Participatieverordening Wijk bij Duurstede 2026

Geldend van 07-02-2026 t/m heden

Intitulé

Participatieverordening Wijk bij Duurstede 2026

De raad van de gemeente Wijk bij Duurstede;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders

d.d. 18 november 2025, nr. 1168780

gelet op:

  • de artikelen 149 en 150 van de Gemeentewet, de artikelen 3.1, 2.4 en 3.4 van de Omgevingswet en de artikelen 10.7, 10.2 en 10.8 van het Omgevingsbesluit

overwegende dat:

  • het van belang is lokale democratische processen door participatie van inwoners te verrijken, de samenwerking tussen gemeente en inwoners te versterken en helderheid te geven over de invulling van de participatieprocedure;

  • dat participatie wordt toegepast wanneer het redelijkerwijze is te verwachten dat er belanghebbenden zijn bij het betreffende beleid of besluit, ofwel wanneer redelijkerwijs te verwachten is dat betrokken bewoners of experts over relevante ervaringskennis of inzichten beschikken die bruikbaar zijn bij de ontwikkeling van het beleid of besluit

besluit vast te stellen de volgende verordening:

Participatieverordening Wijk bij Duurstede 2026

Inwonersparticipatie en uitdaagrecht

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Definities

Deze verordening verstaat onder:

  • -

    beleid: gedragslijn, project, programma of plan van de gemeente om een bepaald doel te realiseren;

  • -

    bestuursorgaan: het bestuursorgaan dat bevoegd is, afhankelijk van de inhoud van het beleid of de taak is dat de gemeenteraad, het college of de burgemeester;

  • -

    college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijk bij Duurstede;

  • -

    inspraak: de mogelijkheid die een bestuursorgaan inwoners en belanghebbenden biedt om hun mening te geven als bedoeld in artikel 150, tweede lid, van de Gemeentewet;

  • -

    inwoners: ingezetenen als bedoeld in artikel 2 van de Gemeentewet;

  • -

    inwonersparticipatie: op initiatief van de gemeente betrekken van inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid;

  • -

    maatschappelijke partijen: organisaties met een aantoonbare maatschappelijke doelstelling en lokale binding, die statutair of feitelijk actief zijn binnen de gemeente en beogen een actieve bijdrage te leveren aan de lokale samenleving;

  • -

    ondernemers: bedrijven en instellingen die statutair binnen de gemeente zijn gevestigd en in hoofdzaak binnen de gemeente hun activiteiten verrichten;

  • -

    uitdaagrecht: het recht van inwoners en maatschappelijke partijen om de feitelijke uitvoering van een gemeentelijke taak over te nemen als bedoeld in artikel 150, derde lid, van de Gemeentewet.

Artikel 2. Reikwijdte

  • 1. Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen beleid of inwonersparticipatie plaatsvindt en ten aanzien van zijn eigen taken of om toepassing van het uitdaagrecht kan worden verzocht.

  • 2. Het bestuursorgaan past bij participatie bij het vaststellen of wijzigen van de omgevingsvisie als bedoeld in artikel 3.1 van de Omgevingswet, het omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet of een programma als bedoeld in artikel 3.4 van de Omgevingswet, zoveel mogelijk deze verordening toe. Daarbij neemt het bestuursorgaan de motiveringsplicht als bedoeld in de artikelen 10.7, 10.2 en 10.8 van het Omgevingsbesluit in acht.

  • 3. Er vindt geen inwonersparticipatie of toepassing van het uitdaagrecht plaats als:

    • a.

      het om een lopend uitvoerings- of evaluatietraject of een ondergeschikte herziening van die trajecten of het beleid gaat;

    • b.

      inwonersparticipatie of toepassing van het uitdaagrecht bij of krachtens wettelijk voorschrift uitgesloten is;

    • c.

      de uitkomst van de inwonersparticipatie of de toepassing van het uitdaagrecht vanwege de spoedeisendheid niet kan worden afgewacht;

    • d.

      de verantwoordelijkheid van het betrokken bestuursorgaan voor kwetsbare groepen in de samenleving zwaarder moet wegen;

    • e.

      sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft;

    • f.

      het om interne (organisatorische) aangelegenheden van de gemeente gaat;

    • g.

      het om de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet gaat.

Hoofdstuk 2. Inwonersparticipatie

Artikel 3. Plan voor inwonersparticipatie

  • 1. Het bestuursorgaan stelt voorafgaand aan de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid een participatieplan of -notitie vast met het proces en de planning van de inwonersparticipatie conform de methodiek van het Relevante Gesprek, zoals die wordt genoemd in de participatievisie (2022) en is geïmplementeerd in de werkwijzen binnen de organisatie. Het bestuursorgaan maakt dit plan of deze notitie tijdig bekend op de voor die participatieprocedure geschikte wijze.

  • 2. Het plan bevat in elk geval:

    • a.

      een omschrijving van het beleid dat voorbereid, uitgevoerd of geëvalueerd wordt;

    • b.

      informatie over het doel, het proces en de planning van de inwonersparticipatie;

    • c.

      het niveau van de participatie en de ruimte voor invloed waarbij een keuze wordt gemaakt uit (naast informeren): raadplegen, adviseren, co-creëren, meebeslissen;

    • d.

      de kern van de participatievraag of -vragen

    • e.

      de te betrekken doelgroepen, de wijze waarop zij worden benaderd en de wijze waarop de deelnemers hun inbreng kunnen leveren;

    • f.

      de inhoudelijke, financiële en overige kaders voor de participatie;

    • g.

      de wijze waarop de inbreng wordt teruggekoppeld;

    • h.

      begroting van de kosten voor de participatie;

    • i.

      informatie over de ambtelijke en bestuurlijke besluitvorming over het beleid. Het bestuursorgaan vermeldt op welke wijze de gemeente zal omgaan met de uitkomsten van het participatieproces en op welke wijze de besluitvorming zal plaatsvinden en kiest daarbij uit de volgende mogelijkheden:

      • 1.

        het bestuursorgaan neemt kennis van de uitkomsten van het participatietraject en zal nader afwegen of en in welke mate deze kunnen worden meegenomen in de politieke besluitvorming;

      • 2.

        het bestuursorgaan beschouwt de adviezen en conclusies uit het participatietraject als een zwaarwegend uitgangspunt bij politieke besluitvorming;

      • 3.

        het bestuursorgaan neemt de adviezen en conclusies uit het participatietraject over mits deze passen binnen de vooraf gestelde inhoudelijke, financiële en procedurele kaders.

  • 3. Indien omstandigheden het noodzakelijk maken om de kaders of de inrichting van het proces aan te passen, informeert het bestuursorgaan de deelnemers hierover zo snel mogelijk.

Artikel 4. Inspraak

Indien in het kader van participatie voor inspraak wordt gekozen of inspraak wettelijk verplicht is, is afdeling 3.4 Awb van toepassing, tenzij het bestuursorgaan een andere inspraakprocedure vaststelt.

Artikel 5. Eindverslag participatie

  • 1. Ter afronding van het participatieproces maakt het bestuursorgaan een eindverslag op.

  • 2. Het eindverslag bevat in elk geval:

    • a.

      een beschrijving van het proces dat is gevolgd;

    • b.

      de uitkomsten van het proces en de argumenten die naar voren zijn gebracht;

    • c.

      een onderbouwde reactie op die uitkomsten en argumenten waarbij is aangegeven hoe het beleid naar aanleiding daarvan is aangepast; en

    • d.

      een evaluatie van het proces dat is gevolgd.

  • 3. Het bestuursorgaan maakt het eindverslag zo snel mogelijk en op de meest geëigende wijze openbaar.

Hoofdstuk 3. Uitdaagrecht

Artikel 6. Verzoek toepassing uitdaagrecht

  • 1. Een verzoek om toepassing van het uitdaagrecht kan worden ingediend door inwoners en lokale maatschappelijke partijen. Lokale ondernemers kunnen een verzoek uitsluitend indienen voor zover zij kwalificeren als maatschappelijke partij of dit verzoek gezamenlijk met een maatschappelijke partij indienen. Onder lokaal wordt verstaan: een aantoonbare, duurzame aanwezigheid binnen de gemeente gedurende ten minste 12 maanden voorafgaand aan het verzoek, blijkend uit feitelijke activiteiten ter plaatse. Een postbus/briefadres volstaat niet.

  • 2. Het verzoek bevat een omschrijving van de taak die de indiener voor ogen heeft, de reden dat de indiener het verzoek indient en het resultaat dat de indiener beoogt.

  • De indiener van het verzoek geeft daarnaast in elk geval aan:

    • a.

      een feitelijke onderbouwing van waarom en hoe de verzoeker deze taak beter en goedkoper kan uitvoeren;

    • b.

      wat de betrokkenheid, kennis en ervaring van de verzoeker met de taak is;

    • c.

      welke kosten of middelen er volgens de indiener aan de uitvoering van de taak verbonden zijn;

    • d.

      hoe de indiener de kwaliteit en de uitvoering van de taak op de langere termijn wil waarborgen;

    • e.

      een omschrijving van de manier waarop de verzoeker met de gemeente wil samenwerken of ondersteuning nodig heeft bij het uitvoeren van de taak.

  • 3. Een contactpersoon van de gemeente ondersteunt de verzoeker tijdens het proces indien gewenst.

  • 4. Het college kan naar aanleiding van het verzoek aanvullende informatie opvragen.

Artikel 7. Beoordeling verzoek toepassing uitdaagrecht

  • 1. Het college zendt een ingediend verzoek door aan het bestuursorgaan dat bevoegd is om op het verzoek te reageren en informeert de indiener hierover.

  • 2. Als de gemeenteraad op het verzoek om toepassing van het uitdaagrecht moet reageren, bereidt het college de reactie op het verzoek voor.

  • 3. Onverminderd artikel 2, derde lid, wijst het bestuursorgaan een verzoek af als:

    • a.

      het verzoek ziet op een taak waarvan de aard zich tegen toepassing van het uitdaagrecht verzet;

    • b.

      het verzoek in strijd is met door de gemeente vastgesteld beleid;

    • c.

      het verzoek niet voldoet aan de in artikel 6, tweede lid gestelde eisen;

    • d.

      wanneer uit een integriteits- of Bibob-toets conform toepasselijke wet- en regelgeving een ernstig risico volgt dat zich tegen toewijzing verzet

    • e.

      bij oneigenlijk gebruik van het uitdaagrecht, waaronder wordt verstaan het zich uitsluitend vestigen in de gemeente met het oog op het verkrijgen van uitvoering van een gemeentelijke taak.

  • 4. Het bestuursorgaan kan een verzoek afwijzen als:

    • a.

      het bestuursorgaan van oordeel is dat de taak met de toepassing van het uitdaagrecht niet beter wordt uitgevoerd of de kosten hoger zijn;

    • b.

      de opdrachtwaarde boven de Europese drempelwaarde als bedoeld in paragraaf 2.1.1.1 van de Aanbestedingswet 2012 uitkomt.

  • 5. Het bestuursorgaan reageert binnen 10 weken op het verzoek. Het bestuursorgaan kan deze termijn met vier weken verdagen.

  • 6. Het bestuursorgaan onderbouwt de reactie op het verzoek en maakt de reactie en de onderbouwing binnen twee weken openbaar.

Artikel 8. Uitvoering taak

Als het bestuursorgaan het verzoek om toepassing van het uitdaagrecht toewijst, maakt het met de indiener afspraken over:

  • a.

    het proces, het resultaat en de looptijd van de uitvoering van de taak;

  • b.

    het budget en de financieringswijze van de uitvoering van de taak;

  • c.

    het contact met en de ondersteuning door het bestuursorgaan gedurende de uitvoering van de taak;

  • d.

    de stappen bij het niet nakomen van de gemaakte afspraken en het tussentijds beëindigen van de uitvoering van de taak;

  • e.

    de evaluatie van de uitvoering van de taak.

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Artikel 9. Participatieparagraaf

  • 1. Het college neemt elk jaar een paragraaf in de begroting op waarin op dat moment bekende speerpunten voor participatie in het komend jaar benoemd worden

  • 2. Het college neemt elk jaar een paragraaf in het jaarverslag op waarin het college verslag doet van de uitvoering van deze verordening

Artikel 10. Evaluatie en monitoring

  • 1. De uitvoering van deze verordening wordt eenmaal per twee jaar geëvalueerd. Het college van burgemeester en wethouders zenden hiertoe elke twee jaar na de inwerkingtreding van deze verordening aan de raad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk.

  • 2. Ten behoeve van de evaluatie verzamelen burgemeester en wethouders systematisch informatie over:

    • a.

      Het aantal keer dat participatie heeft plaatsgevonden;

    • b.

      Het aantal verzoeken om uitdaagrecht dat is ingediend;

    • c.

      De inhoudelijke reacties op de verzoeken om uitdaagrecht;

    • d.

      Het budget dat met de participatie gemoeid is.

Artikel 11. Nadere regels college

Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van deze verordening.

Artikel 12. Hardheidsclausule

Het bestuursorgaan kan in bijzondere gevallen afwijken van deze verordening voor zover toepassing onevenredig is; de afwijking wordt gemotiveerd.

Artikel 13. Overgangsbepaling

De op de datum van inwerkingtreding lopende inspraak- of participatieprocedures worden voortgezet overeenkomstig de eerdere besluiten die over die procedures zijn opgenomen.

Artikel 14. Intrekking oude regeling

De verordening participatie en uitdaagrecht Wijk bij Duurstede 2022 wordt ingetrokken.

Artikel 15. Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking de dag na publicatie op Overheid.nl

Artikel 16. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Participatieverordening Wijk bij Duurstede 2026.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 27 januari 2026.

De voorzitter,

De griffier,