Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR756377
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR756377/1
Besluit van de raad van de gemeente Amstelveen tot wijziging van het Treasurystatuut Amstelveen 2026
Geldend van 28-01-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026
Intitulé
Besluit van de raad van de gemeente Amstelveen tot wijziging van het Treasurystatuut Amstelveen 2026Zaaknummer: Z25-145063
De raad van de gemeente Amstelveen;
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 16 december 2025;
gelet op artikel 212 van de Gemeentewet;
besluit vast te stellen het:
Treasurystatuut Amstelveen 2026
Hoofdstuk 1 Inleiding
Wettelijk kader
Het treasurystatuut kan beschouwd worden als een nadere uitwerking van de geldende wetgeving. Bij het opstellen van dit statuut is rekening gehouden met het relevante wettelijke kader in:
- 1.
de Gemeentewet;
- 2.
de Wet financiering decentrale overheden (FIDO);
- 3.
Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden (Ruddo)
- 4.
het Besluit Begroting Verantwoording Provincies en Gemeenten (BBV) en
- 5.
de financiële verordening ex art. 212 Gemeentewet.
Onderliggende regelingen zijn:
- •
Besluit leningvoorwaarden decentrale overheden (Bldo)
- •
Uitvoeringsregeling Financiering decentrale overheden (Ufdo)
- •
Regeling schatkistbankieren decentrale overheden (Skb)
Gemeentewet
De financiële verordening Amstelveen 2025 ex. artikel 212 van de Gemeentewet regelt het raamwerk van het bestuursinstrumentarium en de inrichtingseisen van de financiële functie. Artikel 19 “financieringsfunctie” stelt de kaders voor de uitoefening van de financieringsfunctie:
- 1.
Het college zorgt voor een actueel treasurystatuut met een uitgewerkt kader voor de uitoefening van de financieringsfunctie.
- 2.
De raad stelt het treasurystatuut vast.
Dit document bevat de nadere uitwerking van artikel 19: financieringsfunctie.
Treasurystatuut Amstelveen
Het bestaande treasurystatuut dateert uit 2016.
Na invoering van het schatkistbankieren eind 2013 zijn de mogelijkheden voor de gemeente beperkt om een goed rendement te halen op tijdelijke geldoverschotten. Daarentegen is het risico nihil dat de uitgezette gelden niet worden terugbetaald. Het uitzetten van gelden is hierdoor sterk vereenvoudigd waardoor actualisatie van het treasurystatuut minder frequent nodig is Met de aanpassingen in dit document is het treasurystatuut weer up-to-date.
Ten opzichte van de mogelijkheden die de wet biedt maakt dit treasurystatuut op twee punten stringentere keuzes:
- 1.
De gemeente is zich bewust van haar publieke taakuitoefening en wenst de bancaire intermediatie van bijvoorbeeld de Bank Nederlandse Gemeenten niet over te nemen. Verzoeken vanuit andere gemeenten om geld aan hen uit te lenen worden daarom niet in overweging genomen;
- 2.
Het toegestane instrumentarium voor het aantrekken van financieringsmiddelen beperkt zich tot het aangaan van (onderhandse) geldleningen. Er wordt geen gebruik gemaakt van derivaten, ook niet voorzover de wet daarvoor nog ruimte biedt.
Hoofdstuk 2 Treasurystatuut
Artikel 1 Definities
- a.
Derivaten: Financiële instrumenten die hun bestaan ontlenen aan een bepaalde onderliggende waarde. Die waarden kunnen financiële producten, zoals leningen of obligaties zijn. Derivaten worden onder andere gebruikt om renterisico’s te sturen en financieringskosten te minimaliseren;
- b.
Financiering: Het aantrekken van benodigde financiële middelen voor een periode van minimaal één jaar;
- c.
Geldstromenbeheer: Geldstromen worden geoptimaliseerd waarbij altijd voldoende liquide middelen aanwezig zijn om aan de betalingsverplichtingen te voldoen;
- d.
Intern liquiditeitsrisico: De risico’s van mogelijke wijzigingen in de liquiditeitenplanning en meerjaren investeringsplanning waardoor financiële resultaten kunnen afwijken van de verwachtingen;
- e.
Kasgeldlimiet: De in de wet Fido opgenomen norm bepaalt het vermogen om op korte termijn aan de verplichtingen te kunnen voldoen (liquiditeit);
- f.
Kredietrisico: De risico’s op een waardedaling van een vordering ten gevolge van het niet (tijdig) na kunnen komen van de verplichtingen door de tegenpartij;
- g.
Liquiditeitenbeheer: Het aantrekken en uitzetten van middelen voor een periode tot één jaar;
- h.
Liquiditeitenplanning: Een gestructureerd overzicht van de toekomstige inkomsten en uitgaven ingedeeld naar aard en tijdseenheid;
- i.
Onderhandse geldlening: Voorwaarden van de lening kunnen in onderling overleg met de geldgevende partij worden vastgesteld;
- j.
Publieke taak: De taak van de gemeente tot het dienen van het openbaar belang, zoals gedefinieerd in de taakomschrijving van de gemeente in de Gemeentewet;
- k.
Renterisico: Het gevaar van ongewenste veranderingen van de (financiële) resultaten van de gemeente door rentewijzigingen;
- l.
Renterisiconorm: De in de wet Fido opgenomen norm beoogt het risico van rentewijziging bij herfinanciering van de vaste schuld te beheersen door de aflossing op schulden te spreiden in de tijd;
- m.
Rentetypische looptijd: Het tijdsinterval gedurende de looptijd van een geldlening, waarin op basis van de voorwaarden van de geldlening sprake is van een door de verstrekker van de geldlening niet beïnvloedbare, constante rentevergoeding;
- n.
Rentevisie: Toekomstverwachting over de renteontwikkeling;
- o.
Schatkistbankieren: Uitzetten van gelden bij de Rijksoverheid;
- p.
Saldobeheer: Het beheer van de dagelijkse saldi op de rekeningen;
- q.
Treasuryfunctie: De treasuryfunctie omvat alle activiteiten die zich richten op het besturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financiële vermogenswaarden, de financiële stromen, de financiële posities en de hieraan verbonden risico’s. De treasuryfunctie bestaat uit vier deelfuncties: risicobeheer, gemeentefinanciering, kasbeheer en debiteuren– en crediteurenbeheer;
- r.
Uitzetting: Het tijdelijk toevertrouwen van liquiditeiten aan derden tegen vooraf overeengekomen condities en bedingen. Kortlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode tot één jaar en langlopende uitzettingen hebben betrekking op een periode van één jaar of langer;
- s.
Vaste schuld: Het gezamenlijke bedrag van de schuld uit hoofde van geldleningen met een oorspronkelijke rentetypische looptijd van één jaar of langer en de voor een termijn van één jaar of langer ontvangen waarborgsommen;
- t.
Vlottende schuld: Het gezamenlijke bedrag van de opgenomen gelden met een oorspronkelijke rentetypische looptijd van korter dan één jaar, de schuld in rekening-courant, de voor een termijn van korter dan één jaar ter bewaring in de kas gestorte gelden van derden en overige geldleningen die geen onderdeel uitmaken van de vaste schuld.
Hoofdstuk 3 Risicobeheer
Artikel 2 Renterisicobeheer
- 1.
De rentetypische looptijd en het renteniveau van de betreffende lening/uitzetting wordt zo veel mogelijk afgestemd op de actuele rentestand en de rentevisie;
- 2.
De rentevisie van de gemeente wordt één keer per jaar bij opmaak van de begroting opgesteld;
- 3.
Binnen de kaders gesteld onder lid 1 en lid 2, streeft de gemeente tevens naar spreiding in de rentetypische looptijden van uitzettingen.
Artikel 3 Uitzetten gelden
- 1.
De gemeente zet gelden in geval van uitzettingen voor een periode langer dan één jaar uit bij een depositorekening bij het agentschap van het ministerie van financiën (schatkistbankieren);
- 2.
De gemeente zet gelden in geval van uitzettingen voor een periode tot één jaar uit bij een rekening bij het agentschap van het ministerie van financiën (schatkistbankieren).
Artikel 4 Financiering derden
- 1.
Het verstrekken van een geldlening of een garantie aan derden is slechts toegestaan vanuit de publieke taak. Per geval is een expliciet besluit hiertoe nodig door de gemeenteraad, waarbij door het college van B&W gemotiveerd wordt welk publiek belang wordt gediend en welke zekerheden de gemeente verwerft ter afdekking van de risico’s;
- 2.
Per lening wordt door het college van B&W een achtervangovereenkomst gesloten met het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW);
- 3.
De gemeente verleent geen garantie aan aanvragers die voor hun garantie bij andere instellingen terecht kunnen, zoals Waarborgfonds voor de Zorgsector (WfZ), Stichting Waarborgfonds voor de Sport (SWS, maximaal 50% en gemeente 50%) en Waarborgfonds Kinderopvang.
Hoofdstuk 4 Financiering
Artikel 5 Aantrekken financieringsmiddelen
- 1.
Financiering met externe financieringsmiddelen wordt zoveel mogelijk beperkt door primair de beschikbare interne financieringsmiddelen te gebruiken teneinde de renterisico’s en het renteresultaat te optimaliseren;
- 2.
Toegestane instrumenten bij het aantrekken van financieringen zijn (onderhandse) leningen;
- 3.
Voor het aantrekken van gelden worden ten minste twee prijsopgaven bij verschillende financiële ondernemingen gevraagd.
Hoofdstuk 5 Kasbeheer
Artikel 6 Geldstromenbeheer
- 1.
Nieuwe leningen/uitzettingen worden afgestemd op de investerings– en financieringsstaat in de gemeentebegroting waarmee een prognose wordt afgegeven van geldstromen over een periode van minimaal 4 jaar;
- 2.
De liquiditeitspositie is voldoende om te garanderen dat de verplichtingen tijdig kunnen worden nagekomen, waarbij het liquiditeitsgebruik wordt beperkt door de geldstromen op gemeenteniveau op elkaar af te stemmen.
Artikel 7 Saldo– en liquiditeitenbeheer
Opgenomen leningen komen voor vervroegde aflossing in aanmerking indien de contante waarde van de lagere rentelasten in komende jaren groter is dan de te betalen boeterente.
Hoofdstuk 6 Administratieve organisatie en interne controle
Artikel 8 Uitgangspunten administratieve organisatie en interne controle
- 1.
Het college mandateert de daadwerkelijke uitvoering via het mandaatbesluit dat staat gepubliceerd op overheid.nl mits de bepalingen in het treasurystatuut en de volgende voorwaarden in acht worden genomen:
- a.
vooraf wordt aan de portefeuillehouder Financiën kenbaar gemaakt dat geld uitgezet anders dan schatkistbankieren of aangetrokken gaat worden, waarbij de looptijd van de lening en het volume wordt gemeld;
- b.
de portefeuillehouder bevestigt via schriftelijke wijze (bijvoorbeeld via mail) in te stemmen met het in artikel 8, lid 1a bedoelde voorstel;
- c.
de aanbiedingen worden op rendement c.q. kosten beoordeeld door de gemandateerde en twee medewerkers van de afdeling die vanuit hun functieprofiel bevoegd zijn voor het uitvoeren van de treasuryfunctie;
- d.
bij afwezigheid van de in artikel 8, lid 1c vermelde gemandateerde wordt deze vervangen door de in het mandaatbesluit vermelde plaatsvervanger;
- e.
als door afwezigheid van meerdere functionarissen geen invulling kan worden gegeven aan de voorwaarden 1c. en 1d. wordt in overleg met de directie een keuze gemaakt;
- f.
na afronding van de overeenkomst wordt dezelfde dag de portefeuillehouder Financiën geïnformeerd over de afloop.
- a.
- 2.
Ter waarborging van de juistheid van betalingen gelden de volgende maatregelen:
- a.
Eén medewerker kan nooit zelfstandig een betaling verrichten;
- b.
Een betaalbatch met bijstandsuitkeringen met een omvang van meer dan 500.000 euro (bestedingslimiet) moet worden meegetekend door een directielid;
- c.
Een betaling aan een individuele begunstigde van meer dan 500.000 euro (bestedingslimiet) moet worden meegetekend door een directielid;
- d.
Gebruik wordt gemaakt van technische mogelijkheden die de bancaire sector biedt om te voorkomen dat verkeerde bedragen worden uitbetaald;
- e.
Periodiek wordt vastgesteld of controles in het betaalsysteem daadwerkelijk zijn uitgevoerd en hebben gewerkt door onafhankelijke medewerkers die niet betrokken zijn bij het betaalproces.
- a.
Artikel 9 Verantwoordelijkheden
De verantwoordelijkheden met betrekking tot de treasuryfunctie van de gemeente staan in onderstaande tabel gedefinieerd.
|
Functie |
Verantwoordelijkheden |
|
De Gemeenteraad |
Het vaststellen van verordening 212, paragraaf financiering in de gemeentebegroting, vaststellen treasurystatuut, beleidskaders en limieten; Het controleren via de paragraaf financiering in het jaarverslag en als gevolg daarvan eventueel bijstellen van het treasurybeleid. |
|
Het college van B&W |
Opstellen treasurystatuut; Het doen uitvoeren van het treasurybeleid; Het rapporteren aan de Gemeenteraad over de uitvoering van het treasurybeleid via de paragraaf financiering in de gemeentebegroting en het jaarverslag; In de tijdvak aan de Gemeenteraad rapporteren welke leningsovereenkomsten zijn aangegaan. |
|
De portefeuillehouder Financiën |
Rapporteren aan het college als sprake is van aantrekken financieringsmiddelen en uitzetten van gelden anders dan schatkistbankieren. |
|
De externe accountant |
Het in het kader van haar reguliere controletaak controleren omtrent de feitelijke naleving van het treasurystatuut. |
|
Audit afdeling |
Uitvoeren jaarlijkse audit inzake rechtmatigheid van het uitzetten en aantrekken van gelden en dit vastleggen in een auditverslag. |
|
De door B&W gemandateerde afdeling |
Het opstellen van de rentevisie in de paragraaf financiering in de gemeentebegroting en de verantwoording hierover in de paragraaf financiering in het jaarverslag; Het rapporteren aan B&W en portefeuillehouder over de uitvoering van het treasurybeheer in de paragraaf financiering. |
|
Het gemandateerde afdelingshoofd en afdelingsmedewerkers bevoegd tot uitvoeren van de treasuryfunctie |
Het uitvoeren van de gemandateerde treasuryactiviteiten conform het treasurystatuut en de paragraaf financiering; Vooraf kenbaar maken aan de portefeuillehouder Financiën dat geld uitgezet of aangetrokken gaat worden; Na afronding van de geldovereenkomst wordt dezelfde dag de portefeuillehouder Financiën geïnformeerd; Openen, sluiten en wijzigen van bankrekeningen; Het onderhouden van contacten met banken, geldmakelaars en overige financiële ondernemingen; Zorgdragen voor tijdige informatieverstrekking aan derden (toezichthouder en CBS). |
|
Afdelingshoofden |
Het zorgdragen voor juiste, tijdige en volledige informatie die wordt aangeleverd aan de door B&W gemandateerde afdeling met betrekking tot toekomstige uitgaven en ontvangsten (liquiditeitenbeheer). |
Hoofdstuk 7 Slotbepalingen
Artikel 10 Intrekken oude verordening en overgangsrecht
Het treasurystatuut Amstelveen vastgesteld op 16 december 2015 wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2026.
Artikel 11 Inwerkingtreding en citeertitel
- 1.
Dit treasurystatuut treedt in werking op de dag na bekendmaking en heeft een terugwerkende kracht tot 1 januari 2026;
- 2.
Dit treasurystatuut is van toepassing op het begrotingsjaar 2026 en latere begrotingsjaren;
- 3.
Dit treasurystatuut wordt aangehaald als: “Treasurystatuut Amstelveen 2026”.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 28 januari 2026
De griffier,
Debby de Heus
De voorzitter,
Tjapko Poppens
NOTA VAN TOELICHTING
Artikel 2 Renterisicobeheer
Artikel 2 lid 2
Een rentevisie is een verwachting over de rente-ontwikkeling, op basis waarvan een financierings- en beleggingsbeleid wordt gevoerd. Afhankelijk van de (interne- of externe) ontwikkelingen zal de gemeente haar rentevisie actualiseren. De rentevisie kan daarbij gebaseerd worden op de rentevisie van enkele gezaghebbende financiële ondernemingen.
Afstemming van het beleid op de rentevisie betekent bijvoorbeeld het uitstellen van uitzettingen met een lange looptijd indien men een rentestijging verwacht.
Artikel 2 lid 3
Door spreiding aan te brengen in de rentetypische looptijd (de periode dat de rente van een uitzetting vast is) van uitzettingen, wordt de invloed van een rentedaling op de renteresultaten gespreid over meerdere jaren. Deze spreiding is slechts mogelijk indien uit de investerings– en financieringsstaat in de gemeentebegroting blijkt dat middelen gedurende een langere periode beschikbaar zijn.
Artikel 3 Uitzetten gelden
Artikel 3 lid 1 en lid 2
De gemeente is zich bewust van haar publieke taakuitoefening en wenst de bancaire intermediatie van bijvoorbeeld de Bank Nederlandse Gemeenten niet over te nemen. Verzoeken vanuit andere gemeenten om geld aan hen uit te lenen worden daarom niet in overweging genomen
Artikel 4 Financiering derden
Artikel 4 lid 1
Voor uitzettingen uit hoofde van de publieke taak van de gemeente worden in dit treasurystatuut geen richtlijnen met betrekking tot producten opgenomen. Van belang is dat de Gemeenteraad heeft bepaald dat de betreffende uitzetting tot de “publieke taak” van de gemeente behoort. Aspecten die worden meegewogen zijn: a) is er sprake van maatschappelijk belang, b) in welke mate wenst de gemeente zeggenschap en c) welke risico’s zijn aan de garantstelling/lening verbonden en is het mogelijk deze te verkleinen.
Bij verstrekte leningen of garanties uit hoofde van de publieke taak moet rekening worden gehouden met juridische aspecten zoals staatsteun. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als geen marktconform rentetarief wordt gehanteerd.
Vanuit maatschappelijk oogpunt kan het verlenen van financiële steun aan instellingen gewenst zijn, maar hier tegenover staan financiële risico’s die met het verstrekken van geldleningen en garanties gemoeid zijn. Van geval tot geval moet bepaald worden of de verstrekking in verhouding staat tot de risico’s. Verlenen van financiële steun is namelijk geen kerntaak van de gemeente. Op basis hiervan pleit vorenstaande om te kiezen voor het beleidsuitgangspunt “nee, tenzij”. Dit betekent dat bij het verlenen van een garantie of het verstrekken van een geldlening door de gemeente eerst een oplossing in de markt gezocht moet worden en de gemeentegarantie slechts in laatste instantie, onder voorwaarden, kan worden verstrekt. Met een gemeentegarantie kan een instelling lenen tegen een lager rentetarief; de bank verschuift namelijk risico’s naar de gemeente. Van het verstrekken van gemeentegarantie kan geen sprake zijn als alleen dit argument van toepassing is.
Artikel 4 lid 2
De vakafdeling beoordeelt deze garantiestelling (eventueel samen met de financieel adviseur) en adviseert aan het college van B&W of een achtervangovereenkomst gesloten kan worden met het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW).
Artikel 4 lid 3
De meerwaarde van een waarborgfonds ten opzichte van gemeentegarantie verstrekken betreft de volgende aspecten:
- 1.
waarborgfondsen hebben professionele expertise waardoor sprake is van adequate beoordeling van het (solvabiliteits)risico;
- 2.
waarborgfondsen herbeoordelen jaarlijks de geborgde geldleningen;
- 3.
waarborgfondsen beschikken over een risicokas voor het spreiden van risico’s in tijd en naar plaats.
De in artikel 4 lid 2 en 3 genoemde waarborgfondsen zijn voorbeelden van landelijke fondsen. Voor sociaal-culturele instellingen (jongerenwerk, musea, dorpshuizen, bibliotheken enz.) bestaan geen landelijke waarborgfondsen.
Artikel 5 Aantrekken financieringsmiddelen
Artikel 5 lid 2
Voor het aantrekken van geldleningen wordt de keuze beperkt tot (onderhandse) geldleningen. Gerealiseerd wordt dat het gebruik van derivaten een middel kan zijn ter afdekking van financiële risico’s, maar de keuze wordt beperkt tot aan derden eenvoudig uit te leggen (onderhandse) geldleningen.
Artikel 5 lid 3
Middels het opvragen van meerdere offertes wordt bereikt dat de gemeente een objectief beeld heeft van de actuele gebruikelijke tarieven en voorwaarden op de financiële markten. Op basis daarvan kan een afgewogen keuze worden gemaakt.
Artikel 6 Geldstromenbeheer
Artikel 6 lid 1
Afstemming op de investerings– en financieringsstaat beoogt middelen slechts te lenen c.q. uit te zetten gedurende de periode dat zij daadwerkelijk nodig respectievelijk beschikbaar zijn.
Artikel 6 lid 2
Interne liquiditeitsrisico’s doen zich voor wanneer de gemeente middelen voor een bepaalde periode heeft uitgezet en gedurende de looptijd van de uitzetting blijkt dat de middelen (onverwacht) nodig zijn.
Door geldstromen op elkaar af te stemmen wordt voorkomen dat de gemeente tijdelijk middelen aan moet trekken –of middelen aan haar uitzettingenportefeuille moet onttrekken– teneinde de betreffende betaling (tijdelijk) te financieren.
In de praktijk is het opstellen van een betrouwbare en nauwkeurige liquiditeitspositie niet eenvoudig. Het is daarom van groot belang dat –de afdeling die de treasuryfunctie uitvoert juist, tijdig en volledig wordt geïnformeerd door de overige afdelingen over de financiële gevolgen van hun activiteiten (denk aan grondaankoop of –verkoop) zodat de verplichtingen tijdig kunnen worden nagekomen.
Artikel 8 Uitgangspunten administratieve organisatie en interne controle
Artikel 8 lid 1
Met het oog op de omvang en de aard van de transacties en de hiermee samenhangende risico’s, zijn in dit artikel een aantal specifieke uitgangspunten opgenomen. Hiermee wordt in ieder geval beoogd dat het uitzetten van gelden niet beperkt wordt tot een beslissing van één persoon.
Artikel 8 lid 2
Ter waarborging van de juistheid van betalingen gelden enkele specifieke maatregelen binnen de eigen organisatie, benoemd onder a. t/m c. Onderdeel d. verwijst naar technische mogelijkheden binnen de bancaire sector om onjuiste betalingen te voorkomen.
Artikel 9 Verantwoordelijkheden
Dit artikel weerspiegelt op hoofdlijnen de verantwoordelijkheden van partijen die betrokken zijn bij de treasuryfunctie.
De wijze waarop bijvoorbeeld het betalingsverkeer wordt afgehandeld of hoe het proces verloopt na het ontvangen van een offerte voor het uitzetten/aantrekken van gelden is hier voor de overzichtelijkheid buiten beschouwing gelaten.
Ondertekening
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl