Verzamelbeleidsregel Participatiewet in balans fase 1 gemeente Sluis vanaf 2026 e.v.

Geldend van 28-01-2026 t/m heden

Intitulé

Verzamelbeleidsregel Participatiewet in balans fase 1 gemeente Sluis vanaf 2026 e.v.

Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van gemeente Sluis over het op basis van de Participatiewet vrijlaten van giften in individuele gevallen, het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn, het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure en het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht (Verzamelbeleidsregel Participatiewet in Balans fase 1 gemeente Sluis vanaf januari 2026 e.v.;

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis;

gelet op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 31, tweede lid, onderdeel s, 41, elfde lid, 43a, eerste lid, en 44, vijfde lid, van de Participatiewet en de artikelen 15a, eerste lid, en 16a, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

besluit vast te stellen de volgende beleidsregel:

Verzamelbeleidsregel Participatiewet in balans fase 1 gemeente Sluis vanaf 2026 e.v.

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Definities

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis;

  • Ioaw: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

  • jongere: de belanghebbende of het gezin, bedoeld in artikel 41, vierde lid, van de Wet;

  • probleemschulden: schulden die naar het oordeel van het college in redelijkheid niet meer afgelost kunnen worden;

  • schuldregeling: een schuldregeling op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening of de Wet schuldsanering natuurlijke personen;

  • Wet: Participatiewet;

  • Wmo 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • zoektermijn: de termijn van vier weken, genoemd in artikel 41, vierde lid, van de Wet;

HOOFDSTUK 2. BELEIDSKEUZES

Artikel 2. Vrijlaten van giften in individuele gevallen

Bij de beoordeling of giften in een individueel geval en uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel s, van de Wet, beschouwt het college de volgende categorieën giften in ieder geval als verantwoord:

  • a.

    giften die worden verstrekt en ingezet voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand verstrekt had kunnen worden;

  • b.

    giften die worden verstrekt en ingezet voor medisch noodzakelijke kosten;

  • c.

    giften waarmee probleemschulden zijn betaald die zijn ontstaan voorafgaand aan de ingangsdatum van algemene bijstand;

  • d.

    giften in natura, niet zijnde een bijdrage die leidt tot een kostenbesparing als bedoeld in artikel 18, achtste lid, van de Wet, met een waarde tot maximaal € 1.200,- per kalenderjaar.

Artikel 3. Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn. De zoektermijn is op dit moment van 4 weken. Gedurende de zoektermijn dient de jongere op zoek te gaan naar werk of scholing.

Het college maakt in ieder geval gebruik van de bevoegdheid een aanvraag voor algemene bijstand voor het verstrijken van de zoektermijn in behandeling te nemen als bedoeld in artikel 41, elfde lid, van de Wet, wanneer sprake is van ten minste een van de volgende omstandigheden:

  • a.

    de jongere verblijft in een inrichting of heeft recht op opvang als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo 2015;

  • b.

    de jongere heeft uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding:

    • 1.

      in een inrichting verbleven;

    • 2.

      opvang gehad als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo 2015; of

    • 3.

      bij een pleegouder of in een gezinshuis verbleven als bedoeld in artikel 2.3, zesde lid, van de Jeugdwet.

  • c.

    voor de jongere gold uiterlijk binnen een jaar voorafgaand aan de melding een kinderbeschermingsmaatregel die werd uitgevoerd door een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 2.4, van de Jeugdwet;

  • d.

    de jongere een zorgbehoefte heeft;

  • e.

    de jongere niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen of niet met een woonadres, maar met een briefadres ingeschreven is in de basisregistratie personen;

  • f.

    de jongere heeft uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding algemene bijstand ontvangen;

  • g.

    de jongere heeft probleemschulden, of schulden die naar het oordeel van het college probleemschulden kunnen worden, als de zoektermijn wordt toegepast;

Het college maakt in ieder geval geen gebruik van de bevoegdheid een aanvraag voor algemene bijstand voor het verstrijken van de zoektermijn in behandeling te nemen, als bedoeld in artikel 41, elfde lid, van de Wet wanneer sprake is van een van de volgende omstandigheden

  • a.

    de jongere beschikt over een startkwalificatie;

  • b.

    de jongere heeft zich naar het oordeel van het college voorafgaand aan de melding onvoldoende ingespannen om arbeid te verkrijgen of te behouden;

  • c.

    de jongere beschikt over een vermogen, bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de Wet, van € 7.770,-.

Artikel 4. Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure

  • 1.

    Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om gegevens die bij hem berusten in verband met eerdere bijstandsverlening als bedoeld in artikel 43a, eerste lid, van de Wet, te gebruiken, wanneer:

    • a.

      dit gebruik leidt tot een voor de belanghebbende minder belastende aanvraag;

    • b.

      de nieuwe aanvraag is ingediend binnen maximaal twaalf maanden na het eindigen van de algemene bijstand; en,

    • c.

      de eerdere bijstandsverlening is beëindigd vanwege;

      • 1.

        werkaanvaarding;

      • 2.

        een uitsluitinggrond als bedoeld in artikel 13 van de Wet;

      • 3.

        een verblijf buiten de gemeente.

  • 2.

    Voorafgaand aan het gegevensgebruik gaat het college bij een belanghebbende ten minste na of er wijzigingen zijn in de volgende gegevens:

    • a.

      het hoofdverblijf;

    • b.

      de gezinssituatie; en

    • c.

      het inkomen en het vermogen.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraagprocedure van een uitkering, bedoeld in artikel 15a, eerste lid, van de IOAW.

Artikel 5. Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht

  • 1.

    Het college is in ieder geval van oordeel dat individuele omstandigheden ertoe noodzaken bijstand toe te kennen vanaf een dag gelegen voor de dag waarop een belanghebbende zich heeft gemeld als bedoeld in artikel 44, vijfde lid, van de Wet als:

    • a.

      er omstandigheden zijn die rechtvaardigen, dat belanghebbende zich niet eerder heeft gemeld, zoals in een van de volgende situaties het geval kan zijn;

      • 1.

        de belanghebbende was niet in staat om bijstand aan te vragen;

      • 2.

        de belanghebbende was niet op de hoogte van de mogelijkheid om bijstand aan te vragen;

      • 3.

        een aanvraag voor een passende en toereikende voorliggende voorziening is afgewezen;

      • 4.

        een eerdere bijstandsaanvraag is buiten behandeling gesteld of afgewezen omdat de aanvrager niet tijdig alle benodigde gegevens aan het college heeft verstrekt;

      • 5.

        de belanghebbende had onvoldoende zicht op de hoogte van zijn inkomen of vermogen, bijvoorbeeld als gevolg van een flexibel arbeidscontract, een echtscheiding, een erfenis of detentie;

      • 6.

        de belanghebbende heeft met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning gekregen.

    • b.

      er omstandigheden zijn die erop wijzen dat het ernstige gevolgen voor de belanghebbende heeft, als de bijstand niet wordt toegekend voorafgaand aan de melding, zoals in een van de volgende situaties het geval kan zijn;

      • 1.

        de belanghebbende heeft probleemschulden;

      • 2.

        na de melding is executoriaal beslag gelegd op de middelen van belanghebbende of is belanghebbende is failliet verklaard;

      • 3.

        na de melding is de huur van woonruimte opgezegd, de zorgverzekering geroyeerd, of gas, licht of water afgesloten.

  • 2.

    Het college kent de bijstand toe vanaf de dag waarop het recht op bijstand is ontstaan. Deze dag ligt maximaal 3maanden vóór de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de toekenning van een uitkering, bedoeld in artikel 16a, vierde lid, van de IOAW.

HOOFDSTUK 3. SLOTBEPALINGEN

Artikel 6. Evaluatie

Binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze beleidsregel onderzoekt het college de doeltreffendheid en de effecten van deze beleidsregel in de praktijk.

Artikel 7. Intrekking

De nieuwe beleidsregels Participatiewet in balans fase 1 vervangen de oude versie die wordt ingetrokken per datum vaststelling

Artikel 8. Inwerkingtreding en overgangsrecht

  • 1.

    Deze beleidsregels treden in werking op de dag nadat het collegebesluit is genomen.

  • 2.

    Besluiten die zijn genomen voor de datum waarop deze beleidsregel in werking is getreden, blijven in stand totdat daarover opnieuw wordt beslist.

Artikel 9. Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als Verzamelbeleidsregel Participatiewet in balans fase 1 Gemeente Sluis v.a 2025 e.v.

Ondertekening

Het college van burgemeester en wethouders,

de secretaris, de burgemeester

S.I. de Kievit-Minnaert mr. M.M.D. Vermue