Beleidsregels Leerlingenvervoer gemeente Nieuwegein 2026

Geldend van 06-02-2026 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels Leerlingenvervoer gemeente Nieuwegein 2026

Het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein;

gelet op de Verordening Leerlingenvervoer gemeente Nieuwegein 2025

besluit vast te stellen de Beleidsregels Leerlingenvervoer gemeente Nieuwegein 2026

Artikel 1 Beleidsregels Leerlingenvervoer gemeente Nieuwegein 2026

Inleiding

Kan een kind niet zelfstandig naar school of is de school te ver weg? Dan is er misschien recht op een vorm van ondersteuning bij leerlingenvervoer. Gemeenten zijn daarvoor verantwoordelijk. Dat staat in de onderwijswetgeving en in de Verordening leerlingenvervoer van de gemeente (hierna te noemen verordening). Om duidelijk te maken hoe aanvragen voor een vorm van ondersteuning bij leerlingenvervoer worden beoordeeld volgens de verordening zijn deze beleidsregels opgesteld.

Juridisch kader

  • Verordening leerlingenvervoer gemeente Nieuwegein 2025

  • Artikel 4:81 en 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht

Algemeen

Basisboek Leerlingenvervoer (algemeen)

Bij de behandeling van aanvragen leerlingenvervoer wordt het hoofdstuk B1 ‘Uitvoering in de praktijk: Beoordelen’ van het Basisboek Leerlingenvervoer, uitgegeven door SDU Uitgevers, gevolgd voor zover de inhoud niet in tegenspraak is met de verordening en de onderhavige beleidsregels.

Aanspraak op een vorm van ondersteuning bij leerlingenvervoer

Aanvraagprocedure van de vervoersvoorziening (hoofdstuk 2 Verordening)

1.1 Leerling met een beperking (artikel 1 Verordening)

Bij een leerling met een beperking moet de beperking qua vervoer:

  • a.

    Structureel van aard zijn, langer dan 6 maanden duren en niet met medicijnen te verbeteren zijn;

  • b.

    Invloed hebben op het dagelijks functioneren van de leerling;

  • c.

    Het college betrekt bij twijfel een onafhankelijk deskundige bij het onderzoek en verzoekt deze advies uit te brengen, ter beoordeling van de specifieke situatie, op het moment dat specifieke deskundigheid noodzakelijk acht.

1.2 De woning (artikel 1 Verordening)

Een leerling kan twee woningen in de zin van de verordening hebben, bijvoorbeeld in geval van co-ouderschap. Wanneer een leerling twee woningen in de zin van de verordening heeft, moeten er indien nodig ook twee aanvragen voor een vorm van ondersteuning bij leerlingenvervoer worden ingediend; voor elke woning naar school en visa versa voor de dagen dat de leerling daar verblijft. Wanneer de tweede woning zich in een andere gemeente bevindt, moet bij die gemeente het leerlingenvervoer van en naar de tweede woning worden aangevraagd. Elke gemeente toetst de aanvraag aan zijn eigen verordening.

1.3 Aanvraagprocedure van de vervoersvoorziening – Verwerkingstijd aanvraag (artikel 2 Verordening)

Voor een nieuw schooljaar wordt op de website van de gemeente aangegeven vanaf wanneer aanvragen kunnen worden ingediend. Voor aanvragen die minder dan 8 weken voor de start van het nieuwe schooljaar worden ingediend bestaat er geen garantie dat het vervoer direct bij aanvang van het nieuwe schooljaar is geregeld.

1.4 Uitbetaling vergoeding (artikel 7 Verordening)

De aan aanvrager toegekende vergoeding voor het gebruik van openbaar vervoer wordt bij aanvang van het schooljaar uitbetaald, dit zijn meestal de kosten voor het abonnement voor de route en het aantal dagen. De vergoeding voor Eigen Vervoer wordt als deze meer bedraagt dan € 1.000, - in twee of meer termijnen uitbetaald. Voor beide type vergoedingen geldt dat de vergoeding na afloop van het schooljaar definitief wordt vastgesteld en indien nodig verrekening plaatsvindt.

Beoordelingscriteria (hoofdstuk 3 Verordening)

2.1 Begeleiding in het (openbaar) vervoer of bij het fietsen (artikel 8 Verordening)

We hanteren het uitgangspunt dat het begeleiden van een leerling tijdens het vervoer, primair een taak is van de ouders. Dit geldt ook als beide ouders werken. Als de leerling in een instelling woont blijven de ouders en de instelling verantwoordelijk voor de zorg en de daarmee samenhangende begeleiding van de leerling naar school en terug.

Als het niet mogelijk is dat ouders zelf de begeleiding uitvoeren, zorgen zij zelf voor een oplossing. Als ouders en de instelling er zelf niet in slagen de begeleiding te leveren, kunnen zij daarvoor bijvoorbeeld een oppas, buren, familie of vrijwilligers inschakelen.

Het enkele feit dat ouders beiden werken is, zonder bijkomende omstandigheden die een belemmering zijn om zelf te begeleiden of anderen namens hen te laten begeleiden, geen reden om aangepast vervoer toe te kennen.

We kunnen een uitzondering maken op dit uitgangspunt als sprake is van een ernstige benadeling van het gezin waardoor begeleiding van de leerling niet meer van ouders kan worden gevergd. Het is aan de ouder(s) om aan te tonen dat volgens hen aan de voorwaarden voor ernstige benadeling wordt voldaan. Voor de punten hieronder geldt in een situatie van een alleenstaande ouder: waar beide ouders betrokken zijn bij de opvoeding, wordt van beide ouders verantwoordelijkheid verwacht.

Van ernstige benadeling is in ieder geval sprake in de volgende situaties:

  • a.

    een alleenstaande ouder waarbinnen het gezin, er meerdere kinderen zijn van 10 jaar of jonger die gebracht moeten worden naar school door de ouder. Deze leerlingen hebben aantoonbaar begeleiding nodig naar school, wat aantoonbaar niet verenigbaar is met de begeleiding in het (openbaar) vervoer of bij het fietsen van de leerling die in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening;

  • b.

    een éénouder-gezin of een alleenstaande ouder waarbij er tenminste twee andere kinderen in het gezin zijn die jonger zijn dan vier jaar, en de ouders aannemelijk hebben gemaakt er niet in te slagen de begeleiding van deze kinderen gedurende het naar school brengen/van school halen te regelen;

  • c.

    een éénouder-gezin of een alleenstaande ouder waarbij ten gevolge van een aantoonbare medische reden begeleiding tijdens het vervoersmoment onmogelijk is;

  • d.

    een éénouder-gezin of een alleenstaande ouder die een scholings- of arbeidsverplichting heeft op basis van de Participatiewet op de vervoersmomenten van de leerling;

  • e.

    een éénouder-gezin of een alleenstaande ouder heeft een arbeidsovereenkomst welke in redelijkheid geen mogelijkheid biedt om in de werktijden rekening te houden met de schooltijden van de leerling. Een ondertekende verklaring van de werkgever waarin de werktijden vermeld staan met onderbouwing dat het gezien de aard van het werk niet mogelijk is rekening te houden met de schooltijden;

  • f.

    Het reizen per openbaar vervoer kost de begeleider meer dan 6 uur reistijd per dag voor leerlingen van het basisonderwijs en meer dan 3 uur reistijd per dag voor leerlingen van het speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs en voortgezet (speciaal) onderwijs.

2.2 Het vaststellen van de afstand (artikel 9 Verordening)

Voor het vaststellen van de afstand tussen de woning en de school wordt gebruik gemaakt van de ANWB-routeplanner per auto. De kortste voldoende begaanbare en veilige weg wordt gemeten van huisnummer naar huisnummer voor zowel de heen- als de terugreis. Hierbij kunnen zich de volgende situaties voordoen die bepalen of er wel of geen aanspraak op een vorm van ondersteuning bij leerlingenvervoer bestaat.

Terug: afstand is ≥ 6 km

Terug: afstand is < 6 km

Heen: afstand is 6 km

Aanspraak op een vorm van ondersteuning bij leerlingenvervoer

voor zowel de heen- als de terugreis

Aanspraak op een vorm van ondersteuning bij leerlingenvervoer als de gemiddelde afstand ≥ 6 km

Anders alleen aanspraak op een vorm van ondersteuning bij leerlingenvervoer voor de heenreis

Heen: afstand is < 6 km

Aanspraak op een vorm van ondersteuning bij leerlingenvervoer als de gemiddelde afstand ≥ 6 km is

Anders alleen aanspraak op een vorm van ondersteuning bij leerlingenvervoer voor de terugreis

Geen aanspraak op een vorm van ondersteuning bij leerlingenvervoer

2.3 Wachtlijst bij dichtstbijzijnde toegankelijke school (artikel 12 Verordening)

Als de dichtstbijzijnde school niet toegankelijk is voor een leerling omdat er een wachtlijst is, wordt een vervoersvoorziening toegekend naar de eerstvolgende dichtstbijzijnde toegankelijke school. De aanspraak op een vervoersvoorziening naar deze verder weg gelegen school blijft bestaan zolang de leerling deze school bezoekt.

Als de leerling later alsnog wisselt naar de dichterbij gelegen school, onderzoeken we of de leerling voor het vervoer naar de dichterbij gelegen school nog steeds in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening of vergoeding.

2.4 Vervoersvoorziening voor leerlingen met een specifieke onderwijskundige behoefte (artikel 12 Verordening)

Als een leerling met een specifieke onderwijskundige behoefte in aanmerking wil komen voor een vervoersvoorziening naar een (tijdelijke) onderwijsvoorziening, moet de aanvrager de toeleidingsroute van het samenwerkingsverband hebben gevolgd.

2.5 Vervoersvoorziening naar stageadres (artikel 16 Verordening)

Is de stage een onderdeel van het onderwijsprogramma zoals beschreven in de schoolgids en krijgt de leerling dagelijks leerlingenvervoer naar de school, dan bestaat ook aanspraak op leerlingenvervoer naar het stageadres mits voldaan wordt aan de overige eisen van de verordening. Omdat de stage een voorbereiding is op deelname aan de maatschappij gaan wij hierbij uit van zoveel mogelijk zelfredzaamheid van de leerling. Het uitgangspunt daarbij is bekostiging van openbaar vervoer. Daarnaast verwachten wij van de school dat bij de keuze voor een stagebedrijf de bereikbaarheid met openbaar vervoer betrokken wordt. Is de leerling vanwege zijn structurele beperking niet in staat om met het openbaar vervoer naar zijn stage te gaan, dan wordt aangepast taxivervoer ingezet.

Er wordt verwacht dat gezocht wordt naar een stageadres binnen een straal van 10 kilometer van de woning, of van de school. Wanneer er geen stageadres gevonden kan worden in de omgeving van de woning of van de school, moet de school voldoende motiveren waarom van deze regel afgeweken moet worden. De motivering moet specifiek op de betreffende leerling geschreven zijn.

Aangepast vervoer naar stageadressen vindt plaats tijdens schooldagen en binnen de schooltijden. We gaan er van uit dat bij stages, ook voor een niet- arbeidsgericht uitstroomprofiel, ouders, school en de stageplek eerst bespreken of er andere mogelijkheden van vervoer zijn dan het (aangepast) leerlingenvervoer. Als de stageplek vervoer biedt is dat voorliggend op het leerlingenvervoer. Als de leerling geen leerlingenvervoer krijgt voor vervoer naar school, bestaat er ook geen recht op vervoer naar een stageadres.

2.6 Een tweede adres waar de leerling na schooltijd verblijft (artikel 17 Verordening)

Het vervoer van school naar een opvangadres is een dienst die alleen geboden wordt aan aanvragers aan wie een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer is toegekend. De volgende voorwaarden zijn van toepassing:

  • Naast het woonadres mag één opvangadres worden opgegeven;

  • Het opvangadres betreft het adres van een buitenschoolse opvang, gastouder, opa/oma, buurman/-vrouw waar de leerling in aansluiting op de eindtijd van school zoals vermeld in de schoolgids opgevangen wordt op een vaste dag of op vaste dagen in de week;

  • Het opvangadres moet in alle redelijkheid bereikbaar zijn: liggen binnen de gemeentegrens van Nieuwegein en ingepast kunnen worden in een route of liggen op de route van het aangepast vervoer, zodat niet of in geringe mate (maximaal 5 minuten) hoeft te worden omgereden;

  • Een volwassene op het opvangadres zorgt ervoor dat een zorgvuldige en snelle overdracht van de leerling door de chauffeur bij het vervoer mogelijk is. De chauffeur zorgt voor een warme overdracht naar de ouder/verzorger, nadat de leerling is overgedragen aan deze persoon is de gemeente is niet meer verantwoordelijk;

  • Het vervoer tussen het opvangadres en het woonadres wordt niet verzorgd.

2.7 Proefdraaien met zelfstandiger reizen (artikel 18 Verordening)

Als een leerling met een vervoersvoorziening proefdraait met een meer zelfstandige vorm van vervoer, dan blijft het recht op de eerdere vervoersvoorziening bestaan als blijkt dat de proef niet slaagt.

Als de eerdere vervoersvoorziening een toekenning is voor het aangepast vervoer, dan moeten ouders tijdens de proef zorgen voor het op tijd afmelden van de leerling bij de vervoerder van het aangepast vervoer. Dat betekent dat de leerling uiterlijk om 17.00 uur van de dag voorafgaand aan de vervoersdag afgemeld moet zijn bij de vervoerder.

Tijdens het proefdraaien met een meer zelfstandige vorm van vervoer, vergoeden we deze vorm van vervoer op declaratiebasis.

2.8 Vervoersvergoeding voor het openbaar vervoer (artikel 19 en 20 Verordening)

  • a.

    De kosten van het openbaar vervoer worden berekend op basis van de door de Reisinformatiegroep bv beschikbaar gestelde informatie via 0900-9292, www.9292ov.nl en mobiel.9292ov.nl en de informatie die wordt verstrekt op de websites van het openbaarvervoerbedrijf. Hierbij wordt rekening gehouden met eventuele kortingen waarvoor de leerling en eventuele begeleider in aanmerking komen.

  • b.

    Wanneer aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening in de vorm van openbaar vervoer met begeleiding en het college op verzoek van de aanvrager een vervoersvoorziening in de vorm van eigen vervoer toekent, bekostigt het college een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer. Het betreft hier enkel de kosten van het openbaar vervoer van de leerling en niet ook de kosten van het openbaar vervoer van diens begeleider.

2.9 Reistijd in het openbaar vervoer (artikel 22 Verordening)

Een leerling maakt aanspraak op het aangepast vervoer wanneer de reistijd met het openbaar vervoer minimaal anderhalf uur duurt en dit door inzet van aangepast vervoer met 50% of meer kan worden teruggebracht. Dit betekent niet dat de totale reistijd met het aangepast vervoer daadwerkelijk tot 50% of minder moet worden teruggebracht.

Het vaststellen van de reistijd per openbaar vervoer vindt plaats op basis van de door de Reisinformatiegroep bv beschikbaar gestelde informatie via 0900-9292, www.9292ov.nl en mobiel.9292ov.nl. Voor het vaststellen van de reistijd per aangepast vervoer, wordt de vervoerder geraadpleegd.

2.10 Kleinschalig aangepast vervoer (artikel 22 Verordening)

Bij toekenning van aangepast vervoer is groepsvervoer de standaard. Slechts in uitzonderlijke gevallen kunnen leerlingen om medische of psychosociale redenen met een gelimiteerd aantal leerlingen of individueel vervoerd worden. Voor die gevallen beoordelen we of vervoer in kleinere groepen of individueel vervoer noodzakelijk is. Als er twijfel bestaat over de noodzaak tot individueel vervoer, kan het college een onafhankelijk onderzoek aanvragen. We toetsen de indicatie voor kleinschalig vervoer jaarlijks of minimaal een keer per jaar.

3. Onaanvaardbaar gedrag in het aangepast vervoer (artikel 27 Verordening)

In het aangepast vervoer kan er sprake zijn van gedrag van een leerling dat een bedreigende, hinderlijke of gevaarlijke situatie veroorzaakt voor zichzelf, andere leerlingen of de chauffeur. Denk bijvoorbeeld aan fysiek geweld zoals slaan, stompen, schoppen, bijten of het gooien met voorwerpen richting personen of schade aanbrengen aan het voertuig. Wanneer een dergelijke situatie zich voor doet, handelt de gemeente op een eenduidige wijze. Daarmee kunnen escalaties in het aangepast vervoer worden voorkomen.

Het gevolg van onaanvaardbaar gedrag binnen het aangepast vervoer:

  • Een mondelinge waarschuwing vanuit de vervoerder;

  • Een schriftelijke waarschuwing vanuit de gemeente;

  • Tijdelijke schorsing;

  • Schorsing tot het einde van het schooljaar;

  • Beëindiging van de aanspraak op de vervoersvoorziening.

  • Een maatregel kan direct worden getroffen wanneer per direct de veiligheid van de leerling, de passagiers, de eventuele begeleider en/of de chauffeur in het gedrang is. Wanneer een maatregel wordt getroffen, wordt dit altijd schriftelijk naar de aanvrager van het leerlingenvervoer gecommuniceerd of bevestigd.

Schorsing

Het schorsen van een leerling van het aangepast vervoer vindt plaats wanneer de veiligheid van de leerling, de eventuele begeleider, de passagiers en/of de chauffeur in gedrang is of het gedrag van de leerling niet verbetert of zich herhaalt of escaleert. Een schorsing betreft een periode van een paar dagen tot bij ernstige misdragingen voor de rest van het schooljaar. De duur van de schorsing hangt af van de ernst van de misdraging(en) en de herhaling of escalatie van de misdraging(en) en het zicht op een oplossing. Hierin wordt van ouders/verzorgers een actieve bijdrage verwacht.

De leerling is tijdens een schorsing verplicht naar school te gaan, de ouder/verzorger wordt daarvoor verantwoordelijk gehouden. Hiervoor kan geen aanspraak worden gemaakt op een andere vervoersvoorziening op grond van de verordening, bijvoorbeeld een vervoersvoorziening in de vorm van eigen vervoer.

Beëindiging van de aanspraak op de vervoersvoorziening

In het geval dat het ontoelaatbare gedrag van de leerling niet positief verandert, ook niet na schorsing en/of vernieuwde afspraken als uitkomst van een of meerdere vervolggesprekken tussen de genoemde partijen, kan de gemeente besluiten het aangepaste vervoer voor deze leerling te beëindigen. Ouder blijft wel verantwoordelijk dat de leerling onderwijs bijwoont.

Artikel 2 slotbepalingen

  • 1. De Beleidsregels Leerlingenvervoer gemeente Nieuwegein 2019 vastgesteld op 5 maart 2019 worden ingetrokken.

  • 2. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.

  • 3. Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels Leerlingenvervoer gemeente Nieuwegein 2026.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van 27 januari 2026

Ellie Liebregts

secretaris

Marijke van Beukering-Huijbregts

burgemeester