Ondermandaatbesluit leidinggevenden BSR

Geldend van 01-01-2019 t/m heden

Intitulé

Ondermandaatbesluit leidinggevenden BSR

De directeur van Belastingsamenwerking Rivierenland (hierna: BSR);

overwegende dat op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Wet gemeenschappelijke regelingen, de Waterschapswet, de Gemeentewet en diverse andere wetten bevoegdheden zijn neergelegd bij het dagelijks bestuur van BSR;

dat het uit oogpunt van efficiency wenselijk is dat bevoegdheden uitgeoefend worden op een niveau dat in overeenstemming is met de aard en inhoud van die bevoegdheden;

dat het dagelijks bestuur van BSR een mandaatregeling heeft vastgesteld, waarin de randvoorwaarden voor het mandaat worden gegeven;

dat het dagelijks bestuur van BSR een mandaatbesluit directeur BSR heeft vastgesteld;

dat het wenselijk is dat ondermandaat wordt verleend aan leidinggevenden;

gelet op de Algemene wet bestuursrecht en de Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking Rivierenland;

BESLUIT:

vast te stellen het ondermandaatbesluit leidinggevenden BSR.

Artikel 1 Verlenen van ondermandaat

1. Aan de in de mandaatregeling BSR genoemde leidinggevenden wordt mandaat, volmacht en machtiging verleend voor:

- het nemen van besluiten en verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen tot de in de regeling teken- en beschikkingsbevoegdheden vermelde bedragen;

- het besluiten tot het aanbesteden van leveringen en diensten tot de in de Regeling teken- en beschikkingsbevoegdheden vermelde bedragen;

- het doen van aangifte van strafbare feiten, waarvan het kennis heeft genomen.

2. Aan de heffingsambtenaar van BSR ondermandaat te verlenen voor het, naar aanleiding van een daartoe gedaan verzoek, nemen van besluiten inzake toepassing van de hardheidsclausule.

3. Aan de invorderingsambtenaar van BSR ondermandaat te verlenen voor het geheel of gedeeltelijk oninbaar verklaren van opgelegde belastingaanslagen, daaronder mede verstaan opgelegde boetes.

Artikel 2 Eisen aan ondermandaat

1. De ondergemandateerden oefenen hun bevoegdheden uit met inachtneming van hetgeen daaromtrent is opgenomen in de mandaatregeling BSR.

2. Bij afwezigheid van een leidinggevende worden diens bevoegdheden uitgeoefend door zijn plaatsvervanger.

Artikel 3 Inwerkingtreding en citeertitel

1. Dit besluit treedt in werking per 1 januari 2017.

2. Het ondermandaatbesluit leidinggevenden BSR van 15 mei 2013 wordt hierbij ingetrokken, met dien verstande dat dit besluit van toepassing blijft tot en met 31 december 2016.

3. Dit besluit kan worden aangehaald als ‘’Ondermandaatbesluit leidinggevenden BSR’’.

Aldus vastgesteld in de vergadering van het MT van BSR van 31 oktober 2016.

G.M. Scholtus

Directeur