Verordening jeugdhulp gemeente Montferland 2026

Geldend van 11-02-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026

Intitulé

Verordening jeugdhulp gemeente Montferland 2026

De raad van de gemeente Montferland,

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Montferland van 2 december 2025,

gelet op het advies van de Sociale Raad van 24 september 2025;

gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet;

alsmede gelet op artikel 156 van de Gemeentewet; en

Voor een gezamenlijke toekomst, Visie Sociaal domein gemeente Montferland 2025-2033

overwegende dat:

  • de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd, waarbij het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouder(s) en de jeugdige zelf ligt,

  • het noodzakelijk is om regels vast te stellen over:

    • -

      de door het college te verlenen jeugdhulp over de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling en de afwegingsfactoren;

    • -

      de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van ouders en jeugdigen;

    • -

      de waarborg van de deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de jeugdhulp;

    • -

      de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van jeugdhulp wordt afgestemd met voorliggende voorzieningen en andere diensten,

    • -

      de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld,

    • -

      de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet, en

    • -

      regels ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs en kwaliteit voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering;

  • het voorts wenselijk is te bepalen onder welke voorwaarden degene aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot diens sociaal netwerk;

  • het noodzakelijk is om kaders en criteria vast te stellen ter uitvoering van de Jeugdwet,

besluit:

vast te stellen de volgende verordening:

Verordening jeugdhulp gemeente Montferland 2026

HOOFDSTUK 1. BEGRIPSBEPALINGEN, REIKWIJDTE EN VORMEN VAN JEUGDHULP

Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen

  • 1. In de verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a.

      Algemene voorziening: een jeugdhulpvoorziening die rechtstreeks toegankelijk is zonder voorafgaand onderzoek naar de behoefte aan jeugdhulp van jeugdigen en ouder(s);

    • b.

      Besluit: het vigerende Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Montferland waarin op grond van deze verordening de tarieven of bedragen en eventuele nadere regels zijn gesteld;

    • c.

      BIG-register: het BIG-register komt voort uit de Wet BIG (Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg);

    • d.

      Budgetplan: een plan opgesteld door (of namens) de budgethouder waaruit blijkt dat de besteding van het persoonsgebonden budget voldoet aan de voorwaarden van de wet of deze verordening;

    • e.

      Eigen kracht: de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen als bedoeld in artikel 2.3 van de wet hetgeen voortvloeit uit de zorgplicht van ouders op grond van artikel 1:82 en 1:247 van het Burgerlijk Wetboek volgens bijlage 1 bij deze verordening en zoals nader uitgewerkt in hoofdstuk 3 van de verordening;

    • f.

      Familiegroepsplan: hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren;

    • g.

      Gewaarborgde hulp: een door de budgethouder ingeschakelde derde van wie voldoende aannemelijk is dat deze kan in staan voor nakoming van de aan het persoonsgebonden budget verbonden verplichtingen;

    • h.

      Individuele voorziening: een op de jeugdige en/of de ouder(s) toegesneden voorziening die op aanvraag wordt verstrekt;

    • i.

      Ondersteuningsplan: het door het college opgestelde verslag over de uitkomsten van het onderzoek waarin de te bereiken resultaten staan en het advies van het college over de eventueel toe te kennen jeugdhulp;

    • j.

      Ondersteuningsvraag: de behoefte van de jeugdige en/of de ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet waarvoor een aanvraag wordt gedaan;

    • k.

      Professionele organisatie: een organisatie, die is ingeschreven in het handelsregister van de KvK als zijnde jeugdhulpverlener en die voldoet aan de kwaliteitseisen voor wat betreft de vakbekwaamheid van de medewerkers die namens de organisatie ondersteuning bieden en gebruik maken van bewezen effectieve jeugdinterventies en methodisch werken. Er geldt voor jeugdprofessionals de SKJ-of BIG-registratie, tenzij de jeugdhulp (niet zijnde behandeling) onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde professional wordt geboden. Voor vaktherapeuten geldt inschrijving in het Register Vaktherapie én aangesloten zijn bij een beroepsvereniging (FVB of NVRG);

    • l.

      SKJ: Stichting Kwaliteitsregister Jeugd is het beroepsregister voor jeugdprofessionals;

    • m.

      Sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de jeugdige en/of zijn ouders een sociale relatie onderhoudt;

    • n.

      Sociaal Team-Jeugd (ST-Jeugd): een multidisciplinair team dat namens het college bevoegd is jeugdhulp toe te kennen, of zelf vrij toegankelijke kortdurende jeugdhulp te verlenen op basis van de ondersteuningsvraag jeugdigen en hun ouders;

    • o.

      Spoedeisende situatie: een (onvoorziene) situatie die geen uitstel verdraagt;

    • p.

      Vaktherapie: de overkoepelende naam voor de vaktherapeutische disciplines: beeldende therapie, danstherapie, dramatherapie, muziektherapie, psychomotorische kindertherapie en speltherapie. Vaktherapie is een behandelvorm die uitgaat van doen en ervaren en kan worden ingezet onder de verantwoordelijkheid van een geregistreerde professional;

    • q.

      Voorliggende voorziening: een voorziening, anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen. Een voorliggende voorziening gaat voor op het toekennen van jeugdhulp;

    • r.

      Wet: Jeugdwet;

    • s.

      Zzp’er: een ondernemer die geen personeel in dienst heeft, is ingeschreven in het handelsregister van de KvK als zijnde jeugdhulpverlener of vaktherapeut en voldoet aan de kwaliteitseisen voor wat betreft de vakbekwaamheid en die gebruik maakt van bewezen effectieve jeugdinterventies en methodisch werken. Voor jeugdprofessionals geldt de SKJ-of BIG-registratie en voor vaktherapeuten inschrijving in het Register Vaktherapie én aangesloten bij een beroepsvereniging (FVB of NVRG). Voor de vaststelling of er sprake is van een ondernemer in ieder geval de volgende criteria gelden:

      • niet werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610 en volgende van het Burgerlijk Wetboek; en

      • door de Belastingdienst aangemerkt als ondernemer voor de Inkomstenbelasting (voor eigen rekening en risico verrichten van werkzaamheden).

  • 2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet of de daarop gebaseerde lagere regelgeving en de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 1.2 Reikwijdte verordening

Deze verordening is van toepassing voor in Nederland verblijvende jeugdigen waar de gemeente Montferland verantwoordelijk voor is op grond van het woonplaatsbeginsel.

Artikel 1.3 Vormen van jeugdhulp

  • 1. De volgende algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijk beschikbaar:

    • a.

      Het versterken van de opvoed- en opgroeiomgeving;

    • b.

      Informatie, advies en trainingen over opvoeding en ouderschap;

    • c.

      Jeugdgezondheidszorg;

    • d.

      Jongerenwerk;

    • e.

      Ondersteuning bij opleidings- en loopbaankeuzes;

    • f.

      Kortdurende jeugdhulp door het ST-Jeugd.

      Jeugdigen en/of ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een algemene voorziening, zonder tussenkomst van het college (ST-Jeugd).

  • 2. De volgende individuele voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar:

    • a.

      Ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien:

      • 1.

        Ondersteuning individueel;

      • 2.

        Ondersteuning groep.

    • b.

      Een plek om te logeren of een plek in een pleeggezin, gezinshuis of verblijf in een instelling, als thuis wonen (tijdelijk) niet mogelijk is;

    • c.

      Specialistische jeugdhulp:

      • 1.

        Behandeling individueel;

      • 2.

        Behandeling groep;

      • 3.

        Behandeling groep orthopedisch dagcentrum;

      • 4.

        Behandeling basis GGZ;

      • 5.

        Behandeling specialistisch GGZ;

      • 6.

        Behandeling hoog complex GGZ;

      • 7.

        Behandeling diagnostiek;

      • 8.

        Medicatiecontrole;

      • 9.

        Ambulante spoedhulp.

    • d.

      Hulp bij persoonlijke verzorging;

    • e.

      Hulp bij ernstige dyslexie;

    • f.

      Verblijf: logeren, plek in een pleeggezin, gezinshuis of verblijf in een instelling;

    • g.

      Integrale hoog specialistische hulp;

    • h.

      Wonen gericht op zelfstandigheid (18-/18+).

      Individuele voorzieningen worden op aanvraag verleend.

HOOFDSTUK 2 TOEGANG TOT JEUGDHULP

§ 1. Clientondersteuning en vertrouwenspersoon

Artikel 2.1 Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon

  • 1. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van jeugdigen en ouders uitgangspunt is.

  • 2. Het college stelt een vertrouwenspersoon van de Jeugdstem in de gelegenheid zijn taak uit te oefenen als bedoeld in paragraaf 4.1 van het Besluit Jeugdwet.

  • 3. Het college draagt er zorg voor dat de jeugdigen, ouders en pleegouders zelfstandig, zonder tussenkomst van derden, contact kunnen hebben met een onafhankelijke vertrouwenspersoon van de Jeugdstem.

§ 2. Wettelijke verwijzers

Artikel 2.2 Via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

  • 1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts, die geboden wordt door een gecontracteerde jeugdhulpaanbieder.

  • 2. De jeugdhulpaanbieder dient zich bij het beoordelen van de jeugdhulpvraag te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie en met de regels die daarover zijn neergelegd in deze Verordening.

§ 3 Kinderbeschermingsmaatregel en jeugdreclassering

Artikel 2.3 Via kinderbeschermingsmaatregel en jeugdreclassering

  • 1. Het college zorgt voor inzet van de jeugdhulp die:

    • a.

      de rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel,

    • b.

      de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of

    • c.

      de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering.

  • 2. Het college maakt nadere afspraken met de gecertificeerde instelling en jeugdhulpaanbieders over inzet van (de bepaling van) jeugdhulp.

§ 4. Via de gemeente

Artikel 2.4 Melding ondersteuningsvraag en aanvraag

  • 1. Jeugdigen en ouders kunnen hun ondersteuningsvraag melden bij het ST-Jeugd. Het ST-Jeugd voert in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouders zo spoedig mogelijk een onderzoek uit.

  • 2. Na ontvangst van de melding wijst ST-Jeugd de jeugdige en/of zijn ouder(s) op de mogelijkheid:

    • a.

      gebruik te maken van cliëntondersteuning, en

    • b.

      een familiegroepsplan op te stellen welke twee weken na de melding wordt overhandigd. Als de jeugdige of zijn ouders daarom verzoekt, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan, en

    • c.

      een aanvraag in te dienen.

  • 3. Een aanvraag om jeugdhulp wordt gedaan op een door het college beschikbaar gesteld (elektronisch) aanvraagformulier.

Artikel 2.5 Ingangsdatum individuele voorziening

De indicatie voor een individuele voorziening gaat niet eerder in dan de datum waarop het college beslist op de aanvraag, tenzij het college de jeugdhulpaanbieder (natura) toestemming geeft de jeugdhulp eerder te starten.

Artikel 2.6 Inhoud van het onderzoek

  • 1. In samenspraak met ouders wordt onderzoek gedaan naar:

    • a.

      de ondersteuningsvraag van de jeugdige of zijn ouder(s) en wat die ondersteuningsvraag heeft doen ontstaan;

    • b.

      de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige en zijn ouder(s), de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie;

    • c.

      de psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouder(s) of adoptiegerelateerde problemen, en zo ja dan onderzoekt het college achtereenvolgens:

      • 1°.

        welke problemen of stoornissen dat zijn;

      • 2°.

        welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;

      • 3°.

        of en in hoeverre de eigen kracht toereikend is om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden; en

      • 4°.

        voor zover de eigen kracht ontoereikend is, de mogelijkheden om met de inzet van een algemene voorziening, voorliggende voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp.

  • 2. In spoedeisende situaties als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid onder b, van de wet:

    • a.

      verstrekt het college zo spoedig als nodig een passende tijdelijke maatregel; of

    • b.

      vraagt het college een machtiging voor gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet, in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek.

  • 3. Tijdens de procedure kan het college gebruik maken van de Jeugd Beschermingstafel.

  • 4. De jeugdige of zijn ouder(s) verstrekken de noodzakelijke gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. Ook verlenen zij de medewerking die redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitvoering van de wet. Als uitgangspunt geldt dat de jeugdige wordt gezien en als dat nodig is, wordt gesproken.

  • 5. Na afronding van het onderzoek verstrekt het college een ondersteuningsplan.

Artikel 2.7 Criteria deskundigheid

  • 1. De toeleiding naar en advisering over de aanspraak op een individuele voorziening wordt gedaan onder de verantwoordelijkheid van een SKJ of BIG geregistreerde persoon.

  • 2. Uit hoofde van die deskundigheid wordt eveneens bepaald of er een noodzaak is een (andere) deskundige of deskundigen in te schakelen om de aanspraak op een individuele voorziening te beoordelen. Dit met inachtneming van de verantwoordelijkheidstoedeling gesteld in artikel 4.1.1, tweede lid, van de wet in samenhang bezien met de benodigde deskundigheid genoemd in artikel 2.1 van het Besluit Jeugdwet.

  • 3. De ingeschakelde deskundigen worden vermeld in het ondersteuningsplan als bedoeld in artikel 2.8.

Artikel 2.8 Identificatie

Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 2.5 van de verordening, kan het college de identiteit van de jeugdige en zijn ouder(s) vaststellen aan de hand van bijvoorbeeld een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

§ 5. Advisering

Artikel 2.9 Advisering

  • 1. Het college vraagt om deskundigenadvies voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van het onderzoek en de beoordeling van de aanvraag.

  • 2. De jeugdige en zijn ouder(s) verlenen hun medewerking aan dit onderzoek.

  • 3. Uitgangspunt is dat de jeugdige wordt gezien en als dat nodig is, wordt gesproken.

  • 4. Het college kan in geval van complexere problematiek cliëntgebonden expertise en advies vragen aan een andere jeugdhulpaanbieder dan die de jeugdhulp biedt. Doel is:

    • a.

      overdracht van de jeugdige naar een andere jeugdhulpaanbieder voorkomen,

    • b.

      voorkomen dat een jeugdige op een wachtlijst bij een andere jeugdhulpaanbieder komt.

    • c.

      een jeugdige op tijd overdragen wanneer een andere jeugdhulpaanbieder qua specialisme beter aansluit bij de ondersteuningsvraag van de jeugdige en dit de samenwerking bevordert.

HOOFDSTUK 3. EIGEN KRACHT EN UITGANGSPUNTEN JEUGDHULP

Artikel 3.1 Afwegingsfactoren beoordeling eigen kracht

  • 1. Het college neemt bij de beoordeling van de eigen kracht (ouderlijke zorgplicht) tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden. Dit is ook het geval als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen. Uit het onderzoek kan blijken dat de eigen kracht van de ouders niet toereikend is. Het college hanteert de volgende afwegingsfactoren:

    • a.

      (een) geobjectiveerde beperking(en) om noodzakelijke hulp te bieden;

    • b.

      een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden;

    • c.

      het op permanent toezicht aangewezen zijn van de jeugdige ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel en waarvoor geen Wlz-aanspraak bestaat of het op 24 uur per dag zorg in de nabijheid aangewezen zijn van de jeugdige, omdat de jeugdige zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen om ernstig nadeel voor hem zelf te voorkomen en waarvoor geen Wlz-aanspraak bestaat;

    • d.

      overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht van de ouders of van het sociaal netwerk totdat deze overbelasting of dreigende overbelasting is opgeheven.

  • 2. Bij de beoordeling van de overbelasting bedoeld in het eerste lid onder d, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouders hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ouders maatschappelijke activiteiten beperken om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met:

    • a.

      de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige;

    • b.

      de duur van de inzet;

    • c.

      de planbaarheid van de hulp;

    • d.

      de benodigde ondersteuningsintensiteit;

    • e.

      de samenstelling van het gezin en de woonsituatie;

  • 3. Uitgangspunt is dat ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder. Afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen in geval van een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid bij de jeugdige zijn:

    • a.

      of de jeugdige in staat is om zelf te reizen;

    • b.

      de beschikbaarheid van een auto of de mogelijkheid voor gebruik van het openbaar vervoer;

    • c.

      de afstand in verband met de tijd die nodig is voor het vervoer en de vraag of er een jeugdhulpvoorziening dichterbij is die ook geschikt is;

    • d.

      het tijdstip waarop de ritten uitgevoerd moeten worden;

    • e.

      het aantal dagen per week dat vervoer nodig is;

    • f.

      de draagkracht en draaglast in het gezin.

  • 4. In het kader van de eigen kracht wordt van ouders verwacht dat zij gebruik maken van aanspraken op grond van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten.

Artikel 3.2 Uitgangspunten indicatie jeugdhulp

  • 1. Geen individuele voorziening wordt verstrekt voor zover sprake is van een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, van de wet.

  • 2. Jeugdigen of ouders kunnen slechts in aanmerking komen voor een individuele voorziening voor zover:

    • a.

      de eigen kracht niet toereikend is;

    • b.

      het gebruik van een algemene voorziening de vastgestelde problemen of aan de stoornissen verwante problemen niet in voldoende mate kan wegnemen.

  • 3. Jeugdhulp is primair gericht op het herstellen dan wel versterken van de eigen kracht. Het college hanteert bij de verlening van jeugdhulp een gezinsgerichte aanpak gericht op het herstellen of versterken van de eigen kracht.

  • 4. De individuele voorziening is gericht op het realiseren van een situatie, rekening houdend met de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in artikel 3.5, waarmee de jeugdige in staat wordt gesteld tot:

    • a.

      gezond en veilig op te groeien;

    • b.

      te groeien naar zelfstandigheid, en

    • c.

      voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met de leeftijd en ontwikkelingsniveau.

  • 5. Het college houdt bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp redelijkerwijs rekening met:

    • a.

      behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en zijn ouders, en

    • b.

      de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders.

  • 6. Er bestaat aanspraak op een individuele voorziening die als de goedkoopst passende individuele voorziening is aan te merken.

HOOFDSTUK 4 INDIVIDUELE VOORZIENINGEN

Artikel 4.1 Criteria ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien

  • 1. Ondersteuning individueel is bestemd voor jeugdigen en ouders die op een of meerdere levensgebieden problemen ervaren bij het opgroeien, de zelfredzaamheid en/of deelname aan de samenleving. Er kan ook sprake zijn van opvoedingsproblematiek.

    • a.

      Er is ondersteuning nodig bij het (h)erkennen van en leren omgaan met psychosociale problematiek. Door het aanleren van en oefenen met vaardigheden en gedrag kan de jeugdige de problemen oplossen of zodanig verbeteren dat de jeugdige weer zelfstandig kan functioneren, dan wel om kan gaan met de gevolgen van de (gedrags-)problemen, veilig kan opgroeien en mee kan doen in de samenleving.

    • b.

      De jeugdige beschikt over voldoende verandercapaciteit en heeft voldoende mogelijkheden tot ontwikkelen van vaardigheden. Het vergroten van de eigen kracht kan bij deze jeugdige veelal zelf (en zijn gezinssysteem) en leert (leren) vaardigheden om voldoende te participeren, dagelijkse levensverrichtingen uit te voeren en het persoonlijke leven te structureren en daar zoveel mogelijk regie over te voeren.

    • c.

      De jeugdige heeft ondersteuning nodig bij het oefenen met (sociale) vaardigheden of handelingen, het aanbrengen van dag en/of weekstructuur en/of het vergroten of behouden van de regie.

  • 2. Ondersteuning individueel intensief is bestemd in geval van meervoudige problematiek bij de jeugdige en/of meervoudige problemen in het (gezins-)systeem.

    • a.

      De jeugdige ervaart regieverlies (weet niet meer wat te doen, overzicht kwijt, kan problematiek niet meer voldoende managen). Regie moet (deels) overgenomen worden.

    • b.

      De situatie is instabiel, er is een reëel risico op het ontstaan van een onveilige situatie.

    • c.

      De jeugdige zit met het denken en handelen vast in bepaalde patronen en heeft ondersteuning nodig om deze te doorbreken.

    • d.

      De jeugdige heeft onvoldoende inzicht in eigen problematiek. De jeugdige en/of zijn gezinssysteem heeft ondersteuning nodig bij het (h)erkennen van en leren omgaan met zijn of haar psychosociale problematiek.

    • e.

      Het gaat altijd om meervoudig complexe (gezins-) problematiek zoals omschreven in de Richtlijn gezinnen met meervoudige en complexe problemen (Richtlijnen Jeugdhulp en Jeugdbescherming).

    • f.

      Er zijn altijd beperkingen op meerdere levensdomeinen en er is altijd aanvullend sprake van gedragsproblematiek.

    • g.

      In veel gevallen is sprake van weerstand en is extra inspanning nodig op het gebied van communicatie en motivatie.

  • 2. Ondersteuning groep is bestemd voor de jeugdige:

    • a.

      die op een of meerdere levensgebieden problemen ervaart bij het opgroeien, de zelfredzaamheid en/of deelname aan de samenleving.

    • b.

      die ondersteuning nodig heeft bij het (h)erkennen van en leren omgaan met zijn psychosociale problematiek. Door het aanleren van en oefenen met vaardigheden en gedrag kan de jeugdige de problemen oplossen of zodanig verbeteren dat cliënt weer zelfstandig kan functioneren, dan wel om kan gaan met de gevolgen van de (gedrags-) problemen, veilig kan opgroeien en mee kan doen in de samenleving.

    • d.

      die beschikt over voldoende verandercapaciteit en voldoende mogelijkheden heeft tot het ontwikkelen van vaardigheden. Het vergroten van de eigen kracht kan bij deze jeugdige veelal een positief effect hebben op alle leefgebieden.

    • e.

      De jeugdige (en zijn omgeving) leert (leren) vaardigheden om voldoende te participeren, dagelijkse levensverrichtingen uit te voeren en het persoonlijke leven te structureren en daar zoveel mogelijk regie over te voeren.

    • f.

      die ondersteuning nodig heeft bij het oefenen met (sociale) vaardigheden of handelingen, het aanbrengen van dag en/of weekstructuur en/of het vergroten of behouden van de regie.

    • g.

      Indien de jeugdige niet beschikt over voldoende verandercapaciteit is de inzet gericht op het hanteerbaar maken van problemen in het dagelijks functioneren. De ondersteuning is dan gericht op het welbevinden van de jeugdige en/of de kwaliteit van het leven.

    • h.

      Ondersteuning groep kan ook ingezet worden ter ontlasting van het (gezins-) systeem.

    • i.

      Ondersteuning groep wordt geïndiceerd in dagdelen, een dagdeel kent 4 uur. Per etmaal kunnen maximaal 2 dagdelen worden ingezet.

  • 2. Ondersteuning groep intensief is bestemd voor de jeugdige:

    • a.

      die regieverlies ervaart (weet niet meer wat te doen, overzicht kwijt, kan problematiek niet meer voldoende managen). De gezinssituatie is instabiel, er is een reëel risico op het ontstaan van een onveilige situatie. Regie moet (deels) overgenomen worden; of

    • b.

      die met het denken en handelen vastzit in bepaalde patronen en ondersteuning nodig heeft om deze te doorbreken. De jeugdige heeft onvoldoende inzicht in eigen problematiek; of

    • c.

      het systeem van de jeugdige die ondersteuning nodig heeft bij het (h)erkennen van en leren omgaan met zijn of haar psychosociale problematiek. Het gaat altijd om meervoudig complexe (gezins-) problematiek. Er zijn altijd beperkingen op meerdere levensdomeinen en er is altijd aanvullend sprake van gedragsproblematiek. In veel gevallen is extra inspanning nodig op het gebied van communicatie en motivatie.

    • d.

      Ondersteuning groep kan ook ingezet worden om het (gezins-)systeem) te ontlasten.

Artikel 4.2 Logeren, plek in een pleeggezin, gezinshuis of verblijf in een instelling

  • 1. Het college kan een individuele voorziening als genoemd in dit artikel verlenen als thuis wonen (tijdelijk) niet mogelijk is.

  • 2. Logeren is bestemd voor jeugdigen met meervoudige problematiek bij de jeugdige en/of meervoudige problemen in het (cliënt)systeem. De situatie in de woonomgeving is instabiel, en/of de ouders moeten tijdelijk ontlast worden. Het logeren wordt geboden in een accommodatie van een instelling of in een logeergezin met als doel het tijdelijk ontlasten van de ouders en/of de omgeving en/of ontsporing te voorkomen. Logeren omvat een etmaal. Daginvulling is onderdeel van logeren.

  • 3. Pleegzorg deeltijd is bestemd voor jeugdigen die zich in de eigen gezinssituatie niet veilig kunnen ontwikkelen en/of gezond kunnen opgroeien. Het gezin wordt ontlast, zodat het kind thuis kan blijven wonen of doorstroom naar een zwaardere jeugdhulpvoorziening voorkomen wordt. Bijvoorbeeld om de ouders te ontlasten waardoor ze de zorg kunnen volhouden (gemiddeld 72 dagen per jaar). De inzet van deeltijdpleegzorg varieert van enkele dagdelen of dagen per week, tot meerdere dagen per week.

  • 4. Pleegzorg voltijd is bestemd voor jeugdigen die zich in de eigen gezinssituatie niet veilig kunnen ontwikkelen en/of gezond kunnen opgroeien. Hieronder vallen: zowel kortdurende, tijdelijke pleegzorg, als terugkeer naar het eigen gezin mogelijk is. Langdurige pleegzorg is mogelijk als terugkeer naar het eigen gezin niet of niet op aanvaardbare termijn mogelijk is. In het pleeggezin staat het 'zo gewoon mogelijk opgroeien' voorop.

  • 5. Gezinshuis met lichte begeleidingsintensiteit is bestemd voor jeugdigen met een opvoedvraag die niet in een pleeggezin of eigen netwerk terecht kan. Er kan sprake zijn van enige gedragsproblematiek en/of psychiatrische problematiek/trauma. De jeugdige is in staat in een gezinsstructuur te functioneren maar heeft toezicht of stimulatie nodig. Hulp is met name nodig met de regievoering over het dagelijks leven (dagelijkse routine), het nemen van besluiten, het zoeken van oplossingen en het communiceren met anderen. Er is sprake van ouder-kind problematiek.

  • 6. Gezinshuis met middel begeleidingsintensiteit is bestemd voor jeugdigen met een opvoedvraag die niet in een pleeggezin of eigen netwerk terecht kan. Er kan sprake zijn van gedragsproblematiek en/of psychiatrische problematiek/trauma. De jeugdige kan de (leeftijdsadequaat) dagelijkse taken in principe zelf verrichten en is in staat in een gezinsstructuur te functioneren. De jeugdige heeft veel sturing, regulering en toezicht nodig. De jeugdige maakt gebruik van (speciaal) onderwijs, dagbesteding of heeft werk en kan alleen met ondersteuning deelnemen aan deze en andere maatschappelijke activiteiten. Er is sprake van ouder-kind problematiek.

  • 7. Gezinshuis met zware begeleidingsintensiteit is bestemd voor jeugdigen met een opvoedvraag die niet in een pleeggezin of eigen netwerk terecht kan. Begeleiding is primair nodig op het reguleren van de (gedrag)problematiek. Er kan sprake zijn van psychiatrische problematiek/trauma. Ten aanzien van alle aspecten van de dagelijkse taken is veel toezicht, hulp en stimulatie nodig. De jeugdige is in staat in een gezinsstructuur te functioneren maar heeft vrijwel continu sturing, regulering, ondersteuning en toezicht nodig. De jeugdige maakt gebruik van (speciaal) onderwijs of heeft dagbesteding en kan alleen met hulp deelnemen aan deze en andere maatschappelijke activiteiten. Er is sprake van ouder-kind problematiek.

  • 8. De aanbieder genoemd in het derde, vijfde, zesde en zevende lid van dit artikel helpt de jeugdige vanaf de 16e verjaardag om in goede samenspraak met zijn ouder(s), school en belangrijke anderen van de jeugdige, een perspectiefplan op te stellen.

  • 9. Verblijf GGZ reguliere bedden is bestemd voor jeugdigen met (zeer) ernstige psychiatrische problematiek waarbij een intensieve klinische behandeling (in een open of gesloten setting) de enige manier is om gevaar voor henzelf of hun omgeving te voorkomen. Verblijf en behandeling wordt geboden conform NZa prestaties/prestatiebeschrijvingen A t/m C.

  • 10. Verblijf groep 8 bedden is bestemd voor jeugdigen die om inhoudelijke redenen niet in een pleeggezin, gezinshuis of eigen netwerk terecht kunnen. De jeugdige is niet in staat om in een gezinsstructuur te functioneren en kan problematiek hebben op het gebied van gedrag, psychosociaal, een (licht) verstandelijke beperking, middelengebruik of een combinatie. De cliënt is in staat om (redelijk) zelfstandig te functioneren. Er is wel een dagstructuur in de vorm van onderwijs of dagbesteding.

  • 11. Verblijf groep 6 bedden is bestemd voor jeugdigen die om inhoudelijke redenen niet in een pleeggezin, gezinshuis of eigen netwerk terecht kunnen. De jeugdige is niet in staat om in een gezinsstructuur te functioneren en kan problematiek hebben op het gebied van gedrag (bijv., maar niet uitsluitend seksueel grensoverschrijdend gedrag, agressieproblematiek en suïcidaal gedrag), delinquent gedrag, psychosociaal, een (licht) verstandelijke beperking, middelengebruik of een combinatie. De cliënt is niet in staat om zelfstandig te functioneren en heeft behoefte aan meer bescherming en nabijheid. Er is wel een dagstructuur in de vorm van onderwijs of dagbesteding.

  • 12. Verblijf groep 4 bedden is bestemd voor jeugdigen die om inhoudelijke redenen niet in een pleeggezin, gezinshuis of eigen netwerk terecht kunnen. De jeugdige is niet in staat om in een gezinsstructuur te functioneren. De jeugdige heeft zeer complexe problematiek zoals op het gebied van gedrag (bijv., maar niet uitsluitend seksueel grensoverschrijdend gedrag, agressieproblematiek en suïcidaal gedrag), hechting, delinquent gedrag, psychosociaal, een (licht) verstandelijke beperking, autisme, middelengebruik of een combinatie. De jeugdige is niet in staat om zelfstandig te functioneren en heeft behoefte aan meer intensieve bescherming, nabijheid en individuele aandacht. Er is wel een dagstructuur in de vorm van onderwijs of dagbesteding.

  • 13. Moeder/ouder-kindhuis bestaat uit het wonen en is bestemd voor moeders die moeten bevallen van hun kind of net bevallen zijn. Op voorhand bestaat sterke twijfel of zij in staat zijn goed voor hun kind te zorgen. Zij kunnen uit zichzelf onvoldoende veiligheid en/of opvoedingsondersteuning bieden aan hun kind en hebben te weinig netwerkondersteuning om dit te compenseren. Vaak is er sprake van LVB en/of psychiatrische problematiek. Meestal is er daarnaast sprake van andere problemen (bijv. relatieproblemen, geen werk/opleiding, schulden of huiselijk geweld). Een vervolg op een moeder-kindhuis kan een plek in het ouder-kindhuis zijn als de moeder nog niet in staat is om zelfstandig te wonen. Bij de doelgroep voor een ouder-kindhuis is, net zoals het moeder-kindhuis, vaak sprake van LVB en/of psychiatrische problematiek. Meestal is er daarnaast sprake van andere problemen zoals relatieproblemen, geen werk of opleiding, schulden of huiselijk geweld.

Artikel 4.3 Criteria behandeling individueel (niet GGZ)

Behandeling individueel is bestemd voor de jeugdige waarbij door de problematiek de ontwikkeling stagneert en/of het functioneren van het gezinssysteem problematisch is en een gezonde ontwikkeling van de jeugdige in de weg staat.

  • a.

    De behandeling richt zich op het gezinssysteem en/of op de jeugdige. De complexiteit wordt bepaald door problemen op meerdere leefgebieden die elkaar versterken. De ouders zijn hierdoor niet in staat om de jeugdigen voldoende zorg, bescherming en ondersteuning te bieden.

  • b.

    Er kan sprake zijn van:

    • -

      Ontwikkelingsproblemen

    • -

      Gedragsproblemen

    • -

      (Een vermoeden van) een psychiatrische stoornis

    • -

      Hechtingsproblemen

    • -

      Onverwerkt trauma

    • -

      Opvoedproblemen

    • -

      Armoede/schulden

    • -

      Huiselijk geweld

    • -

      Middelengebruik/verslaving

    • -

      Migratieproblematiek

    • -

      Radicalisering

  • c.

    Behandeling duurt een afgebakende periode, met een start en eindpunt. De maximale duur is 6 maanden. Het verlengen van de behandeltermijn kan alleen in overleg met én na goedkeuring van het ST-Jeugd.

Artikel 4.4 Criteria behandeling groep (niet GGZ)

Behandeling groep is bestemd voor het gezins(systeem) die te maken heeft met gedragsproblematiek, problemen op school en/of problemen thuis. Er is sprake van, of een vermoeden van, psychiatrische of psychosociale problematiek. De jeugdige is niet in staat om een reguliere vorm van (kinder-)opvang en/of onderwijs te volgen.

Artikel 4.5 Criteria behandeling groep orthopedagogisch dagcentrum

Behandeling groep orthopedagogisch dagcentrum is bestemd voor jeugdigen van 0-18 jaar met een verstandelijke of meervoudige beperking en/of ontwikkelingsachterstand en die daardoor niet in staat zijn om een reguliere vorm van (kinder-)opvang en/of onderwijs te volgen.

Artikel 4.6 Criteria behandeling basis GGZ

  • 1. Behandeling basis GGZ is bestemd voor jeugdigen waarbij altijd sprake of een vermoeden is van een DSM 5-stoornis. De problematiek stagneert de ontwikkeling van de jeugdige en kan gepaard gaan met disfunctioneren op één of meerdere leefgebieden.

  • 2. Een behandeling in het kader van de Jeugd GGZ duurt een afgebakende periode, met een start en eindpunt. De maximale duur is 6 maanden. Het aanvragen van langdurige indicaties Jeugd GGZ (langer dan 6 maanden) kan alleen in nauw overleg met ST-Jeugd en na een gefundeerde onderbouwing van de aanvraag.

Artikel 4.7 Criteria behandeling GGZ specialistisch (SGGZ)

  • 1. De SGGZ omvat de behandeling van jeugdigen met ernstige of complexe psychische problemen. Naar de SGGZ wordt verwezen als er (een vermoeden van) psychiatrische problematiek bestaat, met een hoge mate van complexiteit en/ of hoog risico.

  • 2. Onder complexiteit wordt verstaan samengaan van verschillende stoornissen (comorbiditeit) zoals psychiatrische problematiek in relatie tot gedragsproblematiek, een lichamelijke ziekte, verslaving, angst, depressie in combinatie met een persoonlijkheidsstoornis. Dit kan spelen bij de jeugdige dan wel gezinssysteem en/of in combinatie met de behoefte aan ondersteuning vanuit de ouders ten gevolge van opgroei- en opvoednood.

  • 3. Ook kan er sprake zijn van een ontwikkelingsachterstand op sociaal en emotioneel gebied. De relatie tussen de jeugdige en ouder(s) is daardoor vaak complex. Deze ontwikkelingsachterstand kan resulteren in een dwangmatige manier van controle over het leven en dat kan zich dan uiten in heftige depressies, angsten, verslaving, eetproblematiek, suïcide, agressie, zelfbeschadiging of letsel voor derden. Er zijn mogelijk veiligheidsrisico’s aanwezig.

  • 4. Een behandeling duurt een afgebakende periode, met een start en eindpunt. De maximale duur is 9 maanden. Het verlengen van de behandeltermijn kan alleen in overleg met én na goedkeuring van ST-Jeugd. Het aanvragen van langdurige indicaties (langer dan twaalf maanden) kan alleen in nauw overleg met ST-Jeugd en na een gefundeerde onderbouwing van de aanvraag.

Artikel 4.8 Criteria Behandeling hoog complex GGZ

  • 1. Behandeling hoog complex GGZ omvat de behandeling van jeugdigen door psychiatrische problematiek of stoornis en/of gedragsproblematiek in combinatie met de behoefte aan ondersteuning vanuit de ouders ten gevolge van opgroei- en opvoednood.

  • 2. De jeugdige heeft zonder uitzondering een ontwikkelingsachterstand. Veelal is er al een achterstand ontstaan in de neurologische ontwikkeling van het brein met daardoor achterstand op sociaal en emotioneel gebied. De relatie tussen de jeugdige en ouder(s) is daardoor vaak complex. Deze ontwikkelingsachterstand resulteert vaak in een dwangmatige manier van controle over het leven en dat kan zich dan uiten in heftige depressies, angsten, verslaving, anorexia, suïcide, zelfbeschadiging of letsel voor derden.

  • 3. Er is sprake van een aaneenschakeling van zware (meervoudige) klachten waarbij de vraag meerdere leefgebieden betreft. Er is een hoog risico op crisis of er zijn veiligheidsrisico’s aanwezig.

Artikel 4.9 Diagnostiek behandeling

  • 1. Het college kan diagnostiek behandeling vragen aan een jeugdhulpaanbieder bij een (vermoeden van) DSM-stoornis voor maximaal 20 uur. De jeugdhulpaanbieder:

    • a.

      brengt de ondersteuningsvraag en problematiek in kaart;

    • b.

      zorgt voor een intake/ screening, anamnese en dossieronderzoek;

    • c.

      voert een psychodiagnostisch en contextueel onderzoek uit.

  • 2. De jeugdhulpaanbieder formuleert adviezen en behandeling en hanteert daarbij een integrale benadering.

Artikel 4.10 Criteria medicatiecontrole

  • 1. Medicatiecontrole is bedoeld voor jeugdigen bij wie de controle op het gebruik medicatie of de bijstelling daarvan als een op zichzelf staand onderdeel van de behandeling wordt aangeboden na afronding van een breder behandeltraject én als deze controle (nog) niet kan worden overgedragen aan de huisarts. Wanneer de jeugdige een indicatie heeft voor een GGZ-behandeltraject, dan valt de inzet en bekostiging van controle van medicatie onder dat behandeltraject.

  • 2. Het doel van deze nazorg is dat de jeugdige niet terugvalt en dat er indien van toepassing een stabilisatie ontstaat van de behaalde resultaten uit de oorspronkelijke behandeling. Medicatiecontrole is in principe eindig en/of wordt zodra dat kan overgedragen aan de betrokken huisarts.

  • 3. Voor medicatiecontrole wordt maximaal 450 minuten op jaarbasis geïndiceerd.

Artikel 4.11 Criteria ambulante spoedhulp

  • 1. Ambulante Spoedhulp wordt ingezet na een crisisinterventie (acute verstoring van het alledaags functioneren van een gezin) en is gericht op het voorkomen en inzetten van opname en/of verblijf. De professional kan vaak binnen 24 uur bij het gezin zijn. Ambulante Spoedhulp is binnen en buiten kantoortijden bereikbaar voor jeugdigen die bij hen in zorg zijn en de ouders.

  • 2. Ambulante spoedhulp wordt ingezet voor de duur van maximaal 28 dagen.

Artikel 4.12 Criteria hulp bij persoonlijke verzorging

  • 1. Persoonlijke verzorging – ontwikkeling is gericht op het aanleren en verbeteren van vaardigheden rondom persoonlijke hygiëne en lichamelijke basiszorg zodat de jeugdige deze taken (weer) zelfstandig of met behulp van anderen kan uitvoeren. Het gaat om het aanleren, oefenen en bestendigen van vaardigheden en gedrag.

  • 2. Persoonlijke verzorging – stabiliseren is bestemd voor jeugdigen die beperkt leerbaar zijn of die na de inzet van persoonlijke verzorging – ontwikkeling nog hulp nodig hebben. De hulp bestaat vooral uit het helpen bij, inslijten en of (deels) overnemen van taken in de persoonlijke hygiëne en lichamelijke basiszorg. De aard van de ondersteuningsvraag komt veelal voort uit een (chronische) aandoening. De jeugdige is beperkt leerbaar.

Artikel 4.13 Criteria hulp bij ernstige dyslexie

  • 1. Ernstige dyslexiezorg is gericht op de jeugdige van 7 tot 13 jaar die de basisschool bezoekt.

  • 2. Ernstige dyslexiezorg bestaat uit diagnostiek en behandeling. De noodzaak wordt vastgesteld door een jeugdhulpaanbieder op basis van het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling versie 3.0.

Artikel 4.14 Criteria integrale hoog specialistische hulp

De integrale hoog specialistische jeugdhulp is er voor een kleine groep zeer kwetsbare jeugdigen met meerdere, complexe problemen en uiteenlopende oorzaken, die niet meer terechtkunnen bij reguliere jeugdhulp. Dit worden de Essentiële Functies genoemd. Of de ondersteuningsvraag past binnen de Essentiële Functies is altijd maatwerk.

Artikel 4.15 Criteria wonen gericht op zelfstandigheid (18-/18+)

  • 1. Wonen gericht op zelfstandigheid is bedoeld om te zorgen voor een soepele overgang van de Jeugdwet naar de Wmo 2015.

  • 2. De jeugdige kan nog niet zelfstandig wonen en heeft ondersteuning nodig bij het verkrijgen van meer regie en zelfstandigheid.

  • 3. Naast het wonen in een pand van de jeugdhulpaanbieder ontvangt de jeugdige begeleiding gericht op het zo zelfstandig mogelijk kunnen deelnemen aan de maatschappij en het vergroten van vaardigheden die daarvoor nodig zijn. Het gaat om:

    • a.

      praktische vaardigheden, zoals wassen, schoonmaken, koken, budgetteren;

    • b.

      vaardigheden die horen bij het volwassen worden, zoals onderwijs en/of werk volgen, vrije tijd zinvol invullen, sociale contacten onderhouden, omgaan met instanties en zorgdragen voor gezondheid, persoonlijke verzorging en een gezond dag- en nacht ritme;

    • c.

      het verkrijgen van inzicht in en leren omgaan met de eigen psychische en/ of psychosociale problematiek.

Artikel 4.16 Heroverweging besluit individuele voorziening

  • 1. Naar analogie van artikel 8.1.3 van de wet kan het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is een beslissing als bedoeld in dit hoofdstuk te heroverwegen.

  • 2. Het college kan de individuele voorziening na de heroverweging ambtshalve toekennen (verlengen).

HOOFDSTUK 5. AFSTEMMING MET VOORLIGGENDE VOORZIENINGEN

Artikel 5.1 Afstemming andere diensten en voorliggende voorzieningen

  • 1. Het college ondersteunt jeugdigen en ouder(s) actief bij het verkrijgen van toegang tot of het behoud van voorliggende voorziening(en). Daarvoor kan cliëntondersteuning nodig zijn.

  • 2. Om te zorgen dat een individuele voorziening kan worden afgestemd op andere diensten of voorliggende voorzieningen zorgt het college voor afspraken of neemt contact op met onder meer:

    • a.

      partijen in het kader van gezondheidszorg waaronder Zorgverzekeraars;

    • b.

      gecertificeerde instellingen;

    • c.

      instellingen die voorschoolse voorzieningen bieden;

    • d.

      onderwijsinstellingen voor primair-, voortgezet- en speciaal onderwijs;

    • e.

      de betreffende gemeentelijke afdelingen die belast zijn met de uitvoering van de Wmo 2015 en de Participatiewet (werk en inkomen), waarbij het belang van de jeugdige en/of ouder(s) centraal staat gelet op de behoefte aan jeugdhulp.

  • 3. Factoren die een rol kunnen spelen bij de afstemming bedoeld in het eerste lid zijn:

    • a.

      het opheffen van een situatie die voor een jeugdige of een ouder of diens omgeving levensbedreigend is, of kan leiden tot ernstige gezondheidsschade;

    • b.

      stabilisatie van een crisissituatie.

  • 4. Het college maakt afspraken met Veilig Thuis Noord Oost Gelderland over de toegang naar algemene en individuele voorzieningen.

  • 5. Het college draagt zorg voor de continuïteit van gemeentelijke ondersteuning wanneer de jeugdhulp eindigt op grond van de leeftijd (18 jaar) en er nog ondersteuning nodig is op grond van de Wmo 2015.

Artikel 5.2 Uitgangspunten afstemming onderwijs en jeugdwet

  • 1. Het college zorgt ervoor dat alle locaties voor kinderopvang, peuterspeelzaal, primair en voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs een contactpersoon hebben bij de gemeentelijke toegang.

  • 2. Het college draagt zorg voor een goede afstemming tussen de in het vorige lid genoemde contactpersonen en de leerplichtambtenaren.

  • 3. Een niet van de leerplicht vrijgestelde jeugdige heeft recht op passend onderwijs, in welke vorm dan ook. Ondersteuning gericht op het doorlopen van het onderwijsprogramma of het behalen van onderwijsdoelen valt niet onder de jeugdhulpplicht van de gemeente.

  • 4. Het college bepaalt de inzet van jeugdhulp mede op basis van het ontwikkelingsperspectiefplan (OPP) en volgens de richtlijnen in bijlage 2 bij deze verordening.

  • 5. Afspraken over de afstemming van jeugdhulpvoorzieningen, onderwijszorg en leerplichtzaken voor een jeugdige worden vastgelegd in het ondersteuningsplan van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.8 van de verordening.

HOOFDSTUK 6. PERSOONSGEBONDEN BUDGET

Artikel 6.1 Algemeen

  • 1. Het college verstrekt een persoonsgebonden budget in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de wet en het bepaalde in deze verordening.

  • 2. Het college weigert een persoonsgebonden budget voor de kosten van een individuele voorziening als deze is gerealiseerd:

    • a.

      vóór het indienen van de aanvraag;

    • b.

      ná het indienen van een aanvraag maar voordat het college daarop heeft beslist, tenzij het college de jeugdige en/of zijn ouder(s) schriftelijk toestemming heeft verleend.

Artikel 6.2 Budgetplan en zorgovereenkomst

  • 1. De jeugdige en/of zijn ouder(s) die in aanmerking wenst te komen voor een persoonsgebonden budget stelt een Budgetplan op. Het college stelt een format voor dit Budgetplan beschikbaar.

  • 2. De budgethouder maakt gebruik van de op zijn situatie van toepassing zijnde zorgovereenkomst van de Sociale Verzekeringsbank.

Artikel 6.3 Weigeringsgronden

  • 1. Het college weigert het persoonsgebonden budget als de budgethouder of diens wettelijk vertegenwoordiger geen Budgetplan indient of een bespreking van het Budgetplan weigert of, na daartoe te zijn opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt.

  • 2. Het college kan het persoonsgebonden budget weigeren als een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de door de budgethouder ingeschakelde derde:

    • a.

      bij een eerdere verstrekking waarbij deze derde jeugdhulpverlener was of als vertegenwoordiger optrad niet heeft ingestaan voor nakoming van de aan het persoonsgebonden budget verbonden verplichtingen,

    • b.

      anderszins naar oordeel van het college geen of onvoldoende sprake is van gewaarborgde hulp wat betreft het nakomen van de voor de budgethouder aan het persoonsgebonden budget verbonden verplichtingen.

Artikel 6.4 Besteding en declaratie

  • 1. Het persoonsgebonden budget mag niet worden besteed aan de ouder(s) of personen uit het sociaal netwerk voor zover:

    • a.

      het activiteiten betreft die naar oordeel van het college worden aangemerkt als eigen kracht;

    • b.

      blijkt dat zij overbelast zijn of dreigen te geraken.

  • 2. Het persoonsgebonden budget mag niet worden besteed aan de kosten voor:

    • -

      bemiddeling (tussenpersonen of belangbehartigers),

    • -

      het voeren van een pgb-administratie,

    • -

      ondersteuning bij het aanvragen en beheren van het persoonsgebonden budget,

    • -

      contributie voor lidmaatschappen (bijvoorbeeld van Per Saldo),

    • -

      het volgen van cursussen over het persoonsgebonden budget,

    • -

      een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG).

  • 3. De jeugdige met een indicatie voor jeugdhulp in de vorm van specialistische ondersteuning of behandeling, besteedt het persoonsgebonden budget aan een daartoe gekwalificeerde beroepskracht. Ouder(s) of personen uit het sociaal netwerk worden niet als gekwalificeerde beroepskracht aangemerkt.

  • 4. Het persoonsgebonden budget mag slechts worden besteed aan ouders of personen uit het sociaal netwerk, als dit naar oordeel van het college leidt tot aantoonbare betere en effectievere ondersteuning en aantoonbaar doelmatiger is.

  • 5. Het persoonsgebonden budget wordt binnen zes maanden na toekenning aangewend voor de bekostiging van het resultaat waarvoor de verstrekking heeft plaatsgevonden.

  • 6. Het college maakt geen gebruik van een verantwoordingsvrij bedrag en een feestdagenuitkering.

  • 7. Het college verleent geen éénmalige uitkering in geval van overlijden van de jeugdige of de budgethouder.

  • 8. Declaraties op basis van een vast bedrag per maand zijn niet toegestaan.

Artikel 6.5 Kwaliteit derde aan wie het persoonsgebonden budget wordt besteed

  • 1. De eisen van vakbekwaamheid die gelden voor de gecontracteerde jeugdhulpaanbieders zijn ook van toepassing als het persoonsgebonden budget aan een professional wordt besteed.

  • 2. Professionals, personen uit het sociaal netwerk en anderen die als niet-professional worden aangemerkt beschikken over een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) als bedoeld in artikel 4.16 van de wet, tenzij het een ouder in de zin van de wet betreft. De VOG is niet ouder dan 3 maanden voor het tijdstip waarop de ondersteuning wordt geboden. Een VOG wordt elke 5 jaar opnieuw aangevraagd.

Artikel 6.6 Hoogte persoonsgebonden budget

  • 1. De hoogte van het persoonsgebonden budget dat wordt besteed aan een professional bedraagt 100% van het laagste adequate gecontracteerde tarief voor jeugdhulp in natura.

  • 2. De hoogte van het persoonsgebonden budget dat wordt besteed aan ouders, personen uit het sociaal netwerk of personen die niet als professional kan worden aangemerkt bedraagt 100% van het wettelijke minimumloon. Indien de budgethouder werkgeverslasten moet afdragen, wordt het persoonsgebonden budget met die lasten verhoogd.

  • 3. In afwijking van het eerste lid kan de hoogte van het persoonsgebonden budget lager worden vastgesteld als uit het Budgetplan blijkt dat passende jeugdhulp voor een lager bedrag bij een professional kan worden ingekocht.

  • 4. Het college stelt de tarieven die het verschuldigd is aan de (gecontracteerde) jeugdhulpaanbieders en de andere bedragen vast in het Besluit.

HOOFDSTUK 7. BESTRIJDING MISBRUIK OF ONEIGENLIJK GEBRUIK

Artikel 7.1 Bevoegdheid

  • 1. Het college wijst een of meerdere toezichthouders aan die belast zijn met het toezicht op de naleving van de rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet.

  • 2. Ter voorkoming van het onterecht ontvangen van individuele voorzieningen of persoonsgebonden budgetten, en ter bestrijding van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet is het college bevoegd controles uit te voeren die betrekking hebben op de naleving van:

    • a.

      de regels uit de wet, tenzij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd bevoegd is;

    • b.

      de regels uit deze verordening;

    • c.

      de voorwaarden die voortvloeien uit overeenkomsten met jeugdhulpaanbieders, waaronder de kwaliteit van de geboden jeugdhulp.

  • 3. Onverminderd paragraaf 6a en 6b van de Regeling Jeugdwet kunnen de controles als bedoeld in het eerste lid betrekking hebben op de rechtmatigheid als ook op de kwaliteit en effectiviteit van de geboden jeugdhulp door derden in geval van een persoonsgebonden budget.

Artikel 7.2 Informatieplicht en fraudepreventie

Het college informeert jeugdigen en ouder(s) in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening (in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget) zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik.

Artikel 7.3 Controle

  • 1. Het college kan de besteding van persoonsgebonden budgetten, al dan niet steekproefsgewijs, controleren en beoordelen. Tevens beoordeelt het college of de budgethouder nog voldoet aan de criteria om voor een persoonsgebonden budget in aanmerking te komen;

  • 2. Bij de controle als bedoeld in het eerste lid kan het college ook de derde betrekken aan wie het persoonsgebonden budget wordt besteed. Onder de derde wordt tevens een aan die derde gelieerde (rechts)persoon verstaan.

Artikel 7.4 Medewerkingsplicht

De budgethouder of de derde aan wie het persoonsgebonden budget wordt besteed zijn desgevraagd verplicht verantwoording af te leggen over de geboden jeugdhulp. Onder de derde wordt tevens een aan die derde gelieerde (rechts)persoon verstaan.

Artikel 7.5 Opschorting betaling uit het persoonsgebonden budget

  • 1. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank verzoeken tot een geheel of gedeeltelijke opschorting voor ten hoogste 13 weken van een betaling uit het persoonsgebonden budget als er een gegrond vermoeden bestaat dat niet of onvoldoende wordt voldaan aan verplichtingen die voortvloeien uit artikel 8.1.4, eerste lid aanhef en onder a, d of e, van de wet.

  • 2. Een gegrond vermoeden als bedoeld in het eerste lid kan betrekking hebben op de budgethouder als ook op de derde aan wie het persoonsgebonden budget wordt besteed. Onder de derde wordt tevens een aan die derde gelieerde (rechts)persoon verstaan.

  • 3. Gedurende de periode waarin de betaling van het persoonsgebonden budget is opgeschort voert het college en/of de toezichthouder een onderzoek uit.

HOOFDSTUK 8 BEEINDIGING, HERZIENING, INTREKKING EN TERUGVORDERING

Artikel 8.1 Beëindiging

Behoudens artikel 8.1.4 van de wet kan het college een toegekende aanspraak op een individuele voorziening dan wel persoonsgebonden budget in ieder geval geheel of gedeeltelijk beëindigen, als:

  • a.

    niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld op grond van de wet of bij of krachtens de verordening;

  • b.

    de jeugdige en/of zijn ouder(s) zich niet houdt aan de verplichtingen verbonden aan de individuele voorziening of die rechtstreeks voortvloeien uit het toegekende persoonsgebonden budget.

Artikel 8.2 Herzien of intrekken van besluiten

  • 1. Naar analogie van artikel 8.1.2 van de wet, doet de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel wettelijke vertegenwoordiger aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten of omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij aanleiding kunnen zijn tot een heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3 van de wet.

  • 2. Het college kan een besluit als bedoeld in het eerste lid herzien of intrekken als blijkt dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet of onvoldoende heeft voldaan aan de verplichtingen genoemd in de wet of die bij of krachtens deze verordening van toepassing zijn waaronder inbegrepen het niet nakomen van de verplichtingen die rechtstreeks voortvloeien uit het persoonsgebonden budget of de dienstverleningsovereenkomst.

Artikel 8.3 Terugvordering

  • 1. Het college kan de kosten van een individuele voorziening dan wel persoonsgebonden budget terugvorderen als het besluit is herzien of ingetrokken op grond van artikel 8.1.4, eerste lid aanhef en onder a, d of e, van de wet.

  • 2. Het college kan de kosten van een individuele voorziening dan wel persoonsgebonden budget van de jeugdige en/of zijn ouder(s) terugvorderen in geval van een onverschuldigde betaling.

  • 3. Het college kan de terugvordering als bedoeld in het eerste en tweede lid invorderen bij dwangbevel overeenkomstig artikel 8.1.4, derde lid, van de wet.

HOOFDSTUK 9. WAARBORGEN VERHOUDING PRIJS EN KWALITEIT

Artikel 9.1 Kwaliteitseisen jeugdhulp

  • 1. Jeugdhulpaanbieders en jeugdhulpverleners zorgen voor een goede kwaliteit van jeugdhulp, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

  • 2. Behoudens andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de eisen door periodieke overleggen met de jeugdhulpaanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de jeugdige en/of zijn ouder(s) ter plaatse controleren van de geleverde jeugdhulp.

Artikel 9.2 Verhouding prijs en kwaliteit

  • 1. Het college baseert in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, op ten minste de volgende kostprijselementen:

    • a.

      cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden kosten van beroepskrachten;

    • b.

      cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten;

    • c.

      overheadkosten;

    • d.

      kosten voor indexering.

  • 2. Heeft voor de start van de aanbesteding jeugdhulp en Wmo/wonen een kostprijsanalyse laten uitvoeren door een onafhankelijk bureau. Deze analyse is gevoegd bij de inkoop stukken;

  • 3. Het college hanteert voor de jeugdbescherming en jeugdreclassering de landelijke tarieven.

  • 4. Het college hanteert voor de Essentiële Functies het intensiteitenmodel. Dit is een objectief tariefmodel, waarmee er ruimte ontstaat om voor groepen met een verschillende begeleidingsintensiteit een verschillend tarief te hanteren. Het intensiteitenmodel werkt met genormeerde kostprijselementen, waarbij het geheel van de elementen aanbieders de mogelijkheid biedt kostendekkend te kunnen werken.

  • 5. Het college bedingt bij door hem gecontracteerde jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden indien zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen, bedoeld in het eerste lid.

HOOFDSTUK 10. KLACHTEN EN INSPRAAK

Artikel 10.1 Klachtregeling

  • 1. Het college stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van jeugdigen, ouders en hun wettelijk vertegenwoordigers die betrekking hebben op de uitvoering van de wet of deze verordening.

  • 2. Jeugdhulpaanbieders beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van hun cliënten.

  • 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de jeugdhulpaanbieder.

Artikel 10.2 Betrekken van ingezetenen bij het beleid

  • 1. Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval de Sociale Raad, bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

  • 2. Het college kan ingezetenen op verschillende manieren inspraak geven:

    • a.

      via de Sociale Raad;

    • b.

      door ingezetenen te raadplegen, bijvoorbeeld met enquêtes en bijeenkomsten;

    • c.

      door samen met ingezetenen een plan te ontwerpen; of

    • d.

      op andere geschikte manieren.

  • 3. Het college kiest die vorm van inspraak die past bij het onderwerp en bij de groep waar het om gaat.

HOOFDSTUK 11. SLOTBEPALINGEN

Artikel 11.1 Evaluatie

Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt periodiek geëvalueerd.

Artikel 11.2 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of zijn ouder(s) afwijken van hetgeen in deze verordening is bepaald, voor zover toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 11.3 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2026.

  • 2. De Verordening jeugdhulp gemeente Montferland 2022 wordt met ingang van 1 januari 2026 ingetrokken.

  • 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening jeugdhulp gemeente Montferland 2022 en waarop nog niet is beslist bij het inwerking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

  • 4. Het college kan een besluit dat is gebaseerd op aan deze verordening voorafgaande verordeningen intrekken met toepassing van deze verordening. Het college kan daarvoor een ander besluit in de plaats stellen.

  • 5. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp gemeente Montferland 2026.

Ondertekening

Vastgesteld in de openbare vergadering van de Gemeenteraad van 29 januari 2026.

De griffier,

De voorzitter,

Bijlage 1 Uitgangspunten ouderlijke verantwoordelijkheid

Ouderlijke verantwoordelijk houdt in verzorging, begeleiding en opvoeding van ouders voor kinderen met een ontwikkelingsprofiel in verschillende levensfasen van het kind in relatie tot een kind met een behoefte aan jeugdhulp. Het college neemt de leeftijd van het kind, de aard van de zorghandeling, de frequentie van de zorghandeling en de tijd die daarvoor nodig is als uitgangspunt.

Voor kinderen geldt dat er een bandbreedte is in het normale ontwikkelingsprofiel. Ook tussen kinderen van dezelfde leeftijd zonder behoefte aan jeugdhulp kan de omvang van de verzorging, begeleiding en opvoeding (per dag) verschillen. Het ene kind is nu eenmaal gemakkelijker of sneller zelfstandig dan het andere kind. Ouderlijke verantwoordelijkheid kan ook activiteiten omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen. Ook van hulp bij kinderen in chronische situaties gaan we uit van de ouderlijke verantwoordelijkheid. Ondanks dat de omvang van de verzorging, begeleiding en opvoeding - waaronder toezicht - meer is dan wat een gezond kind van dezelfde leeftijd gemiddeld nodig heeft.

Indien de draagkracht en draaglast van ouders zodanig is dat zij deze hulp (tijdelijk) niet kunnen bieden, dan kan er (tijdelijk) een voorziening vanuit de Jeugdwet getroffen worden.

Bandbreedte normaal ontwikkelingsprofiel

Kinderen van 0 tot 3 jaar

  • hebben bij alle activiteiten zorg van een ouder nodig;

  • ouderlijk toezicht is 24 uur per dag zeer nabij nodig;

  • zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen;

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

  • hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 3 tot 5 jaar

  • kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer);

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

  • kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen;

  • hebben hulp, toezicht, stimulans, zindelijkheidstraining en controle nodig bij de toiletgang;

  • hebben hulp en volledig stimulans en toezicht nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen;

  • hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding;

  • zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven;

  • hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 5 tot 12 jaar

  • hebben vanaf 5 jaar een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week;

  • kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. kind kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is);

  • hebben toezicht, stimulans en controle nodig en vanaf 6 jaar tot 12 jaar geleidelijk aan steeds minder hulp nodig bij hun persoonlijke verzorging zoals het zich wassen en tanden poetsen;

  • hebben hulp nodig bij het gebruik van medicatie;

  • zijn overdag zindelijk, en 's nachts merendeels ook; ontvangen zonodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers;

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische, geestelijke en emotionele ontwikkeling;

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

  • hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrijetijdsbesteding gaan;

  • hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 12 tot 18 jaar

  • hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;

  • kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden;

  • kunnen vanaf 16 jaar dag en nacht alleen gelaten worden;

  • kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen;

  • hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig;

  • hebben bij gebruik van medicatie tot hun 18e jaar toezicht, stimulans en controle nodig;

  • hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding;

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen);

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

  • hebben tot 17 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Bijlage 2 Richtlijnen voor inzet van begeleiding in onderwijs (BIO)

In deze richtlijnen is ook uitleg en een tabel opgenomen wanneer jeugdhulp in de vorm van persoonlijke verzorging onder de verantwoordelijkheid van de school valt en wanneer niet.

Zorgplicht onderwijs

Om elk kind een passende onderwijsplek te bieden hebben scholen een zorgplicht. Scholen werken daarbij samen in een regio. Deze samenwerkingsverbanden zorgen ervoor dat er een passende plek is voor alle leerlingen in de regio. Ook als een kind extra begeleiding en ondersteuning nodig heeft. Het kan ook gaan om persoonlijke verzorging.

Jeugdhulp vanuit de jeugdwet

Jeugdhulp kan worden ingezet als er sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. Dit kan begeleiding in onderwijs (BIO) of persoonlijke verzorging tijdens het onderwijs zijn.

Afbakening

Op sommige punten binnen de twee wetten lopen de verantwoordelijkheden van het onderwijs en de gemeenten in elkaar over. Dit leidt tot onduidelijkheden bij het onderwijs en de gemeente over inzet en financiering van extra ondersteuning aan jeugdigen. Daarom zijn er richtlijnen opgesteld. De richtlijnen helpen om duidelijk te krijgen of een ondersteuningsvraag thuishoort binnen het passend onderwijs of de jeugdwet.

Richtlijnen:

  • 1.

    De onderwijs- ontwikkelingsbehoeften van het kind staan altijd centraal.

  • 2.

    Uitgangspunt is dat ieder kind recht heeft op passend onderwijs, op welke wijze dan ook.

  • 3.

    Er kan alleen sprake zijn van BIO als een leerling is ingeschreven op een school.

  • 4.

    Persoonlijke verzorging kan (naast BIO) worden ingezet indien deze de ‘normale’ persoonlijke verzorging die de school behoort te bieden overstijgt (zie schema).

  • 5.

    BIO wordt ingezet nadat de school een OPP (ontwikkelingsperspectiefplan) heeft opgesteld met akkoord van de ouders op het handelingsdeel.

  • 6.

    School en de contactpersoon uit het ST-Jeugd zorgen voor vroegtijdige afstemming in een casus als er meer jeugdhulp in de vorm van BIO nodig is.

  • 7.

    BIO is tijdelijk van aard, de eindtijd loopt zoveel mogelijk tot einde van het lopende schooljaar. BIO kan ook naar beneden worden bijgesteld.

  • 8.

    Deze richtlijnen zijn uitgewerkt in onderstaande schema’s.

Jeugdhulp op school?

Onderwerp

Onderwijsarrangement

Begeleiding in onderwijs

(individuele) begeleiding op school

Begeleiding bij leerproblemen

De school is verantwoordelijk voor begeleiding bij leerproblemen.

-

Begeleiding bij gedragsproblemen in de klas

De school is verantwoordelijk voor (het zorgen voor) begeleiding tijdens les op school.

-

Begeleiding in vrije situaties op school

In ernstige situaties kan er vanuit jeugdhulp tijdelijke begeleiding worden ingezet voor maximaal 4 uur per week. Bij zeer ernstige gedragsproblemen kan dit 7 uur zijn (bij leerlingen op het (V)SO)).

Begeleiding tijdens pauzes

Basisscholen zijn verantwoordelijk voor toezicht en begeleiding tijdens de kleine pauzes. Ouders zijn verantwoordelijk voor het overblijven tijdens de middagpauze, behalve bij continuroosters.

Toezicht hierop kan onderdeel zijn van de begeleiding in de vrije situaties.

Psycho-educatie

Psycho-educatie als onderdeel van een jeugdhulptraject.

Een-op-een begeleiding

Op regulier onderwijs als gevolg van wachtlijst voor (V)S(B)O.

Tijdelijk, als gevolg van wachtlijst jeugdhulp.

Jeugdhulp op school?

Onderwerp

Onderwijsarrangement

Zorg in onderwijs

Persoonlijke verzorging

Normale dagelijkse zorg bij kleuters

Bij normale verzorging van kleuters horen veters

strikken, een jas aantrekken en (beperkte) hulp bij

naar de wc gaan.

-

Persoonlijke verzorging

Tot een beperkt aantal minuten per week (zie tabel).

Boven de voorliggende inzet vanuit het onderwijs.

Persoonlijke verzorging als gevolg van een belangrijke medische component

-

De jeugdverpleegkundige bepaalt welk deel van de persoonlijke verzorging ten laste van de Zvw komt.

Persoonlijke verzorging bij leerlingen met een Wlz-indicatie

-

Persoonlijke verzorging bij leerlingen met een Wlz-indicatie loopt volledig via het CIZ.

Huiswerkbegeleiding en Remedial Teaching

Ouders zijn verantwoordelijk voor:

Reguliere hulp bij huiswerk etc.

Extra begeleiding:

  • -

    Competitief motief (een zo hoog mogelijke onderwijsprestatie behalen om zo toekomstige mogelijkheden te vergroten).

  • -

    Uitbesteding ouderlijke taken (thuis teveel afleiding of geen begeleiding mogelijk).

School is verantwoordelijk voor extra begeleiding:

  • -

    Remediërend motief (het inlopen van achterstanden).

  • -

    Compenserend motief (school biedt onvoldoende maatwerk en begeleiding aan de leerling).

  • -

    Specifieke leerbehoeften (dyslexie/dyscalculie, faalangst, autisme of hoogbegaafdheid).

Onderwijs niet op een schoollocatie

Onderwerp

Onderwijsarrangement

Onderwijsarrangement (extra)

Begeleiding in onderwijs

Jeugdhulp

(Individuele) begeleiding

Leerling met vrijstelling Leerplicht o.b.v. 5a Leerplichtwet

Indien vrijstelling verleend voor de duur van de vrijstelling.

Voor het verlenen van de vrijstelling moet de Leerplichtambtenaar overleg hebben gevoerd met het Samenwerkingsverband.

Indien vrijstelling verleend voor de duur van de vrijstelling.

Voor het verlenen van de vrijstelling moet de leerplichtambtenaar overleg hebben gevoerd met het Samenwerkingsverband.

Zorg en ondersteuning is verantwoordelijkheid gemeente (behalve als Wlz of Zvw is toegekend). School blijft verantwoordelijk voor onderwijsaanbod, in welke vorm dan ook.

‘Stage’ als voorbereiding op dagbesteding.

Dit betreft het wennen aan de dagbesteding; dit is geen onderwijs.

Stage leerling met meer dan gebruikelijke ondersteuningsbehoefte die school hoort te bieden.

School is verantwoordelijk voor het stagelopen, in bijzondere gevallen kan

extra ondersteuning vanuit onderwijs nodig zijn.

Richtlijnen Intelligentie onderzoek

Intelligentieonderzoek: passend onderwijs

Een intelligentieonderzoek kan nodig zijn voor onderwijs aan jeugdigen. Het speelt een rol bij onderzoek naar laag- of hoogbegaafdheid of bij een verwijzing naar het speciaal (basis)onderwijs. Na de uitslag van de test kan het onderwijs aan de jeugdige daarop worden afgestemd. In dat geval is het onderzoek primair gericht op het leerproces. Dit valt onder de zorgplicht van scholen. De gemeente hoeft hiervoor geen voorziening te treffen.

Diagnostisch proces jeugdhulp: jeugdwet onder voorwaarden

Een intelligentieonderzoek kan wél onder de verantwoordelijkheid van de gemeente vallen als het onderzoek onderdeel is van een diagnostisch proces in het kader van jeugdhulp. In dit geval moet er een vermoeden zijn dat er meer aan de hand is dan enkel laag- of hoogbegaafdheid. Het verzoek voor een intelligentietest mag geen los verzoek zijn.

Het wettelijk kader bij persoonlijke verzorging

Persoonlijke verzorging op school kan binnen verschillende wetten vallen:

  • Als persoonlijke verzorging op school nodig is als gevolg van ziekte of iets dergelijks valt dit onder de Zorgverzekeringswet (Zvw).

  • Als de leerling een Wlz-beschikking heeft valt dit onder de Wet langdurige zorg (Wlz).

  • Persoonlijke verzorging op school kan ook onder de Jeugdwet of het (passend) onderwijs vallen.

In 2014 heeft het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) de AWBZ-indicatiewijzer 7.1 opgesteld. Daarin staat wat onder de verantwoordelijkheid van het onderwijs valt sinds de invoering van de Wet passend onderwijs op 1 augustus 2014. De bekostiging van deze vorm van zorg binnen het onderwijs is sindsdien aangepast, maar de grens met de andere wetgeving is niet veranderd. Op grond van artikel 1.2, ld 1, onder b van de Jeugdwet, mag de gemeente een aanvraag voor jeugdhulp weigeren als er hulp kan worden verkregen op grond van een andere wet. Omdat in 2014 is bepaald welk gedeelte van persoonlijke verzorging onder de verantwoordelijkheid van het onderwijs valt, zal de gemeente dat deel als een voorliggende voorziening beschouwen. De tabel hieronder laat zien welk deel van de persoonlijke zorg onder de verantwoordelijkheid van de school valt. Als er hulp nodig is die niet in deze tabel staat én als er geen recht is op hulp op basis van de Zorgverzekeringswet of Wet langdurig zorg, kan er een beroep worden gedaan op de Jeugdwet.

Niet zindelijke kleuters

Van kleuters die geen aandoening of beperking hebben mag de school verwachten dat zij zindelijk zijn als ze starten op de basisschool. Het is de taak van de ouders om te zorgen dat hun kind zindelijk is. Hiervoor kan nooit jeugdhulp worden ingezet. Van reguliere basisscholen mag niet worden verwacht dat zij zorgen voor verschoning van niet zindelijke kleuters. Het gaat hierbij niet om een ongelukje dat een kleuter een keer kan overkomen. Is een kleuter nog niet zindelijk, dan kan de school de ouders doorverwijzen naar de jeugdverpleegkundige. Die kan de ouders adviseren over zindelijkheidstraining. Als een kleuter tijdens schooltijd moeten worden verschoond, dan moeten ouders daarvoor zorgen. Werk of andere verplichtingen zijn geen reden om van deze verplichting af te zien. Dit geldt niet voor kleuters met een medische beperking of aandoening.

Tabel persoonlijke verzorging door school (minuten per week)

AWBZ-grondslag

Tot 12 jaar

Vanaf 12 jaar

Lichamelijke beperking

241

176

Somatische aandoening of beperking

98

0

Verstandelijke beperking

50

30

Verstandelijke en lichamelijke beperking

185

189

Valt een leerling niet onder de AWBZ-grondslagen, dan is de Jeugdwet van toepassing

Toelichting verordening jeugdhulp gemeente Montferland 2026

Algemene toelichting

Met de Jeugdwet is in 2015 het verzekerd recht op zorg vervangen door een jeugdhulpplicht voor gemeenten als ouders en jeugdigen er (eenvoudig gezegd) samen niet uitkomen. Dit nieuwe jeugdstelsel heeft het uiteindelijke doel het versterken van de eigen kracht van de jongere en van het zorgend en probleemoplossend vermogen van diens gezin en sociale omgeving (TK 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 2).

Verantwoordelijkheid van ouders

Ouders en jeugdigen moeten leren (weer) op eigen vaardigheden te vertrouwen zodat zij zelf verder kunnen, zonder hulp van de overheid. Deze verplichting voor ouders is te lezen in de artikelen 1:82 en 1:247 van het Burgerlijk Wetboek. Het moet voor ouders en professionals vanzelfsprekend zijn dat ouders zelf de regie nemen en houden over de opvoeding van hun kinderen, tenzij dit een onverantwoord risico voor het kind oplevert. Dat vraagt een vraaggerichte houding van hulpverleners, waarbij uitgegaan wordt van de eigen kracht van jongeren en ouders en het besef dat zij verantwoordelijk zijn voor zichzelf en, in het geval van ouders, ook voor hun kinderen. Hierop zijn zij ook aanspreekbaar. De overheid dient ervoor te waken de zorgtaken van mensen en hun verbanden over te nemen. Ze komt pas in beeld als de ouders problemen ondervinden, als de opvoeding- en leefsituatie de ontwikkeling van kinderen bedreigt en de overheid de ouders dient te helpen om deze voorwaarden te vervullen of als de jeugdige verdacht wordt of veroordeeld is voor een strafbaar feit (TK 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 19-20, 128).

Actieve rol van ouders

Bij deze verantwoordelijkheid past een actieve rol van de ouders en het kind om in eerste instantie te trachten de op hun weg komende problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk op lossen (TK 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 136). Deze uitgangspunten zijn (ook) in artikel 2.1 van de Jeugdwet verankerd; de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf en er moet worden uitgegaan van de eigen kracht van de jeugdige, zijn ouders en het sociaal netwerk.

Opdracht gemeenteraad

Artikel 2.9 van de wet geeft de gemeenteraad de opdracht om een verordening vast te stellen met de regels die noodzakelijk zijn ter uitvoering van de wet. Deze verordening is dan ook een essentieel document voor de concrete uitwerking van het beleid van de gemeente Montferland. Deze verordening biedt duidelijkheid over wat ouders en jeugdigen van de gemeente mogen verwachten, maar ook wat bij de beoordeling van de aanspraak (redelijkerwijs) van hen wordt verwacht. Voor het Sociaal Team-Jeugd van de gemeente Montferland biedt de verordening de benodigde kaders en criteria om op een resultaatgerichte manier tot maatwerk te komen in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouder(s) die zich meldt met een ondersteuningsvraag en een aanvraag indient. Met een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, is gewaarborgd dat de jeugdige in staat wordt gesteld:

  • a.

    gezond en veilig op te groeien;

  • b.

    te groeien naar zelfstandigheid, en

  • c.

    voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.

Centrale Raad van Beroep

Volgens de Centrale Raad van Beroep (CRvB) moet in de verordening (ook) een juridisch sluitend afwegingskader zijn opgenomen wanneer sprake is van eigen kracht en welke afwegingsfactoren daarbij een rol spelen. Is de eigen kracht toereikend, dan mag een aanvraag om individuele jeugdhulp worden afgewezen (art. 2.3 Jw). Het gaat bij het kader, eenvoudig gezegd, over de betekenis die de gemeenteraad van Montferland geeft aan de ouderlijke verzorgings- en opvoedingsplicht (hierna: zorgplicht) die voortvloeit uit het Burgerlijk Wetboek. Daarnaast moet de verordening bepalingen bevatten hoe de deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening is gewaarborgd (CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1095, ECLI:NL:CRVB:2024:1096 en ECLI:NL:CRVB:2024:1097). De wijzigingen naar aanleiding van de rechtspraak en de nieuwe inkoop worden hieronder genoemd.

Verordening gemeente Montferland

In hoofdstuk 2 is de waarborg over de deskundigheid uitgewerkt. De toeleiding naar en advisering over de aanspraak op een individuele voorziening wordt gedaan onder de verantwoordelijkheid van een SKJ of BIG geregistreerde persoon. In hoofdstuk 3 van deze verordening is het regelstellend kader over eigen kracht uitgewerkt en bevat de verordening uitgangspunten in bijlage 1. Ook worden in hoofdstuk 3 situaties beschreven die onder de eigen kracht kunnen vallen. Een voorbeeld is het vervoer van en naar de jeugdhulplocatie. In hoofdstuk 4 zijn de individuele jeugdhulpvoorzieningen en bijbehorende criteria opgenomen om daarvoor in aanmerking te komen.

Resultaatverplichting en maatwerk jeugdhulp

Ingeval de eigen kracht ontoereikend is kunnen ouders en jeugdigen een beroep doen op de (mede) door gemeente Montferland georganiseerde jeugdhulp. Bij de jeugdhulpplicht van gemeenten hoort een resultaatverplichting. Dat wil zeggen dat passende jeugdhulp moet worden geboden.

Deze verordening heeft twee bijlagen:

Bijlage 1: Uitgangspunten ouderlijke verantwoordelijkheid

Bijlage 2: Richtlijnen voor de inzet van begeleiding in onderwijs (BIO)

Artikelsgewijze toelichting

HOOFDSTUK 1. BEGRIPSBEPALINGEN EN VORMEN VAN JEUGDHULP

Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder a: algemene voorziening

Het gaat bij een algemene voorziening om een vrij toegankelijke voorziening voor degene die zich hiertoe wendt voor ondersteuning of hulp. Dat wil zeggen zonder tussenkomst van de gemeente; er vindt geen toegangsbeoordeling plaats. Dit betekent ook dat geen onderzoek wordt gedaan naar de eigen kracht van de jeugdige en/of zijn ouder(s). Een overige voorziening wordt dus niet op aanvraag verleend.

Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder b: Besluit

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder c: BIG-register

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder d: budgetplan

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder e: eigen kracht

Bij het begrip eigen kracht gaat het om de betekenis die wordt gegeven aan de zorgplicht van ouders op grond van het Burgerlijk Wetboek. In hoofdstuk 3 en in bijlage 1 is de eigen kracht nader uitgewerkt.

Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder f: Familiegroepsplan

Het familiegroepsplan is een hulpverleningsplan of plan van aanpak dat de ouders opstellen samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren (art. 1.1 van de wet). Voor de jeugdhulpaanbieder geldt de verplichting om de jeugdige en/of zijn ouder(s) bij het bieden van jeugdhulp als eerste de mogelijkheid te bieden een familiegroepsplan op te stellen. Bij een ondertoezichtstelling geldt dat ook voor de gecertificeerde instelling (art. 4.1.2 van de wet). Zo’n familiegroepsplan moet gebruikt worden bij het bieden van de jeugdhulp omdat namelijk gewerkt moet worden volgens dat plan. De bedoeling van het familiegroepsplan is dat alle direct betrokkenen de mogelijkheid krijgen om mee te denken en te helpen aan een oplossing voor vrijwillige of gedwongen jeugdhulp.

Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder g: gewaarborgde hulp

Ouders of jeugdigen kunnen afhankelijk zijn van anderen ter compensatie van het gebrek aan capaciteiten of bekwaamheden om zelf de regie te voeren over de aan het pgb verbonden taken. Uit onderzoek moet blijken dat dergelijke hulp gewaarborgd is. Dat wil zeggen dat deze persoon moet kunnen instaan voor de nakoming van de aan het pgb verbonden verplichtingen zoals: de keuze van de jeugdhulpverlener, de kwaliteit en het behalen van het te bereiken resultaat en de financiële verantwoording rondom het pgb.

Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder h: individuele voorziening

Bij een individuele voorziening gaat het om een op de jeugdige of zijn ouders toegesneden vorm van jeugdhulp die alleen op aanvraag wordt verleend. Een individuele voorziening is dus niet vrij toegankelijk.

Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder i: ondersteuningsplan

Hierin staan de uitkomsten van het onderzoek naar de ondersteuningsvraag.

Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder j: ondersteuningsvraag

Hieronder wordt melding van de jeugdige of zijn ouder(s) verstaan van de behoefte aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet. Er wordt dan een onderzoek gedaan (art. 2.4 van de verordening).

Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder k: professionele organisatie

De definitie is van belang om de hoogte van het pgb te bepalen. In de verordening worden gedifferentieerde tarieven gebruikt. Ook de kwaliteitseisen die gelden spelen een rol.

Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder l: SKJ

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder m: sociaal netwerk

De wet kent geen definitie van het sociaal netwerk. Daarom wordt aangesloten bij de definitie die is opgenomen in de Wmo 2015. Het gaat om personen uit de huiselijke kring zoals een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen met wie de jeugdige of zijn ouder(s) een sociale relatie onderhoudt. De ouders vallen in ieder geval onder het sociaal netwerk (TK 2012/13, 33 684, nr. 11, p. 17). Deze personen kunnen een bijdrage leveren aan de oplossing van de ondersteuningsvraag. Of dat zo is, komt aan de orde bij het onderzoek dat het college verricht als een jeugdige en/of zijn ouder(s) zich tot het college wendt.

Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder n: Sociaal Team-Jeugd (ST-Jeugd)

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder o: spoedeisende situatie

De wet bepaalt in artikel 2.6, eerste lid onder b, dat het college er voor zorg draagt dat de jeugdhulp te allen tijde bereikbaar en beschikbaar is en ingezet wordt als dat nodig is. Daarnaast kan het college, als daar aanleiding voor is, ook vragen om een machtiging voor gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet.

Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder p: vaktherapie

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder q: voorliggende voorziening

Een andere voorziening verwijst naar artikel 1.2, eerste lid, van de wet (voorliggende voorziening). Het kan gaan om een aanspraak die de jeugdige heeft op grond een andere wet dan de Jeugdwet, bijvoorbeeld de Wmo 2015, de Zorgverzekeringswet (Zvw) of de Wet langdurige zorg (Wlz).

Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder r: Wet

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder s: Zzp’er

De definitie is van belang om de hoogte van het pgb te bepalen. In de verordening worden gedifferentieerde tarieven gebruikt. Ook de kwaliteitseisen die gelden spelen een rol.

Artikel 1.1 tweede lid

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Artikel 1.2 Reikwijdte verordening

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Artikel 1.3 Vormen van jeugdhulp

Algemeen

Dit artikel geeft een nadere uitwerking van artikel 2.9, onder a, van de wet, waarin is bepaald dat bij verordening regels worden gesteld over de beschikbaarheid van algemene voorzieningen en de door het college te verstrekken individuele voorzieningen. Op deze manier wordt een duidelijk beeld gegeven van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente.

Eerste lid

Voor een deel van de ondersteuningsvragen zal volstaan kunnen worden met een vrij-toegankelijke algemene voorziening. Hier kunnen jeugdigen en/of ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben.

Tweede lid

Dit lid bepaalt welke individuele voorzieningen in ieder geval beschikbaar zijn en door het college op aanvraag kunnen worden verleend.

HOOFDSTUK 2 TOEGANG TOT JEUGDHULP

§ 1. Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon

Artikel 2.1 Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon

Eerste lid

Artikel 2.2.4 van de Wmo 2015 draagt het college op in ieder te geval te zorgen voor cliëntondersteuning. Het gaat in alle gevallen om onafhankelijke ondersteuning voor ingezetenen waarbij hun belang het uitgangspunt moet zijn. Cliëntondersteuning is domeinoverstijgend en heeft ook betrekking op de Jeugdwet. Dit maakt integrale dienstverlening aan ingezetenen nog beter mogelijk. Na de melding van de hulpvraag informeert het college de jeugdige en zijn ouder(s) over deze mogelijkheid. Het college kan deze cliëntondersteuning aanbieden, maar de jeugdige en zijn ouder(s) kunnen zich ook laten bijstaan door andere (externe) ondersteuners. Denk aan een bestaande cliënten- of belangenorganisatie. Van belang is verder nog dat het college moet zorgen dat cliëntondersteuning en het beslissen op een aanvraag niet in één hand kunnen liggen. De cliëntondersteuner moet immers onpartijdig (kunnen) zijn en alleen in het belang van de jeugdige en zijn ouder(s) handelen.

Tweede en derde lid

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

§ 2. Wettelijke verwijzers

Artikel 2.2 Via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

Eerste lid

De wet regelt dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist (art. 2.6, eerste lid onder g, van de wet). Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige precies nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft gecontracteerd. In de praktijk zal het - mede gelet op de professionele standaard als bedoeld in artikel 453 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek - de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Dit vanzelfsprekend in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouder(s). Bij deze beoordeling zal de jeugdhulpaanbieder zich wel moeten houden aan de afspraken die daarover met de gemeente zijn gemaakt in het contract en/of de verordening.

Tweede lid

De jeugdhulpaanbieder die de jeugdhulp biedt op basis van een wettelijk verwijzer zal na een intake bepalen wat de exacte inhoud van de jeugdhulp zal zijn en die inhoudelijk vormgeven. De jeugdhulpaanbieder zal zich daarbij moeten houden de contractuele afspraken die er zijn met de gemeente maar ook de regels van de verordening. In artikel 2.7, vierde lid, van de wet is de verplichting neergelegd dat het college afspraken maakt met de wettelijke verwijzers en zorgverzekeraars over de invulling van het verwijsrecht en de voorwaarden die hieraan kunnen worden gesteld. De gemeente kan hierdoor niet alleen de kosten beheersen, maar ook de regie houden op het gehele hulpverleningsproces dat rondom de jeugdige en zijn ouders plaatsvindt en wordt niet buitenspel gezet (TK 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 149).

§ 3 Kinderbeschermingsmaatregel en jeugdreclassering

Artikel 2.3 Via kinderbeschermingsmaatregel en jeugdreclassering

In de verordening hoeven geen regels te worden vastgesteld over de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Want de gecertificeerde instelling bepaalt zelfstandig of jeugdhulp nodig is, en zo ja, welke jeugdhulp (art. 3.5, eerste lid, van de wet). Bij jeugdreclassering heeft niet alleen de gecertificeerde instelling deze bevoegdheid, maar kunnen ook andere genoemde instanties besluiten dat jeugdhulp nodig is. De gemeente is verantwoordelijk dat de benodigde (gecontracteerde) jeugdhulp wordt ingezet.

Tweede lid

Dit lid is mede gebaseerd op artikel 3.5, eerste lid, van de wet.

§ 4. Via de gemeente

Artikel 2.4 Melding ondersteuningsvraag en aanvraag

Eerste lid

Na de melding van de ondersteuningsvraag wordt een onderzoek gedaan naar de behoefte aan jeugdhulp.

Tweede en derde lid

Jeugdigen en ouders worden voorgelicht over de mogelijkheid om gebruik te maken van cliëntondersteuning en van de diensten van een vertrouwenspersoon (lid 2 onderdeel a). Daarnaast kan de jeugdige en/of zijn ouder(s) een familiegroepsplan opstellen en overhandigen aan het college (lid 2 onderdeel b). Daarbij kan het college ondersteuning bieden in de zin van faciliteren. Het spreekt voor zich dat het college dit plan betrekt bij het onderzoek. Ook wordt uitleg gegeven over het indienen van een aanvraag (lid 2 onderdeel c en lid 3).

Artikel 2.5 Ingangsdatum individuele voorziening.

Dit artikel regelt de ingangsdatum van de individuele voorziening. Het kan voorkomen dat het college de jeugdhulpaanbieder toestemming geeft om de jeugdhulp in natura eerder te starten. De kosten van (zelf) gerealiseerde jeugdhulp in de vorm van een persoonsgebonden budget worden in beginsel niet vergoed (zie art. 6.1 tweede lid van de verordening).

Artikel 2.6 Inhoud van het onderzoek

Eerste lid

Het is van groot belang dat het onderzoek in goede samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouder(s) plaatsvindt, alleen dan kan de ondersteuningsvraag goed in kaart worden gebracht. Daarbij hanteert het college het zogeheten stappenplan. Dit is de manier waarop zo’n onderzoek moet worden gedaan volgens de Centrale Raad van Beroep (CRVB:2017:1477).

Tweede en derde lid

In geval van spoedeisende situaties zet het college (zo spoedig als nodig blijkt) een tijdelijke maatregel in (jeugdhulp in natura). Dit in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek. Ook kan het college een machtiging voor gesloten jeugdhulp bij de kinderrechter vragen. Tijdens de procedure kan ook gebruik worden gemaakt van de Jeugd Beschermingstafel (JBT). De JBT is niet alleen gekoppeld aan gesloten jeugdhulp. Aan de JBT wordt besproken of een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming noodzakelijk is. Dat gebeurt altijd samen met de ouder(s), betrokken professionals en de Raad voor de Kinderbescherming. Als vrijwillige jeugdhulp niet meer mogelijk is, stuurt de JBT aan op drang. Hierbij ontvangt het gezin hulp, maar moet het gezin wel meewerken en zich houden aan een aantal voorwaarden (niet vrijblijvende hulp). Voldoet het gezin daar niet aan, dan kan er besloten worden tot een raadsonderzoek. In dat geval start de Raad voor Kinderbescherming een onderzoek.

Vierde lid

In artikel 8.1.2, derde lid, van de wet is de algemene medewerkingsplicht neergelegd die nodig is voor de uitvoering van de wet. Jeugdigen en ouders zijn verder op grond van artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gehouden alle gegevens en bescheiden te verstrekken die nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Als uitgangspunt geldt dat de jeugdige altijd wordt gezien dan wel wordt gesproken. Denk in dat kader ook aan het recht van de jeugdige om zijn mening te vormen en vrijelijk te uiten, tenzij de jeugdige daartoe niet in staat is (art. 12 IVRK). Er geldt de leeftijdsgrens van in ieder geval 12 jaar.

Vijfde lid

Voor de jeugdige of zijn ouder(s) wordt een ondersteuningsplan opgesteld. De inhoud is gebaseerd op het onderzoek (zie lid 1). Dit plan vormt de belangrijkste basis voor de beslissing op de aanvraag.

Artikel 2.7 criteria deskundigheid

Dit artikel voorziet in welke deskundigheid het college inzet bij een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening (art. 2.3, eerste lid, van de wet). Artikel 2.1 van het Besluit Jeugdwet bepaalt de aard van de deskundigheid. Het gaat om deskundigheid op het gebied van: opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, opvoedingssituaties waardoor jeugdigen mogelijk in hun ontwikkeling worden bedreigd, taal- en leerproblemen, somatische aandoeningen, lichamelijke of verstandelijke beperkingen en kindermishandeling en huiselijk geweld.

Artikel 2.8 Identificatie

De wet kent geen regels over een identificatieplicht. Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om de identiteit vast te stellen van de genoemde personen.

§ 5. Advisering

Artikel 2.9 Advisering

Eerste, tweede en derde lid

De wet sluit niet uit dat het college ook nog deskundigenadvies kan opvragen als dat nodig is. Dit vraagt om medewerking van de jeugdige en zijn ouder(s). Zoals meewerken aan het onderzoek door gehoor te geven aan een oproep van de adviseur, het -via een machtiging- toestemming verlenen om informatie te mogen inwinnen bij de huisarts of specialist en geen gebruik te maken van het blokkeringsrecht. Het uitgangspunt is dat de jeugdige wordt gezien en zonodig wordt gesproken.

Vierde lid

Het college kan gedurende de ingezette jeugdhulp cliëntgebonden expertise en advies vragen van een gecontracteerde jeugdhulpaanbieder.

HOOFDSTUK 3. EIGEN KRACHT EN UITGANGSPUNTEN JEUGDHULP

Artikel 3.1 Afwegingsfactoren beoordeling eigen kracht

Eerste en tweede lid

De zorgplicht van ouders op grond van art. 1:82 en 1:247 van het Burgerlijk Wetboek vormt de basis voor het uitgangspunt van eigen kracht. Verwezen wordt naar de algemene toelichting bij deze verordening en de begripsbepaling van eigen kracht. Ouders zijn primair verantwoordelijk voor het gezond en veilig opgroeien van hun het kind en om in eerste instantie ook te trachten de op hun weg komende problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk op lossen. In dit lid staan de afwegingsfactoren die het college in acht neemt bij de beoordeling of de eigen kracht toereikend is. Het college hanteert de uitgangspunten volgens bijlage 1 bij deze verordening. In lid 2 staan de afwegingsfactoren over de (dreigende) overbelasting van ouders.

Derde en vierde lid

Ouders zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het vervoer van en naar de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt (lid 3). Het is normaal dat ouders hun kinderen naar school, kinderopvang, sportclub brengen en ook naar een jeugdhulpaanbieder. Het vervoeren van je eigen kind is van belang voor het onderlinge contact, delen van bijzonderheden en betrokkenheid van ouders bij de situatie. In dit artikel staan afwegingsfactoren genoemd die een rol spelen bij de vraag of sprake is van eigen kracht. Uit de wet volgt ook dat het college eerst moet vaststellen of er een medische noodzaak is of dat de jeugdige beperkingen heeft in de zelfredzaamheid (art. 2.3 tweede lid van de wet). Beschikken ouders over een aanvullende zorgverzekering die voorziet in een oplossing, dan zullen zij die moeten aanspreken (lid 4).

Artikel 3.2 Uitgangspunten indicatie jeugdhulp

Eerste lid

Het college is niet gehouden om jeugdhulp in te zetten als de jeugdige aanspraak kan maken op een andere wet (art. 1.2, eerste lid, van de wet). Hoewel het gaat om een generieke wettelijke bepaling is deze voor de volledigheid wel in de verordening opgenomen.

Tweede lid

Dit lid bepaalt dat het college geen individuele voorziening hoeft te verlenen als de eigen kracht toereikend is (onder a) en het gebruik van algemene voorzieningen passend zijn (onder b).

Derde lid

Het uitgangspunt in dit lid sluit aan op het uiteindelijke doel van het jeugdwetstelsel: het versterken van de eigen kracht van de jongere en van het zorgend en probleemoplossend vermogen van diens gezin en sociale omgeving. Ouders en jeugdigen moeten leren (weer) op eigen vaardigheden te vertrouwen zodat zij zelf verder kunnen, zonder hulp van de overheid.

Vierde lid

In dit lid zijn de wettelijke jeugdhulpdoelen opgenomen. Ze vormen het sluitstuk van de conclusies uit het onderzoek en waar de beslissing op de aanvraag wordt gebaseerd.

Vijfde lid

Voor de kenbaarheid en rechtszekerheid is de verplichting van het college opgenomen zoals genoemd in artikel 2.3, vierde lid, van de wet.

Zesde lid

Het college is slechts gehouden de naar objectieve maatstaven gemeten goedkoopst passende individuele voorziening te bieden. Zijn er meerdere individuele voorzieningen die als passende jeugdhulp kunnen gelden, dan wordt de goedkoopste verstrekt. Het college moet zich wel op het standpunt kunnen stellen dat er sprake is van 'passende jeugdhulp' (art. 2.5 van de wet). Het kan voorkomen dat het college toch duurdere jeugdhulp moet toekennen omdat artikel 8 van het EVRM (Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens) een rol speelt. Op de overheid rust namelijk ook de plicht een ongestoord familie- en gezinsleven te bevorderen. Denk bijvoorbeeld aan jeugdhulp in de gezinssituatie in plaats van (goedkopere) jeugdhulp in een instelling (TK 2012/13, 33684, nr. 3, p. 17).

HOOFDSTUK 4 INDIVIDUELE VOORZIENINGEN

In dit hoofdstuk zijn de individuele voorzieningen opgenomen en onder welke voorwaarden aanspraak bestaat. Het gaat om jeugdhulp gericht op ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien die individueel wordt geboden of groepsgewijs. Hulp bij de persoonlijke verzorging kan als individuele voorziening wordt geboden. Ook kan logeren, plek in een pleeggezin, gezinshuis of verblijf in een instelling nodig zijn. Verder zijn individuele voorzieningen opgenomen die gericht zijn op behandeling (wel of geen GGZ en medicatiecontrole). Ook ernstige dyslexiezorg is een vorm van jeugdhulp. Het kan voorkomen dat jeugdigen na het bereiken van de 18-jarige leeftijd nog niet zelfstandig kunnen wonen en daar ondersteuning bij nodig hebben. Bij de meeste vormen van jeugdhulp wordt ook de omvang en duur genoemd. Integrale hoog specialistische hulp wordt altijd op maat ingezet. Net als voor het pgb-besluit geldt (art. 8.1.3 van de wet), is het college bij jeugdhulp in natura bevoegd om periodiek onderzoek te doen. Dat kan aanleiding kan geven om een besluit te heroverwegen.

HOOFDSTUK 5. AFSTEMMING MET ANDERE VOORZIENINGEN

Artikel 5.1 Afstemming andere diensten en voorliggende voorzieningen

Algemeen

Volgens artikel 2.9, aanhef en onder b, van de wet moet de verordening regels stellen over de manier waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd op andere voorzieningen van de in dat artikel genoemde domeinen.

Eerste lid

Bestaat er aanspraak op een andere voorziening, dan kan het nodig zijn om jeugdigen of ouders te helpen om deze aan te vragen. Het college heeft daarin een actieve rol. Of hulp nodig is wordt vastgesteld bij het onderzoek.

Tweede lid

In dit lid staat hoe het college de informatie verzamelend die nodig is om een individuele voorziening (jeugdhulp) af te stemmen op andere voorzieningen.

Derde lid

Dit lid bepaalt welke factoren een rol spelen bij de afstemming.

Vierde lid

Ook Veilig Thuis vormt een toegang tot (onder andere) jeugdhulp. Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt als dat nodig is op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening.

Vijfde lid

In de meeste gevallen eindigt de jeugdhulp bij het bereiken van de 18-jarige leeftijd. Dat wil echter niet zeggen dat er geen problemen meer zijn waarbij de 18-jarige nodig heeft. Bijvoorbeeld op grond van de Wmo 2015. Het college zorgt voor de continuïteit van gemeentelijke hulp.

Artikel 5.3 Uitgangspunten afstemming onderwijs en jeugdwet

In dit artikel staat hoe het college omgaat met de afbakening tussen het onderwijs en de jeugdhulp. Uitgangspunt is dat de jeugdige recht heeft op passend onderwijs. Binnen het passend onderwijs kan een jeugdige begeleiding in onderwijs nodig hebben op grond van de jeugdwet. Mede aan de hand van het ontwikkelingsperspectiefplan (OPP) van school wordt de inzet van jeugdhulp bepaald. Dat wil ook zeggen het OPP onderdeel is van de aanvraag om jeugdhulp. Ter verduidelijking van de afbakening tussen onderwijs en jeugdhulp zijn richtlijnen opgenomen in bijlage 2 van de verordening.

HOOFDSTUK 6. PERSOONSGEBONDEN BUDGET

Artikel 6.1 Algemeen

Eerste lid

Het spreekt voor zich dat het college gehouden is aan de wettelijke bepalingen en voorschriften in de verordening.

Tweede lid

Heeft het college een indicatie voor een individuele voorziening vastgesteld, dan kan het voorkomen dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) het college verzoekt om met terugwerkende kracht een persoonsgebonden budget toe te kennen. Dit lid regelt dat het college zo’n verzoek weigert als de individuele voorziening al voor het indienen van de aanvraag is gerealiseerd. Dit geldt ook als de voorziening is gerealiseerd ná het indienen van de aanvraag, maar voordat het college daarop heeft beslist, tenzij zij de jeugdige en/of zijn ouder(s) schriftelijk toestemming heeft verleend. Het college kan uiteraard wel jeugdhulp toekennen naar de toekomst als daar een noodzaak voor is, maar in beginsel niet met terugwerkende kracht.

Artikel 6.2 Budgetplan en zorgovereenkomst

Eerste lid

Het college beoordeelt of wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden van art. 8.1.1, tweede lid, van de wet en het bepaalde in deze verordening. Het Budgetplan is een hulpmiddel voor die beoordeling. Het college stelt hiervoor een format beschikbaar.

Tweede lid

Het gaat in dit lid om een wettelijke bepaling (art. 8a, tweede lid, van de Regeling Jeugdwet).

Artikel 6.3 Weigeringsgronden

Eerste lid

Er geldt de algemene verplichting om een Budgetplan op te stellen (zie art. 6.2 van de verordening). Het zal in het algemeen noodzakelijk zijn dat het ingevulde Budgetplan met het college wordt besproken.

Tweede lid

In dit lid zijn situaties opgenomen die betrekking hebben op de derde aan wie het persoonsgebonden budget wordt besteed. Dit ter bescherming van de budgethouder. Het college is in die gevallen in ieder geval bevoegd om het persoonsgebonden budget te weigeren. Deze bepalingen hebben als ook als doel misbruik of oneigenlijk gebruik in het algemeen te voorkomen.

Artikel 6.4 Besteding en declaratie

Eerste lid

Het eerste lid zorgt ervoor dat wordt voorkomen dat een pgb wordt besteed aan activiteiten die naar oordeel van het college onder de eigen kracht vallen (onder a). Ook mag het pgb niet worden besteed aan de genoemde personen wanneer zij overbelast zijn of dreigen te geraken voor die activiteiten (onder b).

Tweede lid

In dit lid staan kostensoorten genoemd waaraan het persoonsgebonden budget niet mag worden besteed. De wetgever heeft zich nadrukkelijk uitgelaten dat met het trekkingsrecht is gewaarborgd dat het persoonsgebonden budget slechts wordt gebruikt om jeugdhulp in te kopen die ertoe strekt de jeugdige en/of zijn ouder(s) de ondersteuning, hulp en zorg te bieden die nodig is (TK 2013/13, 33 684, nr. 3, p. 220).

Derde lid

Voor behandeling van bijvoorbeeld stoornissen of het bieden van specialistische jeugdhulp is de inzet van een daartoe gekwalificeerde beroepskracht aangewezen. Dat spreekt voor zich. Omdat deze vormen van jeugdhulp ook vragen om voldoende professionele afstand (objectief en onafhankelijk kunnen handelen) bepaalt dit lid dat ouders of personen uit het sociaal netwerk niet uit een pgb betaald kunnen worden voor het geven van deze vorm van jeugdhulp. Het ligt ook niet voor de hand dat zij dat wensen te doen.

Vierde lid

Dit lid geeft invulling aan de discretionaire bevoegdheid van de gemeenteraad om bij verordening te bepalen onder welke voorwaarden het pgb mag worden besteed aan een persoon uit het sociaal netwerk. Hoewel de regering de inzet van het sociaal netwerk zeer waardevol vindt, acht zij het wenselijk dat beloning daarvan met een pgb beperkt blijft tot die gevallen waarin dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. De huiselijke kring, waartoe in ieder geval de ouders behoren, behoort tot het sociaal netwerk (TK 2012/13, 33 684, nr. 11, p. 17).

Vijfde lid

De budgethouder zal het aan hem toegekende persoonsgebonden budget moeten aanwenden binnen de termijn genoemd in dit lid.

Zesde lid

Er geldt geen verplichting voor gemeenten om een verantwoordingsvrij bedrag of een feestdagenuitkering te hanteren.

Zevende lid

In de zorgovereenkomsten hanteert de SVB het overlijden van een jeugdige als ontbindende voorwaarde; dit houdt in dat de overeenkomst direct eindigt in geval van overlijden. De SVB wijst jeugdigen en/of zijn ouder(s) erop met de gemeente contact op te nemen om te overleggen of een eenmalige uitkering tot de mogelijkheden behoort. Het college hanteert in geval van overlijden van de jeugdige geen eenmalige uitkering aan de derde die de ondersteuning biedt. Dit betreft alle overeenkomsten. Wel kan de geboden jeugdhulp tot het moment van overlijden worden gedeclareerd als het resterende pgb dat toelaat.

Achtste lid

In dit lid is bepaald dat geen vast bedrag mag worden gehanteerd. Dat wil zeggen declaraties worden gedaan op basis van de werkelijk geboden jeugdhulp (in tijd).

Artikel 6.5 Kwaliteit derde aan wie het persoonsgebonden budget wordt besteed

Eerste lid

In dit artikel staat dat de eisen aan de vakbekwaamheid van een professional gelijk zijn aan die van het gecontracteerde aanbod. Verder worden verwezen naar de begripsbepalingen van een professionele organisatie en Zzp’er. Daaruit kunnen nog andere kwaliteitseisen worden afgeleid.

Tweede lid

Professionals die SKJ of BIG geregistreerd zijn beschikken volgens de beroepscode over een VOG. Die vraagt het college op. De VOG mag niet ouder zijn dan de termijn die is genoemd in dit lid en wordt elke 5 jaar opnieuw gevraagd. Het kan voorkomen dat door een professional aan meerdere jeugdigen jeugdhulp biedt. In die gevallen hoeft niet voor elke jeugdige (opnieuw) een VOG worden gevraagd. Met uitzondering van ouders in de zin van de wet geldt dat over een VOG wordt beschikt.

Artikel 6.6 Hoogte persoonsgebonden budget

Eerste en tweede lid

In de verordening moet worden bepaald hoe de hoogte van het pgb wordt vastgesteld (art. 2.9, onder c, van de wet). De bevoegdheid om gedifferentieerde tarieven of bedragen te hanteren voor niet-professionals vloeit voor uit artikel 8.1.1, derde lid, van de wet. Voor personen uit het sociaal netwerk en andere niet-professionals geldt het wettelijk minimumloon (CRVB:2025:1276, CRVB:2025:1380). Het pgb wordt verhoogd met werkgeverslasten als die verschuldigd zijn. Dit hangt samen met de aanpassing van de Regeling dienstverlening aan huis.

Derde lid

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Vierde lid

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

HOOFDSTUK 7. BESTRIJDING MISBRUIK OF ONEIGENLIJK GEBRUIK

Artikel 7.1 Bevoegdheid

Eerste en tweede lid

Artikel 2.9, aanhef en onder d, van de wet bepaalt dat de verordening regels moet bevatten ter voorkoming van het onterecht ontvangen van individuele voorzieningen of pgb’s, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. In dit hoofdstuk zijn de regels over het toezicht op de uitvoering en de kwaliteit geïntegreerd. Dat wil zeggen ze hebben betrekking op zowel de rechtmatigheid als ook de doelmatigheid. Het toezicht op de kwaliteit is belegd bij de Inspectie gezondheidszorg en jeugd. Maar het college is in het kader van de rechtmatigheid wel bevoegd om naleving van de contracten voor bijvoorbeeld de kwaliteit te beoordelen. Het toezicht op de rechtmatigheid is namelijk een bevoegdheid van de gemeente zelf. In de wet is niet vastgelegd hoe de gemeente het toezicht op rechtmatigheid moet vormgeven. Die kan bijvoorbeeld bestaan uit de verplichting voor de budgethouder en de derde om verantwoording af te leggen over de besteding van het pgb.

Derde lid

Uit artikel 8.1.3 van de wet volgt dat het college bevoegd is om pgb-besluiten te heroverwegen. Daarvoor is geen specifieke aanleiding nodig (vergelijk CRVB:2023:259). Zo kan het college in een klacht of een signaal over de kwaliteit van de jeugdhulp aanleiding zien om een onderzoek op te starten. Er kan in die gevallen namelijk ook sprake zijn van tekortschietende rechtmatigheid. Dat kan over administratieve zaken gaan maar ook over de vraag of de (kwaliteit van de) geboden jeugdhulp voldoet aan de contractuele afspraken. Waar nodig vindt afstemming plaats met de inspectie. Het kan ook gaan om de vraag of de jeugdhulp, al dan niet in de vorm van een pgb, nog wel passend is (doelmatigheid). Maar ook of de verstrekking nog voldoet aan de voorwaarden (rechtmatigheid).

Artikel 7.2 Informatieplicht en fraudepreventie

Op het college rust de voorlichtingsplicht om de jeugdige en zijn ouder(s) te informeren over welke mogelijkheden er bestaan om te kiezen voor een pgb (art. 8.1.6 van de wet). Dit artikel bepaalt ook dat ouders en jeugdige informatie moeten doorgeven die aanleiding van zijn om een besluit te wijziging. Deze plicht bestaat er ook uit dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze én over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik. Dit wordt gedaan tijdens het onderzoek.

Artikel 7.3 Controle

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Artikel 7.4 Medewerkingsplicht

Dit artikel regelt de medewerkingsplicht. Dat wil zeggen dat als het college of de toezichthouder de genoemde personen vraagt om verantwoording af te leggen over de geboden jeugdhulp, zij verplicht zijn dat te doen. De gevolgen van het niet of onvoldoende meewerken kan voor het college aanleiding zijn om het recht op pgb in te trekken en de jeugdige onder te brengen bij een jeugdhulpaanbieder (natura).

Artikel 7.5 Verzoek aan Sociale Verzekeringsbank opschorting betaling persoonsgebonden budget

Een opschorting van betaling is een instrument om ruimte te bieden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Artikel 8b, zesde lid aanhef onder g, van de Regeling Jeugdwet geeft de Svb de bevoegdheid tot opschorting van betaling als het college bij de toepassing van de bij verordening gestelde regels, daarom verzoekt. Met de maximale termijn van dertien weken in dit artikel is aangesloten bij de termijn zoals genoemd in artikel 4:56 van de Awb. Gedurende de opschorting doet het college en/of de toezichthouder onderzoek naar het gegronde vermoeden.

HOOFDSTUK 8. BEEINDIGING, HERZIENING, INTREKKING EN TERUGVORDERING

Artikel 8.1 Beëindiging

Er wordt gesproken van beëindiging als de inwerkingtreding van het besluit ingaat vanaf het heden of naar de toekomst toe. Beëindiging heeft dus, in tegenstelling tot een herziening/intrekking, geen terugwerkende kracht. In dit artikel is bepaald wanneer het college kan overgaan tot beëindiging van de individuele voorziening dan wel pgb. Er is geen limitatieve opsomming beoogd.

Artikel 8.2 Herzien of intrekken van besluiten

Voor de jeugdige en zijn ouder(s) geldt op grond van artikel 8.1.2 van de wet de plicht tot het desgevraagd of onverwijld mededeling doen van feiten of omstandigheden die van belang zijn voor de voortzetting van het recht op een pgb. Deze verplichting geldt (in geval van een pgb) ook jegens de Sociale verzekeringsbank (SVB). De wetgever heeft kennelijk verzuimd om dat ook te regelen voor de individuele voorziening in natura. Daarom regelt dit artikel deze verplichting ook voor individuele voorzieningen in natura. Uit de memorie van toelichting kan namelijk niet worden afgeleid dat de wetgever voor ogen gehad om de inlichtingenplicht niet te laten gelden voor de toekenning van de individuele voorziening of het daaraan gekoppelde pgb (TK 2013/14, 33 684, nr. 11, p. 17). Het (deels) ongedaan maken van een aanspraak over een periode in het verleden, wordt herzien/intrekken genoemd. Een herziening/intrekking van een besluit is het met terugwerkende kracht opnieuw beslissen over de aanspraak over een periode in het verleden, waarbij de aanspraak afwijkend wordt vastgesteld of wordt ingetrokken in het geval er in het geheel geen aanspraak heeft bestaan. Het college kan een besluit herzien of intrekken als onjuiste inlichtingen zijn verstrekt en de verstrekking van juiste inlichtingen tot een ander besluit zou hebben geleid of bij het niet voldoen aan andere voorwaarden genoemd in artikel 8.1.4, eerste lid aanhef en onder d en e, van de wet. Ook kan het voorkomen dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) de verplichtingen, uit een privaatrechtelijke overeenkomst met de jeugdhulpaanbieder, niet of onvoldoende nakomt. De verordening biedt daarom een publiekrechtelijke grondslag om het betreffende toekenningsbesluit in te trekken. Dat betekent nadrukkelijk niet dat op het college geen jeugdhulpplicht meer rust.

Artikel 8.3 Terugvordering

Eerste lid

Strikt genomen is terugvordering niet geregeld in de wet, maar de bevoegdheid kan wel worden afgeleid uit artikel 8.1.4, tweede lid, van de wet). Daarom is hiervoor een grondslag opgenomen in de verordening op grond waarvan het college de bevoegdheid heeft (zie CRVB:2023:223). In dit lid is de wettelijke bevoegdheid uitgewerkt wanneer het college kan overgaan tot het terugvorderen van een ten onrechte genoten pgb. Naar analogie van artikel 2.4.1 van de Wmo 2015 regelt dit artikel ook de bevoegdheid tot het terugvorderen van de geldswaarde in natura. Daaronder vallen de door het college ten onrechte betaalde facturen voor de geleverde individuele voorziening.

Tweede lid

Het kan ook voorkomen dat er sprake is van een onverschuldigde betaling. Dit lid geeft het college de bevoegdheid om dat bedrag terug te vorderen. Uit CRVB:2006:AX5819 kan namelijk worden afgeleid dat in zo’n geval het ontbreken van een wettelijke bepaling op grond waarvan van de jeugdige en/of zijn ouder(s) kan worden teruggevorderd, niet aan terugvordering in de weg staat, nu (ook) in het publiekrecht als in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel is aanvaard, dat een zonder rechtsgrond verrichte betaling ongedaan moet worden gemaakt. Onder een zonder rechtsgrond verrichte betaling worden ook de (gemaakte) kosten van een individuele voorziening in natura verstaan. Daarmee wordt aangesloten bij de wettelijke mogelijkheid van het vorderen van de geldswaarde als bedoeld in het eerste lid van dit artikel. Of sprake is van onverschuldigde betaling (art. 6:203 e.v. BW) zal in de praktijk geen problemen opleveren.

Derde lid

Hierin is de bevoegdheid tot invordering geregeld middels een dwangbevel.

HOOFDSTUK 9. WAARBORGEN VERHOUDING PRIJS EN KWALITEIT

Artikel 9.1 Kwaliteitseisen jeugdhulp

De Jeugdwet maakt met onder meer artikel 4.1.1, eerste lid, van de wet de door gemeenten gecontracteerde jeugdhulpaanbieders direct verantwoordelijk voor het leveren van verantwoorde (jeugd)hulp. De zogeheten professionals zijn geregistreerd bij de daarvoor geldende registers. Denk met name aan het BIG-register als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg en/of Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) als bedoeld in artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet. Dit voor het (mogen) uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp. Het is echter niet in alle gevallen zo dat een verplichte SKJ-registratie geldt. Daar kan van worden afgeweken als de jeugdhulpaanbieder aannemelijk kan maken dat de inzet van een niet-geregistreerde professional niet afdoet aan de kwaliteit dan wel dat die inzet noodzakelijk is voor de kwaliteit van de hulp. Denk bijvoorbeeld aan vaktherapie. Vaktherapeuten kunnen zich niet registeren bij het SKJ, maar zij kunnen wel als niet-geregistreerd professional worden ingezet. Het college zal er op toe moeten zien dat de eisen door jeugdhulpaanbieders worden nageleefd, tenzij de Inspectie gezondheidszorg en jeugd daartoe bevoegd is. Zie ook de begripsbepalingen van wat onder een professional wordt verstaan (professionele organisatie en Zzp’er). Het college ziet toe op de naleving.

Artikel 9.2 Verhouding prijs en kwaliteit

In dit artikel wordt invulling gegeven aan de opdracht aan de gemeenteraad om bij de uitvoering van deze wet door derden, regels te stellen ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van onder meer jeugdhulp en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit. In het eerste lid zijn de kostprijselementen van art. 2.3 van het Besluit Jeugdwet opgenomen. Het tweede tot en met vierde lid geeft de regionale invulling aan. Tot slot is in het vijfde lid bepaald dat het college bedingt dat de genoemde partijen een reële prijs ontvangen voor de door hen geboden jeugdhulp. Denk in dat kader ook aan onderaannemers die de jeugdhulpaanbieder in kan zetten.

HOOFDSTUK 10 KLACHTEN EN INSPRAAK

Artikel 10.1 Klachtregeling

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Artikel 10.2 Inspraak en medezeggenschap

Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.10 van de wet in samenhang met artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015. Op grond van die bepalingen moet in de verordening worden geregeld hoe ingezetenen worden betrokken bij de vormgeving van het jeugdbeleid. Dit op basis van de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor zowel het jeugdbeleid als op andere terreinen. Verder wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de inspraak en medezeggenschap vorm te geven.

HOOFDSTUK 11. SLOTBEPALINGEN

Artikel 11.1 Evaluatie

Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Artikel 11.2 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige en/of zijn ouder(s) afwijken van de bepalingen van de verordening. Dit afwijken kan alleen maar ten gunste en nooit ten nadele van hen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet nadrukkelijk worden beschouwd als een uitzondering. Bij de beoordeling van de aanvraag zou het college zelf aanleiding kunnen zien om de hardheidsclausule toe te passen. In het algemeen geldt echter dat jeugdige en/of zijn ouder(s) gemotiveerd moet aangeven dat zijn situatie bijzonder is en zal hij dat desgevraagd ook nader moeten onderbouwen.

Artikel 11.3 Inwerkingtreding en citeertitel

Dit artikel regelt de inwerkingtreding, waarbij geen overgangsrecht is opgenomen. Voor aanvragen die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van deze verordening en waarop het college op een datum na inwerkingtreding beslist, geldt deze verordening. Het college heeft middels dit artikel de bevoegdheid om terug te komen van besluiten die zijn genomen op basis van de voorgaande verordeningen.