Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR756474
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR756474/1
Geldend van 06-02-2026 t/m heden
1 Publiekssamenvatting
1.1 Inleiding
Voor u ligt het Warmteprogramma Woerden 2026. Dit warmteprogramma is een plan van de gemeente Woerden voor de warmtetransitie tussen 2026 en 2035. De gemeente heeft dit plan gemaakt tussen november 2024 en juni 2025. Het is vastgesteld in februari 2026
1.2 Waarom dit plan?
De warmtetransitie is de overstap naar verwarming zonder aardgas. De nadelen van aardgas worden steeds duidelijker en er zijn verschillende redenen om over te stappen naar verwarming zonder aardgas. In het Klimaatakkoord zijn afspraken gemaakt om de uitstoot van broeikasgassen sterk terug te dringen om zo de effecten van klimaatverandering te beperken. Verwarmen zonder aardgas draagt bij aan het verminderen van deze uitstoot. Verder leidde het winnen van aardgas in de provincie Groningen tot ernstige aardbevingen. Ook zijn we voor de levering grotendeels afhankelijk van landen waar we liever niet afhankelijk van zijn. Om die afhankelijkheid te verminderen en ook in de toekomst zekerheid over energie te hebben is het goed het gebruik van aardgas terug te dringen. Ook zijn de kosten voor het gebruik van aardgas de laatste jaren flink gestegen.
Verwarmen zonder aardgas kan ons dus helpen om het klimaat te beschermen en grip te krijgen op onze energie en energierekening. Daarnaast woont het vaak comfortabeler. Alle gemeenten in Nederland maken daarom plannen voor de warmtetransitie. In Woerden zijn we hier al druk mee bezig. Dit warmteprogramma is de nieuwe versie en de vervanger van de Warmtevisie uit 2021.In dit warmteprogramma staan de plannen voor de komende tien jaar. We willen in 2030 dat we 25% minder aardgas gebruiken, dat er 3.500 aardgasvrije gebouwen zijn en dat er 23.000 gebouwen zijn met een energielabel B of beter. In 2035 gaat het om 50% minder aardgas, 12.000 aardgasvrije gebouwen en 29.000 gebouwen met een energielabel B of beter. Om dat te bereiken, hebben we twee actielijnen.
1.3 Actielijn 1: Uitvoeringsplannen per buurt
Als we in een buurt kansen zien om samen met inwoners en andere belanghebbenden aan de slag te gaan om een buurt aardgasvrij te maken, dan stellen we voor die buurt een uitvoeringsplan op. In dat plan staat:
-
Hoe we de buurt zonder aardgas kunnen verwarmen.
-
Wat dat betekent voor mensen die er wonen en werken.
-
Hoe de gemeente en andere partners inwoners en ondernemers helpen.
We willen in de komende tien jaar in zes buurten een uitvoeringsplan opstellen. Op de kaart hieronder zijn deze buurten te zien.

Misschien stoppen we in deze buurten al eerder dan 2050 met aardgas. Dat doen we alleen als het kan en niet te duur is. We praten hier goed over met de mensen in de buurt.
1.4 Actielijn 2: Gemeentebrede verduurzaming
In de hele gemeente zijn er mensen die zelf of samen met hun buren hun huis willen verduurzamen. Bijvoorbeeld door te isoleren of samen met de buren warmte uit de grond te halen. De gemeente helpt daarbij. Dat doen we bijvoorbeeld met informatie en subsidies.
1.5 Wat betekent dit voor u?
Woont of werkt u in een van de buurten op de kaart? Dan maken we in de komende jaren ook plannen met uw buurt. U hoort daar later nog meer over. In de tussentijd is het altijd goed om energie te besparen, bijvoorbeeld door te isoleren of een hybride warmtepomp te nemen. We raden u aan om nog even te wachten met grotere veranderingen zoals een warmtepomp. Misschien kunnen wij u namelijk iets beters aanbieden.
Woont of werkt u niet in een van de buurten? Dan maken we nu nog geen plannen voor uw buurt. U kunt wel zelf al dingen doen om minder energie te gebruiken. Bijvoorbeeld isoleren of een warmtepomp gebruiken. De gemeente kan u hierbij helpen. Op de website van het gemeentelijk energieloket vindt u meer informatie over wat u kan doen en hoe we helpen.
1.6 Hoe verder?
We gaan de komende jaren samen met inwoners, ondernemers, partnerorganisaties en andere belanghebbenden aan de slag met dit plan. Over vijf jaar maken we een nieuw warmteprogramma, om de voortgang te bewaken en nieuwe ontwikkelingen mee te nemen. Op deze manier werken we stap voor stap aan een Woerden zonder aardgas.
2 Inleiding
We zijn als samenleving bezig met een warmtetransitie waarin de manier waarop we onze woningen en gebouwen verwarmen verandert. De nadelen van onze oude manier van verwarmen, met aardgas, worden steeds duidelijker en er zijn verschillende redenen om over te stappen naar verwarming zonder aardgas. In het Klimaatakkoord zijn afspraken gemaakt om de uitstoot van broeikasgassen sterk terug te dringen om zo de effecten van klimaatverandering te beperken. Verwarmen zonder aardgas draagt bij aan het verminderen van deze uitstoot. Verder leidde het winnen van aardgas in de provincie Groningen tot ernstige aardbevingen en zijn we voor de levering grotendeels afhankelijk van andere landen. Om de afhankelijkheid van andere landen te verminderen en ook in de toekomst leveringszekerheid van energie te hebben is het goed het gebruik van aardgas terug te dringen. Ook zijn de kosten voor het gebruik van aardgas de laatste jaren flink gestegen. Het doel van de warmtetransitie is betaalbare, betrouwbare en duurzame verwarming voor iedereen. De overgang daarop vraagt om grote veranderingen.
In Woerden zijn we hier al druk mee bezig. Klimaatneutraliteit is een doel uit onze omgevingsvisie en in de Warmtevisie uit 2021 hebben we stappen naar een aardgasvrije gemeente geformuleerd. Woerden wil in 2050 klimaatneutraal en aardgasvrij zijn. Daarmee sluiten we aan bij landelijke doelen en afspraken, zoals uit het Nationaal Klimaatakkoord. We zijn ook al gestart, zoals bijvoorbeeld te zien was bij de verduurzaming van de brandweerkazerne in Zegveld.
Dit warmteprogramma beschrijft de plannen van de gemeente voor de warmtetransitie van 2026 tot 2035. Het is daarmee de opvolger van de Warmtevisie uit 2021. Het warmteprogramma bouwt daarop voort, maar gebruikt nieuwe kennis en bevat aanvullende plannen. Belangrijke onderdelen zijn:
We actualiseren onze aanpak passend bij nieuwe wetgeving en onze ervaringen uit de afgelopen jaren.
We kiezen zes buurten waar we samen met inwoners, ondernemers en partnerorganisaties aan de slag gaan met de mogelijkheden voor aardgasvrije verwarming.
We bieden in de hele gemeente ondersteuning voor inwoners en ondernemers die zelf of samen stappen willen zetten om energie te besparen en duurzaam te verwarmen.
Dit warmteprogramma is opgesteld door de gemeente tussen december 2024 en juni 2025. De besluitvorming heeft grotendeels plaatsgevonden in 2025 en het is vastgesteld in februari 2026. Aan de ontwikkeling van dit warmteprogramma hebben inwoners, ondernemers en partnerorganisaties van de gemeente bijgedragen. Hun bijdragen zijn te lezen in het participatieverslag in Bijlage b (Participatieverslag). We hebben ook laten toetsen wat de juiste manier is om milieueffecten van het warmteprogramma mee te wegen. De resultaten hiervan zijn te lezen in een juridische notitie die als losse bijlage bij het warmteprogramma is bijgevoegd. Het warmteprogramma is vastgesteld op [datum] door het college van burgemeester en wethouders In 2030 actualiseren we dit warmteprogramma weer en stellen we een nieuwe versie vast voor de jaren daarna.
|
Verhouding tot de warmtevisie Dit warmteprogramma is de opvolger van de Warmtevisie uit 2021. De warmtevisie laten we daarmee vervallen. Sinds de Warmtevisie hebben twee belangrijke wettelijke veranderingen plaatsgevonden: De Omgevingswet is in werking getreden. Deze beschrijft onder meer de instrumenten voor omgevingsbeleid, zoals de omgevingsvisie en omgevingsprogramma’s. De Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie is aangenomen. Deze hernoemt de Warmtevisie (transitievisie warmte) tot een warmteprogramma en maakt hier een verplicht programma voor alle gemeenten van.
De Warmtevisie beschreef de doelen en kaders en de beleidsuitwerking voor de warmtetransitie en werd vastgesteld door de gemeenteraad. Dit warmteprogramma beschrijft – in navolging van de nieuwe wetgeving – alleen de beleidsuitwerking en wordt vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders. De doelen en kaders staan in principe vastgelegd in de omgevingsvisie die de gemeenteraad heeft vastgesteld. Tijdens deze overgangsperiode blijven we bijhouden of alle relevante doelen en kaders daar al instaan, of dat het wenselijk is om aanvullingen voor te stellen. |
3 Uitgangspunten
3.1 Introductie
De overgang naar aardgasvrij verwarmen gaat niet van vandaag op morgen. Dit warmteprogramma beschrijft op hoofdlijnen hoe de gemeente Woerden toewerkt naar aardgasvrij verwarmen in 2050. Veel belangrijke keuzes maakt de gemeente pas op latere momenten. In dit hoofdstuk beschrijven we de doelen van het warmteprogramma en hoe de gemeente deze keuzes maakt, welke rol ze daarin zelf neemt en welke rol anderen hebben.
Woerden is in 2050 energie- en klimaatneutraal. Dit doel is vastgelegd in de omgevingsvisie. Gemeente Woerden sluit daarmee aan bij landelijke afspraken, zoals het Nationaal Klimaatakkoord. De omgevingsvisie bevat ook een tussendoel, om in 2030 de CO2-uitstoot gehalveerd te hebben.
De warmtetransitie is een van de onderdelen van de overgang naar energie- en klimaatneutraliteit. Het is daarnaast een sociale verandering van woningen, dorpen en buurten. We stellen in dit warmteprogramma daarom concretere doelen op vier thema’s. Op deze thema’s stellen we doelen voor dit warmteprogramma voor 2030 en 2035. We tonen ook aantallen voor de jaren hierna. Dit zijn ambities, die we gebruiken om te bewaken dat het tijdspad richting 2050 logisch en realistisch is.
3.2 Doelen
3.2.1 Doel 1: Aardgasgebruik
We willen met de warmtetransitie ons gebruik van aardgas verminderen. Dit draagt rechtstreeks bij aan ons doel om klimaatneutraal te worden. Figuur 3.1 toont de doelen en ambities voor het aardgasgebruik tot en met 2050.

3.2.2 Doel 2: Aardgasvrije gebouwen
Een belangrijke manier om het aardgasgebruik te verminderen, is om gebouwen aardgasvrij te maken. Uiteindelijk moeten alle gebouwen dit zijn om klimaatneutraal te zijn. Nu wordt aardgas in gebouwen vaak gebruikt voor ruimteverwarming, warm tapwater en koken en soms voor andere bedrijfsfuncties. Om aardgasvrij te worden, is een alternatief nodig. Er zijn daar drie belangrijke groepen warmtetechnieken voor, waarbinnen nog veel variatie mogelijk is:
-
Warmtepompen per gebouw, die elektriciteit gebruiken om warmte uit de omgeving te halen.
-
Warmtenetten, die warm water afleveren aan meerdere gebouwen. Dit kan op verschillende temperaturen, van hoog tot (zeer) laag.
-
Klimaatneutrale gassen (groen gas en duurzame waterstof), die als vervanger van aardgas via het gasnet worden afgeleverd.

3.2.3 Doel 3: Energiebesparing
Ook energiebesparing draagt bij aan het verminderen van het aardgasgebruik. In het geval van gebouwen gaat het daarbij vaak om isolatie, ventilatie en verwarmingsinstallaties die aardgas efficiënt gebruiken, zoals hybride warmtepompen. Bij gebouwen die aardgasvrij zijn, draagt energiebesparing niet bij aan vermindering van het aardgasgebruik, maar helpt het ons wel om te gaan met de beschikbare duurzame energie. Daarnaast is een voldoende isolatieniveau een vereiste voor veel aardgasvrije warmtetechnieken. Figuur 3.3 toont de doelen en ambities voor de energielabels van gebouwen tot en met 2050.

3.2.4 Doel 4: Lokaal eigenaarschap en betrokkenheid
De warmtetransitie is een sociale opgave. Voor de plannen uit dit warmteprogramma is de betrokkenheid van bewoners en ondernemers van groot belang. Maar het warmteprogramma biedt ook kansen om de betrokkenheid van bewoners en ondernemers bij hun omgeving en het eigenaarschap dat zij voelen te versterken. We willen deze kansen aangrijpen bij de plannen die we maken. Bij het dit thema past een kwantitatief tijdspad niet. We vertalen het voor dit warmteprogramma naar het doel dat in alle wijken en dorpskernen in ieder geval één lokaal bewoners- of ondernemersinitiatief actief is.
3.2.5 Toelichting op doelen
Bij deze doelen en ambities is een aantal punten van toelichting van belang:
-
Nieuwbouw is sinds 2018 verplicht aardgasvrij en heeft hoge isolatieniveaus. Juist het aardgasvrij maken van de bestaande bouw is een belangrijke uitdaging. We houden daarom een constante gebouwvoorraad aan en voorkomen dat nieuwbouw de resultaten vertekent door bij toekomstige actualisaties de doelen en ambities op te hogen op basis van de nieuwbouw die heeft plaatsgevonden.
-
We drukken de doelen voor thema’s 2 en 3 uit in woningequivalenten. Dit is een manier om niet-woningen, die soms erg groot zijn, beter mee te wegen. Een weq is één woning of 130 m2 brutovloeroppervlak bij een niet-woning.
-
De beschikbaarheid van data loopt altijd achter op de werkelijkheid. Voor de huidige situatie (2025) nemen we de actueelst beschikbare data om de stand te meten.
-
Voor het aardgasgebruik kijken we naar het (temperatuurgecorrigeerde) aardgasgebruik door woningen en door bedrijven en instellingen (data: Klimaatmonitor o.b.v. CBS en RVO, recentst beschikbaar over 2023). Aardgasgebruik door bedrijven kan voor ruimteverwarming zijn, maar ook voor (industriële) processen. Het eerste valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente en dit warmteprogramma, het tweede niet. Op dit moment is er geen data beschikbaar om te zeggen welk aandeel voor welke functie is. We nemen daarom een doel op voor het totaal. Bij toekomstige actualisaties van het warmteprogramma zullen we zo goed mogelijk evalueren in hoeverre de resultaten beïnvloed worden door ontwikkelingen buiten de reikwijdte van het programma, zoals de verduurzaming, de komst of het vertrek van grootverbruikers.
-
Bij de doelen voor het aardgasgebruik houden we rekening met de landelijke doelstelling voor het bijmengen van groen gas. Deze doelstelling komt erop neer dat in 2030 ruwweg 8% van het gas in het gasnet geen aardgas maar groen gas is. Dit is ongeveer een derde van de benodigde vermindering voor ons doel voor dat jaar.
-
Voor het aantal aardgasvrije gebouwen baseren we ons op het aandeel aardgasvrij gebouwen (data: CBS, recentst beschikbaar over 2022). Dit compenseren we voor nieuwbouw. Op dit onderwerp stonden ook in de Warmtevisie van 2021 ambities. Uit de evaluatie blijkt dat de voortgang achterloopt (Bijlage c (Evaluatie Warmtevisie)).
-
Voor energiebesparing drukken we de doelen en ambities op dit moment uit als het aantal gebouwen met een goed energielabel. Energielabels zijn geen perfecte maat voor energiezuinigheid, maar de monitoringsdata zijn wel goed beschikbaar. Bij een volgende actualisatie willen we aansluiten bij standaarden vanuit (Europese) regelgeving. Energielabels zijn daarnaast voor steeds meer gebouwen vastgesteld, maar nog niet voor allemaal. Waar op dit moment een vastgesteld label ontbreekt, gebruiken we een geschat label op basis van gebouwkenmerken (brondata Hestia-model Planbureau voor de Leefomgeving, 2024).
3.3 De 10 uitgangspunten
De plannen uit dit warmteprogramma zijn gebaseerd op een aantal uitgangspunten. Deze zijn ook relevant voor de uitvoering ervan. Deels komen deze uitgangspunten overeen met die van de eerdere Warmtevisie. De uitgangspunten zijn:
1.
In de gemeente Woerden voeren we het klimaatakkoord uit door het ontwikkelen en uitvoeren van haalbare en betaalbare stappen richting aardgasvrij verwarmen.
2.
De overgang naar duurzaam en aardgasvrij verwarmen doen we stap voor stap.
3.
De overgang naar duurzaam en aardgasvrij verwarmen is een gezamenlijke opgave. We gaan samen met inwoners, ondernemers en initiatieven aan de slag om het verduurzamen van woningen en gebouwen in gang te zetten
4.
Inwoners en ondernemers krijgen de ruimte om zelf te kiezen voor een haalbare en betaalbare verwarmingstechniek.
5.
Iedereen doet wat. Daarom werken we eraan dat iedereen zijn verantwoordelijkheid neemt en is geïnformeerd over de eigen rol en de mogelijkheden om in eigen woning en met buurtgenoten aan de slag te gaan.
6.
Communicatie is een voorwaarde voor activiteiten om de CO2-uitstoot te beperken.
7.
Iedereen kan meedoen. Inwoners en ondernemers worden ondersteund met haalbare en betaalbare oplossingen en waar nodig met praktische hulp.
8.
We houden rekening met de beperkte capaciteit van het energienetwerk en blijven ruimte geven aan innovatie en alternatieve oplossingen voor het beperken van de CO2-uitstoot.
9.
De warmtetransitie monitoren we op basis van gerealiseerde CO2-reductie. Daarmee verschaffen we inzicht in de mate waarin we op weg zijn naar een klimaatneutrale warmtevoorziening in 2050.
10.
De gemeente ondersteunt en stimuleert bewonersinitiatieven gericht op verduurzaming van hun woningen en/of buurt.
11.
Tijdens de overgang naar duurzaam en aardgasvrij verwarmen is er voorlopig, tot 2035, nog geen sprake van het opheffen van het aardgasnetwerk. Na een besluit van de gemeenteraad om een wijk aardgasvrij te maken duurt het tenminste 8 jaar voordat de levering van aardgas in een wijk daadwerkelijk stopt. Dit besluit moet aan strenge eisen voldoen.
3.4 Over het opheffen van het aardgasnetwerk
In uitgangspunt 11 leggen we vast dat voorlopig, tot 2035, geen sprake is van het opheffen van het aardgasnetwerk. De beëindiging van aardgaslevering is ingrijpend voor bewoners, ondernemers en andere belanghebbenden in het betreffende gebied. We vinden het daarom belangrijk dat zij voldoende tijd hebben om zich voor te bereiden en dat er goede en realistische alternatieven beschikbaar zijn. Als onderdeel van dit warmteprogramma gaan we de beëindiging van de aardgaslevering wel al onderzoeken. Als de gemeente besluit om de aanwijsbevoegdheid in te zetten, wordt de levering van aardgas na een termijn van tenminste acht jaar beëindigd. Vanwege de gevolgen voor bewoners en ondernemers vinden we dat dit besluit aan strenge voorwaarden moet voldoen. Ook landelijke wetgeving ziet hierop toe. Deze voorwaarden bespreken we in paragraaf 3.6.
3.5 De rol van de gemeente
3.5.1 De gemeente heeft de regie
Gemeenten hebben de regie in de lokale warmtetransitie. De overgang naar aardgasvrij verwarmen vraagt om acties van inwoners, ondernemers en andere organisaties. Zij maken hun eigen keuzes, maar kunnen de overstap niet in hun eentje maken. Gemeenten ondersteunen hen, en bewaken de samenhang. Bijvoorbeeld door samenwerking te stimuleren, belangen af te wegen en te zorgen dat inwoners mee kunnen praten over plannen. Zo vallen keuzes van individuele huishoudens en ondernemers goed samen met een goed werkend duurzaam energiesysteem voor de hele gemeente.
Gemeenten kunnen hun regierol verschillend invullen. In Woerden maken we voor de invulling
onderscheid tussen verschillende situaties.
3.5.2 Alle buurten
In alle buurten zorgt de gemeente voor heldere en passende spelregels. Dit betekent:
-
De gemeente stelt kaders voor de effecten van maatregelen op omwonenden, de openbare ruimte en het milieu.
-
De gemeente zorgt voor (duidelijkheid over) randvoorwaarden en vergunningen, bijvoorbeeld met juridische instrumenten en kaders voor de verlening van vergunningen en ontheffingen.
-
De gemeente bewaakt het tijdspad en het tempo van de warmtetransitie.
-
We blijven met inwoners en andere belanghebbenden in gesprek en betrekken hen op een passende manier bij de verduurzamingsopgave (zie ook paragraaf 3.7).
-
De gemeente ondersteunt binnen de middelen die mogelijk zijn. Gemeente Woerden zorgt ervoor dat gezinnen niet in de problemen komen door de overgang naar duurzaam verwarmen.
-
De gemeente jaagt initiatieven van inwoners en ondernemers aan en geeft hier duidelijke kaders voor mee.
3.5.3 Buurten met kansen voor collectieve aanpakken
In buurten waar we kansen zien voor collectieve aanpakken ( Verkenningswijk 1 , Verkenningswijk 2 , Verkenningswijk 3 , Verkenningswijk 4 , Verkenningswijk 5 , Verkenningswijk 6 ) stemt de gemeente haar rol af op de situatie en partnerorganisaties. Dit betekent:
-
De gemeente faciliteert in elk geval samenwerking tussen partijen die nodig zijn voor het realiseren van gezamenlijke oplossingen.
-
De gemeente bewaakt in elk geval de kwaliteit van het participatieproces.
-
De gemeente faciliteert indien mogelijk ingrepen in de openbare ruimte zoals het aanleggen van kabels en leidingen.
-
Waar mogelijk haakt de gemeente aan op bestaande structuren en aanpakken zoals wijkteams en het armoedebeleid.
-
Waar kansen zijn voor collectieve warmte, zorgt de gemeente dat deze verkend worden.
-
Neemt een partnerorganisatie zoals een bewonersinitiatief het voortouw, dan ondersteunt de gemeente en stuurt ze op randvoorwaarden zoals de effecten op andere buurten. De gemeente heeft in dat geval dus beperkte invloed op de aanpak en resultaten.
-
Neemt de gemeente zelf het voortouw, heeft ze ook een meer sturende rol. Zo zorgt de gemeente dat kansen voor collectieve aanpakken niet onbenut blijven. Binnen die sturende rol verwelkomt ze initiatieven van inwoners en ondernemers die waarde kunnen bieden voor de buurt.
3.5.4 Buurten waar tot 2030 geen verkenningen van collectieve aanpakken zijn
In buurten waar we voorlopig geen kansen voor collectieve aanpakken zien, heeft de gemeente een informerende en ondersteunende rol. ( Tot 2030 geen verkenningswijk) Dit betekent:
-
We bieden praktische ondersteuning en informatie aan inwoners en ondernemers. De gemeente blijft verduurzaming motiveren en stimuleren.
-
We ondersteunen lokale initiatieven en verduurzamingsprojecten samen met inwoners en ondernemers, zoals lokale energiegemeenschappen. We bieden laagdrempelige steun en opgroeiruimte, bieden hun een positie binnen (gemeentelijke) processen en blijven in gesprek of en onder welke voorwaarden een collectieve aanpak op te zetten is.
3.6 Besluitvorming over aardgasvrije verwarming
3.6.1 Het warmteprogramma
3.6.1.1 Inhoud van het warmteprogramma
Het proces om te besluiten over de verwarming van een buurt bestaat uit een aantal stappen, waarvan het warmteprogramma de eerste is. Hieronder leest u de stappen die de gemeente zal nemen.
In het warmteprogramma – dit document – besluit de gemeente waar ze in de komende tien jaren aan de slag gaat met plannen om duurzamer te verwarmen en hoe die plannen er op hoofdlijnen uitzien. Het college van burgemeester en wethouders stelt iedere vijf jaar een geactualiseerd warmteprogramma vast.
De belangrijkste keuze in het warmteprogramma is in welke buurten de gemeente doorgaat met de volgende stappen: verkenningen of het opstellen van uitvoeringsplannen. Hiervoor bepalen we eerst de opgave voor de komende tien jaar. Deze is gebaseerd op:
-
De gemeentelijke doelen. In de omgevingsvisie zijn doelen vastgelegd die de gemeente bewaakt in het belang van de gemeenschap. Hier staat onder meer dat Woerden in 2050 klimaatneutraal wil zijn. Om dat doel te halen moeten er de komende 10 jaar flinke stappen worden gezet.
-
De beschikbare capaciteit. We willen dat de plannen voor de komende jaren uitvoerbaar zijn met de verwachte middelen en personele capaciteit van de gemeente en partnerorganisaties.
3.6.1.2 Volgorde
Vervolgens brengen we een volgorde aan in de buurten om mee aan de slag te gaan. Hierbij wegen we een aantal zaken mee:
-
De bijdrage aan gemeentelijke doelen. We geven de voorkeur aan buurten waar een uitvoeringsplan naar verwachting meer kan bijdragen aan gemeentelijke doelen. Daarbij gaat het om duurzaamheid, maar kan het bijvoorbeeld ook gaan om sociale opgaven.
-
De haalbaarheid en kosten. We geven de voorkeur aan buurten waar we meer zekerheid hebben dat we tot een haalbare en betaalbare aanpak in een uitvoeringsplan kunnen komen. Daarbij tellen zowel de technische haalbaarheid en de uitvoerbaarheid als de kosten voor inwoners, ondernemers en de maatschappij.
-
Tijdelijke kansen en beperkingen. We geven de voorkeur aan buurten waar een kans ligt om een duurzame warmtetechniek te realiseren als we verwachten dat die kans in de toekomst verdwijnt of kleiner wordt. Voorbeelden zijn buurten waar een combinatie mogelijk is met andere opgaven of waar vanuit bewoners al initiatieven bestaan. Als er in een buurt juist tijdelijke beperkingen zijn, gaan we daar liever op een later moment aan de slag.
3.6.1.3 Buurtaanpakken en de gemeentebrede aanpak
De doelen hoeven niet alleen maar met uitvoeringsplannen per buurt gehaald te worden. Ook gemeentebrede maatregelen kunnen bijdragen. Voor de verhouding tussen die twee, zijn twee afwegingen van belang:
-
We zien dat juist voor buurtaanpakken de rol van de gemeente erg belangrijk is. Dat kan ertoe leiden dat er collectieve kansen benut worden die anders verloren gaan.
-
We zien ook dat het idee van een buurtaanpak beter past bij de stad dan de dorpen. Door de gevarieerde bebouwing is het in de dorpen moeilijk om tot één passende warmtevoorziening voor een groot deel van de gebouwen te komen en is er niet snel een goede aanleiding waarom het ene dorp eerder aardgasvrij zou worden dan het andere. Daar staat tegenover dat er in de dorpen vaak juist meer sociale cohesie is, die kleinschaligere aanpakken kan bevorderen.
Vanwege het eerste punt kijken we eerst hoeveel geschikte buurten we zien voor uitvoeringsplannen en daarna of de resterende opgave voor gemeentebrede maatregelen realistisch is en in een logische verhouding staat tot de uitvoeringsplannen. Vanwege het tweede punt geven we de dorpen bijzondere aandacht bij de gemeentebrede maatregelen, zodat we ook daar hulp bieden bij het verduurzamen van woningen.
3.6.2 Mogelijk: Verkenning
De gemeente kan in een buurt die in het warmteprogramma gekozen is direct beginnen met het uitwerken van een uitvoeringsplan (de volgende stap), maar ook beginnen met een verkenning. Daarin wordt met bewoners verkend welke warmtetechnieken haalbaar zijn in een buurt.
3.6.3 Het uitvoeringsplan
Nadat het warmteprogramma is vastgesteld en eventueel een verkenning is gedaan, gaat de gemeente in de verkenningsbuurten die in het warmteprogramma voor de komende tien jaar zijn opgenomen een uitvoeringsplan opstellen. Het uitvoeringsplan beschrijft hoe de buurt aardgasvrij(-ready) verwarmd kan worden, wat de gemeente en partners gaan doen om dit voor elkaar te krijgen en wat dit betekent voor en vraagt van inwoners en ondernemers. Uitvoeringsplannen zijn vervolguitwerkingen van de acties uit het warmteprogramma. Dat betekent dat het college van burgemeester en wethouder ze vaststelt en de gemeenteraad consulteert.
Een belangrijk onderdeel van het uitvoeringsplan is welke warmtetechniek de gemeente voorziet voor een gebied. Deze warmtetechniek is geschikt voor de meeste gebouwen, maar hoeft niet voor ieder gebouw in de wijk geschikt te zijn en inwoners en ondernemers zijn dan ook niet verplicht hierop over te stappen. De keuze heeft wel gevolgen voor de toekomst van de buurt, zoals welke energie-infrastructuur er komt te liggen. Bij de selectie van een passende warmtetechniek wegen we in elk geval de volgende zaken mee:
-
De nationale kosten en baten. Om de warmtetransitie voor de samenleving betaalbaar te houden, geven we de voorkeur aan technieken met lage nationale kosten. Dit zijn alle kosten en baten voor mensen in Nederland, dus ook die van bijvoorbeeld het verzwaren van het elektriciteitsnet. Daarbij houden we ook rekening met de gevolgen voor andere Woerdense opgaven en gemeentelijke onderhoudsplanningen en planningen voor onderhoud door partnerorganisaties.
-
De kosten en baten voor inwoners, ondernemers en gebouweigenaren. Om de warmtetransitie voor de buurt betaalbaar te houden, zetten we in op warmtetechnieken die betaalbaar zijn voor gebruikers. Daarbij kijken we zowel naar de investeringen die nodig zijn als naar het effect op de jaarlijkse kosten. We houden ook rekening met de eerlijke verdeling van de kosten en baten over verschillende groepen en hebben in het bijzonder aandacht voor inwoners met een kleine portemonnee.
-
De toekomstbestendigheid van een techniek. We houden rekening met verwachte toekomstige (kosten)ontwikkelingen en geven de voorkeur aan technieken die aanpasbaarheid en flexibiliteit bieden om ook voor toekomstige inwoners een goede warmtevoorziening te bieden.
-
De effecten op de openbare ruimte en de ruimte in woningen. Aardgasvrije verwarming kost vaak ruimte, bijvoorbeeld voor installaties (zoals warmtepompen) en ondergrondse en bovengrondse infrastructuur (kabels en leidingen, elektriciteitshuisjes of warmteoverdrachtstations). De beschikbare ruimte moet zorgvuldig worden verdeeld, waarbij ook rekening wordt gehouden met andere gemeentelijke opgaven.
-
Draagvlak. We zoeken warmtetechnieken waarvoor draagvlak is onder inwoners, ondernemers en andere gebouweigenaren.
-
De milieueffecten. We houden zorgvuldig rekening met de gevolgen van de warmtetechniek voor het milieu en de leefomgeving en vergelijken deze met de alternatieven. Daarbij kijken we ook naar raakvlakken met klimaatadaptatie.
-
De effecten op het binnenklimaat. Een gezond leefklimaat is belangrijk. We houden rekening met de ventilatie van de woning en hoe goed het binnen warm blijft. Door het veranderende klimaat, met langere warme periodes als gevolg, is het daarnaast van steeds groter belang dat woningen ook koel blijven in de zomermaanden. Sommige warmtetechnieken kunnen hieraan bijdragen door te koelen. Als ze dat niet kunnen, houden we er rekening mee dat in de toekomst aanvullende maatregelen nodig kunnen zijn.
3.6.4 Het omgevingsplan
Als de gemeente wil dat een buurt volledig aardgasvrij wordt, kan zij hier de aanwijsbevoegdheid inzetten. Dit houdt in dat de gemeente besluit dat de levering van aardgas hier op termijn beëindigd wordt. Dit besluit legt de gemeenteraad vast in het omgevingsplan.
Het inzetten van de aanwijsbevoegdheid is een ingrijpend besluit. Er gelden landelijke regels:
-
Een gemeente kan de aanwijsbevoegdheid alleen inzetten in gebieden waarvoor ze in het warmteprogramma het voornemen hiertoe heeft uitgesproken. Het uitspreken van dat voornemen leidt niet tot een verplichting: de gemeente kan later nog van de inzet afzien.
-
Bij de inzet van de aanwijsbevoegdheid legt de gemeente een warmtetechniek vast en beschrijft ze aan welke eisen gebouwen moeten voldoen om daarmee te verwarmen.
-
Gebouweigenaren houden het recht om voor een andere vorm van verwarming te kiezen, maar zijn zelf verantwoordelijk voor de realisatie hiervan.
-
De gemeente onderbouwt voor de gekozen warmtetechniek:
-
de kosteneffectiviteit.
-
de betaalbaarheid voor inwoners, ondernemers en andere gebouweigenaren.
-
de haalbaarheid, inclusief de werkbaarheid voor inwoners, ondernemers en andere gebouweigenaren.
-
De gemeente houdt rekening met de gevolgen voor de energie-infrastructuur (elektriciteitsnet, gasnet en eventueel warmtenet(ten)).
-
Tussen de inzet van de aanwijsbevoegdheid en beëindiging van de levering van aardgas zit een redelijke termijn. Behalve in uitzonderlijke gevallen bedraagt die in elk geval acht jaar.
-
De gemeente beschrijft hoe ze zich ervan verzekert dat de warmtetechniek daadwerkelijk beschikbaar is en gebouwen hierop of op een alternatief zijn aangesloten (de vergewisplicht).
In Woerden houden we daarnaast de volgende uitgangspunten aan:
-
We stellen alleen voor om de aanwijsbevoegdheid in te zetten in wanneer dat duidelijke meerwaarde biedt. Die meerwaarde kan er bijvoorbeeld in zitten dat we zo een betaalbaardere warmtevoorziening voor de buurt kunnen realiseren of kunnen voorkomen dat de netbeheerder veel geld kwijt is om gasleidingen te onderhouden voor een klein aantal gebruikers.
-
We maken de afweging over de inzet van de aanwijsbevoegdheid zoveel mogelijk gelijktijdig met het uitwerken van het uitvoeringsplan (zie de vorige stap). Zo komt de inzet niet als een verrassing voor betrokkenen.
-
We maken een zorgvuldige planning voor de overgang op de duurzame warmtevoorziening. Als we na de inzet van de aanwijsbevoegdheid constateren dat de gekozen warmtetechniek en de benodigde infrastructuur niet op tijd te realiseren zijn, verschuiven we de einddatum voor de gaslevering naar een haalbaar moment.
Het college van burgemeester en wethouders besluit in het warmteprogramma of de gemeente het voornemen heeft om de aanwijsbevoegdheid in te zetten. De gemeenteraad neemt het besluit of dat ook echt gebeurt. Beide dragen dus verantwoordelijkheid voor het proces en goede afstemming tussen de twee is van belang om zoveel mogelijk duidelijkheid te kunnen bieden aan alle betrokkenen.
3.7 Participatie
3.7.1 Introductie
Als gemeente vinden we het belangrijk om belanghebbenden en belangstellenden zorgvuldig te betrekken bij plannen die we maken. Participatie is belangrijk om betere plannen te maken, zorgvuldige besluiten te kunnen nemen en om vertrouwen te krijgen en behouden voor de ingrepen die we doen. Het Participatiekader van de gemeente Woerden beschrijft hoe we alle participatie uitvoeren.
3.7.2 Kenmerken van de warmtetransitie
Voor de warmtetransitie is er daarnaast een aantal kenmerken van belang voor hoe we de participatie inrichten:
-
De warmtetransitie is een langjarig proces en het kost tijd om de gebouwde omgeving te verduurzamen en volledig aardgasvrij te maken. De besluitvorming hierover verloopt in meerdere stappen (zie de vorige paragraaf), waar veel tijd tussen kan zitten.
-
Aardgasvrij verwarmen is een gezamenlijke opgave. De gemeente heeft de regie, maar iedereen heeft een verantwoordelijkheid. Inwoners, ondernemers en andere partners zijn niet alleen omwonenden en belanghebbenden, maar ook eigenaren en gebruikers die zelfstandig besluiten nemen. Voor het goede verloop van de warmtetransitie is het daarom belangrijk rekening te houden met hun behoeften en handelingsperspectief en een betrouwbare en consistente partner te zijn.
-
De warmtetransitie is ingewikkeld. Goede informatievoorziening is daarom belangrijk om mensen de kans te geven om een onderbouwde mening te vormen.
3.7.3 Doelgroepen
We onderscheiden voor de participatie in de warmtetransitie verschillende doelgroepen:
-
Inwoners: individuele inwoners van gemeente Woerden. Daarbij is het van belang om onderscheid te maken tussen eigenaar-bewoners, die zelfstandig of binnen een Vereniging van Eigenaars kan besluiten of hun woning, en huurders, die dat niet kunnen maar wel rechten hebben bij de besluiten die de verhuurder daarover neemt.
-
Ondernemers: individuele ondernemers gevestigd in de gemeente Woerden, al dan niet gebundeld in ondernemersverenigingen.
-
Regionale partners: regionale organisaties met een eigen opgave of doelen in de warmtetransitie, zoals: Provincie Utrecht, Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden, netbeheerder Stedin en woningcorporaties Cazas Wonen en Habion.
-
Lokale partners: lokale organisaties met doelen in de warmtetransitie of die samenwerken met de gemeente om inwoners en ondernemers goed te betrekken. Dit kunnen o.a. energiecoöperaties, duurzaamheidsinitiatieven en wijk- en dorpsplatforms zijn.
3.7.4 Compact participatieproces voor het warmteprogramma
We betrekken deze doelgroepen verschillend in de verschillende fases van de besluitvorming. Bij het opstellen van het warmteprogramma hebben we gekozen voor een compact participatieproces. We verwachten dat met name veel inwoners en ondernemers liever meepraten over de concrete keuzes op buurtniveau en maken belangrijke keuzes daarom ook zoveel mogelijk pas in uitvoeringsplannen. We betrekken alle doelgroepen op het participatieniveau ‘meepraten’ uit het Participatiekader en partners daarnaast op het niveau ‘samenwerken’. Omdat het om een gemeentelijk programma gaat, is het niveau ‘meebeslissen’ niet aan de orde.
3.7.5 Uitgebreid participatieproces voor het uitvoeringsplan
Vervolgens start de gemeente met het maken van uitvoeringsplannen per buurt. Hier voorzien we een uitgebreider participatieproces met inwoners en ondernemers uit de buurt. De rol van regionale en lokale partners zal doorgaans ook groter zijn, maar is afhankelijk van de buurt en het plan. We betrekken alle doelgroepen op het niveau ‘meepraten’ en relevante partners op het niveau ‘samenwerken’. ‘Meebeslissen’ kan voor hen ook aan de orde zijn, afhankelijk van de inhoud van het plan. Als er een verkenning aan het opstellen van een uitvoeringsplan vooraf gaat, bepalen we op basis van de inhoud daarvan wat een passende vorm van participatie is.
3.7.6 Participatieproces voor het omgevingplan
Het wijzigen van het omgevingsplan is een besluit van de gemeente. Alleen participatieniveau ‘meepraten’ is aan de orde. De nadruk bij dit besluit ligt op de formele inspraak waar alle belanghebbenden gebruik van kunnen maken. De participatie die hieraan voorafgaat combineren we zoveel mogelijk met die voor het uitvoeringsplan.
3.8 Nieuwbouw
In Woerden wordt de komende tien jaar een groot aantal nieuwbouwwoningen gebouwd, met name in het gebied ’Poort van Woerden’ ten zuiden van het station. Nieuwbouwwoningen worden aardgasvrij opgeleverd en het warmteprogramma richt zich daarom in de eerste plaats op de bestaande bouw. We zien wel een aantal raakvlakken die maken dat keuzes bij nieuwbouw de mogelijkheden voor de bestaande beïnvloeden:
-
Zowel nieuwbouw als verduurzaming van de bestaande bouw vragen om capaciteit van het elektriciteitsnet. Die is op dit moment erg beperkt (zie Bijlage a (Feiten en Onderzoeksgegevens).3).
-
Nieuwbouw kan warmtebronnen gebruiken die ook voor de bestaande bouw ingezet zouden kunnen worden.
-
Nieuwbouw kan warmtenetten in de bestaande bouw mogelijk of aantrekkelijker maken doordat warmtevraag gebundeld wordt.
Bij nieuwbouw is het daarom van belang om een visie op gebiedsniveau te hebben. Deze
visie zorgt voor goede afstemming met de bestaande bouw, maar maakt daarnaast ook
aantrekkelijkere warmtetechnieken mogelijk voor de nieuwbouw dan wanneer alleen naar
de mogelijkheden per individueel project wordt gekeken. Met het verkennen van een
collectief warmtenet voor Snellerpoort West en het stationsgebied en het opstellen
van een bodemenergieplan voor Nieuw Middellland zorgen we er voor dat bij nieuwbouw
en renovaties efficiënte warmtetechnieken gebruikt worden. Om de belasting van het
elektriciteitsnetwerk binnen de perken te houden is netbewust bouwen een belangrijk
uitgangspunt.
Bij de bouw van nieuwbouwwoningen komt ook CO2 vrij. Gemeente Woerden heeft het regionale Convenant Toekomstbestendig Bouwen ondertekend. Het college vertaalt de inspanningsverplichting in het convenant in onze interne werkwerkwijzen, afspraken en overeenkomsten.
4 Overkoepelende aanpak
4.1 Introductie
Het warmteprogramma beschrijft de plannen van gemeente Woerden voor de warmtetransitie in de komende tien jaar. In dit hoofdstuk beschrijven we de overkoepelende aanpak, die uit twee actielijnen bestaat. In de volgende twee hoofdstukken beschrijven we deze actielijnen in meer detail.
4.2 Overzicht van de plannen
4.2.1 De actielijnen
We verdelen de plannen uit dit warmteprogramma onder in twee actielijnen, die aansluiten op de Warmtevisie uit 2021:
-
Uitvoeringsplannen per buurt. In gebieden waar we kansen zien voor collectieve aanpakken, gaan we aan de slag om deze te realiseren. Dat doen we samen met inwoners, ondernemers en partnerorganisaties.
-
Gemeentebrede verduurzaming. We stimuleren en ondersteunen het verduurzamen van losse (groepen) woningen in de hele gemeente.
De actielijnen sluiten aan op de doelstellingen uit het vorige hoofdstuk. Beide actielijnen dragen bij aan de doelen voor aardgasgebruik en lokaal eigenaarschap en betrokkenheid. Actielijn 1 draagt daarnaast voornamelijk bij aan het doel voor het aantal aardgasvrije woningen en in mindere mate aan het doel van energiebesparing, terwijl actielijn 2 naar verwachting meer bij zal dragen aan energiebesparing en minder aan het aantal aardgasvrije woningen.
4.2.2 Actielijn 1: Uitvoeringsplannen per buurt
4.2.2.1 Toelichting van de verkenningsbuurten
In de komende jaren starten we in zes gebieden met het verkennen van collectieve aanpakken. Deze zijn te zien in figuur 4.1 en in tabel 4.1. De onderbouwing volgt in de volgende paragraaf. Wat toelichting bij de inhoud van de tabel:
-
Een collectieve aanpak betekent dat we warmtetechnieken of verduurzamingsmaatregelen aanbieden aan (een groot deel van) een gebied. Een collectieve aanpak kan gaan om een collectief warmtesysteem (een warmtenet), maar ook om bijvoorbeeld de collectieve inkoop van warmtepompen of isolatiemaatregelen en het zorgen dat de bijbehorende randvoorwaarden op orde zijn (bijvoorbeeld op gebied van het elektriciteitsnet en bescherming van bedreigde diersoorten).
-
In de verkenningsbuurten starten we met een verkenning om nader te bepalen welke kansen en randvoorwaarden er zijn voor een collectieve aanpak. Als we voldoende kansen zien, stellen we een uitvoeringsplan op (zie 3.6 voor meer informatie).
-
Een collectieve aanpak kan ertoe leiden dat de gemeente de aanwijsbevoegdheid inzet. Dit houdt in dat de gemeente besluit dat de levering van aardgas hier op termijn beëindigd wordt. In dat geval sluit netbeheerder Stedin in opdracht van de gemeente op termijn (in principe na acht jaar) het gasnet af. Hierdoor moet iedereen in de betreffende buurt op een alternatief over stappen. De aanwijsbevoegdheid kan ergens alleen worden ingezet als het voornemen daartoe in het warmteprogramma is opgeschreven. We willen de inzet van de aanwijsbevoegdheid niet bij voorbaat uitsluiten, omdat we zien dat deze bij kan dragen aan de haalbaarheid en de betaalbaarheid van de oplossing voor een buurt en zekerheid kan bieden. Daarom spreken we voor alle verkenningsbuurten het voornemen uit. Om de aanwijsbevoegdheid daadwerkelijk in te zetten, moet de aanpak wel aan strenge voorwaarden voldoen (zie 3.6). Tijdens de verkenningen en het opstellen van uitvoeringsplannen onderzoeken we of hieraan voldaan kan worden of niet. Daarbij we betrekken we ook de buurt. Als we besluiten dat het aardgasnetwerk opgeheven wordt, vindt dit op zijn vroegst in 2035 plaats (zie uitgangspunt 11 in paragraaf 3.3).
-
Zoals we in paragraaf 3.6 toelichten, past een buurtaanpak minder goed bij de kenmerken van de dorpen. Deze geven we daarom een nadrukkelijkere rol in actielijn 2.
Hoe de plannen per gebied eruit zien, bespreken we in hoofdstuk 5.
4.2.2.2 Verkenningsbuurten op de kaart

4.2.2.3 Verkenningsbuurten in de tabel
|
Gebied |
Start verkenning |
Te verkennen warmtechnieken |
Aantal woning-equialenten |
Voornemen aanwijsbevoegeheid? |
|
Molenvliet |
2025 |
Warmtenet, all-electric |
3.941 |
ja |
|
Bedrijventerrein Barwoutswaarder |
2026 |
Warmtenet, all-electric |
1.355 |
ja |
|
Snel & Polanen en Waterrijk en bedrijventerrein Polanen |
2026 |
Warmtenet, all-electric |
5.553 |
ja |
|
Middelland-Zuid |
2027 |
Warmtenet, all-electric |
1.031 |
ja |
|
Bedrijventerrein Honthorst |
2029 |
Warmtenet, all-electric |
669 |
ja |
|
Staatsliedenkwartier |
2031 |
Warmtenet, all-electric |
2.266 |
ja |
Deze verkenningen richten zich op de betreffende buurten, maar zijn niet helemaal onafhankelijk van elkaar. Om goed om te gaan met de onderlinge afhankelijkheden voorzien we een aantal ondersteunende activiteiten.
4.2.2.4 Monitoring elektriciteitsnet
Om goed om te gaan met de effecten van de plannen op het elektriciteitsnet, werken we nauw samen met netbeheerder Stedin. Als een buurt aardgasvrij wordt, leidt dat tot meer vraag naar elektriciteit. Vaak is het nodig om het elektriciteitsnet te verzwaren met nieuwe kabels en elektriciteitshuisjes. Die moeten ergens binnen de buurt komen. De vraag in één buurt kan daarnaast gevolgen hebben voor de capaciteit die beschikbaar is voor andere buurten.
Stedin en de gemeente werken samen volgens de Buurtaanpak. Dat betekent dat we samen kijken in welke buurten het nodig is om het elektriciteitsnet te verzwaren. Dit verzwaren houdt in dat het net toekomstbestendig gemaakt wordt en klaar is voor de toenemende vraag van elektriciteit als gevolg van elektrificatie in onze huishoudens. Stedin en de gemeente hebben in een samenwerkingsovereenkomst afgesproken dat ze zorgen dat de juiste mensen en kennis aan tafel zitten om dat proces soepel en zorgvuldig te doorlopen. Daarnaast blijven we in gesprek over de regionale vooruitzichten over het elektriciteitsnet.
4.2.2.5 Inzet van warmtebronnen en koppeling warmtenetten
Sommige warmtebronnen kunnen in verschillende buurten ingezet worden, zoals bijvoorbeeld de Oude Rijn (Bijlage a (Feiten en Onderzoeksgegevens).2). Inzet in de ene buurt kan betekenen dat de warmte niet of minder beschikbaar is voor een andere buurt. Om deze afwegingen goed te maken laten we een bronnenstrategie opstellen die de verschillende beschikbare bronnen in Woerden en de mogelijke locaties en voorwaarden voor de inzet in meer detail in kaart brengt. Bij het inzetten van een warmtebron die voor meerdere gebieden kan worden gebruikt, maken we de afweging waar deze het meest zinvol kan worden ingezet.
Als uit de verkenningen blijkt dat er in een buurt kansen zijn voor een grootschalig warmtenet, is een volgende stap om een warmtekavel vast te stellen. Een warmtekavel is, onder de verwachte Wet collectieve warmte, een aaneengesloten en afgebakend gebied waarbinnen een duurzame, betaalbare en betrouwbare collectieve warmtevoorziening mogelijk is. De gemeente wijst vervolgens een warmtebedrijf aan dat het recht krijgt om binnen de warmtekavel warmte te leveren. Dat warmtebedrijf moet voor de meerderheid publiek of lokaal eigendom (een warmtegemeenschap) zijn. Het warmtebedrijf onderzoekt of en hoe binnen de kavel een warmtenet te realiseren is.
Het vaststellen van een warmtekavel betekent dus nog niet dat er ook echt een warmtenet komt. Of dat kan, en wat hiervan de gevolgen en kosten voor inwoners zijn, onderzoeken we tijdens het opstellen van het uitvoeringsplan. Door een warmtekavel vast te stellen, kan dit onderzoek samen met het warmtebedrijf plaatsvinden. De uitkomst kan nog steeds zijn dat een andere optie geschikter is voor de buurt.
Bij het vaststellen van een of meer warmtekavels hebben we de keus tussen twee globale benaderingen. De eerste is het opzetten van een ruime warmtekavel, voor de hele stad Woerden of voor alle buurten daarbinnen waar we potentie voor warmtenetten zien. De tweede is het opzetten van een of meer kleinere warmtekavels, per verkenningsbuurt waar we potentie zien. Beide benaderingen hebben voor- en nadelen. Een ruime kavel betekent dat warmtenetgebruikers in verschillende delen van de stad dezelfde tarieven betalen. Dat vinden we eerlijk en uitlegbaar, zeker als de gemeente in de toekomst keuzes moet maken om een bepaalde warmtebron in een bepaalde buurt in te zetten en in een andere niet. Daarnaast kan een ruime kavel leiden tot schaalvoordelen. Kleine kavels kunnen meer ruimte bieden voor maatwerk. Ze bieden ook de mogelijkheid om verschillende warmtebedrijven aan te wijzen voor verschillende buurten. We zullen bepalen welke route de voorkeur heeft op basis van de bronnenstrategie en de uitkomsten van de eerste verkenningen waarbij warmtenetten een geschikte optie blijken. Daarbij zorgen we dat we leren van de aanpakken in andere gemeenten.
De keuzes over warmtekavels hebben voornamelijk betrekking op de stad Woerden. Dat is omdat de verkenningsbuurten daar liggen, maar ook omdat een warmtekavel alleen nodig is voor grootschalige warmtenetten, met meer dan 1500 aansluitingen. Buiten Woerden is het alleen in Harmelen in theorie mogelijk om boven dit aantal te komen. We zien daar geen concrete mogelijkheden voor (zie Bijlage a (Feiten en Onderzoeksgegevens).2).
4.2.3 Actielijn 2: Gemeentebrede verduurzaming
4.2.3.1 Toelichting van de gemeentebrede aanpak
Binnen de hele gemeente bieden we ondersteuning aan inwoners, ondernemers en andere gebouweigenaren die hun gebouw energiezuiniger willen maken en stappen willen zetten zodat een warmtevoorziening zonder aardgas in de toekomst mogelijk wordt. We zetten een ondersteuningsaanbod op dat gericht is op verschillende doelgroepen
4.2.3.2 Bescherming van bedreigde diersoorten
Isolatie van spouwmuren en daken heeft gevolgen voor beschermde vogels en vleermuizen die daar nestelen. De gemeente heeft een soortenmanagementplan voor de bescherming van deze soorten. Binnen dat plan monitoren we de populaties van de beschermde soorten en de effecten die uitvoeringsplannen hierop hebben. De gemeente zorgt voor extra schuilplekken voor vleermuizen en gierzwaluwen als dat nodig blijkt te zijn.
Gebouweigenaren die willen isoleren of bijbouwen hebben hier normaal zelf een vergunning voor nodig als dat effect kan hebben op beschermde soorten. Dankzij het soortenmanagementplan kunnen zij gebruikmaken van de gemeentelijke ontheffing, wat hun tijd en geld bespaart. Zij zijn hiervoor wel verplicht om het te melden bij de gemeente en moeten voldoen aan de voorwaarden die bij de ontheffing horen.
4.3 Onderbouwing van de keuzes
4.3.1 De opgave voor de komende tien jaar
4.3.1.1 Ambities
We hebben deze plannen gebaseerd op de afwegingen uit paragraaf 3.6. Hieronder lopen we deze punt voor punt door.
We baseren de plannen uit dit warmteprogramma op de totale opgave die de gemeente heeft voor 2050. We hebben deze opgave over de tijd verdeeld (zie paragraaf 3.2) en willen in de komende jaren flinke stappen zetten, omdat we zien dat we de opgave anders voor ons uitschuiven.
4.3.1.2 De middelen van de gemeente
Het succesvol uitvoeren van de plannen vraagt capaciteit binnen de gemeentelijke organisatie. We schatten dat de benodigde capaciteit hiervoor oploopt tot 19,6 - 24,5 rond 2031 (zie bijlage A.4). Een belangrijk gegeven bij de haalbaarheid is dat onze mogelijkheden sterk afhangen van landelijke keuzes. Gemeenten krijgen middelen voor decentraal klimaatbeleid van de Rijksoverheid. Deze zijn niet voor de lange termijn vastgesteld, maar voor de uitvoering van dit warmteprogramma zijn ze wel nodig. We kiezen ervoor om onze doelen te baseren op de afspraken uit het Klimaatakkoord en rekenen erop dat het Rijk de afgesproken middelen ter beschikking stelt.
Om goed om te gaan met de beschikbare middelen, kiezen we ervoor om activiteiten efficiënt op te zetten en waar mogelijk regionaal samen te werken om kosten te besparen. Daarnaast gaan we zelf op zoek naar aanvullende bronnen van financiering, zoals de provincie en de EU. Als we de benodigde financiering alsnog niet rondkrijgen, zal het nodig zijn binnen de activiteiten van dit warmteprogramma te prioriteren. Dit kan ertoe leiden dat we verkenningen uit actielijn 1 of onderdelen van de ondersteuningsaanpak uit actielijn 2 uit moeten stellen.
4.3.2 Prioritering van de buurten
4.3.2.1 Prioritering op drie afwegingen
Om de opgave voor de komende jaren in te vullen hebben we startbuurten geselecteerd op basis van de afwegingen uit paragraaf 3.5. We zien de volgende redenen om nu wel of niet in specifieke buurten te starten. Al deze afwegingen staan in meer detail en met onderliggende data beschreven in Bijlage a (Feiten en Onderzoeksgegevens).4.
4.3.2.2 De bijdrage aan de gemeentelijke doelen
-
Aantal aardgasvrije gebouwen en CO2-uitstoot. Om de gemeentelijke ambities te halen, moeten de plannen resulteren in het aardgasvrij(-ready) maken van voldoende gebouwen en in voldoende reductie van de CO2-uitstoot. We wegen dit mee in andere criteria, zoals de nationale kosten (per ton CO2) en eindgebruikerskosten (per gebouw).
-
Energiearmoede. De plannen bieden kansen om huishoudens in energiearmoede te helpen om beter rond te komen. Vooral in het buitengebied zijn hoge energierekeningen een probleem. Hier liggen buurtaanpakken om andere redenen minder voor de hand.
4.3.2.3 De haalbaarheid en kosten
-
Nationale kosten. De nationale kosten zijn de kosten van aardgasvrije verwarming in een buurt voor de hele samenleving. Door te starten in buurten met lage verwachte nationale kosten, vallen de totale kosten in de komende jaren lager uit. Op bedrijventerreinen 19 Middelland-Noord, Middelland-Zuid, Honthorst en Barwoutswaarder, in woonwijk Waterrijk en in Kromwijk zijn de verwachte nationale kosten relatief laag.
-
Verwachte eindgebruikerskosten. De verwachte eindgebruikerskosten van individuele warmtepompen zijn vooral in Waterrijk laag vanwege de goede isolatiegraad. Voor warmtenetten vallen geen specifieke buurten op. Bij de verwachte energieprijzen is aardgasvrije verwarming aantrekkelijk voor grote delen van de woningen in de gemeente.
-
Sociale kracht. De sociale kenmerken van een buurt kunnen de overstap op aardgasvrije verwarming makkelijker of moeilijker maken. We zien nu geen duidelijke verschillen tussen buurten die een reden zijn om ergens wel of niet te starten.
-
Contracteerbaarheid warmtenetten. Warmtenetten kunnen beter haalbaar zijn als er grote afnemers of vastgoedbezitters aanwezig zijn in een buurt. Woningcorporatiebezit biedt hiervoor een kans. Dit is het meest geconcentreerd in het Schilderskwartier (waar een grootschalig warmtenet technisch niet haalbaar lijkt), Molenvliet en het Bloemen- en Bomenkwartier.
4.3.2.4 Tijdelijke kansen en beperkingen
-
De capaciteit van het elektriciteitsnet. Op dit moment zit het elektriciteitsnet in de gemeente Woerden vol. Er vinden uitbreidingen van het elektriciteitsnet plaats. De beoogde realisatie hiervan is in 2029. Tot die tijd is het niet logisch om grootschalig warmtepompen te stimuleren en is het bij warmtenetten belangrijk om de piekvraag te beperken. Ook daarna blijft het van belang om zuinig om te gaan met de beschikbare transportcapaciteit.
-
Beschikbaarheid van klimaatneutraal gas. Klimaatneutraal gas is een van de alternatieven voor aardgas, maar is op dit moment niet beschikbaar (in het geval van schone waterstof) of zeer beperkt beschikbaar (in het geval van groen gas). De gemeente kan er niet voor kiezen dat een buurt er nu op overstapt. Als inzet van klimaatneutraal gas in een buurt logisch lijkt (zie Bijlage a (Feiten en Onderzoeksgegevens).2), is dat een reden om nu niet met verkenningen voor andere warmtetechnieken te starten.Afnemende kansen voor warmtenetten. Warmtenetten zijn alleen haalbaar als voldoende gebruikers binnen een gebied erop aansluiten. Doordat inwoners en eigenaren op eigen tempo al bezig zijn met verduurzaming en daarbij ook warmtepompen installeren, daalt het verwachte aantal aansluitingen voor nieuwe warmtenetten langzaam. Het risico hiervan is dat een deel van de huishoudens – met name degenen in oudere woningen of met lagere inkomens – zonder goede optie komt te zitten, omdat het voor hun woning niet haalbaar is om individueel aardgasvrij te worden en een warmtenet niet meer betaalbaar is. Waar er kansen voor warmtenetten lijken te zijn, is het daarom logisch om deze al snel te verkennen.
-
Lokale initiatieven. Als inwoners plannen hebben voor de verduurzaming van hun buurt, kan dat een goede reden zijn om een verkenning op te starten. Er zijn kleinschalige verduurzamingsinitiatieven, maar op dit moment kennen we geen plannen die aanleiding geven om op buurtniveau een verkenning te starten. De gemeente blijft wel in gesprek met initiatiefnemers.
-
Investeringsagenda’s grote vastgoedeigenaren. De plannen van grote vastgoedbezitters zoals woningcorporaties Cazas Wonen en Habion kunnen kansen bieden voor een buurtaanpak. Op dit moment zien we dit soort kansen niet.
-
Investeringsagenda’s infrastructuur en openbare ruimte. Als er plannen zijn voor het onderhoud of de aanpassing van ondergrondse infrastructuur en/of openbare ruimte in een buurt, kan dat meekoppelkansen bieden voor de warmtetransitie. Dit kan kosten en overlast besparen. De riolering wordt in de komende tien jaar vervangen in het Bomen- en Bloemenkwartier en in Harmelen. In het Schilderskwartier en Kamerik-Zuid is dit mogelijk het geval. In het Staatsliedenkwartier wordt dit op langere termijn verwacht, wat betekent dat er na 2035 een mogelijke meekoppelkans is.
-
Buurtontwikkeling. Nieuwbouw en herontwikkeling kan ook kansen bieden voor de warmtetransitie. Met name in Snellerpoort, het Stationsgebied, Nieuw-Middelland (in Middelland-Noord), Harmelen, Kamerik en Zegveld staat in de komende jaren nieuwbouw gepland. Bedrijventerrein Barwoutswaarder wordt naar verwachting geherstructureerd en Bedrijventerrein Putkop breidt uit.
De eerste drie tijdelijke kansen en beperkingen maken het logisch om nu warmtenetten te verkennen, warmtepompen pas over een aantal jaren en klimaatneutraal gas pas later in de toekomst. Het is belangrijk om te beseffen dat deze afweging over de fasering gaat en niet over de techniekkeuze. Als we op dit moment ergens geen kansen zien voor een warmtetechniek, kan deze er later alsnog komen. Als we op dit moment ergens wel kansen zien voor een warmtetechniek, moet dit ook in de toekomst een goede optie zijn. Tijdens de verkenningen en het opstellen van uitvoeringsplannen moet blijken of warmtenetten en alternatieven op de korte en de lange termijn een geschikte optie zijn voor een buurt.
5 Actielijn 1: Uitvoeringsplannen per buurt
5.1 Introductie
In dit hoofdstuk beschrijven we de plannen die onder actielijn 1 vallen: uitvoeringsplannen per buurt. In de verkenningsbuurten uit het vorige hoofdstuk gaan we verkennen wat de mogelijkheden zijn voor aardgasvrije verwarming. Dat doen we samen met inwoners, ondernemers en partnerorganisaties uit die buurten. De hoofdlijnen van de verkenningen staan hieronder per buurt beschreven.
5.2 Molenvliet
In september 2024 heeft het college van B&W de Startnotitie Wijkverkenning Molenvliet vastgesteld, welke de start vormt voor de verkenning in de buurten Molenvliet-Oost en Molenvliet-West. In 2025 doen we onderzoek naar de juridische, ruimtelijke, technische en financiële haalbaarheid van een warmtenet als duurzame warmtevoorziening. Deze collectieve optie is kansrijk, vanwege de nabijgelegen rioolwaterzuiveringsinstallatie. Deze kan restwarmte leveren voor een warmtenet. De haalbaarheid van een warmtenet zetten we af tegen het gangbare alternatief: een individuele all-electric warmtepomp. We betrekken bewoners, gebouweigenaren en andere belanghebbenden actief bij alle stappen in de verkenning. De overstap naar duurzame warmte heeft impact op de wijk en de bewoners. Daarom is het belangrijk dat zij goed geïnformeerd worden en meedenken over het alternatief voor aardgas.
We leggen de uitkomsten van de verkenning in de vorm van een advies door het college van B&W voor aan de gemeenteraad. Dit advies vormt de basis voor een uitvoeringsplan. Het is wenselijk dat de verkenning direct overgaat in het opstellen van dat uitvoeringsplan.
5.3 Bedrijventerrein Barwoutswaarder
Bedrijventerrein Barwoutswaarder ligt tussen de verkenningsbuurten in Molenvliet en de rioolwaterzuiveringsinstallatie die we in de verkenning daar onderzoeken als mogelijke warmtebron. Door ook een verkenning op het bedrijventerrein te starten, kunnen we onderzoeken welke waarde de warmtebron hier zou hebben en of de bedrijven zelf mogelijk restwarmte kunnen leveren. Daarbij komt dat de bedrijventerreinen in Woerden uit de analyse naar voren komen als plekken waar de nationale kosten van aardgasvrije verwarming relatief laag liggen. Tot slot biedt de verwachte herstructurering van het bedrijventerrein mogelijk kansen om gelijk na te denken over de toekomstige energievoorziening, in plaats van dit op een later moment alsnog te moeten doen.
We starten de verkenning eind 2025 of begin 2026. De verkenning zal de potentie van verschillende warmtetechnieken op het bedrijventerrein in kaart brengen. Relevante opties zijn in elk geval individuele verwarming met lucht- en bodemwarmte en collectieve verwarming met warmte van de rioolwaterzuivering, bodemwarmte, warmte uit de Oude Rijn en restwarmte van bedrijven. Daarnaast kijken we in de verkenning of er aansluiting mogelijk is op andere vraagstukken, zoals het lopende initiatief om met een groepscontract beter om te gaan met de beschikbare ruimte op het elektriciteitsnet.
De herstructurering van het bedrijventerrein is een complex project. Het kan kansen bieden voor de warmtetransitie, maar het kan ook blijken dat deze kansen beperkt zijn. Naast bedrijven telt het bedrijventerrein ook ruim 100 woningen. Deze nemen we mee in de verkenning, maar het kan blijken dat een gezamenlijk uitvoeringsplan niet logisch blijkt.
5.4 Snel en Polanen, Waterrijk en bedrijventerrein Polanen
Snel en Polanen en Waterrijk zijn twee woonbuurten met relatief nieuwe bebouwing, uit de jaren ’90 en later. In deze buurten vraagt de overstap naar elektrische verwarming relatief weinig woningaanpassingen en is deze mede daarom naar verwachting in de komende jaren voor veel inwoners financieel al interessant. Dit betekent dat er al één alternatief voor aardgas is dat relatief aantrekkelijk is en dat we willen onderzoeken of een warmtenet maatschappelijk meerwaarde heeft voordat de kansen hiervoor afnemen.
Bedrijventerrein Polanen ligt aan de zuidkant van Woerden. Ook hier liggen de verwachte nationale kosten van aardgasvrije verwarming relatief laag. Daarnaast is er mogelijk restwarmte beschikbaar die op het bedrijventerrein, of in het naastgelegen Snel en Polanen, ingezet kan worden.
We starten de verkenning in 2026. Relevante warmtetechnieken om te verkennen zijn in elk geval individuele warmtepompen met bodem- en luchtwarmte en warmtenetten met warmte uit de bodem, warmte uit oppervlaktewater (Cattenbroekerplas), en restwarmte van de omliggende bedrijventerreinen. Het datacenter daar is mogelijk interessant als restwarmtebron. Naast warmtetechnieken kunnen collectieve isolatie- en ventilatiemaatregelen helpen om energie te besparen.
Aandachtspunten voor de verkenning zijn de huidige netcongestie en de oudere woningen in Snel en Polanen. De netcongestie betekent dat grootschalige overgang op warmtepompen onwenselijk is tot de verzwaring van het elektriciteitsnet gerealiseerd is (beoogd in 2029). Isolatiemaatregelen zijn in de tussentijd wel al mogelijk. In het westen van Snel en Polanen staan tegen de 100 vooroorlogse woningen. Hier zijn andere verduurzamingsmaatregelen nodig en is aardgasvrije verwarming wellicht nog niet haalbaar.
Voor het bedrijventerrein Polanen bouwen we voort op de aanpak die bij bedrijventerrein Barwoutswaarder ontwikkeld is. We bezien tijdens de verkenning ook of het zinvol is om in het uitvoeringsplan te focussen op de warmtetransitie of het breder in te steken als aanpak rondom de toekomstbestendigheid van het bedrijventerrein.
5.5 Middelland-Zuid
Middelland-Zuid is een kantoren- en bedrijventerrein dat grotendeels gebouwd is in de jaren ’80 en ‘90. De verwachte nationale kosten van aardgasvrije verwarming liggen er relatief laag, mede door de relatief goede energielabels.
We starten de verkenning in 2027. De kantoren op het terrein zijn naar verwachting goed de verwarmen met individuele of collectieve warmte uit de lucht of de bodem. Voor de gebouwen met een industriefunctie zal dit afhangen van het precieze gebruik. Er zal naar verwachting waarschijnlijk meer maatwerk nodig zijn en is mogelijk dat nog niet voor alle gebouwen al een geschikt alternatief voor aardgas beschikbaar is. Tijdens de verkenning is goede afstemming met de naastgelegen verkenning in Snel en Polanen en Waterrijk belangrijk. Voor een deel van de warmtebronnen zal gebruik in het ene gebied ten koste gaan van de beschikbaarheid voor het andere gebied. We bezien tijdens de verkenning ook of het zinvol is om in het uitvoeringsplan te focussen op de warmtetransitie of het breder in te steken als aanpak rondom de toekomstbestendigheid van het bedrijventerrein.
5.6 Bedrijventerrein Honthorst
Bedrijventerrein Honthorst bestaat uit bedrijfspanden en ruim 130 woningen van gemengde leeftijd. Ook hier zijn de verwachte nationale kosten van de warmtetransitie relatief laag. Daarnaast kunnen we lessen benutten uit de al eerder opgestarte verkenningen op bedrijventerreinen in Woerden.
We starten de verkenning in 2029 en bouwen daarbij voort op de lopende naburige verkenningen in Middelland-Zuid en Molenvliet. We bezien tijdens de verkenning ook of het zinvol is om in het uitvoeringsplan te focussen op de warmtetransitie of het breder in te steken als aanpak rondom de toekomstbestendigheid van het bedrijventerrein.
5.7 Staatsliedenkwartier
In het Staatsliedenkwartier staan veel rijwoningen uit de jaren ‘70 en een aantal appartementengebouwen en zorginstellingen. Het is een groene wijk met veel actieve bewoners en een wijkplatform. Op termijn zijn er werkzaamheden aan de riolering gepland, wat betekent dat we mogelijk werkzaamheden kunnen koppelen.
We starten de verkenning in 2031. Dit is na de volgende actualisatie van dit warmteprogramma, waarin we de plannen voor de buurt aan zullen scherpen met de kennis van dan. Zoals het er nu uitziet, zijn relevante warmteopties om te verkennen in elk geval individuele warmtepompen doe warmte uit de lucht of bodem halen en collectieve warmte uit bodem of water (de Oude Rijn of de Singel) of zonnewarmte. De kansen voor een warmtenet zullen ook afhangen van de ontwikkelingen aan de andere kant van het spoor, in Snel en Polanen, waar we vijf jaar eerder starten met een verkenning (zie paragraaf 5.4).
6 Actielijn 2: Gemeentebrede verduurzaming
6.1 Introductie
In dit hoofdstuk beschrijven we de plannen die onder actielijn 2 vallen: gemeentebrede verduurzaming. Onder deze actielijn valt de ondersteuning die de gemeente biedt voor bewoners en ondernemers die stappen willen zetten om hun warmtevoorziening te verduurzamen. Anders dan bij actielijn 1 gaat het daarbij niet om plannen voor gehele buurten, maar om plannen voor doelgroepen.
Het warmteprogramma wordt iedere vijf jaar geactualiseerd. Deze termijn is landelijk bedacht voor de gebiedsgerichte aanpak (actielijn 1), maar is voor een ondersteuningsaanpak erg lang. Om flexibel te zijn in de uitvoering, leggen we in het warmteprogramma daarom alleen de hoofdlijnen van de aanpak vast. We concretiseren deze tijdens de looptijd van het warmteprogramma en evalueren de aanpak regelmatig en sturen bij waar nodig.
De inspanningen van deze actielijn dragen bij aan de doelstellingen voor aardgasgebruik, energiebesparing en lokaal eigenaarschap en betrokkenheid en naar verwachting in mindere mate aan de doelstelling voor het aantal aardgasvrije gebouwen (zie paragraaf 3.2). De ondersteuning die de gemeente biedt kan leiden tot aardgasvrije verwarming, maar we ondersteunen ook voorbereidende maatregelen zoals isolatie en tussenstappen zoals het installeren van een hybride warmtepomp. Waar we ondersteuning bieden voor warmtetechnieken, letten we erop dat deze zuinig omgaan met de beschikbare ruimte op het elektriciteitsnet. Daarnaast stimuleren we bij voorkeur natuurlijke isolatiematerialen.
We zien een aantal doelgroepen die specifiek van belang zijn voor deze actielijn. We beschrijven deze hieronder met telkens de hoofdlijnen van de aanpak.
6.2 Algemene ondersteuning voor woningeigenaren
Doelgroep: eigenaar-bewoners van reguliere grondgebonden woningen en monumenten.
Aanpak: we ondersteunen woningeigenaren die op voor hen logische momenten verduurzamingsstappen willen zetten met informatie, advies en hulp langs iedere stap in een bewonersreis voor woningverduurzaming. We zien dat advies vaak het best kan komen van buren of maatschappelijke organisaties. Daarom sluiten we aan bij waar bewonersinitiatieven mee bezig zijn om het bereik en de effectiviteit van de aanpak te vergroten.
Middelen en activiteiten: informatie via gemeentelijk online energieloket en een fysieke plek in de gemeente, gemeentebrede en wijkgerichte communicatiecampagne, isolatiesubsidie, subsidie voor uitgebreid energieadvies, energiecoaches, verbouwhulp en hulp bij financieringsvragen.
6.3 Gebouwtypenaanpak
Doelgroep: eigenaren van gebouwen met vergelijkbare kenmerken.
Aanpak: we identificeren groepen woningen waar dezelfde maatregelen effectief en aantrekkelijk zijn, bijvoorbeeld omdat ze vergelijkbare bouwjaren en bouwkundige ontwerpen hebben. Deze aanpak is bijvoorbeeld kansrijk in de dorpen. Door deze maatregelen collectief aan te bieden, maken we het makkelijker en goedkoper om deze maatregelen te treffen.
Middelen en activiteiten: campagnes per gebouwtype, bestaande uit onderzoek (schouwen), informatievoorziening en organisatie van collectieve inkoop.
6.4 Ondersteuning voor bewonersinitiatieven
Doelgroep: bewoners die gezamenlijk initiatieven opzetten voor verduurzaming van hun woningen en/of buurt. Ten tijde van het schrijven werken we samen met dorpsinitiatieven Warm Kamerik, Zegveld Duurzaam en een initiatief Entrade (Defensie-eiland), en met gemeentebrede initiatieven Duurzaam Woerden en Woerden Energie.
Aanpak: we moedigen bewoners aan om zich samen met buurtgenoten te organiseren en bieden passende ondersteuning. Het uitgangspunt hierbij is het bieden van opgroeiruimte: wederzijdse ruimte om de samenwerking zorgvuldig vorm te geven en te kunnen doorontwikkelen gedurende de samenwerking. We jagen bestaande initiatieven die actief zijn op andere thema’s aan ook verduurzaming als activiteit toe te voegen, in samenwerking met het sociaal domein.
Middelen en activiteiten: getrapt ondersteuningsaanbod, o.a. financieel. Voor startende initiatieven is er laagdrempelig kleine financiële en praktische ondersteuning beschikbaar en doen we ons best om drempels en risico’s weg te nemen. Groeit een initiatief door is er meer ondersteuning beschikbaar voor bijvoorbeeld technische onderzoeken naar warmteoplossingen, maar staan hier ook meer voorwaarden tegenover.
6.5 Afspraken met woningcorporaties
Doelgroep: sociale verhuurders.
Aanpak: we blijven met woningcorporaties Cazas Wonen en Habion in gesprek over de verduurzaming van hun woningvoorraad en maken afspraken over wat voor inzet en ondersteuning hiervoor nodig is.
Middelen en activiteiten: prestatieafspraken en pilots via Werkgroep Duurzaamheid.
6.6 Stimuleren van particuliere verhuurders
Doelgroep: particuliere verhuurders van woningen.
Aanpak: we stimuleren de verduurzaming van particuliere huurwoningen. Er is landelijk beleid aangekondigd dat gemeenten vanaf 2029 handhavingsinstrumenten geeft om te zorgen dat verhuurders hun woningen verbeteren naar tenminste energielabel D. Bij de inzet hiervan houden we oog voor het binnenklimaat en de ventilatie van woningen.
Middelen en activiteiten: handhavingsinstrumenten uit aankomend landelijk beleid.
6.7 Ondersteuning voor Verenigingen van Eigenaars (VvE’s)
Doelgroep: eigenaar-bewoners.
Aanpak: we ondersteunen VvE’s met subsidie, advies en ondersteuning bij de besluitvorming.
Middelen en activiteiten: isolatiesubsidie en aansluiten bij provinciaal VvE-loket.
6.8 Te verkennen: ondersteuning voor bedrijven
Doelgroep: ondernemers met eigen bedrijfspanden.
Aanpak: we verkennen mogelijkheden voor directe en indirecte stimulering op voor ondernemers logische bedrijfsmomenten om te verduurzamen. Daarbij zetten we in op bewustwording, het bieden van hulp bij investeringsbesluiten en het wegnemen van drempels voor diverse soorten ondernemers.
Middelen en activiteiten: nader te verkennen.
6.9 Te verkennen: ondersteuning voor maatschappelijk vastgoed/ accommodaties
Doelgroep: Vastgoedeigenaren van panden die op gronden met maatschappelijke bestemming staan (niet-gemeentelijk vastgoed).
Aanpak: we verkennen mogelijkheden voor directe en indirecte stimulering om te verduurzamen richting vastgoedeigenaren van panden die op gronden met een maatschappelijke bestemming staan. Het gaat om accommodaties die gehuurd worden door derden.
Middelen en activiteiten: nader te verkennen.
7 Monitoring en evaluatie
7.1 Introductie
Gedurende de looptijd van dit warmteprogramma monitoren we de voortgang van de plannen en sturen we bij waar dat nodig is. In dit hoofdstuk beschrijven we hoe we dit doen.
7.2 Monitoring
We monitoren de voortgang van het warmteprogramma jaarlijks. Tabel 7.1 beschrijft welke indicatoren we daarbij meenemen. Dit zijn vooral indicatoren die van belang zijn om de effecten van het warmteprogramma te meten. Tijdens de verkenningen en het opstellen van uitvoeringsplannen per buurt (actielijn 1) en het uitwerken van de gemeentebrede ondersteuning (actielijn 2) werken we in meer detail uit wat relevante indicatoren zijn om de voortgang hiervan te monitoren.
|
Doel/Actielijn |
Indicator |
Schaal |
Uitwerking |
|
Overkoepelend |
CO2-uitstoot |
gemeente |
Totale CO2-uitstoot per jaar van de sector gebouwde omgeving. |
|
Aardgasgebruik |
Aardgasgebruik woningen |
gemeente |
Totale aardgasverbruik van woningen per jaar, temperatuurgecorrigeerd. |
|
|
Aardgasgebruik bedrijven en instellingen |
gemeente |
Totale aardgasverbruik van bedrijven en instellingen per jaar, temperatuurgecorrigeerd. |
|
Aantal aardgasvrije gebouwen |
Aantal aardgasvrije gebouwen |
Verblijfs-object |
Totaal aantal aardgasvrije woningen, gecompenseerd voor aardgasvrije nieuwbouw. |
|
Energiebesparing |
Aantal gebouwen met energielabel B of beter |
Verblijfs-object |
Totaal aantal woningequivalenten met een vastgesteld energielabel B of beter, gecompenseerd voor nieuwbouw en gebouwen die nog geen label hebben maar vermoedelijk wel al goed geïsoleerd zijn. |
|
Lokaal eigenaarschap en betrokkenheid |
Aantal dorpen en wijken met een lokaal initiatief |
Dorp of wijk |
Aantal dorpen en wijken waarin tenminste één lokaal bewoners- of ondernemersinitiatief actief is rondom duurzame warmte of energiebesparing. |
|
Voortgang Actielijn 1 |
Voortgang uitvoeringsplannen |
Per buurt |
Voortgang van het ontwikkelen en uitvoeren van de uitvoeringsplannen per buurt. |
|
Voortgang Actielijn 2 |
Voortgang gemeentebrede ondersteuning |
Per spoor |
Voortgang van het uitwerken en uitvoeren van de verschillende sporen van de gemeentebrede ondersteuningsaanpak. |
De effecten monitoren we op basis van openbare data. Het voordeel van deze data is dat ze een goed beeld geven van de totale voortgang van de warmtetransitie in Woerden, ook buiten de activiteiten van de gemeente om. Het nadeel is dat de openbare data altijd enkele jaren achterlopen op de actualiteit. Wanneer we aan de slag zijn met de actielijnen, zijn we beter in staat om actuele data te verzamelen om de voortgang te monitoren.
We verwerken de bevindingen in een jaarlijks monitoringsverslag, dat onderdeel wordt van de jaarlijkse monitoringsrapportage voor de gemeenteraad.
7.3 Evaluatie en herijking
We bespreken de voortgang van het warmteprogramma jaarlijks op basis van het monitoringsverslag. We stellen een beknopt evaluatieverslag op dat gebundeld wordt met het monitoringsverslag.
We actualiseren dit warmteprogramma in principe na vijf jaar, in 2030. Deze actualisatie kijkt opnieuw tien jaar vooruit met de plannen, tot 2040. Voorafgaand aan de actualisatie doen we een uitgebreidere evaluatie van de resultaten van dit warmteprogramma en bepalen we welke lessen dit oplevert voor de aankomende programmaperiode.
Het kan zijn dat een tussentijds evaluatie aanleiding geeft om het warmteprogramma al eerder te actualiseren. In dat geval besluit het college van burgemeester en wethouders om een nieuw warmteprogramma vast te stellen. We bepalen op basis van de evaluatie of het om een volledige actualisatie of een wijziging van specifieke onderdelen gaat en welke stappen hiervoor nodig zijn.
Bijlage I Overzicht Informatieobjecten
- Tot 2030 geen verkenningswijk
-
/join/id/regdata/gm0632/2025/9e68e7a5f0dc48348371481dc4501d15/nld@2026‑02‑03;16483508
- Verkenningswijk 1
-
/join/id/regdata/gm0632/2025/b9766d6654c94dfb821146e97f9574fa/nld@2026‑02‑03;16483508
- Verkenningswijk 2
-
/join/id/regdata/gm0632/2025/e5e751dead114ac78f71c57dee558ce8/nld@2026‑02‑03;16483508
- Verkenningswijk 3
-
/join/id/regdata/gm0632/2025/ceba963d9c6a487996e2a761f0062485/nld@2026‑02‑03;16483508
- Verkenningswijk 4
-
/join/id/regdata/gm0632/2025/0eb54137ea1e439fb72cf7f1710c7da0/nld@2026‑02‑03;16483508
- Verkenningswijk 5
-
/join/id/regdata/gm0632/2025/3b25d46c81fc4fe5b15307ae6a286439/nld@2026‑02‑03;16483508
- Verkenningswijk 6
-
/join/id/regdata/gm0632/2025/317ec315bf7a45f3a2b4aba21c83d74c/nld@2026‑02‑03;16483508
Bijlage II Overzicht Documentenbijlagen
- Bijlage a (Feiten en Onderzoeksgegevens)
-
/join/id/regdata/gm0632/2025/8e647636471446d5bb2c7d146f335e8f/nld@2026‑02‑03;16483508
- Bijlage b (Participatieverslag)
-
/join/id/regdata/gm0632/2025/6d7ea97bf2934bb7b7e039c9c94a0f26/nld@2026‑02‑03;16483508
- Bijlage c (Evaluatie Warmtevisie)
-
/join/id/regdata/gm0632/2025/33771d41773546a7ae7ae94e0b438307/nld@2026‑02‑03;16483508
- Beoordeling: mer-(beoordelings)plicht Warmteprogramma gemeente Woerden
-
/join/id/regdata/gm0632/2026/2cbf96df54d448a79adbeeef7fa70b36/nld@2026‑02‑03;16483508
- Warmteprogramma Woerden
-
/join/id/regdata/gm0632/2026/037bd8a2893c4be3acd9af5a052b0ab8/nld@2026‑02‑03;16483508
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl