Coördinatieverordening Omgevingsrecht Maastricht 2025

Geldend van 06-02-2026 t/m heden

Intitulé

Coördinatieverordening Omgevingsrecht Maastricht 2025

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder:

  • a.

    Aanvrager: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een aanvraag om een omgevingsvergunning heeft ingediend;

  • b.

    Coördinatiebesluit: coördinatiebesluit als bedoeld in artikel 3:20 onder b van de Algemene wet bestuursrecht;

  • c.

    Coördineren: het gelijktijdig en in samenhang voorbereiden en bekendmaken van besluiten in één gezamenlijke procedure volgens de coördinatieregeling van afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht;

  • d.

    Coördinerend orgaan: het college van burgemeester en wethouders;

  • e.

    Omgevingsplan: een omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 Omgevingswet;

  • f.

    Omgevingsvergunning: een vergunning als bedoeld in Afdeling 5.1 van de Omgevingswet;

  • g.

    Omgevingswaarde: omgevingswaarde als bedoeld in artikel 2.9 van de Omgevingswet;

  • h.

    Programma: programma als bedoeld in artikel 3.4 van de Omgevingswet;

  • i.

    Wet: indien in deze verordening wordt verwezen naar een wet betreft dit de wet zoals deze luidt op het moment van inwerkingtreding van deze verordening of betreft dit de rechtsopvolger voor zover die een vergelijkbare bepaling bevat.

Artikel 2. Reikwijdte van de verordening

  • a.

    Deze verordening, gebaseerd op artikel 3:20 onderdeel a van de Algemene wet bestuursrecht, is van toepassing op het coördineren van de voorbereiding en bekendmaking van een besluit om een omgevingsplan vast te stellen, te wijzigen of niet te wijzigen (weigering aanvraag) met het besluit over één of meer daarmee samenhangende omgevingsvergunningenaanvragen, omgevingswaarden of programma’s, voor zover het college daar op grond van artikel 3 van deze verordening toe besluit;

  • b.

    Besluiten waarvoor het college van Gedeputeerde Staten en/of de Minister het bevoegd gezag is, vallen buiten de reikwijdte van deze verordening.

Artikel 3. Gevallen waarin besluiten worden gecoördineerd

In de volgende gevallen en onder de volgende condities kan het college van burgemeester en wethouders besluiten gecoördineerd voorbereiden:

  • a.

    het besluit over een omgevingsplan en over één omgevingsvergunningaanvraag maken tenminste deel uit van de te coördineren besluiten en

  • b.

    een ander besluit, dat bij de coördinatie wordt betrokken, houdt verband met het omgevingsplan als bedoeld onder a en

  • c.

    door of namens het college van burgemeester en wethouders is vastgesteld dat de besluiten gecoördineerd kunnen worden voorbereid en

  • d.

    door of namens het college van burgemeester en wethouders is vastgesteld dat zich geen belemmering als bedoeld in artikel 4 voordoet en

  • e.

    de aanvrager heeft verzocht om een wijziging van het omgevingsplan en zich schriftelijk akkoord heeft verklaard met de gecoördineerde voorbereiding en met de procedureregeling in artikel 5

Artikel 4. Gevallen waarin geen coördinatie op grond van deze verordening plaatsvindt

  • a.

    Het college kan besluiten geheel of gedeeltelijk van gecoördineerde behandeling af te zien indien:

    • 1.

      De omvang of complexiteit van de besluitvorming coördinatie belemmert en/of;

    • 2.

      De aanvraag niet volledig is en de aanvrager niet binnen de door gemeente gesteld termijn de ontbrekende stukken heeft ingediend;

  • b.

    In de volgende gevallen is een gecoördineerde voorbereiding op grond van deze verordening niet mogelijk:

    • 1.

      er moet op grond van artikel 16.43 van de Omgevingswet een milieueffectrapport worden opgesteld en het betreft geen deelproject van een grotere ontwikkeling waarvoor al een milieueffectrapport is opgesteld;

    • 2.

      indien geen overeenkomst in de zin van artikel 13.13 van de Omgevingswet is aangegaan ter zake van het project of de projecten waarop de besluiten betrekking hebben, en in het besluit over de vaststelling van het omgevingsplan of de wijziging daarvan, dan wel in de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 13.14 lid 3 onder a van de Omgevingswet, regels zijn opgenomen over kostenverhaal als bedoeld in afdeling 13.6 of 13.7 van de Omgevingswet.

    • 3.

      indien het verhaal van schade (nadeelcompensatie) niet verzekerd is door middel van een overeenkomst als bedoeld in artikel 13.3c van de Omgevingswet, tenzij het coördinerend orgaan heeft geoordeeld dat mogelijke schade niet voor rekening van aanvrager komt.

Artikel 5. Procedureregeling of schriftelijke vastlegging

  • a.

    Op de voorbereiding van besluiten als bedoeld in deze verordening is afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat artikel 3:28 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is op besluiten waartegen geen beroep kan worden ingesteld.

  • b.

    Alvorens wordt besloten om besluiten gecoördineerd voor te bereiden als bedoeld in artikel 3:20 onder b Algemene wet bestuursrecht, wordt vooroverleg gepleegd met de aanvrager, waarin afspraken worden gemaakt over de in te dienen stukken en welke besluiten gecoördineerd worden voorbereid. Deze afspraken worden schriftelijk vastgelegd ten behoeve van een goede uitvoering van de coördinatieregeling.

  • c.

    De procedureregeling of schriftelijke vastlegging van afspraken geeft in ieder geval aan binnen welke periode aanvragen ingediend moeten worden om voor coördinatie in aanmerking te kunnen komen en de procedureregeling of schriftelijke vastlegging kan bepalen hoe het college van burgemeester en wethouders toepassing geeft aan afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht

  • d.

    Het college van burgemeester en wethouders is het aangewezen coördinerend orgaan als bedoeld in artikel 3.21 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 6 Verzoek tot beëindiging

  • a.

    De aanvrager kan bij het college een verzoek indienen om geheel of gedeeltelijk van een verdere gecoördineerde behandeling af te zien.

  • b.

    Het college beslist binnen vier weken op het in lid 1 bedoeld verzoek.

  • c.

    Indien het college beslist dat behandeling van een besluit buiten de gecoördineerde behandeling mogelijk is, wordt de aanvraag behandeld overeenkomstig de geldende wet-en regelgeving voor de behandeling van deze aanvraag.

Artikel 7 Beëindiging door bevoegd gezag

  • a.

    Het college kan de gecoördineerde behandeling op eigen initiatief geheel of gedeeltelijk beëindigen indien een meer uitgebreide behandeling van een aanvraag is vereist en dit zich verzet tegen de voortgang van de gecoördineerde behandeling van de andere aanvragen.

  • b.

    Indien het college beslist dat een bepaalde aanvraag buiten de gecoördineerde behandeling wordt gelaten, wordt deze aanvraag behandeld overeenkomstig de geldende wet-en regelgeving voor de behandeling van deze aanvraag.

Artikel 8. Inwerkingtreding

Deze verordening treedt de dag na de dag van bekendmaking in werking.

Artikel 9. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Coördinatieverordening Omgevingsrecht Maastricht 2025.

Ondertekening

Aldus besloten door de raad der gemeente Maastricht in zijn openbare vergadering van 27 januari 2026

De Griffier,

P. Peeters

De Voorzitter,

W.A.G. Hillenaar

Toelichting Coördinatieverordening Omgevingsrecht Maastricht 2025

Hoofdstuk 1: Algemene toelichting

Inleiding

Ondanks de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is het nodig om bepaalde besluiten te coördineren ten behoeve van de efficiency in de besluitvorming. De Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat een procedure die tot doel heeft de kwaliteit (procedureel en inhoudelijk) en snelheid van de besluitvorming te bevorderen, namelijk de “coördinatieregeling”.

De coördinatieregeling maakt het mogelijk dat diverse procedures gezamenlijk worden doorlopen. Hiermee vindt er efficiency plaats binnen het besluitvormingsproces, zowel door het tempo dat met de coördinatieregeling gemaakt kan worden, als door duidelijkheid die het in samenhang afhandelen van verschillende procedures met zich meebrengt. Dit zorgt voor een betere dienstverlening.

Wettelijk kader

Afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gaat over de coördinatie van de behandeling van samenhangende besluiten. Het regelt één uniforme procedure voor de voorbereiding, totstandkoming en rechtsbescherming (bezwaar en beroep) van besluiten. Daarmee is de samenhang tussen te nemen besluiten maximaal zichtbaar en wordt de door de wet beoogde vereenvoudiging van procedures bewerkstelligd, zodat de dienstverlening aan de vergunningaanvrager geoptimaliseerd kan worden. De efficiënte procedure van de coördinatieregeling zorgt ook voor lagere procedurekosten en minder bestuurlijke lasten.

Artikel 3:20 Awb luidt als volgt:

Deze afdeling is van toepassing op besluiten ten aanzien waarvan dat is bepaald:

  • 1.

    bij wettelijk voorschrift; of

  • 2.

    bij besluit van de tot het nemen van die besluiten bevoegde bestuursorganen (coördinatiebesluit).

De nieuwe coördinatieregeling is gebaseerd op afdeling 3.5 Awb.

De coördinatieregeling is niet beperkt tot een bepaald type besluiten. Zij kan van toepassing zijn op alle soorten omgevingsrechtelijke besluiten. Dus op beschikkingen, maar ook bijvoorbeeld op algemeen verbindende voorschriften (algemene regels). Ook is toepassing op een combinatie van beide mogelijk. Er moet wel altijd sprake zijn van besluiten die met elkaar samenhangen. Onder de Omgevingswet is het bevoegd gezag in sommige gevallen verplicht de coördinatieregeling van afdeling 3.5 Awb toe te passen. Dit is vastgelegd in artikel 16.7 van de Omgevingswet. Kort samengevat gaat het om wateractiviteiten en besluiten ter uitvoering van hoofd infrastructurele projecten en primaire waterkeringen.

In andere gevallen kan het bevoegd gezag er vrijwillig voor kiezen de coördinatieregeling toe te passen. De coördinatieregeling kan in dat geval in een apart besluit (een zogeheten coördinatiebesluit) van toepassing worden verklaard.

Het wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 3:20 eerste lid Awb, waarbij de coördinatieregeling van toepassing wordt verklaard, hoeft niet van het rijk afkomstig te zijn. Ook de gemeenteraad kan een coördinatieverordening vaststellen Door in een gemeentelijke verordening aan te geven wanneer toepassing van de coördinatieregeling wenselijk wordt geacht, is niet steeds opnieuw een afzonderlijk coördinatiebesluit nodig.

Wat houdt de wettelijke coördinatieregeling in?

Met het coördineren beoogt de wetgever dat besluiten, die met elkaar samenhangen, bijvoorbeeld een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning voor de (technische) bouwactiviteit, de sloopactiviteit en een wijziging van het omgevingsplan nodig zijn, in één procedure worden voorbereid. De procedures voor de vergunningen en voor het wijzigen van het omgevingsplan worden dus gecombineerd tot één procedure.

Alle besluiten worden via dezelfde voorbereidingsprocedure voorbereid (artikel 3:26 Awb). Indien afdeling 3.4 Awb – de uniforme openbare voorbereidingsprocedure – van toepassing is op één van de besluiten, is die van toepassing op alle besluiten. Is dat niet zo, dan geldt de reguliere voorbereidingsprocedure.

Tegen de besluiten, die na die gecoördineerde voorbereidingsprocedure worden genomen, kan bezwaar of beroep ingesteld worden, maar, anders dan bij het separaat afgeven van de vergunningen, gebeurt de afhandeling van bezwaren/beroepen tegen onderdelen van het bundeltje besluiten in één keer. De afzonderlijke besluiten worden beschouwd als één besluit.

Tegen alle besluiten staat bij dezelfde instantie beroep en hoger beroep open (artikel 3:29 Awb). Indien tegen één of meer besluiten beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank, staat tegen alle besluiten beroep open bij de rechtbank.

Wanneer tegen een of meer besluiten rechtstreeks beroep openstaat bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) staat tegen alle besluiten beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Het vaststellingsbesluit over een omgevingsplan is te allen tijde één van de te coördineren besluiten . De omgevingsplanprocedure (ontwerp 6 weken ter inzage, mogelijkheid om zienswijzen in te dienen, rechtstreeks beroep bij de ABRS) is daarmee ook van toepassing op de besluiten die met het omgevingsplan gecoördineerd worden voorbereid.

Als de coördinatieregeling niet wordt toegepast kan een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit pas verleend worden als het omgevingsplan in werking is getreden. Ter illustratie: er is één bouwplan, maar er wordt van alle bezwaar-, beroeps- en hoger beroepsprocedures gebruik gemaakt. Dat betekent - in het slechtste geval - 2 keer bezwaar, 1 keer naar de rechtbank en 2 keer naar de ABRS, waarbij de schorsingsverzoeken en nieuwe beslissingen op bezwaar niet meegeteld zijn. Bij een gecoördineerd voorbereid besluit, is er maar één procedure, namelijk het beroep bij de ABRS eventueel met een verzoek om voorlopige voorziening.

Een tweede belangrijke voordeel van de gecoördineerd voorbereide besluiten is, dat de samenhang tussen de te nemen besluiten voor iedereen duidelijk is. Het vervallen van de mogelijkheden om bezwaar te maken en beroep bij de Rechtbank in te stellen kan risico's met zich meebrengen, omdat een negatieve uitspraak over één van de besluiten gevolg kan hebben voor daarmee samenhangende besluiten. In het geval van een negatieve uitspraak over het omgevingsplan zal bijvoorbeeld ook het besluit om een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen vernietigd worden.

Samenvattend: vergunningverlening via de coördinatieregeling is gunstig, want het gaat sneller door het eenvoudige beroep en er is meer duidelijkheid over de samenhang tussen de genomen besluiten.

Welke gevallen lenen zich voor coördinatie?

De wet geeft geen beperkingen aan de omvang van projecten. De coördinatieverordening kan wel beperkingen bevatten, maar dat hoeft niet. Een aanvrager zal bij grote projecten vaak zekerheid willen hebben over de planologische inpassing in een omgevingsplan, voordat er kosten gemaakt worden om bouwtekeningen te maken en daardoor juist liever geen gebruik willen maken van de coördinatieregeling. Een andere ontwikkelende partij wil juist liever wel toepassing van de coördinatieregeling om ook sneller een einduitspraak van de rechter te krijgen omtrent de voor hem voorgestane ontwikkeling.

De voorliggende coördinatieverordening beperkt zich tot die gevallen waarin de wijziging van het omgevingsplan nodig is. Om de uitvoering van de coördinatieregeling niet te ingewikkeld te maken, bepaalt de verordening dat de voorbereiding niet gecoördineerd mag worden als er complicerende factoren een rol spelen. Daarnaast worden alleen besluiten gecoördineerd waarover financieel overeenstemming is tussen de gemeente en de aanvrager.

De gevolgen voor het gemeentebestuur

Met het vaststellen van de verordening wordt voorkomen, dat de gemeenteraad dan wel het college belast wordt met afzonderlijke besluiten over de toepassing van de coördinatieregeling. Met toepassing van de regeling blijft de gemeenteraad bevoegd over de ruimtelijke ontwikkeling, omdat de procedure van het wijzigen van het omgevingsplan leidend is en daarvoor is en blijft de gemeenteraad vrijwel altijd het bevoegde bestuursorgaan, behalve in gevallen waarin de bevoegdheid tot het vaststellen van het omgevingsplan is gedelegeerd aan het college. Is er sprake van alleen uitvoeringsbesluiten waarvoor het college bevoegd is, dan ligt de besluitvorming al buiten de raad en is het ook aan het college om te bepalen welke procedure gevolgd wordt.

De gevolgen voor de aanvrager

De snelle, overzichtelijke, besluitvorming is doelmatig en efficiënt voor de burger, zowel voor de initiatiefnemer als voor een eventuele reclamant. De samenhang tussen de besluiten is heel inzichtelijk en het eindoordeel is snel binnen bereik. De kosten in geval van gecoördineerde besluiten zullen daarom lager zijn, doordat er minder bestuursadviezen nodig zijn en minder bezwaar- en beroepsprocedures.

De gemeente moet, voordat de coördinatieregeling wordt toegepast, met de aanvrager bespreken of coördinatie gunstig is. De aanvrager is in geen geval verplicht tot coördinatie.

De noodzaak om een Coördinatieverordening vast te stellen

De coördinatieregeling mag alleen toegepast worden als dit bij wettelijk voorschrift is bepaald of als de bevoegde bestuursorganen hiertoe een coördinatiebesluit hebben genomen. Van een wettelijke voorschrift is ook sprake wanneer de gemeenteraad een coördinatieverordening heeft vastgesteld. Zonder coördinatieverordening kan de coördinatieregeling dus alleen gebruikt worden als de gemeenteraad of het college daar per geval een besluit over neemt. Dat is natuurlijk mogelijk, maar dat zou betekenen dat de bestuursorganen extra belast worden en dat de procedure met enige maanden vertraging start, terwijl de coördinatieregeling nu juist bedoeld is om tempo te kunnen maken.

Relatie met milieuwetgeving

De gecoördineerde voorbereiding van besluiten bevat altijd een wijziging van het omgevingsplan. Daarmee is gegarandeerd dat de nodige milieuwetten worden nageleefd. Deze plannen moet immers onderbouwd worden met de uitkomsten van onderzoeken naar bijvoorbeeld de luchtkwaliteit, de externe veiligheid, de ecologische (hoofd-)structuur, het geluid, etc.

Hoofstuk 2: Artikelsgewijze toelichting

Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven, worden hieronder nader behandeld.

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In artikel 1 worden de belangrijkste begrippen beschreven. Onder het begrip ‘aanvrager’ wordt ook een bevoegd gezag verstaan die een aanvraag om een omgevingsvergunning kan indienen. Dit bevoegd gezag kan bijvoorbeeld het college van burgemeester en wethouders van de eigen gemeente zijn. Ook in dit geval kan een gecoördineerde procedure worden toegepast.

Artikel 2. Reikwijdte van de verordening

Artikel 2 geeft de ruime reikwijdte van de verordening aan. De coördinatieregeling is van toepassing op het coördineren van de voorbereiding en bekendmaking van een wijziging van het omgevingsplan in samenhang met een besluit omtrent de verlening van een of meer daarmee samenhangende omgevingsvergunningen, omgevingswaarden of programma’s. Daarbij kunnen vergunningen die een relatie hebben met het omgevingsplan ook betrokken worden bij de coördinatie. Dat kunnen omgevingsvergunningen zijn voor het bouwen van een bouwwerk of vergunningen op basis van bijzondere wetten of op basis van gemeentelijke verordeningen. Maar dit kunnen ook afwijkingen, ontheffingen of besluiten zijn die een relatie hebben met de omgevingsvergunning en het omgevingsplan. Deze moeten wel gericht zijn op de verwezenlijking van het beoogde ruimtelijke beleid. Besluiten over evenementen en subsidies behoren hier in ieder geval niet toe.

Uit sub b volgt dat besluiten waarvoor het college van Gedeputeerde Staten en/of de Minister het bevoegd gezag is, buiten de reikwijdte van deze verordening vallen.

Artikel 3. Gevallen waarin besluiten worden gecoördineerd

In artikel 3 wordt aangegeven in welke gevallen het wenselijk is om besluitvorming te coördineren. Elk lid wordt afgesloten met het woordje “en” om duidelijk te maken dat de coördinatieregeling alleen toegepast mag worden als aan alle voorwaarden is voldaan.

Lid a vormt de basis van de coördinatieverordening: coördinatie op grond van de coördinatieverordening is alleen mogelijk als tenminste het besluit over de wijziging van het omgevingsplan en de daarmee samenhangende omgevingsvergunning gecoördineerd moeten worden.

Dat kan anders zijn als naast de omgevingsvergunning ook nog andere vergunningen nodig zijn om het project te realiseren. Lid b houdt in dat, als aan de voorwaarde van lid a voldaan is, er meer besluiten in de gecoördineerde voorbereiding mogen meedoen.

Het college van burgemeester en wethouders is het coördinerende orgaan dat controleert of aan de wettelijke voorwaarden en aan de voorwaarden van de verordening voldaan is.

Lid c moet ruim geïnterpreteerd worden. Het gaat hier niet alleen om de vaststelling dat aan de eisen is voldaan, maar het college van burgemeester en wethouders ziet ook of aan de procedure-eisen voldaan is. Het college kan ook afzien van coördinatie.

Op grond van lid d stelt het college van burgemeester en wethouders vast of artikel 4 geen belemmering is voor het toepassen van de coördinatieregeling. Dit lid d moet beperkt uitgelegd worden: áls er een belemmering is, dan is gecoördineerde besluitvorming niet mogelijk.

Volgens lid e dient de aanvrager die heeft verzocht om een wijziging van het omgevingsplan schriftelijk akkoord te verklaren met de gecoördineerde voorbereiding en in te stemmen met de procedureregeling of andere schriftelijke regeling als bedoeld in artikel 5. Uit dit lid blijkt dat de aanvrager en de gemeente samen de coördinatieregeling moeten willen toepassen. Een aanvrager kan niet gedwongen worden om mee te werken aan een gecoördineerde besluitvorming. Dat zou namelijk inhouden dat de aanvrager gedwongen zou kunnen worden om een vergunning aan te vragen. De aanvrager kan goede redenen hebben om af te zien van coördinatie. Het kan bijvoorbeeld zo zijn dat de aanvrager eerst zeker wil weten dat de omgevingsplanwijziging doorgevoerd is, voordat hij kosten wil maken voor het maken van bouwtekeningen.

Wanneer de aanvrager een eigen bevoegd gezag betreft dan kan eveneens voor een gecoördineerde voorbereiding worden gekozen.

Artikel 4. Gevallen waarin geen coördinatie op grond van deze verordening plaatsvindt

In dit artikel staat in welke gevallen het college kan besluiten geheel of gedeeltelijk van coördinatie af te zien (sub a) en wanneer coördinatie niet mogelijk is (sub b).

Het college kan afzien van coördinatie indien de omvang of complexiteit van de besluitvorming coördinatie belemmert of indien de aanvraag niet volledig is.

Coördinatie is bij voorbaat niet mogelijk indien geen milieueffectrapport is opgesteld en dus ook niet duidelijk is welke locatievariant of welke inrichtingsvariant de voorkeur heeft. Coördinatie is ook niet mogelijk indien geen overeenkomst met de ontwikkelende partij is afgesloten en in het omgevingsplan of de omgevingsvergunning regels zijn opgenomen over kostenverhaal. Tenslotte is coördinatie niet mogelijk indien geen overeenkomst is gesloten omtrent nadeelcompensatie (voorheen planschade). Indien de aanvrager dat niet wil, dan zou het financiële risico van het wijzigen van het omgevingsplan bij de gemeente liggen. De gemeente is in beginsel niet bereid tot een dergelijk risico. Gecoördineerde besluitvorming is in zo’n geval dan ook niet wenselijk. Dit kan anders zijn wanneer de gemeente expliciet heeft besloten mogelijke nadeelcompensatie wel voor rekening te willen nemen ofwel de gemeente aanvrager is.

Artikel 5. Procedureregeling

Op de gecoördineerde procedure is Afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Hierin staat de procedure verder uitgewerkt. Aanvullend zijn in artikel 5 enkele regels opgenomen om te bevorderen dat zowel voor de aanvrager als het bevoegd gezag inzichtelijk is op welke besluiten de coördinatie betrekking heeft en binnen welk termijn de benodigde stukken door aanvrager bij het bevoegd gezag worden ingediend.

Artikel 6

In dit artikel is opgenomen dat de aanvrager desgewenst tussentijds het College kan verzoeken geheel of gedeeltelijk van coördinatie af te zien. Het is aan het College hier al dan niet aan te willen meewerken.

Artikel 7

In dit artikel is opgenomen dat ook het College van coördinatie af kan zien wanneer een uitgebreide behandeling van een aanvraag is vereist.

Artikel 8. Inwerkingtreding

De verordening wordt na vaststelling door de gemeenteraad bekendgemaakt en treedt de dag daarna in werking.

Artikel 9. Citeertitel

Uit dit artikel volgt de naamgeving van de onderhavige verordening.