Beleidsregels urgentie en toewijzing rolstoelwoningen Purmerend

Geldend van 05-02-2026 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels urgentie en toewijzing rolstoelwoningen Purmerend

Januari 2026

Burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend,

gelet op Hoofdstuk 2, paragraaf 9 van de Huisvestingsverordening Purmerend 2025,

B E S L U I T E N:

  • 1.

    Vast te stellen de bijgaande Beleidsregels urgentie en toewijzing rolstoelwoningen Purmerend

  • 2.

    Dit besluit treedt in werking op de dag na bekendmaking.

  • 3.

    Op de datum bedoeld in het tweede lid worden de Beleidsregels urgentie, rolstoelwoningen en aanleunwoningen gemeente Purmerend ingetrokken.

1. Inleiding en algemene bepalingen

1.1 Inleiding

Deze beleidsregels beschrijven hoe het college van burgemeester en wethouders van Purmerend (hierna: het college) de in hoofdstuk 2, paragraaf 9 van de Huisvestingsverordening Purmerend 2025 (hierna ook: de verordening) opgenomen regels over het verlenen en intrekken van urgentieverklaringen uitvoert.

1.2 Definities

In deze beleidsregels hebben de begrippen dezelfde betekenis als in de vigerende huisvestingsverordening van Purmerend. In deze beleidsregels wordt verder verstaan onder:

  • regiogemeenten: de gemeenten die deel uitmaken van de woningmarktregio:

  • urgentiegronden: de urgentiecategorieën bedoeld in artikel 2.9.6 tot en met 2.9.8 van de verordening;

  • rolstoelwoningen: drempelloze woningen die geheel gelijkvloers zijn en zodanig van afmeting zijn dat een persoon met functiebeperkingen die is aangewezen op een rolstoel in iedere verblijfsruimte in een rolstoel optimaal kan functioneren.

2. Algemene weigeringsgronden

2.1 Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft hoe het college de aanvraag toetst aan de in artikel 2.9.5 van de verordening opgenomen algemene weigeringsgronden.

2.2 Uitwerking algemene weigeringsgronden

Hieronder wordt eerst cursief de in de verordening opgenomen algemene weigeringsgrond geciteerd. Daarna wordt de uitwerking weergegeven.

1. Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring indien sprake is van een of meerdere van de volgende omstandigheden:

a. het huishouden van de aanvrager voldoet niet aan de in artikel 2.2.1 van de verordening genoemde eisen;

Het huishouden van aanvrager moet voldoen aan de voorwaarden voor wat betreft leeftijd en verblijfsstatus. Inkomen en vermogen moet worden aangetoond door middel van de meest recent te verkrijgen inkomensverklaring van de Belastingdienst (het IBRI-formulier).

b. er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem;

Er is sprake van een urgent huisvestingsprobleem als het huishouden van aanvrager dakloos is of zeer binnenkort dakloos zal worden. Met dakloosheid wordt gelijkgesteld de situatie waarin het huishouden van aanvrager als gevolg van een probleem met de huisvesting redelijkerwijs geacht wordt geen gebruik meer te kunnen maken van de tot dan toe bewoonde woning. In de volgende gevallen is in ieder geval géén sprake van een urgent huisvestingsprobleem:

  • de huidige woning verkeert in slechte staat;

  • de aanvrager ervaart overlast van buren;

  • het huishouden van aanvrager is te klein of te groot behuisd;

  • de aanvrager is als gevolg van medische klachten niet meer in staat om de huidige woning of de daarbij behorende tuin zelf te onderhouden;

  • de aanvrager woont op dit moment bij een ander huishouden in;

  • de aanvrager gaat scheiden of is gescheiden maar bewoont nog met de (ex-)partner dezelfde woning;

  • de aanvrager bewoont thans woonruimte op grond van een tijdelijke huurovereenkomst die binnenkort afloopt of de aanvrager bewoonde woonruimte op grond van een inmiddels afgelopen tijdelijke huurovereenkomst.

c. de aanvrager kon het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen of kan het huisvestingsprobleem redelijkerwijs op een andere wijze oplossen;

Hiervan is in ieder geval sprake als:

  • de aanvrager er niet alles wat redelijkerwijs tot zijn mogelijkheden behoort aan heeft gedaan om het huisvestingsprobleem te voorkomen of op te lossen. Dit betekent dat verwacht wordt dat de aanvrager door heel Nederland naar woningen zoekt; met name in gemeenten en regio’s waar de woningmarkt minder onder druk staat, tenzij zeer bijzondere omstandigheden maken dat van de aanvrager niet verwacht kan worden om buiten Purmerend te zoeken;

  • de aanvrager in de periode dat aannemelijk werd dat hij een huisvestingsprobleem zou gaan krijgen, tot een jaar voorafgaand aan zijn aanvraag, een, ook voor zijn huidige situatie, passende regulier aangeboden woning heeft geweigerd;

  • de aanvrager in de twee jaar direct voorafgaand aan zijn aanvraag een urgentie heeft gekregen voor hetzelfde huisvestingsprobleem als dat nu aan zijn aanvraag ten grondslag ligt;

  • de aanvrager, gelet op zijn inkomen of vermogen (bijvoorbeeld uit overwaarde van de woning), de middelen heeft om zelf in een oplossing voor het huisvestingsprobleem te voorzien;

  • de aanvrager in de periode dat aannemelijk werd dat hij een huisvestingsprobleem zou gaan krijgen niet tenminste tweemaal per week gereageerd heeft op het reguliere aanbod van voor hem passende woonruimte van corporaties, een en ander voor zover er tenminste twee keer per week voor hem passende woonruimte werd aangeboden;

  • aanvrager binnen een, gelet op de aard en ernst van het huisvestingsprobleem, redelijke termijn zelf, gelet op zijn woonpunten als woningzoekende, geacht wordt een woning te kunnen vinden.

d. het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen of kan worden opgelost door gebruik te maken van een voorliggende voorziening;

Een voorliggende voorziening is een voorziening die, gelet op haar aard en doel, wordt geacht voor het oplossen van het huisvestingsprobleem van belanghebbende toereikend en passend te zijn, bijvoorbeeld vanwege een indicatie voor beschermd wonen of plaatsing in een instelling.

e. het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem is ontstaan als gevolg van een verwijtbaar doen of nalaten van aanvrager of een lid van zijn huishouden;

Hiervan is in ieder geval sprake:

  • bij woninguitzetting, bijvoorbeeld wegens huurschuld of (drugs)overlast, veroorzaakt door één of meerdere leden van het huishouden van aanvrager;

  • als aanvrager zonder aantoonbaar dringende reden zijn woning heeft verlaten;

  • als aanvrager zonder eerst te zorgen voor adequate woonruimte voor hem en zijn huishouden naar de gemeente Purmerend is verhuisd;

  • als aanvrager bij de rechter niet heeft geprobeerd de woning voor zichzelf en de kinderen te behouden.

f. het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem kan niet of in onvoldoende mate opgelost worden met verhuizing naar zelfstandige woonruimte of andere zelfstandige woonruimte;

Voor sommige woningzoekenden, bijvoorbeeld mensen met (complexe) fysieke of mentale problematiek, zal verhuizing naar (andere) zelfstandige woonruimte geen adequate oplossing bieden voor het huisvestingsprobleem. In een dergelijk geval zal geen urgentie verleend worden. In deze gevallen is er meestal een relatie met de onder d. genoemde weigeringsgrond: vaak zal in dergelijke gevallen een voorliggende voorziening, bijvoorbeeld op grond van de Wmo of de Wlz, een meer adequate oplossing kunnen bieden.

g. de aanvraag is ingediend binnen twee jaar nadat een eerder aan aanvrager of een lid van zijn huishouden verleende urgentieverklaring is ingetrokken met toepassing van artikel 2.9.10, eerste lid, van de verordening.

h. de aanvrager is niet in staat om in zijn bestaan of in de kosten van bewoning van zelfstandige woonruimte te voorzien;

Een woningzoekende die niet tenminste in zijn bestaan kan voorzien lost zijn huisvestingsprobleem niet op door verhuizing naar een zelfstandige woonruimte. Zie voor een verdere invulling de paragrafen 3.3.3.2 en 3.3.3.3 van deze beleidsregels.

i. de aanvrager in de periode direct voorafgaand aan het indienen van de aanvraag niet tenminste twee jaar onafgebroken in de gemeente waar de urgentieverklaring wordt aangevraagd woonachtig was.

De woonplaats zoals vermeld in de Basisregistratie Personen (BRP) is hierbij in beginsel leidend. Aanvrager wordt geacht verantwoordelijk te zijn voor de juistheid van zijn inschrijving in de BRP.

j. het huishoudinkomen de DAEB-norm overschrijdt.

2. Indien de aanvraag betrekking heeft op indeling in een urgentiecategorie bedoeld in artikel 2.9.8, eerste lid, van de verordening kunnen burgemeester en wethouders het aangevraagde weigeren indien de aanvrager gedurende de in het vorige lid, onder i, bedoelde termijn niet heeft gewoond in een zelfstandige en krachtens een besluit op grond van de Omgevingswet voor permanente bewoning bestemde woonruimte.

Woont een aanvrager van een urgentieverklaring gedurende de periode van twee jaar direct voorafgaand aan de aanvraag niet in een zelfstandige en volgens het omgevingsplan of bestemmingsplan voor permanente bewoning geschikte woning, dan kan de urgentieverklaring geweigerd worden.

Van deze weigeringsgrond is in ieder geval sprake als:

  • het huisvestingsprobleem het gevolg is van het bewonen van onzelfstandige woonruimte, ongeschikt voor het huishouden van aanvrager;

  • het huisvestingsprobleem het gevolg is van het bewonen van niet voor bewoning geschikte gebouwen of bouwwerken;

  • het huisvestingsprobleem het gevolg is van het bewonen van gebouwen die ingevolge de Omgevingswet niet bewoond mogen worden.

Deze weigeringsgrond heeft tot doel te voorkomen dat woningzoekenden kiezen voor bewoning van daarvoor niet geschikte objecten, daardoor een huisvestingsprobleem krijgen en vervolgens via een urgentie voorrang op de woningmarkt kunnen krijgen. Daarmee is deze weigeringsgrond verwant aan de onder e. genoemde weigeringsgrond (verwijtbaarheid).

3. Specifieke gevallen

3.1 De wettelijk verplichte urgentiegronden en vergunninghouders

Als een gemeente regels over urgentie in de huisvestingsverordening opneemt, dan moet daarin in ieder geval iets geregeld zijn voor de zogenoemde "wettelijke urgentiecategorieën". Dit zijn:

  • uitstromers uit voorzieningen bedoeld voor tijdelijke opvang van personen die in verband met problemen van relationele aard of geweld hun woonruimte hebben verlaten. Hierna wordt deze categorie woningzoekenden aangeduid als "slachtoffers huiselijk geweld";

  • ontvangers of verleners van mantelzorg.

In het verleden behoorden uitstromers uit COA-voorzieningen – vergunninghouders – ook tot de wettelijke urgentiecategorieën. Sinds 2017 is dit niet langer het geval. De raad heeft besloten deze groep in artikel 2.9.6 van de verordening als urgentiecategorie te handhaven.

3.1.1 Slachtoffers van huiselijk geweld

Dit betreft mensen die als gevolg van aangetoond huiselijk geweld rechtstreeks vanuit de woonsituatie waar het geweld plaatsvond zijn gevlucht en in één van de erkende instellingen voor mishandelde mannen of vrouwen verblijven (zoals de Blijf Groep). Het college zal hierbij een maatwerkbeoordeling maken. Zo zal aan een persoon zonder kinderen niet snel urgentie worden verleend. Die heeft immers meer mogelijkheden het woonprobleem zelf op te lossen, bijvoorbeeld via woningdelen of kamerbewoning, tenzij de persoon niet in staat is deze mogelijkheden te benutten. Wel kan urgentie worden verleend wanneer een ouder is gevlucht zonder kinderen en het verblijf van de kinderen bij de andere ouder onveilig is. Dit moet wel worden aangetoond, bijvoorbeeld met een proces-verbaal van de politie of deskundigenrapport(en).

De in artikel 2.9.5 lid 1 aanhef en onder a tot en met h en j en artikel 2.9.5 lid 2 van de verordening genoemde algemene weigeringsgronden zijn van toepassing op deze urgentiegrond.

3.1.2 Ontvangers en verleners van mantelzorg

Het verlenen of ontvangen van mantelzorg kan tot gevolg hebben dat er een urgent huisvestingsprobleem ontstaat. Het college zal hierbij vrijwel altijd een maatwerkbeoordeling maken.

De in artikel 2.9.5 lid 1 aanhef en onder a tot en met h en j en artikel 2.9.5 lid 2 van de verordening genoemde algemene weigeringsgronden zijn van toepassing op deze urgentiegrond.

Het college beslist over een aanvraag voor urgentie van ontvangers of verleners van mantelzorg nadat advies is ingewonnen bij het Loket Wmo van de gemeente Purmerend. Het Loket Wmo zal dit advies opstellen aan de hand van één of meerdere gesprekken met de aanvrager(s) van de urgentie.

Het Loket Wmo weegt in ieder geval onderstaande punten mee bij het opstellen van haar advies:

  • Gezinssamenstelling

  • De aard van de zorg:

  • De zorg moet gaan om intensieve, langdurige zorg - ten minste 8 uur per week - en meer dan de gebruikelijke hulp die huisgenoten elkaar bieden.

  • De duur van de zorg:

  • Er wordt gekeken of de zorg al minimaal drie maanden wordt verleend en nog voor minstens een jaar verwacht wordt.

  • De reisafstand:

  • Er moet een aanzienlijke reisafstand zijn tussen de mantelzorger en de zorgvrager, die na verhuizing naar een woning dichtbij de zorgvrager drastisch vermindert.

  • De noodzaak van verhuizing:

  • De urgentie kan worden verleend omdat de verhuizing nodig is om de zorg goed en efficiënt te kunnen verlenen, bijvoorbeeld om te voorkomen dat de zorgvrager naar een instelling moet.

  • Er dient ook gekeken te worden naar mogelijke alternatieven voor een sociale huurwoning op de woningmarkt.

  • Verklaringen:

  • Een verklaring van een wijkteam, sociaal team of de gemeente die de situatie en de noodzaak van mantelzorg en verhuizing bevestigt, is van belang.

3.1.3 Vergunninghouders

Op grond van artikel 2.9.6 lid 2 van de verordening komen vergunninghouders die gehuisvest moeten worden in het kader van de taakstelling van de gemeente in aanmerking voor een urgentieverklaring als zij:

  • nog niet eerder door het COA bij een andere gemeente zijn voorgedragen voor huisvesting; en

  • niet eerder aangeboden woonruimte (dat kan ook onzelfstandige woonruimte zijn) hebben geweigerd.

Aan al deze voorwaarden dient voldaan te zijn. De in artikel 2.9.5 van de verordening genoemde algemene weigeringsgronden zijn niet van toepassing op deze urgentiegrond.

3.2 Uitstroomurgentie

Artikel 2.9.7 bevat een urgentiegrond voor situaties waarin een woningzoekende als gevolg van zijn aanstaande uitstroom uit een instelling bedoeld voor maatschappelijke opvang, uit een psychiatrische instelling of uit een jeugdinstelling gehuisvest moet worden in zelfstandige woonruimte. Om als gevolg van deze situaties in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring dient aanvrager in ieder geval te voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • het college van de regiogemeente waar de vestiging van de instelling waar aanvrager verblijft staat, beslist over de verlening van de urgentieverklaring;

  • de aanvrager keert terug naar de regiogemeente waar hij direct voorafgaand aan het verblijf in de instelling tenminste twee jaar onafgebroken woonde. Die gemeente wordt dus in het zoekprofiel opgenomen. Indien het, gelet op de problematiek van aanvrager, onwenselijk is dat hij naar die regiogemeente terugkeert, wordt een andere regiogemeente als zoekgebied in de urgentieverklaring opgenomen. Het college overlegt dat wel eerst met de desbetreffende regiogemeente. Het woningtype wordt vervolgens door het college van de “ontvangende” gemeente vastgesteld. Zie daarvoor verder artikel 2.9.7 van de verordening.

  • De aanvrager is in voldoende mate zelfredzaam. Dat kan eventueel ook betekenen dat aanvrager de begeleiding krijgt die nodig is om de zelfredzaamheid te bevorderen en eventuele overlast voor anderen te voorkomen. Als sprake is van begeleiding moet aanvrager verklaren dat hij daarmee instemt.

Het college kan worden geadviseerd door deskundigen, bijvoorbeeld betrokken hulpverleners of een medisch adviseur, over a) de vraag of aanvrager kan uitstromen, b) of uitstroom naar de oorspronkelijke woongemeente wenselijk is, en c) of en zo ja welke begeleiding gedurende welke periode noodzakelijk is.

De algemene weigeringsgronden genoemd in artikel 2.9.5, lid 1, aanhef en onder a, c, d, f, h, j en artikel 2.9.5 lid 2 van de verordening zijn van toepassing.

3.3 De regionale urgentiegronden

In artikel 2.9.8 van de verordening zijn de overige regionaal geldende urgentiegronden opgenomen. Het betreft de volgende urgentiegronden:

  • woningzoekenden die in een acute noodsituatie verkeren. Deze urgentiegrond wordt aangeduid als "calamiteiten-urgentie";

  • woningzoekenden die als gevolg van een medische of sociale reden dringend woonruimte nodig hebben (en niet uitstromen uit een hulpverleningsinstelling). Deze urgentiegrond wordt aangeduid als "sociale-medische urgentie";

  • woningzoekenden die een in het kader van stadsvernieuwing te slopen of te renoveren complex bewonen. Deze urgentiegrond wordt aangeduid als "sv-urgentie (stadsvernieuwingsurgentie)".

3.3.1 De calamiteitenurgentie

Het huishouden waarvan de zelfstandige woonruimte door een calamiteit (brand, ernstige waterschade, explosie of acuut ernstige funderingsgebreken) ongeschikt is voor bewoning, kan gelet op artikel 2.9.8 lid 1 aanhef en onder a van de verordening in aanmerking voor een urgentie als in ieder geval aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • a.

    de woning is onherstelbaar beschadigd en zal moeten worden gesloopt. De ongeschiktheid voor bewoning wordt vastgesteld door, of in opdracht van, een daarvoor bevoegd gemeentelijk toezichthouder (dit betreft de toezichthouder die bevoegd is toe te zien op de naleving van de ingevolge de Omgevingswet en de in de Woningwet vastgestelde bouwregelgeving).

  • b.

    alleen de, volgens de BRP, legaal wonende hoofdbewoner komt in aanmerking voor urgentie; inwonenden hebben geen recht op een zelfstandige woning, zij verhuizen mee met de hoofdbewoner.

  • c.

    de calamiteit is niet met opzet veroorzaakt door de aanvrager.

De in artikel 2.9.5 van de verordening genoemde algemene weigeringsgronden zijn van toepassing, met uitzondering van de in artikel 2.9.5 lid 1 aanhef en onder j van de verordening genoemde inkomensnorm: voor deze urgentiegrond geldt geen inkomenseis.

3.3.2 De sociaal-medische urgentie

3.3.2.1. Inleiding

Om in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring om medische en/of sociale redenen zoals bedoeld in artikel 2.9.8 lid 1 aanhef en onder b van de verordening, moet in ieder geval aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:

  • a.

    er is op grond van medische en/of sociale omstandigheden sprake van een levensontwrichtende woonsituatie die alleen opgelost kan worden met (andere) zelfstandige huisvesting. Van levensontwrichting is sprake wanneer de aanvrager (of een van de leden van het huishouden), in samenhang met ernstige woonproblemen, niet meer in staat is zelfstandig te functioneren. Een (andere) zelfstandige woning is in dat geval (een substantieel deel van) de oplossing;

  • b.

    de aanvrager dient zelf zijn levensontwrichtende woonsituatie aan te tonen en te zorgen voor bewijsmateriaal. Tot levensontwrichtende woonsituaties worden gerekend:

    • I.

      ernstige medische redenen;

    • II.

      dakloosheid met de zorg voor minderjarige kinderen indien de aanvrager als enige het gezag over de kinderen heeft;

  • c.

    de aanvrager is financieel in staat om een zelfstandig huishouden te voeren. Voor de eventueel aanwezige schulden heeft de aanvrager een zodanige sanering geregeld dat een financieel zelfstandig huishouden mogelijk is;

  • d.

    de aanvrager is in staat om zelfstandig (eventueel met begeleiding) te kunnen wonen.

Voor het overige zijn ook de in artikel 2.9.5 van de verordening genoemde algemene weigeringsgronden van toepassing.

3.3.2.2. Ernstige medische redenen

Hieronder wordt verstaan een woonsituatie die om medische redenen levensontwrichtend is voor één of meer leden van het huishouden. Het huishouden is niet in staat het dringende woonprobleem als gevolg van ernstige medische redenen zelf op te lossen.

In ieder geval wordt geen urgentieverklaring verleend:

  • vanwege lichamelijke of psychische klachten die niet chronisch zijn;

  • als er sprake is van (psychische) problemen als gevolg van een slechte inwoonsituatie, echtscheiding of te klein wonen.

Er kan wel urgentie worden verleend:

  • vanwege chronische lichamelijke of psychische klachten en/of

  • als blijkt dat de woonsituatie de behandeling van de klachten sterk negatief beïnvloed. Dit moet dan blijken uit een brief van een medisch of psychologisch/psychiatrisch deskundige, waarin staat welke lichamelijke of psychische aandoening de aanvrager heeft en hoe die samenhangt met het woonprobleem.

Om op grond van artikel 2.9.8 lid 1 aanhef en onder b van de verordening in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring, moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

  • 1.

    de aanvrager of een van de gezinsleden is onder behandeling van een erkend medisch specialist in Nederland of onder behandeling van de huisarts in Nederland voor dit specifieke probleem;

  • 2.

    bij psychische problematiek is de aanvrager of een van de gezinsleden langer dan zes maanden onder behandeling van een GGZ-instelling of vrijgevestigde psycholoog of vrijgevestigde psychiater;

  • 3.

    Als blijkt dat er medische problemen zijn, dan kan aan een onafhankelijke medisch adviseur advies worden gevraagd. Om urgentie te verlenen moet uit het advies blijken dat er sprake is van een aan de woonsituatie gerelateerde onverantwoorde medische situatie die niet langer mag blijven voortbestaan.

  • 4.

    Indien wordt overwogen om vanwege een (chronische) psychische stoornis een urgentie af te geven kan aan de belanghebbende de voorwaarde worden opgelegd dat hij individuele begeleiding gericht op de psychische problematiek (Wmo-indicatie) of behandeling van een GGZ-instelling aanvaardt en daarmee voorafgaand aan het afgeven van de urgentie schriftelijk akkoord gaat. Indien de belanghebbende weigert vooraf schriftelijk akkoord te gaan met de voorgestelde begeleiding, wordt geen urgentie verleend.

Voor het overige zijn ook de in artikel 2.9.5 van de verordening genoemde algemene weigeringsgronden van toepassing.

3.3.3 Dakloosheid of dreigende dakloosheid met zorg voor minderjarige kinderen

Er wordt geen urgentieverklaring verleend vanwege het enkele feit dat het huwelijk of de

samenwoningsrelatie wordt ontbonden.

Het college vindt het onwenselijk als niet voorzien is in woonruimte voor minderjarige kinderen.

Hieronder wordt beschreven in welke gevallen wel en in welke gevallen geen urgentie op grond van artikel 2.9.8 lid 1 aanhef en onder b verleend kan worden.

Voor alle gevallen geldt dat de in artikel 2.9.5 van de verordening genoemde algemene weigeringsgronden van toepassing zijn.

3.3.3.1. Verbroken samenwoning, echtscheiding en ontbinding van geregistreerd partnerschap

Het college gaat er vanuit dat de woning waar men direct voorafgaand aan de verbroken samenwoning, echtscheiding of ontbinding van het geregistreerd partnerschap woonde, primair beschikbaar blijft voor de kinderen. Er is dan geen urgentie nodig. Alleen in uitzonderlijke situaties kan, met inachtneming van het hieronder beschrevene, ten behoeve van de kinderen urgentie worden verstrekt.

Geen urgentieverklaring wordt verleend:

  • a.

    in geval van co-ouderschap, wanneer de kinderen over tenminste één woning kunnen beschikken;

  • b.

    als op basis van een convenant of een ouderschapsplan de kinderen "verdeeld" zijn over beide voormalige partners en minimaal één van de voormalige partners over woonruimte beschikt;

  • c.

    wanneer de rechter in verband met een verzoek om echtscheiding of beëindiging van een geregistreerd partnerschap de aanvrager niet of nog niet heeft opgedragen de echtelijke of gemeenschappelijke woning onmiddellijk te verlaten;

  • d.

    wanneer niet aangetoond kan worden dat het partnerschap (de duurzaam gemeenschappelijk gevoerde huishouding) is geëindigd;

  • e.

    als die wordt aangevraagd in verband met de zwangerschap van aanvrager;

  • f.

    aan de aanvrager die als medehuurder het huurrecht van de voormalige echtelijke of gezamenlijk gehuurde woning heeft kunnen opeisen, maar dit heeft nagelaten.

Ook de aanvrager die zich als medehuurder heeft kunnen laten erkennen, maar dit heeft nagelaten, wordt in dezen beschouwd als medehuurder en komt niet in aanmerking voor urgentie.

Een uitzonderlijke situatie waarin tot verlening van een urgentieverklaring kan worden overgegaan zoals bedoeld in de eerste alinea van deze paragraaf is de situatie waarin een ouder is gevlucht voor huiselijk geweld en het verblijf van de kinderen bij de andere ouder onveilig is. Dit moet wel worden aangetoond, bijvoorbeeld met een proces-verbaal van de politie en/of deskundigenrapport(en);

3.3.3.2. Hoge woonlasten en schulden door een te hoge huur of hypotheek in verhouding tot het inkomen

Huishoudens kunnen in aanmerking komen voor een urgentie als een gezin met kind(eren) door overmacht niet meer in staat is om aan de hoge woonlasten te voldoen. Achtergrond is meestal daling van het huishoudinkomen door vertrek van de partner of verlies van inkomen uit arbeid. Aan de volgende voorwaarden moet in ieder geval worden voldaan om in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring:

  • Als de woonlasten te hoog zijn moet dit zijn aangetoond met door de gemeente verstrekte bijzondere bijstand voor woonlasten;

  • Als het een koopwoning betreft moet deze zijn verkocht en moet de eventuele restschuld zijn aangetoond.

3.3.3.3. Schulden

Als de aanvrager schulden heeft, moet in ieder geval aan de volgende voorwaarden zijn voldaan om in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring:

  • a.

    De schulden moeten zijn geregeld; dat wil zeggen dat een redelijkerwijs na te komen betalingsregeling met de schuldeisers is getroffen;

  • b.

    Als aanvrager van de urgentieverklaring is gescheiden en de schulden zijn nog niet geregeld, moet een deel van de in het huwelijk gemaakte schulden zijn toebedeeld aan de ex-partner, en moet de aanvrager aantonen dat de schuldeisers hiermee akkoord gaan;

  • c.

    Voor het verlenen van urgentie moet de aanvrager een financieel stabiele situatie hebben, bijvoorbeeld door het volgen van een intensief schuldhulptraject;

  • d.

    Voorafgaand aan het afgeven van een urgentie kan aan de belanghebbende de voorwaarde worden opgelegd dat hij schriftelijk verklaart akkoord te gaan met financiële begeleiding. Indien de aanvrager weigert vooraf schriftelijk akkoord te gaan met de voorgestelde begeleiding, wordt geen urgentieverklaring verleend;

  • e.

    Als het schuldhulpverleningstraject om welke reden dan ook wordt gestaakt, dan wordt de urgentie ingetrokken;

  • f.

    Als de aanvrager mede hoofdelijk aansprakelijk is voor de hypotheek van een gemeenschappelijke woning, ziet de gemeente dit als een problematische schuld, ook als de ex-partner de woning krijgt. Als de ex-partner de hypotheeklasten niet betaalt, claimt de hypotheekverstrekker het bedrag bij de aanvrager. Er moet daarom worden aangetoond dat de hypotheek niet meer op naam staat van de aanvrager;

  • g.

    Bij verkoop van de woning, wacht de gemeente op de eindafrekening van de hypotheekgever met de eventuele restschuld. Blijkt deze problematisch, dan moet de aanvrager hiervoor een regeling treffen zoals hierboven is beschreven.

4. De toewijzing van rolstoelwoningen

4.1 Rolstoelwoningen

  • a.

    Kandidaten voor rolstoelwoningen worden voorgedragen door het college.

  • b.

    Om in aanmerking te komen voor een rolstoelwoning dient de aanvrager:

    • in het bezit te zijn van een Wmo-besluit voor een rolstoelwoning;

    • zich in te schrijven bij Woonmatch Waterland

  • c.

    Voordracht vindt bij voorrang plaats aan inwoners van Purmerend op basis van volgorde van aantal wachtpunten en de passendheid van de woning.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering d.d. 20 januari 2026

Purmerend,

burgemeester en wethouders van Purmerend,

de secretaris,

M.H. van der Weit

de burgemeester,

E. van Selm