Verordening maatschappelijke ondersteuning Montferland 2026

Geldend van 11-02-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026

Intitulé

Verordening maatschappelijke ondersteuning Montferland 2026

De raad van de gemeente Montferland;

Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Montferland van 2 december 2025;

Gelet het advies van de Sociale Raad van 24 september 2025;

Gelet op:

de artikelen 2.1.3, 2.1.4a, eerste, tweede, vierde en zesde lid, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.3.6, vierde lid en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, alsmede gelet op artikel 156 van de Gemeentewet;

Gelet op:

Voor een gezamenlijke toekomst, visie Sociaal Domein gemeente Montferland 2025 – 2033

Overwegende dat:

  • -

    burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven;

  • -

    van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan;

  • -

    burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven;

  • -

    het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfred-zaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psy-chosociale problemen, beschermd wonen en opvang, en

  • -

    dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen en diensten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving;

BESLUIT:

vast te stellen de:

Verordening maatschappelijke ondersteuning Montferland 2026

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN EN REIKWIJDTE

Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen

  • 1. In de verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a.

      Besluit: het vigerende Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Montferland waarin nadere regels zijn gesteld;

    • b.

      Budgethouder: de persoon aan wie een persoonsgebonden budget is toegekend;

    • c.

      Budgetperiode: de periode waar een persoonsgebonden budget betrekking op heeft;

    • d.

      Budgetplan: een plan opgesteld door (of namens) de cliënt waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de voorwaarden om voor een persoonsgebonden budget in aanmerking te komen;

    • e.

      Collectieve maatwerkvoorziening: een maatwerkvoorziening die individueel wordt toegekend maar door meerdere personen tegelijk kan worden gebruikt;

    • f.

      Financiële tegemoetkoming: een tegemoetkoming in de kosten die rechtstreeks aan de cliënt kan worden uitbetaald en waarvoor geen oordeel wordt gegeven over de kwaliteit;

    • g.

      Gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten die een leefeenheid vormen;

    • h.

      Gemeenschappelijke ruimten: gedeelte(n) van een woongebouw, niet behorende tot de on-derscheiden woningen, bestemd en noodzakelijk om de woonruimte van de cliënt waar deze zijn hoofdverblijf heeft vanaf de toegang tot het woongebouw te bereiken;

    • i.

      Gewaarborgde hulp: een door de budgethouder ingeschakelde persoon van wie voldoende duidelijk is dat deze kan in staan voor nakoming van de aan het persoonsgebonden budget verbonden verplichtingen;

    • j.

      Huisgenoot: de persoon die met de cliënt gemeenschappelijk een woning bewoont, anders dan door een commerciële huurders- of kostgangersrelatie;

    • k.

      Hulp bij het huishouden: het overnemen van of ondersteunen bij activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden van de cliënt dan wel van de leefeenheid waartoe de cliënt behoort indien de huisgenoten naar oordeel van het college geen gebruikelijke hulp kunnen bieden;

    • l.

      Hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft of zal hebben en op welk adres hij in de Basisregistratie personen (BRP) ingeschreven staat of zal staan. Indien de cliënt met een briefadres in de BRP ingeschreven staat, gaat het om het feítelijk woonadres;

    • m.

      Leefeenheid: de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waarmee de cliënt gemeenschappelijk een woning bewoont en gezamenlijk een huishouden voert;

    • n.

      Normale gebruik van de woning: het kunnen verrichten van de elementaire woonfuncties (eten, slapen, lichaamsreiniging, koken), het verrichten van belangrijke huishoudelijke taken, horizontale en verticale verplaatsingen in en om de woning waaronder ook de toegang tot de woning;

    • o.

      Ondersteuningsplan: het door het college opgestelde verslag over de uitkomsten van onder-zoek waarin de te bereiken resultaten staan;

    • p.

      Ondersteuningsvraag: een melding door of namens de cliënt van de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning;

    • q.

      Persoonlijk plan: een door de cliënt, al dan niet tezamen met zijn persoonlijke netwerk, op-gesteld plan met zijn persoonlijk arrangement over de omstandigheden als bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met e van de wet;

    • r.

      Professionele organisatie: een organisatie, die is ingeschreven bij de KvK als verlener van maatschappelijke ondersteuning en die voldoet aan de kwaliteitseisen voor in ieder geval de medewerkers die namens de organisatie ondersteuning bieden;

    • s.

      Spoedeisend geval: een (onvoorziene) situatie die geen uitstel verdraagt;

    • t.

      Uitvoeringsplan: een plan opgesteld door (of namens) de cliënt waaruit blijkt op welke manier of met welke ondersteuning het te behalen resultaat met een persoonsgebonden budget wordt bereikt en door wie dat wordt geboden;

    • u.

      Vervoersvoorziening: een voorziening, met of zonder motor, waarmee de cliënt zich in zijn leefomgeving kan verplaatsen;

    • v.

      Voorliggende voorziening: een andere wettelijke regeling waarop de cliënt een beroep kan doen met het oog op zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Onder omstandig-heden kan daar ook een privaatrechtelijke regeling onder worden verstaan;

    • w.

      Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • x.

      Woning: een woonruimte voor permanente bewoning bestemd en geschikt en waarbij geen wezenlijke woonfuncties, zoals woon- en slaapruimte, was en kookgelegenheid en toilet met andere woningen worden gedeeld. Hieronder begrepen een woonschip en een woonwagen mits geschikt én bestemd voor permanent bewoning;

    • y.

      Zorgplan: een plan dat de aanbieder samen met de cliënt opstelt over de invulling en inzet van de ondersteuning en de wijze waarop dit bijdraagt aan de realisatie van de door het col-lege opgestelde resultaten in het ondersteuningsplan;

    • z.

      Zzp’er: een ondernemer die geen personeel in dienst heeft, is ingeschreven bij de KvK als verlener van maatschappelijke ondersteuning en voldoet aan de kwaliteitseisen, waarbij voor de vaststelling of er sprake is van een ondernemer in ieder geval de volgende criteria gelden:

      • niet werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610 en vol-gende van het Burgerlijk Wetboek; en

      • door de Belastingdienst aangemerkt wordt als ondernemer voor de Inkomstenbelasting (voor eigen rekening en risico verrichten van werkzaamheden).

  • 2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader worden omschreven heb-ben dezelfde betekenis als in de wet, de daarop op gebaseerde lagere regelgeving en de Alge-mene wet bestuursrecht.

Artikel 1.2 Reikwijdte verordening

  • 1. Deze verordening heeft betrekking op de maatschappelijke ondersteuning in de zin van de wet voor in Nederland verblijvende ingezetenen van de gemeente Montferland.

  • 2. Als ingezetene wordt aangemerkt degene die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de ge-meente Montferland.

  • 3. Voor ingezetenen met een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning in de vorm van beschermd wonen geldt dat zij zich in de centrumgemeente Doetinchem melden als het een herbeoordeling betreft van een maatwerkvoorziening die eerder is afgegeven door Buurtplein. Als het een nieuwe aanvraag betreft wordt de aanvraag ingediend bij de gemeente Montferland.

  • 4. Voor een aanvraag maatschappelijke opvang bij dak-of thuisloosheid kan de ingezetene zich melden in de gemeente Montferland. Indien inzet van een regionale voorziening passend is draagt het college zorg voor een zorgvuldige overdracht naar centrumgemeente Doetinchem. Bij een acute vraag naar opvang kan men zich, buiten kantoortijden, direct melden bij centrumge-meente Doetinchem. Zij beoordelen in die situaties de aanvraag.

  • 5. Voor ingezetenen met een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning in de vorm van vrou-wenopvang vanwege geweld in huiselijke kring geldt dat zij zich melden en de daarmee verband houdende aanvraag indienen in de centrumgemeente Arnhem. Het college draagt zorg voor een zorgvuldige overdracht.

HOOFDSTUK 2 PROCEDUREREGELS

Artikel 2.1 De melding van de ondersteuningsvraag

  • 1. Een ondersteuningsvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld.

  • 2. Het college bevestigt de ontvangst van een ondersteuningsvraag schríftelijk.

  • 3. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.

Artikel 2.2 Cliëntondersteuning

  • 1. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op gratis onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is.

  • 2. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voorafgaand het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, op de mogelijkheid om gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.

Artikel 2.3 Persoonlijk plan

  • 1. Het college informeert de cliënt over de mogelijkheid tot het indienen van een persoonlijk plan en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding van de ondersteuningsvraag in de gelegenheid het plan te overhandigen.

  • 2. Het college betrekt het persoonlijk plan bij het onderzoek als bedoeld in artikel 2.5 van de ver-ordening.

Artikel 2.4 Informatie en identificatie

  • 1. De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger verschaft het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

  • 2. Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 2.5 van de verordening, stelt het college de identiteit van de cliënt vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identifi-catieplicht.

  • 3. Het college is tevens bevoegd de identiteit van de vertegenwoordiger of mantelzorger van de cliënt vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

Artikel 2.5 Het onderzoek

  • 1. Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek. Het gesprek wordt gevoerd met de cliënt, diens vertegenwoordiger, zijn of haar mantelzorger en/of personen uit het sociale netwerk.

  • 2. Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plich-ten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te ver-werken.

  • 3. De onderwerpen, genoemd in artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet vormen de basis van het gesprek als bedoeld in het eerste lid. Daarnaast wordt het persoonlijk plan betrokken bij het onderzoek.

  • 4. Tijdens het gesprek wordt aan de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een persoonsgebonden budget in plaats van een maatwerkvoorziening in natura en wat de gevolgen van die keuze zijn.

  • 5. Als de ondersteuningsvraag genoegzaam bekend is, kan het college in overeenstemming met de cliënt afzien van een gesprek.

Artikel 2.6 Ondersteuningsplan

  • 1. Het college stelt na het onderzoek een ondersteuningsplan op en verstrekt dat aan de cliënt.

  • 2. Opmerkingen of aanvullingen van de cliënt kunnen aan het ondersteuningsplan worden toege-voegd.

  • 3. Het ondersteuningsplan is twee maanden geldig mits er tussen de melding en het daar op be-trekking hebbende ondersteuningsplan geen wijzigingen hebben plaatsgevonden in de feiten en omstandigheden. Het college neemt dan het (eerste) ondersteuningsplan als uitgangspunt bij de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening.

Artikel 2.7 Advisering bij melding of aanvraag

  • 1. Het college kan om deskundigenadvies vragen voor zover dit nodig is voor het onderzoek of de beslissing van de aanvraag.

  • 2. De cliënt dan wel zijn huisgenoot verleent zijn medewerking aan het onderzoek.

  • 3. Het college kan een aanbieder om advies vragen (consultatie).

HOOFDSTUK 3 AANVRAAG EN BESCHIKKING

Artikel 3.1 De aanvraag

  • 1. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na de melding.

  • 2. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan door of namens een cliënt schríftelijk bij het college worden ingediend. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier.

  • 3. Een ondertekend ondersteuningsplan kan, indien de cliënt dit aangeeft, worden beschouwd als aanvraag.

  • 4. Een mondeling verzoek van de cliënt om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening kan het college aanmerken als aanvraag.

  • 5. De cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening, verstrekt het college desge-vraagd terstond een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

Artikel 3.2 ínhoud beschikking

  • 1. In de beschikking wordt aangegeven in welke vorm de maatwerkvoorziening wordt verstrekt: in natura, als persoonsgebonden budget of als financiële tegemoetkoming.

  • 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval:

    • a.

      wat het met de maatwerkvoorziening te bereiken resultaat is;

    • b.

      de ingangsdatum en de indicatieduur;

    • c.

      of een bijdrage in de kosten verschuldigd is.

  • 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget vermeldt de beschikking in ieder geval:

    • a.

      aan welk resultaat het persoonsgebonden budget wordt besteed;

    • b.

      wat de hoogte van het persoonsgebonden budget is;

    • c.

      wat de ingangsdatum en de indicatieduur is;

    • d.

      of een bijdrage in de kosten verschuldigd is.

  • 4. Bij het verstrekken van een financiële tegemoetkoming vermeldt de beschikking in ieder geval:

    • a.

      voor welke kosten de tegemoetkoming is bestemd;

    • b.

      de hoogte van de tegemoetkoming;

    • c.

      op welke manier de tegemoetkoming wordt gedeclareerd dan wel uitbetaald.

HOOFDSTUK 4 BEOORDELING VAN DE AANSPRAAK

Artikel 4.1 Algemene criteria maatwerkvoorziening

  • 1. Een cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Montferland komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet:

    • a.

      op eigen kracht;

    • b.

      met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen;

    • c.

      met gebruikelijke hulp;

    • d.

      met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; dan wel

    • e.

      met gebruikmaking van algemene voorzieningen,

  • kan verminderen of wegnemen.

  • 2. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met het ondersteuningsplan en indien aanwezig het persoonlijk plan, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in redelijke mate in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie mede met het oog op zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven.

  • 3. Een cliënt die ingezetene is van Nederland met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico's voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet:

    • a.

      op eigen kracht;

    • b.

      met gebruikelijke hulp;

    • c.

      met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; dan wel

    • d.

      met gebruikmaking van algemene voorzieningen,

  • kan verminderen of wegnemen.

  • 4. De maatwerkvoorziening als bedoeld in het vorige lid levert, rekening houdend met het onder-steuningsplan en voor zover aanwezig het persoonlijk plan, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht kan handhaven in de samenleving.

Artikel 4.2 Specifieke criteria Wmo wonen en opvang

  • 1. Het college kan een maatwerkvoorziening verstrekken in de vorm van:

    • a.

      Beschermd Wonen (24-uurszorg);

    • b.

      Beschut Wonen (24-uurs begeleiding);

    • c.

      Wonen gericht op zelfstandigheid 18-/18+ (24-uurs nabijheid);

    • d.

      Safehouses (24-uurs nabijheid);

    • e.

      Opvang indien de cliënt zich nog niet zelf kan handhaven in de samenleving, tenzij de gemeente Arnhem bevoegd is.

  • Cliënten wonen in een accommodatie van de aanbieder.

  • 2. Beschermd Wonen: vanwege problemen is het nodig dat de cliënt in een instelling met toezicht en begeleiding gaat wonen. Het verblijf is tijdelijk en in veilige omgeving, en helpt de cliënt om zelfredzaam te worden, mee te doen in de samenleving, beter te functioneren, een stabieler psychiatrisch ziektebeeld te krijgen, verwaarlozing of overlast te voorkomen, en gevaar voor zichzelf of anderen af te wenden. De ondersteuning richt zich op door- en uitstroom. De begeleiding is altijd dichtbij en de cliënt kan op elk moment om hulp vragen. De begeleiding moet flexibel zijn om snel te kunnen reageren. Samenwerken met het informele netwerk, begeleiders/behandelaren en andere belangrijke partners is nodig en onderdeel van de begeleiding. De begeleiding merkt ook dingen op. Begeleiding Groep of individuele begeleiding is geen onderdeel van beschermd wonen en kan apart geregeld worden. Begeleiding Groep kan bij een andere aanbieder plaatsvinden dan de woonaanbieder.

  • 3. Beschut wonen: de cliënt kan tijdelijk niet zelfstandig wonen en heeft baat bij een veilige en gezamenlijke woonomgeving met zorg en 24-uurs nabijheid door bereikbaarheid. De begeleiding helpt de cliënt om meer zelf te kunnen beslissen, nieuwe vaardigheden te leren of verloren vaardigheden terug te krijgen. Het doel van de begeleiding is ook om de cliënt zelfredzamer te maken en stabiliteit te waarborgen. Soms is het nodig om de sturing van de cliënt over te nemen, maar het doel is altijd om naar eigen regie te streven.

  • 4. Wonen gericht op zelfstandigheid 18-/18+: de cliënt heeft hulp nodig om meer grip te krijgen op zijn of haar leven en zelfstandiger te worden. Dit kan gaan om een jongere of volwassene die is opgegroeid in een situatie die niet goed past bij wat hij of zij nodig heeft. De mensen om de cliënt heen kunnen hierbij niet genoeg helpen. De cliënt is klaar om een volgende stap te zetten richting volwassenheid, maar kan nog niet helemaal zelfstandig wonen. De cliënt werkt eraan om zo zelfstandig mogelijk mee te doen in de samenleving en leert de vaardigheden die daarvoor nodig zijn.

  • 5. Safehouse: biedt herstelgerichte ondersteuning aan volwassen cliënten met verslavingsproblematiek en psychosociale en/of psychiatrische problemen. Deze voorziening biedt een veilige en gezonde, afgeschermde omgeving, waarin vaardigheden en gedrag die noodzakelijk zijn voor blijvend herstel na een verslaving worden aangeleerd en wordt geoefend in een huiselijke omgeving met groepsgenoten. Het doel is om te leren hoe je zonder verslaving kunt leven. De begeleiders werken samen met behandelaars, familie of andere belangrijke mensen in het leven van de cliënt. De begeleiding gebeurt op een vaste locatie van de organisatie, in Nederland. Het verblijf duurt maximaal een jaar. Er is overdag begeleiding aanwezig en er is altijd iemand bereikbaar. Bij spoed kan er binnen 45 minuten iemand op locatie zijn.

  • 6. Het vervoer naar Begeleiding Groep kan onderdeel zijn van de maatwerkvoorziening.

  • 7. De cliënt kan alleen in aanmerking komen voor opvang indien de cliënt door problemen bij het zich handhaven in de samenleving niet in staat wordt geacht zelf voor onderdak/woonruimte te kunnen zorgen.

Artikel 4.3 Specifieke criteria maatwerkvoorziening

  • 1. Er bestaat slechts aanspraak op een maatwerkvoorziening voor zover deze:

    • a.

      noodzakelijk is om de cliënt in redelijke mate in staat te stellen tot zelfredzaamheid en participatie mede met het oog op het zo lang mogelijk op in de eigen leefomgeving kunnen blijven;

    • b.

      als goedkoopst passende bijdrage aan te merken is;

    • c.

      in overwegende mate op de cliënt gericht is.

  • 2. Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat:

    • a.

      voor zover de cliënt aanspraak kan maken op een voorliggende voorziening of in de voorliggende voorziening een bewuste keuze is gemaakt om de kosten niet (meer) te vergoeden;

    • b.

      indien een maatwerkvoorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling is verleend en daarvan de normale afschrij-vingstermijn nog niet is verstreken, tenzij de eerder vergoede of verleende voorziening ver-loren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen.

    • c.

      indien de cliënt in redelijkheid van hem te vergen mogelijkheden heeft om zelf of met hulp van anderen voor een passende oplossing te zorgen voor de beperkingen in diens zelfred-zaamheid en participatie.

    • d.

      indien de noodzaak tot ondersteuning is ontstaan als gevolg van omstandigheden die in de risicosfeer van de cliënt liggen.

Artikel 4.4 Uitgangspunten maatwerkvoorziening en persoonsgebonden budget

  • 1. Het college weigert een maatwerkvoorziening, al dan niet in de vorm van een persoonsgebonden budget, als deze is gerealiseerd:

    • a.

      vóór de melding van de ondersteuningsvraag;

    • b.

      ná de melding van de ondersteuningsvraag maar voordat het college heeft beslist op de aan-vraag, tenzij het college de cliënt schríftelijk toestemming heeft verleend.

  • 2. De aanvraag om een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget kan worden geweigerd als de maatwerkvoorziening nog niet is gerealiseerd voordat het college heeft beslist op de aanvraag en de noodzaak van de goedkoopst passende bijdrage nog kan worden vastgesteld.

  • 3. Is de afschrijvingstermijn van de geïndiceerde maatwerkvoorziening, al dan niet aangeschaft met een persoonsgebonden budget, verstreken dan kan deze door het verstrekken van instandhoudingskosten nog steeds als goedkoopst passende bijdrage worden aangemerkt.

  • 4. De cliënt zorgt voor een afdoende verzekering tegen verlies, diefstal en schade als de maatwerkvoorziening, al dan niet aangeschaft met een persoonsgebonden budget, wordt meegenomen naar het buitenland.

  • 5. De cliënt aan wie een woningaanpassing voor de eigen woning is verstrekt, al dan niet in de vorm van een persoonsgebonden budget, zorgt voor een opstalverzekering die in voldoende mate de te verzekeren waarde van de woning dan wel de waarde van de verstrekte woningaanpassing dekt voor het risico van schade.

Artikel 4.5 Gebruikelijke hulp

  • 1. De cliënt komt niet in aanmerking voor maatwerkvoorziening indien tot de leefeenheid van de cliënt één of meer personen behoren die naar oordeel van het college gebruikelijke hulp kunnen verlenen.

  • 2. Onder gebruikelijke hulp wordt in ieder geval verstaan:

    • a.

      het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken;

    • b.

      het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van de (financiële) administratie;

    • c.

      het bieden van ondersteuning bij activiteiten of bezigheden die volgens algemene aanvaardbare opvattingen tot de levenssfeer van personen van de leefeenheid behoren.

  • 3. Bij het oordeel van het college of gebruikelijke hulp kan worden gevergd, wordt in ieder geval rekening gehouden met:

    • a.

      de aard, de omvang en de duur van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt;

    • b.

      de aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt;

    • c.

      de leeftijd en ontwikkelingsfase van inwonende kinderen;

    • d.

      de leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden ge-vergd.

HOOFDSTUK 5 MAATWERKVOORZIENINGEN

Artikel 5.1 Algemeen

  • 1. Het verstrekken van maatwerkvoorzieningen is gericht op het bieden van:

    • a.

      hulp bij het huishouden;

    • b.

      ondersteuning bij het verrichten van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtin-gen;

    • c.

      ondersteuning bij het kunnen voeren van een gestructureerd huishouden;

    • d.

      ondersteuning bij deelname aan het maatschappelijke verkeer;

    • e.

      ondersteuning gericht op het ontlasten van de mantelzorger;

    • f.

      tijdelijke ondersteuning aan huisgenoten en/of het sociale netwerk van de cliënt gericht op het leren omgaan met de beperkingen van de cliënt, mits in overwegende mate gericht op diens zelfredzaamheid of participatie;

    • g.

      beschermd wonen en opvang;

    • h.

      een algeheel aan maatregelen dat is toegesneden op de individuele situatie van de cliënt.

  • 2. Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening als een algemene voorziening een passende oplossing biedt voor de problemen in de zelfredzaamheid en participatie. Voorbeelden van algemene voorzieningen zijn: een scootmobielpool en vormen van dagactiviteiten die structuur geven, de dag zinvol maken, gericht zijn op het ontmoeten van medemensen of de mantelzorger ontlasten.

Artikel 5.2 Primaat en kortdurende maatwerkvoorziening

  • 1. Het college kan maatwerkvoorzieningen verstrekken als collectieve - en individuele maatwerkvoorziening. Daarbij ligt het primaat bij de collectieve maatwerkvoorziening, tenzij dat niet als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt.

  • 2. Het college kan een maatwerkvoorziening kortdurend verstrekken indien de cliënt of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd leerbaar zijn.

Artikel 5.3 Criteria financiële tegemoetkoming

  • 1. Het college kan een financiële tegemoetkoming verstrekken voor kosten die verband houden met:

    • a.

      het gebruik van een (eigen) auto voor de lokale vervoersbehoefte;

    • b.

      het gebruik van individueel (rolstoel)taxivervoer voor de lokale vervoersbehoefte;

    • c.

      de toepassing van het primaat van verhuizen als bedoeld in artikel 8.2 van de verordening;

    • d.

      het bezoekbaar maken van de woning voor de cliënt die in Montferland in een instelling op grond van de Wet langdurige zorg woont;

    • e.

      de aanschaf van een sportvoorziening;

    • f.

      andere maatregelen als geen maatwerkvoorziening in natura wordt verstrekt of kan worden verstrekt;

  • 2. De financiële tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid onder d, e en f wordt betaalbaar gesteld op basis van een door het college goedgekeurde declaratie of factuur.

  • 3. De financiële tegemoetkoming voor verhuiskosten wordt niet eerder uitbetaald dan nadat de cliënt is verhuisd of zal verhuizen naar een door het college geschikt bevonden woning.

  • 4. Het college stelt de hoogte van de financiële tegemoetkomingen vast in het Besluit.

  • 5. Het college stelt in het Besluit nadere regels over wat wordt verstaan onder het bezoekbaar maken van de woning en wanneer aanspraak bestaat op een tegemoetkoming voor de aanschaf van een sportvoorziening.

HOOFDSTUK 6 ONDERSTEUNING BIJ HULP BIJ HET HUISHOUDEN

Artikel 6.1 Algemeen

Het college kan een maatwerkvoorziening verstrekken in de vorm van:

  • a.

    herstelgerichte ondersteuning gericht op het versterken of bevorderen van de eigen kracht van de client of zijn huisgenoot;

  • b.

    ondersteuning in de vorm van hulp bij het huishouden rekening houdend met de mate waarin de cliënt of zijn huisgenoot in staat is regie te voeren over het huishouden (hulp bij het huishouden a of b).

Artikel 6.2 Algemene criteria

  • 1. Het college stemt de hulp bij het huishouden in ieder geval af op eigen kracht, of ondersteuning vanuit het sociaal netwerk of vrijwilligers.

  • 2. Het college kan de hulp bij het huishouden (deels) weigeren indien en voor zover de cliënt ge-bruik kan maken van:

    • a.

      een maaltijdservice en/of kant-en-klaarmaaltijden;

    • b.

      een boodschappendienst;

    • c.

      voor-, tussen- en naschoolse opvang, kinderopvang of andere opvangmogelijkheden.

  • 3. Een cliënt komt niet in aanmerking voor hulp bij het huishouden indien tot de leefeenheid van de cliënt één of meer personen behoren die naar oordeel van het college gebruikelijke hulp kunnen verlenen.

Artikel 6.3 Specifieke criteria

  • 1. Hulp bij het huishouden bestaat uit het overnemen van en/of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken (schoonhouden van de woning).

  • 2. Het schoonhouden van de woning wordt slechts geboden indien deze betrekking hebben op de ruimten die in gebruik zijn gericht op het normale gebruik van de woning.

  • 3. Hulp bij het huishouden kan bestaan uit het overnemen van en/of ondersteunen bij:

    • a.

      het klaarzetten of bereiden en zonodig aanreiken van maaltijden;

    • b.

      het kunnen beschikken over normaal benodigde boodschappen;

    • c.

      het aanwezig zijn van gewassen en zo nodig opgevouwen of opgehangen kleding of ander linnengoed, indien noodzakelijk gestreken;

    • d.

      de dagelijkse gebruikelijke zorg voor de in het huishouden aanwezige minderjarige kinderen;

    • e.

      de (dagelijkse) organisatie van het huishouden.

HOOFDSTUK 7 ONDERSTEUNING, BEGELEIDING INDIVIDUEEL, BEGELEIDING GROEP, PERSOONLIJKE VERZORGING EN LOGEREN

Artikel 7.1 Algemeen

  • 1. Het college kan de volgende maatwerkvoorzieningen verstrekken:

    • a.

      Ondersteuning Wmo;

    • b.

      Begeleiding individueel;

    • c.

      Begeleiding individueel extra;

    • d.

      Begeleiding individueel beschermd thuis;

    • e.

      Begeleiding groep belevingsgericht waaronder het noodzakelijke vervoer naar de locatie waar deze wordt geboden;

    • f.

      Begeleiding groep ontwikkelingsgericht waaronder het noodzakelijke vervoer naar de locatie waar deze wordt geboden;

    • g.

      Persoonlijke verzorging rondom persoonlijke hygiëne en lichamelijke basiszorg;

    • h.

      Logeren in een accommodatie van een aanbieder om de mantelzorger te ontlasten;

    • i.

      Time-out (anders dan logeren) voor cliënten gericht op stabiliteit, waardoor een cliënt uiterlijk binnen 6 weken weer kan terugkeren naar de eigen woon- en leefomgeving.

  • 2. Welke maatwerkvoorziening passend is, is afhankelijk van het te bereiken resultaat, zoals opge-nomen in het ondersteuningsplan.

  • 3. Het vervoer als bedoeld in het eerste lid onder e en f wordt in ieder geval noodzakelijk geacht indien de cliënt:

    • a.

      niet in staat is zelfstandig lopend, al dan niet met een algemeen gebruikelijk loophulpmiddel, of zelfstandig met een algemeen gebruikelijk vervoermiddel te reizen, de locatie waar de Begeleiding groep wordt geboden kan bereiken;

    • b.

      (nog) niet zelfstandig of met beschikbare hulp van personen uit diens sociale netwerk of vrijwilligers kan reizen of op een andere manier door hen kan worden begeleid.

  • 4. De manier waarop het resultaat, zoals opgenomen in het ondersteuningsplan, wordt bereikt wordt opgenomen in het zorgplan.

Artikel 7.2 Ondersteuning Wmo

Wmo ondersteuning helpt cliënten vanaf 18 jaar die een verstandelijke of lichamelijke beperking hebben, of die (langdurige) psychische problemen, psychosociale problemen of verslavingsproblemen hebben. De hulp wordt zoveel mogelijk gegeven in de eigen omgeving van de cliënt. Andere voorliggende oplossingen en hulp in de buurt zijn voor deze cliënt niet voldoende geschikt.

Artikel 7.3 Begeleiding individueel

De begeleiding richt zich op het vergroten of behouden van vaardigheden en/of het voorkomen van achteruitgang. Begeleiding heeft ook een signalerende functie; voorkomen van overvraging en signaleren van achteruitgang. Doel van de begeleiding is het vergroten of behouden van de eigen kracht en eigen regie met positief effect op een of enkele leefgebieden. De begeleiding wordt geboden op de beste plek. Dit kan thuis bij de cliënt zijn, maar ook elders. In aanvulling daarop kan begeleiding op afstand door middel van (beeld) bellen worden geboden, wanneer dit aansluit bij de ondersteuningsvraag en mogelijkheden van de cliënt.

Artikel 7.4 Begeleiding individueel extra

De begeleiding helpt cliënten om stabiel te worden, te herstellen en zich te ontwikkelen. Bij de begeleiding wordt een zorgplan gevolgd. De begeleiding let op signalen en merkt problemen op. Als dat nodig is, wordt er op tijd ingegrepen om te voorkomen dat iemand uit balans raakt. Het doel van de begeleiding is dat iemand zijn of haar eigen kracht terugkrijgt of vergroot en meer zelf kan bepalen. Dit heeft een positief effect op verschillende gebieden in het leven. De begeleiding wordt gegeven op de beste plek. Dit kan thuis zijn, maar ook ergens anders. Daarnaast kan begeleiding op afstand via (video) bellen worden gegeven, als dit past bij de ondersteuningsvraag en mogelijkheden van de cliënt.

Artikel 7.5 Begeleiding individueel beschermd thuis

De begeleiding helpt cliënten om te herstellen, zich te ontwikkelen en vast te houden wat ze hebben bereikt. De begeleiding let op signalen en merkt problemen op. Als dat nodig is, wordt er op tijd ingegrepen om te voorkomen dat iemand uit balans raakt. Het doel van de begeleiding is dat iemand zijn of haar eigen kracht terugkrijgt of vergroot en meer zelf kan bepalen. Dit heeft een positief effect op verschillende gebieden in het leven en het weer zelfstandig kunnen wonen. De begeleiding kan veranderen naar een situatie waarin de persoon samen met zijn omgeving om kan gaan met de beperkingen zonder extra hulp of met planbare hulp. De begeleiding is 24 uur per dag, 7 dagen per week bereikbaar. Als het nodig is, kan de begeleider binnen 45 minuten bij de cliënt (thuis) zijn.

Artikel 7.6 Begeleiding groep belevingsgericht

De cliënt heeft behoefte aan dagactiviteiten die structuur geven en de dag zinvol maken, om sociaal isolement te voorkomen. De begeleiding helpt bij het behouden van vaardigheden en ontlast de mantelzorger of thuissituatie. Ontwikkelingsgerichte dag invulling is voor deze groep niet passend of niet meer mogelijk. De activiteiten zijn vooral recreatief en gericht op sociale contacten, het versterken van het sociale netwerk en ontmoeting. Voorbeelden van activiteiten zijn wandelen, knutselen, klussen, gymnastiek/sporten, zingen, samen koken en andere mensen ontmoeten.

Artikel 7.7 Begeleiding groep ontwikkelingsgericht

De begeleiding helpt cliënten om zich op lange(re) termijn te ontwikkelen. Het doel is dat cliënten uit maatwerkvoorziening gaan naar een volgende plek: (gesubsidieerde) betaalde arbeid, participatiebaan, vrijwilligerswerk of onderwijs. De begeleiding helpt bij het aanleren van (werk)vaardigheden om zelfredzaam te worden en mee te doen in de samenleving: inzet op maximale persoonlijke ontwikkeling in een werkomgeving of een hogere trede op de participatieladder. Waar nodig ondersteunt de begeleiding bij behandeling en herstel.

Artikel 7.8 Persoonlijke verzorging

Persoonlijke verzorging helpt cliënten om zichzelf beter te verzorgen in het dagelijks leven. Het doel is dat de cliënt zo zelfstandig mogelijk is en blijft bij activiteiten als wassen, aankleden, eten en uiterlijke verzorging. Het gaat om een cliënt die tijdelijk niet zelfredzaam is, maar waarbij er geen sprake is van een geneeskundige context of een verhoogd risico op geneeskundige zorg. De begeleider kijkt goed of er signalen bestaan die laten zien dat het moeilijker wordt voor de cliënt of dat de situatie onveilig is. De begeleiding gebeurt thuis bij de cliënt. Beeldbellen kan worden gebruikt, bijvoorbeeld om aan te sturen of uitleg te geven. Dit gebeurt alleen als het past bij wat de cliënt nodig heeft. Beeldbellen is een aanvulling en vervangt het persoonlijke contact niet.

Artikel 7.9 Logeren

  • 1. De cliënt die geen indicatie heeft of kan krijgen op grond van de Wet langdurige zorg kan in aanmerking komen voor logeren als:

    • a.

      dit noodzakelijk is om de mantelzorger te ontlasten; en

    • b.

      de cliënt in dat geval aangewezen is op ondersteuning die gepaard gaat met het overnemen van permanent toezicht dan wel 24 uurs ondersteuning in de nabijheid, niet zijnde het bieden van intramurale geneeskundige zorg.

  • 2. Logeren omvat een etmaal.

HOOFDSTUK 8 ONDERSTEUNING GERICHT OP HET WONEN

Artikel 8.1 Algemeen

  • 1. Het college kan een maatwerkvoorziening verstrekken in de vorm van:

    • a.

      een woningaanpassing of hulpmiddel;

    • b.

      een hulpmiddel om zich in en om de woning te verplaatsen,

  • indien deze zijn gericht op het kunnen gebruiken en bereiken van de noodzakelijke gebruiks-ruimte(n) in verband met het normale gebruik van de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben.

  • 2. Een cliënt kan alleen voor een woningaanpassing of een nagelvast hulpmiddel in aanmerking komen wanneer deze langdurig noodzakelijk is en het primaat van verhuizen niet wordt toege-past.

Artikel 8.2 Criterium primaat van verhuizen

  • 1. Het college kan het primaat van verhuizen toepassen als de cliënt kan verhuizen naar een ge-schikte woning of een geschikt te maken woning, en het verstrekken van een financiële tege-moetkoming een goedkopere geschikte oplossing is. Deze beoordeling vindt alleen plaats indien de kosten van het aanpassen van de woning al dan niet tezamen met eventuele andere nagel-vaste hulpmiddelen het in het Besluit genoemde bedrag te boven gaan.

  • 2. De cliënt kan voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komen indien blijkt dat verhuizen als bedoeld in het eerste lid niet binnen een (medisch) aanvaardbare termijn mogelijk is.

Artikel 8.3 Specifieke criteria gericht op het wonen

  • 1. Een woningaanpassing of een nagelvast hulpmiddel wordt slechts verstrekt:

    • a.

      indien de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woning waaraan de maatwerkvoorziening wordt getroffen;

    • b.

      er sprake is van een zelfstandige woning;

    • c.

      de (aan te passen) woning in de gemeente Montferland staat.

  • 2. Met het oog op het normale gebruik van de woning kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt ten aanzien van de bereikbaarheid, toe- en doorgankelijkheid en bruikbaarheid van de woning.

  • 3. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op:

    • a.

      het verstrekken van maatwerkvoorzieningen ten behoeve van hotels/pensions, trekkers­woonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen en gehuurde kamers;

    • b.

      het verstrekken van woonvoorzieningen in specifiek op mensen met beperkingen gerichte woongebouwen, voor zover het maatwerkvoorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft dan wel maatwerkvoorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen of hadden kunnen worden meegenomen.

  • 4. De aanvraag voor een woningaanpassing of een nagelvast hulpmiddel kan in ieder geval worden geweigerd indien:

    • a.

      de noodzaak tot het treffen van de genoemde maatwerkvoorziening(en) het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen in het normale gebruik van de woning ten gevolge van beperkingen geen aanleiding bestond en er geen andere dringende reden aanwezig was;

    • b.

      de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schríftelijk toestemming is verleend door het college;

    • c.

      deze betrekking heeft op te treffen maatwerkvoorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte;

    • d.

      de cliënt woont in of verhuisd is naar een woonruimte die niet bestemd en of geschikt is om het gehele jaar door bewoond te worden;

    • e.

      de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen;

    • f.

      de noodzaak tot het treffen van een maatwerkvoorziening gericht is om deze in overeen-stemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan de woning mogen worden gesteld.

Artikel 8.4 Specifieke criteria zich verplaatsen in en om de woning

Met het oog op het verplaatsen in en om de woning kan het college een maatwerkvoorziening ver-

strekken in de vorm van:

  • a.

    een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik;

  • b.

    een traplift of plafondlift die langdurig noodzakelijk is om de cliënt in staat te stellen ruimten te bereiken in verband met het normale gebruik van de woning.

  • c.

    een ander noodzakelijk hulpmiddel gericht op het zich verplaatsen in en om de woning.

HOOFDSTUK 9 ONDERSTEUNING BIJ DEELNAME AAN HET MAATSCHAPPELIJK VERKEER

Artikel 9.1 Algemeen

  • 1. Het college kan een maatwerkvoorziening verstrekken in de vorm van:

    • a.

      een vervoersvoorziening;

    • b.

      een gebruikerspas voor het collectief vraagafhankelijk vervoer (Regiotaxi);

    • c.

      individueel taxivervoer,

  • voor het zich lokaal kunnen verplaatsen.

  • 2. Het college kan een maatwerkvoorziening, anders dan voor het zich lokaal kunnen verplaatsen, verstrekken gericht op het oplossen dan wel verminderen van de beperkingen in de participatie van de cliënt.

Artikel 9.2 Specifieke criteria

  • 1. Met het oog op het zich lokaal verplaatsen, kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt voor het zich verplaatsen over de korte afstand en de langere afstand rond de woning.

  • 2. Het college hanteert in principe het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening zoals de Regiotaxi.

  • 3. Het college kan een vervoersvoorziening weigeren als een adequate stalling niet beschikbaar is, deze niet gerealiseerd kan worden of het stallen in strijd is met het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 9.3 Het zich lokaal kunnen verplaatsen

  • 1. Het zich lokaal kunnen verplaatsen, gericht op zelfredzaamheid en/of participatie, bestaat in ieder geval uit:

    • a.

      het kunnen bereiken van winkels en andere noodzakelijke voorzieningen;

    • b.

      het kunnen onderhouden van sociale contacten;

    • c.

      het deelnemen aan maatschappelijke activiteiten.

  • 2. Onder lokaal in het vorige lid wordt 15 tot 20 kilometer rondom de woning verstaan. Dit komt overeen met vijf zones (openbaar vervoer).

  • 3. Het te bereiken resultaat als bedoeld in het eerste lid onder a, b en c (tezamen) maakt lokale participatie mogelijk met een omvang van 1500 - 2000 kilometer per jaar.

  • 4. Het college kan in individuele gevallen afwijken van het gestelde in het tweede en/of derde lid.

HOOFDSTUK 10 PERSOONSGEBONDEN BUDGET

Artikel 10.1 Algemeen

  • 1. Het college verstrekt een persoonsgebonden budget in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet.

  • 2. Voor de cliënt die in aanmerking wenst te komen voor een persoonsgebonden budget geldt de verplichting een budgetplan en een uitvoeringsplan op te stellen. Het college stelt een format voor deze plannen beschikbaar.

  • 3. De budgethouder die niet in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen maakt gebruik van gewaarborgde hulp.

  • 4. De budgethouder maakt gebruik van de op zijn situatie van toepassing zijnde zorgovereenkomst van de Sociale Verzekeringsbank.

Artikel 10.2 Regels persoonsgebonden budget algemeen

Het persoonsgebonden budget mag in ieder geval niet worden besteed aan:

  • a.

    de aanschaf van een algemeen gebruikelijke voorziening;

  • b.

    een persoon die tot de leefeenheid van de cliënt behoort en gebruikelijke hulp op zich kan nemen, maar daartoe (tijdelijk) niet in staat is wegens (dreigende) overbelasting.

Artikel 10.3 Besteding en declaratie

  • 1. Het persoonsgebonden budget mag niet worden besteed aan de kosten voor:

    • -

      bemiddeling (tussenpersonen of belangbehartigers),

    • -

      het voeren van een pgb-administratie,

    • -

      ondersteuning bij het aanvragen en beheren van het persoonsgebonden budget,

    • -

      contributie voor lidmaatschappen (bijvoorbeeld van Per Saldo),

    • -

      het volgen van cursussen over het persoonsgebonden budget,

    • -

      een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG).

  • 2. Het persoonsgebonden budget wordt binnen zes maanden na toekenning aangewend voor de bekostiging van het resultaat waarvoor de verstrekking heeft plaatsgevonden. Voor woningaanpassingen kan het college een langere termijn hanteren.

  • 3. Het college maakt geen gebruik van een verantwoordingsvrij bedrag en een feestdagenuitkering.

  • 4. Het college verleent geen éénmalige uitkering in geval van overlijden van de budgethouder.

  • 5. Declaraties op basis van een vast bedrag per maand zijn niet toegestaan.

Artikel 10.4 Kwaliteitseisen diensten

  • 1. De kwaliteitseisen voor wat betreft de vakbekwaamheid die gelden voor de door het college gecontracteerde aanbieders zijn ook van toepassing op een professional.

  • 2. Een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) van een professional en niet-professional is niet ouder dan drie maanden voor het tijdstip waarop de ondersteuning wordt geboden. Het college kan de duur van de indicatie afstemmen op het opnieuw aanvragen van de VOG. Voor hulp bij het huishouden geboden door een persoon uit het sociaal netwerk is een VOG niet van toepassing.

Artikel 10.5 Hoogte persoonsgebonden budget hulp bij het huishouden

  • 1. De maximumhoogte van een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden a en b voor ondersteuners van een professionele organisatie of die als Zzp’er werkzaam zijn wordt berekend met behulp van het tariefmodel hulp bij het huishouden Montferland. In afwijking daarvan is de berekening van de overheadkosten naar 10% bijgesteld.

  • 2. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor personen uit het sociaal netwerk, personen die geen professional zijn en professionals die als personen uit het sociaal netwerk worden aangemerkt bedraagt 100% van het wettelijke minimumloon. Indien de budgethouder werkgeverslasten moet afdragen, wordt het persoonsgebonden budget met die lasten verhoogd.

  • 3. Het college stelt de tarieven vast in het Besluit.

Artikel 10.6 Hoogte persoonsgebonden budget diensten

  • 1. Onder diensten worden de maatwerkvoorzieningen verstaan als bedoeld in hoofdstuk 7 van de verordening en Wmo-wonen als bedoeld in artikel 4.2 van de verordening.

  • 2. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor ondersteuners van een professionele organisatie of die als Zzp’er werkzaam zijn is maximaal 100% van het tarief per uur/dagdeel of etmaal dat een gecontracteerde partij hiervoor hanteert.

  • 3. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor personen uit het sociaal netwerk, personen die geen professional zijn en professionals die als personen uit het sociaal netwerk worden aangemerkt bedraagt 100% van het wettelijke minimumloon. Indien de budgethouder werkgeverslasten moet afdragen, wordt het persoonsgebonden budget met die lasten verhoogd.

  • 4. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor Wmo-wonen wordt vastgesteld op basis van de indicatie rekening houdend dat de cliënt zelf woonkosten verschuldigd is.

  • 5. Indien de cliënt met een indicatie voor Wmo-wonen het persoonsgebonden budget daar (nog) niet aan besteedt, stelt het college de hoogte van het persoonsgebonden budget vast op basis van de individuele situatie.

  • 6. Het college stelt de tarieven vast in het Besluit.

Artikel 10.7 Hoogte persoonsgebonden budget overig

  • 1. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor woningaanpassingen en hulpmiddelen bedraagt niet meer dan het maximum van de kostprijs van de goedkoopst passende maatwerkvoorziening in natura waaronder inbegrepen de instandhoudingskosten of andere bijkomende kosten.

  • 2. Het college kan de hoogte van het persoonsgebonden budget vaststellen op basis van een offerte.

  • 3. De hoogte van een persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen wordt bepaald op ten hoogste de kostprijs daarvan die de aanvrager op dat moment zou hebben ontvangen als de betreffende maatwerkvoorziening in natura zou zijn verstrekt, met dien verstande als:

    • a.

      het een tweedehands maatwerkvoorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, met een looptijd gelijk aan de verkorte termijn waarop deze technisch is afgeschreven, rekening houdend met onderhoud en verzekering;

    • b.

      het een nieuwe maatwerkvoorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, rekening houdend met een eventueel door de gemeente te ontvangen korting en rekening houdend met onderhoud en verzekering.

  • 4. Het onderhoud en de kosten van verzekering, zoals bedoeld in het derde lid, wordt bepaald aan de hand van het tarief van het betreffende hulpmiddel en wordt per jaar verstrekt:

    • a.

      voor een budgetperiode van maximaal 7 jaar, of

    • b.

      tot het jaar waarin de budgethouder overlijdt, of

    • c.

      totdat de maatwerkvoorziening waarvoor een persoonsgebonden budget is verstrekt technisch is afgeschreven, of

    • d.

      totdat de maatwerkvoorziening waarvoor het persoonsgebonden budget is verstrekt verloren is gegaan, of

    • e.

      totdat de maatwerkvoorziening waarvoor het persoonsgebonden budget is verstrekt niet langer een oplossing biedt voor de cliënt.

  • 5. De hoogte van een persoonsgebonden budget voor een autoaanpassing en het bereikbaar maken van een woning wordt bepaald op basis van het programma van eisen aan de hand van een overgelegde offerte.

  • 6. De hoogte van een persoonsgebonden budget voor een woningaanpassing en de eventueel daarmee samenhangende kosten van onderhoud, verzekering, keuring en reparatie zijn gelijk aan de tegenwaarde van het bedrag dat het college heeft bedongen of zou hebben bedongen indien het realiseren van de woningaanpassing zelf zou hebben ingekocht.

  • 7. Het college stelt de tarieven vast in het Besluit en voor zover dat niet mogelijk is in het individuele toekenningsbesluit.

HOOFDSTUK 11 BIJDRAGE IN DE KOSTEN, KOSTPRIJS EN RITBIJDRAGE

Artikel 11.1 Maatwerkvoorziening en persoonsgebonden budget

  • 1. De cliënt is een bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening verschuldigd, zolang hij van de maatwerkvoorziening in natura gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het persoonsgebonden budget is toegekend.

  • 2. De Regiotaxi is uitgezonderd van het abonnementstarief.

  • 3. De bijdrage in de kosten is verschuldigd vanaf de maand waarin de ondersteuning feítelijk is geboden, het hulpmiddel feitelijk is geleverd, de woningaanpassing is gerealiseerd dan wel het persoonsgebonden budget is toegekend.

  • 4. De bijdrage in de kosten blijft verschuldigd als de cliënt tijdelijk geen gebruik maakt van de maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget.

  • 5. De hoogte van de bijdrage in de kosten voor één of meerdere maatwerkvoorzieningen en/of persoonsgebonden budgetten bedraagt niet meer dan de kostprijs en is gebaseerd op het maximale bedrag als bedoeld in artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet.

  • 6. Wanneer een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget wordt verstrekt voor een woningaanpassing bestemd voor een minderjarige cliënt, is de bijdrage in de kosten verschuldigd door:

    • a.

      de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen; en

    • b.

      degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.

  • 7. In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid, van de wet, worden de bijdrage in de kosten voor opvang door de aanbieder die de opvang biedt geïnd.

  • 8. Geen bijdrage is verschuldigd voor een:

    • a.

      financiële tegemoetkoming als bedoeld in artikel 5.3 van de verordening;

    • b.

      rolstoel, waaronder een sportrolstoel;

    • c.

      maatwerkvoorziening voor kinderen tot 18 jaar, tenzij het een woningaanpassing betreft.

Artikel 11.2 Maatwerkvoorziening Wmo wonen en opvang

  • 1. De cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor Beschut Wonen, Beschermd Wonen, Wonen gericht op zelfstandigheid 18-/18+, Safehouse en opvang met inachtneming van de toepasselijke regels van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (landelijk).

  • 2. De bijdrage in de kosten is ook verschuldigd gedurende tijdelijke afwezigheid uit de accommodatie als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 11.3 Kostprijs

  • 1. De kostprijs van de maatwerkvoorziening is, rekening houdend met het bepaalde in artikel 14.5 van de verordening is:

    • a.

      de huurprijs die het college verschuldigd is aan de aanbieder inclusief de eventueel bijkomende kosten zoals instandhoudingskosten;

    • b.

      de koopprijs die het college verschuldigd is aan de aanbieder (al dan niet naar rato in verband met de economische afschrijftermijn), inclusief de eventueel bijkomende kosten zoals instandhoudingskosten;

    • c.

      voor diensten, niet zijnde Beschut wonen, Beschermd wonen, Wonen gericht op zelfstandigheid 18-/18+, Safehouse of opvang, geldt het tarief welke het college verschuldigd is aan de aanbieder.

  • 2. De kostprijs van een persoonsgebonden budget is gelijk aan het bedrag van het persoonsgebonden budget in de betreffende budgetperiode.

Artikel 11.4 Ritbijdrage

  • 1. Voor het gebruik van de Regiotaxi is de cliënt een op het reguliere OV-tarief gebaseerde ritbijdrage(n) verschuldigd aan de aanbieder. Daarnaast kan een laatboektoeslag verschuldigd zijn.

  • 2. De bedragen als bedoeld in het eerste lid worden gepubliceerd op de website van Avan (www.avan-vervoer.nl).

HOOFDSTUK 12 BESTRIJDING MISBRUIK OF ONEIGENLIJK GEBRUIK

Artikel 12.1 Bevoegdheid

  • 1. Het college wijst een of meerdere toezichthoudende ambtenaren aan die belast zijn met het toezicht op de naleving van de rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet.

  • 2. Ter voorkoming van het onterecht ontvangen van maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budgetten, en ter bestrijding van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet is het college bevoegd controles uit te voeren die betrekking hebben op de naleving van:

    • a.

      de regels uit de wet;

    • b.

      de regels uit deze verordening;

    • c.

      de voorwaarden die voortvloeien uit overeenkomsten met aanbieders.

  • 3. De controles als bedoeld in het eerste lid kunnen betrekking hebben op de rechtmatigheid als ook op de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning en/of ondersteuning door derden in geval van een persoonsgebonden budget.

  • 4. Voor de controle als bedoeld in het eerste lid heeft het college geen specifieke aanleiding nodig. Het college kan een thematische aanpak hanteren.

  • 5. De controles kunnen worden uitgevoerd door het college of de toezichthoudende ambtenaar als bedoeld in artikel 6.1 van de wet.

Artikel 12.2 Informatieplicht en fraudepreventie

Het college informeert cliënten in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening (in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget) zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik.

Artikel 12.3 Controle

  • 1. Het college kan de besteding van persoonsgebonden budgetten, al dan niet steekproefsgewijs, controleren en beoordelen. Tevens beoordeelt het college of de budgethouder nog voldoet aan de voorwaarden om voor een persoonsgebonden budget in aanmerking te komen.

  • 2. Bij de controle als bedoeld in het eerste lid kan het college ook de derde betrekken aan wie het persoonsgebonden budget wordt besteed. Onder de derde wordt tevens een aan die derde gelieerde (rechts)persoon verstaan.

Artikel 12.4 Medewerkingsplicht

De budgethouder of de derde aan wie het persoonsgebonden budget wordt besteed zijn desgevraagd verplicht verantwoording af te leggen over de geboden maatschappelijke ondersteuning. Onder de derde wordt tevens een aan die derde gelieerde (rechts)persoon verstaan.

Artikel 12.5 Opschorting betaling uit het persoonsgebonden budget

  • 1. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank verzoeken tot een geheel of gedeeltelijke opschorting voor ten hoogste dertien weken van een betaling uit het persoonsgebonden budget als er ten aanzien van een cliënt (budgethouder) een gegrond vermoeden is gerezen van handelen of nalaten als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d, of e van de wet.

  • 2. Een gegrond vermoeden als bedoeld in het eerste lid kan betrekking hebben op de budgethouder als ook op de derde aan wie het persoonsgebonden budget wordt besteed. Onder de derde wordt tevens een aan die derde gelieerde (rechts)persoon verstaan.

  • 3. Gedurende de periode waarin de betaling van het persoonsgebonden budget is opgeschort voert het college en/of de toezichthouder een onderzoek uit.

HOOFDSTUK 13 NIEUWE FEITEN EN OMSTANDIGHEDEN, HERZIENING, INTREKKING EN TERUGVORDERING

Artikel 13.1 Beëindiging

Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een toegekende aanspraak op een maatwerkvoorziening, financiële tegemoetkoming dan wel persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk beëindigen, indien:

  • a.

    niet wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens de wet of de verordening;

  • b.

    de cliënt zich niet houdt aan de verplichtingen verbonden aan het gebruik van de maatwerkvoorziening;

  • c.

    de cliënt is overleden;

  • d.

    de cliënt vanwege een verhuizing geen woonplaats meer heeft in de gemeente Montferland.

Artikel 13.2 Herziening of intrekking

  • 1. Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college desgevraagd of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot een heroverweging van de beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.

  • 2. Een besluit tot verlening van een persoonsgebonden budget kan worden herzien of ingetrokken indien blijkt dat de cliënt niet heeft voldaan aan de wettelijke verplichtingen dan wel de voorwaarden die voortvloeien uit deze verordening.

Artikel 13.3 Terugvordering

  • 1. Onverminderd artikel 2.4.1 van de wet kan het college nadat het besluit tot toekenning van een maatwerkvoorziening, financiële tegemoetkoming dan wel persoonsgebonden budget is herzien of ingetrokken:

    • a.

      het ten onrechte of tot een te hoog bedrag genoten aan financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget terugvorderen;

    • b.

      de geldswaarde van een maatwerkvoorziening in natura terugvorderen.

  • 2. Het college kan invorderen bij dwangbevel overeenkomstig artikel 2.4.1, tweede lid, van de wet.

HOOFDSTUK 14 OVERIGE BEPALINGEN

§ 1. Jaarlijkse blijk waardering mantelzorgers

Artikel 14.1 De wijze van waardering

  • 1. Het college draagt jaarlijks zorg voor een blijk van waardering voor mantelzorgers.

  • 2. Het college kan bij nadere regeling regels stellen over op welke wijze zorg wordt gedragen voor de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers.

§ 2. Klachtenregeling en medezeggenschap

Artikel 14.2 Klachtenregeling

  • 1. Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle maatwerkvoorzieningen.

  • 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 14.3 Regeling voor medezeggenschap

  • 1. Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle maatwerkvoorzieningen.

  • 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

§ 3. Kwaliteit

Artikel 14.4 Continuïteit en kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

  • 1. Het college draagt zorg voor de continuïteit van de maatschappelijke ondersteuning en de werkzaamheden van Veilig Thuis Noord Oost Gelderland.

  • 2. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, waaronder voldoende deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door:

    • a.

      het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;

    • b.

      het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg;

    • c.

      erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard;

    • d.

      voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van de beroepskrachten tenminste voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken.

  • 3. Het college kan nadere regels stellen over verdere eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid en het kunnen overleggen van een verklaring omtrent het gedrag van beroepskrachten daaronder begrepen.

  • 4. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

Artikel 14.5 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden

  • 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:

    • a.

      een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet het aangaan van een overeenkomst met derde; of

    • b.

      een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

      • i.

        een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en

      • ii.

        de vaste prijs, bedoeld onder onderdeel a.

  • 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

    • a.

      overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen van deskundigheid van de beroepskracht bedoeld in artikel 2.1.3 tweede lid, onderdeel c van de wet en

    • b.

      rekening houdend met de continuïteit van de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

  • 3. Het college baseert de vaste of de reële prijs op de volgende kostprijselementen:

    • a.

      De kosten van de beroepskracht;

    • b.

      Redelijke overheadskosten;

    • c.

      Kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

    • d.

      Reis- en opleidingskosten;

    • e.

      Indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;

    • f.

      Overige kosten als gevolg van de door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

  • 4. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.

  • 5. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat.

Artikel 14.6 Meldingsregeling calamiteiten en geweld

  • 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de levering van een maatwerkvoorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.

  • 2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.

  • 3. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

§ 4. Betrekken van ingezetenen bij beleid

Artikel 14.7 Inspraak en medezeggenschap

  • 1. Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval de Sociale Raad, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

  • 2. Het college kan ingezetenen op verschillende manieren inspraak geven:

    • a.

      via de Sociale Raad;

    • b.

      door ingezetenen te raadplegen, bijvoorbeeld met enquêtes en bijeenkomsten;

    • c.

      door samen met ingezetenen een plan te ontwerpen; of

    • d.

      op andere geschikte manieren.

  • 3. Het college kiest die vorm van inspraak die past bij het onderwerp en bij de groep waar het om gaat.

HOOFDSTUK 15 SLOTBEPALINGEN

Artikel 15.1 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 15.2 Evaluatie

Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt periodiek geëvalueerd.

Artikel 15.3 Inwerkingtreding en citeerartikel

  • 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2026.

  • 2. Verordening maatschappelijke ondersteuning Montferland 2024 vastgesteld op 19 september 2024 wordt per 1 januari 2026 ingetrokken.

  • 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning Montferland 2024 en waarop nog niet is beslist bij het inwerking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

  • 4. Het college kan een besluit dat is gebaseerd op aan deze verordening voorafgaande verordeningen intrekken met toepassing van deze verordening. Het college kan daarvoor een ander besluit in de plaats stellen.

Ondertekening

Aldus besloten in de openbare vergadering van de Gemeenteraad van 29 januari 2026.

De griffier,

De voorzitter,

Toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning Montferland 2026

Algemene toelichting

De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) draagt gemeenten onder meer op te zorgen voor maatschappelijke ondersteuning, de kwaliteit en continuïteit van voorzieningen. Onder maatschappelijke ondersteuning (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet) wordt verstaan:

  • 1°.

    bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld,

  • 2°.

    ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving,

  • 3°.

    bieden van beschermd wonen en opvang.

Eigen verantwoordelijkheid

De wetgever stimuleert burgers regie te nemen over hun leven en zelf verantwoordelijk te zijn voor hun eigen ontplooiing. Dat wil zeggen hoe zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven. Van burgers wordt verwacht dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan. De Wmo 2015 biedt in dat kader mogelijkheden om burgers op een goede manier maatschappelijk te ondersteunen zonder dat dit altijd hoeft te leiden tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening. Inwoners van de gemeente Montferland die zelf, dan wel samen met personen in hun naaste omgeving niet voldoende zelfredzaam zijn of niet in staat tot participatie, kunnen een beroep doen op de door gemeente Montferland georganiseerde maatschappelijke ondersteuning.

Maatwerk

Bij de beoordeling of het bieden van ondersteuning nodig is, gaat het om maatwerk, rekening houdend met de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt. Hierover gaan de professionals van de gemeente Montferland met de cliënt en eventueel diens mantelzorger in gesprek. De eventuele behoefte aan ondersteuning van de mantelzorger bij de uitvoering van taken maakt daar ook onderdeel van uit. Daarbij staan de eigen mogelijkheden (eigen kracht) van de cliënt en het te bereiken resultaat centraal en wordt zoveel mogelijk een integrale benadering nagestreefd. Dat wil zeggen dat de ondersteuning zo nodig wordt afgestemd op het cliëntsysteem waar de cliënt onderdeel van uit maakt. Andere wetten zoals de Participatiewet en de Jeugdwet kunnen daar ook een rol bij spelen. Van dat gesprek ontvangt de cliënt een verslag (ondersteuningsplan).

Opdracht gemeenteraad

Artikel 2.1.3 van de wet geeft de gemeenteraad de opdracht om een verordening vast te stellen met de regels die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de wet, van het beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning en de door het college ter uitvoering daarvan te nemen besluiten of te verrichten handelingen. Deze verordening is dan ook een essentieel document voor de concrete uitwerking van het beleid van de gemeente Montferland. Voor de inwoners van Montferland biedt deze verordening duidelijkheid over wat zij van de gemeente mogen verwachten maar ook wat bij de beoordeling van de aanspraak (redelijkerwijs) van hen wordt verwacht. Voor de professionals van de gemeente Montferland biedt de verordening de benodigde kaders en criteria om op een resultaatgerichte manier tot maatwerk te komen in samenspraak met de inwoner die zich meldt met een ondersteuningsvraag.

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen en reikwijdte

Artikel 1.1 lid 1 aanhef en onder a: Besluit

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Artikel 1.1 lid 1 aanhef en onder b: Budgethouder

Het persoonsgebonden budget (pgb) wordt toegekend aan de cliënt: de budgethouder. Die is uiteindelijk verantwoordelijk voor de juiste uitvoering van de taken verbonden aan het pgb en de aan het pgb verbonden verplichtingen (overeenkomsten aangaan, declareren en verantwoorden).

Artikel 1.1 lid 1 aanhef en onder c: Budgetperiode

De budgetperiode is afhankelijk van de geïndiceerde maatwerkvoorziening waar de hoogte van het pgb op is gebaseerd. Het college stelt de budgetperiode vast in de beslissing op de aanvraag.

Artikel 1.1 lid 1 aanhef en onder d: Budgetplan

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Artikel 1.1 lid 1 aanhef en onder e: Collectieve maatwerkvoorziening

Deze maatwerkvoorziening wordt individueel verstrekt maar kan wel door meerdere personen tegelijk worden gebruikt. Voorbeelden zijn: de Regiotaxi en Begeleiding groep (dagbesteding).

Artikel 1.1 lid 1 aanhef en onder f: Financiële tegemoetkoming

De Centrale Raad van Beroep heeft het begrip financiële maatwerkvoorziening geïntroduceerd (bijv. CRVB:2018:396). Het gaat in de praktijk om een tegemoetkoming in de kosten aan de cliënt als het college geen volledige maatwerkvoorziening in natura verstrekt (hoeft te verstrekken) of kan verstrekken omdat dit in de uitvoering niet mogelijk is. Bij deze tegemoetkomingen hoeft het college niet in alle gevallen een oordeel te geven over de kwaliteit. Er geldt in ieder geval geen trekkingsrecht zoals bij pgb’s.

Artikel 1.1 lid 1 aanhef en onder g: Gebruikelijke hulp

Het gaat (deels) om de wettelijke begripsbepaling waarbij het college beoordeelt of van de genoemde personen gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Zie ook het begrip leefeenheid in dit artikel.

Artikel 1.1 lid 1 aanhef en onder h: Gemeenschappelijke ruimten

De begripsbepaling geeft het verschil aan tussen de woonruimte van een cliënt en de delen van het (woon)gebouw waar de cliënt woont, die ook door anderen worden of kunnen worden gebruikt. Er is sprake van een gemeenschappelijke ruimte als de cliënt alleen middels deze ruimte zijn woning kan bereiken of betreden.

Artikel 1.1 lid 1 aanhef en onder i: Gewaarborgde hulp

De cliënt kan afhankelijk zijn van anderen ter compensatie van het gebrek aan capaciteiten of bekwaamheden om zelf de regie te voeren over de aan het pgb verbonden taken. Uit onderzoek moet blijken dat dergelijke hulp gewaarborgd is. Dat wil zeggen dat deze persoon moet kunnen instaan voor de nakoming van de aan het pgb verbonden verplichtingen zoals: de keuze van de ondersteuner, de kwaliteit en het behalen van het te bereiken resultaat en de financiële verantwoording rondom het pgb.

Artikel 1.1 lid 1 aanhef en onder j: Huisgenoot

Met deze begripsbepaling wordt duidelijk dat alleen van de persoon die gezamenlijk een huishouden voert met de cliënt gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Of er sprake is van een commerciële relatie moet blijken uit een huur- of kostgangersovereenkomst.

Artikel 1.1 lid 1 aanhef en onder k: Hulp bij het huishouden

Met de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (o.a. CRVB:2016:1402) is duidelijk geworden dat hulp bij het huishouden, net als huishoudelijke verzorging op grond van de Wmo (oud), binnen het bereik van de Wmo 2015 valt. De wet geeft echter geen definitie van hulp bij het huishouden. Deze begripsbepaling sluit daarom zoveel mogelijk aan bij de wettelijke definitie zoals die tot 1 januari 2015 luidde in de Wmo (oud).

Artikel 1.1 lid 1 aanhef en onder l: Hoofdverblijf

Het gaat om de woning waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft of zal hebben. De toevoeging ‘zal hebben’ is opgenomen om cliënten niet de mogelijkheid te ontnemen naar de gemeente Montferland te kunnen verhuizen. Wel zal de cliënt bij de keuze van een woning nadrukkelijk rekening moeten houden met diens (te verwachten) beperkingen. Dat valt onder zijn eigen verantwoordelijkheid (zie art. 8.3, vierde lid, Verordening).

Artikel 1.1 lid 1 aanhef en onder m: Leefeenheid

De begripsbepaling vloeit rechtstreeks voort uit de wettelijke bepaling over gebruikelijke hulp. Het gaat om de genoemde personen die gemeenschappelijk een woning bewonen en met elkaar een huishouden voeren. Het college kan na het onderzoek vaststellen dat van hen gebruikelijke hulp kan worden gevergd.

Artikel 1.1 lid 1 aanhef en onder n: Normaal gebruik van de woning

De begripsbepaling is met name van belang bij het verstrekken van woningaanpassingen, hulpmiddelen (woonvoorzieningen) of hulp bij het huishouden. Deze maatwerkvoorzieningen worden slechts verstrekt als ze gericht zijn op het normale gebruik van de woning. Het gaat om de ruimtes waarop de cliënt is aangewezen voor het verrichten van elementaire woonfuncties (eten, koken, wassen en slapen). Onder omstandigheden kan het normale gebruik van de woning zich uitstrekken tot de berging, de toegang tot de tuin of het balkon van de woning. Afhankelijk van de woonfunctie en het daadwerkelijke noodzakelijke gebruik daarvan kunnen maatwerkvoorzieningen worden verstrekt voor de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning.

Artikel 1.1 lid 1 aanhef en onder o: Ondersteuningsplan

Met deze begripsbepaling wordt de bij wet verplichte schriftelijke weergave van het onderzoek bedoeld (art. 2.3.2, achtste lid, van de wet).

Artikel 1.1 lid 1 aanhef en onder p: Ondersteuningsvraag

Onder de ondersteuningsvraag wordt de melding als bedoeld in de wet verstaan. Na de melding van de ondersteuningsvraag voert het college een onderzoek uit (zie artikel 2.5 van de Verordening).

Artikel 1.1 lid 1 aanhef en onder q: Persoonlijk plan

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Artikel 1.1 lid 1 aanhef en onder r: Professionele organisatie

De definitie is van belang om de hoogte van het pgb te bepalen. Voor professionals bepaalt de verordening het tarief. Ook de kwaliteitseisen die gelden voor bijvoorbeeld de vakbekwaamheid spelen een rol om als professional aangemerkt te kunnen worden.

Artikel 1.1 lid 1 aanhef en onder s: Spoedeisend geval

Het is in beginsel aan de cliënt om te stellen en te onderbouwen dat sprake is van een spoedeisende situatie. Het college beoordeelt of er in het individuele geval tijdelijk een maatwerkvoorziening in natura moet worden verstrekt, dit in afwachting van de resultaten van het onderzoek.

Artikel 1.1 lid 1 aanhef en onder t: Uitvoeringsplan

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Artikel 1.1 lid 1 aanhef en onder u: Vervoersvoorziening

Spreekt voor zich. Voorbeelden zijn een scootmobiel of een driewielfiets.

Artikel 1.1 lid 1 aanhef en onder v: Voorliggende voorziening

Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van degene die zich meldt bij het college en een aanvraag indient om een beroep te doen op andere wettelijke regelingen voor zover daar aanspraak op bestaat, die aanspraak bijdraagt aan het oplossen dan wel verminderen van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie (CRVB:2023:1046, CRVB:2023:1508). Het college volgt overigens ook de keuzes die in de voorliggende voorziening zijn gemaakt. Zie verder toelichting bij artikel 4.3, tweede lid aanhef en onder a, van de Verordening.

Artikel 1.1 lid 1 aanhef en onder w: Wet

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Artikel 1.1 lid 1 aanhef en onder x: Woning

De wet kent geen definitie van een woning. Er wordt aansluiting gezocht bij de Wet op de huurtoeslag. Onder een woning wordt een zelfstandige woonruimte verstaan bestemd én geschikt voor permanente bewoning. Een woning heeft een eigen toegang en er worden geen wezenlijke woonfuncties met andere woningen gedeeld. Kamerhuur valt, gelet op de begripsomschrijving, niet onder het begrip woning. Een woning voldoet verder (minimaal) aan het niveau van sociale woningbouw. Dit betekent dat de woning moet zijn voorzien van een woonkamer, een keuken, inpandige sanitaire ruimten (badkamer en toilet) en voldoende slaapkamers voor alle gezinsleden. Woningen waarin de cliënt woonachtig is en de cliënt beschikt over een door de gemeente afgegeven persoonlijke gedoogd verklaring, worden gelijkgesteld met permanente bewoning.

Artikel 1.1 lid 1 aanhef en onder y: Zorgplan

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Artikel 1.1 lid 1 aanhef en onder z: Zzp’er

De definitie is van belang om de hoogte van het pgb te bepalen. Voor professionals bepaalt de verordening het tarief. Ook de kwaliteitseisen die gelden voor bijvoorbeeld de vakbekwaamheid spelen een rol om als professional aangemerkt te kunnen worden.

Artikel 1.2 Reikwijdte verordening

Eerste en tweede lid

De verordening biedt regels voor ingezetenen van de gemeente Montferland. Het tweede lid bepaalt wie als ingezetene worden aangemerkt (zie CRVB:2021:3037). Het gaat verder om de ingezetene de in Nederland verblijft.

Derde, vierde en vijfde lid

Deze leden geven aan op welke manier en bij welke gemeente de toegang tot beschermd wonen, maatschappelijke opvang, vrouwenopvang vanwege huiselijk geweld is georganiseerd.

Hoofdstuk 2 Procedureregels

Artikel 2.1 De melding van de ondersteuningsvraag

Een ieder kan zich bij het college melden. In de meeste gevallen zal dat door de cliënt zelf al dan niet samen met zijn mantelzorger of een andere persoon uit zijn sociaal netwerk gebeuren. Ook kan sprake zijn van een vertegenwoordiger als bedoeld in artikel 1.1.1, tweede lid, van de wet. Zoals bij wet is voorgeschreven registreert en bevestigt het college de ontvangst van de melding aan de cliënt. Na de melding start het college het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet (zie verder art. 2.5 van de verordening). Een uitzondering geldt voor spoedeisende gevallen (zie begripsbepaling van de verordening). Het college verstrekt in voorkomende gevallen (zo spoedig als mogelijk én nodig blijkt) een tijdelijke maatwerkvoorziening, dit in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek. Dit zal zich in de praktijk echter niet snel voordoen.

Artikel 2.2 Cliëntondersteuning

Artikel 2.2.4 van de wet draagt het college op in ieder te geval te zorgen voor cliëntondersteuning. Het gaat in alle gevallen om onafhankelijke ondersteuning voor de cliënt waarbij zijn belang het uitgangspunt moet zijn. Cliëntondersteuning is domeinoverstijgend en hoeft niet alleen betrekking te hebben op de Wmo 2015. Dit maakt integrale dienstverlening aan cliënten en/of burgers nog beter mogelijk. Na de melding van de ondersteuningsvraag informeert het college de cliënt en diens eventuele mantelzorger over deze mogelijkheid. Cliënten kunnen zich ook laten bijstaan door andere (externe) cliëntondersteuners. Denk aan een bestaande cliënten- of belangenorganisatie.

Artikel 2.3 Persoonlijk plan

Voordat het onderzoek wordt gedaan, wijst het college de cliënt en diens eventuele mantelzorger ook op de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te dienen (art. 2.3.2, tweede lid, van de wet). Het spreekt voor zich dat het college dat plan betrekt bij het onderzoek.

Artikel 2.4 Informatie en identificatie

Eerste lid

Dit lid geeft invulling aan de wettelijke verplichtingen van art. 2.3.2, zevende lid, en art. 2.3.8, derde lid, van de wet die voor de cliënt gelden.

Tweede en derde lid

Bij wet is geregeld dat de cliënt gehouden is zich desgevraagd te legitimeren (art. 2.3.4, tweede lid, van de wet). Voor de mantelzorger en de vertegenwoordiger van de cliënt is dat niet geregeld. Uit het oogpunt van zorgvuldigheid regelt dit artikel dat ook voor hen, als het college daar om vraagt.

Artikel 2.5 Het onderzoek

Eerste lid

Het is van groot belang dat het onderzoek in goede samenspraak met de cliënt plaatsvindt. Alleen dan kan goed in kaart worden gebracht wat iemands problemen zijn, wat zijn leefomstandigheden en zijn sociale omgeving (gezin en sociaal netwerk) zijn en wat mogelijke oplossingen zijn. Bij het gesprek kunnen ook andere personen dan de cliënt aanwezig zijn. Denk bijvoorbeeld aan: de vertegenwoordiger, de mantelzorger of andere personen uit diens sociale netwerk. Het kan zijn dat meerdere gesprekken nodig zijn, dat is afhankelijk van het individuele geval. In het gesprek wordt in samenspraak met de cliënt bekeken welk resultaat hij wil bereiken wat betreft zijn zelfredzaamheid of participatie en welke oplossingen passend zouden kunnen zijn. Het spreekt voor zich dat aanwezigheid van personen uit het sociale netwerk van een cliënt meerwaarde heeft. Denk ook aan de oplossingen die zij geheel of gedeeltelijk zouden kunnen bieden waarmee de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie van de cliënt worden opgelost of verminderd. In geval van mantelzorg wordt de mantelzorger altijd uitgenodigd voor het gesprek. Het is namelijk van belang te weten of de mantelzorger bepaalde hulp nodig heeft in verband met het bieden van mantelzorg. Dat is een wettelijke opdracht van het college. Het is niet verplicht om dat met een huisbezoek te doen (CRVB:2024:1707). Het onderzoek kan telefonisch worden gedaan als het college voldoende bekend is met de situatie van de cliënt. Bijvoorbeeld als recent een gesprek bij de cliënt thuis heeft plaatsgevonden. In principe zal de cliënt het college actief moeten informeren over personen die onderdeel uitmaken van zijn sociale netwerk en over wat deze personen al dan niet bij de maatschappelijke ondersteuning voor hem zouden kunnen betekenen. Daarnaast kan het beschikken over persoonsgegevens noodzakelijk zijn om tot een goede uitvoering van het onderzoek te komen. Dit kunnen, gelet op de wettelijke opdracht om tot een zo integraal mogelijke benadering te komen, ook gegevens van zorgverzekeraars, zorgaanbieders, jeugdhulp, onderwijs en werk en inkomen zijn.

Tweede lid

Het is van belang dat de cliënt weet hoe de procedure na de melding van de ondersteuningsvraag zal verlopen. Verder is het beschikken over bepaalde persoonsgegevens noodzakelijk om tot een goede uitvoering van het onderzoek te komen. Daarbij is het van belang dat de cliënt tijdens het onderzoek op de hoogte wordt gesteld van het verwerken of het uitwisselen van persoonsgegevens. Als dat nodig is vraagt het college toestemming aan de cliënt. Het kan ook zijn dat het college de cliënt daarover alleen hoeft te informeren.

Derde lid

De wet bepaalt welke onderwerpen tijdens het onderzoek aan bod moeten komen (art. 2.3.2, vierde lid, van de wet). Het spreekt voor zich dat het persoonlijk plan en de behoefte aan maatregelen voor de mantelzorger onderdeel uitmaken van het onderzoek. Met het indienen van een persoonlijk plan is overigens niet gezegd dat het college gehouden is, als een aanvraag wordt ingediend, (volledig) tegemoet te komen aan de wensen zoals die in dat plan zijn beschreven. Dat zal het college in voorkomende gevallen wel nader moeten motiveren bij de beslissing op aanvraag.

Vierde lid

Dit lid geeft invulling aan de wettelijke verplichting van het college om de cliënt voor te lichten (art. 2.3.2, zesde lid, van de wet).

Vijfde lid

Er zijn situaties denkbaar dat de ondersteuningsvraag bekend is bij het college en dat een gesprek daar niets aan toevoegt. Toch mag het college alleen met toestemming van de cliënt afzien van het gesprek. Denk bijvoorbeeld aan de melding van een reparatie aan een rolstoel. Er kan zo nodig een kort verslag (ondersteuningsplan) worden opgesteld welke door het college wordt aangemerkt als aanvraag indien de cliënt dat aangeeft.

Artikel 2.6 Ondersteuningsplan

Eerste en tweede lid

Overeenkomstig artikel 2.3.2, achtste lid, van de wet wordt voor de cliënt een verslag van het onderzoek opgesteld: het ondersteuningsplan (zie begripsbepaling van de verordening). Daarin staan de in samenspraak met de cliënt, en als aanwezig de mantelzorger en andere personen uit het sociale netwerk, tot stand gekomen oplossingen die zijn geïnventariseerd. Het spreekt voor zich dat het persoonlijk plan en de maatregelen die nodig zijn voor de mantelzorger hier onderdeel van uitmaken. Dit ondersteuningsplan vormt de belangrijkste basis voor de beslissing op de aanvraag. Opmerkingen of aanvullingen van de client op het ondersteuningsplan kunnen worden toegevoegd. Deze kunnen van belang zijn voor de beslissing op de eventueel in te dienen aanvraag.

Derde lid

De wet bepaalt niet tot wanneer de cliënt zijn aanvraag kan indienen. Strikt genomen betekent dit dat bijvoorbeeld twaalf maanden nadat het college het ondersteuningsplan aan de cliënt heeft verstrekt, de aanvraag nog kan worden gedaan terwijl de feiten en omstandigheden gewijzigd zouden kunnen zijn. De wetgever meent daarom dat het onder de verordenende bevoegdheid van de gemeenteraad valt om te bepalen tot wanneer het verslag geldig is (TK 33 841, nr. 34, p. 219).

Artikel 2.7 Advisering bij melding of aanvraag

Voor de uitvoering van de wet vraagt het college (medisch) advies als het zelf niet ter zake deskundig is, en een advies nodig om de noodzaak tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening vast te stellen. In art. 2.3.8, derde lid, van de wet is de algemene medewerkingsplicht opgenomen. Het gaat om alle denkbare vormen van medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet (bijv. CRVB:2018:3493). Bijvoorbeeld gehoor geven aan een oproep van de medisch adviseur, toestemming verlenen om informatie te mogen inwinnen bij de huisarts of specialist en geen gebruik te maken van het blokkeringsrecht als bedoeld in art. 7:464 lid 2 onder b BW. Wordt de bedoelde medewerking niet verleend, dan kan dat tot gevolg hebben dat het college de noodzaak van een maatwerkvoorziening niet kan vaststellen (bijv. CRVB:2019:224,CRVB:2021:1739, CRVB:2021:2004). Via de cliënt geldt de hier bedoelde medewerkingsplicht ook voor de huisgenoten. Denk in dit verband aan de beoordeling of wel/geen gebruikelijke hulp kan worden geboden. Het college kan ook een aanbieder om advies vragen (consultatie).

Hoofdstuk 3 Aanvraag en beschikking

Artikel 3.1 De aanvraag

Dit artikel stelt de regels over het indienen van de aanvraag. Pas nadat een ondersteuningsplan is verstrekt kan een aanvraag voor een maatwerkvoorziening worden gedaan, tenzij het onderzoek niet binnen zes weken is uitgevoerd (art. 2.3.2, negende lid, van de wet). De aanvraag wordt in principe ingediend op een door het college beschikbaar gesteld formulier. Om administratieve lasten te voorkomen kan een ondertekend ondersteuningsplan ook als aanvraag worden aangemerkt.

De bevoegdheid is opgenomen om een aanvraag mondeling in te dienen. Desgevraagd verstrekt de cliënt, die een aanvraag indient, een document als bedoeld in art. 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage (art. 2.3.4, tweede lid, van de wet).

Artikel 3.2 ínhoud beschikking

De cliënt dient op basis van de toekenningsbeschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de cliënt goed en volledig informeert. In dit artikel zijn de onderwerpen opgenomen die in ieder geval in de beschikking worden opgenomen.

Hoofdstuk 4 Beoordeling van de aanspraak

Artikel 4.1 Algemene criteria maatwerkvoorziening aanhef

In de eerste twee leden van dit artikel zijn voor de kenbaarheid de algemene criteria van artikel 2.3.5, derde lid, van de wet opgenomen voor de beoordeling van de aanspraak door het college. Het verstrekken van een maatwerkvoorziening is in het kader van de wet nadrukkelijk de hekkensluiter. Dat wil zeggen dat alleen maatwerkvoorzieningen worden verstrekt als er geen voorliggende oplossingen beschikbaar, geschikt en toereikend zijn. Het tweede lid van dit artikel is (mede) gebaseerd op de tweede volzin van artikel 2.3.5, derde lid, van de wet en bepaalt dat het college maatwerk moet bieden.

Eerste lid aanhef en onder a

Een belangrijk onderdeel van die beoordeling is de eigen kracht. Eigen kracht bestaat uit het eigen probleemoplossend vermogen van de cliënt al dan niet met hulp van anderen. Het gaat om dat wat binnen het vermogen van de cliënt ligt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie te komen. Ook een beroep doen op een voorliggende voorziening valt onder eigen kracht. De cliënt zal zich -in een door het college te bepalen mate- moeten inspannen om dat aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning te voorzien. Van de cliënt (en diens huisgenoot) mag bijvoorbeeld worden verwacht reële oplossingen aan te wenden om overbelasting op te lossen. Hoewel het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten niet verplicht kan worden, is het wel onderdeel van het onderzoek. Het kan namelijk bijdragen om het participatieprobleem aan te pakken.

Onder eigen kracht kan ook letterlijk eigen kracht worden verstaan. Denk bijvoorbeeld aan het in staat zijn om bepaalde huishoudelijke taken zelf uit te voeren. Daarbij zal het college bijvoorbeeld rekening kunnen houden met een (rustiger) tempo waarbinnen dat gebeurt maar ook met redelijkerwijs in acht te nemen leefregels waardoor de huishoudelijke taken verspreid over de week zelf kunnen worden uitgevoerd (CRVB:2022:308, CRVB:2025:927). Onder eigen kracht wordt ook het aanspreken van het sociale netwerk verstaan. Cliënten vinden het misschien niet altijd makkelijk of zijn niet (meer) gewend om een ander te vragen iets voor hen te doen. Dit terwijl mensen in het netwerk vaak best bereid zijn iets voor een ander te betekenen. Dit zal ook onderwerp zijn van het gesprek, waarbij het college de personen uit het sociaal netwerk kan betrekken. Zoals gezegd kunnen deze personen ook worden uitgenodigd bij het gesprek (zie art. 2.5 van de verordening). Van de cliënt mag in principe worden verwacht dat hij personen uit zijn sociale netwerk vraagt om hulp. Zie ook hierna onder c.

Eerste lid aanhef en onder b

Sinds 1 januari 2020 is het bepaalde onder b opgenomen in de wet. De strekking daarvan is dat er geen compensatieplicht geldt voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard algemeen gebruikelijk zijn (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 147-148). Dat wil zeggen dat het college niet gehouden is een maatwerkvoorziening te verstrekken als de cliënt zijn beperkingen kan oplossen dan wel verminderen met een algemeen gebruikelijke voorziening (CRVB:2019:3535, CRVB:2021:160). Er is sprake van een algemeen gebruikelijke voorziening als deze:

  • 1.

    niet specifiek is bedoeld voor mensen met beperkingen; en

  • 2.

    daadwerkelijk beschikbaar is; en

  • 3.

    een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid is participatie in staat is; en

  • 4.

    financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau.

Eerste lid aanhef en onder c

Gebruikelijke hulp heeft alleen betrekking op personen binnen de leefeenheid van de cliënt (zie begripsbepaling van de verordening). Stelt het college vast dat gebruikelijke hulp kan worden verlangd, dan bestaat er geen aanspraak op een maatwerkvoorziening. Zie ook toelichting bij artikel 4.5 van de verordening.

Eerste lid aanhef en onder d

Mantelzorg is niet afdwingbaar. Maar het ontvangen van mantelzorg kan bijdragen aan voldoende zelfredzaam zijn en in staat tot participatie. Het is daarom van groot belang dat het college tijdens het onderzoek nagaat of er behoefte is aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger. Dit zodat de mantelzorgtaken kunnen worden volgehouden. Ook het bieden van ondersteuning door personen uit het sociale netwerk is niet afdwingbaar. Wel is het zo dat het in principe aan cliënt is om zijn sociale netwerk te vragen of zij hem kunnen en willen ondersteunen opdat zijn beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie worden verminderd of weggenomen. Zie ook de toelichting bij het bepaalde onder a.

Eerste lid aanhef en onder e

Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning (art. 1.1.1 van de wet). Algemene voorzieningen dragen bij aan het (meer) inclusief maken van de samenleving. Uit de systematiek van de wet vloeit voort dat als de cliënt gebruik kan maken van algemene voorzieningen die de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie kunnen verminderen of wegnemen, er geen taak is voor het college een maatwerkvoorziening te verlenen. Zie artikel 5.1, tweede lid, verordening voor twee voorbeelden.

Derde en vierde lid

De strekking van het derde lid is gelijk aan de strekking van het eerste lid met dien verstande dat dit lid betrekking heeft op de personenkring van beschermd wonen en opvang. Het vierde lid van dit artikel is (mede) gebaseerd op de tweede volzin van artikel 2.3.5, vierde lid, van de wet en bepaalt dat maatwerk geboden moet worden.

Artikel 4.2 Specifieke criteria Wmo wonen en opvang

Eerste lid

Dit lid benoemd de maatwerkvoorzieningen Wmo-wonen en opvang (intramuraal). Bij de Wmo-wonen voorzieningen staat vermeld in welke mate de client 24/7 is aangewezen op ondersteuning.

Tweede tot en met vijfde lid

In deze leden staan de verschillende maatwerkvoorzieningen Wmo-wonen genoemd en de voorwaarden waaronder aanspraak bestaat. Een verdere toelichting hierop is daarom niet nodig.

Zesde lid

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Zevende lid

Aan personen die niet beschikken over onderdak en zich (nog) niet kunnen handhaven in de samenleving kan opvang worden geboden. Het bieden van opvang is naar zijn aard tijdelijk. Zie artikel 1.2 van de verordening.

Artikel 4.3 Specifieke criteria maatwerkvoorziening

Eerste lid aanhef en onder a

Zijn er geen voorliggende oplossingen beschikbaar, geschikt en toereikend (zie art. 4.1 van de verordening) dan kan een maatwerkvoorziening nodig zijn om te zorgen dat de cliënt voldoende zelfredzaam is en in staat tot participatie (art. 1.2.1, onder a, van de wet). Het gaat om een beoordeling van wat in redelijke mate is (bijv. CRVB:2022:224). Dat is niet vastgelegd in de wet, het is mede afhankelijk is van de individuele situatie van de cliënt. Het gaat om maatwerk. De wet schrijft voor dat de maatwerkvoorziening daar een passende bijdrage aan moet leveren. Wat passend is, is strikt genomen een open norm die in beperkte mate in de verordening is ingekaderd. Dat geeft ruimte voor professioneel handelen. De verplichting om een maatwerkvoorziening te verstrekken, gaat echter niet zo ver dat de aanvrager in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had. De gevraagde ondersteuning zal in een redelijke verhouding moeten staan tot wat de situatie van de aanvrager was voor hij ondersteuning nodig had (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 149).

Eerste lid aanhef en onder b

Het college is slechts gehouden de naar objectieve maatstaven gemeten goedkoopst passende bijdrage te bieden (CRVB:2018:1643). Deze voorwaarde komt overeen met de ‘goedkoopst compenserende voorziening’ zoals in de Wmo (oud) werd gehanteerd. Maatwerkvoorzieningen die kostenverhogend werken zonder dat deze hiermee passender worden gemaakt, komen in principe niet voor verstrekking in aanmerking. Het college moet zich wel op het standpunt kunnen stellen dat de beoogde maatwerkvoorziening als passende bijdrage kan worden gekwalificeerd. Zijn er meerdere maatwerkvoorzieningen die als passende bijdrage kunnen gelden, dan wordt de goedkoopste verstrekt.

Eerste lid aanhef en onder c

Een maatwerkvoorziening wordt op aanvraag individueel verstrekt, het is een individuele voorziening die in overwegende mate op de cliënt gericht is (CRVB:2024:2398). Het is echter niet uitgesloten dat tijdelijke ondersteuning aan een huisgenoot of mantelzorger van de cliënt tot de mogelijkheden behoort, mits de ondersteuning in overwegende mate op de cliënt is gericht.

Tweede lid aanhef en onder a

Een cliënt kan gebruik maken van een andere wet of regeling waarmee de Wmo-problemen worden opgelost of vermindert. Het college mag van een cliënt verwachten dat hij of zij dat ook doet. Dit valt binnen de eigen kracht (CRVB:2023:1046, CRVB:2023:1508, CRVB:2018:1444, CRVB:2012:BV9433, CRVB:2011:BT7241). Is het een bewuste keuze in een andere wet of regeling om geen (volledige) vergoeding te geven? Dan volgt het college die keuze (CRVB:2024:241, CRVB:2013:CA1427). Het college verwacht ook dat een cliënt zorgt dat afspraken in een contract worden nagekomen. Bijvoorbeeld waarin eisen staan waaraan een woning voldoet (CRVB:2011:BQ4115).

Tweede lid aanhef en onder b

Als de beoordeling van de aanvraag betrekking heeft op een al eerder verstrekte maatwerkvoorziening op grond van deze of hieraan voorafgaande verordeningen en de normale economische afschrijvingstermijn daarvan is nog niet verstreken, dan wordt de aanvraag in beginsel afgewezen. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als de eerder vergoede of verstrekte maatwerkvoorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen. In deze gevallen kan een gehele of gedeeltelijke tegemoetkoming in de veroorzaakte kosten plaatsvinden.

Tweede lid aanhef en onder c

Met het oog op het verstrekken van maatwerkvoorzieningen mag het college ook rekening houden met redelijkerwijs te vergen medewerking van de cliënt, diens huisgenoten, zijn mantelzorger of van anderen uit diens sociaal netwerk. Dit met het oog op een passende oplossing voor de beperkingen in zelfredzaamheid of participatie van de cliënt. Op voorhand kan niet worden gesteld wanneer daarvan sprake is, dat is afhankelijk van de individuele situatie. Te denken valt aan het anders organiseren van taken in het huishouden opdat geen (volledige) aanpassing van de keuken nodig is. Ook kan worden gevergd dat de woning anders wordt ingericht of het huishouden anders wordt georganiseerd opdat geen woonvoorziening hoeft te worden verstrekt (vergelijk CRVB:2016:429, CRVB:2013:CA0183). Er zijn uiteraard meer voorbeelden denkbaar.

Tweede lid aanhef en onder d

Het is niet mogelijk limitatief te bepalen wanneer sprake is van omstandigheden die als ‘risicosfeer’ worden aangemerkt en daarmee voor rekening dienen te blijven van de cliënt. In voorkomende gevallen betekent dit concreet dat de aanvraag om een maatwerkvoorziening wordt afgewezen. Het gaat in ieder geval over (onomkeerbare) keuzes die de cliënt maakt, heeft gemaakt of niet heeft gemaakt die hem door het college kunnen worden tegengeworpen (vergelijk CRVB:2014:1161 en CRVB:2013:BZ7735). In hoofdstuk 8 van de verordening is nader invulling gegeven aan de bedoelde omstandigheden die betrekking hebben op de risicosfeer van de cliënt in geval van aanvragen om woningaanpassingen en/of nagelvaste hulpmiddelen.

Artikel 4.4 Uitgangspunten maatwerkvoorziening en persoonsgebonden budget

Eerste lid

Heeft het college een indicatie voor een maatwerkvoorziening vastgesteld, al dan niet in de vorm van een pgb, dan kan het voorkomen dat de cliënt het college verzoekt deze met terugwerkende kracht te verstrekken. Dit lid regelt dat het college zo’n verzoek weigert als de maatwerkvoorziening al voor de melding van de ondersteuningsvraag is gerealiseerd (onder a). Dit geldt ook als de maatwerkvoorziening is gerealiseerd ná de melding van de ondersteuningsvraag, maar voordat het college heeft beslist op de aanvraag, tenzij zij de cliënt schriftelijk toestemming heeft verleend (onder b). Het spreekt voor zich dat voordat het college toestemming geeft, de noodzaak van de maatwerkvoorziening wel moet zijn vastgesteld. Het kan bijvoorbeeld voorkomen dat de cliënt een woning kan verkrijgen en de normale procedure niet kan afwachten omdat de woning dan aan iemand wordt toegewezen of verkocht. Er zijn meer voorbeelden denkbaar.

Tweede lid

Dit lid stelt regels als een maatwerkvoorziening nog niet is gerealiseerd, maar de cliënt al wel begonnen is met bijvoorbeeld het aanpassen van de badkamer en het college nog niet heeft beslist op de aanvraag. Het college is bevoegd de aanvraag te weigeren, tenzij de noodzaak van de betreffende maatwerkvoorziening kan worden vastgesteld. Het bepaalde over de goedkoopst passende bijdrage geldt onverkort.

Derde lid

Dit lid stelt regels als de cliënt zich, ná het verstrijken van de budgetperiode, opnieuw meldt bij het college met een ondersteuningsvraag. Tijdens het onderzoek kan blijken dat de beschikbare maatwerkvoorziening die de cliënt, al dan niet met pgb, heeft aangeschaft nog voldoet aan de eisen die daaraan gesteld mogen worden. Is dat het geval, dan kan het college besluiten om instandhoudingskosten toe te kennen in plaats van een nieuwe maatwerkvoorziening.

Vierde lid

Van de cliënt die een maatwerkvoorziening, al dan niet aangeschaft met een pgb, meeneemt naar het buitenland, wordt verwacht dat hij een adequate verzekering afsluit tegen verlies, diefstal of schade. Voor zover een derde verantwoordelijk kan worden geacht voor schade, zal de cliënt deze derde aansprakelijk moeten stellen. Dat valt onder de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt.

Vijfde lid

Dit lid verplicht de cliënt een opstalverzekering af te sluiten zodat de mogelijke schade middels deze verzekering is gedekt. Deze verplichting geldt ook als aan de cliënt een pgb wordt verstrekt voor de realisatie van een woningaanpassing. Onder een woningaanpassing wordt ook het plaatsten van een woonunit wordt verstaan.

Artikel 4.5 Gebruikelijke hulp

Eerste lid

Er is geen plaats voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening indien tot de leefeenheid van de cliënt één of meer personen behoren die naar oordeel van het college gebruikelijke hulp kunnen verlenen (bijv. CRVB:2021:823, CRVB:2021:1114, CRVB:2024:941).

Tweede lid aanhef onder a, b en c

Het behoort tot de verordenende bevoegdheid van de gemeenteraad te bepalen wat in ieder geval onder gebruikelijk hulp wordt verstaan. Het gaat over het overnemen van of ondersteunen bij de uitvoering van taken of activiteiten/bezigheden. Wat volgens algemene aanvaardbare opvattingen tot de levenssfeer van personen van de leefeenheid behoort, is deels afhankelijk van het individuele geval omdat het ook betrekking heeft op de vraag of in redelijkheid verwacht mag worden dat de huisgenoot gebruikelijke hulp biedt.

Derde lid aanhef onder a, b en c

Bij de beoordeling of gebruikelijke hulp van de betrokken huisgenoot kan worden gevergd houdt het college rekening met de in dit artikel bepaalde feiten en omstandigheden. Het college hanteert een beoordelingsstructuur die gebaseerd is op de aard, de omvang en de (te verwachten) duur van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt (onder a), rekening houdend met de omstandigheden zoals genoemd onder b, c en d. Verwezen wordt naar de begripsbepalingen van gebruikelijke hulp, leefeenheid en huisgenoot van de verordening.

Hoofdstuk 5 Maatwerkvoorzieningen

De Wmo 2015 bestaat uit een voorzieningenstelsel waarbij op het college de verplichting rust om met dat stelsel een resultaat te bereiken waarbij de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid, participatie of het zich op eigen kracht kunnen handhaven in de samenleving. Een maatwerkoplossing kan heel divers van aard zijn. Er bestaat dus niet één oplossing; er kunnen meerdere wegen naar Rome leiden. Het is aan het college, waar mogelijk rekening houdend met de redelijke wensen van de aanvrager, om te besluiten hoe zij de aanvrager ondersteunt (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 149). Dit betekent ook dat de verordening geen limitatief stelsel van maatwerkvoorzieningen kan omvatten.

Artikel 5.1 Algemeen

Eerste lid

Hoewel de wet hulp bij het huishouden niet benoemd, is op basis van de jurisprudentie duidelijk geworden dat het binnen het bereik van de wet valt. Zie verder hoofdstuk 6 van de verordening.

Eerste lid aanhef en onder b en c

In deze onderdelen zijn de twee elementen opgenomen waar het begrip zelfredzaamheid uit bestaat. Om te zorgen dat de cliënt voldoende zelfredzaam is (blijft) kunnen bijvoorbeeld hulpmiddelen, woningaanpassingen, begeleiding (individueel of groep) nodig zijn. De diverse begripsbepalingen in de verordening zijn daarbij ook van belang. Daarmee is nadrukkelijk niet gezegd dat altijd een maatwerkvoorziening is aangewezen. De aan de maatwerkvoorziening voorliggende oplossingen gaan altijd voor op het verstrekken daarvan. Denk aan: gebruikelijke hulp, algemeen gebruikelijke voorzieningen, hulp van anderen of het gebruik van algemene voorzieningen.

Eerste lid aanhef en onder d

De cliënt moet, als er geen voorliggende oplossingen zijn, in staat zijn tot participatie (art. 1.2.1, onder a, van de wet). Dat wil zeggen, ondanks de lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kunnen ontmoeten, contacten kunnen onderhouden, boodschappen kunnen doen en aan maatschappelijke activiteiten kunnen deelnemen. Daarvoor is het ook een vereiste dat hij zich kan verplaatsen (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 6 en 123).

Eerste lid aanhef en onder e

Het verstrekken van een maatwerkvoorziening kan gericht zijn op het ontlasten van de mantelzorger. Ook het tijdelijk niet beschikbaar zijn van de mantelzorger kan hier onder vallen.

Eerste lid aanhef en onder f

In artikel 4.3, eerste lid onder c, van de verordening staat dat de maatwerkvoorziening in overwegende mate gericht is op de cliënt. Een maatwerkvoorziening kan tijdelijk aan de huisgenoot en/of personen uit het sociaal netwerk worden verstrekt als het in overwegende mate gericht is op beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie van de cliënt.

Eerste lid aanhef en onder g

Voor de doelgroep van opvang en beschermd wonen geldt een primaire beoordeling van de vraag of zij in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

Eerste lid aanhef en onder h

Het gaat bij deze maatregelen om maatwerk.

Tweede lid

Dit lid sluit aan de wettelijke systematiek. Zie ook de toelichting bij artikel 4.1, eerste lid onder e, van de verordening. Een scootmobielpool of vormen van dagactiviteiten kunnen als voorliggende oplossing worden aangemerkt. In dat geval verstrekt het college geen maatwerkvoorziening.

Artikel 5.2 Primaat en kortdurende maatwerkvoorziening

De hoofdregel volgens de verordening is dat het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening geldt, zoals de Regiotaxi. Het gaat bij het primaat om een verbijzondering van het beginsel van de ‘goedkoopst passende bijdrage’. Bij de beoordeling of het primaat kan worden toegepast wordt gekeken naar de individuele omstandigheden. Dat wil zeggen of de collectieve maatwerkvoorziening een passende bijdrage is (CRVB:2021:2936). Verder is het zo dat de maatwerkvoorziening voor een kortdurende periode kan worden verstrekt gericht op het bevorderen, versterken of verbeteren van de zelfredzaamheid.

Artikel 5.3 Criteria financiële tegemoetkoming

Eerste lid aanhef en onder a, b en c

Het gaat om financiële tegemoetkomingen in de kosten van het gebruik van eigen auto, individueel (roltoel)taxi-vervoer en verhuiskosten die het gevolg van de toepassing van het primaat van verhuizen. Omdat het om maatwerk gaat, houdt het college bij het gebruik van eigen auto rekening met de volledige of gedeeltelijke samenvallende vervoersbehoefte van de cliënt en zijn eventuele partner. Ook kan de cliënt afhankelijk zijn van iemand die hem met een auto vervoerd.

Eerste lid aanhef en onder d

In dit lid staat wie in aanmerking kan komen voor een financiële tegemoetkoming voor het bezoekbaar maken van de woning.

Eerste lid aanhef en onder e

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Eerste lid aanhef en onder f

Omdat de wet uitgaat van maatwerk kan niet worden uitgesloten dat ook andere kosten dan genoemd onder a tot en met e in aanmerking kunnen komen voor een financiële tegemoetkoming. Kosten die niet binnen de reikwijdte van de wet vallen komen niet voor vergoeding in aanmerking (bijv. CRVB:2021:1073).

Tweede lid

In dit lid is bepaald wanneer het college tot uitbetaling overgaat van de genoemde tegemoetkomingen. Een niet tijdig ingediende declaratie of factuur kan leiden tot het niet meer uitbetalen daarvan (CRVB:2013:924).

Derde lid

In principe wordt de financiële tegemoetkoming voor verhuiskosten betaalbaar gesteld na de verhuizing naar een, volgens het college, geschikte woning. Het kan ook voorkomen dat de cliënt kosten heeft die niet kunnen worden voorgeschoten. Door het overleggen van een huurcontract is duidelijk dat de cliënt zal gaan verhuizen naar de geschikte woning en kan het college tot (gedeeltelijke) uitbetaling overgaan.

Vierde lid

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Vijfde lid

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Hoofdstuk 6 Ondersteuning bij hulp bij het huishouden

Artikel 6.1 Algemeen

Onderdeel a

Om cliënten in hun eigen kracht te zetten en niet afhankelijk te maken van de gemeente, kan herstelgerichte ondersteuning worden verstrekt.

Onderdeel b

Bij hulp bij het huishouden (schoon houden van de woning) is de inzet van de maatwerkvoorziening afhankelijk van de mate waarin de cliënt over regievermogen beschikt.

Artikel 6.2 Algemene criteria

Eerste lid

Het college stelt op zorgvuldige wijze vast of de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening. De eigen kracht van de cliënt maar ook ondersteuning door personen uit diens sociale netwerk zijn daarbij cruciaal. Daaronder wordt ook mantelzorg gerekend. Het kan ook zijn dat de inzet van vrijwilligers een rol speelt bij de beoordeling van de aanspraak op hulp bij het huishouden.

Tweede lid

Dit lid benoemd andere activiteiten dan schoonmaaktaken die onder hulp bij het huishouden kunnen vallen, tenzij de cliënt gebruik kan maken van de genoemde voorliggende oplossingen.

Derde lid

Geen hulp bij het huishouden wordt verstrekt als gebruikelijke hulp door een huisgenoot kan worden geboden. Zie ook artikel 4.5 van de verordening. Verder wordt verwezen naar de begripsbepalingen van gebruikelijke hulp, huisgenoot en leefeenheid in de verordening. Wordt gezamenlijk een huishouden gevoerd en zijn er geen bijzonderheden, dan kan het college de gebruikelijk hulp snel aannemen. Dat is lijn met de vaste jurisprudentie. Zie bijvoorbeeld CRVB:2018:2721, CRVB:2019:2616, CRVB:2021:1114, CRVB:2024:941.

Artikel 6.3 Specifieke criteria

Eerste en tweede lid

Voor wat betreft het schoonhouden van de woning geldt het uitgangspunt dat de taken alleen betrekking hebben op ruimten die voor de cliënt noodzakelijk zijn voor het normale gebruik van de woning. Voor hulp bij het huishouden gaat het om ruimten die te maken hebben met de elementaire woonfuncties gericht op zelfredzaamheid (eten, slapen, lichaamsreiniging, koken) en verplaatsingen in de woning. Ruimten die niet in gebruik (hoeven te) zijn vallen hier dus buiten. Dat wil niet echter zeggen dat in deze ruimte(n) helemaal nooit gestofzuigd of gedweild hoeft te worden. Verder volgt uit de jurisprudentie dat huishoudelijke taken geen betrekking hebben tuinonderhoud of het lappen van de ramen aan de buitenkant van de woning (CRVB:2017:885, CRVB:2017:1302).

Derde lid

Dit lid bepaalt de overige activiteiten die onder hulp bij huishouden kunnen vallen. Het kan gaan om het overnemen van de betreffende activiteiten maar ook van het in lichte mate ondersteunen bij het uitvoeren daarvan. Het gaat om een aantal ‘basale taken’ waarvan het college vaststelt dat deze op geen enkele andere wijze dan met een maatwerkvoorziening kunnen worden opgelost. Dit betekent echter niet dat een maatwerkvoorziening in alle gevallen snel binnen het bereik hoeft te liggen. Meestal zijn er voorliggende oplossingen waar de cliënt gebruik van kan maken. Denk bijvoorbeeld aan de boodschappendienst, kant-en-klaar maaltijden, de maaltijdservice en diverse vormen van kinderopvang. Zie ook artikel 6.2, tweede lid, van de verordening.

Hoofdstuk 7 Ondersteuning, begeleiding individueel, begeleiding groep, persoonlijke verzorging en logeren

Artikel 7.1 Algemeen

In dit artikel staan de maatwerkvoorzieningen genoemd die het college kan verstrekken.

Artikel 7.2 Ondersteuning Wmo

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Begeleiding individueel

In artikel 7.3, 7.4 en 7.5 zijn drie vormen van individuele begeleiding beschreven en onder welke voorwaarden aanspraak bestaat. Een verdere toelichting is niet nodig.

Begeleiding groep

In artikel 7.6 en 7.7 zijn twee vormen van begeleiding groep beschreven en onder welke voorwaarden aanspraak bestaat. Een verdere toelichting is niet nodig.

Artikel 7.8 Persoonlijke verzorging

In dit artikel staat onder welke voorwaarden de cliënt aanspraak kan maken op persoonlijke verzorging. Het gaat specifiek om activiteiten/handelingen die onder zelfzorg vallen.

Artikel 7.9 Logeren

De cliënt die geen indicatie voor de Wet langdurige zorg heeft of kan krijgen, kan in aanmerking komen voor logeren. De mantelzorger kan ook ‘geneeskundige zorg’ bieden, die niet ambulant (door een wijkverpleegkundige) wordt of kan worden geboden. In dat geval ligt het voor de hand dat er aanspraak bestaat op Eerstelijnsverblijf op grond van de Zvw. Er geldt in die situatie geen ondersteuningsplicht voor het college.

Hoofdstuk 8 Ondersteuning gericht op het wonen

Artikel 8.1 Algemeen

Eerste lid onder a en b

Dit lid benoemd de maatwerkvoorzieningen en beschrijft de reikwijdte van het verstrekken daarvan. De cliënt moet in staat worden gesteld tot het uitvoeren van elementaire woonfuncties gericht op het opheffen of verminderen van problemen bij het normale gebruik van de woning. Dat is feitelijk een uitwerking van het begrip zelfredzaamheid. Verwezen wordt naar de begripsbepalingen in de verordening van: een woning en het normale gebruik van de woning.

Tweede lid

Mede gelet op de kosten is van de maatwerkvoorzieningen uit dit lid is vereist dat er een langdurige noodzaak voor is. Het college is bijvoorbeeld niet gehouden een woningaanpassing of een traplift (of andere huislift) te realiseren als de cliënt bijvoorbeeld tijdelijk gebruik kan maken van een hoog-laag bed op grond van de Zorgverzekeringswet. Wat onder langdurig wordt verstaan is afhankelijk van de individuele situatie.

Artikel 8.2 Criterium primaat van verhuizen

De hoofdregel volgens de verordening is dat het zogeheten primaat van verhuizen geldt (CRVB:2018:702, CRVB:2018:2602). Dat wil zeggen als een verhuiskostenvergoeding een goedkopere en ook geschikte oplossing is. Het college overweegt het primaat van verhuizen pas dan als de kosten van een woningaanpassing en/of nagelvaste hulpmiddelen het in het Besluit genoemde bedrag te boven gaan. Het spreekt voor zich dat er wel binnen een voor de cliënt medisch aanvaardbare termijn een passende of goedkoper aanpasbare woning beschikbaar moet zijn. Kan het college het primaat toepassen, dan bestaat er aanspraak op een financiële tegemoetkoming in de vorm van verhuiskosten, zie artikel 5.3 van de verordening.

Artikel 8.3 Specifieke criteria gericht op het wonen

Eerste lid aanhef en onder a, b en c

Dit lid bepaalt onder welke voorwaarden een woningaanpassing of nagelvast hulpmiddel wordt verstrekt. Er moet allereerst sprake zijn van een woning (zie begripsbepaling van de verordening). Bij een hulpmiddel wordt gedacht aan een traplift of een ander soort huislift. Het verlenen van een woningaanpassing en/of een hulpmiddel zoals een traplift beperkt zich tot de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft. De toevoeging ‘zal hebben’ is opgenomen om cliënten niet de mogelijkheid te ontnemen naar de gemeente Montferland te kunnen verhuizen. Wel zal de cliënt bij de keuze van een woning nadrukkelijk rekening moeten houden met zijn/haar beperkingen. Zie verder artikel 8.3, vierde lid, van de verordening.

Tweede lid

Onder omstandigheden kan het verstrekken van woonvoorzieningen ook betrekking hebben op de bereikbaarheid, toe- en doorgankelijkheid en bruikbaarheid van de woning. Denk bijvoorbeeld ook aan het verbreden van een toegangspad of toegangsdeur. Het gaat om de beoordeling wat voor de cliënt onder het normale gebruik van de woning valt.

Derde lid aanhef en onder a en b

Door dit lid zijn enerzijds alle woonsituaties die niet gericht zijn op een permanent zelfstandig hoofdverblijf uitgesloten van verstrekkingen. Anderzijds zijn er uitgesloten woonsituaties genoemd waarbij gezien de aard van het soort gebouw verondersteld mag worden dat bepaalde voorzieningen standaard aanwezig zijn of het geen noemenswaardige extra kosten meebrengt. Denk aan renovatie of nieuwbouw. Een woonvoorziening wordt alleen verstrekt als het woonruimten betreft die als zelfstandige woonruimte in het kader van de Wet op de huurtoeslag ook als zodanig aangemerkt worden. Kamers (onzelfstandige woonruimten) die verhuurd worden vallen daar niet onder. Of woongebouwen die voor mensen met beperkingen zijn bedoeld, blijkt niet alleen uit de bestemming, maar ook uit de bewoners zelf (bijv. CRVB:2008:BD0268).

Vierde lid aanhef en onder a

Het kan voorkomen dat de cliënt is verhuisd terwijl daar gelet op de beperkingen in het normale gebruik van de woning geen aanleiding voor was. Is dat het geval én bestond er geen belangrijke reden om toch te verhuizen, dan weigert het college de genoemde maatwerkvoorzieningen (CRVB:2023:731). Als dringende (belangrijke) redenen kunnen worden aangemerkt: samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk (CRVB:2013:CA1401). In geval van samenwoning of huwelijk houdt het college ook rekening met de keuze die de cliënt en de partner maken in welke woning men gaat samenwonen. Ook in dat geval moet er een belangrijke reden zijn waarom naar de woning wordt verhuisd waar mogelijk (meer) aanpassingen nodig zijn.

Vierde lid aanhef en onder b

Is de cliënt niet verhuisd naar de voor hem beschikbare meest geschikte woning, dan wordt de maatwerkvoorziening in beginsel afgewezen (CRVB:2023:2185, CRVB:2019:2951, CRVB:2018:702). Onder deze bepaling zijn ook begrepen de aankoop (of het huren) van een woning of een kavel dan wel andere onomkeerbare handelingen zonder dat -voorafgaande daaraan- contact is opgenomen met het college (CRVB:2021:3070, CRVB:2020:944). Door dat na te laten, bijvoorbeeld door niet bij het college te informeren wat de mogelijkheden zijn, brengt de cliënt zich in een lastige bewijspositie. Het ligt in zo’n geval op de weg van de cliënt om aan de hand van controleerbare gegevens aannemelijk te maken dat er geen (andere) geschiktere beschikbare woningen waren. Zonder dat kan het college de aanvraag afwijzen (CRVB:2019:290, CRVB:2019:2951, CRVB:2022:515). Er is alleen sprake van een uitzondering als de cliënt vooraf (schriftelijk) toestemming aan het college heeft gevraagd en toestemming om te verhuizen naar de betreffende inadequate woning schriftelijk heeft gekregen (CRVB:2023:2475).

Vierde lid aanhef en onder c

In dit onderdeel is limitatief een aantal voorzieningen genoemd die het college kan verstrekken. Het gaat om woonvoorzieningen die de cliënt nodig heeft om zijn woning te kunnen bereiken en/of betreden.

Eerste lid aanhef en onder d

Woningen die niet bestemd en/of geschikt zijn om het gehele jaar te bewonen, kunnen niet dienen als hoofdverblijf als bedoeld in de begripsbepaling van de verordening. Daarom worden aan woningen die niet geschikt zijn om het gehele jaar te bewonen geen woningaanpassingen en/of trapliften of andere huisliften verstrekt (bijv. CRVB:2011:BR4180).

Vierde lid aanhef en onder e

Deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor problemen zorgen. Denk bijvoorbeeld aan de constructie van een houten vloer in de woning (CRVB:2003:AM5445).

Eerste lid aanhef en onder f

Aan deze afwijzingsgrond ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt ten grondslag. Net als ieder ander is de cliënt, die (mede)eigenaar is van de door hem bewoonde woning, verantwoordelijk om te zorgen dat de woning voldoet aan de eisen die redelijkerwijs aan een woning mogen worden gesteld. Voor zover het een eigen woning betreft spreekt dat voor zich. Ingeval van een huurwoning ligt het op de weg van de cliënt de verhuurder hierop aan te spreken (CRVB:2013:2509). Het college mag daarbij een hoge mate van inspanning verwachten van de cliënt.

Artikel 8.4 Specifieke criteria zich verplaatsen in en om de woning

Dit artikel bepaalt de reikwijdte van het verstrekken van maatwerkvoorzieningen voor het zich verplaatsen in en om de woning. Denk bijvoorbeeld aan een rolstoel, een traplift of plafondlift. Voor de maatwerkvoorzieningen onder b geldt dat de client daar langdurig op moet zijn aangewezen.

Hoofdstuk 9 Ondersteuning bij deelname aan het maatschappelijk verkeer

Artikel 9.1 Algemeen

Eerste lid

In dit lid staan de maatwerkvoorzieningen voor vervoer genoemd die het college kan verstrekken voor het zich lokaal kunnen verplaatsen.

Tweede lid

Dit lid bepaalt dat maatwerkvoorzieningen, anders dan voor vervoer, verstrekt kunnen worden om de cliënt in staat te stellen te participeren (bijv. CRVB:2013:CA0088). Voor het kunnen recreëren zijn doorgaans wel voldoende alternatieven beschikbaar (CRVB:2024:2415).

Artikel 9.2 Specifieke criteria

Eerste en tweede lid

Het college kan een vervoersvoorziening verstrekken voor ‘de korte afstand’ en voor de wat ‘langere afstand’. Het verschil heeft doorgaans te maken of het gerichte of ongerichte bestemmingen betreft. Zoals in artikel 5.2 van de verordening al is opgenomen geldt de hoofdregel van het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening, zoals de Regiotaxi. De Regiotaxi geldt als aanvullend openbaar vervoer en zal in de meeste gevallen als passende bijdrage kunnen worden aangemerkt.

Derde lid

Vervoersvoorzieningen, zoals een scootmobiel, moeten adequaat worden gestald. Een aanwezige schuur, berging, garage, bijkeuken of tuinhuisje kan als adequaat worden beschouwd (CRVB:2023:1642). Kan een stalling niet worden gerealiseerd, dan weigert het college de vervoersvoorziening. Ook de regels van het Besluit bouwwerken leefomgeving kunnen aanleiding zijn een vervoersvoorziening te weigeren (bijv. CRVB:2024:1511).

Artikel 9.3 Het zich lokaal kunnen verplaatsen

Eerste en tweede lid

Met het zich lokaal kunnen verplaatsen wordt de cliënt in staat gesteld tot participatie zoals genoemd onder a, b en c. Onder lokaal in het kader van dit artikel wordt 15-20 kilometer rondom de woning verstaan (vergelijk CRVB:2009:BH4270 en CRVB:2010:BL4037). Op grond van de wet geldt geen verplichting om te zorgen voor bovenlokaal (bovenregionaal) vervoer (CRVB:2023:192, CRVB:2025:47). Daarvoor kan een cliënt gebruik maken van Valys (www.valys.nl).

Derde en vierde lid

Het uitgangspunt qua omvang is bepaald op 1500-2000 kilometer lokaal per jaar. Dit betekent niet dat er in het individuele geval niet meer of minder mogelijk zou kunnen zijn. Het college is immers gehouden maatwerk te leveren en daarom bevoegd in individuele gevallen af te wijken. Dat zou bijvoorbeeld (ook) het geval kunnen zijn als er meer dan één vervoersvoorziening wordt verleend en met deze voorzieningen tezamen 1500 tot 2000 kilometer op jaarbasis kunnen reizen bereikt kan worden.

Hoofdstuk 10 Persoonsgebonden budget

Artikel 10.1 Algemeen

Eerste lid

Het spreekt voor zich dat het college gehouden is aan de wettelijke bepalingen en voorschriften in de verordening.

Tweede lid

Om te zorgen dat het college goed kan beoordelen of wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden van artikel 2.3.6, tweede lid, van de wet en/of het bepaalde in deze verordening geldt de verplichting om een budgetplan en een uitvoeringsplan op te stellen. Dit helpt bij de beoordeling of wordt voldaan aan de voorwaarden. Dit mede ter bescherming van de budgethouder. De kwaliteit van de ondersteuning is daarbij van groot belang.

Derde lid

Cliënten die niet pgb-bekwaam zijn kunnen alleen voor een pgb in aanmerking komen als een persoon kan optreden als gewaarborgde hulp (zie begripsbepaling). Het college beoordeelt of deze persoon voldoet aan de eisen die aan gewaarborgde hulp gesteld mogen worden.

Vierde lid

Deze verplichting geldt op grond van art. 2a lid 2 van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015.

Artikel 10.2 Regels persoonsgebonden budget algemeen

Dit artikel zorgt ervoor dat situaties waarin geen recht bestaat op een maatwerkvoorziening niet met een pgb doorkruist kunnen worden. Het pgb mag niet worden besteed aan een algemeen gebruikelijke voorziening (onderdeel a). Ook wordt voorkomen dat een pgb wordt besteed aan de huisgenoot die (tijdelijk) niet in staat is gebleken gebruikelijke hulp te bieden (onderdeel b). Immers, er wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt als van een huisgenoot verwacht kan worden gebruikelijke hulp te bieden (CRVB:2019:2616).

Artikel 10.3 Besteding en declaratie

Eerste lid

In dit lid staat waar het pgb niet aan mag worden besteed. De wetgever heeft zich hier ook nadrukkelijk over uitgelaten (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 38).

Tweede lid

Het pgb wordt besteed binnen de genoemde termijn. Voor woningaanpassingen kan een lagere termijn gelden.

Derde lid

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Vierde lid

Het college hanteert in geval van overlijden van de cliënt geen eenmalige uitkering aan de derde die de ondersteuning biedt (dit betreft alle zorgovereenkomsten, dus die met een professionele organisatie, een Zzp’er, iemand uit het sociaal netwerk of een partner of familielid). Wel kan worden gedeclareerd voor de geboden ondersteuning vóór het overlijden, mits er nog voldoende pgb beschikbaar is.

Vijfde lid

In dit lid is bepaald dat geen vast bedrag mag worden gehanteerd. Dat wil zeggen declaraties worden gedaan op basis van de werkelijk geboden ondersteuning (in tijd).

Artikel 10.4 Kwaliteitseisen diensten

Dit artikel regelt dat voor professionals dezelfde eisen van vakbekwaam gelden als voor de door het college gecontracteerde partijen. Onderdeel van de kwaliteit in de zin van veiligheid is het overleggen van een originele VOG die niet ouder is dan genoemd in dit artikel. Wordt door eenzelfde ondersteuner aan meerdere cliënten ondersteuning geboden, dan is één VOG voldoende. Een VOG heeft geen geldigheid. Ter bescherming van de budgethouder (cliënt) kan het college de duur van de indicatie afstemmen op het opnieuw aanvragen van een VOG. Er geldt slechts één uitzondering voor het overleggen van een VOG.

Artikel 10.5 Hoogte persoonsgebonden budget hulp bij het huishouden

Eerste lid

Dit lid bepaalt de hoogte van het pgb als het wordt besteed aan een professional.

Tweede lid

Dit lid bepaalt de hoogte van het pgb als het wordt besteed aan een persoon uit het sociaal netwerk en degene die niet als professional wordt aangemerkt. Een pgb ter hoogte van het WML is een toereikend bedrag (CRVB:2025:1276, CRVB:2025:1380). Ook personen uit het sociaal netwerk die professional zijn vallen hieronder (CRVB:2021:1739, CRVB:2021:1999). Het pgb wordt verhoogd met werkgeverslasten als die verschuldigd zijn. Dit hangt samen met de aanpassing van de Regeling dienstverlening aan huis.

Derde lid

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Artikel 10.6 Hoogte persoonsgebonden budget diensten

Eerste lid

Dit lid bepaalt wat onder diensten wordt verstaan.

Tweede lid

Dit lid bepaalt de hoogte van het pgb als het wordt besteed aan een professional.

Derde lid

Dit lid bepaalt de hoogte van het pgb als het wordt besteed aan een persoon uit het sociaal netwerk en degene die niet als professional wordt aangemerkt. Hiermee wordt een duidelijk onderscheidt gemaakt tussen professionals en niet-professionals. Dit valt binnen de verordenende bevoegdheid van de gemeenteraad (TK 2013/14 33 841, nr. 3, p. 134-135) Een pgb ter hoogte van het WML is een toereikend bedrag (CRVB:2025:1276, CRVB:2025:1380). Ook personen uit het sociaal netwerk die als professional werkzaam zijn vallen hieronder (CRVB:2021:1739, CRVB:2021:1999). Het pgb wordt verhoogd met werkgeverslasten als die verschuldigd zijn. Dit hangt samen met de aanpassing van de Regeling dienstverlening aan huis.

Vierde lid

Bij de maatwerkvoorziening Wmo-wonen kan het voorkomen dat de budgethouder zelf woonkosten is verschuldigd die worden betaald uit zijn inkomen. Bij de vaststelling van het pgb wordt daar rekening mee gehouden.

Vijfde lid

Dit lid regelt de vaststelling van de hoogte van het pgb op maat. Het gaat om cliënten die de indicatie voor Wmo-wonen nog niet kunnen verzilveren, maar wel aangewezen zijn op ondersteuning.

Zesde lid

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Artikel 10.7 Hoogte persoonsgebonden budget overig

Eerste en tweede lid

In de verordening moet worden bepaald hoe de hoogte van het pgb wordt vastgesteld (art. 2.1.3, tweede lid onder b, van de wet). Voor hulpmiddelen en woningaanpassingen is bepaald dat het pgb niet meer bedraagt dan het maximum van de kostprijs. Het kan voorkomen dat de aangewezen maatwerkvoorziening niet door de gemeente is ingekocht. In die gevallen wordt de hoogte van het pgb vastgesteld op basis van een offerte. Het kan gaan om een offerte die het college zelf opvraagt of een offerte die door de cliënt aan het college wordt verstrekt.

Derde en vierde lid

Het derde lid regelt hoe de hoogte van een pgb wordt vastgesteld voor hulpmiddelen. Omdat de kostprijs het uitgangspunt is, kan het pgb worden vastgesteld op basis van een tweedehands of een nieuwe maatwerkvoorziening. Dat hangt af van welke maatwerkvoorziening in natura beschikbaar is. Het college stemt de budgetperiode daarop af. Het vierde lid schrijft voor hoe het pgb bestemd voor het onderhoud en de kosten van verzekering wordt vastgesteld.

Vijfde lid

Dit lid regelt hoe de hoogte van het pgb voor een autoaanpassing en het bereikbaar maken van de woning wordt vastgesteld.

Zesde lid

De hoogte van het pgb voor een woningaanpassing al dan niet met de daarmee samenhangende genoemde kosten is niet meer dan het bedrag dat het college zelf verschuldigd zou zijn (de te bedingen prijs).

Zevende lid

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Hoofdstuk 11 Bijdrage in de kosten, kostprijs en ritbijdrage

Artikel 11.1 Maatwerkvoorziening en persoonsgebonden budget

Eerste en tweede lid

Lid 1 bepaalt dat de cliënt voor maatwerkvoorzieningen dan wel pgb’s een bijdrage in de kosten verschuldigd. De wet bepaalt echter wel dat de bijdrage in de kosten is gemaximeerd (het abonnementstarief). De Regiotaxi is uitgezonderd van het abonnementstarief (lid 2). Wel is de gebruiker net als voorheen een ritbijdrage verschuldigd (zie art. 11.4 van de verordening). De bijdrage kan niet meer zijn dan de kostprijs (zie art. 11.3 van de verordening).

Derde, vierde en vijfde lid

Spreken voor zich, behoeven geen nadere toelichting. Het is aan het college om te bepalen wat onder tijdelijk als bedoeld in het vijfde lid wordt verstaan. In artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet is het maximale bedrag (abonnementstarief) vastgelegd. De cliënt betaalt dus nooit meer dat dit bedrag, ongeacht het aantal maatwerkvoorzieningen (al dan niet als pgb).

Zesde lid

Er wordt gebruik gemaakt van de bevoegdheid een bijdrage te vragen indien een woningaanpassing

(in natura of als pgb) wordt verstrekt voor een minderjarige.

Zevende lid

De wet schrijft voor dat de verordening moet bepalen wie deze bijdrage int (art. 2.1.4b, tweede lid, van de wet).

Achtste lid

In dit lid is bepaald voor welke maatwerkvoorzieningen geen bijdrage in de kosten geldt.

Artikel 11.2 Maatwerkvoorziening Wmo wonen en opvang

Voor de maatwerkvoorzieningen van dit artikel geldt de inkomensafhankelijke bijdrage volgens de regels van Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (intramurale bijdrage). Ook gedurende tijdelijk afwezigheid uit de accommodatie van de aanbieder blijft de cliënt de bijdrage verschuldigd. Wat onder tijdelijk wordt verstaan is uitgewerkt in de beleidsregels.

Artikel 11.3 Kostprijs

Op grond van artikel 2.1.4a, zesde lid, van de wet is het verplicht om bij verordening te bepalen op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt berekend. De maximale kostprijs voor woningaanpassingen en hulpmiddelen voor vervoer heeft enkel betrekking op de kostprijs die aan het CAK wordt doorgegeven voor het vaststellen van de bijdrage in de kosten.

Artikel 11.4 Ritbijdrage

Dit artikel bepaalt dat de cliënt een ritbijdrage en eventueel een reserveringstoeslag verschuldigd is. De hoogte van de ritbijdrage is gebaseerd op reguliere OV-tarief die eenieder verschuldigd is ongeacht het hebben van beperkingen. De bedragen worden gepubliceerd op de website van de vervoerder.

Hoofdstuk 12 Bestrijding misbruik of oneigenlijk gebruik

Artikel 12.1 Bevoegdheid

Eerste en tweede lid

Artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet bepaalt dat de verordening regels moet bevatten ter voorkoming van het onterecht ontvangen van maatwerkvoorzieningen of pgb’s, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. In dit hoofdstuk zijn de regels over het toezicht op de uitvoering en de kwaliteit geïntegreerd. Dat wil zeggen ze hebben betrekking op zowel de rechtmatigheid als ook de doelmatigheid.

Derde lid

Dit lid bepaalt de inhoudelijke bevoegdheid van het college over de inhoud van de controles en de personen die gecontroleerd kunnen worden.

Vierde en vijfde lid

Uit artikel 2.3.9 van de wet volgt al dat het college bevoegd is om besluiten te heroverwegen. Daarvoor is geen specifieke aanleiding nodig. Mede in het kader van dit hoofdstuk kan het college bijvoorbeeld in een klacht of een signaal over de kwaliteit van ondersteuning aanleiding zien om een onderzoek op te starten. Er kan in die gevallen namelijk ook sprake zijn van tekortschietende rechtmatigheid. Het kan ook gaan om de vraag of de ondersteuning, al dan niet in de vorm van een pgb, nog wel passend is (doelmatigheid). Maar ook of de verstrekking nog voldoet aan de voorwaarden (rechtmatigheid). Zowel het college als de toezichthoudende ambtenaar kunnen zo’n onderzoek uitvoeren.

Artikel 12.2 Informatieplicht en fraudepreventie

Op het college rust de voorlichtingsplicht om de cliënt te informeren over welke mogelijkheden er bestaan om te kiezen voor een pgb (art. 2.3.2, zesde lid, van de wet). Deze plicht bestaat er ook uit dat de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. Daaronder vallen ook de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Dit wordt gedaan tijdens het onderzoek. Deze voorlichting valt onder fraudepreventie.

Artikel 12.3 Controle

In dit artikel is bevoegdheid van het college neergelegd op de controle van de besteding van pgb’s. Het artikel geeft ook aan op wie zo’n controle betrekking kan hebben. De controle kan het college steekproefsgewijs doen of volgens een planmatige aanpak (zie art. 12.1, vierde lid, van de verordening.

Artikel 12.4 Medewerkingsplicht

Dit artikel regelt de medewerkingsplicht. Dat wil zeggen dat als het college of de toezichthoudende ambtenaar aan de genoemde personen vraagt om verantwoording af te leggen over de geboden ondersteuning, zij verplicht zijn dat te doen. De gevolgen van het niet of onvoldoende meewerken kan voor het college aanleiding zijn om het recht op pgb in te trekken en aan de cliënt een maatwerkvoorziening in natura te verstrekken. Ook kan uit de controle naar voren komen dat niet (meer) wordt voldaan aan de voorwaarden van het pgb.

Artikel 12.5 Opschorting betaling uit het persoonsgebonden budget

Een opschorting van betaling is een instrument om ruimte te bieden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Artikel 2b, zesde lid aanhef en onder g, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 geeft de SVB de bevoegdheid tot opschorting van betaling. Alleen als het college, bij de toepassing van de bij verordening gestelde regels, daarom verzoekt. Gedurende de opschorting doet het college en/of de toezichthoudende ambtenaar onderzoek naar het gegronde vermoeden. Opschorting van betaling kan met zich meebrengen dat het college moet zorgen voor een tijdelijke maatwerkvoorziening in natura. Dat kan aan de orde zijn als het gegronde vermoeden betrekking heeft op de derde aan wie het pgb wordt of zal worden besteed of een aan die derde gelieerde persoon. Immers in zo’n geval blijft de cliënt bij de opschorting van de betaling verstoken van de noodzakelijk bevonden ondersteuning. Met de maximale termijn van dertien weken in dit artikel is aangesloten bij de termijn zoals genoemd in artikel 4:56 van de Awb.

Hoofdstuk 13 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering

Artikel 13.1 Beëindiging

Er wordt gesproken van beëindiging als de inwerkingtreding van het besluit ingaat vanaf het heden of naar de toekomst toe. Beëindiging heeft dus, in tegenstelling tot een herziening/intrekking, geen terugwerkende kracht. In dit artikel is bepaald wanneer het college kan overgaan tot beëindiging van de maatwerkvoorziening dan wel pgb.

Artikel 13.2 Herziening of intrekking

Voor de cliënt geldt op grond van artikel 2.3.8 van de wet de plicht tot het desgevraagd of onverwijld mededeling doen van feiten of omstandigheden die van belang zijn voor de voortzetting van het recht op een maatwerkvoorziening dan wel een pgb. Deze verplichting geldt (in geval van een pgb) ook jegens de Sociale verzekeringsbank (SVB). Het (deels) ongedaan maken van een aanspraak over een periode in het verleden, wordt herzien/intrekken genoemd. Een herziening/intrekking van een besluit is het met terugwerkende kracht opnieuw beslissen over de aanspraak over een periode in het verleden, waarbij de aanspraak afwijkend wordt vastgesteld of wordt ingetrokken in het geval er in het geheel geen aanspraak heeft bestaan. Het college kan een besluit herzien of intrekken als onjuiste inlichtingen zijn verstrekt en de verstrekking van juiste inlichtingen tot een ander besluit zou hebben geleid of bij het niet voldoen aan andere voorwaarden genoemd in artikel 2.3.10, eerste lid, van de wet.

Artikel 13.3 Terugvordering

In dit artikel is de wettelijke bevoegdheid van het college uitgewerkt tot het terugvorderen van ten onrechte genoten maatwerkvoorzieningen, financiële tegemoetkomingen dan wel pgb’s in geval de inlichtingenplicht door de cliënt is geschonden en/of de derde daaraan zijn medewerking heeft verleend (bijv. CRVB:2023:209, CRVB:2022:724). De wet bepaalt dat het college tot invordering over kan gaan middels een dwangbevel (art. 2.4.1, tweede lid, van de wet).

Hoofdstuk 14 Overige bepalingen

§ 1. Jaarlijkse blijk waardering mantelzorgers

Artikel 14.1 De wijze van waardering

De wet schrijft voor dat mantelzorgers een jaarlijkse blijk van waardering ontvangen. Het college zorgt daar voor.

§ 2. Klachtenregeling en medezeggenschap

Artikel 14.2 Klachtenregeling

De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. De aanbieder is voor de in de verordening genoemde maatwerkvoorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (art. 3.2, eerste lid aanhef en onder a, van de wet). Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open. Het college ziet toe op naleving van de klachtenregeling door aanbieders. Uit het cliëntervaringsonderzoek kan onder meer blijken of cliënten tevreden zijn over aanbieders.

Artikel 14.3 Regeling voor medezeggenschap

De aanbieder van voorzieningen is verplicht een regeling voor medezeggenschap van cliënten vast te stellen over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn. Het gaat om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder (art. 3.2, eerste lid aanhef en onder b, van de wet). Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels aan gemeenten overgelaten. Het college ziet er op toe dat dit ook daadwerkelijk gebeurt.

§ 3. Kwaliteit

Artikel 14.4 Continuïteit en kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

In het eerste lid staat dat de continuïteit van voorzieningen en de taken van Veilig Thuis Noord Gelderland gewaarborgd moeten zijn (art. 2.6.6 van de wet). De Wmo 2015 maakt met artikel 3.1 van de wet de door gemeenten gecontracteerde aanbieders direct verantwoordelijk voor het leveren van voorzieningen (ondersteuning) van goede kwaliteit. Het college zal er op toe moeten zien dat de eisen door aanbieders worden nageleefd.

Artikel 14.5 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden

In dit artikel wordt invulling gegeven aan de opdracht aan de gemeenteraad om bij de uitvoering van deze wet door derden, regels te stellen ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van diezelfde voorziening. Aanleiding hiervoor is het gewijzigde Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (landelijk). Op grond hiervan worden bij AMvB nadere regels gesteld aan de daarvoor al bestaande verplichting van het hanteren van een reële prijs. De bepaling van de reële prijs voor een voorziening wordt geregeld door de kostprijselementen waar het college een reële prijs op moet baseren, vast te leggen. Dit is een verduidelijking van de verplichting die op het college rust op grond van artikel 2.6.6 van de wet. Ook wordt de plaats van een door het college vastgestelde reële prijs in de aanbestedingsprocedure geregeld. Deze nadere regels (AMvB) hebben tot doel dat een reële prijs wordt vastgesteld voor diensten die in opdracht van het college door derden worden verleend, zodat de kwaliteit en continuïteit van deze diensten kunnen worden gewaarborgd door het gemeentebestuur en de gecontracteerde aanbieders.

Artikel 14.6 Meldingsregeling calamiteiten en geweld

In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet. In aanvulling op het vorenstaande regelt dit artikel dat er door het college een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudende ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

§ 4. Betrekken van ingezetenen bij beleid

Artikel 14.7 Inspraak en medezeggenschap

Dit artikel geeft invulling aan artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015. Op grond van die bepaling moet in de verordening worden geregeld hoe ingezetenen worden betrokken bij de vormgeving van het Wmo-beleid. Dit op basis van de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor zowel het Wmo-beleid als op andere terreinen. Verder wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de inspraak en medezeggenschap vorm te geven.

Hoofdstuk 15 Slotbepalingen

Artikel 15.1 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van de verordening. Dit afwijken kan alleen maar ten gunste en nooit ten nadele van hen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet nadrukkelijk worden beschouwd als een uitzondering. Bij de beoordeling van de aanvraag zou het college zelf aanleiding kunnen zien om de hardheidsclausule toe te passen. In het algemeen geldt echter dat de cliënt gemotiveerd moet aangeven dat zijn situatie bijzonder is en zal hij dat desgevraagd ook nader moeten onderbouwen.

Artikel 15.2 Evaluatie

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Artikel 15.3 Inwerkingtreding en citeerartikel

Dit artikel regelt de inwerkingtreding, waarbij geen overgangsrecht is opgenomen. Voor aanvragen die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van deze verordening en waarop het college op een datum na inwerkingtreding beslist, geldt deze verordening. Het college heeft middels dit artikel de bevoegdheid om terug te komen van besluiten die zijn genomen op basis van de voorgaande verordeningen.