 4. Bij een melding, als bedoeld in artikel 7:4, tweede lid, dienen de volgende gegevens te worden verstrekt:

    • a.

      een machtiging als het een melding betreft voor de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels of leidingen voor of namens een netbeheerder;

    • b.

      naam, adres en woonplaatsgegevens van de eigenaar, beheerder en exploitant van de kabels en/of leidingen, naam en adres van de aannemer(s) en onderaannemer(s) die belast zijn met de werkzaamheden, evenals de naam en telefoonnummer van de uitvoerder, zijnde een Nederlands sprekende contactpersoon voor de werkzaamheden;

    • c.

      de dagtekening van de melding;

    • d.

      de lengte van de sleuf die wordt opengebroken;

    • e.

      het oppervlak van het lasgat dat wordt opengebroken.

  • 5. Het college kan nadere regels stellen betreffende de te verstrekken gegevens evenals over de wijze waarop die dienen te worden verstrekt.

Artikel 7:6 Termijnen

  • 1. Een beslissing op een aanvraag voor een instemmingbesluit wordt genomen uiterlijk twee werkweken na de dag van ontvangst van de instemmingaanvraag. Betreft het een instemmingaanvraag waarbij meerdere gedoogplichtigen zijn betrokken dan beslist het college binnen acht werkweken na de dag van ontvangst van een instemmingaanvraag.

  • 2. Een beoordeling, of een aanvraag voor een instemmingbesluit volledig is, wordt gedaan uiterlijk vijf werkdagen na de dag van ontvangst van de instemmingaanvraag.

  • 3. Een beslissing, op een melding van een definitieve aanvangsdatum werkzaamheden en voor werkzaamheden van minder ingrijpende aard, wordt genomen uiterlijk één werkdag na de dag van ontvangst van de melding.

  • 4. De termijn, zoals bedoeld in het eerste lid, kan ten hoogste tot acht werkweken worden verdaagd.

  • 5. Als van de bevoegdheid tot verdaging gebruik wordt gemaakt, doet het college daarvan vóór afloop van de termijnen zoals genoemd in het eerste lid, een schriftelijke bevestiging met motivering toekomen aan de grondroerder.

Artikel 7:7 Voorschriften en beperkingen

  • 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7kan college aan het instemmingbesluit nadere voorschriften of beperkingen verbinden in het belang van:

    • a.

      veiligheid, waaronder mede wordt verstaan de verkeersveiligheid en/of een goede doorstroming van het verkeer;

    • b.

      het voorkomen of beperken van schade of overlast, waaronder mede wordt verstaan de bescherming van eventuele archeologische vondsten, van groenvoorzieningen, bomen en beplantingen en van het uiterlijke aanzien van de omgeving;

    • c.

      de bereikbaarheid van gronden of gebouwen, waaronder mede wordt verstaan het veilig en doelmatig gebruik van openbare gronden en gebouwen, het doelmatig beheer en onderhoud ervan en het belang van nader aan te geven grote lokale evenementen (bijvoorbeeld kermissen) en weekmarkten ;

    • d.

      de ondergrondse ordening, waaronder mede wordt verstaan het zo min mogelijk hinder veroorzaken voor reeds in de grond aanwezige werken en het niet in gevaar brengen of zonder noodzaak bemoeilijken van deze werken (hieronder valt mede werken ten behoeve van de riolering en de levering of het transport van elektronische informatie, gas, water en elektriciteit).

  • 2. De voorschriften of beperkingen, zoals genoemd in het eerste lid, kunnen slechts betrekking hebben op:

    • a.

      het tijdstip, de plaats en wijze van uitvoering bij aanleg, onderhoud, verplaatsing en opruiming van kabels en leidingen;

    • b.

      het medegebruik van voorzieningen, zoals kabelgoten en geleidingen, die door derden of de gemeente tegen marktconforme prijzen ter beschikking worden gesteld;

    • c.

      afstemming met betrekking tot overige in de grond aanwezige werken;

    • d.

      kasten en andere toebehoren behorende bij het netwerk.

  • 3. De grondroerder dient omwonenden, liggend aan het tracé van de uit te voeren werkzaamheden, voor de start schriftelijk te informeren over aanvang, duur, aard en plaats voor werkzaamheden waarvoor:

    • a.

      een instemmingsbesluit is vereist: minimaal drie werkdagen én,

    • b.

      een melding is vereist: minimaal één werkdag.

  • 4. Conform het bepaalde in de Telecommunicatiewet, worden voor de uitgifte van instemmingbesluiten marktconforme tarieven in rekening gebracht aan die verzoekers die vallen onder het regiem van de Telecommunicatiewet. Deze marktconforme kosten, ten behoeve van de uitgifte van een instemmingsbesluit, zijn aangegeven in het Handboek.

  • 5. De gemeente beslist omtrent het herstraten.

  • 6. Indien binnen één jaar na groot onderhoud of herinrichting van openbare gronden een grondroerder werkzaamheden moet uitvoeren, verlangt het college specifiek schadeherstel ten einde de situatie terug te brengen in de “oude staat”. De hiermee gepaard gaande marktconforme kosten zijn voor rekening van de grondroerder.

Artikel 7:8 (Mede)gebruik van voorzieningen en vooroverleg

  • 1. Een grondroerder dient op verzoek van het college bij de aanleg van kabels en leidingen in openbare gronden zoveel mogelijk (mede)gebruik te maken van bestaande, hetzij door overige netbeheerders dan wel door of in opdracht van het college aangelegde, voorzieningen. Indien dit technisch haalbaar is en medegebruik geen belemmering vormt voor de veiligheid, toegankelijkheid en leveringszekerheid.

  • 2. Het vooroverleg als bedoeld in artikel 7:4, tweede lid, dan wel een door het college geïnitieerd overleg naar aanleiding van een instemmingaanvraag als bedoeld in artikel 7:4, eerste lid, is er mede op gericht te bepalen of en zo ja langs welke delen van het tracé gebruik kan worden gemaakt van bestaande voorzieningen als bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Als een grondroerder een redelijk aanbod wordt gedaan om gebruik te maken van vooraangelegde voorzieningen, zoals mantelbuizen, kabelgoten, of kabel- en leidingentunnels, is de grondroerder verplicht om voor de aanleg of uitbreiding van zijn netwerk van deze voorzieningen gebruik te maken.

  • 4. Als de openbare gronden geen ruimte bieden voor de aanleg van nieuwe kabels en leidingen, dient de grondroerder, in overleg met de gemeente, een alternatief tracé te kiezen.

Afdeling 3. OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 7:9 Verleggingen kabels en leiding van nutsvoorzieningen en telecom

  • 1. Op het nemen van maatregelen ten aanzien van kabels ten dienste van een openbaar elektronisch communicatienetwerk, waaronder het verplaatsen, op verzoek van de gemeente zijn de wettelijke regels van de Telecommunicatiewet van toepassing.

  • 2. Op het nemen van maatregelen ten aanzien van kabels en/of leidingen die ten dienste staan van een netwerk ten behoeve van nutsvoorzieningen, niet zijnde de kabels zoals bedoeld in het eerste lid, in of op openbare gronden, waaronder het verplaatsen, gelden de volgende bepalingen, tenzij en voor zover daarover andersluidende afspraken zijn overeengekomen tussen partijen:

    • a.

      de netbeheerder is verplicht op aanwijzing van de gemeente over te gaan tot het nemen van maatregelen ten aanzien van kabels en leidingen ten dienste van zijn netwerk, waaronder het verplaatsen, voor zover deze noodzakelijk zijn voor de oprichting van gebouwen of de uitvoering van werken door of vanwege de gemeente;

    • b.

      compensatie kan worden verleend:

      • -

        op basis van afzonderlijke schriftelijke overeenkomsten tussen netbeheerders en het college. Als deze niet zijn gemaakt dan:

      • -

        conform de door het college eventueel nog vast te stellen verlegregeling.

    • c.

      Na een aanwijzing tot het nemen van maatregelen ten aanzien van kabels en leidingen gaat de netbeheerder zo snel mogelijk over tot de uitvoering, doch niet later dan vijftien werkweken na de datum van ontvangst van de aanwijzing.

Artikel 7:10 Breekverbod

  • 1. Als sprake is van extreme weersomstandigheden is het college bevoegd een breekverbod in te stellen.

  • 2. Tijdig of in ieder geval één dag voor beëindiging van het breekverbod, zal het college de betrokken grondroerders hierover informeren.

  • 3. Als sprake is van een breekverbod is het verboden breek- en graafwerkzaamheden uit te voeren in de openbare grond en/of bestrating.

  • 4. Het breekverbod is niet van toepassing in geval van spoedeisende werkzaamheden ten gevolge van een ernstige belemmering of storing en waarvan uitstel niet mogelijk is.

Artikel 7:11 Eigendom

  • 1. Als de eigendom, exploitatie of beheer van de kabel of leiding wordt overgedragen aan een andere netbeheerder, draagt de oude netbeheerder zorg voor het overdragen van de rechten en plichten die betrekking hebben op de kabel of leiding op de nieuwe netbeheerder.

  • 2. De netbeheerder stelt het college onverwijld in kennis van het feit dat het eigendom, de exploitatie of het beheer van de kabel of leiding verandert.

  • 3. Op het eigendom van de kabels en leidingen zijn de desbetreffende wettelijke bepalingen van toepassing.

Artikel 7:12 Niet-openbare kabels en leidingen

  • 1. Bij werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van niet-openbare kabels en leidingen in openbare wegen en wateren is het bepaalde in dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Het eerste lid houdt geen gedoogplicht in voor de gemeente met betrekking tot niet-openbare kabels en leidingen die reeds zijn aangelegd, in standgehouden of opgeruimd zonder toestemming van het college.

  • 3. Met betrekking tot verzoeken voor het verleggen van niet-openbare kabels geldt dat deze op verzoek van de gemeente, op kosten van de eigenaar van de kabels, uitgevoerd dienen te worden mits de noodzaak wordt aangetoond.

  • 4. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan het college op een aanvraag om een instemmingbesluit verlenen voor de aanleg van een ander netwerk dan een openbaar telecommunicatiewerk of een omroepnetwerk, indien krachtens een door de aanvrager bij de aanvraag over te leggen overeenkomst tussen de aanvrager en aanbieder:

    • a.

      het netwerk wordt aangelegd en onderhouden door een aanbieder;

    • b.

      de leidingen op de beheertekeningen van deze aanbieder worden/zijn geregistreerd.

  • 5. Als de overeenkomst/instemmingsbesluit waarin de ligging van het netwerk is vastgelegd wordt beëindigd, kan het netwerk door of van wegen de gemeente worden verwijderd. Met het oog hierop betaalt de aanvrager bij de instemmingaanvraag een verwijderingsbijdrage aan de gemeente overeenkomstig een marktconform tarief.

  • 6. Het overige bepaalde in dit hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing op netwerken die met toepassing van het derde lid worden aangelegd.

Afdeling 4. HANDHAVINGS- EN TOEZICHTSBEPALINGEN

Artikel 7:13 Toezicht en handhaving door ambtenaren

Artikel 8:2 is van overeenkomstige toepassing voor het toezicht en naleving van het bepaalde van dit hoofdstuk.

Artikel 7:14 Naleving voorschriften

  • 1. Als een grondroerder zich niet houdt aan de voorschriften en beperkingen uit het instemmingbesluit, kan het college het instemmingbesluit intrekken.

  • 2. Wanneer het college een besluit neemt op grond van het eerste lid, kan het college verlangen dat de oorspronkelijke situatie wordt hersteld op grond van een besluit inhoudende een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang.

Artikel 7:15 Handhaving en sancties

  • 1. Het college is bevoegd de werkzaamheden stil te leggen, als wordt gewerkt:

    • a.

      zonder voorafgaand instemmingbesluit of melding, als bedoeld in artikel 7:4;

    • b.

      in afwijking van de voorschriften uit het instemmingbesluit;

    • c.

      in strijd met het geldende breekverbod.

  • 2. Als werkzaamheden worden verricht zonder instemmingsbesluit, als bedoeld in artikel 7:4 worden door het college de volgende maatregelen getroffen:

    • a.

      bij de eerste overtreding volgt een waarschuwing aan het desbetreffende netwerkbedrijf en de uitvoerend grondroerder;

    • b.

      bij de tweede overtreding wordt de desbetreffende uitvoerende grondroerder voor een periode van één maand na constatering niet geaccepteerd om als gemachtigde namens de netbeheerder werkzaamheden in de openbare ruimte van de gemeente uit te voeren;

    • c.

      bij de derde overtreding is de periode, zoals bedoeld onder b, drie maanden;

    • d.

      bij de vierde overtreding en alle overtredingen daarna: zes maanden.

HOOFDSTUK 8 SANCTIE- OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 8:1 Sanctiebepaling

  • 1. Overtreding van enige bepaling van deze verordening en de op grond van artikel 1:3 of overige artikelen daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

  • 2. In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding bij of krachtens de artikelen:

  • 2:1 en 2:2 als sprake is van een omgevingsvergunningsplichtige activiteit, artikel 3:12 eerste lid en de artikelen 5:4, 5:6, 5:8 tot en met 5:10, artikel 5:12 tot en met artikel 5:19.

Artikel 8:2 Toezichthouders

  • 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast:

    • a.

      de bij besluit van het college en de burgemeester aangewezen of aan te wijzen personen;

    • b.

      ambtenaren van politie, als bedoeld in artikel 141, onder b van het Wetboek van Strafvordering.

Artikel 8:3 Inwerkingtreding

De Verordening Fysieke Leefomgeving Gulpen-Wittem 2024, eerste wijziging wordt ingetrokken op het moment dat deze verordening in werking treedt.

[Artikel 8:3 bevat een kennelijke verschrijving. Hier wordt bedoeld: Artikel 8:3 Intrekking oude verordening.]

Artikel 8:4 Overgangsbepaling

Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 8:3, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.

Artikel 8:5 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking daarvan.

Artikel 8:6 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Fysieke Leefomgeving Gulpen-Wittem 2026.

Ondertekening

Aldus vastgesteld door de gemeenteraad van Gulpen-Witten op donderdag 5 februari 2026 in Gulpen.

de griffier,

dhr. mr. R. Reichrath

de burgemeester,

mw. ing. N.H.C. Ramaekers – Rutjens

Toelichting op de verordening

Artikelsgewijze toelichting

Algemeen

In deze verordening komen vier toestemmingsstelsels voor:

  • -

    een ontheffingsstelsel;

  • -

    een vergunningstelsel;

  • -

    overige toestemmingen (bijvoorbeeld het instemmingsbesluit o.g.v. artikel 7:4)

  • -

    een meldingsstelsel.

Bij een ontheffingsstelsel geldt een verbod om een bepaalde activiteit uit te voeren. In uitzonderlijke gevallen is daarop een ontheffing mogelijk.

Bij een vergunningstelsel geldt in beginsel een verbod, maar bestaat er in beginsel geen bezwaar tegen de activiteit. De gemeente wil de regie op de activiteiten houden. Binnen deze verordening zijn er verschillende soorten vergunningen. Namelijk de omgevingsvergunningen en de overige vergunningen. Een voorbeeld van een omgevingsvergunning is de uitwegvergunning (artikel 2:2) en de kapvergunning (artikel 3:12). Een voorbeeld van een overige vergunning is de standplaatsvergunning. Om dit onderscheid goed te kunnen maken wordt in deze verordening gesproken over omgevingsvergunning en vergunningen. Er is dus op grond van deze verordening alleen sprake van een omgevingsvergunning als dit ook zo daadwerkelijk wordt genoemd.

Bij de overige toestemmingen is dezelfde systematiek van toepassing als bij een vergunning.

Bij een meldingsstelsel bestaat er al dan niet een verbod, maar bestaat er geen bezwaar tegen de activiteit als zodanig. Om grip en regie te houden, stelt de gemeente een melding verplicht.

Artikel 1:2, eerste lid (Beslistermijn)

In sommige gevallen gelden andere termijnen. Bijvoorbeeld bij het instemmingsbesluit op grond van artikel 7:4.

Artikel 1:3 (Voorschriften en beperkingen)

Eerste lid

In dat geval gelden de termijnen zoals opgenomen in de Omgevingswet. Bij een Omgevingsvergunning is o.a. de termijn voor verlengen 6 weken in plaats van acht weken.

Artikel 2:1 (Voorwerpen op of aan de weg)

Derde lid

In de nadere regels wordt uitgelegd aan welke voorschriften moet worden voldaan, zodat het verbod niet van toepassing is. Dus als aan de nadere regels wordt voldaan mogen de voorwerpen worden geplaatst.

Vierde lid

De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld onder oud artikel 2.2, eerste lid, onder j en k Wabo (opslaan roerende zaken). Het gaat dan om het opslaan van roerende zaken in een daarbij aangewezen gedeelte van de gemeente of provincie. Opslaan van roerende zaken verwijst naar het stallen of bewaren van verplaatsbare voorwerpen die niet vastzitten aan een gebouw of grond.  Afhankelijk van de situatie en de locatie kan een omgevingsvergunning nodig zijn voor het opslaan van roerende zaken, vooral als dit op de openbare weg of in de open lucht gebeurt.

Zesde lid

Door deze bepaling is het verbod niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk als daarover al regels gelden op grond van de Omgevingswet, Provinciale Omgevingsverordening of de Waterschapsverordening. Op deze manier wordt voorkomen dat zaken dubbel worden geregeld.

Artikel 2:1a Maken van foto- en/of filmopnames

Tweede lid

Kortdurende foto- en/of filmopnames door de pers vallen overigens buiten dit artikel. Persvrijheid is namelijk een grondrecht. De pers wordt op overlast in algemene zin gecontroleerd.

Derde lid, onderdeel e

Deze brief bevat informatie over waarvoor de opnames plaatsvinden en de data en begin- en eindtijd (inclusief op- en afbouw). De brief heeft een ruim verspreidingsgebied, namelijk: de straat van de filmlocatie, inclusief de omliggende straten, onder andere waar wordt geparkeerd.

Derde lid, onderdeel i

Als toestemming wordt verkregen is de melder zelf verantwoordelijk voor het organiseren, plaatsen en verwijderen van de bebording.

Derde lid, onderdeel j

Het is de verantwoordelijkheid van de melder om dergelijke vergunningen/ontheffingen en overige toestemmingen aan te vragen. Hierbij kan o.a. gedacht worden aan een:

  • -

    ontheffing i.v.m. parkeren van grote voertuigen;

  • -

    tijdelijke parkeervergunning in een vergunningengebied;

  • -

    ontheffing voor het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg;

  • -

    ontheffing inrijverbod;

  • -

    ontheffing geluid.

Artikel 2:2 (maken of veranderen van een uitweg)

Eerste lid

In artikel 22.297 van de bruidsschat zijn de indieningsvereisten hiervoor opgenomen. Deze luiden als volgt:

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het maken, hebben of veranderen van een uitweg of het gebruik daarvan worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de locatie van de uitweg aan het voor-, zij- of achtererf;

  • b.

    de afmeting van de nieuwe uitweg of de te veranderen bestaande uitweg en de beoogde verandering daarvan;

  • c.

    de te gebruiken materialen; en

  • d.

    de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het aanleggen of het gebruik van de uitweg, zoals bomen, lantaarnpalen en nutsvoorzieningen.

Tweede lid

De rechtspraak van de Afdeling laat er geen twijfel over bestaan dat een grondeigenaar in beginsel in staat moet worden gesteld om vanaf zijn perceel met een voertuig de openbare weg te bereiken. Alleen om zwaarwegende redenen kan de overheid daaraan in de weg staan. Om dat duidelijk te laten uitkomen is het aantal weigeringsgronden beperkt.

Tweede lid, onderdeel d

Met deze bepaling wordt o.a. gerealiseerd dat parkeren in voortuinen wordt verboden. In dat geval wordt een uitweg dus niet toegestaan.

Artikel 3:5 Voorschriften collectieve en incidentele festiviteiten

Derde lid

De Vereniging Nederlandse Poppodia en Festivals en de Vereniging van Evenementenmakers hebben met de Nationale Hoorstichting afgesproken om maatregelen te nemen op muzieklocaties. Hierbij is de grens gesteld op maximaal 103 decibel. Het is daarom ook een afspraak die de concertzalen en festivals zelf maken, en dus geen wettelijke bepaling is. Hoewel het geluidsniveau niet wettelijk gereguleerd is en slechts een afspraak betreft, is het als overheid wenselijk om deze afspraken te hanteren als richtlijn. Daarom is dan ook de norm van 102 dB(A) opgenomen. Opmerking verdient wel dat dit de norm is bij de front of house (mengtafels muziek midden in de zaal of tent).

Vierde lid

De meet- en rekenmethode voor industrieel geluid is gespecificeerd in de Omgevingsregeling, Bijlage IVh. Er is voor deze meetmethode gekozen, omdat dit de nieuwste wetgeving betreft en aansluit op de beleving van geluid in zijn algemeenheid.

HOOFDSTUK 7 ONDERGRONDSE INFRASTRUCTUUR

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 7:1 Definities

Onderdeel a, Breekverbod

In dit hoofdstuk zijn bepalingen over het breekverbod opgenomen die het college de bevoegdheid geven een verbod op te leggen tot uitvoering van breekwerkzaamheden bij extreme weersomstandigheden. Dit ter voorkoming van schade door deze werkzaamheden.

Onderdeel c, Gedoogplichtige

De gemeentelijke betrokkenheid is vooral gericht op haar rol als beheerder van de openbare gronden. Hiertoe worden conform wettelijke omschrijving gerekend de openbare wegen inclusief trottoirs/voetpaden, glooiingen, bermen, sloten, bruggen, viaducten, duikers, tunnels, beschoeiingen en andere werken, alsmede wateren inclusief bruggen, plantsoenen en pleinen, die voor ieder toegankelijk zijn. In deze hoedanigheid is de gemeente voor wat betreft de elektronische openbare communicatienetwerken gedoogplichtige althans voor zover van toepassing conform de Telecommunicatiewet. Het begrip gedoogplichtige slaat tevens op andere partijen die krachtens de Telecommunicatiewet gedoogplichtig zijn en op partijen en rechtspersonen die krachtens de Belemmeringenwet Privaatrecht gedoogplichtig zijn. Gedoogplichtigen moeten de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en leidingen toestaan in en op hun gronden.

Onderdeel d, Grondroerder

De grondroerder is de partij die daadwerkelijk de graafwerkzaamheden verricht of laat verrichten. Dit zal veelal een aannemer of installateur zijn, maar kan ook een interne afdeling van een netbeheerder betreffen als die dergelijke werkzaamheden zelf uitvoeren. Indien een grondroerder namens een netbeheerder optreedt, wordt nu expliciet naar een machtiging gevraagd, dit ter wille van rechtszekerheid en rechtsgeldigheid. Ook kan de grondroerder een partij zijn die voor eigen naam en rekening netwerken aanlegt, maar niet zelf exploiteert en het netwerk of netwerkcapaciteit daarna verhuurt of verkoopt. De grondroerder is verplicht om over een instemmingsbesluit te beschikken voor aanvang van de werkzaamheden.

De grondroerder is gehouden een melding van de voorgenomen graafwerkzaamheden te verzorgen richting het college en eventuele overige betrokken partijen.

Onderdeel f, Instemmingsbesluit:

Werkzaamheden als bedoeld in dit hoofdstuk dienen steeds (in principe) vooraf kenbaar te worden gemaakt, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen reguliere (graaf)werkzaamheden, werkzaamheden van minder ingrijpende aard en spoedeisende werkzaamheden ten gevolge van een ernstige belemmering of storing. Voor de reguliere (graaf)werkzaamheden en werkzaamheden van minder ingrijpende aard geldt dat pas gestart mag worden met die werkzaamheden als op basis van een aanvraag een instemmingsbesluit is verleend of daarvoor een melding is ingediend.

Onderdeel g: Kabels en leidingen

De regels over ondergrondse infrastructuur ziet enerzijds op netwerken bestaande uit fysieke kabels en/of leidingen inclusief ondergrondse ondersteuningswerken (zoals mantelbuizen, kabelgoten, handholes, lasdozen, duikers), beschermingswerken, signaalinrichtingen (zoals optische en elektrische versterkers en kasten) en dergelijke en anderzijds op componenten voor het verbinden van kabels en leidingen in de openbare grond met die in de gebouwen. Inhoudelijk en procedureel is geen onderscheid gemaakt in de begrippen kabels en leidingen.

Onderdeel j: Net of netwerk

De definitie is afgeleid van de omschrijving zoals die gehanteerd wordt in de Wet Informatie- uitwisseling Boven en Ondergrondse Netten. De omschrijving maakt met name duidelijk dat het om ondergrondse netten gaat, en dan zowel de distributie- en transportnetten voor energie (gas, water, elektriciteit, riool) als de elektronische communicatienetwerken (zoals specifiek geregeld in en krachtens de Telecommunicatiewet).

In de tekst wordt geen inhoudelijk onderscheid gemaakt tussen de termen net en netwerk.

Onderdeel k: Netbeheerder

Het begrip netbeheerder wordt gehanteerd als uniforme term voor enerzijds de beheerders van de netten voor de levering van energie en anderzijds de aanbieders van (niet-)openbare elektronische communicatienetwerken. Veelal zal de netbeheerder in het geval van voorgenomen graafwerkzaamheden de rol van opdrachtgever op zich nemen. In aansluiting bij de recente wet- en regelgeving op het gebied van graafrechten wordt de opdrachtgever meer dan voorheen medeverantwoordelijk gehouden voor een juiste uitvoering en naleving van de rechten en verplichtingen met betrekking tot graafwerkzaamheden.

Onderdeel p, Werkzaamheden

Hoewel gezien de consequenties ervan de regels van de ondergrondse infrastructuur met name betrekking hebben op mechanische werkzaamheden, vallen handmatige werkzaamheden er ook onder. Voor zover die beperkt van karakter zijn, zullen ze overigens veelal betrekking hebben op de separaat onderscheiden categorieën spoedeisende werkzaamheden of minder ingrijpende werkzaamheden. Tot de werkzaamheden die de regels over ondergrondse infrastructuur betreffen behoren eveneens de werkzaamheden in verband met het medegebruik van voorzieningen, zoals dat van kabelgoten of geleidingen. Vanuit de te behartigen belangen kan het nastreven of voorschrijven van medegebruik door het college gestimuleerd worden.

Artikel 7:2 Toepasselijkheid

Dit hoofdstuk geeft invulling aan de wettelijke verplichting voor de gemeente om bij verordening op te stellen over de werkzaamheden.

Vooralsnog is niet voorzien in een algemene wettelijke grondslag voor een vergelijkbare regeling voor de energienetten. Daarom wordt vooruitlopend op mogelijke toekomstige nationale basisregelgeving hiermee voorzien in uniforme, lokale afspraken met daarbij een zo gelijk mogelijke behandeling van beheerders/aanbieders van deze infrastructuren. Dit vereist wel afstemming met de (al dan niet) contractuele afspraken tussen de gemeente en de beheerders van de energienetten.

De feitelijke situatie is dat de fysieke ondergrond vol raakt met een veelheid aan kabels en leidingen en dit noodzaakt tot betere afstemming van werkzaamheden en belangen.

De gemeente heeft contractuele afspraken met de netwerkbedrijven Enexis en WML. Deze contractuele afspraken zijn vastgelegd in de OGN 2021.

Voor Enexis en WML staat de inhoud van de van toepassing zijnde OGN2021 in rangorde boven de inhoud van deze verordening. Dit hoofdstuk heeft dus een aanvullende werking op de OGN2021 voor Enexis en WML.

Artikel 7:3 Nadere regels en nadere uitwerking

Het college krijgt de mogelijkheid toegekend door de raad om in voorkomende gevallen nadere regels ter uitvoering van de bepalingen in dit hoofdstuk vast te stellen. Deze nadere regels hebben in ieder geval betrekking op: de wijze van uitvoering bij de aanleg, onderhoud, verplaatsing en opruiming van kabels en leidingen, het medegebruik van voorzieningen en het opstellen van voorschriften op het gebied van markering, afzetting en het toepassen van proefsleuven.

Het college heeft de bepalingen in dit hoofdstuk nader uitgewerkt in het “Handboek Kabels en Leidingen 2019 gemeente Gulpen-Wittem”. Verwijzingen naar het handboek worden ook geacht betrekking te hebben op door het college vastgestelde toekomstige versies.

Afdeling 2. Aanvragen en melden van graafwerkzaamheden

Artikel 7:4 Instemmingsvereiste (aanvragen en melden)

Het in de Telecommunicatiewet wettelijk vastgelegde principe van graafrechten in relatie tot de vereiste instemming van het college is vertaald in dit artikel en wordt toegepast op alle werkzaamheden. Conform het wettelijk bepaalde geldt dat die instemming betrekking heeft op de plaats, het tijdstip en de wijze van uitvoering van de werkzaamheden.

Het reguleringsonderscheid tussen reguliere werkzaamheden en werkzaamheden van minder ingrijpende aard wordt duidelijk als dit artikel wordt gelezen in samenhang met het “Handboek Kabels en Leidingen 2019 gemeente Gulpen-Wittem”. Tot de minder ingrijpende werkzaamheden behoren werkzaamheden waarvoor slechts gedurende relatief korte tijd in een beperkt gedeelte van het netwerk werkzaamheden worden verricht, en waarvan de impact voor de omgeving relatief beperkt en kortstondig is. Er wordt als norm een lengte van de kabels en leidingen korter of gelijk aan 25 meter gehanteerd.

De voorgenomen werkzaamheden moeten via een aanvraag aan het college worden kenbaar gemaakt. Voor spoedeisende werkzaamheden en storingen wordt een uitzondering gemaakt. Deze dienen voor aanvang van de werkzaamheden gemeld te worden. De uitzonderingsbepaling voor spoedeisende werkzaamheden geldt echter niet als werkzaamheden dienen te worden verricht in door het college aan te wijzen gebieden.

In dit artikel wordt beschreven dat de voorgenomen (graaf)werkzaamheden ook betrekking kunnen hebben op gronden van andere gedoogplichtigen. Dit kunnen andere instanties of rechtspersonen zijn. Ook kan de situatie aan de orde zijn dat er naast het instemmingsbesluit ook nog andere vergunningen aangevraagd moeten worden voor aanvang van de werkzaamheden. De grondroerder is allereerst zelf verantwoordelijk voor afstemming en overeenstemming tussen al deze partijen. Echter als de grondroerder dat verzoekt kan de gemeente inhoudelijke afstemming van de beoordeling van de aanvragen bij andere bestuursorganen nastreven. De grondroerder blijft zelf verantwoordelijk voor de afstemming met private partijen. De grondroerder doet een terugkoppeling aan het college over de uitkomst van het overleg dat is gevoerd met alle betrokken gedoogplichtigen.

Artikel 7:5 Gegevensverstrekking

In dit artikel is verduidelijkt op welke wijze een aanvraag dient te worden gedaan en welke gegevens daarbij verstrekt moeten worden. Het betreft informatie die de gemeente als beheerder van de openbare gronden nodig heeft om een juiste beoordeling te maken en inzicht te krijgen in de belangen die door de voorgenomen werkzaamheden worden geraakt. Duidelijk is ook gemaakt dat instemming steeds op aanvraag van de verzoekende partij zal plaatsvinden en niet op eigen initiatief van de gemeente.

De aanvraag dient te worden gedaan via een door het college aangewezen digitaal platform. Voor aanvragen voor minder ingrijpende werkzaamheden hoeven slechts een beperkt aantal gegevens verstrekt te worden. Voor reguliere aanvragen moeten meer gegevens verstrekt worden. Het vereiste dat een aanvraag aangetekend verstuurd moet worden is niet als uniforme eis opgenomen. De verzending is voor risico van de grondroerder. Het kan in het belang van de verzoekende partij zijn om via aangetekende verzending duidelijkheid te hebben over datum en tijd van de verzending.

Artikel 7:6 Termijnen

De beslistermijn van het college is maximaal acht weken en is afgeleid uit de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb). Op grond van de Awb is een gemeente verplicht binnen een redelijke termijn een besluit te nemen, waarbij die redelijke termijn geacht te zijn verstreken na verloop van acht weken. In navolging van de Wet Dwangsom en Beroep moet een gemeente zich bewust zijn van het belang van de voortgang van de activiteiten en zich inspannen om de termijn tot besluitvorming zo kort mogelijk te houden. Dit geldt met name voor aanvragen voor minder ingrijpende werkzaamheden. Het college kan onder bepaalde voorwaarden de termijn tot besluitvorming verlengen of opschorten.

Artikel 7:7 Voorschriften en beperkingen

Grondroerders moeten aan een aantal verplichtingen voldoen indien zij werkzaamheden gaan verrichten als bedoeld in dit hoofdstuk. Daarnaast kan het college aan het instemmingsbesluit aanvullende voorschriften of beperkingen verbinden. Omwille van de uniformiteit is in dit artikel geregeld onder welke voorwaarden dit kan en welke soort voorschriften en beperkingen dit zijn. De voorschriften hebben vooral te maken met de wijze van uitvoering en zijn gericht op de (deels wettelijk vastgelegde) belangen die de gemeente geacht wordt te behartigen.

Artikel 7:8 (Mede)gebruik van voorzieningen en vooroverleg

Dit artikel beschrijft dat een grondroerder op verzoek van een gedoogplichtige verplicht is gebruik te maken van reeds aanwezige voorzieningen indien deze tegen een marktconforme prijs worden aangeboden. Het doel hiervan is te voorkomen dat onnodig gegraven wordt in gemeentegrond. De verplichting tot medegebruik wordt opgenomen in het instemmingsbesluit.

Afdeling 3. Overige bepalingen

Artikel 7:9 Verleggingen

Op het nemen van maatregelen ten aanzien van kabels en/of leidingen ten dienste van een openbaar elektronisch communicatienetwerk, waaronder het verplaatsen, op verzoek van de gemeente zijn de wettelijke regels van de Telecommunicatiewet van toepassing.

Op het nemen van maatregelen ten aanzien van kabels en/of leidingen die ten dienste staan van een netwerk ten behoeve van nutsvoorzieningen in of op openbare gronden, waaronder het verplaatsen, gelden de in het tweede lid geformuleerde bepalingen, tenzij en voor zover daarover andersluidende afspraken zijn overeengekomen tussen partijen.

Artikel 7:10 Breekverbod

Het college is bevoegd een breekverbod in te stellen als er sprake is van extreme weersomstandigheden. Een afweging die gemaakt wordt is de kans op de omvang van schade aan de openbare gronden als er gegraven wordt. Het breekverbod wordt op de dag dat het breekverbod geldt gecommuniceerd naar de betrokken grondroerders. In ieder geval één dag voor het beëindigen van het breekverbod wordt dit medegedeeld aan de betrokken grondroerders. Ten tijde van het breekverbod mogen er op geen enkele wijze breek- en/of graafwerkzaamheden plaatsvinden in de grond en/of bestrating. In het geval van spoedeisende werkzaamheden is het breekverbod niet van toepassing. Overtreding van het breekverbod leidt tot stillegging van het werk.

Artikel 7:11 Eigendom

Het zakelijk karakter van de verkregen instemming is gewenst zodat ook een nieuwe netbeheerder, die gebruik maakt van de kabel en/of leiding de betreffende graafrechten heeft, maar ook gehouden is aan de geldende voorschriften. Het college moet op de hoogte gesteld worden van het feit dat het eigendom wordt overgedragen. De wettelijke bepalingen zijn van toepassing op het eigendom van kabelnetwerken in grond van anderen.

Artikel 7:12 Niet-openbare kabels en leidingen

Bij werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van niet-openbare kabels en leidingen in openbare wegen en wateren is het bepaalde in dit hoofdstuk in beginsel van overeenkomstige toepassing zoals beschreven in dit artikel.

Afdeling 4. Handhavings- en toezichtbepalingen

Artikel 7:13 Toezicht en handhaving door ambtenaren

In dit artikel wordt verwezen naar artikel 8:2. Dat betekent dat het college ambtenaren kan aanwijzen die belast zijn met toezicht op de naleving van het bepaalde krachtens dit hoofdstuk in deze verordening.

Artikel 7:15 Handhaving en sancties

Afgezien van voornoemde preventieve en vooral correctieve of repressieve acties kan het college in voorkomende gevallen ook ingrijpen in het lopende proces en werkzaamheden (onder bepaalde voorwaarden) ook tijdelijk stil leggen. In dit artikel staat beschreven in welke gevallen dit kan.