Beleidsregel bestuurlijke boete BSR

Geldend van 13-03-2025 t/m heden

Intitulé

Beleidsregel bestuurlijke boete BSR

Het dagelijks bestuur van Belastingsamenwerking Rivierenland (hierna de BSR);

gelet op hoofdstuk VIIIA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

gelet op artikel 123 van de Waterschapswet;

gelet op artikel 231 van de Gemeentewet;

gelet op artikel 4:81 en titel 5.4 van de Algemene wet bestuursrecht;

BESLUIT:

vast te stellen de Beleidsregel bestuurlijke boete BSR

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Reikwijdte beleidsregel

Deze beleidsregel geldt bij de heffing van de belastingen door Belastingsamenwerking Rivierenland.

Artikel 2 Begrip belanghebbende

Onder belanghebbende wordt voor de toepassing van deze beleidsregel verstaan degene aan wie een boete is of kan worden opgelegd.

Artikel 3 Toerekening

Een handelen of nalaten van een derde, die voor of namens belanghebbende optreedt, wordt aan de belanghebbende toegerekend.

Artikel 4 Verzuimboete/vergrijpboete

De verzuimboete heeft tot doel een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen aan te scherpen. Voor het opleggen van de verzuimboete is voldoende dat aan één of meer van deze verplichtingen niet is voldaan. Bij afwezigheid van alle schuld (hierna te noemen: avas) legt de heffingsambtenaar geen verzuimboete op. Indien bij bezwaar blijkt dat sprake is van avas, vernietigt de heffings-ambtenaar de boete. Belanghebbende dient avas te stellen en te bewijzen.

De vergrijpboete is gericht op het bestraffen van een handelen of nalaten, waarbij sprake is van opzet dan wel grove schuld. De heffingsambtenaar dient de aanwezigheid van opzet of grove schuld te stellen en te bewijzen.

Artikel 5 Verplichte keuze verzuimboete of vergrijpboete

Bij het niet doen van aangifte met betrekking tot belastingen die bij wege van aanslag worden geheven maakt de heffingsambtenaar een keuze tussen het opleggen van een verzuimboete en het opleggen van een vergrijpboete. Een eenmaal opgelegde verzuimboete sluit het opleggen van een vergrijpboete voor hetzelfde feit uit. Het opleggen van een vergrijpboete sluit het nadien opleggen van een verzuimboete voor hetzelfde feit uit.

Artikel 6 Gelijktijdigheid

De vaststelling van een belastingaanslag en de vaststelling van een met deze belastingaanslag samenhangende boetebeschikking vinden in beginsel gelijktijdig plaats.

Artikel 7 Ambtshalve vermindering

Indien belanghebbende niet meer in rechte tegen een hem opgelegde boete op kan komen, gaat de heffingsambtenaar na ontvangst van een verzoek om ambtshalve vermindering na of de boete tot een juiste hoogte is vastgesteld. Indien het de heffingsambtenaar blijkt dat de boete tot een te hoog bedrag is vastgesteld, vermindert hij de boete. De termijn waarbinnen belanghebbende om vermindering van de boete kan verzoeken bedraagt vijf jaren, te rekenen vanaf de dag na het onherroepelijk worden van de boetebeschikking.

De heffingsambtenaar vermindert ambtshalve een opgelegde boete indien deze als gevolg van een wijziging van de grondslag voor de berekening van de boete voorverlaging in aanmerking komt.

Hoofdstuk 2 Waarborgen

Ondertekening

Artikel 8 Karakter van de boete

Het opleggen van een boete is aan te merken als het instellen van een strafvervolging in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna te noemen: EVRM). De aan belanghebbende in verband met het opleggen van boeten toekomende waarborgen gelden, met uitzondering van het inzagerecht, vanaf het tijdstip waarop de heffingsambtenaar jegens belanghebbende een handeling heeft verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem wegens een bepaalde gedraging een boete is of zal worden opgelegd.

Artikel 9 Straftoemeting

Bij het opleggen van een boete gaat de heffingsambtenaar uit van de percentages of bedragen, vermeld in de hoofdstukken III en IV van dit besluit. Aangezien het opleggen van een boete een vorm van straftoemeting is, houdt de heffingsambtenaar vervolgens in voorkomende gevallen rekening met omstandigheden die aanleiding geven tot een hogere of een lagere boete dan op grond van deze hoofdstukken kan worden opgelegd (zie hoofdstuk V van dit besluit).

Artikel 10 Redelijke termijn

Overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM kan aanleiding zijn tot matiging van de boete, dan wel in uitzonderlijke gevallen tot het vervallen van de boete. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet onder meer worden gelet op de ingewikkeldheid van de zaak, het processuele gedrag van belanghebbende en de wijze waarop de zaak door BSR is behandeld.

Artikel 11 Beperking van de informatieverplichtingen

Indien de heffingsambtenaar jegens belanghebbende een handeling heeft verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem wegens een bepaalde gedraging een boete zal worden opgelegd, is belanghebbende niet langer verplicht ter zake van die gedraging een verklaring af te leggen voor zover het de boeteoplegging betreft. Het niet verstrekken van de uitsluitend met het oog op de boete– oplegging gevraagde inlichtingen en gegevens leidt niet tot omkering van de bewijslast.

Artikel 12 Verhoor

Er is sprake van een verhoor indien de heffingsambtenaar belanghebbende in een directe confrontatie ondervraagt in het kader van zijn voornemen een boete op te leggen. Een verhoor vindt niet eerder plaats dan na schriftelijke oproep door de heffingsambtenaar. In deze oproep wordt vermeld dat belanghebbende tijdens het verhoor niet tot antwoorden is verplicht. Belanghebbende dient zelf te verschijnen. Met instemming van de heffingsambtenaar kan belanghebbende zich laten vertegenwoordigen.

Belanghebbende is tijdens het verhoor niet tot antwoorden verplicht. Hij dient voor de aanvang van het verhoor hierop te worden gewezen (cautie).

Belanghebbende kan zich tijdens het verhoor doen bijstaan. Wanneer een belanghebbende die de Nederlandse taal niet of gebrekkig beheerst, voor het verhoor verzoekt om bijstand van een tolk, draagt de heffingsambtenaar er zorg voor dat deze wordt benoemd. Indien de heffingsambtenaar weet dat belanghebbende de Nederlandse taal niet of gebrekkig beheerst, draagt hij zorg voor de aanwezigheid van een tolk. Indien tijdens het verhoor blijkt dat belanghebbende de Nederlandse taal niet beheerst, wordt het verhoor afgebroken. Het verhoor vindt dan plaats op een later moment waarbij de heffingsambtenaar zorg draagt voor de aanwezigheid van een tolk. Voor dat nieuwe verhoor wordt een aparte oproep verzonden of uitgereikt.

De heffingsambtenaar maakt na afloop van het verhoor een verslag, waarin hij vermeldt dat de cautie is gegeven. Belanghebbende krijgt een afschrift van het verslag.

Artikel 13 Recht op inzage

Het recht op inzage geldt vanaf het moment waarop de heffingsambtenaar belanghebbende heeft medegedeeld dat hem een verzuimboete is opgelegd of hem ervan in kennis heeft gesteld dat hem een vergrijpboete zal worden opgelegd. Indien het voornemen tot het opleggen van een boete (mede) berust op gegevens over derden worden de desbetreffende bescheiden, voor zover mogelijk, geanonimiseerd.

Artikel 14 Mededelingsplicht

De mededeling geschiedt schriftelijk. Bij het opleggen van een verzuimboete vermeldt de mededeling het feit dat aanleiding heeft gegeven tot het opleggen van de boete alsmede de voor de berekening van de boete gehanteerde uitgangspunten. Bij het opleggen van een vergrijpboete vermeldt de mededeling de feiten die aanleiding hebben gegeven tot het opleggen van de boete alsmede de feiten en omstandigheden op grond waarvan kan worden aangenomen dat sprake is van opzet of grove schuld. In voorkomende gevallen dient de mededeling tevens te vermelden de bijzondere omstandigheden van hoofdstuk V van dit besluit die tot een matiging dan wel verhoging van de boete hebben geleid. Indien de heffingsambtenaar weet dat belanghebbende noch zijn gemachtigde de Nederlandse taal voldoende begrijpt, vult hij de mededeling aan met een vertaling daarvan, althans een korte weergave in een voor de belanghebbende of zijn gemachtigde begrijpelijke taal.

Artikel 15 Termijnoverschrijding

Indien belanghebbende niet binnen de in de wet gestelde termijn in bezwaar is gekomen tegen de boete en hij gemotiveerd stelt dat de termijnoverschrijding niet aan hem of zijn gemachtigde kan worden toegerekend, verklaart de heffingsambtenaar hem ontvankelijk in zijn bezwaar, tenzij de heffingsambtenaar aantoont dat deze stelling van belanghebbende niet juist is.

Artikel 16 Kennisgeving en hoorplicht

De kennisgeving van het voornemen een vergrijpboete op te leggen en van de gronden waarop dat voornemen berust, geschiedt schriftelijk. De heffingsambtenaar geeft belanghebbende een redelijke termijn waarbinnen hij de aangevoerde gronden kan betwisten. Indien belanghebbende de in de kennisgeving aangevoerde gronden mondeling wenst te betwisten, wordt hij door de heffingsambtenaar gehoord.

Artikel 17 Una via

Het ‘una via’–beginsel sluit het opleggen van een vergrijpboete uit in gevallen waarin ter zake van hetzelfde feit tegen belanghebbende een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvervolging is vervallen, omdat belanghebbende aan de hem daartoe gestelde voorwaarden heeft voldaan (transactie). Omgekeerd sluit het opleggen van een vergrijpboete aan belanghebbende strafvervolging tegen hem ter zake van hetzelfde feit uit. Het voorgaande houdt in dat de heffingsambtenaar het opleggen van de vergrijpboete aanhoudt zodra hij weet dat een gedraging onderwerp is of kan zijn van een opsporingsonderzoek dan wel van een strafrechtelijke vervolging. Indien de termijn waarbinnen de belastingaanslag en de boetebeschikking moeten zijn opgelegd, dreigt te verstrijken, treedt de heffingsambtenaar tijdig in overleg met de betrokken opsporingsautoriteiten om te bepalen of er definitief voor strafrechtelijke afdoening wordt gekozen dan wel of er alsnog een vergrijpboete wordt opgelegd.

Hoofdstuk 3 Verzuimboeten

Artikel 18 Aanslagbelastingen

Bij het opleggen van een verzuimboete wegens het niet tijdig doen van aangifte wordt een onderscheid gemaakt tussen een eerste, tweede en derde/volgend verzuim. Van een tweede respectievelijk derde/volgend verzuim is sprake, indien belanghebbende over de voorafgaande vijf belastingjaren éénmaal respectievelijk tweemaal of meer in verzuim is geweest.

Aangifteverzuim aanslagbelasting artikel 67a Awr

De heffingsambtenaar legt in geval van een eerste verzuim minimaal een boete op van 5 procent van het bedrag van de aanslag. De verzuimboete is niet lager dan € 100,-. In geval van een tweede verzuim legt de heffingsambtenaar een boete op van minimaal 10 procent van het bedrag van de aanslag. De verzuimboete is dan niet lager dan € 200,-. De heffingsambtenaar legt een boete van minimaal 15 procent op van het bedrag van de aanslag, indien sprake is van een derde/volgend verzuim. De verzuimboete is dan niet lager dan € 300,- en niet hoger dan het maximum van artikel 67a Awr.

Indien sprake is van het niet doen van aangifte legt de heffingsambtenaar een verzuimboete op van 15 procent van het bedrag van de aanslag. De verzuimboete is niet lager dan € 300,- en niet hoger dan het maximum van artikel 67a Awr.

Onder het bedrag van de aanslag wordt verstaan het bedrag van de aanslag na verrekening van opgelegde voorlopige aanslagen. Een opgelegde verzuimboete wordt naar evenredigheid verlaagd bij vermindering of teruggaaf van belasting. De verzuimboete wordt niet lager gesteld dan op de hiervoor genoemde minimum bedragen.

Verzuimboete artikel 67ca Awr

Het niet voldoen aan de verplichting, welke wordt opgelegd bij of krachtens de in artikel 67ca, eerste lid, Awr vermelde artikelen, wordt aangemerkt als een verzuim. Ter zake van het verzuim kan de ambtenaar belast met de heffing een verzuimboete opleggen van 50 procent van het wettelijk maximum van artikel 67ca, eerste lid, Awr.

In afwijking van hiervoor genoemde, kan in uitzonderlijke gevallen een verzuimboete tot het wettelijk maximum worden opgelegd. De boete wordt opgelegd aan degene die niet aan zijn verplichting voldoet. Dit kan een ander zijn dan de belastingplichtige.

De beschikking waarbij de verzuimboete wordt opgelegd kan, maar behoeft niet gelijktijdig met een eventuele (ambtshalve) belastingaanslag te worden genomen.

Hoofdstuk 4 Vergrijpboeten

Artikel 19 Algemeen

Vergrijpboeten kunnen alleen worden opgelegd indien sprake is van grove schuld of opzet.

Onder opzet wordt mede verstaan voorwaardelijk opzet. Grove schuld is een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid en omvat mede grove onachtzaamheid.

In geval van grove schuld legt de heffingsambtenaar een vergrijpboete op van minimaal 25 procent van de aanslag. In geval van opzet legt de heffingsambtenaar een vergrijpboete op van minimaal 50 procent van de aanslag.

Onder het bedrag van de aanslag wordt verstaan het bedrag van de aanslag na verrekening van opgelegde voorlopige aanslagen. De vergrijpboete is niet lager dan € 300,-.

Indien bij het opleggen van een vergrijpboete slechts een gedeelte van de verschuldigde belasting door opzet of grove schuld van belanghebbende te weinig is of zou zijn geheven, berekent de heffingsambtenaar de boete over dat – naar evenredigheid bepaalde – gedeelte.

Het voorgaande vindt overeenkomstige toepassing indien meer dan één boetepercentage moet worden toegepast. De boete wordt berekend over het bedrag van de (navorderings-)aanslag, een en ander voor zover dat bedrag als gevolg van de opzet (of grove schuld) van de heffingsplichtige niet zou zijn geheven.

De ambtenaar belast met de heffing dient de aanwezigheid van opzet of grove schuld te stellen en te bewijzen. De ambtenaar belast met de heffing kan zich voor het bewijs van opzet of grove schuld baseren op door hem gestelde, en door belanghebbende niet of niet voldoende ontzenuwde vermoedens die gebaseerd zijn op feiten.

De bij de heffing bestaande mogelijkheid om de belastingaanslag onder bepaalde voorwaarden vast te stellen met omkering van de bewijslast geldt niet voor het vaststellen van opzet of grove schuld. Bij minder dan grove schuld wordt geen vergrijpboete opgelegd.

Onder gevolg van artikel 67d Awr wordt de vergrijpboete gelijktijdig opgelegd met de aanslag door de ambtenaar belast met de heffing, indien een aangifte, met opzet niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan. Het opleggen van een vergrijpboete wegens het met opzet niet binnen de termijn doen van aangifte voor de aanslagbelasting is niet mogelijk.

Indien bij het opleggen van een vergrijpboete slechts een gedeelte van de verschuldigde belastingdoor opzet of grove schuld van belanghebbende te weinig is of zou zijn geheven dan wel betaald, berekent de ambtenaar belast met de heffing de boete over dat – naar evenredigheid bepaalde –gedeelte. De bepaling vindt overeenkomstige toepassing indien meer dan één boetepercentage moet worden toegepast.

De vergrijpboete bedraagt maximaal 100% van het bedrag aan belasting dat als gevolg van de onjuiste of onvolledige gegevens of inlichtingen ten onrechte is of zou zijn teruggegeven of ten onrechte niet is of zou zijn betaald. Dit geldt ook indien de omvang van de feitelijk geheven belasting is vastgesteld met toepassing van de omkering van de bewijslast.

De vergrijpboete wordt niet opgelegd na de dagtekening van de definitieve aanslag over het belastingjaar waarop het verzoek betrekking heeft.

Als er sprake is van samenloop tussen het overtreden van de artikelen 67cc en 67d van de Awr, dan kunnen twee afzonderlijke vergrijpboeten worden opgelegd (artikel 5:8 van de Awb). Als en voor zover deze samenloop betrekking heeft op dezelfde gegevens en inlichtingen, dan wordt slechts artikel 67d van de Awr toegepast.

Artikel 67n van de Awr is van overeenkomstige toepassing. Een juiste, volledige en tijdige aangifte kan eveneens kwalificeren als een vrijwillige verbetering, mits deze is gedaan voordat de ambtenaar belast met de heffing met de onjuistheden of onvolledigheden in de verzoeken in de voorlopige aanslagsfeer bekend is of zou worden.

Artikel 20 Vergrijpboete bij (initiële) aanslag

Gelijktijdig met de aanslag legt de heffingsambtenaar een vergrijpboete op indien een aangifte, met opzet niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan. Indien een onjuiste of onvolledige aangifte is gedaan, wordt de vergrijpboete gebaseerd op het belastingbedrag dat is toe te rekenen aan de correcties ter zake van een of meer tekortkomingen in de aangifte waaraan de kwalificatie 'opzet' kan worden verbonden.

Artikel 21 Vergrijpboete bij navorderingsaanslag

De heffingsambtenaar legt gelijktijdig met het vaststellen van de navorderingsaanslag, een vergrijpboete op, indien het aan opzet of grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. Worden de feiten en omstandigheden op grond waarvan wordt nagevorderd eerst bekend op of na het tijdstip dat is gelegen zes maanden voor het verstrijken van de navorderingstermijn, dan kan de heffingsambtenaar binnen zes maanden na de vaststelling van de navorderingsaanslag nog een vergrijpboete opleggen. In dat geval deelt de heffingsambtenaar de belanghebbende gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag mee, dat nog onderzoek plaatsvindt of het opleggen van een vergrijpboete gerechtvaardigd is.

Hoofdstuk 5 Bijzondere omstandigheden

Artikel 23 Algemeen

Er kunnen omstandigheden zijn die, met toepassing van de hoofdstukken III, IV en V van deze beleidsregel, aanleiding geven de bepaalde hoogte van de boete te verhogen of te matigen, dan wel de reeds opgelegde boete te verminderen.

Artikel 24 Strafverzwarende omstandigheden

In daarvoor in aanmerking komende gevallen moet rekening worden gehouden met het aantal malen dat vergrijpen in een bepaalde periode hebben plaatsgevonden (recidive). Van recidive is sprake indien aan belanghebbende reeds eerder een vergrijpboete of een straf is opgelegd. In geval van recidive wordt de vergrijpboete bij grove schuld verhoogd tot maximaal 50 procent en de vergrijpboete bij opzet tot maximaal 100 procent. Verhoging van de boete wegens recidive vindt uitsluitend plaats indien in de periode van vijf jaren voorafgaand aan de door de heffingsambtenaar opgelegde vergrijpboete reeds eerder een vergrijpboete is opgelegd. Vervalt de eerdere vergrijpboete naderhand wegens het ontbreken van opzet dan wel grove schuld, dan wordt de toegepaste verhoging van de vergrijpboete op de voet van het eerste lid ambtshalve gecorrigeerd.

De ernst van de te beboeten gedraging kan aanleiding geven de op de voet van hoofdstuk

IV van deze beleidsregel op te leggen boete te verhogen tot maximaal 100 procent. Hiertoe is in elk geval aanleiding indien sprake is van listigheid, valsheid of samenspanning. Indien het gevolg van het te beboeten gedrag is dat de belasting die te weinig is of zou zijn geheven omvangrijk of verhoudingsgewijs omvangrijk is, verhoogt de heffingsambtenaar de vergrijpboete eveneens tot maximaal 100 procent. Bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven de op te leggen of opgelegde boete te matigen zoals een wanverhouding tussen de ernst van het feit en de op grond van de hoofdstukken I II en IV van deze beleidsregel op te leggen of opgelegde boete en omstandigheden die hebben geleid tot het beboetbare feit, maar buiten de directe invloedssfeer van de belanghebbende liggen.

Hoofdstuk 6 Inwerkingtreding en citeertitel

Artikel 25 Inwerkingtreding en citeertitel

1. Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.

toepassing op aangiften die betrekking hebben op tijdvakken en tijdstippen die aanvangen onderscheidenlijk liggen op of na bekendmaking.

2. De Beleidsregels bestuurlijke boete van 28 maart 2019 worden hierbij ingetrokken, met dien verstande dat deze beleidsregels van toepassing blijven op tijdvakken en tijdstippen die aanvangen onderscheidenlijk liggen voor 1 januari 2019.

3. Deze beleidsregel wordt aangehaald als "Beleidsregel bestuurlijke boete BSR".

Aldus vastgesteld in de vergadering van het dagelijks bestuur van 13 maart 2025.

W. van Wikselaar, voorzitter

G.M. Scholtus, directeur