Beleidsregels participatie en inkomen gemeente Terneuzen 2026

Geldend van 01-01-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026

Intitulé

Beleidsregels participatie en inkomen gemeente Terneuzen 2026

Hoofdstuk 1 Inleiding

Op 11 december 2025 stelde de gemeenteraad de Verordening sociaal domein gemeente Terneuzen 2026 (verder te noemen: de verordening) vast. De datum van inwerkingtreding is 1 januari 2026. Deze verordening vormt de basis voor deze beleidsregels.

De verordening is een algemeen verbindend voorschrift en is rechtstreeks bindend voor de inwoners van Terneuzen. De Participatiewet bepaalt dat de gemeente een aantal zaken in de verordening regelt. De verordening bevat een aantal hoofdregels. Een uitwerking kan in beleidsregels worden vastgelegd.

Beleidsregels zijn een uitwerking van de verordening. Het college stelde op grond van artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht de beleidsregels vast. Beleidsregels geven aan hoe een bepaalde bevoegdheid wordt uitgevoerd. Er kunnen geen rechten en plichten voor inwoners worden vastgelegd.

De uitvoering van de Participatiewet ligt bij het team Werk, Inkomen en Leerlingzaken en het team Support Sociaal Domein, die door het college gemandateerd zijn om de Participatiewet uit te voeren.

1.1 Begripsbepalingen

De begrippen in artikel 1.1 van de Participatiewet en 1.6 van de verordening zijn ook op deze beleidsregels van toepassing.

Aanvullend hierop is het volgende bepaald:

Verordening: de Verordening sociaal domein gemeente Terneuzen 2026;

PW: Participatiewet;

Hoofdstuk 2 Participatie en Inkomen

2.1 Hulp bij re-integratie (hoofdstuk 3 van de verordening)

  • 1.

    De gemeente helpt een inwoner met een bijstandsuitkering om aan het werk te gaan.

  • 2.

    Concrete hulp om aan het werk te gaan noemen we een voorziening.

  • 3.

    De route naar werk is zo lang als nodig en zo kort als mogelijk om vanuit de bijstand duurzaam aan het werk te geraken.

  • 4.

    Een consulent en de inwoner spreken samen af wat de inhoud van een plan van aanpak is.

  • 5.

    Een inwoner is verplicht om mee te werken aan het afgesproken plan.

  • 6.

    Het college kan projecten of trajecten organiseren voor specifieke doelgroepen.

  • 7.

    Als werken voor een inwoner (nog) niet kan, dan kan het college ondersteunen bij het werken aan het wegnemen van belemmeringen.

  • 8.

    Als werken niet (meer) kan, dan kan het college ondersteunen bij het invullen van de dag en het krijgen van gespecialiseerde zorg.

  • 9.

    Als een jongere naar oordeel van het college niet zelfstandig in staat is werk te zoeken, past het college de vier weken zoekperiode niet toe.

2.2 Vereenvoudigde aanvraagprocedure

  • 1.

    Als iemand binnen 12 maanden na uitstroom opnieuw bijstand aanvraagt, hergebruiken we bestaande gegevens bij een ongewijzigde situatie.

  • 2.

    Het eerste lid is ook van toepassing op de aanvraagprocedure van een uitkering, bedoeld in artikel 15a, eerste lid, van de Ioaw.

  • 3.

    Een verkorte aanvraagprocedure passen we niet toe bij beëindiging vanwege:

  • a. schending van de inlichtingenplicht;

  • b. het niet nakomen van verplichtingen;

  • c. onacceptabel gedrag zoals genoemd in de Verordening sociaal domein gemeente Terneuzen 2026.

2.3 Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht

Aanvragen bijzondere bijstand kunnen met terugwerkende kracht tot 3 maanden voor de aanvraagdatum worden toegekend als het college van oordeel is dat het noodzakelijk is vanwege individuele omstandigheden.

2.4 Ontheffing van de re-integratieverplichting

Het college kan ontheffing verlenen van de re-integratieverplichting. Dit doet het college op basis van een individueel oordeel van de situatie van de inwoner.

2.5 Doelgroep re-integratie

In de verordening bepaalt de gemeenteraad welke re-integratie instrumenten het college kan inzetten. De situatie of de analyse van een inwoner bepaalt welke voorziening het meest passend is. De situatie en de voortgang wordt opgevolgd. Hiervoor wordt iedereen die een beroep doet op een voorziening ingedeeld op de re-integratieladder. De indeling op de re-integratieladder is de basis voor de dienstverlening. Afhankelijk van een individuele beoordeling wijkt het college af van de richtlijn als dat voor een inwoner naar oordeel van het college beter past.

2.6 De dienstverlening per trede van de re-integratieladder

Inwoners worden aan de hand van de analyse ingedeeld op de stappen vanaf A1 tot en met D, zoals weergegeven in het schema hieronder. Bij een indeling op A is een inwoner het dichtst bij werk. Bij een indeling op niveau D is een inwoner hier het verst vandaan.

afbeelding binnen de regeling

2.7 De voorzieningen per trede van de Zeeuws-Vlaamse werkladder

Trede ZVL werkladder

Re-integratieladder

Doelgroep

Inzet van de voorziening zoals genoemd in de verordening

Richtlijn doorlooptijd

1

A1

B1

Werkfit, direct plaatsbaar

Kansrijk, met ondersteuning

Proefplaatsing

Werkervaringsplaats

Diagnostische instrumenten (Medische) keuringen

Scholing (korte cursussen)

Werkgeverssubsidie/tijdelijke

loonkostensubsidie

Jobhunting

Bemiddeling

Jobcoaching

Nazorg

Kinderopvang

Onkostenvergoeding

Proefplaatsing

Detacheringsbaan

Diagnostische instrumenten

(Medische) keuringen

Scholing (korte cursussen)

Werkgeverssubsidie/tijdelijke

loonkostensubsidie

Jobhunting

Bemiddeling

Jobcoaching

Nazorg

Kinderopvang

Onkostenvergoeding

3 maanden

6 maanden

2

A2

B2

Garantiebaan

Re-integratie, zicht op werk in de toekomst

Detacheringsbaan

Diagnostische instrumenten

(Medische) keuringen

Wettelijke loonkostensubsidie

Scholing (korte cursussen)

Werkgeverssubsidie/tijdelijke

loonkostensubsidie

Jobhunting

Bemiddeling

Jobcoaching

Nazorg

Kinderopvang

Onkostenvergoeding

Werkervaringsplaats

Detacheringsbaan

Diagnostische instrumenten

(Medische) keuringen

Werkgeverssubsidie/tijdelijke loonkostensubsidie

Scholing

Jobcoaching

Kinderopvang

Onkostenvergoeding

6 maanden

6 maanden

3

B3

B4

Re-integratie, nog ver weg van werk

Beschut werk

Werkervaringsplaats

Basisbaan

Diagnostische instrumenten

(Medische) keuringen

Werkgeverssubsidie/tijdelijke loonkostensubsidie

Scholing

Jobcoaching

Kinderopvang

Onkostenvergoeding

Werkervaringsplaats

Beschut werk

Detacheringsbaan

Diagnostische instrumenten

(Medische) keuringen

Wettelijke loonkostensubsidie

Scholing (educatie)

Jobhunting

Bemiddeling

Jobcoaching

Nazorg

Kinderopvang

Onkostenvergoeding

9 maanden

3 maanden

4

C

D

Activering en Participatie, werk op (heel) lange termijn

Geen mogelijk-

heden

Participatieplaats

Maatschappelijke participatie

Vrijwilligerswerk

Diagnostische instrumenten

(Medische) keuringen

Scholing (educatie)

Jobcoaching

Kinderopvang

Onkostenvergoeding

Maatschappelijke participatie

Vrijwilligerswerk

Diagnostische instrumenten

(Medische) keuringen

Kinderopvang

Onkostenvergoeding

12 maanden

36 maanden

Hoofstuk 3 Individuele inkomenstoeslag

3.1 Individuele inkomenstoeslag (artikel 3.5.3 verordening)

  • 1.

    Inwoners moeten aan de volgende voorwaarden voldoen om in aanmerking te komen voor een Individuele Inkomenstoeslag:

  • 21 jaar of ouder, maar onder de pensioengerechtigde leeftijd;

  • voorafgaand aan de aanvraagdatum een ononderbroken periode van 36 maanden een inkomen dat niet hoger is dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm;

  • Inwoners hebben in de afgelopen 36 maanden niet meer dan het toegestaan vrij te laten vermogen;

  • inwoners hebben geen zicht op inkomensverbetering, die leidt tot een inkomen hoger dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm.

  • 2.

    Gehuwden en samenwonenden moeten beiden aan de voorwaarden voldoen.

Hoofdstuk 4 Bijzondere bijstand

4.1 Aanvraag en vorm van de bijzondere bijstand

  • 1.

    Bijzondere bijstand wordt op (schriftelijke) aanvraag verstrekt.

  • 2.

    De bijzondere bijstand is om niet tenzij in de regels anders vermeld.

4.2 Bepalingen over draagkracht 4.2.1 Algemene bepalingen

  • 1.

    Op grond van artikel 35, lid 1, van de PW is het aan het college om de geldende draagkracht van een inwoner te bepalen voor het recht op bijzondere bijstand.

4.2.2 Draagkracht uit inkomen

  • 1.

    Bijzondere bijstand wordt verleend met inachtneming van de draagkracht uit het inkomen van de inwoner en/of partner.

  • 2.

    Als inkomen wordt in aanmerking genomen het inkomen over de drie maanden voorafgaand aan de maand waarin de kosten zijn gemaakt/waarop de verstrekking van de bijzondere bijstand betrekking heeft.

  • 3.

    Bij wisselende inkomsten wordt voor het vaststellen van het jaarinkomen het gemiddeld genomen van het inkomen over de voorafgaande drie maanden.

  • 4.

    De draagkracht wordt opnieuw overwogen bij een daling of stijging van 10% of meer van het feitelijk besteedbaar inkomen.

  • 5.

    Het college merkt het inkomen (inclusief vakantietoeslag) boven de 120 % van de toepasselijke bijstandsnorm zoals genoemd in de verordening, volledig aan als draagkracht. Dit geldt niet voor de kosten van bewindvoering, curatele en mentorschap en rechtsbijstand. Hierbij geldt dat het inkomen (inclusief vakantietoeslag) boven de 100% van de toepasselijke bijstandsnorm volledig als draagkracht wordt aangemerkt.

  • 6.

    Het meerdere wat een inwoner aan buitenlandse kinderbijslag ontvangt ten opzichte van de Nederlandse kinderbijslag wordt als inkomen meegenomen. Kinderbijslag die lager of gelijk is aan de Nederlandse kinderbijslag wordt vrijgelaten.

  • 7.

    De middelen als bedoeld in artikel 31, lid 2, van de PW onder c en x, de individuele inkomenstoeslag en de individuele studietoeslag zoals bedoeld in de artikelen 36 en 36b van de PW worden niet tot het inkomen gerekend.

  • 8.

    In afwijking van het voorgaande wordt in de volgende situaties het berekende Vrij te laten bedrag (VTLB) gevolgd:

  • a.

    bij de inwoner ten aanzien van wie een schuldsaneringsregeling op grond van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (Wsnp) is uitgesproken; volgens het berekende VTLB;

  • b.

    bij de inwoner die tot een minnelijk schuldregelingstraject op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) is toegelaten; volgens het berekende VTLB.

Draagkracht uit vermogen

  • 1.

    Bijzondere bijstand wordt verleend met inachtneming van de draagkracht uit het vermogen van de inwoner.

  • 2.

    Voor de vaststelling van de draagkracht uit vermogen wordt aansluiting gezocht bij de grenzen voor het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 34, lid 3, van de PW.

  • 3.

    Een schadevergoeding telt niet mee in het vermogen van de inwoner onder de volgende voorwaarden:

  • a.

    het geld staat of wordt gezet op een aparte, voor dit doel geopende, spaarrekening, en;

  • b.

    er worden na opening van de aparte rekening geen andere bedragen meer op gestort.

4.2.4 Vermogen bij co-ouderschap

Co-ouderschap wordt aanwezig geacht indien de feitelijke verzorging van de kinderen deels door de ene en deels door de andere ouder wordt gedaan.

Voor de vermogensgrens van een co-ouder wordt de grens van een alleenstaande ouder gehanteerd. 

4.2.5 Draagkrachtperiode

  • 1.

    De draagkracht in het inkomen en vermogen wordt vastgesteld over een periode van 12 maanden, te rekenen vanaf de eerste dag van de maand waarop de verstrekking van de bijzondere bijstand betrekking heeft.

  • 2.

    Voor de vaststelling van de draagkracht als bedoeld in het vorige lid wordt de draagkracht die is vastgesteld per maand, toegerekend naar een periode van 12 maanden.

  • 3.

    De vastgestelde draagkracht als bedoeld in het eerste lid wordt in geval van incidentele bijzondere noodzakelijke kosten in één keer in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten.

  • 4.

    In geval van periodieke bijzondere noodzakelijke kosten wordt de draagkracht als bedoeld in het eerste lid gespreid over de maanden waarover de bijzondere bijstand wordt toegekend met een maximum van 12 maanden en naar evenredigheid in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten.

  • 5.

    Wordt er binnen de draagkrachtperiode een andere/nieuwe aanvraag bijzondere bijstand gedaan voor een andere kostensoort, dan wordt rekening gehouden met de draagkracht die reeds verbruikt is bij de eerdere aanvraag voor bijzondere bijstand.

  • 6.

    Bij een nieuwe aanvraag voor een andere kostensoort binnen de draagkrachtperiode, wordt er gekeken of er een wijziging in het inkomen dan wel het vermogen heeft plaatsgevonden.

4.3 Veel voorkomende bijzondere individuele kosten 4.3.1 Aard van de bijzondere bijstand

Voor de bepaling van het recht op individuele bijzondere bijstand moet de aanvraag aan een aantal voorwaarden voldoen, conform artikel 35, lid 1 van de PW:

  • 1.

    de kosten moeten daadwerkelijk gemaakt worden;

  • 2.

    het moet gaan om noodzakelijke kosten,

  • 3.

    het moet gaan om kosten die voortkomen uit bijzondere individuele omstandigheden;

  • 4.

    de kosten kunnen niet voldaan worden uit de aanwezige middelen;

  • 5.

    er is geen recht op bijzondere bijstand als er sprake is van een voorliggende voorziening, die gezien haar aard en doelstelling passend en toereikend kan worden geacht zoals bedoeld in artikel 15 van de PW.

Eerste maand huur, waarborgsom en inrichtingskosten

  • 1.

    De kosten van de eerste huur, waarborgsom en inrichtingskosten behoren in beginsel tot de algemene kosten van levensonderhoud en komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand.

  • 2.

    Bijzondere bijstand voor de eerste huur, waarborgsom en de bijbehorende administratiekosten kan worden verstrekt indien voldaan is aan de voorwaarden genoemd in artikel 4.3.1 van deze beleidsregels.

  • 3.

    Bijzondere bijstand voor inrichtingskosten bedraagt maximaal € 4500 voor een eenpersoonshuishouden + € 500 per extra ingeschreven gezinslid. De lening wordt volledig afgelost.

  • 4.

    Bij inrichting van een woning voor hervestigers (uitgenodigde vluchtelingen die rechtstreeks in de gemeente worden gehuisvest) zijn de gemaakte arbeidskosten om niet.

  • 5.

    Bijzondere bijstand kan ook verstrekt worden als er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden of van een niet voorzienbare, maar noodzakelijke, verhuizing.

  • 6.

    Bijzondere bijstand voor eerste huur, waarborgsom en inrichtingskosten wordt verstrekt in de vorm van een renteloze lening.

  • 7.

    Inwoners die verhuizen naar een woning buiten de gemeente Terneuzen, komen niet in aanmerking voor de kosten genoemd in het tweede lid.

Bijzondere bijstand voor een waarborgsom bij onderhuur via de gemeente

  • 1.

    We kunnen een lening verstrekken voor de waarborg van een woning of kamer als mensen huren via de gemeente.

  • 2.

    De waarborg als bedoeld in het eerste lid, die wordt aangesproken, verrekenen we met de bijzondere bijstand genoemd in het eerste lid van artikel 4.3.2 en in het eerste lid van artikel 4.3.3.

  • 3.

    De lening bedoeld in het eerste lid wordt pas afgelost als er een lening wordt verstrekt zoals genoemd in het eerste lid van artikel 4.3.2 en het eerste lid van artikel 4.3.3 .

4.3.4 Reiskosten voor het afleggen van bezoek aan gedetineerden of een in een instelling opgenomen gezinsleden vanaf 18 jaar.

  • 1.

    Bijzondere bijstand kan worden verleend voor het afleggen van een bezoek aan een gedetineerd gezinslid of eerstegraads familie en een in een ziekenhuis/instelling opgenomen persoon behorende tot het gezin of eerstegraads familieleden. Dit geldt ook voor pleegouders en pleegkinderen.

  • 2.

    De hoogte van de vergoeding bedraagt de kosten van de goedkoopste vorm van openbaar vervoer. Bij gebruik van eigen vervoer wordt er een bedrag vergoed conform het tarief van de Belastingdienst. Als gebruik wordt gemaakt van de Liefkenshoektunnel worden ook deze kosten vergoed.

  • 3.

    De reiskosten worden maximaal vier keer per maand beschikbaar gesteld.

4.3.5 Woonkostentoeslag voor een huurwoning

  • 1.

    Een woonkostentoeslag voor een huurwoning kan worden verstrekt, indien en voor zover geen aanspraak kan worden gemaakt op huurtoeslag.

  • 2.

    De woonkostentoeslag wordt telkens voor een periode van maximaal 12 maanden toegekend.

  • 3.

    De woonkostentoeslag is gelijk aan het bedrag van de huurtoeslag wanneer inwoner huurtoeslag zou ontvangen, zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid van de Wet op de huurtoeslag.

  • 4.

    Indien een inwoner een woning huurt waarvan de woonkosten hoger zijn dan de maximale huurgrens, wordt de woonkostentoeslag verhoogd met het bedrag waarmee de huur de maximale rekenhuur overtreft. Hierbij wordt de verplichting opgelegd dat betrokkene naar vermogen probeert woonruimte te vinden met een rekenhuur die lager of gelijk is aan de maximale huurgrens. Bij verlenging van de periode van woonkostentoeslag als bedoeld in lid 2 van dit artikel wordt beoordeeld of de aanvrager zich voldoende heeft gehouden aan deze verplichting. Indien betrokkene naar oordeel van het college niet voldoende heeft voldaan aan deze verplichting kan de woonkostentoeslag voor een volgende periode gedeeltelijk of geheel geweigerd worden.

4.3.6 Woonkostentoeslag voor een woning in eigendom

  • 1.

    Een woonkostentoeslag voor een woning in eigendom kan worden verstrekt onder dezelfde voorwaarden als de woonkostentoeslag voor een huurwoning.

  • 2.

    De woonkostentoeslag is gelijk aan het recht op huurtoeslag indien er sprake zou zijn van een huurwoning verminderd met de belastingteruggave wegens betaalde hypotheekrente.

  • 3.

    Het vermogen in de woning (overwaarde) mag niet hoger zijn dan de vermogensgrens genoemd in de PW.

  • 4.

    Bij de beoordeling van een nieuwe periode van woonkostentoeslag als bedoeld in lid wordt een inwoner gevraagd of naar vermogen is geprobeerd om goedkopere woonruimte te vinden.

4.3.7 Uitvaartkosten

  • 1.

    Erfgenamen, bloed- en aanverwanten in de 1e graad kunnen in aanmerking komen voor bijzondere bijstand als:

  • de uitvaartkosten niet uit de nalatenschap voldaan kunnen worden;

  • er geen beroep gedaan kan worden op een uitvaart-, levens- of ongevallenverzekering; en

  • de erfgenamen of bloed-/aanverwanten niet over toereikende middelen beschikken om (zijn aandeel in) de uitvaartkosten te voldoen.

  • 2.

    Er kan enkel bijzondere bijstand worden verleend voor uitvaartkosten die in Nederland worden gemaakt. De kosten van een uitvaart in het buitenland en reiskosten naar het buitenland om een uitvaart bij te wonen komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand.

  • 3.

    De hoogte van de bijzondere bijstand voor uitvaartkosten bedraagt:

  • maximaal € 2.750 voor een crematie;

  • maximaal € 4.350 voor een begrafenis.

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid wordt onder dezelfde voorwaarden bijzondere bijstand verleend voor erfgenamen, bloed- en aanverwanten in de 2e graad, maar dan in de vorm van een renteloze lening.

4.3.8 Kinder- en peuteropvangkosten

  • 1.

    De ouderbijdrage die aan ouders gevraagd wordt door de peuterspeelzaal wordt vergoed voor maximaal 1 dagdeel per week. Dit is aanvullend op het gratis dagdeel peuteropvang dat elke peuter ontvangt uit de gemeente Terneuzen in het kader van de voorschool.

  • 2.

    De vergoeding bedraagt 100% van de kosten.

  • 3.

    Een vergoeding voor de peuterspeelzaal wordt niet in combinatie met een vergoeding voor meer dan twee dagdelen kinderopvang verstrekt.

  • 4.

    Tijdens het volgen van een re-integratie traject, werk of het volgen van een studie, vergoeden we de volledige eigen bijdrage kinderopvang.

4.3.9 Kosten maaltijdvoorziening

  • 1.

    Voedingskosten behoren tot de algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan. Voorliggende voorzieningen voor het bekostigen van maaltijden zijn onder meer de Wmo 2015, Zorgverzekeringswet of een subsidieregeling.

  • 2.

    Alleen wanneer een inwoner niet in staat is om zelf maaltijden te bereiden en hiervoor is aangewezen op een maaltijdvoorziening, kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de meerkosten van deze maaltijdvoorziening.

  • 3.

    De hoogte van de bijzondere bijstand 50 % van de kosten met een maximum van € 5 per maaltijd.

  • 4.

    De bijzondere bijstand kan worden verstrekt voor maximaal één warme maaltijd per dag per persoon.

  • 5.

    De bijzondere bijstand wordt per maand verstrekt.

4.3.10 Legeskosten verlengen verblijfsvergunning, naturalisatie

  • 1.

    Legeskosten voor (verlenging van) een verblijfsvergunning behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Enkel indien de inwoner niet in staat is geweest te reserveren voor deze kosten dan wel geen lening kan afsluiten, komt men in aanmerking voor bijzondere bijstand.

  • 2.

    Bijzondere bijstand voor legeskosten voor verblijfsvergunningen is mogelijk voor:

  • a.

    Legeskosten voor verlengingen van vergunningen voor bepaalde tijd of onbepaalde tijd en wijzigingen in verblijfsdoelen.

  • b.

    Legeskosten voor in Nederland geboren kinderen van niet-Nederlandse ouders.

Hoofdstuk 5 Giften

5.1 Giften

  • 1.

    We laten giften vrij tot maximaal € 1.200 per huishouden per kalenderjaar.

  • 2.

    Een gift tot € 1200 per huishouden per kalenderjaar kan vrij besteed worden.

  • 3.

    Bij overschrijding van de vrijlating genoemd in het eerste lid beschouwen we het meerdere:

  • a. als inkomen bij giften met een periodiek karakter;

    b. als vermogen bij een incidentele gift.

  • 4.

    In afwijking van het tweede lid laten we giften met een specifieke bestemming vrij als de inwoner met bewijsstukken kan aantonen of op andere wijze aannemelijk kan maken:

    • a.

      dat de gift is besteed voor de noodzakelijke inrichting van de woning;

    • b.

      dat de gift is besteed aan scholing en opleiding of middelen die nodig zijn bij het volgen van scholing of opleiding die aantoonbaar bijdraagt aan de toekomstige arbeidsinschakeling;

    • c.

      dat de gift is besteed aan het aflossen van betalingsachterstanden aan te betalen huur, vaste lasten (elektra, gas en water) of zorgverzekering;

    • d.

      dat de gift is besteed aan het aflossen van een problematische schuld;

    • e.

      dat de gift is ontvangen van een charitatieve instelling zoals de Voedselbank, sociale fondsen of hulporganisaties;

    • f.

      dat de gift is ontvangen voor medisch noodzakelijke kosten.

  • 5.

    Het is de verantwoordelijkheid van de inwoner om de ontvangen giften te registreren en- als die er zijn – bewijsstukken te bewaren.

  • 6.

    Het is de verantwoordelijkheid van de inwoner om uit eigen beweging melding te maken van giften die ertoe leiden dat de maximale vrijlating per kalenderjaar is overschreden.

  • 7.

    We laten specifieke giften boven de € 1200 vrij als ze voldoen aan bestemmingen zoals genoemd in artikel 5.1.4.

Hoofdstuk 6 Vermogen van de auto

6.1 Vermogen auto

  • 1.

    Eén auto of motor (benzine, gas, diesel) met een waarde tot maximaal € 4.500 wordt beschouwd als algemeen gebruikelijk. Indien de waarde meer bedraagt dan € 4.500 wordt de meerwaarde van de auto of motor volledig aangemerkt als vermogen.

  • 2.

    Of één elektrische of hybride auto met een waarde tot maximaal € 7.000 wordt beschouwd als algemeen gebruikelijk. Indien de waarde meer bedraagt dan € 7.000 wordt de meerwaarde van de elektrische of hybride auto volledig aangemerkt als vermogen.

  • 3.

    Voertuigen anders dan vermeld dan bij 1 en 2 worden niet als algemeen gebruik beschouwd.

Hoofdstuk 7 Geldleningen en overbrugging

7.1 Geldleningen

We kunnen een renteloze lening verstrekken voor bijzondere kosten indien voldaan is aan de voorwaarden genoemd in artikel 4.3.1.

7.2 Overbruggingsregeling

Het kan voorkomen dat mensen de periode tot de uitbetaling van de eerste uitkering niet zelf kunnen overbruggen. Dit kan het geval zijn als het inkomen van een week- naar een maandbetaling gaat. Indien noodzakelijk kan ook hiervoor een overbruggingsuitkering worden verstrekt. De overbruggingsuitkering is in dit geval gelijk aan de uitkering voor die periode. Een overbrugging is alleen aan de orde als men op geen enkele manier in staat is om het financiële probleem zelf op te lossen. Er wordt verwacht dat men hiervoor het gehele inkomen (inclusief vakantiegeld) en (het vrij te laten) vermogen aanwendt. Wanneer bijzondere bijstand is verstrekt op grond van artikel 4.3.2, wordt dit bedrag in mindering gebracht op de overbruggingsuitkering.

Hoofdstuk 8 Slotbepalingen

8.1 Onvoorziene omstandigheden

  • 1.

    In gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien, beslist het college.

  • 2.

    Het college handelt in overeenstemming met deze beleidsregels, tenzij dat voor een of meer inwoners gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met deze beleidsregel te dienen uitgangspunten en doelen.

8.2 Overgangsrecht

We behandelen uw aanvraag op grond van de Beleidsregels Participatie en Inkomen gemeente Terneuzen 2025 als u een aanvraag heeft ingediend in 2025.

8.3 Klachten

Een aanvrager kan een klacht indienen bij de het college van B&W als er ontevredenheid bestaat over een onderdeel van de beleidsregels participatie en inkomen gemeente Terneuzen 2026.

8.4 Intrekken beleidsregels

De Beleidsregels participatie en inkomen gemeente Terneuzen 2025 worden ingetrokken.

8.5. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    De beleidsregels participatie en inkomen gemeente Terneuzen 2026 treden met terugwerkende kracht op 1 januari 2026 in werking.

  • 2.

    Deze beleidsregels worden aangehaald als ‘Beleidsregels participatie en inkomen gemeente Terneuzen 2026’.

Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders in zijn vergadering van 27 januari 2026.

Ondertekening

Burgemeester en Wethouders van Terneuzen,

gemeentesecretaris, burgemeester,

Steven de Waal Franc Weerwind