Subsidieregeling (VE)-Peuteropvang en Onderwijskansen gemeente Zandvoort 2026

Geldend van 11-02-2026 t/m heden

Intitulé

Subsidieregeling (VE)-Peuteropvang en Onderwijskansen gemeente Zandvoort 2026

Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Zandvoort, gelet op artikel 3 van de Algemene subsidieverordening gemeente Zandvoort,

overwegende dat het noodzakelijk is om regels te stellen voor de kwaliteit van en de tegemoetkoming in de kosten van voorschoolse educatie en peuteropvang;

overwegende dat het wenselijk is regels op te stellen voor een tegemoetkoming in de kosten van activiteiten ten bate van het bieden van gelijke onderwijskansen gedurende de basisschoolperiode;

teneinde te bereiken dat peuters en basisschoolleerlingen gelijke ontwikkelkansen geboden krijgen door het verbeteren van de kwaliteit, het bereik en de toegankelijkheid van voorschoolse educatie, peuteropvang en primair onderwijs in de gemeente Zandvoort;

gelet op de door de raad vastgestelde kaders in de nota Zandvoort d.d. 2 juli 2019, en de door het college op 21 mei 2025 vastgestelde actualisatie onderwijskansenbeleid 2025;

besluit vast te stellen de volgende regeling:

“Subsidieregeling (VE)-Peuteropvang en Onderwijskansen Gemeente Zandvoort 2026”

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijving

In deze subsidieregeling wordt verstaan onder:

  • a.

    aanvrager: houder of instelling die een aanvraag indient voor een van de subsidies uit deze regeling;

  • b.

    ASV: de geldende algemene subsidieverordening Gemeente Zandvoort ;

  • c.

    basisschool: onderwijslocatie voor kinderen vanaf de leeftijd van 4 jaar zoals gedefinieerd in artikel 1 van de WPO;

  • d.

    college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zandvoort;

  • e.

    doelgroepkinderen: peuters en kleuters in de leeftijd van 2,5 tot 6 jaar die wonen in de gemeente Zandvoort met een (risico op) taal- en/of ontwikkelingsachterstand, vastgesteld met een VVE-indicatie;

  • f.

    erkend VE-programma: VE programma opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut;

  • g.

    fiscaal maximum: het maximum uurtarief waarover door de Belastingdienst kinderopvangtoeslag wordt toegekend voor opvang;

  • h.

    kindercentrum: een voorziening, gevestigd in de gemeente Zandvoort en opgenomen in het landelijk register kinderopvang, waar kinderopvang als bedoeld in artikel 1.1 van de WKO van een kind woonachtig in Zandvoort plaatsvindt;

  • i.

    Kinderopvangtoeslagtabel: de tabel van de Rijksoverheid die de hoogte van de kinderopvangtoeslag bepaalt op basis van de hoogte van het ouder: ouder in de zin van de WKO;

  • j.

    ouderbijdrage: een inkomensafhankelijke bijdrage voor de uren die ouders afnemen voor (VE-)peuteropvang;

  • k.

    peuteropvang: opvang voor peuters 2,5 tot 4 jaar in een kindercentrum

  • l.

    peuterplek: plek voor een peuter van 2,5 jaar tot 4 jaar in een kindercentrum;

  • m.

    toeleidingsmonitor : digitaal registratiesysteem van indicering van een VVE-kind door de Jeugdgezondheidszorg Kennemerland tot plaatsing op VVE-voorziening bij een VVE-aanbieder;

  • n.

    Toeleidingsprotocol: protocol met afspraken rondom de indicering, toelating, inschrijving en plaatsing van kinderen op de (VVE) peutergroepen;VE; voorschoolse educatie, zijnde opvang aan peuters van 2,5 tot 4 jaar met een VE-indicatie, aan de hand van een door het Nederlands Jeugd Instituut erkend VE-programma voor minimaal 960 uur en maximaal 1080 uur per 1,5 jaar;

  • o.

    VVE; vroeg- en voorschoolse educatie, zijnde het aanbod voor voorschoolse educatie aangevuld met aanbod in de vroegschoolse periode voor kinderen in de leeftijd van 2,5-6 jaar.;

  • p.

    VE-indicatie: indicatie afgegeven door de Jeugdgezondheidszorg Kennemerland (JGZ) die recht geeft op toelating tot het Zandvoortse VVE-aanbod;

  • q.

    Wijzer Samenwerken: protocol met samenwerkingsafspraken opgesteld door het Centrum voor Jeugd en Gezin voor professionals die werken met kinderen van 0 tot 4 jaar en vragen of zorgen hebben over de opvoeding, ontwikkeling of het gedrag van een kind;

  • r.

    WKO: Wet kinderopvang;

  • s.

    WPO: Wet op het primair onderwijs;

Artikel 2. Doel

Deze subsidieregeling is van toepassing op subsidies voor het uitvoeren van (VE-)peuteropvang en activiteiten ter stimulering van de onderwijskansen op basis- en voorgezet onderwijs scholen in Zandvoort. Het doel van deze subsidieregeling is het stimuleren van onderwijskansen van kinderen in Zandvoort door:

  • -

    het subsidiëren van een kwalitatief hoogwaardig VE-peuteropvangaanbod voor alle kinderen in de leeftijd van 2,5 tot 4 jaar;

  • -

    het subsidiëren van een aanvullend aanbod op de basis- en voorgezet onderwijs school voor kinderen met (risico op) een (taal)achterstand.

Hoofdstuk 2 (VE)-peuteropvang

Artikel 3. Subsidiabele activiteiten

  • 1. Het aanbieden van peuteropvang aan kinderen zonder VE-indicatie voor maximaal 480 uur per anderhalf jaar in de leeftijdsperiode 2,5 tot 4 jaar.

  • 2. Het aanbieden van VE-peuteropvang aan doelgroepkinderen tussen 2,5 en 4 jaar voor minimaal 960 uur en maximaal 1080 uur in anderhalf jaar, waarin per dag maximaal 6 uur VE mag worden aangeboden;

Artikel 4. Subsidiecriteria

De aanvrager van subsidie voor peuteropvang voldoet aan de volgende criteria:

  • 1.

    Er mag bij de gemeente Zandvoort geen voornemen bestaan om handhavend op te treden tegen de aanvrager, dan wel een handhavingsbesluit zijn genomen door de toezichthouder naar aanleiding van een constatering van een overtreding.

  • 2.

    Voorschriften voor de basiskwaliteit van kindercentra, gesteld bij of krachtens de wet Kinderopvang, de Wet Innovatie en kwaliteit kinderopvang en geldende regelgeving rondom het aanbieden van VVE. Hieronder vallen onder andere (maar niet uitsluitend) de Beroepskrachtkindratio (BKR), de toepassing van het aantal uur pedagogisch coaching, het werken met een NJi erkend programma.

  • 3.

    In het geval van een aanvraag voor het bieden van VE-peuteropvang aan doelgroepkinderen geldt in aanvulling op het in lid 1 en lid 2 gestelde dat de aanvrager:

    • a.

      als VE-gecertificeerd staat opgenomen in het LRK;

    • b.

      voldoet aan de voorschriften gesteld bij of krachtens het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie.

Artikel 5. Verplichtingen

De aanvrager van subsidie voor (VE-)peuteropvang voldoet bij de uitvoering aan de volgende verplichtingen:

  • 1.

    aanvrager voldoet aan de subsidiecriteria genoemd in artikel 4;

  • 2.

    er is per kind een overdracht naar de basisschool met gebruik van een daartoe bestemd overdrachtsformulier.

  • 3.

    bij kinderen waarbij sprake is van zorg over de ontwikkeling of het gedrag wordt gewerkt volgens het Wijzer Samenwerken protocol;

  • 4.

    in het geval van een aanvraag voor het bieden van VE-peuteropvang aan doelgroepkinderen geldt tevens dat:

    • a.

      aanbieders een inspanningsverplichting hebben dat elke deelnemende peuter gedurende de leeftijd 2,5 tot 4 jaar minstens 960 uur deelneemt;

    • b.

      er wordt gewerkt met de Zandvoortse VVE toeleidingsmonitor voor VE-geïndiceerde peuters;

    • c.

      alle VVE-doelgroepkinderen warm worden overgedragen aan de gekozen basisschool;

    • d.

      er zichtbaar sprake is van overleg en afstemming tussen de aanbieder van voorschoolse educatie en de basisschool waarnaar de meeste peuters uitstromen met betrekking tot doorgaande lijn, de warme overdracht, het aanbod en de aanpak;

Artikel 6. Doelgroep

  • 1. Voor de subsidie van de (VE)-peuteropvang worden de volgende categorieën kinderen gehanteerd:

    • a.

      peuters zonder VE indicatie die naar de (VE) peuteropvang gaan en waarvan de ouders geen recht hebben op kinderopvangtoeslag;

    • b.

      peuters zonder VE indicatie die naar de (VE-)peuteropvang gaan en waarvan de ouders een ZandvoortPas hebben;

    • c.

      peuters met VE-indicatie die naar de VE-peuter of hele dagopvang gaan waarvan de ouders geen recht hebben op kinderopvangtoeslag;

    • d.

      peuters met VE-indicatie die naar de VE-peuter of hele dagopvang gaan waarvan de ouders wel recht hebben op kinderopvangtoeslag;

    • e.

      peuters met VE-indicatie die naar de VE-peuter of hele dagopvang gaan waarvan de ouders een ZandvoortPas hebben.

  • 2. Peuters zonder VE-indicatie en waarvan de ouders recht hebben op kinderopvangtoeslag komen niet in aanmerking voor subsidie op grond van deze subsidieregeling.

  • 3. De doelgroepen zoals benoemd onder artikel 6 lid 1 ontvangen niet zelf de subsidie, de subsidie wordt uitgekeerd aan de houder die zij hebben uitgekozen voor hun kind.

Artikel 7. Hoogte subsidiebedrag

  • 1. Het college subsidieert per uur per bezette peuterplek. Voor de in artikel 6 genoemde doelgroepen gelden de volgende maximale subsidiebedragen voor de houder:

    • a.

      Voor de in artikel 6 lid 1 onder a genoemde doelgroep ontvangt de houder per bezette peuterplek het fiscaal maximum voor maximaal 480 uur per anderhalf jaar, minus de gemiddelde ouderbijdrage.

    • b.

      Voor de in artikel 6 lid 1 onder b genoemde doelgroep ontvangt de houder per bezette peuterplek het fiscaal maximum voor maximaal 480 per anderhalf jaar.

    • c.

      voor de in artikel 6 lid 1 onder c genoemde doelgroep ontvangt de houder per bezette peuterplek voor de eerste 480 tot 540 uur het werkelijk afgenomen uur (VVE-)peuteropvang: het fiscaal maximum minus de geldende ouderbijdrage. Voor de tweede 480 tot 540 uur bedraagt de subsidie per bezette peuterplek het uurtarief van het werkelijk afgenomen aantal uur.

    • d.

      Voor de in artikel 6 lid 1 onder d genoemde doelgroep ontvangt de houder voor VVE-peuteropvang geen subsidie. Voor de overige uren voorschoolse educatie, tot totaal minimaal 480 uur en maximaal 540 uur per anderhalf jaar, ontvangt de houder per bezette peuterplek het fiscaal maximum maal het werkelijk aantal afgenomen uren.

    • e.

      Voor de in Artikel 6 lid 1 onder e genoemde doelgroep ontvangt de houder per bezette peuterplek voor maximaal 1080 uur per anderhalf jaar het fiscaal maximum over het werkelijk afgenomen aantal uur.

  • 2. Het college subsidieert daarnaast voor VE-locaties een bedrag van €12.500,- per VE-groep. Hiervan kunnen de volgende activiteiten worden bekostigd:

    • a.

      De inzet van de pedagogisch beleidsmedewerker in de VE, conform het gestelde in het besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie

    • b.

      Opleidingen van personeel om te (blijven) voldoen aan de kwaliteitseisen VVE zoals genoemd in de WKO en de verplichtingen in artikel 4 en 5 van deze uitvoeringsregeling;

    • c.

      Het aanbieden van maximaal 8 uur per week VE-peuteropvang voor de doelgroep tussen de 2 en de 2,5 jaar, indien ruimte bij de houder dit toestaat en tot maximaal 160 uur per peuter;

    • d.

      Activiteiten die bijdragen aan VVE, dan wel onderwijskansen, die in overleg met de gemeente bij het aanvragen van de subsidie zijn goed gekeurd.

  • 3. Het uurtarief in lid één wordt jaarlijks geïndexeerd met hetzelfde percentage waarmee het Rijk het fiscaal maximum indexeert. Het locatietarief genoemd in lid 2 kan jaarlijks worden bijgesteld door het college.

Artikel 8. Ouderbijdrage

  • 1. Ouders betalen een inkomensafhankelijke bijdrage voor de (VE-)peuteropvang op basis van de kinderopvangtoeslagtabel die wordt verstrekt door het Rijk:

    • a.

      Ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag en zonder VE-indicatie betalen voor VE-peuteropvang voor maximaal 480 uur in 1,5 jaar een inkomensafhankelijke bijdrage tot het fiscaal maximum plus het verschil tussen het fiscaal maximum en het uurtarief van de houder;

    • b.

      Ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag en met een kind met een VE-indicatie betalen voor VE-peuteropvang minimaal 480 uur en maximaal 540 in 1,5 jaar een inkomensafhankelijke bijdrage. Voor de overige minimaal 480 uur en maximaal 540 voorschoolse educatie, wordt geen ouderbijdrage in rekening gebracht;

    • c.

      Ouders met recht op kinderopvangtoeslag en met een kind met een VE-indicatie betalen voor VE-peuteropvang voor 480 of 540 uur het fiscaal maximum aan de aanbieder. Voor de overige minimaal 480 uur en maximaal 540 uur voorschoolse educatie, wordt geen ouderbijdrage in rekening gebracht;

    • d.

      Ouders met een Zandvoortpas betalen voor de minimaal 960 tot 1080 uur (VE)peuteropvang per 1,5 jaar geen ouderbijdrage.

  • 2. De hoogte van de ouderbijdragen zoals genoemd in lid 1 sub a en b wordt door de houder bepaald op basis van het verzamelinkomen over het voorgaande kalenderjaar. Dit inkomen wordt bepaald aan de hand van de door ouders te overleggen Inkomensverklaring.

Artikel 9. De aanvrager

  • 1. Subsidie bedoeld voor de (VE)-peuteropvang, kan uitsluitend worden aangevraagd door een houder van een kindercentrum in de gemeente Zandvoort, waar een kind woonachtig in de gemeente Zandvoort gebruik van maakt.

  • 2. Het college kan in uitzonderlijke situaties ten faveure van de aanvrager besluiten af te zien van hetgeen gesteld is in lid 1 van dit artikel.

Artikel 10. Aanvraagprocedure (VE)-peuteropvanghouders

  • 1. Houders kunnen een aanvraag voor subsidie voor (VE) peuteropvang indienen middels een door het college vastgesteld aanvraagformulier.

  • 2. Aanvragen moeten uiterlijk 1 november voorafgaand aan het jaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd ingediend worden.

  • 3. Bij deze aanvraag voegen zij een inhoudelijk jaarplan toe. In dit inhoudelijk jaarplan wordt beschreven hoe in het subsidie(aanvraag)jaar wordt gewerkt/gewerkt gaat worden aan de subsidiedoelen.

    • a.

      Voor VE-peuteropvang beschrijft het jaarplan ook de inzet van de middelen van de groepssubsidie.

  • 4. In de aanvraag geeft de houder het voor het kalenderjaar verwachte aantal uur te realiseren (VE)-peuteropvang en de verwachte ouderbijdragen aan.

Artikel 11. Verantwoording (VE-)peuteropvang

  • 1. Door middel van een door de gemeente aangeleverd format of via de data opgehaald uit de VVE-monitor, verantwoordt de subsidieontvanger jaarlijks het effectieve gebruik van de (VE-)peuteropvang door doelgroepkinderen, de ouderbijdragen, de realisatie en evaluatie van het inhoudelijk jaarplan.

  • 2. De aanvrager kan op aanvraag van het college, mits dit is genoemd in de voorlopige beschikking, een beknopte inhoudelijke tussentijdse verantwoording aanleveren.

  • 3. In het geval van een subsidie van meer dan 100.000 euro dient de subsidieontvanger een controleverklaring, opgesteld door een onafhankelijk accountant en volgens het door het college vastgestelde verantwoording- en accountantscontroleprotocol in te dienen.

  • 4. Met de aanbieder kunnen in aanvulling op de bovengenoemde verantwoordingsdocumenten aanvullende afspraken worden gemaakt over de administratieve vereisten voor het vastleggen en controleren van het werkelijke gebruik en de onder de locatiesubsidie verantwoorde kosten.

Artikel 12. Vaststelling van het subsidiebedrag (VE-)peuteropvang

  • 1. Het definitieve subsidiebedrag wordt na afloop van de subsidieperiode, op basis van de gegevens uit de verantwoording van de subsidieaanvrager, door het college vastgesteld.

  • 2. Deze vaststelling vindt plaats op basis van:

    • a.

      het werkelijke aantal bezette peuterplekken tot het maximum aantal uren zoals benoemd in artikel 7;

    • b.

      de totaal in rekening gebrachte ouderbijdragen;

    • c.

      de eventueel genoemde kosten zoals verder uiteengezet in artikel 7, lid 2.

  • 3. Terugvordering kan plaatsvinden wanneer een houder minder bezette peuterplekken heeft gerealiseerd dan het aantal waarop de hoogte van de subsidieverlening was gebaseerd of wanneer de groepssubsidie niet volledig is besteed.

Hoofdstuk 3 Onderwijskansensubsidie

Deze subsidieregeling is van toepassing op subsidies voor het uitvoeren van activiteiten ter stimulering van de onderwijskansen op basis- en voorgezet onderwijs scholen in Zandvoort. Het doel van deze subsidieregeling is het stimuleren van onderwijskansen van kinderen in Zandvoort door:

  • -

    het subsidiëren van een aanvullend aanbod op de basis- en voorgezet onderwijs school voor kinderen met (risico op) een (taal)achterstand.

Artikel 13. Subsidiabele activiteiten

  • 1. Het college kan subsidie verstrekken voor het aanbieden van activiteiten gericht op het bevorderen van onderwijskansen voor kinderen in de leeftijd 4 t/m 18 jaar.

Artikel 14. Subsidieontvanger

  • 1. Subsidie voor onderwijskansenactiviteiten kan zowel worden aangevraagd door basis- of voortgezet onderwijsscholen, gevestigd in de gemeente Zandvoort, als ook door partijen die activiteiten organiseren op Zandvoortse basis- of voortgezet onderwijsscholen. Laatstgenoemde partijen dienen aan te tonen in de subsidieaanvraag dat deze is afgestemd met één of meerdere basis- of voortgezet onderwijsscholen in Zandvoort..

Artikel 15. Verplichtingen

  • 1. Wanneer de subsidieontvanger een externe partij betreft die direct met de leerlingen op de scholen werkt, zorgt deze ervoor dat alle mensen die direct met de leerlingen werken beschikken over een Verklaring Omtrent het Gedrag.

Artikel 16. Aanvraagprocedure

Voor basis- of voortgezet onderwijs scholen die middelen aanvragen voor onderwijskansenactiviteiten gelden de volgende procedures:

  • 1.

    Jaarlijks wordt in het directeurenoverleg Zandvoort geïnventariseerd en, op basis van het overleg, door de gemeente in lijn met de nota Actualisatie Onderwijskansenbeleid Zandvoort 2025 besloten welke activiteiten er mogelijk zijn binnen de beschikbare subsidiemiddelen;

  • 2.

    De basisscholen kunnen onderaannemers of uitvoerders betrekken bij de uitvoering van de gekozen activiteiten, mits deze voldoen aan de verplichting gesteld in artikel 14.

  • 3.

    De scholen kunnen een subsidieaanvraag voor onderwijskansenactiviteiten indienen middels een door het college vastgesteld aanvraagformulier.

    • a.

      Indien van toepassing, kan de school een onderaannemer of uitvoerder mandateren om de aanvraag in te dienen.

  • 4.

    Aanvragen die per kalenderjaar lopen, kunnen tot 1 december van het lopende jaar ingediend worden.

  • 5.

    Bij de aanvraag wordt een inhoudelijk plan toegevoegd. Hierin wordt beschreven hoe de subsidieaanvrager invulling geeft aan de beoogde interventie. In het plan zijn in ieder geval de volgende aspecten opgenomen:

    • a.

      Interventiesoort en doel van interventie.

    • b.

      Ureninzet van de interventie.

    • c.

      Kosten en financieringsvorm van de interventie (bijvoorbeeld co-financiering).

    • d.

      Aantal te bereiken Zandvoortse kinderen of leerlingen met de interventie en criteria om te komen tot de doelgroep voor de interventie.

    • e.

      Relatie tussen interventie en instellingsvisie.

    • f.

      Monitoring en evaluatie van voortgang en resultaten van interventie.

    • g.

      Relatie met het Zandvoorts Preventiemodel en/of de wijze waarop de activiteit past binnen het Onderwijskansenbeleid Zandvoort 2025.

Artikel 17. Verantwoording onderwijskansenactiviteiten

Scholen die middelen aanvragen voor onderwijskansenactiviteiten verantwoorden zoals bepaald in de toekenningsbeschikking. Hierin wordt in ieder geval verantwoord over de in de aanvraag opgenomen aspecten, zoals benoemd onder artikel 16.

Hoofdstuk 4 Slotbepalingen

Artikel 18. Subsidieplafond

  • 1. Het subsidieplafond voor alle activiteiten die vallen onder het onderwijskansenbeleid is jaarlijks gelijk aan de middelen die beschikbaar worden gesteld via de Rijksuitkering van de Gemeentelijke onderwijsachterstandenbeleid middelen (GOAB). Hiervan is jaarlijks ten minste 40.000 euro beschikbaar voor de activiteiten die gericht zijn op de kinderen in de schoolse leeftijd.

  • 2. Als door het toekennen van een aanvraag het subsidieplafond wordt overschreden, kan aan die aanvrager maximaal het binnen het subsidieplafond nog beschikbare bedrag worden toegekend.

  • 3. Indien de in lid 1 van dit artikel genoemde door GOAB uitgekeerde middelen hoger blijken dan gedacht, waardoor het genoemde bedrag van EUR 40.000 die beschikbaar wordt gesteld voor de in deze subsidieregeling genoemde subsidies, zullen subsidies die het in lid 1 genoemde bedrag overschrijden toch worden toegekend, voor daarvoor voldoende middelen beschikbaar zijn.

Artikel 19. Weigerings- en intrekkingsgronden

In aanvulling op artikel 8 van de ASV en artikel 4:48 Awb kan het college weigeren subsidie te verlenen dan wel te besluiten om de subsidie in te trekken, indien de aanvrager niet voldoet aan de eisen van deze regeling, in het bijzonder aan de voorwaarden genoemd in artikelen 4,15 en 16.

Artikel 20. Intrekking

De Subsidieregeling (VVE)-Peuteropvang en Onderwijskansen wordt ingetrokken.

Artikel 21. Overgangsbepaling

  • 1. De in artikel 20 genoemde subsidieregeling blijft van toepassing op subsidies die op grond van deze subsidieregeling zijn verleend, waaronder in ieder geval wordt begrepen het aanvragen van de subsidievaststelling, de eindverantwoording en het besluit tot vaststelling van de subsidie over dat jaar.

  • 2. Bezwaarschriften gericht tegen een beschikking op een aanvraag krachtens onder artikel 20 genoemde subsidieregeling worden afgedaan met toepassing van de onder artikel 20 genoemde subsidieregeling

Artikel 22. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen, gelet op het belang van een aanvrager (of aanvraag), artikelen van deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing ervan naar het oordeel van het college leidt tot onbillijke of onevenredige gevolgen.

Ondertekening