Verordening eenmalig rioolaansluitrecht

Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 01-03-2026

Intitulé

Verordening eenmalig rioolaansluitrecht

De raad van de gemeente DE WOLDEN;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders;

gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Gemeentewet;

besluit vast te stellen de volgende verordening:

Verordening op de heffing en de invordering van een eenmalig rioolaansluitrecht

(Verordening eenmalig rioolaansluitrecht)

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt, verstaan onder:

  • a)

    gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;

  • b)

    eigendom: een roerende of onroerende zaak;

  • c)

    andere passende systemen: een systeem anders dan een openbaar vuilwaterriool waarmee hetzelfde niveau van het beschermen van het milieu wordt bereikt als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet.

  • d)

    aansluiting van een eigendom:

    • het leggen door de gemeente van een buisleiding van het in de openbare weg aanwezige afvoerstelsel tot aan het eigendom waarvoor de aansluiting plaatsvindt, om voor dat eigendom een directe of indirecte lozing in de gemeentelijke riolering mogelijk te maken;

    • het vergroten of verlengen van drukriolering; en

    • het aanleggen of vergroten van de capaciteit van andere passende systemen in beheer bij de gemeente.

Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam eenmalig rioolaansluitrecht wordt een recht geheven ter zake van het genot van door het gemeentebestuur verstrekte diensten in verband met het tot stand brengen van een aansluiting van een eigendom op de gemeentelijke riolering.

Artikel 3 Belastingplicht

Het recht wordt geheven van de aanvrager van de dienst dan wel van degene voor wie de dienst wordt verleend.

Artikel 4 Maatstaf van heffing en tarief

  • 1. Het recht, bedoeld in artikel 2, bedraagt het voorafgaand aan de dienstverlening aan de belastingplichtige meegedeelde bedrag, dat blijkt uit een begroting die ter zake door of vanwege het college van burgemeester en wethouders is opgesteld.

  • 2. Als de begroting, bedoeld in het eerste lid, is uitgebracht, vangt de dienstverlening aan op de tiende werkdag na de dag waarop de begroting aan de belastingplichtige ter kennis is gebracht, tenzij de aanvraag voor deze tiende werkdag schriftelijk is ingetrokken.

Artikel 5 Wijze van heffing

Het recht wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 6 Ontstaan van de belastingschuld

Het recht is verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening.

Artikel 7 Termijnen van betaling

  • 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 wordt de aanslag betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand vermeld in de dagtekening van het aanslagbiljet.

  • 2. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen.

Artikel 8 Kwijtschelding

Bij de invordering van het recht wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 9 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders

Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven voor de heffing en invordering van het eenmalig rioolaansluitrecht.

Artikel 10 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. De verordening Aansluitverordening riolering gemeente De Wolden wordt ingetrokken met ingang van de datum waarop deze verordening in werking treedt.

  • 2. Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die van de bekendmaking.

  • 3. De ingangsdatum van de heffing is de eerste dag na die van de bekendmaking van deze verordening.

  • 4. Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening eenmalig rioolaansluitrecht’ .

Zuidwolde, 29 januari 2026

Ondertekening

De raad voornoemd,

griffier, voorzitter,

J. van Roeden-Hoekstra Inge C.J. Nieuwenhuizen

Algemene toelichting

Een verordening eenmalig rioolaansluitrecht is een belastingverordening. Zoals alle belastingen moeten gemeentelijke belastingen een wettelijke basis hebben. Het rioolaansluitrecht is gebaseerd op artikel 229 van de Gemeentewet (Gw). In dit artikel, eerste lid aanhef en onderdeel b, staat:

1. Rechten kunnen worden geheven ter zake van:

  • a) ….,

  • b) het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten;

Op dit artikel baseert de gemeente bijvoorbeeld ook de heffing van de bouw- en paspoortleges. Om op basis van dit wetsartikel tot een werkelijke heffing te komen, heeft uw gemeente een verordening nodig waarin zij de belasting verder uitwerkt. Daarvoor moet zij de verordening eenmalig rioolaansluitrecht vaststellen.

De voorwaarden waaraan de gemeentelijke belastingverordening moet voldoen, staan in hoofdstuk XV Gw. In artikel 217 staat dat de verordening onder meer de volgende elementen moet bevatten:

  • Wie moet de belasting betalen (de belastingplichtige)?

  • Waarvoor moet de belasting worden betaald (het belastbare feit)?

  • Waarover moet de belasting worden betaald (de heffingsmaatstaf)?

  • Wat is het tarief van de belasting (de tariefstelling)?

Voor een heffing gebaseerd op artikel 229 Gw geldt nog een extra voorwaarde. De geraamde heffingsopbrengsten mogen niet hoger zijn dan de geraamde kosten van de diensten. De rechten van artikel 229 Gw zijn dus alleen bedoeld om de kosten van de betreffende dienstverlening te verhalen.

Toelichting per artikel

Aanhef en opschrift

De aanhef van een raadsbesluit verwijst naar de Gemeentewet. Hier staat het artikel waarop de gemeente de belasting heeft gebaseerd.

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In dit artikel is een omschrijving opgenomen van een aantal in de belastingverordening voorkomende begrippen.

In de begripsomschrijving voor de aansluiting van een eigendom is opgenomen dat ook het aanleggen of vergroten van de capaciteit van andere passende systemen in beheer bij een gemeente onder het begrip vallen. In de praktijk gaat het in veel gevallen om een Individuele Behandeling van Afvalwater (IBA). Omdat er in de toekomst mogelijk ook andere systemen dan IBA’s worden ontwikkeld, bijvoorbeeld als gevolg van nieuwe technologische ontwikkelingen, is ervoor gekozen om in de omschrijving ‘andere passende systemen’ op te nemen. Dit sluit aan bij de tekst van artikel 2.16 lid 3 van de Omgevingswet.

Artikel 2 Belastbaar feit

Het belastbare feit is de omschrijving van de activiteit waarvoor de gemeente de belasting in rekening brengt. In dit geval dus realisatie van een aansluiting op de gemeentelijke riolering.

Artikel 3 Belastingplicht

Degene die de belasting moet betalen, is degene die de gemeente vraagt de riolering aan te leggen. In dit geval dus de aanvrager van de dienst. Over het algemeen is dat de eigenaar van het eigendom, maar het kan ook iemand anders zijn. Daarom staat in de omschrijving dat degene voor wie de gemeente de dienst verleent, belastingplichtig kan zijn. Als een aannemer de aanvraag bijvoorbeeld voor de particulier indient, kan de particulier toch de belastingplichtige blijven. In zo’n geval kan de gemeente kiezen uit twee belastingplichtigen. De gemeente wint dan zo nodig bij de belanghebbenden nadere informatie in over wie de gemeente als belastingplichtige moet zien. Is daarover geen uitsluitsel, dan kan de gemeente de aanslag sturen naar degene die het meeste belang heeft bij de dienst.

Een belangrijk element van een heffing gebaseerd op gemeentelijke dienstverlening is dat iemand daadwerkelijk om de dienst vraagt. Dat klinkt in eerste instantie problematischer dan het in de praktijk vaak is. Natuurlijk zitten veel mensen niet te wachten op een gemeentelijke belastingheffing op verzoek, maar in vrijwel alle gevallen weegt het hebben van een aansluiting op tegen het treffen van eigen voorzieningen.

Artikel 4 Maatstaf van heffing en tarief

Op grond van artikel 219, tweede lid, Gw kan een gemeente belastingen heffen naar heffingsmaatstaven die zij in de belastingverordening bepaalt. Maar het bedrag mag niet afhankelijk zijn van inkomen, winst of vermogen. De gemeente mag haar belastingen namelijk niet naar draagkracht heffen. Alleen het Rijk mag inkomensbeleid voeren.

Het begrip bedrag in lid 2 van artikel 219 duidt erop dat naast de heffingsmaatstaf het tarief of de vrijstellingen niet afhankelijk mogen zijn van inkomen, winst of vermogen. Behalve de beperkingen in dit tweede lid zijn gemeenten vrij om heffingsmaatstaven op te nemen in hun verordening eenmalig rioolaansluitrecht. Maar de algemene rechtsbeginselen beperken deze vrijheid wel. Bij het eenmalig rioolaansluitrecht speelt vooral mee dat geen sprake is van een zuivere belastingheffing, maar van kostenverhaal van gemeentelijke dienstverlening. De gemeente moet de keuze van de heffingsmaatstaf en het tarief dus wel op een of andere manier rechtvaardigen uit de gemaakte kosten of het profijt dat de aanvrager van de rioleringsaanleg heeft. Heffingsmaatstaven op andere rechtvaardigingsgronden zijn niet bij voorbaat verboden, maar hebben wel een uitdrukkelijke objectieve rechtvaardigingsgrond nodig.

Per geval maakt de gemeente een begroting van de kosten die zij aan de potentiële belastingplichtigen in rekening brengt. Zo betaalt iedereen de kosten voor zijn eigen aansluiting. Bij deze mogelijkheid moet de gemeente de aanvrager bedenktijd geven, omdat het belastingrecht de eis stelt dat iedereen de omvang van zijn belastingschuld vooraf moet kunnen kennen.

Artikel 5 Wijze van heffing

Dit artikel bepaalt dat de gemeente een aanslag verstuurt. De gemeente neemt dus het initiatief voor de belastingheffing door een aanslagbiljet te sturen. Andere methoden van belastingheffing (zoals aangifte door degene die de belasting moet betalen) zijn niet geschikt.

Artikel 6 Ontstaan van de belastingschuld

Dit artikel bepaalt dat de gemeente direct na het verzoek om aansluiting op de riolering met het kostenverhaal begint.

Artikel 7 Termijnen van betaling

Op grond van artikel 231 lid 1 van de Gemeentewet is de Invorderingswet 1990 van toepassing op gemeentelijke belastingen. In artikel 9 lid 1 van de Invorderingswet 1990 is bepaald dat de belastingaanslag zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet invorderbaar is. Vanuit het oogpunt van eenduidigheid bepaalt dit artikellid dat de aanslag moet worden betaald in één termijn en uiterlijk op de laatste dag van de maand volgend op de maand vermeld in de dagtekening van het aanslagbiljet.

Lid 2 is opgenomen om enkele uitzonderingen voor onder meer feestdagen in de algemene termijnenwet niet van toepassing te verklaren. Dit is voor gemeentelijke belastingen gebruikelijk.

Artikel 8 Kwijtschelding

In principe is kwijtschelding van deze belasting mogelijk. Maar eigenlijk is dit niet redelijk. Het gaat tenslotte om het verhaal van kosten voor dienstverlening op verzoek. Bovendien leidt deze dienstverlening meestal tot waardevermeerdering van het eigendom van de aanvrager.

Artikel 9 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders

Dit artikel bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders uitvoeringstechnische zaken voor de heffing en invordering kan regelen. Het betreft hier zaken als het openen van de mogelijkheid om een voorlopige aanslag op te leggen of de wijze waarop de gemeente de invorderingsrente berekent.

Artikel 10 Inwerkingtreding en citeertitel

Naast een tijdstip van inwerkingtreding moet een belastingverordening bepalen vanaf wanneer de gemeente de heffing toepast (de ingangsdatum van de heffing). Deze tijdstippen kunnen samenvallen. Meestal is het tijdstip van inwerkingtreding afhankelijk van de datum waarop de gemeente de belastingverordening bekendmaakt. Zonder bekendmaking is de verordening niet bindend (artikel 139 Gw). De datum van inwerkingtreding ligt ná die van de bekendmaking. De ingangsdatum van de heffing moet ná de datum liggen waarop de raad de verordening heeft vastgesteld, anders is sprake van terugwerkende kracht. Bij invoering van een nieuwe heffing is terugwerkende kracht niet mogelijk, tenzij de heffing was te voorzien.

De citeertitel vergemakkelijkt de verwijzing naar de verordening.