Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Venlo 2026

Geldend van 07-02-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026

Intitulé

Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Venlo 2026

Burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo;

gezien het voorstel van 27 januari 2026;

gelet op artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht en artikel 35 Participatiewet;

Overwegende dat, op dat het wenselijk is om aan te geven in welke situaties en onder welke voorwaarden bijzondere bijstand op grond van artikel 35 van de Participatiewet kan worden verstrekt en geweigerd en daartoe beleidsregels vast te stellen;

besluit vast te stellen de:

Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Venlo 2026

Hoofdstuk 1 – Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

  • 1.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      Anw: Algemene nabestaandenwet;

    • b.

      AOW: Algemene Ouderdomswet;

    • c.

      college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo;

    • d.

      draagkracht: het gedeelte van het inkomen en vermogen dat moet worden gebruikt om de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan te betalen.

    • e.

      draagkrachtruimte: het deel van het inkomen en vermogen waarover de draagkracht wordt berekend. Er wordt onderscheid gemaakt naar draagkrachtruimte in het inkomen en draagkrachtruimte in het vermogen;

    • f.

      draagkrachtloos inkomen: het grensbedrag tot welke hoogte er geen sprake is van draagkrachtruimte in het inkomen;

    • g.

      draagkrachtpercentage: het percentage van de draagkrachtruimte dat als draagkracht wordt aangemerkt;

    • h.

      drempelbedrag: het drempelbedrag, bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de wet;

    • i.

      inkomen: het inkomen als bedoeld in artikel 32 en 33 van de wet;

    • j.

      jongmeerderjarigen: personen in de leeftijd van 18 tot 21 jaar;

    • k.

      middelen: alle vermogens- en inkomensbestandsdelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de wet;

    • l.

      Schuldenbewind: bewindvoerder draagt zorg voor financiële zaken omdat iemand door verkwisting of het hebben van problematische schulden niet in staat is om zelf zorg te dragen over zijn of haar financiën.

    • m.

      standaard bewind: bewindvoerder draagt zorgt voor financiële zaken omdat iemand door lichamelijke of geestelijke problemen niet in staat is om zelf zorg te dragen over zijn of haar financiën.

    • n.

      toeslagpartner: de persoon als bedoeld in artikel 3 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir);

    • o.

      TW: Toeslagenwet;

    • p.

      vermogen: het vermogen als bedoeld in artikel 34 van de wet;

    • q.

      Wajong: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;

    • r.

      WAO: Wet op de arbeidsongeschiktheid;

    • s.

      wet: de Participatiewet;

    • t.

      WGA: Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten;

    • u.

      WIA: Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen;

    • v.

      woning: een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel k, Wet op de huurtoeslag, als mede een woonwagen of woonschip, als bedoeld in artikel 3, zesde lid van de wet.

    • w.

      woonkosten:

      • I.

        als een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende huurprijs, als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet op de huurtoeslag;

      • II.

        als een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand omgerekende som van de verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten, bestaande uit de rioolrechten, het eigenaarsgedeelte van de onroerendezaakbelasting, de opstalverzekering en het eigenaarsdeel van de waterschapslasten.

  • 2.

    Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de wet.

Artikel 1.2 Reikwijdte beleidsregels

  • 1.

    Deze beleidsregels hebben betrekking op de bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 35 van de wet, ten behoeve van ingezetenen van de gemeente Venlo.

  • 2.

    Als ingezetene wordt aangemerkt degene die zijn woonplaats heeft in de gemeente Venlo.

  • 3.

    Iemand heeft zijn woonplaats in de gemeente Venlo indien:

    • a.

      hij staat ingeschreven in de Basisregistratie personen (BRP) op een woonadres in de gemeente Venlo; en

    • b.

      daar ook feitelijk woonachtig is.

Hoofdstuk 2 Algemene uitgangspunten

Artikel 2 Algemene uitgangspunten

  • 1.

    Het college beoordeelt de aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de uitgangspunten van de Participatiewet, artikel 35 van de Participatiewet en deze beleidsregels.

  • 2.

    Bijzondere bijstand wordt alleen verstrekt voor noodzakelijke kosten waarbij sprake is van bijzondere omstandigheden.

  • 3.

    Noodzakelijke kosten van het bestaan komen normaliter niet voor bijzondere bijstand in aanmerking omdat wordt verwacht dat de aanvrager daarin kan voorzien door te sparen of een lening aan te gaan. Wanneer het college echter oordeelt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor niet van de aanvrager verwacht kan worden dat hij of zij voor deze noodzakelijke kosten had gereserveerd of hiervoor een lening aangaat, dan kan bijzondere bijstand worden verstrekt.

  • 4.

    Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met alle relevante omstandigheden. Als bijzondere individuele omstandigheden daartoe aanleiding geven kan met toepassing van de hardheidsclausule van het bepaalde in deze beleidsregels worden afgeweken.

  • 5.

    Uitgangspunt is dat de bijstand 'om niet' wordt verleend, behalve als artikel 48 of 51 van de Participatiewet of deze beleidsregel anders voorschrijft.

Hoofdstuk 3 Draagkrachtregels

Artikel 3.1 Drempelbedrag

Het college hanteert geen drempelbedrag.

Artikel 3.2 Draagkrachtperiode

  • 1.

    Het college stelt de draagkrachtperiode in beginsel vast op 12 maanden. De draagkrachtperiode begint op de eerste dag van de maand waarin de eerste kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd zich voordoen.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan het college de draagkrachtperiode voor een langere periode vaststellen als daar in het individuele geval of op basis van de kostensoort aanleiding voor is. De draagkrachtperiode wordt in beginsel vastgesteld op maximaal 36 maanden voor:

    • a.

      kosten beschermingsbewind, curatele en mentorschap (artikel 9.2);

    • b.

      indien er geen sprake is van wisselende inkomsten.

  • 3.

    Indien belanghebbende een nieuwe aanvraag voor bijzondere bijstand indient binnen een reeds vastgestelde draagkrachtperiode, wordt geen nieuwe draagkrachtperiode vastgesteld.

  • 4.

    Bij een nieuwe aanvraag als bedoeld in het derde lid, stelt het college de nog te verrekenen draagkracht uit inkomen en vermogen vast op basis van de resterende draagkracht in die draagkrachtperiode.

  • 5.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op basis van het verschil tussen de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten en de (resterende) draagkracht.

  • 6.

    Een eenmaal vastgestelde draagkracht kan alleen tijdens de draagkrachtperiode worden gewijzigd bij een ingrijpende wijziging in de omstandigheden. Het college beoordeelt dat in het individuele geval. Een inkomenswijziging van 15% van het netto inkomen inclusief vakantiegeld per maand wordt in ieder geval aangemerkt als een ingrijpende wijziging. Ook een wijziging van de bijstand geldt als een ingrijpende wijziging.

Artikel 3.3 Incidentele en periodieke verstrekkingen

  • 1.

    Indien het college incidentele bijzondere bijstand verstrekt, dan wordt de draagkracht over de vastgestelde draagkrachtperiode (voor zover mogelijk) in één keer verrekend.

  • 2.

    Indien het college periodieke bijzondere bijstand verstrekt, dan wordt de draagkracht omgerekend naar een maandbedrag over de vastgestelde draagkrachtperiode.

  • 3.

    Draagkracht wordt eerst in mindering gebracht op de incidentele kosten. Vervolgens naar rato in maandelijkse bedragen op de periodieke bijzondere bijstand over de volledige draagkrachtperiode. Bij een eventuele nieuwe aanvraag binnen de lopende draagkrachtperiode waarbij de draagkracht al eerder is vastgesteld en in mindering wordt gebracht op nog uit te betalen periodieke bijzondere bijstand wordt deze geacht opgesoupeerd te zijn.

Artikel 3.4 Draagkracht uit inkomen

  • 1.

    Voor de draagkrachtberekening geldt de toepasselijke bijstandsnorm, bedoeld in de artikelen 20, 21, 22, 23 of 24 van de wet. Het college houdt daarbij rekening met aanvullingen op basis van de bijzondere bijstand voor levensonderhoud, kostendelende medebewoners als bedoeld in artikel 19a van de wet of verlagingen als bedoeld in de artikelen 27 of 28 van de wet en afstemming op basis van artikel 18, lid 1 van de wet.

  • 2.

    Wanneer belanghebbende alleen een WAO met TW, WIA met TW, WGA met TW, Wajong met TW (geldt bij 27-) of Wajong met of zonder TW (geldt bij 27+), AOW of ANW heeft, wordt dit ook gezien als voor belanghebbende geldende bijstandsnorm. Dit geldt alleen als de geldende bijstandsnorm gelijk is aan de alleenstaande (ouder) of gehuwdennorm van 21 jaar of ouder is.

  • 3.

    Van het inkomen geldt het volgende percentage als draagkracht:

    • a.

      Bij een inkomen tot 120% van de geldende bijstandsnorm wordt de draagkracht op nihil vastgesteld. Bij een hoger inkomen dient van het meerdere 50% aangewend te worden als draagkracht.

    • b.

      In afwijking op het bepaalde onder lid a geldt een draagkrachtpercentage van 100% boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm bij de kosten van woonkostentoeslag en schuldenbewind.

  • 4.

    In aanmerking te nemen inkomen:

    • a.

      Van het in aanmerking te nemen inkomen worden de middelen bedoeld in artikel 31 lid 2 van de wet en artikel 33 lid 5 van de wet niet tot het inkomen van belanghebbende gerekend.

    • b.

      Bij wisselende inkomsten wordt gekeken naar de gemiddelde inkomsten van de afgelopen drie maanden.

    • c.

      Het college trekt de verschuldigde eigen bijdrage op grond van de Wet langdurige zorg van het inkomen af.

    • d.

      Voor belanghebbende in de WSNP en belanghebbende die een minnelijk traject volgt via schuldhulpverlening van de gemeente, hanteren we het vrij te laten bedrag inclusief vakantiegeld als in aanmerking te nemen inkomen, voor zover het vrij te laten bedrag minder bedraagt dan het werkelijke inkomen. Voor belanghebbenden bij wie beslag op het inkomen ligt, hanteren we het inkomen na aftrek in verband met beslag.

    • e.

      De eindejaarsuitkering en/of 13de maand telt mee als inkomen.

    • f.

      De individuele inkomenstoeslag, zoals bedoeld in artikel 36 en 36b Participatiewet, worden voor de vaststelling van de draagkracht niet in aanmerking genomen.

Artikel 3.5 In aanmerking te nemen vermogen

  • 1.

    100% van het in aanmerking te nemen vermogen wordt als draagkracht aangemerkt. De vrijlatingen genoemd in artikel 34 lid 2 worden niet tot het in aanmerking te nemen vermogen gerekend.

  • 2.

    Wat in artikel 5 t/m 7a van de Beleidsregels Algemene bijstand gemeente Venlo 2022 is bepaald is van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    In afwijking van lid 1 wordt het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf, bedoeld in artikel 34, tweede lid aanhef en onder d, van de wet, wordt volledig buiten beschouwing gelaten.

  • 4.

    Indien binnen een reeds vastgestelde draagkrachtperiode een nieuwe aanvraag om bijzondere bijstand wordt ingediend, stelt het college de nog te verrekenen draagkracht uit vermogen vast op basis van de draagkrachtruimte uit vermogen die eerder nog niet met het recht op bijzondere bijstand kon worden verrekend.

  • 5.

    De middelen bedoeld in artikel 31 lid 2 onder l van de wet, in samenhang met artikel 7 onderdeel p van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ, worden niet tot het vermogen van belanghebbende gerekend.

Hoofdstuk 4 Procedure

Artikel 4.1 Indienen aanvraag

  • 1.

    De aanvraag om bijzondere bijstand wordt ingediend op een door het college beschikbaar gesteld formulier.

  • 2.

    Het college kan het recht op bijzondere bijstand ambtshalve vaststellen indien een aanvraag niet mogelijk is op grond van individuele omstandigheden.

Artikel 4.2 Terugwerkende kracht

  • 1.

    Er wordt geen bijzondere bijstand verstrekt voor kosten die meer dan drie maanden voorafgaand aan de aanvraag zijn gemaakt.

  • 2.

    Onder het maken van kosten wordt verstaan het verrichten van een handeling waarmee vaststaat dat er kosten in rekening worden gebracht. Dit is slechts anders bij medische kosten die via de zorgverzekeraar of het CAK lopen. In dat geval moet de aanvraag worden ingediend binnen drie maanden vanaf de datum van de rekening van de zorgverzekeraar of het CAK.

Artikel 4.3 Deskundigenadvies

  • 1.

    Het college kan om deskundigenadvies vragen indien dat voor het vaststellen van het recht op en/of de hoogte van de bijzondere bijstand noodzakelijk is.

  • 2.

    De belanghebbende verleent desgevraagd zijn medewerking aan het onderzoek dat nodig is voor het advies als bedoeld in het eerste lid.

  • 3.

    Het vragen van een deskundigenadvies kan achterwege blijven als:

    • a.

      het jaarlijks terugkerende kosten betreft en het overduidelijk is dat de (medische) situatie sinds het laatste deskundigenadvies niet is gewijzigd of wanneer herbeoordeling door de deskundige in een voorgaand advies niet is geadviseerd;

    • b.

      de medische noodzaak op een andere wijze is vastgesteld en de kosten bovendien lager zijn dan € 200,00, tenzij het naar verwachting gaat om een meerjarige verstrekking.

Hoofdstuk 5 Kosten in verband met wonen

§ 1 Woonkostentoeslag en verhuisplicht

Artikel 5.1.1 Woonkostentoeslag huurders en woningeigenaren

  • 1.

    Het college kan bijzondere bijstand verlenen in de vorm van een woonkostentoeslag als de Wet op de huurtoeslag niet als passende en toereikende voorliggende voorziening kan worden aangemerkt.

    • a.

      Het college sluit bij de vaststelling van het recht en de hoogte van de bijzondere bijstand voor huurders en woningeigenaren aan op de systematiek van de Wet op huurtoeslag.

    • b.

      Voor de berekening van de draagkracht wordt het vermogen verbonden aan de eigen woning als bedoeld in artikel 34 lid 2 aanhef en sub d van de wet niet meegenomen.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan het college bijzondere bijstand verlenen aan de belanghebbende die een woning huurt of in eigendom heeft met woonkosten boven de van toepassing zijnde maximaal subsidiabele huurgrens als de woonkosten noodzakelijk zijn en voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

  • 3.

    Het college kan bijzondere bijstand verlenen aan de belanghebbende met woonkosten boven de maximaal subsidiabele huurgrens voor een periode van telkens 6 maanden, zolang als aan de hierna genoemde voorwaarden van de verhuisplicht wordt voldaan.

  • 4.

    Indien de belanghebbende, als bedoeld in het derde lid, zich niet of in onvoldoende mate heeft ingespannen om de verhuisplicht na te leven en hem dit te verwijten valt, wijst het college de aanvraag om (verlenging van de) bijzondere bijstand af, tenzij sprake is van bijzondere redenen die verband houden met specifieke feitelijke omstandigheden van de belanghebbende of diens gezin.

  • 5.

    In het geval het college bijzondere redenen, als bedoeld in het vorige lid, vaststelt kan de bijzondere bijstand met maximaal 6 maanden worden verlengd. De bijzondere bijstand wordt dan in de vorm van een lening verstrekt omdat er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet.

  • 6.

    Het college wijst de aanvraag om bijzondere bijstand van de belanghebbende jonger dan 21 jaar met of zonder kinderen af indien de woonkosten hoger zijn dan de toepasselijke maximaal subsidiabele huurgrens, tenzij:

    • a.

      de woning is toegewezen op basis van een eerder hoger inkomen; of

    • b.

      belanghebbende samenwoonde met een persoon met een hoger inkomen en die samenwoning in ieder geval op het moment van de aanvraag is beëindigd.

  • 7.

    In afwijking van het derde lid eindigt het recht op bijzondere bijstand voor de belanghebbende, als bedoeld in het zevende lid, die de leeftijd van 21 jaar bereikt, per de datum waarop aanspraak ontstaat op huurtoeslag.

Artikel 5.1.2 Hoogte woonkostentoeslag huurders

De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld aan de hand van de berekeningssystematiek van de Wht. Aan de hand van de in aanmerking te nemen woonkosten wordt de maximale woonkostentoeslag berekend. Hierop wordt de huurtoeslag waar de inwoner recht op heeft in mindering gebracht.

Artikel 5.1.3 Hoogte woonkosten woningeigenaren

  • 1.

    De lasten die meetellen voor het vaststellen van de woonkosten bestaan uit:

    • a.

      de hypotheekrente, niet zijnde de aflossing of de premie van een spaarhypotheek;

    • b.

      de onroerend zaakbelasting voor zover het de aanslag betreft van het eigendom en daarvoor geen kwijtschelding is verleend;

    • c.

      de erfpachtcanon;

    • d.

      de waterschapslasten en dergelijke over het eigendom voor zover geen kwijtschelding is verleend;

    • e.

      de opstalverzekering;

    • f.

      andere zakelijke lasten die op de onroerende zaak drukken waaronder de noodzakelijke administratiekosten voor een vereniging van huiseigenaren tot een maximum van € 12,67 per maand.

  • 2.

    Indien sprake is van gedeeltelijke bewoning door de belanghebbende van diens woning en de kosten als bedoeld in het eerste lid niet zijn gesplitst, dan stemt het college de hoogte van de bijzondere bijstand naar rato af op die kosten.

  • 3.

    Op de bijzondere bijstand wordt de (te verkrijgen) voorlopige teruggaaf van de Belastingdienst die betrekking heeft op de eigen woning in mindering gebracht.

Artikel 5.1.4 Verhuisplicht

  • 1.

    Het college kan aan de bijzondere bijstand die wordt verstrekt in de vorm van een woonkostentoeslag nadere verplichtingen verbinden in de vorm van de verhuisplicht. Deze verplichting is gericht op het zoeken en accepteren van een passende woning of woonruimte. Van de woningeigenaar wordt in dat kader ook verwacht dat de eigen woning te koop wordt aangeboden.

  • 2.

    Het college legt de verhuisplicht niet op indien de woonkosten lager zijn dan de maximaal subsidiabele huurgrens als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de Wht.

  • 3.

    Het college legt de verhuisplicht op indien de woonkosten hoger zijn dan de maximaal subsidiabele huurgrens tenzij:

    • a.

      belanghebbende of een persoon uit een gezin of huishouden gehandicapt is en de hoge huur wordt veroorzaakt door voorzieningen die in de woning zijn aangebracht vanwege de handicap;

    • b.

      er bij belanghebbende sprake is van door een deskundige vastgestelde geobjectiveerde sociale en/of medische gronden waardoor verhuizen niet kan worden gevergd;

    • c.

      belanghebbende op het moment van de aanvraag jonger is dan 21 jaar;

    • d.

      aan belanghebbende algemene bijstand wordt verstrekt onder verband van krediethypotheek, tot het moment dat het kredietplafond is bereikt;

    • e.

      belanghebbende als zelfstandige wordt aangemerkt die gedurende een korte periode algemene bijstand ontvangt op grond van artikel 2, eerste lid, sub a en b van het Bbz 2004.

Artikel 5.1.5 Verhuisplicht: voorwaarden huurders

  • 1.

    Van de belanghebbende die een woning huurt en aan wie het college de verhuisplicht heeft opgelegd als bedoeld in artikel 5.1.5 eerste lid wordt in ieder geval verwacht dat hij:

    • a.

      zich binnen 1 maand na eerste toekenning van de bijzondere bijstand inschrijft als woningzoekende bij een van de in gemeente Venlo beschikbare woningcorporaties en deze inschrijving handhaaft gedurende de hele periode dat een woonkostentoeslag wordt ontvangen; en

    • b.

      gedurende de verstrekking van woonkostentoeslag aantoonbare activiteiten verricht om een passende woning of woonruimte te zoeken en te accepteren.

  • 2.

    Onder aantoonbare activiteiten wordt in ieder geval verstaan minimaal twee reacties per maand op passende woningen bij een van de in gemeente Venlo beschikbare woningcorporaties en/of op de particuliere markt.

  • 3.

    Onder passende woningen worden in ieder geval woningen of woonruimten verstaan:

    • a.

      met woonlasten die lager zijn dan de maximaal subsidiabele huurgrens; en

    • b.

      die volgens algemene maatstaven passen bij de gezinssituatie; en

    • c.

      die niet geconcentreerd zijn in één bepaalde wijk maar zich bevinden in de verschillende wijken en plaatsen binnen en buiten de gemeente Venlo.

Artikel 5.1.6 Verhuisplicht: voorwaarden woningeigenaren

  • 1.

    Van de belanghebbende die eigenaar is van een door hem zelf en zijn gezin bewoonde eigen woning en aan wie het college de verhuisplicht heeft opgelegd als bedoeld in artikel 5.1.5, eerste lid wordt in ieder geval verwacht dat belanghebbende:

    • a.

      binnen één maand na toekenning van de bijzondere bijstand de eigen woning te koop aanbiedt via een erkend makelaar die zorgdraagt dat op de geëigende wijze wordt geadverteerd;

    • b.

      de vraagprijs van de woning zodanig vaststelt dat die in redelijke verhouding staat tot de waarde van de woning;

    • c.

      in de periode van bijstandsverlening alles nalaat wat de verkoop van de woning zou kunnen belemmeren.

  • 2.

    Onder een redelijke vraagprijs wordt in beginsel verstaan de WOZ-waarde van de woning met een procentuele opslag van 20%, uitgaande van de WOZ-beschikking van het jaar waarbinnen de aanvraag is ingediend. Daarvan kan worden afgeweken als blijkt dat die waarde niet in overeenstemming is met de marktwaarde van de woning.

  • 3.

    Nadat de koopovereenkomst door beide partijen is ondertekend wordt van belanghebbende als bedoeld in het eerste lid in ieder geval verwacht dat hij:

    • a.

      zich binnen 1 maand na ondertekening van de (ver)koopovereenkomst inschrijft als woningzoekende bij een van de in gemeente Venlo beschikbare woningcorporaties; en

    • b.

      gedurende de verstrekking van woonkostentoeslag aantoonbare activiteiten verricht die er op gericht zijn om een passende woning of woonruimte te zoeken en te accepteren.

  • 4.

    Onder aantoonbare activiteiten worden in ieder geval verstaan minimaal twee reacties per maand op passende woningen bij een van de in gemeente Venlo beschikbare woningcorporaties en/of op de particuliere markt.

  • 5.

    Onder passende woningen worden in ieder geval woningen of woonruimten verstaan:

    • a.

      met woonlasten die lager zijn dan de maximaal subsidiabele huurgrens; en

    • b.

      die volgens algemene maatstaven passen bij de gezinssituatie; en

    • c.

      die niet geconcentreerd zijn in één bepaalde wijk maar zich bevinden inde verschillende wijken en plaatsen binnen en buiten de gemeente Venlo.

§ 2 Verhuiskosten en inrichtingskosten

Artikel 5.2.1 Verhuiskosten algemeen

  • 1.

    Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor verhuiskosten als sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten. Daarvoor stelt het college eerst de noodzaak van de verhuizing vast.

  • 2.

    Er is in ieder geval sprake van een noodzakelijke verhuizing indien de belanghebbende aan wie de verhuisplicht als bedoeld in de artikelen 5.1.5 is opgelegd verhuist naar een woning met woonkosten lager dan de maximale huurgrens.

  • 3.

    Onder verhuiskosten als bedoeld in het eerste lid worden aangemerkt:

    • a.

      dubbele woonkosten en administratiekosten;

    • b.

      waarborgsom;

    • c.

      transportkosten.

  • 4.

    De hoogte van de bijzondere bijstand voor de dubbele woonkosten en administratiekosten en/of de waarborgsom wordt vastgesteld op basis van de feitelijk uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten.

  • 5.

    De hoogte van de bijzondere bijstand voor transportkosten gaat in beginsel uit van het verhuizen met behulp van het eigen netwerk.

Artikel 5.2.2 Stoffering, inrichtingskosten en duurzame gebruiksgoederen

  • 1.

    Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor stoffering, inrichtingskosten of duurzame gebruiksgoederen als sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand voor een volledige woninginrichting wordt maximaal vastgesteld op 40% van de NIBUD-prijzengids (totaal inboedel per 10 jaar).

  • 3.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld tot maximaal de nieuwwaarde conform de NIBUD-prijzengids als de aanvraag enkel één (of meerdere) van de volgende kostensoorten betreft: stoffering, matrassen, wasmachine, koelkast, stofzuiger of kookplaat.

  • 4.

    De bijzondere bijstand als bedoeld in het eerste lid wordt in beginsel in de vorm van een lening verstrekt.

  • 5.

    In afwijking van lid 4 kan het college de bijzondere bijstand om niet verstrekken indien de belanghebbende, die is toegelaten tot een wettelijk schuldhulpverleningstraject, voldoet aan de voorwaarden van dat traject en het verstrekken van bijzondere bijstand in de vorm van een lening het slagen van het traject in gevaar brengt.

Artikel 5.2.3 Babyuitzet

  • 1.

    Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van de babyuitzet.

  • 2.

    Onder de kosten van een babyuitzet worden verstaan:

    • a.

      een box;

    • b.

      een kinderstoel;

    • c.

      een combi/kinder- en wandelwagen;

    • d.

      een babyledikant;

    • e.

      een commode.

  • 3.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt maximaal vastgesteld op 40% van de NIBUD-prijzengids.

  • 4.

    In afwijking van het vorige lid kan het college de bijzondere bijstand om niet verstrekken indien de belanghebbende, die is toegelaten tot een wettelijk schuldhulpverleningstraject, voldoet aan de voorwaarden van dat traject en het verstrekken van bijzondere bijstand in de vorm van een lening het slagen van het traject in gevaar brengt.

  • 5.

    Wanneer de ouder al een inwonend kind heeft, wordt ervan uit gegaan dat in lid 2 genoemde voorzieningen er nog duurzame goederen aanwezig zijn, of hadden moeten zijn.

§ 3 Overige kosten in verband met wonen

Artikel 5.3 Doorbetaling vaste lasten verblijf instelling

  • 1.

    Het college kan aan een belanghebbende zonder partner en/of (andere) medebewoners die tijdelijk verblijft in een instelling vanwege medische of sociale omstandigheden bijzondere bijstand verlenen voor de doorbetaling van de vaste lasten indien het aanhouden van de woning noodzakelijk is.

  • 2.

    Onder de vaste lasten als bedoeld in het eerste lid worden verstaan:

    • a.

      de huur; en

    • b.

      de kosten van het vastrecht voor gas, water en elektra.

    • c.

      De periode waarin het college bijzondere bijstand kan verlenen bedraagt ten hoogste 6 maanden.

    • d.

      De noodzaak van de kosten als bedoeld in het eerste lid wordt aangenomen indien en zolang belanghebbende de lage bijdrage is verschuldigd op grond van de Wet langdurige zorg.

  • 3.

    De noodzaak van de kosten als bedoeld in het eerste lid kan worden aangenomen indien belanghebbende de hoge bijdrage is verschuldigd op grond van de Wet langdurige zorg met een maximum duur van 3 maanden vanaf het moment dat belanghebbende de eigen bijdrage voor het eerst verschuldigd was.

Hoofdstuk 6 Kosten van medische aard

Artikel 6.1 Medische of sociaal noodzakelijke kosten

  • 1.

    Op medische indicatie kunnen als bijzondere kosten worden aangemerkt en vergoed de kosten van extra bewassing, kledingslijtage, extra stookkosten, dieetkosten, alarmering, maaltijdvoorziening en andere specifieke meerkosten ten gevolge van gebreken of ziekte van belanghebbende.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld aan de hand van de NIBUD-prijzengids.

Artikel 6.2 Gehandicaptenparkeerkaart

  • 1.

    Kosten voor een medische keuring voor de aanvraag of verlenging van een gehandicaptenparkeerkaart (GPK) komen in aanmerking voor bijzondere bijstand.

  • 2.

    De kosten als bedoeld in lid 1 komen één keer per 12 maanden voor vergoeding in aanmerking.

Artikel 6.3 Collectieve ziektekostenverzekering minima

  • 1.

    Het college verleent alleen bijzondere bijstand voor deelname aan het VGZ GemeentePakket Compleet + € 0 eigen risico.

  • 2.

    Het draagkrachtpercentage bedraagt 120% van de toepasselijke bijstandsnorm. Daarbij wordt geen rekening gehouden met de kostendelersnorm.

  • 3.

    In afwijking van artikel 34 wordt geen rekening gehouden met het vermogen uit eigen en door aanvrager zelf bewoonde woning.

  • 4.

    De bijzondere bijstand bedraagt € 21,35 per maand.

  • 5.

    Het college heeft de mogelijkheid om deze kosten jaarlijks te indexeren aan de hand van de consumenten prijs index (CPI) vanaf 2025.

Hoofdstuk 7 Eigen bijdragen

Artikel 7 Eigen bijdragen rechtsbijstand en griffierechten

  • 1.

    Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand indien aan de belanghebbende een toevoeging is verleend, waarbij de datum ontvangst toevoeging bepalend is.

  • 2.

    De noodzakelijke kosten voor de eigen bijdrage rechtsbijstand worden vastgesteld op basis van de verschuldigde eigen bijdrage verminderd met de verlaging, als bedoeld in het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand, die belanghebbende redelijkerwijs had kunnen krijgen.

  • 3.

    Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor griffierecht, mits de belanghebbende gebruik maakt van de mogelijke kortingsregelingen voor griffierechten. Voor de datum waarop de kosten van griffierecht opkomen hanteren wij de dagtekening van de brief van de rechtbank waarin staat dat er griffierecht verschuldigd is. Als het griffierecht via de rekeningcourant van de advocaat loopt, dan hanteren we de afboek-datum.

Hoofdstuk 8 Reiskosten

Artikel 8.1 Reiskosten voor bezoeken gezinsleden of naaste familieleden

  • 1.

    Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor reiskosten voor bezoeken aan gezinsleden in de zin van artikel 4 lid 1 onder c van de wet indien zij in een andere woonplaats verblijven.

  • 2.

    Onder reiskosten worden kosten verstaan in verband met:

    • a.

      het bezoek aan een gezinslid dat verblijft in een ziekenhuis;

    • b.

      het bezoek aan een gezinslid dat verblijft in een instelling, niet zijnde een ziekenhuis, als bedoeld in de wet;

    • c.

      het bezoek van de ouder(s) aan de instelling, niet zijnde een ziekenhuis, waar hun kind langdurig verblijft;

    • d.

      het bezoek aan een gedetineerd gezinslid, zonder de mogelijkheid van verlof;

    • e.

      in verband met calamiteiten bij een gezinslid.

  • 3.

    De volgende bezoekfrequentie wordt noodzakelijk geacht:

    • a.

      bezoek als bedoeld in het tweede lid onder a;

      • I.

        bij verblijf in een ziekenhuis binnen een straal van 40 kilometer dagelijks;

      • II.

        bij verblijf in een ziekenhuis buiten een straal van 40 kilometer tot maximaal 4 keer per week.

    • b.

      bezoek als bedoeld in het tweede lid onder b en c een keer per week;

    • c.

      bezoek als bedoeld in het tweede lid onder d;

      • I.

        bij verblijf in detentie binnen een straal van 90 kilometer tot maximaal 2 keer per maand;

      • II.

        bij verblijf in detentie buiten een straal van 90 kilometer tot maximaal 1 keer per maand;

    • d.

      bezoek als bedoeld in het tweede lid onder e dagelijks zolang de calamiteit voortduurt.

  • 4.

    De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt niet meer dan het OV-tarief volgens de 2de klasse (niet zijnde een toeslagtrein) rekening houdend met het gebruik van een eventuele kortingskaart.

  • 5.

    Indien het college van belanghebbende niet kan vergen dat gebruik wordt gemaakt van het OV, wordt de hoogte van de bijzondere bijstand vastgesteld op de maximale belastingvrije vergoeding reiskostenvergoeding eigen vervoer, geldend in het jaar van de aanvraag.

  • 6.

    Alleen reiskosten binnen Nederland worden vergoed.

8.2 Reiskosten naar school

  • 1.

    Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor reiskosten van en naar school voor het voortgezet (beroeps) onderwijs indien de opleiding niet in de gemeente Venlo wordt aangeboden en de reisafstand woonadres-opleidingsinstituut meer dan 10 km is.

  • 2.

    Reiskosten naar het dichtstbijzijnde opleidingsinstituut dat de opleiding aanbiedt komen voor bijzondere bijstand in aanmerking. Het opleidingsinstituut mag niet verder weg liggen dan de cirkel Nijmegen, Den Bosch, Eindhoven, Roermond en de Duitse grens.

  • 3.

    De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt niet meer dan het OV-tarief volgens de 2de klasse (niet zijnde een toeslagtrein) rekening houdend met het gebruik van een eventuele kortingskaart.

  • 4.

    Reiskosten van het woonadres naar het treinstation in de gemeente Venlo komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking.

Hoofdstuk 9 Overige kostensoorten

Artikel 9.1 Uitvaartkosten

  • 1.

    Het college kan aan de belanghebbende die als erfgenaam wordt of kan worden aangemerkt bijzondere bijstand verlenen voor de uitvaartkosten indien en voor zover de nalatenschap of uitvaartverzekering geen of onvoldoende middelen bevat of nog niet bekend is of dat het geval is of zal zijn.

  • 2.

    Indien de partner van de overledene bijzondere bijstand aanvraagt, wordt er vanuit gegaan dat deze de enige erfgenaam is. In andere gevallen worden de totale uitvaartkosten evenredig verdeeld over het aantal nabestaanden.

  • 3.

    De uitvaartkosten worden tot een bedrag van € 4.800,00 als noodzakelijk aangemerkt.

  • 4.

    De hoogte van de bijzondere bijstand als bedoeld in het eerste lid bedraagt maximaal € 4.800,00.

  • 5.

    De bijzondere bijstand wordt om niet verstrekt.

Artikel 9.2 Kosten beschermingsbewind, curatele en mentorschap

  • 1.

    Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van:

    • a.

      beschermingsbewind;

    • b.

      curatele;

    • c.

      mentorschap.

  • 2.

    die worden gemaakt op basis van een beschikking van de kantonrechter.

  • 3.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt gebaseerd op de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.

Artikel 9.3 Kosten budgetbeheer

  • 1.

    Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor kosten van budgetbeheer voor zover er geen beroep kan worden gedaan op budgetbeheer in het kader van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.

  • 2.

    Bij de beoordeling van een aanvraag bijzondere bijstand voor de kosten van budgetbeheer wordt verlangd dat de aanvrager de noodzaak van die kosten aannemelijk maakt.

  • 3a.

    De budgetbeheerder is verplicht binnen vier maanden een plan van aanpak op te stellen welke ten minste de volgende onderdelen bevat:

    • a.

      Concrete doelstellingen gericht op hoe de belanghebbende financieel zelfredzaam wordt en/of grip krijgt op de situatie.

    • b.

      Beschrijving van de stappen en/of activiteiten hoe deze doelen worden bereikt.

    • c.

      Tijdsplanning.

  • 3b.

    Het college kan de budgetbeheerder vragen tussentijds een verslag te maken over de voortgang van de belanghebbende.

  • 4.

    In beginsel wordt ten hoogste 36 maanden bijzondere bijstand verstrekt voor de kosten van budgetbeheer.

  • 5.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt gebaseerd op de werkelijke kosten en is gemaximeerd op de kosten van bewindvoering door een professionele bij de branchevereniging aangesloten bewindvoerder.

  • 6.

    Bij statushouders op wie artikel 56a van de Participatiewet (financieel ontzorgen) van toepassing is, wordt geen noodzaak voor budgetbeheer aangenomen en komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand.

Artikel 9.4 Suppletie GKB-lening

  • 1.

    Het college verwijst niet door naar de kredietbank.

  • 2.

    Het college verstrekt wel suppletie voor een lening bij de kredietbank indien een inwoner de lening heeft verkregen toen hij nog woonachtig was in een andere gemeente.

  • 3.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op de maandelijkse termijnbetaling verminderd met de in de bijstandsnorm (inclusief vakantietoeslag) begrepen aflossingscapaciteit van 5%, waarbij wordt uitgegaan van een aflossingsduur van 36 maanden vanaf het moment van aangaan van de lening.

Hoofdstuk 10 Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 10.1 Hardheidsclausule

In afwijking van deze beleidsregels kan het college bijzondere bijstand verlenen aan een persoon die geen recht heeft op bijzondere bijstand indien er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de gevolgen van een afwijzing onevenredig zijn in verhouding tot de met deze beleidsregels te dienen doelen.

Artikel 10.2 Overgangsrecht

  • 1.

    Voor aanvragen om bijzondere bijstand die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van deze beleidsregels en waarop het college op een datum na inwerkingtreding beslist, geldt dat deze beleidsregels van toepassing zijn, tenzij toepassing van de beleidsregels als genoemd in het intrekkingsbesluit gunstiger is voor belanghebbende.

  • 2.

    Indien reeds een draagkrachtperiode is vastgesteld, blijft de toegepaste draagkrachtberekening van toepassing, tenzij het een nieuwe aanvraag betreft die op of na datum inwerkingtreding van deze beleidsregels wordt ingediend.

Artikel 10.3 Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Venlo 2026.

Artikel 10.4 Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2026 onder gelijke intrekking van de ‘beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Venlo 2025’.

Ondertekening

Venlo, 27 januari 2026

Burgemeester en wethouders van Venlo

de secretaris, de burgemeester

Twan Beurskens, Antoin Scholten

Toelichting

Algemeen

Beoordeling recht op bijzondere bijstand.

Om te beoordelen of iemand recht heeft op bijzondere bijstand, wordt eerst beoordeeld of er sprake is van een passende en toereikende voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 PW. In artikel 5, onderdeel e, PW is geregeld wat een voorliggende voorziening is: elke voorziening buiten de PW waarop de belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven. In artikel 15 PW is vastgelegd dat er geen recht op bijzondere bijstand bestaat als een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening. Er is ook geen recht op bijstand als de betreffende kosten in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt. Tenzij er sprake is van dringende redenen volgens artikel 16 PW, waarbij alle individuele omstandigheden zijn meegewogen. In dat geval kan er worden afgeweken.

Als er geen sprake is van een voorliggende voorziening, wordt beoordeeld of voldaan is aan de criteria van bijzondere bijstand als genoemd in artikel 35 PW. De Centrale Raad van Beroep hanteert daarbij de volgende stappen in de volgende volgorde (zie o.a. CRVB 24-04-2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA4282, CRvB 23-10-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY1234 en CRVB 01-05-2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9166):

  • 1.

    Doen de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voor?

  • 2.

    Zijn de kosten noodzakelijk?

  • 3.

    Komen de kosten voort uit bijzondere omstandigheden? Had de aanvrager kunnen reserveren voor de kosten waar hij bijzondere bijstand voor vraagt?

  • 4.

    Is er draagkracht?

Als er sprake is van een voorliggende voorziening op grond waarvan de aanvraag afgewezen zou moeten worden, wordt beoordeeld of er sprake is van zeer dringende redenen om toch bijzondere bijstand te verlenen. Er is sprake van zeer dringende redenen ingeval van een acute noodsituatie waarbij in ieder geval sprake is als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn, maar niet tot die situaties beperkt is. Ook in andere gevallen kan sprake zijn van een acute noodsituatie. Het begrip ‘acute noodsituatie’ is dus, anders dan wat uit de oude vaste rechtspraak volgt, niet beperkt tot deze twee door de wetgever genoemde voorbeelden. Bij de beoordeling of een acute noodsituatie zich voordoet zal moeten worden meegewogen of het niet-verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid (zie ECLI:NL:CRVB:2023:985).

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

Lijst met definities.

Artikel 1.2 Reikwijdte beleidsregels

Artikel 40 eerste lid van de wet bepaalt jegens het college van welke gemeente recht op bijstand bestaat (CRVB 20-11-2012, 11-1358 WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BY4179 en CRVB 17-07-2013, 11-7154 WWB, ECLI:NL:CRVB:2013:1031 ). Dat is de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 1:10 en 1:11 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor het recht op bijzondere bijstand is mede bepalend of betrokkene staat ingeschreven in de Basisregistratie personen (BRP) op een woonadres in Venlo. Het kan voorkomen dat iemand zich niet kan inschrijven in de BRP. Het college zal in voorkomende gevallen uit moeten gaan van de feitelijke situatie (CRVB 16-07-2013, 13-2260 WWB-VV, ECLI:NL:CRVB:2013:1021 en CRVB 08-01-2013, 10/6442 WWB e.a., ECLI:NL:CRVB:2013:BY8020).

Bijzondere bijstand wordt aangevraagd voor een andere kostensoort. In dat geval vindt de beoordeling van de aanvraag plaats op grond van de wet. Zie hierboven onder “Algemeen”.

Hoofdstuk 2 Algemene uitgangspunten

Artikel 2 Algemene uitgangspunten

Eerste lid

De grondslag om bijzondere bijstand te verstrekken is artikel 35 van de PW.

Tweede lid

Deze regel geeft twee voorwaarden die beide vervuld moeten zijn voordat bijzondere bijstand kan

worden toegekend:

  • 1.

    De kosten moeten noodzakelijk zijn. Dit betekent dat de uitgave niet kan worden uitgesteld of vermeden en dat het gaat om kosten die in de gegeven situatie moeten worden gemaakt. Het gaat dus niet om vrijwillige, luxe of bovenmatige uitgaven.

  • 2.

    Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden. Hiermee wordt bedoeld dat de kosten voortkomen uit een situatie die afwijkt van het normale, dagelijkse bestedingspatroon. Dit zijn omstandigheden die de aanvrager redelijkerwijs niet kon voorkomen en die maken dat de kosten niet uit het reguliere inkomen of de algemene bijstand kunnen worden voldaan.

Pas wanneer beide criteria positief zijn beoordeeld, kan het college besluiten tot het verstrekken van bijzondere bijstand. Hierdoor wordt voorkomen dat de regeling wordt gebruikt voor algemene kosten van bestaan of voor kosten die binnen de eigen verantwoordelijkheid vallen.

Derde lid

Kosten die horen tot de normale kosten van het bestaan (zoals dagelijkse uitgaven, kleding, vervanging van gebruikelijke duurzame goederen) moeten in principe uit het reguliere inkomen of de algemene bijstand worden betaald. Van iedere aanvrager wordt verwacht dat hij of zij:

  • tijdig reserveert voor voorzienbare en periodiek terugkerende kosten, en

  • indien nodig een lening afsluit voor grotere, maar gebruikelijke uitgaven.

  • Dit betekent dat deze kosten in beginsel niet met bijzondere bijstand worden vergoed. Zie bijvoorbeeld CRvB 21-05-2019, 17/7889 PW, ECLI:NL:CRVB:2019:1675.

Uitzondering – bijzondere omstandigheden

In bepaalde situaties kan het onredelijk zijn om van een aanvrager te verlangen dat hij of zij had kunnen sparen of een lening kan afsluiten. Het kan dan gaan om:

  • een onverwachte gebeurtenis waardoor noodzakelijke kosten plotseling en onvoorzien ontstaan,

  • omstandigheden waardoor de aanvrager objectief niet in staat was een financiële reserve op te bouwen, of

  • situaties waarin het afsluiten van een lening feitelijk niet mogelijk of niet verantwoord is (bijvoorbeeld vanwege problematische schulden of medische beperkingen).

Wanneer dergelijke omstandigheden aantoonbaar aanwezig zijn en een directe relatie hebben met de kosten, kan het college afwijken van de hoofdregel en toch bijzondere bijstand verstrekken.

De wet beschrijft niet wat (precies) onder noodzakelijke kosten wordt verstaan. Alleen in artikel 14 van de wet is een limitatief aantal kostensoorten genoemd die in ieder geval niet noodzakelijk zijn. Voor deze kostensoorten volgt dus geen beoordeling op grond van artikel 35 van de wet, er is geen bijzondere bijstand mogelijk. Voorbeelden zijn een boete en geleden of toegebrachte schade. De kosten van een rijbewijs, twee paspoorten en een kentekenbewijs die rechtstreeks voortvloeien uit een diefstal, moeten aangemerkt worden als geleden of toegebrachte schade (CRVB 07-03-2012, 09/3565 WWB + 09/3566 WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BV8173).

De kosten van bewindvoering die verband houden met het beheer van een persoonsgebonden budget (pgb) zijn feitelijk te vermijden door voor zorg in natura te kiezen. Dit betekent dat het geen noodzakelijke kosten zijn in de zin van artikel 35, eerste lid, van de wet (zie o.a. CRVB 21-05-2015, 13-2586 WWB, : ECLI:NL:CRVB:2015:1654 2015, CRvB 19-03-2019, 17/2101 PW, ECLI:NL:CRVB:2019:1123 en CRvB 29-03-2019, 17/2105 PW, ECLI:NL:CRVB:2019:1092 ).

Het gaat bij incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan om kosten die in principe voorzienbaar zijn (zie o.a. CRVB 19-07-2007, 06/5663 WWB + 06/5664 WWB, ECLI:NL :CRVB:2007:BB0547, CRVB:2012, 11-846 WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BY0318 en CRVB 20-05-2014, 13-1384 WWB, ECLI:NL:CRVB:2014:1751 ). Zo is na de aanschaf van een nieuw ID-bewijs of leges voor de verblijfsvergunning op voorhand al bekend wanneer dit weer moet worden verlengd. Ook bij de aanschaf van bijvoorbeeld een wasmachine is bekend, rekening houdend met de normale levensduur, dat dit apparaat op enig moment weer moet worden vervangen. Dat wil zeggen dat deze kosten weliswaar noodzakelijk kunnen zijn maar algemeen voor komen en iedereen in principe met deze kosten kan worden geconfronteerd. Het kan echter ook gaan om kosten die niet vaak voorkomen. Bijvoorbeeld notariskosten voor een testament (CRVB 29-05-2012, 10-2582 WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BW6835). Dergelijke kosten hebben te maken met een keuze van betrokkenen en zijn om die reden niet noodzakelijk of kunnen niet als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten worden aangemerkt. Naast notariskosten zijn uiteraard veel meer voorbeelden denkbaar. Dit betekent dat er in beginsel geen bijzondere bijstand wordt verstrekt voor deze kosten. De individuele inkomenstoeslag en de individuele studietoeslag maken op grond van deze beleidsregels geen onderdeel uit van het oordeel over de reserveringscapaciteit. Het niet of onvoldoende kunnen reserveren vanwege de aflossing op schulden is in principe geen bijzondere omstandigheid (CRVB 26-06-2013, 11-6971 WWB, ECLI:NL:CRVB:2013:751 en CRVB 11-08-2015, 14/2756 WWB, ECLI:NL:CRVB:2015:2719).

Uitzonderingen

Een oordeel over de reserveringscapaciteit heeft logischerwijs ook te maken met de vraag of de kosten van de belanghebbende plotseling zijn opgekomen en daarom niet voorzienbaar waren. Ook kan de periode, waarover men geacht wordt te reserveren, te kort zijn geweest gelet op de hoogte van de kosten. Denk bijvoorbeeld aan een lange periode van detentie bij een aanvraag om inrichtingskosten (CRVB 18-02-2014, 12-4426 WWB, ECLI:NL:CRVB:2014:478). Daarnaast kan het voorkomen dat belanghebbende in de te beoordelen periode te maken heeft gehad met een cumulatie van (eigen) noodzakelijke voorzienbare kosten. Het kan zijn dat dit met zich meebrengt dat er geen of onvoldoende reserveringsmogelijkheden zijn (geweest). Dit is wel afhankelijk van de aard en omvang van die kosten. Verder ligt het in ieder geval op de weg van belanghebbende dat te stellen en desgevraagd aan te tonen met verifieerbare bewijsstukken. Met kosten die betrekking hebben op andere personen dan de aanvrager wordt in principe geen rekening gehouden.

Op basis van de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep zijn er kostensoorten opgenomen die in ieder geval als incidenteel of periodiek algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan worden aangemerkt (zie o.a. CRVB 08-03-2016, 15/2975 WWB, ECLI:NL:CRVB:2016:886 , CRVB:19-01-2016, 14/5918 WWB, ECLI:NL:CRVB:2016:176 en CRVB 02-11-2010, 08-2390 WWB, ECLI:NL:CRVB:2010:BO2750). Hiermee is dus geen limitatief overzicht bedoeld.

Vierde lid

De grondslag van dit artikel is vastgelegd in artikel 4:84 van de Awb. Het idee van artikel 4:84 Awb is dat het college in principe handelt volgens de beleidsregels, maar dat er in individuele gevallen ruimte is om af te wijken. Namelijk als sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor handelen volgens de beleidsregels gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Het college moet alle relevante omstandigheden bij de beoordeling betrekken, maar het is aan de belanghebbende om aannemelijk te maken dat zo'n situatie zich voordoet.

Vijfde lid

Deze regel benadrukt het basisprincipe van bijstand: de ondersteuning wordt in principe verstrekt zonder terugbetalingsverplichting (“om niet”). Dit betekent dat de aanvrager de bijstand niet hoeft terug te betalen, tenzij er een specifieke wettelijke of beleidsmatige uitzondering geldt.

Uitzonderingen op het uitgangspunt

  • Artikel 48 van de Participatiewet: bepaalt in bepaalde gevallen dat een voorschot of bijstand kan worden verstrekt dat later moet worden terugbetaald.

  • Artikel 51 van de Participatiewet: regelt dat bepaalde bijzondere situaties of verstrekkingen op een andere wijze kunnen worden teruggevorderd. Dit staat specifiek benoemd in de beleidsregels om welke situaties in ieder geval een lening wordt verstrekt.

Hoofdstuk 3 Draagkrachtregels

Artikel 3.1 Drempelbedrag

Deze regel betekent dat er geen minimumbedrag wordt vastgesteld waarvoor bijzondere bijstand kan worden aangevraagd. Elke aanvraag, ongeacht de hoogte van het bedrag, kan door het college worden beoordeeld.

Artikel 3.2 Draagkrachtperiode

Eerste lid

Deze regel legt vast hoe het college de draagkracht van een aanvrager beoordeelt bij de toekenning van bijzondere bijstand.

  • Draagkrachtperiode van 12 maanden. Het uitgangspunt is dat de draagkrachtperiode één jaar bedraagt. Dit betekent dat het inkomen en vermogen van de aanvrager over deze periode wordt bekeken om te bepalen of de kosten kunnen worden betaald zonder bijzondere bijstand. Een vaste periode van 12 maanden zorgt voor consistente en voorspelbare beoordeling en voorkomt willekeur.

  • Aanvang van de draagkrachtperiode. De draagkrachtperiode begint op de eerste dag van de maand waarin de eerste kosten zich voordoen. Hierdoor wordt rekening gehouden met het moment waarop de uitgaven daadwerkelijk nodig zijn, zodat de beoordeling aansluit bij de financiële situatie van de aanvrager op het juiste tijdstip.

Tweede lid

Hier is de keuze gemaakt om, in het geval van geen wisselende inkomsten of kosten beschermingsbewind, curatele of mentorschap, de draagkrachtperiode op maximaal 36 maanden vast te stellen. Uit de uitvoeringspraktijk is gebleken dat er bij geen wisselende inkomsten (bijvoorbeeld AOW met een aanvullend pensioen), ieder jaar sprake was van een wijziging in de draagkracht van enkele euro’s per maand. Deze beleidskeuze om bij een vastgestelde draagkracht en geen wisselende inkomsten de draagkrachtperiode op maximaal 36 maanden vast te stellen, hoeven er minder draagkrachtonderzoeken plaats te vinden. De periode van maximaal 36 maanden kan bijvoorbeeld worden verkort als de pensioengerechtigde leeftijd wordt bereikt.

Derde lid

Het kan voor komen dat een aanvraag om bijzondere bijstand wordt ingediend binnen een reeds vastgestelde draagkrachtperiode. In dat geval blijft de eerder vastgestelde draagkrachtperiode gelden.

Vierde lid

Deze regel beschrijft hoe het college reeds bestaande draagkracht meeneemt bij een nieuwe aanvraag binnen dezelfde draagkrachtperiode:

  • Wanneer een aanvrager meerdere aanvragen binnen dezelfde draagkrachtperiode doet, wordt niet opnieuw de volledige draagkracht van het inkomen en vermogen vastgesteld.

  • Het college kijkt naar de nog niet benutbare draagkracht die overblijft na eerdere toekenningen in die periode.

  • Op deze manier wordt voorkomen dat de aanvrager dubbel wordt aangeslagen voor draagkracht die al is gebruikt bij eerdere bijzondere bijstand.

Vijfde lid

De bijzondere bijstand wordt toegekend voor de kosten die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Hiervan wordt de (resterende) draagkracht van de aanvrager afgetrokken. Alleen het werkelijke tekort dat niet door het eigen inkomen of vermogen kan worden gedekt, wordt vergoed. Bijvoorbeeld, als een aanvrager bijvoorbeeld €500 aan noodzakelijke kosten heeft en nog €200 draagkracht over heeft in de periode, bedraagt de bijzondere bijstand €300.

Zesde lid

Uitgangspunt is dat een eenmaal vastgestelde draagkracht tijdens het draagkrachtjaar niet wordt gewijzigd. Er kunnen echter situaties zijn waarin dit niet reëel is. Een wijziging van het inkomen met 15% netto per maand inclusief vakantiegeld vormt aanleiding om de draagkracht te herzien. Daarnaast kan de bijstandsnorm wijzigen doordat iemand van alleenstaande kostendeler wordt of andersom. Ook dat is een reden om de draagkracht aan te passen.

Voorbeelden:

  • 1.

    twee situaties waarbij het inkomen < 15% wijzigt;

  • 2.

    twee situaties waarbij de norm < 15% wijzigt;

  • 3.

    één situatie waarbij het inkomen > 15% wijzigt;

Voorbeeld 1

Belanghebbende is alleenstaande en heeft een salaris van € 2.002,50 bruto per maand inclusief vakantiegeld. Hierbij hoort een loonheffing van € 264,17 per maand = € 1.738,33 netto per maand inclusief vakantiegeld.

Het salaris stijgt naar € 2.304,00 bruto per maand inclusief vakantiegeld. Hierbij hoort een loonheffing van € 394,50 = €1.909,50 netto per maand inclusief vakantiegeld. De wijziging is € 1.909,50 : € 1.738,33 = 1,10 = 10%. Er vindt geen nieuwe draagkrachtberekening plaats.

Het salaris daalt naar € 1.728,00 bruto per maand inclusief vakantiegeld. Hierbij hoort een loonheffing van € 150,33 = € 1.577,67 netto per maand inclusief vakantiegeld. De wijziging is € 1.738,33 : € 1.577,67 = 1,10 = 10%. Omdat de wijziging < 15% is, vindt er geen nieuwe draagkrachtberekening plaats.

Voorbeeld 2

Belanghebbende is alleenstaande met een Wajong-uitkering op het sociaal minimum. Bij belanghebbende wonen twee kinderen ouder dan 27 jaar die niet studeren. De toepasselijke bijstandsnorm is de kostendelersnorm drie personen inclusief belanghebbende = € 867,59 per maand. Bij belanghebbende komt inwonen een derde kind ouder dan 27 jaar dat niet studeert. De toepasselijke bijstandsnorm wordt vier personen inclusief belanghebbende = € 800,85per maand. Dit is een wijziging van € 867,59 : € 800,85 = 1,08 = 8%. Omdat de wijziging < 15% is, vindt er geen nieuwe draagkrachtberekening plaats.

Voorbeeld 3

Belanghebbende is alleenstaande met een Wajong-uitkering op het sociaal minimum.

Bij belanghebbende komt inwonen een kind dat ouder is dan 27 jaar en niet studeert. De van toepassing zijnde norm wijzigt dan van de norm alleenstaande (€ 1.401,50) naar kostendelersnorm twee personen inclusief belanghebbende (€ 1.001,07). Dit is een wijziging van € 1.401,50 : € 1.001,07 = 1,40 = 40%. Er dient een nieuwe draagkrachtberekening te worden gemaakt.

Artikel 3.3 Incidentele en periodieke verstrekkingen

Lid 1

Deze regel beschrijft hoe incidentele bijzondere bijstand wordt afgehandeld. Dit betreft een eenmalige uitkering voor kosten die uit bijzondere omstandigheden voortkomen. Voor deze eenmalige uitkering wordt de draagkracht van de aanvrager over de gehele draagkrachtperiode meegenomen, voor zover dat mogelijk is.

Lid 2

De periodieke bijzondere bijstand betreft een regelmatige uitkering over meerdere maanden (bijvoorbeeld maandelijks). De draagkracht van de aanvrager wordt omgerekend naar een maandbedrag, verdeeld over de vastgestelde draagkrachtperiode.

Lid 3

Deze regel beschrijft hoe de draagkracht systematisch wordt verrekend bij zowel incidentele als periodieke bijzondere bijstand en bij opvolgende aanvragen binnen dezelfde draagkrachtperiode.

  • Verrekening van draagkracht bij incidentele bijstand. Incidentele bijstand wordt eerst beoordeeld, waarbij de volledige draagkracht van de aanvrager over de draagkrachtperiode wordt meegenomen. Dit betekent dat de beschikbare draagkracht eerst wordt gebruikt om de eenmalige kosten te dekken. Hierdoor wordt voorkomen dat incidentele kosten “dubbel” worden gefinancierd bovenop de periodieke bijstand.

  • Verrekening bij periodieke bijstand. Na verrekening met incidentele kosten wordt de resterende draagkracht naar rato verdeeld over de maanden van de draagkrachtperiode voor periodieke bijzondere bijstand. Dit garandeert een evenwichtige en proportionele maandelijkse uitkering, die aansluit bij de resterende financiële mogelijkheden van de aanvrager.

  • Nieuwe aanvragen binnen dezelfde draagkrachtperiode. Als de aanvrager een nieuwe aanvraag indient terwijl de draagkracht al eerder is vastgesteld en gedeeltelijk is verrekend met nog uit te betalen periodieke bijstand, wordt deze eerder verrekende draagkracht beschouwd als opgesoupeerd. Met andere woorden: de draagkracht die al is meegenomen in eerdere berekeningen kan niet opnieuw worden gebruikt om een nieuwe aanvraag te verlagen. Dit zorgt voor eerlijke en consistente toepassing van de regels bij meerdere aanvragen binnen dezelfde periode.

Artikel 3.4 Draagkracht uit inkomen

Eerste lid

Voor de draagkracht wordt gekeken naar de bijstand die iemand in een vergelijkbare situatie zou hebben ontvangen. Dus rekening houdend met de woon- en leefsituatie.

Tweede lid

De hier opgenomen uitkeringen betreffen allemaal uitkeringen op het sociale minimum die netto ongeveer gelijk zijn aan de vergelijkbare bijstandsnorm. Door kleine afrondingsverschillen met vakantiegeld kan er een paar cent tot een paar euro draagkracht zijn. We stellen dit gelijk aan de bijstandsnorm zodat geen draagkrachtberekening nodig is.

Dit is niet van toepassing bij gehuwden, waarbij één partner een uitkering heeft en de ander als enig inkomen de algemene heffingskorting minstverdienende partner ontvangt.

Derde lid

In dit lid is bepaalt dat tot 120% van de bijstandsnorm geen draagkracht wordt gerekend. Daarboven wordt 50% aangewend als draagkracht. Uitzonderingen zijn:

  • Woonkostentoeslag. Deze systematiek is gebaseerd op de Wet op huurtoeslag en daar wordt al rekening gehouden met de hoogte van het inkomen.

  • Schuldenbewind. Schuldenbewind wordt uitgesproken voor 5 jaar en wordt vaak eerder beëindigd aangezien de grondslag na de schuldregeling verdwijnt. De kosten van bewindvoering worden gedurende de schuldregeling gecorrigeerd in het vrij te laten bedrag. Als er voor de groep boven de 100% minder draagkracht wordt gerekend dan wordt indirect via de bijzondere bijstand schulden afgelost. Het is niet toegestaan om bijstand te verlenen voor schulden.

Vierde lid

Mogelijk een aangepaste toelichting

  • a.

    Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. hierbij

  • b.

    Voorbeeld: belanghebbende is alleenstaande, heeft een WAO-uitkering van € 1.350,00 per maand inclusief vakantiegeld en verblijft in een inrichting. De eigen bijdrage WLZ is € 800,33 per maand. De bijstandsnorm zak- en kleedgeld is € 443,76 per maand inclusief vakantiegeld + € 47,00 verhoging ZVW = € 361,28 per maand.

De draagkracht uit inkomen is de volgende:

  • WAO-uitkering € 1.350,00

  • Af: eigen bijdrage WLZ € 800,33 –

  • Af: bijstandsnorm zak- en kleedgeld € 490,76 –

  • Draagkracht per maand / jaar € 58,91 / € 706,92

Twee voorbeeld bij artikel 3.4 lid 4 actualiseren met nieuwe normbedragen:

Voorbeeld: Belanghebbende is alleenstaande en heeft een baan met een inkomen van € 2.500,00 netto per maand inclusief vakantiegeld. Uit de VTLB-berekening blijkt dat het vrij te laten bedrag is vastgesteld op € 1.800,00 per maand inclusief vakantiegeld. De bijstandsnorm alleenstaande is € 1.030,42 per maand inclusief vakantiegeld.

De draagkracht uit inkomen is:

  • VTLB € 1.800,00

  • Af: bijstandsnorm alleenstaande € 1.401,50 –

  • Draagkracht per maand / jaar € 398,50 / € 4.782,00

Artikel 3.5 In aanmerking te nemen vermogen

Lid 1 t/m 3

In dit lid wordt bepaald welk vermogen wordt meegenomen in de berekening van de draagkracht. Bij het in aanmerking te nemen vermogen sluiten we aan op de beleidsregels algemene bijstand Venlo 2022. Dit betekent dat 5 t/m 7a van de beleidsregels van toepassing zijn bij het vermogen bepalen.

Derde lid

Het college is bevoegd om bij de vaststelling van draagkracht uit vermogen afwijkende vermogensgrenzen te hanteren dan de grenzen die gelden voor de algemene bijstand. Daarbij mag onderscheidt worden gemaakt tussen kostensoorten (zie bijvoorbeeld CRVB 25-01-2011, 10-274 WWB, ECLI:NL:CRVB:2011:BP3443). In het eerste lid is vastgelegd dat de vermogensgrens als bedoeld in de wet niet wordt gehanteerd.

Vierde lid

Dit lid schrijft voor hoe het college omgaat met de draagkracht in het geval van nieuwe aanvragen die worden ingediend binnen het vastgestelde draagkrachtjaar. Bij een nieuwe aanvraag binnen een lopend draagkrachtjaar wordt (er van uitgaand dat aan de overige voorwaarden voor het recht op bijzondere bijstand is voldaan) uiteraard gekeken naar het eventuele restant van de draagkracht uit vermogen.

Voorbeeld:

Op 1 januari 2025 wordt er een aanvraag BB ingediend voor € 500,00. Er is een draagkracht uit vermogen van € 1.200,00 op jaarbasis. De aanvraag wordt afgewezen in verband met draagkracht uit vermogen. De resterende draagkracht voor de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2025 is € 1.200,00 - € 500,00 = € 700,00.

Vanaf 1 maart 2025 wordt de aanvrager onder bewind gesteld. De kosten vanaf 1 maart 2025 zijn € 141,47 per maand x 10 maanden = € 1.414,70 van 1 maart 2025 tot en met 31 december 2025. Op het bedrag van € 1.414,70 wordt de resterende draagkracht van € 700,00 in mindering gebracht. Gedurende de periode van 1 maart 2025 tot en met 31 december 2025 wordt BB verstrekt ter hoogte van € 1.414,70 - € 700,00 = € 714,70 over tien maanden = € 71,47 per maand.

Vijfde lid

In dit lid staat benoemd welke middelen niet tot vermogen van belanghebbende worden gerekend.

Hoofdstuk 4 Procedure

Artikel 4.1 Indienen aanvraag

De belanghebbende kan via een formulier (digitaal, dan wel fysiek) een aanvraag doen voor bijzondere bijstand. Soms kan een belanghebbende geen aanvraag doen door persoonlijke omstandigheden. In dat geval kan het college het recht op bijzondere bijstand zelf vaststellen. Bijvoorbeeld als iemand langere tijd in het ziekenhuis ligt, iemand heeft een verstandelijke beperking of er is spraak van een noodsituatie waarbij snel gehandeld moet worden.

Artikel 4.2 Terugwerkende kracht

Het college kan bijzondere bijstand achteraf toekennen. Dit kan vanaf maximaal drie maanden vóór de datum waarop de belanghebbende zich heeft gemeld. Dit geldt alleen als er individuele omstandigheden zijn die dit noodzakelijk maken. Het maakt daarbij niet uit of de rekening is betaald of niet.

Tweede lid

Het college kijkt naar de datum waarop de aanvraag bijzondere bijstand is ontvangen. Daarnaast wordt gekeken naar de datum waarop iemand van de kosten af kon weten, bijvoorbeeld de dag dat een bestelling is geplaatst.

Uitzonderingen volgens de rechtspraak:

  • 1.

    Kosten voor rechtsbijstand

  • Waar het gaat om de kosten van rechtsbijstand, geldt dat de kosten opkomen op de dag dat de rechtsbijstandsverlener het besluit van de Raad voor Rechtsbijstand tot verlening van de aangevraagde heeft ontvangen (CRvB 15-11-2016, 15/377 WWB).

  • 2.

    Kosten voor bewindvoering

  • De kosten tellen vanaf de dag dat de bewindvoerder door de kantonrechter is benoemd (CRvB 07-03-2017, 15/1121 WWB).

Artikel 4.3 Deskundigenadvies

Eerste lid

In sommige gevallen weet het college niet precies of iemand recht heeft op bijzondere bijstand of hoe hoog de bijstand moet zijn. In die gevallen mag het college advies vragen aan een deskundige. Bij dieetkosten geldt meestal dat het college volstaat met de dieetbevestiging van de arts of diëtist.

Tweede lid

Het is vanzelfsprekend dat de belanghebbende meewerkt aan het onderzoek (volgens artikel 17, tweede lid van de wet of artikel 55 van de wet). De belanghebbende moet niet altijd persoonlijk bij de deskundige verschijnen. Soms kan de medische noodzaak van de kosten worden vastgesteld via:

  • Dossieronderzoek, of

  • Overleg met een deskundige uit de behandelende sector of de huisarts.

De belanghebbende moet toestemming geven zodat de deskundige een volledig advies aan het college kan uitbrengen. Dit betekent dat iemand niet zomaar kan weigeren informatie te geven met een beroep op het verschoningsrecht (vergelijk CRvB 24-03-2015, 13-4309 WWB, ECLI:NL:CRVB:2015:955).

Derde lid

In het derde lid staat wanneer het advies van een deskundige niet nodig is. Dit kan bijvoorbeeld als de medische noodzaak al duidelijk is, bijvoorbeeld door een arts of specialist. Ook kan een eerder advies laten zien dat een nieuwe beoordeling niet nodig is. Daarnaast kijkt het college naar kosten en doelmatigheid. Als een advies niets extra oplevert, is het onnodig en belastend voor de belanghebbende. Onderdeel a en b geven voorbeelden wanneer een advies niet wordt gevraagd.

Hoofdstuk 5 Kosten in verband met wonen

Paragraaf 1. Woonkostentoeslag en verhuisplicht

Artikel 5.1.1 Woonkostentoeslag huurders

Eerste lid

Hoofdregel: De Wht wordt meestal gezien als een passende en voldoende voorziening vóórdat bijzondere bijstand wordt aangevraagd (CRVB 13-09-2011, 08-81 WWB, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1740).

De Wht kan niet in alle gevallen als passende en toereikende voorliggende voorziening worden aangemerkt omdat de huurtoeslag bijvoorbeeld wordt verstrekt met ingang van de eerste van de maand (CRVB 27-05-2014, 12-3890 WWB, ECLI:NL:CRVB:2014:1945).

Bepalen van het bedrag: De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld volgens de berekeningsregels van de Wet op de huurtoeslag.

Tweede lid

Hoewel de Wht als voorliggende passende en toereikende voorziening moet worden aangemerkt, kunnen daar toch uitzonderingen voor gelden. Die staan genoemd in het tweede lid.

Derde lid

De Woonkostentoeslag is een tijdelijke voorziening. Het college kent telkens voor maximaal 6 maanden toe. Belanghebbende kan na afloop van de beschikking een nieuwe (verlengings)aanvraag indienen. Beoordeling bij verlenging: Als iemand bijzondere bijstand heeft en een verlenging aanvraagt, kijkt het college of de verhuisplicht wordt nageleefd.

Maximaal verlengen: Als aan de voorwaarden van de verhuisplicht is voldaan, kan het college de bijzondere bijstand telkens maximaal 6 maanden verlengen.

Opnieuw opleggen van verhuisplicht: Bij verlenging legt het college de verhuisplicht opnieuw op. Dit staat in artikel 55 van de PW. Wat houdt de verhuisplicht in: Belanghebbende moet bijvoorbeeld ingeschreven blijven als woningzoekende.

Vierde lid

Hoofdregel: Als iemand de verhuisplicht of inspanningsplicht niet of onvoldoende nakomt, kan het college de aanvraag om verlenging afwijzen. Dit kan op grond van artikel 15 van de Wet (CRVB 12-01-2016, 15/1118 WWB, ECLI:NL:CRVB:2016:77:2016:77 en CRVB 13-09-2011, 08-81 WWB, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1740).

  • Rechtszaken: In eerdere uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is aangegeven dat het college soms buitengewoon gunstig beleid hanteerde buiten de wet om.

  • Bijzondere omstandigheden: Er kunnen situaties zijn die als bijzondere redenen worden gezien. In die gevallen kan het college toch besluiten om de bijzondere bijstand te verlengen.

Bijzondere redenen

  • Verwijtbare verhuisplicht: Soms komt iemand de verhuisplicht niet na. Normaal gesproken kan dan de aanvraag om verlenging van de woonkostentoeslag worden afgewezen.

  • Uitzondering: Er kunnen bijzondere redenen zijn waardoor het college de aanvraag toch niet afwijst.

  • Beroep op bijzondere redenen: Belanghebbende kan desgevraagd of uit eigen beweging een beroep doen op bijzondere redenen. Het college moet in dat geval een licht onderzoek doen.

  • Onderbouwing: Belanghebbende moet uitleggen waarom er bijzondere redenen zijn. Het college kan soms zelf vaststellen dat er sprake is van bijzondere redenen.

  • Specifieke situaties: Het gaat om omstandigheden die het college specifiek kan vaststellen bij de belanghebbende of het gezin.

    • Situatie 1: Het gezin is bekend bij andere hulpverlenende instanties. Daar wordt al hulp geboden of hulp wordt op korte termijn gestart.

    • Situatie 2: Het gezin is nog niet bekend bij andere hulpverlenende instanties, maar hulp kan naar verwachting een oplossing bieden voor het probleem.

Ad. 1

Bij situaties als bedoeld onder 1. kan gedacht worden aan:

  • een wettelijk schuldhulpverleningstraject, of;

  • een aanvraag om jeugdhulp op grond van de Jeugdwet of;

  • individuele begeleiding op grond van de Wmo 2015.

Reden voor uitzondering:

  • Als het college de verlenging niet toestaat, kan dit onredelijk zijn.

  • Het weigeren van de verlenging kan de noodzakelijke hulp miskennen of ondermijnen.

Wat het college kan doen:

  • De woonkostentoeslag kan worden toegekend als geldlening.

  • De reguliere verhuisplicht blijft gelden.

Let op: Deelname aan een wettelijk schuldhulpverleningstraject betekent niet automatisch dat het college de bijzondere bijstand niet als lening mag verstrekken.

Belanghebbende moet zich houden aan de voorwaarden die bij de hulp horen. Dit gebeurt op basis van artikel 55 van de wet.

Bij een nieuwe aanvraag om woonkostentoeslag beoordeelt het college of aan de voorwaarden is voldaan. Als dat niet het geval is, kan een beroep op bijzondere redenen niet succesvol zijn.

Ad. 2

Belanghebbende heeft door zijn specifieke problematiek nog niet de weg naar ondersteuning kunnen vinden. Voorbeelden van ondersteuning zijn bijvoorbeeld cliëntondersteuning.

Het gaat om situaties waarin het niet volgen van de verhuisplicht wel aan belanghebbende te verwijten is. De problematiek kan bijvoorbeeld bestaan uit:

  • Beperkte sociale steun.

  • Minder vermogen tot eigen regie door beperkingen.

  • Voorbeelden: licht verstandelijke beperking, niet aangeboren hersenletsel, GGZ-problematiek.

Reden voor uitzondering:

  • Afwijzen van de aanvraag kan leiden tot een huurschuld.

  • Dit kan uiteindelijk zelfs tot uitzetting van de woning leiden.

Wat het college kan doen:

  • De woonkostentoeslag kan worden toegekend als geldlening.

  • Belanghebbende moet aanvullende ondersteuning zoeken.

  • Dit gebeurt volgens artikel 55 van de wet.

Deze verplichting komt bovenop de reguliere verhuisplicht. Bij een nieuwe aanvraag beoordeelt het college of de voorwaarden zijn gevolgd. Als dit niet is gebeurd, kan een beroep op bijzondere redenen niet opnieuw succesvol zijn.

Vijfde lid

Verlengen van bijzondere bijstand bij bijzondere redenen. Als het college vaststelt dat er bijzondere redenen zijn, kan de bijzondere bijstand worden verlengd. De verlenging is maximaal 6 maanden. De bijzondere bijstand kan worden verstrekt als lening. Dit gebeurt volgens artikel 48, tweede lid, onder b van de wet. Bij verlenging legt het college opnieuw de verhuisplicht op. Dit gebeurt volgens artikel 55 van de wet.

Zesde lid

Personen jonger dan 21 jaar met of zonder kinderen komen niet in aanmerking voor huurtoeslag. Het college is daarom bevoegd om de aanvraag af te wijzen op grond van artikel 15 van de wet (CRVB 13-09-2011, 08-81 WWB, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1740). Een uitzondering geldt in de situaties genoemd in het zesde lid.

Zevende lid

De woonkostentoeslag op grond van het zevende lid eindigt zodra de persoon de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt, per welke datum de aanspraak op huurtoeslag ontstaat.

Artikel 5.1.2. Hoogte woonkostentoeslag huurders

De systematiek die wordt gebruikt bij de berekening van de hoogte van de woonkostentoeslag is gebaseerd op de Wet op Huurtoeslag.

Belanghebbende woont in een woning met een huur van € 899,00 per maand. Huurtoeslag is mogelijk tot maximaal € 900,07 subsidiabele huur per maand. De maximale huurtoeslag bedraagt € 560,00 per maand. De huurtoeslag is een voorliggende voorziening volgens de PW. De huurtoeslag waar de inwoner recht op heeft is €460. De WKT is dan € 899,00 - € 460,00 = € 429,00 per maand.

Belanghebbende woont in een woning met een huur van € 1200,00 per maand. Huurtoeslag is mogelijk tot maximaal € 900,00 subsidiabele huur per maand. De maximale huurtoeslag bedraagt € 560,00 per maand. De WKT is dan € 900,07 - € 560,00 = € 340,07 per maand.

Artikel 5.1.3 hoogte woonlasten woningeigenaren

Eerste lid

In dit lid zijn diverse vaste lasten opgenomen verbonden aan de eigen woning waarmee de woonkosten worden verminderd.

Derde lid

De voorlopige teruggave inkomstenbelasting wordt op grond van artikel 32, eerste lid, van de wet als inkomen toegerekend aan de periode waarop deze teruggave betrekking heeft. Het college betrekt deze bij de berekening van de bijzondere bijstand en brengt deze in mindering op de totale woonkostentoeslag (CRVB:2014:2384).

Artikel 5.1.4. Verhuisplicht

Eerste lid

Het college heeft op grond van artikel 55 van de wet een discretionaire bevoegdheid om nadere verplichtingen op te leggen die zijn verbonden aan het recht op bijstand. Deze verplichtingen strekken in dit geval tot vermindering of beëindiging van bijstand. Bij het verlenen van bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag maakt het college in principe gebruik van deze bevoegdheid omdat betrokkenen, in relatie tot de hoogte van hun inkomen, niet te duur mogen wonen. Dat geldt voor huurders (CRVB 19-01-2016, 14/6-55 WWB, ECLI:NL:CRVB:2016:190 en CRVB 12-01-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:77) maar ook voor ook woningeigenaren (CRVB 08-10-2013, 11-7393 WWB, ECLI:NL:CRVB:2013:1957 en CRVB 16-12-2014, 13-9 WWB, ECLI:NL:CRVB:2014:4242 ).

Tweede lid

Dit lid bepaalt wanneer er geen verhuisplicht geldt.

Derde lid aanhef

Zijn de kosten echter hoger dan de maximaal subsidiabele huurgrens, dan geldt als hoofdregel dat de verhuisplicht wordt opgelegd. Hierop zijn wel een aantal uitzonderingen.

  • a.

    In deze situatie gaat het om aanpassingen van de woning die bijvoorbeeld op grond van de Wmo 2015 of daaraan voorafgaande wetgeving zijn aangebracht. De Wet op de huurtoeslag (Wht) kent in deze situatie ook afwijkende regels.

  • b.

    In de situatie genoemd in dit onderdeel zal het college deskundigenadvies moeten inwinnen.

  • c.

    Jonger dan 21 jaar.

  • d.

    Na het bereiken van het zogeheten kredietplafond beoordeelt het college of belanghebbende naar verwachting voor langere tijd op algemene bijstand zal zijn aangewezen. Is dat het geval, dan legt het college de verhuisplicht op. Dat is overigens in overeenstemming met het complementaire karakter van bijstand. Daar past het in stand houden van eigen woningbezit niet bij.

  • e.

    Voor zelfstandigen als bedoeld in dit onderdeel is alleen een woonkostentoeslag zonder verhuisplicht mogelijk in combinatie met een uitkering in het kader van het Bbz 2004. De verhuisplicht geldt dus wel voor zelfstandigen die hun bedrijf beëindigen.

Artikel 5.1.5. Verhuisplicht: voorwaarden huurders

Eerste lid

De inhoud van de verhuisplicht heeft betrekking op een inspanningsverplichting die van de belanghebbende gevergd mag worden. Het gaat immers om verplichtingen die in de praktijk strekken tot beëindiging van woonkostentoeslag. Het eerste lid spreekt over ‘in ieder geval’. Dat wil zeggen dat het college in het individuele geval ook bevoegd is om andere concrete zaken in de beschikking te benoemen die binnen het bereik van de verhuisplicht vallen.

Om in aanmerking te komen voor een passende woning of woonruimte zal belanghebbende de twee concrete activiteiten moeten verrichten die onder a. en b. staan genoemd. Daarbij geldt gedurende de gehele periode van bijstandsverlening dat belanghebbende de inschrijving als woningzoekende in die periode handhaaft.

Tweede en derde lid

Het tweede lid geeft concreet invulling aan wat in ieder geval onder de activiteiten wordt verstaan. Zeker niet onredelijk is om twee reacties per maand op woningen te verlangen. Het derde lid omschrijft wat onder een passende woning moet worden verstaan.

  • Aantoonbaar en verifieerbaar: De activiteiten moeten aantoonbaar en voor het college verifieerbaar zijn zodat het college daar uit af kan leiden of is voldaan aan de voorwaarden van de verhuisplicht. Dat is van groot belang indien belanghebbende een verlenging aanvraagt van de woonkostentoeslag.

  • Passende woning of woonruimte: Ook is vereist dat op passende woningen of woonruimten wordt gereageerd. In eerste instantie is daarbij de hoogte van de woonkosten van belang. Die moet vanzelfsprekend lager zijn dan de maximale huurgrens. Verder heeft het criterium ‘passend’ betrekking op de gezinssituatie. Afhankelijk daarvan kan een kleinere of andersoortige woonruimte, dan die belanghebbende wenst, in de ogen van het college toch passend zijn. Reageert een alleenstaande alleen op eengezinswoningen wordt dat niet als passend aangemerkt. Voor gehuwden met kinderen of alleenstaande ouders ligt dat anders. Daarbij wordt wel opgemerkt dat het niet ongebruikelijk is dat minderjarige kinderen tot een bepaalde leeftijd een slaapkamer delen. Dus het alleen reageren op (hele) grote eengezinswoningen zou ook voor hen door het college als niet passend (kunnen) worden aangemerkt. Kort gezegd: belanghebbende mag geen onredelijke belemmeringen opwerpen.

  • Aanbod: Daarnaast heeft het criterium passend betrekking op het concrete aanbod waarop moet worden gereageerd. Beperkt belanghebbende de aantoonbare activiteiten tot bijvoorbeeld slechts één wijk in Venlo, dan is dat in het algemeen niet passend. Verwacht wordt dat ook op woningen in andere wijken of buiten Venlo wordt gereageerd. Daarbij kan het college ervan uitgaan dat maximaal 25% van de woningen waarop is gereageerd, binnen hetzelfde postcode(cijfer)gebied of specifieke wijk mag vallen.

Of wordt voldaan aan de voorwaarden van de verhuisplicht zal het college moeten beoordelen aan de hand van de vraag of:

  • 1.

    is gereageerd op voldoende woningen en/of andere passende woonruimte (aantal); en

  • 2.

    gedurende de gehele periode van bijstandsverlening is gereageerd; en

  • 3.

    is gereageerd op passende woningen en/of andere passende woonruimte.

Artikel 5.1.7 Verhuisplicht: voorwaarden woningeigenaren

Eerste lid

De inhoud van de verhuisplicht bij eigen woningbezitters heeft, net als bij huurders, ook betrekking op een inspanningsverplichting die door het college van de belanghebbende gevergd mag worden. Het gaat immers om verplichtingen die in de praktijk strekken tot beëindiging van woonkostentoeslag. Het eerste lid spreekt over ‘in ieder geval’. Dat wil zeggen dat het college in het individuele geval ook bevoegd is om andere concrete zaken in de beschikking te benoemen die binnen het bereik van de verhuisplicht vallen.

In de verhuisplicht bij de woonkostentoeslag aan de eigen woningbezitters zit de verplichting besloten om de eigen woning te koop aan te bieden. Daar zal belanghebbende als eerste voor moeten zorgen (onder a). De makelaar behoort daarbij via de geëigende kanalen de woning aan de markt aan te bieden. Totdat de woning daadwerkelijk is verkocht zal belanghebbende alles moeten nalaten wat aan die verkoop in de weg kan staan. Denk bijvoorbeeld aan het weghalen van het bord of posters waarmee de woning te koop wordt aangeboden of het belemmeren van bezichtigingen door belangstellenden. Er zijn uiteraard meer voorbeelden te bedenken.

Tweede lid

Het spreekt voor zich dat de vraagprijs van de woning redelijk moet zijn: in verhouding tot de waarde van de woning (zie ook eerste lid onder b). De makelaar zal daar, met belanghebbende, een redelijke vraagprijs over afspreken omdat daar ook zijn eigen belang mee gemoeid is. Wat een redelijke vraagprijs is valt op voorhand niet te zeggen. Als uitgangspunt hanteert het college de WOZ-waarde met een opslag van 20%. Is die waarde niet in overeenstemming met de marktwaarde van de woning, dan zal het college daarvan af moeten wijken. Het zal dan doorgaans om een hogere marktwaarde gaan waarop de belanghebbende zich beroept. Denk bijvoorbeeld aan een woning die gelet op een (recente) verbouwing of bijzondere voorzieningen meer waard is dan de WOZ-waarde met een opslag van 20%. Als belanghebbende van mening is dat de vraagprijs hoger kan zijn dan de WOZ-waarde met een opslag van 20%, ligt het op zijn weg om dat aan te tonen.

Dat kan bijvoorbeeld met een taxatieverslag, waarvan de kosten voor rekening van belanghebbende komen. Het kan dus zijn dat het vragen van een onredelijke prijs de verkoop van de woning bemoeilijkt of zelfs onmogelijk maakt.

Derde lid aanhef

Strikt genomen is de koopovereenkomst tot stand gekomen op het moment dat beide partijen (kopen en verkoper) deze hebben ondertekend. Daarbij wordt opgemerkt dat daarna nog drie dagen bedenktijd geldt voor de (potentiële) koper. Vanaf het moment dat is ondertekend zal belanghebbende direct moeten omzien naar passende, vervangende woonruimte. De verdere voorwaarden van de verhuisplicht, het zorgen voor vervangende woonruimte, gelden vanaf dat moment.

Derde lid aanhef en onder a en b

Om in aanmerking te komen voor een passende woning of woonruimte zal belanghebbende de twee concrete activiteiten moeten verrichten die in onderdeel a. en b. staan genoemd. In tegenstelling tot bij huurders geldt voor woningeigenaren dat de activiteiten gericht op het verkrijgen van een passende woning of woonruimte pas gelden nadat de (ver)koopovereenkomst is getekend.

Vierde lid

Dit lid geeft concreet invulling aan wat in ieder geval onder de activiteiten wordt verstaan. Zeker niet onredelijk is om twee reacties per maand op woningen te verlangen. Een omschrijving van het begrip passende woning staat in het vijfde lid.

  • Aantoonbaar en verifieerbaar: De activiteiten moeten aantoonbaar en verifieerbaar zijn zodat het college daar uit af kan leiden of is voldaan aan de voorwaarden van de verhuisplicht. Dat is van groot belang als belanghebbende een verlenging aanvraagt van de woonkostentoeslag.

  • Aanbod: Daarnaast heeft het criterium passend betrekking op het concrete aanbod waarop moet worden gereageerd. Beperkt belanghebbende de aantoonbare activiteiten tot bijvoorbeeld slechts één wijk in Venlo, dan is dat in het algemeen niet passend. Verwacht wordt dat ook op woningen in andere wijken of buiten Venlo wordt gereageerd. Daarbij kan het college ervan uitgaan dat maximaal 25% van de woningen waarop is gereageerd, binnen hetzelfde postcode(cijfer)gebied of specifieke wijk mag vallen.

Of wordt voldaan aan de voorwaarden van de verhuisplicht zal het college moeten beoordelen aan de hand van de vraag of:

  • 1.

    is gereageerd op voldoende woningen en/of andere passende woonruimte (aantal); en

  • 2.

    gedurende de resterende periode van bijstandsverlening is gereageerd; en

  • 3.

    is gereageerd op passende woningen en/of andere passende woonruimte.

Vijfde lid

Dit lid omschrijft wat onder een passende woning moet worden verstaan. In eerste instantie is daarbij de hoogte van de woonkosten van belang. Die moet vanzelfsprekend lager zijn dan de maximale huurgrens. Verder heeft het criterium ‘passend’ betrekking op de gezinssituatie. Afhankelijk daarvan kan een kleinere of andersoortige woonruimte, dan die belanghebbende wenst, in de ogen van het college toch passend zijn. Reageert een alleenstaande alleen op eengezinswoningen, dan wordt dat niet als passend aangemerkt. Voor gehuwden met kinderen of alleenstaande ouders ligt dat anders. Daarbij wordt wel opgemerkt dat het niet ongebruikelijk is dat minderjarige kinderen tot een bepaalde leeftijd een slaapkamer delen.

Dus het alleen reageren op (hele) grote eengezinswoningen zou ook voor hen door het college als niet passend kunnen worden aangemerkt. Kort gezegd: belanghebbende mag geen onredelijke belemmeringen opwerpen.

Paragraaf 2 Verhuiskosten en inrichtingskosten

Artikel 5.2.1. Verhuiskosten algemeen

Algemeen

In principe heeft iedereen recht op zelfstandige huisvesting. De kosten, die dat met zich meebrengt, zijn algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan die in beginsel bestreden moeten worden uit het eigen inkomen. Dit zijn kosten met een voorzienbaar karakter.

Dat wil zeggen dat verhuis- en (her)inrichtingskosten uitsluitend in aanmerking kunnen komen voor bijzondere bijstand indien er sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten. Daarvan kan sprake zijn bij een niet voorziene verhuizing op grond van een medische of sociale noodzaak. Het college stelt daarvoor de noodzaak van de verhuizing vast. De Wmo 2015 kan voor de wet gelden als een voorliggende toereikende en passende voorziening. Dat is onder meer voor verhuiskosten het geval. Ondervindt de belanghebbende bijvoorbeeld beperkingen in het normale gebruik van de woning (zelfredzaamheid) waardoor de verhuizing noodzakelijk is, dan wordt de Wmo 2015 als voorliggende voorziening aangemerkt. Kan belanghebbende krachtens de CAO of een individuele arbeidsovereenkomst aanspraak maken op een tegemoetkoming in verhuiskosten door de werkgever, dan geldt dat als voorliggende voorziening. Ook kan de Regeling minimumbijdrage verhuis- en inrichtingskosten bij renovatie gelden als voorliggende voorziening. Op grond van deze regeling kan een tegemoetkoming worden verkregen.

Eerste en tweede lid

Het gaat in dit artikel om kosten die direct verband houden met de verhuizing. Het gaat om de kosten van de eerste maand huur en de (volledige) kosten in verband met het aangaan van de huurovereenkomst (administratiekosten of waarborgsom) en de met de verhuizing gemoeide transportkosten. Deze kosten worden aangemerkt als incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Dit betekent dat het voorzienbare kosten zijn waarvoor de reserveringsplicht geldt (CRVB 21-10-2014, 14-26 WWB, ECLI:NL:CRVB:2014:3407 en CRVB 08-03-2016, 15/2503 WWB, ECLI:NL:CRVB:2016:898). Het college zal dan ook eerst de noodzaak van de verhuizing moeten vaststellen. In het geval belanghebbende verhuist naar een passende woning omdat aan hem de verhuisplicht is opgelegd, staat de noodzaak van de verhuizing in ieder geval vast. Opgemerkt wordt dat daarmee niet zonder meer het recht op bijstand vaststaat. De belanghebbende die zijn eigen woning heeft verkocht kan daardoor bijvoorbeeld over in aanmerking te nemen middelen beschikken.

Derde tot en met vierde lid

Hier wordt benoemd wat er onder verhuiskosten wordt verstaan.

Vijfde lid

Een inwoner regelt zijn verhuizing met behulp van zijn eigen netwerk. De hoogte van de bijstand is gelijk aan de werkelijke gemaakte kosten van huur van een aanhanger of busje (incl. brandstofkosten).

Als een inwoner geen gebruik kan maken van zijn netwerk, kunnen de kosten van een verhuisbedrijf worden vergoed.

Artikel 5.2.2. Stoffering, inrichtingskosten en duurzame gebruiksgoederen

Tweede lid

Woninginrichting is over het algemeen eenvoudig tweedehands te verkrijgen. Daardoor zal in de meeste gevallen 40% van de Nibud-norm toereikend zijn.

Derde lid

Voor duurzame gebruiksgoederen wordt een maximum de nieuwwaarde berekend. Dit heeft te maken met de hygiëne en/of duurzaamheid van de producten.

Vijfde lid

Het college zal moeten vaststellen dat het slagen van het schuldsaneringstraject in gevaar komt voordat kan worden overgegaan tot de verstrekking van bijstand om niet.

Artikel 5.2.4 Baby-uitzet

Lid 1 en 2

De kosten van een babyuitzet (zoals wieg, ledikant, kleding, enz.) horen tot de algemeen voorkomende noodzakelijke kosten. Dat betekent dat u deze kosten eigenlijk zelf moet betalen uit uw inkomen. Er geldt een reserveringsplicht: belanghebbende moet eerst proberen geld apart te zetten voor deze uitgaven. Alleen als er bijzondere omstandigheden zijn kan het college hiervan afwijken en toch bijstand geven.

Lid 3

Het is niet nodig om de in lid 2 genoemde spullen nieuw aan te schaffen. De uitzet is over het algemeen eenvoudig tweedehands te verkrijgen. Daardoor zal in de meeste gevallen 40% van de Nibud-norm toereikend zijn.

Lid 4

Het college zal moeten vaststellen dat het slagen van het schuldsaneringstraject in gevaar komt voordat kan worden overgegaan tot de verstrekking van bijstand om niet.

Paragraaf 3 Overige kosten in verband met wonen

Artikel 5.3 Doorbetaling vaste lasten verblijf instelling

Eerste lid

Bij de beoordeling of er recht kan bestaan op bijzondere bijstand is het van belang of er in de woning personen (blijven) wonen in het geval belanghebbende tijdelijk wordt opgenomen in een instelling. Is dat niet het geval, dan zal de noodzaak van de doorbetaling van de vaste lasten worden beoordeeld. Daarbij speelt de tijdelijke aard van de opname een belangrijke rol maar ook de hoogte van het inkomen. Is de norm bijvoorbeeld omgezet naar de zak- en kleedgeldnorm als bedoeld in artikel 23 van de wet, zal duidelijk zijn dat van dat inkomen de vaste lasten niet betaald kunnen worden.

Tweede lid

Dit lid bepaalt wat onder vaste lasten wordt verstaan.

Derde lid

Dit lid bepaalt de maximale periode van bijstandsverlening. In die gevallen kan niet meer gesproken worden van een tijdelijk karakter. Het ligt voor de hand dat belanghebbende permanent in een instelling zal verblijven op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz).

Hoofdstuk 6 Kosten van medische aard

Artikel 6.1 Medische of sociaal noodzakelijke kosten

In het geval van een medische noodzaak komen de kosten voor vergoeding in aanmerking op grond van de Zorgverzekeringswet. Voor de volgende zaken kunnen onder andere bijzondere bijstand voor worden aangevraagd, zie voorbeelden:

Personenalarmering

Voor personenalarmering in verband met ouderdom, kan bijzondere bijstand worden verstrekt als de alarmering noodzakelijk is. Thuiszorg of een andere aanbieder kan de alarmeringsapparatuur leveren.

Meerkosten waskosten en kledingslijtage

De meerkosten van waskosten en kledingslijtage (ook schoeisel) kunnen in aanmerking komen voor bijzondere bijstand, mits de noodzaak middels een (medisch) advies is vastgesteld. Dergelijke meerkosten kunnen het gevolg zijn van incontinentie, het veelvuldig gebruik van medisch noodzakelijke zalf of het gebruik van een prothese.

Warmtetoeslag

In het algemeen zijn stookkosten algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die bestreden moeten worden uit het eigen inkomen. Er kan een noodzaak voor hogere stookkosten zijn, indien daar een medische noodzaak voor is. Belanghebbende kan een aandoening hebben waardoor de eigen lichaamstemperatuur niet op peil kan worden gehouden. In die gevallen zijn de meerkosten van het stoken uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten. Of er meerkosten als gevolg van een medische noodzaak zijn moet in eerste instantie blijken uit het medisch advies. De adviseur kan de noodzaak aangeven voor een bepaalde omgevingstemperatuur en in welke ruimten die vereist is. Het hoeft dus niet in alle gevallen te gaan om de hele woning. Het spreekt voor zich dat als de hogere stookkosten betrekking hebben op een slecht geïsoleerde woning, deze kosten niet voor bijzondere bijstand in aanmerking komen (CRVB 23-07-2013, 12-1697 WWB, ECLI:NL:CRVB:2013:1126 en CRVB 26-06-2012, 11-5491 WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BW9868).

Dieetkosten

Aan de hand van een dieetbevestiging die de arts of diëtist invult voor de belastingdienst om voor belastingaftrek in aanmerking te komen of – indien de dieetbevestiging er niet is – aan de hand van een deskundigenadvies wordt vastgesteld of de kosten die zijn verbonden aan een dieet noodzakelijk zijn en meerkosten met zich meebrengen. Wordt voldaan aan deze twee voorwaarden, dan worden de (meer)kosten van dat dieet als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten aangemerkt.

Maaltijdvoorziening

Bij de beoordeling van de noodzaak wordt meegewogen of gebruik gemaakt kan worden van kant-en-klaar-maaltijden uit de supermarkt.

Iedereen heeft kosten in verband met zijn maaltijdvoorziening, die moeten dan ook bestreden worden uit het eigen inkomen. Voor de meerkosten kan bijzondere bijstand worden verstrekt.

Artikel 6.2 Gehandicaptenparkeerkaart

De kosten voor de medische keuring komen in aanmerking voor bijzondere bijstand. De kosten komen één keer per 12 maanden voor vergoeding in aanmerking. Het maakt daarbij niet uit of de aanvraag wordt goedgekeurd of afgewezen.

Artikel 6.3 Collectieve ziektekostenverzekering minima

Eerste lid

De gemeente heeft voor inwoners met een laag inkomen een collectieve zorgverzekering afgesloten bij zorgverzekeraar VGZ. Er zijn drie pakketten, bestaande uit een basisverzekering met een aanvullend pakket:

  • VGZ GemeentePakket Compact

  • VGZ GemeentePakket Compleet

  • VGZ GemeentePakket Compleet + € 0 eigen risico

Het college verleent alleen bijzondere bijstand voor het VGZ GemeentePakket Compleet + € 0,- eigen risico.

Tweede lid

Om voor bijzondere bijstand in aanmerking te komen geldt voor de collectieve zorgverzekering een afwijkend draagkrachtpercentage van 120%. Daarnaast wordt geen rekening gehouden met de kostendelersnorm, maar met de alleenstaande-(ouder), de gehuwdennorm of inrichtingsnorm.

Derde lid

Ook wordt geen rekening gehouden met de waarde van de eigen woning als deze door de aanvrager zelf wordt bewoond.

Hoofdstuk 7 Eigen bijdragen

Artikel 7 Eigen bijdragen rechtsbijstand en griffierechten

Eerste lid

In het geval van bijzondere bijstand voor rechtsbijstand komen de kosten op vanaf de dag dat de rechtsbijstandsverlener het besluit van de Raad voor Rechtsbijstand tot verlening van de aangevraagde heeft ontvangen (CRvB 15-11-2016, 15/377 WWB, ECLI:NL:CRVB:2016:4340). Op de toevoeging staan meerdere data. De verzenddatum is echter bepalend.

Mogelijk andere toelichting. Ligt aan de visie hierop.

Tweede lid

De eigen bijdrage wordt in principe verlaagd indien de rechtzoekende alvorens een toevoeging aan te vragen gebruik maakt van de rechtshulp (bijv. Juridisch Loket) en in dat kader een diagnosedocument is opgesteld. De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt in principe niet meer dan de lage eigen bijdrage die zou gelden als de belanghebbende gebruikt gemaakt zou hebben van rechtshulp zoals het Juridisch Loket (CRVB 23-02-2016, 14/4792 WWB, ECLI:NL:CRVB:2016:595). De hoogte van het griffierecht is afhankelijk van de hoogte van inkomen en vermogen van de rechtzoekende.

De regering is voornemens de gesubsidieerde rechtsbijstand (verder) te herijken. De plannen zijn om mogelijkheden te creëren tot individueel maatwerk in de Wet op de rechtsbijstand zoals een passende betalingsregeling (TK 2015/16, 31 753, nr. 118). Dit met het streven dat deze regeling gezien haar aard en doel, in het kader van de wet wordt beschouwd als een voorliggende passende en toereikende voorziening. Aanvragen voor de eigen bijdragen worden (dan) afgewezen op grond van artikel 15 van de wet.

Derde lid

Een concrete datum noemen schept duidelijkheid voor de inwoner.

Hoofdstuk 8 Reiskosten

Artikel 8.1 Reiskosten voor bezoeken gezinsleden of naaste familieleden

Dit artikel bevat de regels voor het verlenen van bijzondere bijstand voor reiskosten die worden gemaakt voor het bezoeken van de partner en/of het eigen kind of stiefkind dat buiten de gemeente Venlo verblijft.

In het algemeen geldt dat iedereen reiskosten heeft of kan hebben in verband met verplaatsingen die verband houden met het afleggen van bezoeken. Dat zijn algemene voorkomende kosten van het bestaan die niet noodzakelijk zijn in de zin van de wet dan wel niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Dergelijke kosten moet iemand in beginsel zelf uit zijn inkomen bekostigen (CRVB 17-05-2005, 04/1233 NABW + 04/1234 NABW, ECLI:NL:CRVB:2005:AT6294 , CRVB 21-01-2014, 12-5317 WWB, ECLI:NL:CRVB:2014:172 en CRVB 09-4122 WWB, ECLI:NL:CRVB:2011:BR4915). Er kunnen zich echter omstandigheden voordoen die meebrengen dat reiskosten noodzakelijk zijn én kunnen voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

Indien er sprake is van een voorliggende voorziening die passend en toereikend wordt geacht, bestaat er geen recht op bijzondere bijstand. Is belanghebbende beperkt in zijn mobiliteit, dan geldt de Wmo 2015 als een aan de bijstand voorliggende passende en toereikende voorziening als bedoeld in artikel 15 van de wet. Is er geen sprake van een voorliggende voorziening dan moeten de kosten, conform artikel 35 van de wet, noodzakelijk zijn én ook voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Het spreekt voor zich dat dit mede afhankelijk is van de aard van de familierelatie, dat geldt overigens ook voor de frequentie van de bezoeken die als noodzakelijk kunnen worden aangemerkt (zie het derde lid). Het dagelijks bezoeken van een minderjarig kind zal in het algemeen noodzakelijk kunnen zijn, terwijl voor een meerderjarige die in detentie verblijft volstaan zou kunnen worden met een bezoek van 1 keer per maand.

Eerste lid

Dit lid bepaalt welke personen als gezinsleden en naaste familieleden worden aangemerkt. Het gaat om de partner en het eigen kind of stiefkind.

Tweede lid

  • a.

    Dit onderdeel heeft betrekking op de reiskosten in verband met het afleggen van bezoeken aan de personen zoals genoemd in het eerste lid die in het ziekenhuis verblijven.

  • b.

    Dit onderdeel heeft betrekking op de reiskosten in verband met het afleggen van bezoeken aan de personen zoals genoemd in het eerste lid die in een inrichting verblijven.

  • c.

    Dit onderdeel heeft betrekking op de reiskosten in verband met het afleggen van bezoeken van de ouder(s) aan hun kind dat in een instelling verblijft op grond van de Jeugdwet of de Wet langdurige zorg.

  • d.

    Dit onderdeel heeft betrekking op de reiskosten in verband met het afleggen van bezoeken aan een in Nederland gedetineerd familielid of gezinslid. Hierbij is het een voorwaarde dat het gedetineerde familielid of gezinslid niet de mogelijkheid heeft van verlof. Het verlof kan door het gedetineerde familielid of gezinslid worden gebruikt om de familie in Venlo te bezoeken.

  • e.

    In dit onderdeel staat de mogelijkheid om reiskosten te vergoeden voor het bezoeken van een gezinslid of naast familielid in het geval van calamiteiten in Nederland.

Vijfde lid

De reisafstand wordt vastgesteld aan de hand van de Google Maps, kortste route.

Zesde lid

Op grond van het territorialiteitsbeginsel kunnen alleen reiskosten binnen Nederland worden vergoed. Bij bezoek over de grens, kunnen de reiskosten tot aan de grens worden vergoed.

8.2 Reiskosten naar school

Eerste lid

Als een opleiding(srichting) niet in Venlo wordt aangeboden en reiskosten gemaakt moeten worden om op school te komen, kan bijzondere bijstand worden verstrekt.

Tweede tot en met vierde lid

De hoogte van de bijzondere bijstand voor reiskosten wordt gebaseerd op de kosten van de

goedkoopste wijze van reizen per openbaar vervoer naar het dichtstbijzijnde opleidingsinstituut van de gewenste opleiding welke verder weg ligt dan 10 km. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat per fiets naar het dichtstbijzijnde treinstation wordt gereisd.

Hoofdstuk 9 Overige kostensoorten

Artikel 9.1 Uitvaartkosten

Eerste lid

Heeft de overledene een begrafenisverzekering, dan dient deze als eerste te worden aangesproken. Is de begrafenisverzekering ontoereikend en/of als er geen begrafenisverzekering is, dan dienen de kosten van de uitvaart te worden voldaan uit de nalatenschap van de overledene. Indien de belanghebbende de nalatenschap zuiver heeft aanvaard, is hij verantwoordelijk voor die kosten. In het geval van meerdere erven dan zijn alle erfgenamen naar rato verantwoordelijk. Het kan echter enige tijd duren voordat bekend is of de nalatenschap vol wordt aanvaard omdat bijvoorbeeld niet bekend is of er schulden zijn.

Derde lid

De kosten van een uitvaart kunnen behoorlijk oplopen. In de NIBUD-prijzengids staan gemiddelde kosten per onderdeel van een uitvaart. Het NIBUD geeft aan dat voor een bedrag van € 4.800,00 een eenvoudige crematie kan worden verzorgd.

Vierde lid

De nabestaanden geven zelf invulling aan de uitvaart. Zolang de kosten lager zijn dan € 4.800,00, wordt er bijzondere bijstand verstrekt. Zoals uit het derde lid blijk, is voor een bedrag van € 4.800,00 een eenvoudige crematie te betalen. Het bedrag van de begrafenisverzekering en erfenis worden hierop in mindering gebracht.

Artikel 9.2 Kosten bewindvoering, curatele en mentorschap

Sinds 1 januari 2014 is de taakomschrijving van de bewindvoerder uitgebreid (Stb. 2013, 414). Daaraan is toegevoegd dat de bewindvoerder voor de rechthebbende alle handelingen kan uitvoeren die bijdragen aan een goede uitvoering van de taken. Die bestaan in ieder geval uit beheer en beschikking over de onder bewind staande goederen. Problematische schulden en verkwisting kunnen redenen zijn om beschermingsbewind uit te spreken. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt gebaseerd op de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren. Het spreekt voor zich dat alleen bijzondere bijstand mogelijk is indien de Kantonrechter een beschikking heeft afgegeven voor een beschermingsmaatregel.

Artikel 9.3 Kosten budgetbeheer

Eerste lid

Budgetbeheer op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) geldt als voorliggende voorziening. De kosten van budgetbeheer kunnen voor bijzondere bijstand in aanmerking komen als geen beroep kan worden gedaan op de Wgs.

Zesde lid

Onder wet hebben ze een periode van financieel ontzorgen. Gedurende deze periode wordt in kader van de Wet inburgering 2021 budgetbeheer verleend aan inburgeingsplichtige statushouders door externe partijen.

Artikel 9.4 Suppletie GKB-lening

Eerste lid

Door de gemeente Venlo wordt niemand verwezen naar de kredietbank.

Tweede lid

De suppletie bij een GKB-lening kan wel voorkomen als iemand vanuit een andere gemeente in Venlo is komen wonen. In dat geval neemt Venlo de suppletie over.

Derde lid

Bijzondere bijstand wordt verstrekt ter hoogte van het verschil tussen het maandelijks af te lossen bedrag en de 5%-norm. We gaan er vanuit dat de lening in drie jaar wordt afgelost. Heeft iemand in een vorige gemeente al 24 maanden suppletie ontvangen, dan kan hij in Venlo in aanmerking komen voor 12 maanden suppletie.

Hoofdstuk 10 Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 10.1 Bevoegdheid college

Behoeft geen toelichting.

Artikel 10.2 Overgangsrecht

Dit lid bepaalt het overgangsrecht voor reeds vastgestelde draagkrachtperiodes. Dat wil zeggen dat het college, op grond van de nieuwe beleidsregels over draagkracht, niet terugkomt op deze besluiten. Voor nieuwe aanvragen die op of ná inwerkingtreding worden ingediend gelden deze (nieuwe) beleidsregels.

Artikel 10.3 Citeertitel

Behoeft geen toelichting.

Artikel 10.4 Inwerkingtreding

Behoeft geen toelichting.