Financiële verordening Noardeast-Fryslân 2025

Geldend van 10-02-2026 t/m heden

Intitulé

Financiële verordening Noardeast-Fryslân 2025

De raad van de gemeente Noardeast-Fryslân, in vergadering bijeen op 20 november 2025, gelezen het voorstel van het college van Burgemeester en Wethouders d.d. 28 oktober 2025; gelet op artikel 212 van de Gemeentewet, gelet op het Besluit accountantscontrole decentrale overheden en gelet op het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten;

BESLUIT:

vast te stellen: de financiële verordening Noardeast-Fryslân 2025, inclusief bijlage 1 met daarin de afschrijvingstermijnen.

Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepaling

  • a.

    administratie:

    het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, functioneren en beheersen van de gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd;

  • b.

    cluster:

    iedere organisatorische eenheid binnen de gemeentelijke organisatie met een eigen rechtstreekseverantwoordelijkheid aan het college;

  • c.

    doelmatigheid:

    het realiseren van bepaalde prestaties met een zo beperkt mogelijke inzet van middelen;

  • d.

    doeltreffendheid:

    de mate waarin de beoogde maatschappelijke effecten van het beleid ook daadwerkelijk wordenbehaald;

  • e.

    rechtmatigheidsverantwoording:

    de rapportage van burgemeester en wethouders waarbij aangegeven wordt in welke mate de totstandkoming van de financiële beheershandelingen en de vastlegging daarvan overeenstemmen met de relevante wet- en regelgeving.

Hoofdstuk 2: Begroting en verantwoording

Artikel 2. Programma-indeling

  • 1. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode een programma-indeling voor die raadsperiode vast.

  • 2. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode op voorstel van het college de taakvelden per programma vast.

  • 3. De raad stelt op voorstel van het college per programma de beleidsindicatoren vast. Het voorstel van het college bevat ten minste de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

  • 4. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode vast over welke onderwerpen hij in extra paragrafen naast de verplichte paragrafen van de begroting en de jaarstukken kaders wil stellen en wil worden geïnformeerd.

  • 5. Het college draagt zorg voor het verzamelen en vastleggen van gegevens over de geleverde goederen en diensten (output) en de maatschappelijke effecten (outcome), zodat de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid zoals vastgesteld door de raad, kunnen worden getoetst.

Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken

  • 1. Bij de begroting en de jaarstukken worden per programma de baten en lasten weergegeven. Tevens worden overzichten weergegeven over algemene dekkingsmiddelen, overhead, vennootschapsbelasting en onvoorzien.

  • 2. Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt van de nieuwe Investeringen per investeringsgroep het benodigde investeringskrediet weergegeven.

  • 3. Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt in aanvulling op het bepaalde in artikel 20 en artikel 21 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten inzicht gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de begroting, de meerjarenraming, de investeringen en de grondexploitatie.

  • 4. In de jaarrekening wordt van de investeringen de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten en de actuele raming van de totale uitgaven en inkomsten weergegeven. Het college is bevoegd om na de jaarovergang door te gaan met uitvoering van nog niet afgesloten investeringskredieten.

  • 5. Uitvoering van na het boekjaar doorlopende onderhoudswerkzaamheden ten behoeve van het kapitaalgoederenbeheer met behulp van eerder door de raad geautoriseerde budgetten worden verrekend door middel van een bestemmingsreserve of een daartoe opgenomen voorziening. Het college mag ook na de jaarovergang door gaan met de uitvoering

  • 6. Het college mag na de jaarovergang door gaan met uitvoering van incidentele werkzaamheden met behulp van door de raad geautoriseerde budgetten met een éénmalige dekking.

  • 7. Het college is bevoegd tot het zo spoedig mogelijk na de jaarovergang, uitsluitend al door de raad geautoriseerde, budgetten over te hevelen. Dit is inclusief de daarbij behorende toevoegingen en onttrekkingen aan reserves en voorzieningen uit lid vier, vijf en zes. Het college is bevoegd hiertoe een begrotingswijziging vast te stellen.

  • 8. In het overzicht van de incidentele baten en lasten per programma, worden alle posten vanaf € 250.000 afzonderlijk toegelicht.

Artikel 4. Kaders begroting

  • 1. Het college biedt jaarlijks voor 1 juli aan de raad een nota aan met een voorstel voor de bijstelling van het beleid en de financiële kaders van de begroting voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming.

  • 2. In de begroting wordt een post onvoorzien opgenomen.

  • 3. Eens per raadsperiode biedt het college de raad een collegeprogramma aan.

Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten en begrotingswijzigingen

  • 1. De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de totale baten en de totale lasten per programma, het overzicht van algemene dekkingsmiddelen, heffing VPB, onvoorzien en het overzicht van de overhead.

  • 2. Bij de begrotingsbehandeling kan de raad aangeven van welke nieuwe investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. De overige nieuwe investeringen worden bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van de financiële positie geautoriseerd.

  • 3. Het college is bevoegd Onvoorziene, Onuitstelbare en Onvermijdelijke (3 O’s) eenmalige lasten te dekken uit het bedrag voor onvoorzien en meldt dit achteraf bij de rapportages.

  • 4. Indien het college belangrijke afwijkingen voorziet in relatie tot de realisatie van de geplande doelstellingen, bestuurlijke- en andere activiteiten en indien het saldo van een programma of investeringskrediet met meer dan € 250.000 dreigt af te wijken, wordt dit door het college in de eerstvolgende raadsvergadering aan de raad gemeld. Het college neemt deze afwijking op in de eerstvolgende tussentijdse rapportage en voegt hierbij een voorstel voor wijziging van het budget of een voorstel voor bijstelling van het beleid.

  • 5. Bij de behandeling van de tussenrapportages in de raad bedoeld in artikel 6, lid 1, doet het college voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde baten en lasten, het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten en het bijstellen van het beleid. In geval van investeringen met een meerjarig karakter doet het college indien nodig ook bij iedere begroting op grond van geactualiseerde ramingen voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten.

  • 6. Voor een investering waarvan het investeringskrediet niet met het vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt het college voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel met een voorstel voor het vaststellen van een investeringskrediet aan de raad voor.

  • 7. Ten aanzien van investeringen die betreffen strategische aankopen van gronden ten behoeve van woningbouw en bedrijventerreinen en welke passend zijn in het grondbeleid van de gemeente (artikel 26) en waarbij de lasten voor een periode van 10 jaren kunnen worden gedekt uit de Reserve Woningbouwontwikkelingen en uit de Reserve Bedrijventerreinen, is het College bevoegd om aankopen te effectueren en investeringskredieten te verstrekken tot € 2.500.000. Het college informeert in dit kader de raad bij elke verrichte aankoop en elk verstrekt investeringskrediet binnen een periode van 3 maanden na het collegebesluit. Het college informeert de raad over de exacte bedragen, de impact op de balans van de gemeente, de impact op de reserves van de gemeente, en de impact op meerjarenbegroting. Het college is bevoegd om de begroting ten aanzien van bovengenoemde strategische aankopen te wijzigen.

  • 8. Indien niet begrote subsidies kunnen worden gerealiseerd waartegenover niet begrote uitgaven komen te staan:

    • a.

      kunnen door het college deze uitgaven worden gedaan en worden de niet begrote inkomsten en uitgaven vervolgens bij de eerstvolgende tussentijdse rapportage aan de raad voorgelegd, mits de subsidie en bijbehorende uitgaven passen binnen de programmadoelstellingen en de uitgaven worden gedekt door de inkomsten;

    • b.

      dient het college, indien niet wordt voldaan aan lid a, via een raadsvoorstel om toestemming aan de raad te vragen alvorens zij over kan gaan tot die uitgaven.

  • 9. Het college heeft de bevoegdheid om bij bedrijfsvoeringskosten een begrotingswijziging vast te stellen om programma overstijgende budgetneutrale wijzigingen door te voeren welke de door de raad vastgestelde doelen niet raken. Het college beoogd hiermee een betere toerekening aan de programma’s van overhead- en bedrijfsvoeringskosten.

Artikel 6. Verantwoording

  • 1. Het college informeert de raad door middel van tussentijdse rapportages over de realisatie van de begroting van de gemeente tenminste tweemaal per jaar (over de eerste 4 maanden en over de eerste 8 maanden van het lopende boekjaar).

  • 2. De tussenrapportages bevatten een uiteenzetting over de uitvoering en het bijstellen van het beleid en een overzicht met de bijgestelde raming van:

    • a.

      de baten en de lasten per programma;

    • b.

      het overzicht van de algemene dekkingsmiddelen;

    • c.

      het overzicht van de overhead en de geraamde vennootschapsbelasting;

    • d.

      het totale saldo van de baten en lasten volgend uit de onderdelen a, b en c;

    • e.

      de (beoogde) toevoegingen en onttrekkingen aan reserves per programma;

    • f.

      het resultaat, volgend uit de onderdelen d en e; en

    • g.

      de realisatie en raming van de uitputting van de investeringskredieten.

  • 3. In de tussentijdse rapportages en in de jaarrekening worden afwijkingen op de oorspronkelijke ramingen van de baten en lasten van de saldo’s van de programma’s en op investeringskredieten in de begroting groter dan € 100.000 toegelicht, met handhaving van de doelstellingen zoals die bij de begroting zijn gesteld.

  • 4. Het melden van overschrijdingen van baten en/of onderschrijdingen van baten en lasten bij de jaarrekening, waarvoor in het begrotingsjaar geen bijstelling heeft plaatsgevonden, worden als tijdig aangemerkt.

Artikel 7. Informatieplicht

  • 1. Het college besluit niet over:

    • a.

      de niet binnen de budgetten passende verkoop van goederen, werken en diensten groter dan € 50.000;

    • b.

      het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties groter dan € 50.000; en

    • c.

      het verstrekken van kapitaal aan derden,

    dan nadat de raad is geïnformeerd over het voornemen en hiertoe in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen.

  • 2. Bij het verstrekken van het onder lid b en lid c genoemde wordt ten laste van het weerstandsvermogen een bedrag gebracht ter grootte van het risico dat de gemeente met het verstrekte geld loopt.

Artikel 8. EMU-saldo

Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting.

Hoofdstuk 3 : Rechtmatigheidsverantwoording

Artikel 9. Verantwoordings- en rapportagegrens rechtmatigheidsverantwoording

  • 1. De raad stelt vast op welke wijze hij door middel van de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de jaarstukken, naast de verplichte onderdelen van deze paragraaf, wil worden geïnformeerd over rechtmatigheid.

  • 2. In de rechtmatigheidsverantwoording bij de jaarrekening rapporteren burgemeester en wethouders aan de raad over afwijkingen met een verantwoordingsgrens van 2% van de totale lasten van de gemeente, exclusief de dotaties aan de reserves.

  • 3. In de paragraaf bedrijfsvoering worden de geconstateerde afwijkingen groter dan 10% van de verantwoordingsgrens toegelicht.

Artikel 10. Voorwaardencriterium

  • 1. Het voorwaardencriterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op de eisen die worden gesteld bij de uitvoering van de financiële beheershandelingen. De eisen/voorwaarden zijn afkomstig uit diverse wet- en regelgeving en hebben betrekking op aspecten als doelgroep, termijn, grondslag, administratieve bepalingen, normbedragen, bevoegdheden, bewijsstukken, recht, hoogte en duur.

  • 2. Burgemeester en wethouders bieden de raad jaarlijks uiterlijk op 1 november ter vaststelling een normenkader rechtmatigheid aan. Dit kader bestaat uit alle relevante (interne) wet- en regelgeving waaruit financiële beheershandelingen kunnen voortvloeien.

Artikel 11. Begrotingscriterium

  • 1. Het begrotingscriterium is een criterium van rechtmatigheid dat betrekking heeft op de grenzen van de baten en lasten in de door de raad geautoriseerde begroting van exploitatie en investeringskredieten en de hiermee samenhangende programma’s, waarbinnen de financiële beheershandelingen tot stand moeten zijn gekomen.

  • 2. De begrotingsrechtmatigheid wordt beoordeeld op het niveau waarop de begroting door de raad is geautoriseerd, zoals is opgenomen in artikel 5.

  • 3. Bij investeringsprojecten wordt de begrotingsrechtmatigheid beoordeeld op het niveau van het totaal vastgestelde kredietbedrag. Een overschrijding van het jaarbudget, passend binnen het totaal bedrag van het krediet, wordt daarmee als rechtmatig beschouwd.

  • 4. Uitgangspunt is dat iedere afwijking van de begroting als onrechtmatig wordt beschouwd. Afwijkingen worden als acceptabel aangemerkt in de volgende situaties:

    • a.

      Er is sprake van een overschrijding waarbij direct gerelateerde inkomsten de overschrijding compenseren.

    • b.

      Er is sprake van een overschrijding op een open-einde regeling.

    • c.

      De overschrijding is geautoriseerd door middel van de vaststelling van een tussentijdse rapportage.

  • 5. Begrotingsonrechtmatigheden die passen binnen het bestaande beleid van de raad, worden opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording (voor zover de verantwoordingsgrens voor afzonderlijke fouten of onduidelijkheden is overschreden), maar worden niet nader toegelicht in de paragraaf bedrijfsvoering.

Artikel 12. Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium

  • 1. Het misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op het voorkomen, detecteren en corrigeren van misbruik en oneigenlijk gebruik van overheidsgelden en gemeentelijke eigendommen bij financiële beheershandelingen.

  • 2. Burgemeester en wethouders zorgen voor en leggen vast de regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen.

Hoofdstuk 4: Financieel beleid

Artikel 13. Waardering & afschrijving vaste activa

  • 1. Materiële en immateriële vaste activa worden afgeschreven volgens de termijnen zoals vermeld in de bijlage afschrijvingsbeleid bij deze verordening.

  • 2. Activa met een verkrijgingsprijs van minder dan € 10.000 worden niet geactiveerd. Gronden, terreinen en tractiemiddelen worden altijd geactiveerd.

  • 3. Er wordt gestart met afschrijving vanaf het boekjaar volgend op het jaar waarin het kapitaalgoed gereed komt/verworven wordt. Rente wordt toegerekend over de boekwaarde per 1-1 van enig jaar.

  • 4. Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht.

  • 5. Voor de investeringen kan rekening worden gehouden met restwaarde, echter alleen indien dit reëel te onderbouwen is.

  • 6. Voor nieuwe investeringen wordt de lineaire afschrijvingsmethodiek gehanteerd. Via afzonderlijk raadbesluit mag hiervan worden afgeweken, mits dit goed gemotiveerd is.

  • 7. Vervangingsinvesteringen worden tegen actuele waarde als investeringskrediet opgenomen in de begroting. Indien de actuele waarde niet bekend is wordt de historische kostprijs geïndexeerd volgens de jaarmutatie CPI van het CBS.

Artikel 14. Voorziening voor oninbare vorderingen

  • 1. Voor de vorderingen op verbonden partijen en derden wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een individuele beoordeling op inbaarheid van de openstaande vorderingen.

  • 2. Voor openstaande vorderingen betreffende:

    • a.

      onroerende-zaakbelastingen;

    • b.

      precariobelasting;

    • c.

      hondenbelasting;

    • d.

      parkeerbelasting;

    • e.

      rioolheffing;

    • f.

      afvalstoffenheffing;

    • g.

      bijstandsvertrekking,

    wordt, met uitzondering van bijzondere gevallen, een voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een openstaande vorderingenanalyse.

Artikel 15. Reserves en voorzieningen

  • 1. Instellen, wijzigen en opheffen van bestemmingsreserve of voorzieningen:

    • a.

      Voor het instellen van bestemmingsreserves en voorzieningen is een raadsbesluit nodig. Het budgetrecht ligt namelijk bij de gemeenteraad. Het instellen van een bestemmingsreserve is een keus van de raad. Een voorziening moet worden ingesteld, hier heeft de raad geen keuzevrijheid.

    • b.

      Instellen bestemmingsreserve

      Voor het instellen van een nieuwe bestemmingsreserve moet minimaal worden aangegeven:

      • het specifieke doel van de reserve;

      • de voeding van de reserve;

      • de maximale hoogte van de reserve;

      • de verwachte looptijd.

    • c.

      Wijzigen doel of bestemming

      Het principe van een bestemmingsreserve is, dat de gemeenteraad te allen tijde het doel of de bestemming kan wijzigen. Voor een dergelijke wijziging is dus altijd een raadsbesluit nodig.

    • d.

      Opheffen bestemmingsreserve

      Wanneer het doel op basis waarvan een bestemmingsreserve is gevormd op enig moment vervalt, dan dient de reserve door middel van een raadsbesluit te worden opgeheven. De vrijkomende middelen worden bij raadsbesluit bestemd.

    • e.

      Wijzigen doel of bestemming voorziening

      Het doel van een voorziening kan niet wijzigen vanwege het verplichtende karakter en de harde kaders. Indien het doel niet meer bestaat of is veranderd, wordt de voorziening opgeheven. Indien het doel van een voorziening verandert, gelden zo nodig de criteria voor het instellen van een nieuwe voorziening. Die criteria staan beschreven in artikel 44 van het BBV.

    • f.

      Opheffen voorziening

      Een voorziening wordt opgeheven als een verplichting of een risico waarvoor een voorziening is ingesteld, is weggevallen. En een voorziening wordt opgeheven als een voorziening ophoudt te bestaan door bijvoorbeeld veranderingen in wet- of regelgeving. Aangezien opheffing van de voorziening in deze situatie verplicht is conform BBV, is voor het opheffen van de voorziening geen raadsbesluit nodig. Voor voorzieningen ter egalisatie van kosten geldt dat deze na besluitvorming door de gemeenteraad worden opgeheven. Het saldo van een voorziening, die wordt opgeheven, komt door een vrijval ten gunste van de exploitatie.

  • 2. Geen rentetoevoeging aan reserves en voorzieningen

    Aan reserves wordt geen rente toegevoegd. Dit naar aanleiding van een advies van de commissie BBV. Toevoegen van rente aan voorzieningen is per definitie niet toegestaan op grond van het BBV.

  • 3. Minimale omvang algemene reserve

    De algemene reserve heeft een bufferfunctie en maakt als zodanig onderdeel uit van de gemeentelijke weerstandscapaciteit. De weerstandscapaciteit is dat deel van het eigen vermogen dat beschikbaar is om eventuele risico's financieel op te kunnen vangen. Het belangrijkste ijkpunt is de omvang van de risico’s die in de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing van de programmabegroting en jaarrekening worden opgesomd en gekwantificeerd. Het bedrag aan risico’s is de ondergrens van de algemene reserve (de weerstandscapaciteit).

    De algemene reserve bestaat uit:

    • a.

      Algemene reserve – vrij besteedbaar;

    • b.

      Algemene reserve ter dekking van risico’s.

    De gelden benodigd om de geïnventariseerde- en gekwantificeerde risico’s mee af te dekken worden apart gezet in de Algemene reserve ter dekking van risico’s. De gemeente kan hier niet uit putten; de gelden worden apart gehouden voor het afdekken van de risico’s.

  • 4. Reserve woningbouwontwikkelingen en reserve bedrijventerreinen

    • a.

      Doel van deze reserves:

      • Afwaardering van lagere boekwaarde bij aankopen tegen marktwaarde zolang er nog geen bestemmingsplan is, waarbij de waarde tijdelijk wordt afgewaardeerd naar de landbouwwaarde (voorziening Materiële Vaste Activa);

      • Omslagrente van de strategische grondaankopen voor een periode van maximaal 10 jaren die nog niet in exploitatie zijn genomen (omslagrente = gewogen gemiddelde van de rente over het eigen vermogen en het vreemde vermogen).

    • b.

      Voeding van de reserve:

      • Winsten van en verliezen op grondexploitaties op het gebied van woningbouw en bedrijventerreinen komen ten gunste c.q. ten laste van deze beide reserves;

      • Hetgeen boven het plafond uitkomt, komt ten gunste van de algemene reserve (bij vaststelling van de jaarrekening via een balansmutatie). In de paragraaf grondexploitatie wordt dit onderbouwd. Het plafond van beide reserves bedraagt € 5.000.000 per reserve.

    • c.

      Zoals hierboven al genoemd komen de winsten van grondexploitaties ten gunste van de reserve woningbouwontwikkelingen respectievelijk reserve bedrijventerreinen. Het gaat hier dan om de winst bij verkoop. Daarnaast komen de opbrengsten van huur en pacht van de (op termijn) nog in exploitatie te nemen gronden ook ten gunste van beide reserves. Met deze opbrengsten worden de reserves aangevuld.

    • d.

      Bevoegdheid van college:

      Het college is bevoegd tot het doen van onttrekkingen en toevoegingen bij de hier bovengenoemde 2 reserves binnen de kaders van dit artikel.

Artikel 16. Kostprijsberekening

  • 1. Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden naast de directe kosten, de overheadkosten en de rente van de inzet van vreemd vermogen, reserves en voorzieningen voor de financiering van de in gebruik zijnde activa betrokken.

  • 2. Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa. Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW), de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid betrokken, perceptiekosten en kosten voor straatreiniging meegenomen.

  • 3. Bij het bepalen van de kosten voor leges, rechten, heffingen en geleverde diensten aan overheidsbedrijven en derden, worden de overheadkosten verwerkt in de uurtarieven. Deze uurtarieven (inclusief overhead) worden op basis van het aantal begrote uren toegerekend aan de kostprijs van de betreffende leges, rechten en heffingen.

  • 4. Het percentage van de omslagrente voor de toerekening van rente voor de financiering van de in gebruik zijn de activa, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld. Het percentage van deze omslagrente wordt bepaald uit het gewogen gemiddelde van het bij de begroting geraamde rentepercentage van de rentekosten op de opgenomen langlopende leningen, kortlopende leningen en kredieten.

  • 5. In afwijking van het vierde lid wordt bij een verstrekte lening voor de bepaling van de rentekosten van de inzet van vreemd vermogen in de kostprijs uitgegaan van de rente van de lening die voor de financiering van de verstrekte lening is aangetrokken. Deze rente wordt eventueel verhoogd met een opslag voor het debiteurenrisico.

  • 6. In afwijking van het eerste lid worden bij vennootschapsbelastingplichtige activiteiten en grondexploitaties alleen de rentekosten voor de inzet van vreemd vermogen aan de kostprijs toegerekend. Bij projectfinanciering worden dan de werkelijke rentekosten toegerekend. In andere gevallen wordt uitgegaan van het gewogen gemiddelde rentepercentage van de portefeuille leningen.

Artikel 17. Prijzen economische activiteiten

  • 1. Voor de levering van goederen, diensten of werken door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt ten minste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de levering van de desbetreffende goederen, diensten of werken wordt gemotiveerd.

  • 2. Bij het verstrekken van leningen of garanties door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden ten minste de geraamde integrale kosten in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de lening of de garantie wordt gemotiveerd.

  • 3. Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden gaat het college uit van een vergoeding van ten minste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de kapitaalverstrekking wordt gemotiveerd.

  • 4. Raadsbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in de vorige leden zijn niet nodig als minder dan de integrale kostprijs in rekening wordt gebracht en sprake is van:

    • a.

      leveringen van goederen, diensten of werken en het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal aan andere overheden voor zover deze leveringen en verstrekkingen zijn bedoeld voor de uitoefening van de publieke taak door die andere overheid;

    • b.

      een bevoordeling van activiteiten in het kader van een bij wet opgedragen publiekrechtelijke taak;

    • c.

      een bevoordeling van activiteiten in het kader van een toegekend bijzonder of uitsluitend recht waarvoor prijsvoorschriften gelden;

    • d.

      een bevoordeling van sociale werkplaatsen;

    • e.

      een bevoordeling van onderwijsinstellingen;

    • f.

      een bevoordeling van publieke media-instellingen; en

    • g.

      een bevoordeling die valt onder de reikwijdte van de staatssteunregels van het Werkingsverdrag van de Europese Unie en daarmee verenigbaar is.

Artikel 18. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen

  • 1. Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor de belastingen, de rioolheffingen, de afvalstoffenheffing, leges en vergelijkbare heffingen.

  • 2. Het college biedt de raad eens in de vier jaar een nota aan met de kaders voor de prijzen voor de levering van gemeentelijke goederen, werken en diensten aan overheidsbedrijven en derden en voor de huren en de erfpachten.

  • 3. Het college legt bij een tussentijdse wijziging van prijzen, huren en erfpachten ten opzichte van de kaders uit de nota vooraf een besluit voor aan de raad.

Artikel 19. Financieringsfunctie

  • 1. Het college neemt in het treasurystatuut de regels op die zij hanteert voor het dagelijkse beheer van koersrisico en valutarisico, kredietrisico en relatiebeheer, intern liquiditeitsrisico en geldstromenbeheer, administratieve organisatie en interne controle van de financieringsfunctie.

  • 2. Bij het verstrekken van leningen, het verstrekken van garanties en het verstrekken van risicodragend kapitaal het college indien mogelijk zekerheden bedingt.

Hoofdstuk 5. Paragrafen

Artikel 20. Lokale heffingen

Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf lokale heffingen naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 10 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:

  • de kostentoerekening van de geraamde rentekosten en de geraamde overheadkosten aan de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht.

Artikel 21. Financiering

In de paragraaf financiering bij de begroting en de jaarstukken neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 13 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:

  • a.

    de berekening van het rentepercentage voor de omslagrente voor het bepalen van de kostprijzen, bedoeld in artikel 12, vierde lid;

  • b.

    de kasgeldlimiet;

  • c.

    de renterisiconorm;

  • d.

    de omvang en samenstelling van het vreemd vermogen;

  • e.

    de omvang en samenstelling van de uitzettingen;

  • f.

    de huidige liquiditeitspositie;

  • g.

    de liquiditeitsplanning en de financieringsbehoefte voor de komende drie jaar;

  • h.

    de rentevisie;

  • i.

    de rentekosten en renteopbrengsten verbonden aan de financieringsfunctie;

  • j.

    het gemeentelijk EMU-saldo.

Artikel 22. Weerstandsvermogen & risicobeheersing

In de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in ieder geval de verplichte onderdelen op, op grond van artikel 11 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

Artikel 23. Onderhoud kapitaalgoederen

Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen in ieder geval de verplichte onderdelen op, op grond van artikel 12 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten, alsmede de voortgang van het geplande onderhoud en de omvang van het achterstallig onderhoud.

  • 1.

    Het college biedt de raad ten minste eens in de 4 jaar een onderhoudsplan wegen aan. Het plan geeft het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud, de kosten van het onderhoud voor de wegen en de dekking van het onderhoud. De raad stelt het meerjarenonderhoudsplan vast en de benodigde dekking wordt opgenomen in de begroting.

  • 2.

    Het college biedt de raad ten minste eens in de 4 jaar een onderhoudsplan gebouwen aan. Het plan geeft het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud, de kosten van het onderhoud voor de gemeentelijke gebouwen en de dekking van het onderhoud. De raad stelt het meerjarenonderhoudsplan vast en de benodigde dekking wordt opgenomen in de begroting.

  • 3.

    Het college biedt de raad ten minste eens in de 4 jaar een rioleringsplan aan. Het plan geeft het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud, de uitbreiding van de riolering, de kosten van het onderhoud en de eventuele uitbreidingen en de dekking van het onderhoud. De raad stelt het meerjarenonderhoudsplan vast en de benodigde dekking wordt opgenomen in de begroting.

  • 4.

    Het college biedt de raad ten minste eens in de 4 jaar een onderhoudsplan kunstwerken aan. Het plan geeft het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud, de kosten van het onderhoud en de dekking van het onderhoud. De raad stelt het meerjarenonderhoudsplan vast en de benodigde dekking wordt opgenomen in de begroting.

  • 5.

    Het college biedt de raad ten minste eens in de 4 jaar een onderhoudsplan openbare verlichting aan.

    Het plan geeft het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud, de kosten van het onderhoud en de dekking van het onderhoud. De raad stelt het meerjarenonderhoudsplan vast en de benodigde dekking wordt opgenomen in de begroting.

Artikel 24. Bedrijfsvoering

In de paragraaf bedrijfsvoering bij de begroting en de jaarstukken neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 14 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:

  • a.

    de omvang, opbouw en ontwikkeling van het personeelsbestand en de loonkosten;

  • b.

    de kosten van inhuur derden;

  • c.

    de huisvestingskosten;

  • d.

    de automatiseringskosten;

  • e.

    de kosten voor de raad, de griffie, de rekenkamer en de accountant;

  • f.

    een toelichting op alle afwijkingen in rechtmatigheid, die in de rechtmatigheids-verantwoording zijn opgenomen voor zover deze de rapportagegrens, zoals bedoeld in artikel 9 lid 3 overschrijden en welke maatregelen worden genomen om deze afwijkingen in de toekomst te voorkomen.

Artikel 25. Verbonden partijen

Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf verbonden partijen in ieder geval de verplichte onderdelen op, op grond van artikel 15 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

Artikel 26. Grondbeleid

  • 1. In de paragraaf grondbeleid bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in ieder geval de verplichte onderdelen op, op grond van artikel van 16 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

  • 2. Het college biedt de raad ten minste eens in de 4 jaar een programma grondbeleid ter informatie aan. Het grondbeleid is een programma onder de Omgevingsvisie. De Omgevingsvisie wordt vastgesteld door de raad. Vaststelling van programma’s zijn een collegebevoegdheid op grond van artikel 3.4 van de Omgevingswet. In het programma grondbeleid wordt aandacht besteed aan:

    • a.

      strategische visie van het toekomstig grondbeleid van de gemeente;

    • b.

      de uitgangspunten voor de verkoopprijzen van gronden.

  • 3. Het college rapporteert aan de raad in de begroting en in de jaarrekening, onder de paragraaf Grondbeleid:

    • a.

      te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten;

    • b.

      het verloop van de grondvoorraad.

Hoofdstuk 6. Financiële organisatie en financieel beheer

Artikel 27. Administratie

De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor:

  • a.

    het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente als geheel en in de clusters;

  • b.

    het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden, contracten e.d.;

  • c.

    het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het maken van kostencalculaties;

  • d.

    het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid;

  • e.

    het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving;

  • f.

    de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving.

Artikel 28. Financiële organisatie

Het college draagt zorgt voor:

  • a.

    een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken aan de clusters;

  • b.

    een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden, verantwoordelijkheden;

  • c.

    de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten;

  • d.

    de interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie;

  • e.

    de te maken afspraken met de clusters over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen;

  • f.

    de kostenverdeelsleutels voor het eenduidig toewijzen van baten en lasten aan de taakvelden;

  • g.

    het beleid en de interne regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen, opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan.

Artikel 29. Interne controle

  • 1. Het college zorgt ten behoeve van het getrouwe beeld van de jaarrekening, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder a, van de Gemeentewet, en de rechtmatigheid van de baten en lasten en de balansmutaties, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder b, van de Gemeentewet, voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen rapporteren burgemeester en wethouders daarover in de rechtmatigheidsverantwoording, zoals beschreven in artikel 24 onder f. Daarnaast informeren burgemeester en wethouders de raad over genomen maatregelen tot herstel van de tekortkomingen.

  • 2. Het college zorgt voor de systematische controle van de registratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het financieel vermogen van de gemeente met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd en registergoederen en bedrijfsmiddelen ten minste eenmaal in de vier jaar.

  • 3. Bij afwijkingen in de registratie neemt het college maatregelen voor herstel van de tekortkomingen.

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Artikel 30. Intrekking oude regeling

De Financiële verordening van 4 december 2024 wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de jaarrekening en het jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar voorafgaand aan het jaar waarin deze verordening in werking treedt.

Artikel 31. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2025.

  • 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening Noardeast-Fryslân 2025.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Noardeast-Fryslân van 20 november 2025.

De raad voornoemd,

de griffier,

mr. S.K. Dijkstra

de voorzitter,

mr. J.G. Kramer

Bijlage 1: Afschrijvingstermijnen (artikel 13)

Afschrijvingstermijnen

Max. jaren ( * )

Gebouwen (excl. onderwijs)

Gronden en terreinen

0

Gebouwen

40

Verbouwing

25

Renovatie (levensduur verlengend)

Max. levensduur actief, niet hoger dan 25 jaar

Bij nieuwbouw:

  • Cv-ketels

15

  • Luchtbehandelingskast, airco

20

  • Lift, incl. bijbehorende regelapparatuur

15

  • Inbraak- en brandbeveiligingsapparatuur

10

  • Sanitair

20

  • Dakbedekkingen

15

Bliksemafleiders

10

Energiebesparende maatregelen

15

Installaties en dergelijke :

Lichtinstallaties

20

Telefooninstallaties / bekabeling data- en telecomnet

8

Inventaris e.d.

Bureaustoelen

10

Bureau’s, kasten, balie etc.

15

Keuken- en kantoorapparatuur

15

Stemhokjes

5

Immateriële activa:

Kosten onderzoek en ontwikkeling van een bepaald actief

5

 

Automatisering:

Systemen (software)

7

Apparatuur (hardware): laptops, I-pads etc.

5

Audio-/videosysteem raad

10

Begraafplaatsen:

Aanleg/uitbreiding

30

Overige voorzieningen

25

 

Onderwijs:

Onderwijsgebouwen (incl. 1e inrichting)

40

Renovatie onderwijsgebouwen

Max. levensduur actief, niet hoger dan 25 jaar

Materiële instandhouding

10

Noodlokalen onderwijs

15

 

Sportvoorzieningen:

Bouw gymnastieklokalen / sporthallen / zwembaden / kleedlokalen

40

Renovatie gymlokalen / sporthallen / zwembaden / kleedlokalen

Per geval

Aanleg sportvelden / overige accommodaties

25

Sportvelden kunstgras onderlaag

25

Sportvelden kunstgras toplaag

12

Installaties

15

Inrichting en apparatuur sportaccommodaties

20

Gymnastiekmaterialen

15

 

Speelterreinen:

Aanleg/inrichting

25

Toestellen

15

 

 Materieel en voertuigen buitendienst:

Sneeuwploegen

20

Natzoutmenginstallaties

20

Opzetstrooiers

15

Getrokken strooiers

10

Schaftwagens

10

Werktuigdrager/ minitrekkers voor borstel/ maaidek

8

Gazonmaaimachines

8

Klepelmaaimachines

10

Veegauto’s

10

Kolkenzuigers

15

Kraanhaakauto’s / vrachtauto’s

10

Huisvuilauto’s

8

Hoogwerkers

15

Tractoren

10

Aanhangwagens

10

Bestelauto’s

10

Electrische auto’s

8

Afzetcontainers met / zonder klep

10

Laadschoppen / heftrucks / mini kranen

10

Onkruidmachines (heetwater / borstel)

5

Takkenversnipperaars + kipper

10

Beregeningsinstallaties

15

Uitrustingsstukken tractoren

10

Groot randapparatuur

10

Rioolontstoppingenmachines met aanhangwagens

15

Machines werkplaatsen

15

Minicontainers

20

Ondergrondse containers

20

Wegen straten en pleinen:

Aanleg/reconstructie/herinrichting

25

Straatverlichting;

– Masten

40

– Armaturen

20

– Mast en armatuur een geheel

25

Kunstwerken (bruggen, viaducten, tunnels e.d.)

25

Parkeerautomaten- en meters

10

Straatmeubilair

15

Verkeerslichten / belijningsmachines / geluidmeetapparatuur

10

 

Waterbeheer:

Aanleg vaarten / vijverpartijen

25

Haven- en sluiswerken

25

Beschoeiingen / overige voorzieningen

20

Houten damwanden

20

Stalen damwanden

40

Parken, plantsoenen en tuinen:

Aanleg (inclusief beplanting)

25

 

Riolering:

Aanleg en vervanging riolering

40

 

* De afschrijvingstermijnen in deze tabel gelden, tenzij de verwachte toekomstige gebruiksduur langer is en als gevolg hiervan een langere afschrijvingstermijn noodzakelijk is. Deze langere afschrijvingstermijn zal op basis een raadsbesluit worden vastgesteld. Een kortere afschrijvingstermijn gebaseerd op een kortere gebruiksduur in afwijking van deze tabel is toegestaan.