Regeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant van 27 januari 2026 tot stimulering van de instandhouding van soorten en habitats in Natura 2000-gebieden (Subsidieregeling Natura 2000 Noord-Brabant)

Geldend van 05-02-2026 t/m heden

Intitulé

Regeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant van 27 januari 2026 tot stimulering van de instandhouding van soorten en habitats in Natura 2000-gebieden (Subsidieregeling Natura 2000 Noord-Brabant)

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant;

Gelet op artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

Overwegende dat het wenselijk is de bestaande Subsidieregeling natuur Noord-Brabant te herstructureren in twee nieuwe subsidieregelingen;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten als onderdeel van deze herstructurering een Subsidieregeling Natura 2000 Noord-Brabant wensen vast te stellen, gericht op instandhouding van soorten en habitats in Natura 2000-gebieden;

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

§ 1 Instandhouding Natura 2000

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187);

Asv: Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

drukfactoren: factoren die een of meer van de benodigde (a)biotische omgevingscondities van een soort of soortencomplex uit balans brengen;

gebiedsanalyse: analyse van een stikstofgevoelig Natura-2000 gebied, waarin maatregelen zijn opgenomen die voorkomen dat de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden van soorten verslechterd of niet verder achteruit gaat;

geopackage: bestand dat een database vormt voor geografische informatie;

habitattypen en soorten: natuurlijke habitats, habitats van soorten en de dier- en plantensoorten die op grond van de Vogel- en habitatrichtlijn worden beschermd;

kosten derden: kosten die op factuur aantoonbaar en aan derden verschuldigd zijn en die direct voor de subsidiabele activiteit worden gemaakt;

mitigerende maatregelen: maatregelen in de context van Natura 2000 die worden ondernomen om de negatieve effecten van een plan of project op een Natura-2000 gebied te voorkomen, verminderen of beperken;

Natura 2000: Natura 2000 als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet;

monitoring: proces van het volgen, observeren en evalueren van bepaalde activiteiten of gegevens;

Natura 2000-beheerplan: plan als bedoeld in artikel 3.8, derde lid, van de Omgevingswet;

Natura 2000-gebied: gebied als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet;

Natura 2000-maatregelen: maatregelen om de instandhoudingsdoelstellingen te behalen, zoals beschreven in het Natura 2000-beheerplan, te onderscheiden in cyclische maatregelen die terugkerend worden uitgevoerd, en natuurherstelmaatregelen die over het algemeen eenmalig worden genomen;

Natuurbeheerplan: plan als bedoeld in bijlage I van de Omgevingsverordening Noord-Brabant;

OGOR: optimaal grond- en oppervlaktewaterregime;

Regionaal Water en Bodem Programma: programma voor het water- en bodembeleid van de provincie Noord-Brabant voor de periode 2022-2027, vastgesteld door Provinciale Staten op 3 december 2021, afgekort RWP;

Vogel- en Habitatrichtlijn: richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU 2010 L 20) en richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEU 1992 L 206).

Artikel 1.2 Doel

Deze paragraaf heeft als doel het stimuleren van de instandhouding van soorten en habitats in Natura 2000-gebieden in de provincie Noord-Brabant.

Artikel 1.3 Doelgroep

  • 1. Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door:

    • a.

      natuurlijke personen;

    • b.

      rechtspersonen;

    • c.

      een samenwerkingsverband van rechtspersonen;

    • d.

      een samenwerkingsverband van rechtspersonen en natuurlijke personen.

  • 2. Indien het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, onder c of d, geen rechtspersoonlijkheid bezit:

    • a.

      wordt subsidie aangevraagd door een deelnemer van het samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid;

    • b.

      draagt het project de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband.

Artikel 1.4 Subsidievorm

Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 1.5 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op:

  • a.

    het uitvoeren van cyclische maatregelen in Natura 2000-gebieden;

  • b.

    het uitvoeren van natuurherstelmaatregelen in niet-stikstofgevoelige Natura-2000-gebieden;

  • c.

    het uitvoeren van natuurherstelmaatregelen in Natura 2000-gebieden, bedoeld ter voorkoming van drukfactoren in Natura 2000-gebieden;

  • d.

    onderzoek voor maatregelen als bedoeld in de onderdelen a, b of c;

  • e.

    onderzoek voor behoud en herstel Natura 2000 gebieden.

Artikel 1.6 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • a.

    het aangevraagde subsidiebedrag minder dan € 25.000 bedraagt;

  • b.

    voor het project reeds subsidie of een bijdrage is verstrekt op grond van deze of een andere provinciale regeling;

  • c.

    het gebied waarop het project betrekking heeft geen Natura 2000 gebied is;

  • d.

    ten aanzien van aanvrager een bevel tot terugvordering als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, uitstaat;

  • e.

    de aanvrager een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, onder 18, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, is.

Artikel 1.7 Subsidievereisten

  • 1. Om voor subsidie als bedoeld in artikel 1.5 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      de activiteiten komen ten goede aan Natura 2000 gebied gelegen in de provincie Noord-Brabant;

    • b.

      de aanvrager heeft voor de projecten, bedoeld in artikel 1.5, onder a tot en met c, zeggenschap over de grond door middel van eigendom of schriftelijke toestemming van de eigenaar voor het uitvoeren van het project;

    • c.

      activiteiten zijn opgenomen in de door Gedeputeerde Staten vastgestelde, of in ontwerp vastgestelde:

      • 1°.

        gebiedsanalyses;

      • 2°.

        Natura 2000-beheerplannen.

  • 2. Onverminderd het eerste lid wordt, om voor subsidie als bedoeld in artikel 1.5, onder a tot en met c, in aanmerking te komen, bij projecten voor verdrogingsbestrijding voldaan aan het vereiste dat het project is gericht op het bereiken van het OGOR dat nodig is voor de bescherming en instandhouding van habitattypen en soorten.

  • 3. Onverminderd het eerste lid wordt, om voor subsidie als bedoeld in artikel 1.5, onder a tot en met c, in aanmerking te komen, bij projecten voor beek- en kreekherstel voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project voldoet aan de parameters voor de na te streven waterkwaliteit en de ecologische potenties van het watersysteem behorende bij de functie zoals omschreven in bijlage 4 en bijlage 5 van het Regionaal Water en Bodem Programma;

    • b.

      het project is gericht op het bereiken van het OGOR dat nodig is voor de bescherming en instandhouding van de habitattypen en soorten.

Artikel 1.8 Subsidiabele kosten

  • 1. Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen in ieder geval de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      kosten voor de uitvoering van Natura 2000-maatregelen als bedoeld in artikel 1.5, onder a, gedurende een periode van maximaal 3 jaar;

    • b.

      kosten voor de uitvoering van Natura 2000-maatregelen als bedoeld in artikel 1.5, onder b en c;

    • c.

      voorbereidingskosten die zijn gemaakt vanaf 1 januari 2025;

    • d.

      kosten die samenhangen met onderzoek als bedoeld in artikel 1.5, onder d en e;

    • e.

      kosten voor de communicatie;

    • f.

      kosten van mitigerende maatregelen ter voorkoming van schade als gevolg van vernattingsmaatregelen;

    • g.

      kosten derden op uurbasis ten behoeve van het project tot een maximum van € 99 per uur, vermeerderd met eventuele niet-verrekenbare of niet-compensabele btw;

    • h.

      kosten voor kilometervergoedingen tot een maximum van € 0,23 per kilometer, inclusief btw.

  • 2. Voor de berekening van subsidiabele uurtarieven van arbeids- en personeelsuren van de subsidieaanvrager past de subsidieaanvrager de berekeningswijze op basis van een forfaitair uurtarief als bedoeld in de Regeling algemene subsidienormen Noord-Brabant toe en hanteert daarbij een uurtarief van:

    • a.

      € 70 voor werkzaamheden op MBO-niveau;

    • b.

      € 100 voor werkzaamheden op HBO-niveau;

    • c.

      € 120 voor werkzaamheden op WO-niveau.

  • 3. Als de subsidieaanvrager beschikt over een geldende goedkeuring van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland voor het hanteren van de zogenaamde Integrale Kosten Systematiek, kan de subsidieontvanger, in afwijking van het tweede lid, de berekeningswijze op basis van integrale kosten als bedoeld in de Regeling algemene subsidienormen Noord-Brabant toepassen en deze systematiek en de uit deze systematiek voortvloeiende jaarlijkse uurtarieven hanteren.

Artikel 1.9 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 1.8 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten voor grondverwerving, functiewijziging, pachtafkoop of erfpachtafkoop;

  • b.

    kosten voor regulier beheer en onderhoud;

  • c.

    kosten voor de aanschaf en afschrijvingskosten van machines;

  • d.

    arbeids- en personeelsuren van, en inhuurkosten van projectleiders door de waterschappen;

  • e.

    kosten voor monitoring.

Artikel 1.10 Vereisten subsidieaanvraag

  • 1. Subsidieaanvragen worden ingediend van 5 februari 2026 tot en met 12 november 2026.

  • 2. De subsidieaanvraag bevat de volgende bijlagen:

    • a.

      een projectplan, waaruit blijkt op welke wijze aan de vereisten in deze paragraaf wordt voldaan;

    • b.

      een sluitende en realistische begroting;

    • c.

      één geopackage met de beoogde locatie van de maatregelen en eventuele onderzoeken, opgesteld op basis van de in het subsidieloket beschikbaar gestelde template geodatabase, ten behoeve van invoer in het registratiesysteem GIS-subsidies natuur Noord-Brabant;

    • d.

      een beschrijving van aard en omvang van het resultaat van de maatregelen op de betreffende habitattypen of soorten;

    • e.

      een beschrijving van het te voeren beheer nadat de maatregelen zijn uitgevoerd;

    • f.

      een beschrijving van monitoring van Natura 2000-maatregelen;

    • g.

      een opgave van de totale oppervlakte waarop de maatregelen zullen worden uitgevoerd;

    • h.

      een realistische planning van de uitvoering.

Artikel 1.11 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor de periode, genoemd in artikel 1.10, eerste lid, vast op:

  • a.

    € 16.000.000 voor projecten als bedoeld in artikel 1.5, onder a, b en c;

  • b.

    € 500.000 voor projecten als bedoeld in artikel 1.5, onder d en e.

Artikel 1.12 Subsidiehoogte

  • 1. De hoogte van de subsidie voor projecten als bedoeld in artikel 1.5, onder a, bedraagt 100% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 12.500.000;

  • 2. De hoogte van de subsidie voor projecten als bedoeld in artikel 1.5, onder b, bedraagt 100% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 500.000;

  • 3. De hoogte van de subsidie voor projecten als bedoeld in artikel 1.5, onder c, bedraagt 100% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 250.000;

  • 4. De hoogte van de subsidie voor projecten als bedoeld in artikel 1.5, onder d, bedraagt 100% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 50.000;

  • 5. De hoogte van de subsidie voor projecten als bedoeld in artikel 1.5, onder e, bedraagt 100% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 250.000;

  • 6. Indien toepassing van het eerste of tweede lid tot gevolg heeft dat de subsidie minder dan € 25.000 bedraagt, wordt de subsidie niet verstrekt.

Artikel 1.13 Verdelingswijze

  • 1. Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2. Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3. Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting, in aanwezigheid van een notaris en ten minste twee onafhankelijke waarnemers.

  • 4. De trekking wordt schriftelijk vastgelegd door de notaris, waarbij de aanvragen worden gerangschikt op volgorde van trekking en de eerst getrokken aanvraag als eerstvolgende in aanmerking komt voor subsidie en de laatst getrokken aanvraag als laatste.

  • 5. De subsidie wordt verdeeld over aanvragen die:

    • a.

      opeenvolgend zijn in de rangschikking; en

    • b.

      die volledig gehonoreerd kunnen worden.

Artikel 1.14 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1. De subsidieontvanger:

    • a.

      rondt het project af binnen drie jaar na verlening van de subsidie;

    • b.

      overlegt jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;

    • c.

      houdt ingevolge artikel 7, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening een administratie bij van de gerealiseerde kosten en bewaart de daarbij behorende bewijsstukken voor een periode van tien jaar na vaststelling van de subsidie;

    • d.

      laat eventuele opbrengsten van economische activiteiten van het project ten goede komen aan het project.

  • 2. Indien het project wegens onvoorziene omstandigheden niet kan worden afgerond binnen de termijn, genoemd in het eerste lid, kan de subsidieontvanger uiterlijk de dag voor het verstrijken van die termijn schriftelijk een gemotiveerd verzoek indienen bij Gedeputeerde Staten tot verlenging met maximaal twee jaar.

Artikel 1.15 Verantwoording

  • 1. Bij subsidies tot € 125.000 toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van:

    • a.

      een activiteitenverslag;

    • b.

      één geopackage met de exacte locatie van de getroffen maatregelen en eventuele onderzoeken, opgesteld op basis van de in het subsidieloket beschikbaar gestelde template geodatabase, ten behoeve van invoer in het registratiesysteem GIS-subsidies natuur Noord-Brabant;

    • c.

      indien van toepassing foto- of videomateriaal van de situatie voor en na het project;

    • d.

      indien van toepassing een proces verbaal van oplevering;

    • e.

      bewijsstukken die duidelijk, gespecificeerd en actueel zijn als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, waaruit de gerealiseerde kosten blijken;

    • f.

      indien sprake is van economische activiteiten, een overzicht van de wijze waarop de opbrengsten, bedoeld in artikel 1.14 onder d ten goede zijn gekomen aan het project.

  • 2. Bij subsidies van € 125.000 en hoger toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van de volgende bewijsstukken:

    • a.

      een activiteitenverslag;

    • b.

      één geopackage met de exacte locatie van de getroffen maatregelen en eventuele onderzoeken, opgesteld op basis van de in het subsidieloket beschikbaar gestelde template geodatabase, ten behoeve van invoer in het registratiesysteem GIS-subsidies natuur Noord-Brabant;

    • c.

      indien van toepassing foto- of videomateriaal van de situatie voor en na het project;

    • d.

      een financieel projectverslag als bedoeld in artikel 22, zevende lid, onderdeel a, onder 1°, van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

    • e.

      een controleverklaring als bedoeld in artikel 22, zevende, onderdeel a, onder 2°, van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant.

  • 3. De stukken, bedoeld in het tweede lid, onder d en e, zijn gestaafd met bewijsstukken die duidelijk, gespecificeerd en actueel zijn en waaruit de gerealiseerde kosten blijken, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 1.16 Bevoorschotting en betaling

  • 1. Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot van 80% van het verleende subsidiebedrag.

  • 2. Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, wordt betaald in jaarlijks gelijke gedeelten gedurende de looptijd van het project.

Artikel 1.17 Subsidievaststelling

  • 1. Bij subsidies van € 25.000 tot € 125.000 stellen Gedeputeerde Staten de subsidie op aanvraag vast op grond van artikel 21, negende lid, van de Asv.

  • 2. Bij subsidies van € 125.000 en hoger stellen Gedeputeerde Staten de subsidie op aanvraag vast op grond van artikel 22, twaalfde lid, van de Asv.

Artikel 1.18 Evaluatie

Gedeputeerde Staten zenden in 2029 en vervolgens telkens na twee jaar aan Provinciale Staten een verslag over de werking van deze paragraaf in de praktijk.

§ 2 Versnelling herstel stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden

Artikel 2.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

agrarische onderneming: onderneming actief in de primaire landbouwproductie of de verwerking of afzet van landbouwproducten;

algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187);

ambitiekaart: kaart als bedoeld in bijlage I van de Omgevingsverordening Noord-Brabant;

Asv: Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

bestaande natuur: bestaande natuur als aangeduid in het Natuurbeheerplan;

bodemonderzoek: onderzoek om te bepalen welke bodemverbeteraars in welke samenstelling nodig zijn ten behoeve van bosrevitalisering, inzicht gevend in pH (NaCl)-waarde, de basenverzadiging, CEC en Al/Ca-ratio (aluminium-calcium ratio) van de bodem;

bodemverbeteraars: stoffen of materialen die aan de bodem worden toegevoegd met als doel de bodemkwaliteit te verbeteren, in het bijzonder door het vergroten van de buffercapaciteit en het verbeteren van de beschikbaarheid van nutriënten en mineralen;

bossen op arme zandgronden: bossen aangeduid als natuurtypen N01.04, N15 en N16.03, als opgenomen in de Index Natuur en Landschap;

bossen op rijke zandgronden: bossen aangeduid als natuurtypen N01.03, N14 en N16.04, als opgenomen in de index Natuur en Landschap;

bosrevitalisering: maatregelen gericht op het herstel en de verbetering van de bodemkwaliteit en op het bijsturen van de boomsoortensamenstelling en bosstructuur;

EVZ: ecologische verbindingszone als bedoeld in bijlage I van de Omgevingsverordening Noord-Brabant;

extensieve omvorming: het in relatief lage dichtheid vervangende boomsoorten of struiksoorten aanbrengen;

geopackage: bestand dat een database vormt voor geografische informatie;

habitattypen en soorten: natuurlijke habitats, habitats van soorten en de dier- en plantensoorten die op grond van de Vogel- en habitatrichtlijn worden beschermd;

Index natuur en landschap: index die inzicht biedt in de ontwikkeling van de natuur- en landschapskwaliteit, te raadplegen via de website: Externe link:https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/index-natuur-en-landschap/;

intensieve omvorming: het in relatief hoge dichtheid vervangende boomsoorten of struiksoorten aanbrengen;

kalk: bodemverbeteraar bestaande uit fijngemalen calcium- of magnesiumcarbonaat, toegepast als snelwerkende bufferende stof ter verbetering van de zuurgraad en basenverzadiging van de bodem;

kosten derden: kosten die op factuur aantoonbaar en aan derden verschuldigd zijn en die direct voor de subsidiabele activiteit worden gemaakt;

KRW: Kaderrichtlijn Water, richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEU 2000, L 327);

landbouwgroepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) 2472/2022 van de Commissie van 14 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2022, L 327);

LESA: landschapsecologische systeemanalyse, een methode om inzicht te krijgen in het ontstaan en het huidige functioneren van een natuurgebied of beheertype vanuit historisch, fysisch-geografisch, hydrologisch en ecologisch perspectief;

MKB-onderneming: kleine, middelgrote of micro-onderneming als bedoeld in bijlage I bij de landbouwgroepsvrijstellingsverordening;

Natura 2000-beheerplan: plan als bedoeld in artikel 3.8, derde lid, van de Omgevingswet;

Natura 2000-gebied: gebied als bedoeld in bijlage 1 bij artikel 1.1 van de Omgevingswet;

Natura 2000-maatregelen: maatregelen om de instandhoudingsdoelstellingen te behalen, zoals beschreven in het Natura 2000-beheerplan;

Natuurbeheerplan: plan als bedoeld in bijlage I van de Omgevingsverordening Noord-Brabant;

Natuurpact: tussen het Rijk en de provincies op 18 september 2013 gesloten Natuurpact ontwikkeling en beheer van de natuur in Nederland, waarin de ambities en financiering van het natuurbeleid zijn vastgelegd voor de periode tot en met 2027 (Kamerstukken II 2013/14, 33 576, nr. 6);

niet-productieve investeringen: investeringen die niet leiden tot een aanzienlijke stijging van de waarde of de rentabiliteit van een agrarische onderneming;

NNB: Natuurnetwerk Brabant, zijnde een samenhangend netwerk van natuurgebieden, dat van nationaal en internationaal belang is en het veiligstellen van ecosystemen als doel heeft, en is aangewezen en begrensd in de Omgevingsverordening Noord-Brabant;

OAD-netwerk: netwerk van oude, aftakelende en dode bomen;

OGOR: optimaal grond- en oppervlaktewaterregime;

schelpengruis: bodemverbeteraar bestaande uit fijngemalen schelpen, toegepast als snelwerkende bufferende stof ter verbetering van de zuurgraad en basenverzadiging van de bodem;

standaard omvorming: het in standaard dichtheid vervangende boomsoorten of struiksoorten aanbrengen;

steenmeel: bodemverbeteraar bestaande uit fijngemalen gesteente, toegepast als langzaam werkende bufferende stof en als bron van nutriënten, ter verbetering van de zuurgraad, basenverzadiging, nutriëntenbeschikbaarheid en bodemstructuur van de bodem;

Vogel- en Habitatrichtlijn: richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU 2010 L 20) en richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEU 1992 L 206);

Waterbeheerplan: plan of programma vastgesteld door het waterschap op grond van de Waterwet of de Omgevingswet met daarin de doelstellingen voor de periode 2022-2027 voor het waterschap en de wijze waarop aan die doelstellingen invulling wordt gegeven.

Artikel 2.2 Doel

Deze paragraaf heeft als doel het stimuleren van projecten gericht op het versneld versterken of verbeteren van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden of stikstofgevoelige habitattypen of soorten.

Artikel 2.3 Doelgroep

  • 1. Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door:

    • a.

      rechtspersonen;

    • b.

      een samenwerkingsverband van rechtspersonen en natuurlijke personen.

  • 2. Indien het samenwerkingsverband, bedoeld in het eerste lid, onder b, geen rechtspersoonlijkheid bezit:

    • a.

      wordt subsidie aangevraagd door een deelnemer van het samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid;

    • b.

      draagt het project de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband.

Artikel 2.4 Subsidievorm

Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 2.5 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op het versterken of verbeteren van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden of stikstofgevoelige habitattypen of soorten door:

  • a.

    bosrevitalisering;

  • b.

    maatregelen ter verbetering van de kwaliteit van natuurgebieden, anders dan bedoeld onder a;

  • c.

    hydrologische maatregelen;

  • d.

    onderzoek voor maatregelen als bedoeld in de onderdelen a tot en met c.

Artikel 2.6 Weigeringsgronden

  • 1. Subsidie wordt geweigerd indien:

    • a.

      reeds voor indiening van de aanvraag begonnen is met de uitvoering van het project;

    • b.

      voor het project of dezelfde activiteiten reeds eerder een subsidie of bijdrage is verleend;

    • c.

      het project gericht is op verwerving, functiewijziging, pachtvrij of erfpachtvrij maken of beheer van gronden;

    • d.

      de subsidieaanvrager een agrarische onderneming is die geen MKB-onderneming is;

    • e.

      de aangevraagde subsidie minder bedraagt dan € 25.000;

    • f.

      ten aanzien van de subsidieaanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening of artikel 1, vijfde lid, onder a, van de landbouwgroepsvrijstellingsverordening;

    • g.

      de subsidieaanvrager een onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in artikel 2, onder 18, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 2. Subsidie wordt geweigerd voor zover het project gericht is op bosrevitalisering als bedoeld in artikel 2.5 onder a en de subsidieaanvrager een agrarische onderneming is.

Artikel 2.7 Algemene subsidievereisten

  • 1. Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.5, onder a tot en met c, in aanmerking te komen, wordt voldaan de volgende vereisten:

    • a.

      het project wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant, op maximaal 2000 meter afstand van een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, gelegen in het NNB, blijkend uit een kaart van de projectlocatie of de projectlocaties;

    • b.

      de maatregelen die onderdeel uitmaken van het project zijn additioneel aan de uitvoeringsactiviteiten die worden uitgevoerd in het kader van het Natuurpact;

    • c.

      het project is gericht op herstel van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden dan wel de daarin voorkomende stikstofgevoelige habitattypen of soorten, blijkend uit:

      • 1°.

        een beschrijving van het type maatregelen dat wordt genomen in de projectperiode, de doelen, die daarbij worden nagestreefd en welke drukfactoren, opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling, worden aangepakt;

      • 2°.

        per categorie maatregelen als bedoeld in artikel 2.5, een overzicht van de indicatieve oppervlakten in hectare per natuurgebied;

      • 3°.

        aard en omvang van het verwachte effect van het project op de betreffende habitattypen of soorten;

    • d.

      de subsidieaanvrager heeft zeggenschap over de grond door middel van eigendom of schriftelijke toestemming van de eigenaar voor het uitvoeren van het project;

    • e.

      het project is niet strijdig met een of meer provinciale natuur- en waterdoelstellingen;

    • f.

      het project heeft als doel om bij te dragen aan vermindering van de drukfactoren, opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling;

    • g.

      het project kan uiterlijk 31 december 2029 worden afgerond, blijkend uit een realistische planning;

    • h.

      indien relevant, is de onderbouwing van het project in relatie tot hydrologie afgestemd met het waterschap, blijkend uit een verklaring van het waterschap.

  • 2. Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.5, onder d, in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het onderzoek wordt uitgevoerd ten behoeve van de provincie Noord-Brabant;

    • b.

      het onderzoek draagt bij aan de totstandkoming van de te verrichten activiteiten, bedoeld in artikel 2.5, onder a tot en met c of een combinatie van twee of meer onderdelen;

    • c.

      het onderzoek kan uiterlijk 31 december 2029 worden afgerond, blijkend uit een realistische planning.

Artikel 2.8 Aanvullende vereisten bosrevitalisering

Onverminderd artikel 2.7, eerste lid, wordt, om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.5, onder a, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    het project is gericht op bosrevitalisering voor het versterken of verbeteren van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden dan wel van stikstofgevoelige habitattypen of soorten;

  • b.

    het project is gericht op bestaande bossen op arme of rijke zandgronden;

  • c.

    indien het project gericht is op bossen op arme zandgronden worden de volgende omvormingsmethoden toegepast:

    • 1°.

      5% per hectare voor intensieve omvorming;

    • 2°.

      45% per hectare voor standaard omvorming;

    • 3°.

      40% per hectare voor extensieve omvorming;

    • 4°.

      10% per hectare voor omvorming tot een OAD netwerk;

    • 5°.

      een behandeling van maximaal 90% van het projectgebied met bodemverbeteraars, waarbij de te behandelen oppervlakte en de samenstelling, te weten kalk, schelpengruis en steenmeel, en dosering van de toe te passen bodemverbeteraars in overeenstemming zijn met de uitkomsten van het bodemonderzoek;

  • d.

    indien het project gericht is op bossen op rijke zandgronden worden de volgende omvormingsmethoden toegepast:

    • 1°.

      0% per hectare voor intensieve omvorming;

    • 2°.

      50% per hectare voor standaard omvorming;

    • 3°.

      40% per hectare voor extensieve omvorming;

    • 4°.

      10% per hectare voor omvorming tot een OAD netwerk;

  • e.

    indien het project plaatsvindt in een landschap met oude boskernen, houtwallen en heggen, zoals aangegeven op de kaart Groen Erfgoed van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling, mag uitsluitend worden aangeplant met soorten die zijn vermeld in bijlage 3 bij deze regeling;

  • f.

    indien het project plaatsvindt buiten een landschap met oude boskernen, houtwallen en heggen, zoals aangegeven op de kaart Groen Erfgoed van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, opgenomen in bijlage 2 van deze regeling, mag uitsluitend worden aangeplant met soorten die zijn vermeld in bijlage 4 bij deze regeling.

Artikel 2.9 Aanvullende vereisten hydrologische maatregelen

Onverminderd artikel 2.7, eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.5, onder c, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    het project draagt bij aan het versterken of verbeteren van stikstofgevoelige N2000-gebieden, blijkend uit een ecologische en hydrologische onderbouwing;

  • b.

    het project is additioneel ten opzichte van de KRW-maatregelen uit het Waterbeheerplan van het betreffende waterschap;

  • c.

    het project is gericht op het bereiken van het OGOR dat nodig is voor de bescherming en instandhouding van de habitattypen en soorten.

Artikel 2.10 Subsidiabele kosten

  • 1. Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende kosten in ieder geval voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      kosten ten behoeve van de uitvoering van het project;

    • b.

      voorbereidingskosten, waaronder bodemonderzoek, gemaakt vanaf 1 januari 2024;

    • c.

      kosten voor onderzoek voor de uitvoering van maatregelen als bedoeld in artikel 2.5, onder a tot en met c;

    • d.

      kosten voor een LESA-onderzoek;

    • e.

      kosten voor communicatie ten behoeve van de uitvoering van het project;

    • f.

      legeskosten;

    • g.

      kosten voor aanleg van voorzieningen voor de monitoring van maatregelen, voor zover additioneel ten opzichte van bestaande monitoring;

    • h.

      kosten van mitigerende maatregelen ter voorkoming van schade als gevolg van vernattingsmaatregelen;

    • i.

      kosten derden op uurbasis ten behoeve van het project tot een maximum van € 99 per uur, vermeerderd met eventuele niet-verrekenbare of niet-compensabele btw;

    • j.

      kosten als bedoeld onder a tot en met i, van agrarische ondernemingen, voor zover deze uitgaven voor niet-productieve investeringen betreffen;

    • k.

      kosten van arbeids- en personeelsuren van een gemeente, tot een maximum van € 99 per uur, vermeerderd met eventuele niet-verrekenbare of niet-compensabele btw, mits besteed aan extra werkzaamheden die direct toerekenbaar zijn aan het project.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, onder a, zijn kosten voor de uitvoering van projecten als bedoeld in artikel 2.5, onder a, subsidiabel:

    • a.

      tot een maximum van € 2.640 per hectare, indien het kosten voor de omvorming van bossen op arme zandgronden betreft;

    • b.

      tot een maximum van € 3.200 per hectare, indien het kosten voor bodemverbeteraars betreft;

    • c.

      tot een maximum van € 1.860 per hectare, indien het kosten voor de omvorming van bossen op rijke zandgronden betreft;

    • d.

      Voor de berekening van subsidiabele uurtarieven van arbeids- en personeelsuren van de subsidieaanvrager, anders dan een gemeente, past de subsidieaanvrager de berekeningswijze op basis van een forfaitair uurtarief als bedoeld in de Regeling algemene subsidienormen Noord-Brabant toe en hanteert daarbij een uurtarief van:

    • e.

      € 70 voor werkzaamheden op MBO-niveau;

    • f.

      € 100 voor werkzaamheden op HBO-niveau;

    • g.

      € 120 voor werkzaamheden op WO-niveau.

  • 3. Als de subsidieontvanger beschikt over een geldende goedkeuring van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland voor het hanteren van de zogenaamde Integrale Kosten Systematiek, kan de subsidieontvanger, in afwijking van het derde lid, de berekeningswijze op basis van integrale kosten als bedoeld in de Regeling algemene subsidienormen Noord-Brabant toepassen en de uit deze systematiek voortvloeiende jaarlijkse uurtarieven hanteren.

Artikel 2.11 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 2.10 komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten voor regulier beheer en onderhoud;

  • b.

    kosten voor de aanschaf en afschrijvingskosten van machines;

  • c.

    uitvoeringskosten gemaakt vóór indiening van de aanvraag;

  • d.

    kosten waarvoor reeds een subsidie of bijdrage is verleend;

  • e.

    kosten voor de uitvoering van wettelijke taken of regelingen;

  • f.

    kosten voor de uitvoering van monitoring;

  • g.

    kosten gemaakt door agrarische ondernemingen voor:

    • 1°.

      de aankoop van betalingsrechten;

    • 2°.

      de aankoop en aanplant van eenjarige gewassen;

    • 3°.

      afwateringswerkzaamheden;

    • 4°.

      de aankoop van dieren;

    • 5°.

      bedrading of bekabeling voor datanetwerken buiten het particuliere eigendom.

Artikel 2.12 Vereisten subsidieaanvraag

  • 1. Subsidieaanvragen worden ingediend van 5 februari 2026 tot en met 12 november 2026.

  • 2. De subsidieaanvraag voor een subsidie als bedoeld is artikel 2.5, onder a tot en met c, bevat de volgende bijlagen:

    • a.

      een projectplan waarin in ieder geval is opgenomen:

      • 1°.

        op welke wijze aan de vereisten in deze paragraaf wordt voldaan;

      • 2°.

        een beschrijving van de nulsituatie;

      • 3°.

        een beschrijving van het te voeren beheer nadat het project is uitgevoerd;

      • 4°.

        een beschrijving van de wijze van monitoring van zowel de voortgang van het project als het effect van de maatregelen;

    • b.

      een sluitende en realistische begroting;

    • c.

      één geopackage met de beoogde locatie van de maatregelen en eventuele onderzoeken, opgesteld op basis van de in het subsidieloket beschikbaar gestelde template geodatabase, ten behoeve van invoer in het registratiesysteem GIS-subsidies natuur Noord-Brabant.

  • 3. De subsidieaanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 2.5, onder d, bevat de volgende bijlagen:

    • a.

      een projectplan waaruit blijkt op welke wijze aan de vereisten in deze paragraaf wordt voldaan;

    • b.

      een sluitende en realistische begroting;

    • c.

      één geopackage met de beoogde locatie van de maatregelen en eventuele onderzoeken, opgesteld op basis van de in het subsidieloket beschikbaar gestelde template geodatabase, ten behoeve van invoer in het registratiesysteem GIS-subsidies natuur Noord-Brabant.

Artikel 2.13 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor de periode, genoemd in artikel 2.12, eerste lid, vast op € 11.000.000.

Artikel 2.14 Subsidiehoogte

  • 1. De hoogte van de subsidie bedraagt:

    • a.

      100% van de subsidiabele kosten tot de maximale bedragen per ha, genoemd in artikel 2.10, tweede lid, voor projecten als bedoeld in artikel 2.5, onder a;

    • b.

      100% van de subsidiabele kosten, voor projecten als bedoeld in artikel 2.5, onder b, c en d.

  • 2. De maximale hoogte van de subsidie, bedoeld in het eerste lid, bedraagt:

    • a.

      voor agrarische ondernemingen, € 500.000 per project;

    • b.

      voor overige subsidieaanvragers, € 2.000.000 per project.

  • 3. Indien toepassing van het eerste en tweede lid tot gevolg heeft dat de subsidie minder dan € 25.000 bedraagt, wordt de subsidie niet verstrekt.

Artikel 2.15 Verdelingswijze

  • 1. Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2. Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3. Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting, in aanwezigheid van een notaris en ten minste twee onafhankelijke waarnemers.

  • 4. De trekking wordt schriftelijk vastgelegd door de notaris, waarbij de aanvragen worden gerangschikt op volgorde van trekking en de eerst getrokken aanvraag als eerstvolgende in aanmerking komt voor subsidie en de laatst getrokken aanvraag als laatste.

  • 5. De subsidie wordt verdeeld over aanvragen die volledig gehonoreerd kunnen worden.

Artikel 2.16 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger:

  • a.

    rondt het project uiterlijk 31 december 2029 af;

  • b.

    verricht op de ingerichte grond duurzaam natuur-, water-, bodem-, en landschapsbeheer;

  • c.

    gebruikt op de ingerichte grond geen kunstmest, drijfmest of bestrijdingsmiddelen;

  • d.

    gebruikt bij de uitvoering van maatregelen geen beplantingssoorten genoemd in bijlage 5 bij deze regeling of in Bijlage Vc. bij artikel 3.67 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

  • e.

    laat eventuele opbrengsten van economische activiteiten van het project ten goede komen aan het project;

  • f.

    verleent medewerking aan de landelijke monitoring, voor zover de provincie hiertoe verplicht is op grond van de Regeling specifieke uitkering Programma Natuur 2e fase;

  • g.

    de ontvanger schrijft na afronding van de activiteiten een reflectie op de eindsituatie ten opzichte van de nulsituatie;

  • h.

    overlegt jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt, meer dan twaalf maanden bedraagt;

  • i.

    houdt bij subsidies tot € 125.000 ingevolge artikel 7, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening of artikel 7, eerste lid, van de landbouwgroepsvrijstellingsverordening, een administratie bij van gerealiseerde kosten en bewaart de daarbij behorende bewijsstukken voor een periode van tien jaar na vaststelling van de subsidie;

  • j.

    houdt bij subsidies vanaf €125.000 een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Awb en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 2.17 Verantwoording

  • 1. Bij subsidies tot € 125.000 toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van de volgende bewijsstukken:

    • a.

      een activiteitenverslag;

    • b.

      eventuele onderzoekrapportages voor de gesubsidieerde activiteiten;

    • c.

      één geopackage met de exacte locatie van de getroffen maatregelen en eventuele onderzoeken, opgesteld op basis van de in het subsidieloket beschikbaar gestelde template geodatabase, ten behoeve van invoer in het registratiesysteem GIS-subsidies natuur Noord-Brabant;

    • d.

      foto- of videomateriaal van de situatie voor en na het project;

    • e.

      bewijsstukken die duidelijk, gespecificeerd en actueel zijn als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordeningen artikel 7, eerste lid, van de landbouwgroepsvrijstellingsverordening, waaruit de gerealiseerde kosten blijken;

    • f.

      indien sprake is van economische activiteiten een overzicht van de wijze waarop de opbrengsten, bedoeld in artikel 2.16 onder e ten goede zijn gekomen aan het project.

  • 2. Bij subsidies van € 125.000 en hoger toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van de volgende bewijsstukken:

    • a.

      een activiteitenverslag;

    • b.

      eventuele onderzoekrapportages voor de gesubsidieerde activiteiten;

    • c.

      één geopackage met de exacte locatie van de getroffen maatregelen en eventuele onderzoeken, opgesteld op basis van de in het subsidieloket beschikbaar gestelde template geodatabase, ten behoeve van invoer in het registratiesysteem GIS-subsidies natuur Noord-Brabant;

    • d.

      een financieel projectverslag als bedoeld in artikel 22, zevende lid, onderdeel a, onder 1º, van de Asv;

    • e.

      een controleverklaring als bedoeld in artikel 22, zevende lid, onderdeel a, onder 2º, van de Asv.

  • 3. De stukken, bedoeld in het tweede lid, onder d en e, zijn gestaafd met bewijsstukken die duidelijk, gespecificeerd en actueel zijn en waaruit de gerealiseerde kosten blijken, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en artikel 7, eerste lid, van de landbouwgroepsvrijstellingsverordening.

Artikel 2.18 Bevoorschotting en betaling

  • 1. Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot van 80% van het verleende subsidiebedrag.

  • 2. Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, wordt betaald in jaarlijks gelijke gedeelten gedurende de looptijd van het project.

Artikel 2.19 Subsidievaststelling

  • 1. Bij subsidies tot € 125.000 stellen Gedeputeerde Staten, ingevolge artikel 7, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en artikel 7, eerste lid, van de landbouwgroepsvrijstellingsverordening, de subsidie op aanvraag vast op grond van artikel 21, negende lid, van de Asv, op basis van prestaties en de gerealiseerde kosten.

  • 2. Bij subsidies van € 125.000 en hoger stellen Gedeputeerde Staten ingevolge artikel 7, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening en artikel 7, eerste lid van de landbouwgroepsvrijstellingsverordening, de subsidie op aanvraag vast op grond van artikel 22, twaalfde lid, van de Asv, op basis van prestaties en de gerealiseerde kosten.

Artikel 2.20 Evaluatie

Gedeputeerde Staten zenden in 2029 en vervolgens telkens na twee jaar aan Provinciale Staten een verslag over de effecten en de doeltreffendheid van deze paragraaf in de praktijk.

§ 3 Regievoering GGA landelijk programma natuur

Artikel 3.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

apparaatskosten: interne loonkosten en kosten derden die specifiek zijn gemaakt voor de regievoering voor het provinciaal uitvoeringsprogramma;

Asv: Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

GGA: groenblauwe gebiedsgerichte aanpak, aan de hand waarvan de provincie samen met partners werkt aan de opgaves op het gebied van klimaat, natuur, water en bodem en tegelijkertijd aan het creëren van een duurzaam perspectief voor de Brabantse landbouw in de schil rondom de natuurgebieden;

GGA-team: team waarin medewerkers van de provincie en partners het gebiedsproces organiseren en begeleiden en dat per gebied varieert qua samenstelling en grootte, afhankelijk van de belangen en opgaven in het betreffende gebied;

kosten derden: kosten die op factuur aantoonbaar en aan derden verschuldigd zijn en die direct voor de subsidiabele activiteit worden gemaakt;

Natura 2000: Natura 2000 als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet;

Natura 2000-gebied: gebied als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet;

provinciaal uitvoeringsprogramma: programma van de provincie Noord-Brabant ter uitvoering van het landelijk programma natuur, waarin staat aangegeven hoe gebiedsgericht invulling wordt gegeven aan het realiseren van de condities, die nodig zijn voor een landelijk gunstige staat van instandhouding op de locaties, waar bij aanvang van het programma sprake is van een te hoge stikstofdepositie voor stikstofgevoelige soorten en habitats;

regievoering voor het provinciaal uitvoeringsprogramma: activiteiten als bedoeld in artikel 3.7, onder a.

Artikel 3.2 Doel

Deze paragraaf heeft als doel het stimuleren van regievoering binnen het GGA, aan de hand waarvan de provincie samen met partners werkt aan de opgaves op het gebied van klimaat, natuur, water en bodem en tegelijkertijd aan het creëren van een duurzaam perspectief voor de landbouw in de schil rondom de natuurgebieden in de provincie Noord-Brabant.

Artikel 3.3 Doelgroep

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door:

  • a.

    organisaties of particulieren die deelnemen aan de stuurgroep;

  • b.

    de brede ambtelijke werkgroep;

  • c.

    een ambtelijke werkgroep van een deelgebied van een GGA.

Artikel 3.4 Subsidievorm

Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 3.5 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten gericht op regievoering voor het provinciaal uitvoeringsprogramma binnen de GGA.

Artikel 3.6 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • a.

    voor dezelfde activiteiten reeds subsidie of een bijdrage is verstrekt in hetzelfde kalenderjaar op grond van deze paragraaf;

  • b.

    de aangevraagde subsidie minder bedraagt dan € 15.000.

Artikel 3.7 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.5 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    de activiteiten zijn gericht op regievoering voor het provinciaal uitvoeringsprogramma, bestaande uit:

    • 1°.

      actieve deelname aan een of meer GGA-teams;

    • 2°.

      deelname aan de verkenning, visievorming en planuitwerking in een of meer GGA-teams;

    • 3°.

      het doen van voorstellen voor gebiedsgerichte maatregelen in het kader van natuurherstel Aanpak Landelijk Gebied;

    • 4°.

      deelname aan de werksessies ter voorbereiding van de aanvraag voor een specifieke uitkering op grond van de Regeling specifieke uitkering Programma Natuur 2e fase; en

    • 5°.

      overleg met en terugkoppeling aan haar bestuur, achterban of leden over de activiteiten, bedoeld onder 1° tot en met 4°;

  • b.

    de GGA-teams waaraan wordt deelgenomen zijn actief in een van de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden als opgenomen in bijlage 6 bij deze regeling;

  • c.

    de activiteiten kunnen uiterlijk 31 december 2027 worden afgerond.

Artikel 3.8 Subsidiabele kosten

  • 1. Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende apparaatskosten voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      kosten derden op uurbasis tot een maximum van € 99 per uur, te vermeerderen met eventuele niet-verrekenbare of niet-compensabele btw, mits op offerte of factuur aantoonbaar;

    • b.

      arbeids- en personeelsuren.

  • 2. Voor de berekening van subsidiabele uurtarieven van arbeids- en personeelsuren van de subsidieaanvrager past de subsidieaanvrager de berekeningswijze op basis van een forfaitair uurtarief als bedoeld in de Regeling algemene subsidienormen Noord-Brabant toe en hanteert daarbij een uurtarief van:

    • a.

      € 70 voor werkzaamheden op MBO-niveau;

    • b.

      € 100 voor werkzaamheden op HBO-niveau;

    • c.

      € 120 voor werkzaamheden op WO-niveau.

Artikel 3.9 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 3.8 komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten waarvoor reeds een subsidie of bijdrage is verleend;

  • b.

    kosten voor de uitvoering van wettelijke taken of regelingen;

  • c.

    kosten voor de voorbereiding van concrete maatregelen ter uitvoering van het provinciaal uitvoeringsprogramma;

  • d.

    kosten gemaakt vóór 1 januari 2026.

Artikel 3.10 Vereisten subsidieaanvraag

  • 1. Subsidieaanvragen worden ingediend van 6 mei 2026 tot en met 15 oktober 2027.

  • 2. De subsidieaanvraag bevat de volgende bijlagen:

    • a.

      een projectplan waaruit blijkt op welke wijze aan de vereisten, genoemd in artikel 3.7 van deze paragraaf wordt voldaan;

    • b.

      een beschrijving van de activiteiten en de planning;

    • c.

      een urenraming inclusief onderbouwing van de uurtarieven;

    • d.

      een sluitende en realistische begroting met uitsplitsing per kalenderjaar van de kosten per GGA-team.

Artikel 3.11 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor de periode, genoemd in artikel 3.10, eerste lid, vast op € 3.600.000.

Artikel 3.12 Subsidiehoogte

  • 1. De hoogte van de subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 50.000 voor elk GGA-team waaraan aanvrager deelneemt.

  • 2. Indien toepassing van het eerste lid tot gevolg heeft dat de subsidie minder dan € 15.000 bedraagt, wordt de subsidie niet verstrekt.

Artikel 3.13 Verdelingswijze

  • 1. Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2. Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3. Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting, in aanwezigheid van een notaris en ten minste twee onafhankelijke waarnemers.

  • 4. De trekking wordt schriftelijk vastgelegd door de notaris, waarbij de aanvragen worden gerangschikt op volgorde van trekking en de eerst getrokken aanvraag als eerstvolgende in aanmerking komt voor subsidie en de laatst getrokken aanvraag als laatste.

  • 5. De subsidie wordt verdeeld over aanvragen die:

    • a.

      opeenvolgend zijn in de rangschikking; en

    • b.

      die volledig gehonoreerd kunnen worden.

Artikel 3.14 Verplichtingen van de subsidieontvanger

De subsidieontvanger rondt de activiteiten uiterlijk 31 december 2027 af.

Artikel 3.15 Verantwoording

  • 1. Bij subsidies tot € 25.000 toont de subsidieontvanger desgevraagd aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van vergaderverslagen.

  • 2. Bij subsidies van € 25.000 tot € 125.000 toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van een activiteitenverslag.

  • 3. Bij subsidies van € 125.000 en hoger toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van de volgende bewijsstukken:

    • a.

      een activiteitenverslag;

    • b.

      een financieel verslag als bedoeld in artikel 22, zevende lid, onderdeel a, onder 1º, van de Asv;

    • c.

      een controleverklaring als bedoeld in artikel 22, zevende lid, onderdeel a, onder 2º, van de Asv.

Artikel 3.16 Bevoorschotting en betaling

  • 1. Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot van 100% van het verleende subsidiebedrag.

  • 2. Het voorschot, bedoeld in het eerste lid, wordt in een keer betaald.

Artikel 3.17 Subsidievaststelling

  • 1. Bij subsidies tot € 25.000 stellen Gedeputeerde Staten de subsidie op grond van artikel 20, eerste lid, onder b, van de Asv ambtshalve vast.

  • 2. Bij subsidies van € 25.000 tot € 125.000 stellen Gedeputeerde Staten de subsidie op aanvraag vast op grond van artikel 21, negende lid, van de Asv.

  • 3. Bij subsidies van € 125.000 en hoger stellen Gedeputeerde Staten de subsidie op aanvraag vast op grond van artikel 22, twaalfde lid, van de Asv.

Artikel 3.18 Evaluatie

Gedeputeerde Staten zenden in 2028 en vervolgens telkens na twee jaar aan Provinciale Staten een verslag over de effecten en de doeltreffendheid van deze paragraaf in de praktijk.

§ 4 Slotbepalingen

Artikel 4.1 Overgangsrecht

Op subsidieaanvragen als bedoeld in paragrafen 2, 14 en 16 van de Subsidieregeling natuur Noord-Brabant die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze regeling, blijft de Subsidieregeling natuur Noord-Brabant, zoals die luidde de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, van toepassing.

Artikel 4.2 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 4.3 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling Natura 2000 Noord-Brabant.

Ondertekening

’s-Hertogenbosch, 27 januari 2026

Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter,

mr. I.R. Adema

de secretaris,

drs. G.H.E. Derks MPA

Bijlage 1 behorende bij artikel 2.7 eerste lid onder c en f, van de Subsidieregeling Natura 2000 Noord-Brabant

afbeelding binnen de regeling

Bijlage 2 behorende bij artikel 2.8 onder e en f, van de Subsidieregeling Natura 2000 Noord-Brabant

De kaartlaag ‘Landschap met oude boskernen, houtwallen en heggen’ van de kaart ‘Groen Erfgoed’ van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE), tevens digitaal raadpleegbaar:

afbeelding binnen de regeling

Bijlage 3 behorende bij artikel 2.8 onder e, van de Subsidieregeling Natura 2000 Noord-Brabant

Lijst van inheemse boom- en struiksoorten van de provincie Noord-Brabant.

NB. Kies voor gecertificeerd autochtoon plantsoen (voorzien van een NAK-certificaat).

Nederlandse Naam

Wetenschappelijke naam

Bittere wilg subsp. lambertiana

Salix purpurea subsp. lambertiana

Boswilg

Salix caprea

Eenstijlige meidoorn

Crataegus monogyna

Fladderiep

Ulmus laevis

Gaspeldoorn

Ulex europaeus

Gelderse roos

Viburnum opulus

Geoorde wilg

Salix aurita

Gewone es

Fraxinus excelsior

Gewone vlier

Sambucus nigra

Gewone vogelkers

Prunus padus subsp. padus

Haagbeuk

Carpinus betulus

Heggenroos

Rosa corymbifera

Hondsroos

Rosa canina

Jeneverbes

Juniperus communis

Ratelpopulier

Populus tremula

Rode kornoelje subsp.sanguinea

Cornus sanguinea

Ruwe berk

Betula pendula

Schietwilg

Salix alba

Sleedoorn

Prunus spinosa

Sporkehout

Frangula alnus

Tweestijlige meidoorn

Crataegus laevigata

Wilde gagel

Myrica gale

Wilde hazelaar

Corylus avellana

Wilde kamperfoelie

Lonicera periclymenum

Wilde kardinaalsmuts

Euonymus europaeus

Wilde lijsterbes

Sorbus aucuparia

Wilde zwarte bes

Ribes nigrum

Zachte berk

Betula pubescens

Zomereik

Quercus robur

Zwarte els

Alnus glutinosa

Zwarte populier

Populus nigra

Bijlage 4 behorende bij artikel 2.8 onder f, van de Subsidieregeling Natura 2000 Noord-Brabant

Nederlandse Naam

Wetenschappelijke naam

Beuk

Fagus sylvatica

Bittere wilg

Salix purpurea

Boswilg

Salix caprea

Eenstijlige meidoorn

Crataegus monogyna

Europese vogelkers

Prunus padus

Fladderiep

Ulmus laevis

Gelderse roos

Viburnum opulus

Gele kornoelje

Cornus mas

Geoorde wilg

Salix aurita

Gewone es

Fraxinus excelsior

Gewone esdoorn

Acer pseudoplatanus

Gewone vlier

Sambucus nigra

Gewone walnoot

Juglans regia

Grauwe wilg

Salix cinerea

Grove den

Pinus sylvestris

Haagbeuk

Carpinus betulus

Hazelaar

Corylus avellana

Hulst

Ilex aquifolium

Kraakwilg

Salix fragilis

Ratelpopulier

Populus tremula

Rode kornoelje

Cornus sanguinea

Ruwe berk

Betula pendula

Schietwilg

Salix alba

Sleedoorn

Prunus spinosa

Sporkehout

Frangula alnus

Tamme kastanje

Castanea sativa

Taxus

Taxus baccata

Trosvlier

Sambucus racemosa

Tweestijlige meidoorn

Crataegus laevigata

Veldesdoorn

Acer campestre

Wegedoorn

Rhamnus cathartica

Wilde appel

Malus sylvestris

Wilde kardinaalsmuts

Euonymus europaeus

Wilde kers

Prunus avium

Wilde lijsterbes

Sorbus aucuparia

Wilde peer

Pyrus pyraster

Wintereik

Quercus petraea

Winterlinde

Tilia cordata

Witte abeel

Populus alba

Zachte berk

Betula pubescens

Zomereik

Quercus robur

Zomerlinde

Tilia platyphyllos

Zwarte abeel

Populus nigra

Zwarte den

Pinus nigra

Zwarte els

Alnus glutinosa

Zwarte walnoot

Juglans nigra

Bijlage 5 behorende bij artikel 2.16 onder d, van de Subsidieregeling Natura 2000 Noord-Brabant

Water- en oeverplanten

Nederlandse Naam

Wetenschappelijke naam

Alligatorkruid

Alternanthera philoxeroides

Egeria

Egeria densa

Grote kroosvaren

Azolla filiculoides

Grote vlotvaren

Salvinia molesta

Grote waternavel

Hydrocotyle ranunculoides

Hydrilla

Hydrilla verticillata

Kleine waterteunisbloem

Ludwigia peploides

Moeraslantaarn

Lysichiton americanus

Ongelijkbladig vederkruid

Myriophyllum heterophyllum

Parelvederkruid

Myriophyllum aquaticum

Smalle waterpest

Elodea nuttallii

Smalle theeplant

Gymnocoronis spilanthoides

Verspreidbladige waterpest

Lagarosiphon major

Watercrassula

Crassula helmsii

Waterhyacint

Eichhornia crassipes

Watersla

Pistia stratiotes

Waterteunisbloem

Ludwigia grandiflora

Waterwaaier

Cabomba caroliniana

Schijngenadekruid

Lindernia dubia

Terrestrische planten

Nederlandse Naam

Wetenschappelijke naam

Afghaanse duizendknoop

Persicaria wallichii

Alsemambrosia

Ambrosia artemisiifolia

Amerikaans bezemgras

Andropogon virginicus

Amerikaanse eik

Quercus rubra

Amerikaanse tulpenboom

Liriodendron tulipifera

Amerikaanse vogelkers

Prunus serotina

Anna Paulownaboom

Paulownia tomentosa

Aziatische duizendknopen

Fallopia spp.

Ballonrank

Cardiospermum grandiflorum

Bont springzaag

Impatiens edgeworthii

Canadese kornoelje

Cornus sericea

Chinese struikklaver

Lespedeza cuneata

Chinese tulpenboom

Liriodendron chinese

Driedelige ambrosia

Ambrosia trifida

Dwergmispels

Cotoneaster spp.

Fraai lampenpoetsergras

Pennisetum setaceum

Gestekelde duizendknoop

Persicaria perfoliata

Gewone gunnera

Gunnera tinctoria

Grijs kronkelsteeltje

Campylopus introflexus

Hartbladige els

Alnus cordata

Hemelboom

Ailanthus altissima

Hoog pampagras

Cortaderia jubata

Japanse klimvaren

Lygodium japonicum

Japans steltgras

Microstegium vimineum

Klein springzaad

Impatiens parviflora

Kudzu

Pueraria montana var. Lobata

Laurierkers

Prunus laurocerasus

Mesquite

Prosopis juliflora

Oosterse hop

Humulus scandens

Oranje springzaad

Impatiens capensis

Pennsylvaanse es

Fraxinus pennsylvanica

Perzische berenklauw

Heracleum persicum

Reuzenbalsemien

Impatiens glandulifera

Reuzenberenklauw

Heracleum mantegazzianum

Rimpelroos

Rosa rugosa

Robinia

Robinia pseudoacacia

Roze rimpelgras

Ehrharta calycina

Schijnambrosia

Parthenium hysterophorus

Sosnowsky's berenklauw

Heracleum sosnowskyi

Struikaster

Baccharis halimifolia

Talgboom

Triadica sebifera

Trosbosbes

Vaccinium corymbosum

Tweekleurig springzaad

Impatiens balfourii

Westelijke hemlockspar

Tsuga heterophylla

Weymouthden

Pinus strobus

Wilgacacia

Acacia saligna

Zandambrosia

Ambrosia psilostachya

Zijdeplant

Asclepias syriaca

Bijlage 6 behorende bij artikel 3.7 onder b, van de Subsidieregeling Natura 2000 Noord-Brabant

Stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden met GGA-teams:

  • 1.

    Brabantse wal

  • 2.

    De Bult

  • 3.

    Deurnsche Peel, Mariapeel en Groote Peel

  • 4.

    Kampina en Oisterwijkse Vennen

  • 5.

    Langstraat

  • 6.

    Leenderbos, Groote Heide en De Plateaux

  • 7.

    Kempenland-West

  • 8.

    Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen

  • 9.

    Regte Heide en Riels Laag

  • 10.

    Strabrechttsche Heide en Beuven

  • 11.

    Ulvenhoutse bos

  • 12.

    Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek

Toelichting behorende bij de Subsidieregeling Natura 2000 Noord-Brabant

I. Algemeen

Aanleiding en doel van de regeling

De provincie Noord-Brabant beschikt sinds langere tijd over de Subsidieregeling natuur Noord-Brabant. Deze regeling omvat een breed palet aan subsidies op het terrein van natuur, biodiversiteit en leefgebieden. In de loop der jaren is deze regeling inhoudelijk uitgebreid en aangepast, waardoor een complex geheel aan paragrafen en thema’s is ontstaan.

Tegelijkertijd is het provinciale natuurbeleid steeds verder uitgekristalliseerd langs twee hoofdlijnen:

  • het Natura 2000-beleid, gericht op de instandhouding en verbetering van soorten en habitats in Natura 2000-gebieden; en

  • het bredere beleid voor biodiversiteit en kwaliteit van de leefomgeving buiten Natura 2000-gebieden, waaronder agrarische landschappen, stedelijke gebieden en overige leefgebieden.

Om de subsidieregelgeving beter te laten aansluiten bij deze onderscheiden beleidsdoelen, hebben Gedeputeerde Staten besloten de bestaande Subsidieregeling natuur Noord-Brabant te herstructureren. Daarbij wordt gewerkt met twee nieuwe, overzichtelijke regelingen:

  • de Subsidieregeling Natura 2000 Noord-Brabant, gericht op instandhouding en verbetering van soorten en habitats in Natura 2000-gebieden; en

  • de Subsidieregeling biodiversiteit en leefomgeving Noord-Brabant, gericht op het versterken van biodiversiteit en het verbeteren van de ecologische kwaliteit van de leefomgeving buiten Natura 2000-gebieden.

Met de voorliggende regeling wordt uitvoering gegeven aan de eerste lijn: Natura 2000 Noord-Brabant. Hierbij worden relevante paragrafen en thema’s uit de voormalige Subsidieregeling natuur Noord-Brabant ondergebracht in een nieuwe, thematisch samenhangende regeling. Sommige onderdelen worden overgeheveld naar de nieuwe regeling, andere vervallen of blijven vooralsnog gehandhaafd zolang hiervoor een lopend aanvraag- of uitvoeringstraject bestaat of nog niet duidelijk is hoe het verder gaat.

Doel van deze regeling is om, in aansluiting op artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant, duidelijke, uitvoerbare en doelgerichte subsidie-instrumenten te bieden die gericht zijn op instandhouding van soorten en habitats in Natura 2000-gebieden gelegen in Noord-Brabant.

Juridisch kader

Deze subsidieregeling is vastgesteld op grond van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant (Asv). Dit betekent dat een aantal aspecten van de verstrekking van subsidies niet in de subsidieregeling zijn vastgelegd, maar in de Asv. In de Asv staat onder meer wat de termijnen zijn voor het nemen van een beslissing op een aanvraag en ook bevat de Asv algemene verplichtingen voor de subsidieontvanger, zoals de meldingsplicht in geval van het niet, niet tijdig of niet geheel verrichten van de activiteiten of het nakomen van de verplichtingen. Daarnaast hebben Gedeputeerde Staten in de Regeling algemene subsidienormen Noord-Brabant (Ras) nog diverse algemene bepalingen met betrekking tot subsidie vastgelegd. Ook de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat algemene bepalingen die onverkort van toepassing zijn op subsidies die worden verstrekt op grond van deze subsidieregeling.

Voor een goed begrip van deze subsidieregeling is dus bestudering van de Awb en de Asv in combinatie met de Ras noodzakelijk.

Staatssteun

Op grond van deze subsidieregeling wordt op onderdelen staatssteun verstrekt aan ondernemingen. Om die reden wordt de regeling kennisgegeven onder artikel 53 van de algemene groepsvrijstellingsverordening (AGVV) en artikel 14 van de landbouwgroepsvrijstellingsverordening (LGVV).

Hieronder wordt per paragraaf nog nader op het aspect staatssteun ingegaan.

Paragraaf 1 Instandhouding Natura 2000

Natura 2000 is een Europees netwerk van natuurgebieden. In Brabant liggen 21 Natura 2000-gebieden. Met maatregelen in de natuur moet worden gezorgd dat de instandhoudingsdoelstellingen worden behaald zodat dat de kwaliteit en de omvang van de gebieden niet achteruit gaat.

Paragraaf 1 richt zich op het behouden (en niet laten verslechteren) van de natuurkwaliteit in Natura 2000-gebieden en het daarmee ondersteunen van maatregelen die bijdragen aan de instandhoudingsdoelen. De provincie stelt subsidie beschikbaar voor noodzakelijke beheermaatregelen (cyclisch/terugkerend), natuurherstel- en inrichtingsactiviteiten, evenals voor onderzoek dat uit beheerplannen of gebiedsanalyses voortkomt. Alleen partijen die zeggenschap over de betreffende gronden hebben of toestemming van de eigenaar kunnen aantonen, komen in aanmerking. De regeling vergoedt doorgaans de volledige subsidiabele kosten binnen vastgestelde plafonds en vereist dat projecten aansluiten bij provinciaal vastgestelde doelen en binnen de gestelde termijn worden uitgevoerd.

Staatssteun

Artikel 53 AGVV biedt een vrijstelling voor steun aan niet-agrarische ondernemingen voor maatregelen ter bescherming of herstel van door een lidstaat formeel erkend natuurerfgoed. De Natura 2000-gebieden zijn (destijds) door de minister op grond van de Wet natuurbescherming aangewezen als beschermd natuurgebied en tevens door Provinciale Staten in de Omgevingsverordening Noord-Brabant aangewezen en begrensd als Natuurnetwerk Brabant. De maatregelen in deze regeling dienen ter bescherming of herstel van deze Natura 2000-gebieden.

Als gezegd richt deze paragraaf zich op het behouden (en niet laten verslechteren) van de natuurkwaliteit in Natura 2000-gebieden en het daarmee ondersteunen van maatregelen die bijdragen aan de instandhoudingsdoelen. Het betreft daarom natuurgronden en geen agrarische gronden. Mocht een agrarische onderneming een aanvraag indienen, zal hij voor die gronden geen landbouwactiviteiten uitoefenen, maar natuurbeheer en voor die gronden dus ook niet als agrariër worden aangemerkt. In die gevallen kan ook daarvoor gebruik van artikel 53 AGVV worden gemaakt.

Om te voldoen aan de vereisten die gesteld worden in deze vrijstellingsverordening, zijn er enkele (deels van de Asv afwijkende) specifieke bepalingen opgenomen voor wat betreft de maximale hoogte van de subsidie, de financiële gezondheid van het bedrijf, de niet-subsidiabele kosten en de financiële verantwoording achteraf.

Paragraaf 2 Versnelling herstel stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden

Deze paragraaf is een van de instrumenten die worden ingezet om een versnelling en intensivering teweeg te brengen in het herstel van de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, zoals vastgelegd in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (1 juli 2021).

De paragraaf biedt projectsubsidies voor maatregelen zoals boscompensatie en kwaliteitsverbetering van natuur, mits deze inspelen op de ecologische kwetsbaarheid van stikstofgevoelige habitattypen of soorten.

Staatssteun

Artikel 53 AGVV biedt een vrijstelling voor steun aan niet-agrarische ondernemingen voor maatregelen ter bescherming of herstel van door een lidstaat formeel erkend natuurerfgoed. De Natura 2000-gebieden zijn destijds door de minister op grond van de Wet natuurbescherming aangewezen als beschermd natuurgebied en tevens door Provinciale Staten in de Omgevingsverordening Noord-Brabant aangewezen en begrensd als Natuurnetwerk Brabant. De maatregelen in deze regeling dienen ter bescherming of herstel van deze Natura 2000-gebieden.

Voor agrarische ondernemingen wordt gebruik gemaakt van de vrijstelling onder artikel 14, derde lid, LGVV voor investeringen die verband houden met specifieke milieu- en klimaat gerelateerde doelstellingen, waaronder het tot staan brengen en ombuigen van biodiversiteitsverlies, versterken van ecosysteemdiensten en in stand houden van habitats en landschappen.

Om te voldoen aan de vereisten die gesteld worden in deze vrijstellingsverordeningen, zijn er enkele (deels van de Asv afwijkende) specifieke bepalingen opgenomen voor wat betreft de maximale hoogte van de subsidie, de financiële gezondheid van het bedrijf, de niet-subsidiabele kosten en de financiële verantwoording achteraf.

Paragraaf 3 Regievoering GGA landelijk programma natuur

Deze paragraaf voorziet in de subsidiëring van apparaatskosten die partners van de provincie moeten maken teneinde regie te kunnen voeren binnen de gebiedsgerichte processen. Een aantal Brabantse partners die intensief betrokken zijn bij het vormgeven van de gebiedsgerichte aanpak, kan op grond van genoemde specifieke uitkering van het Rijk, aanspraak maken op zogenaamde ‘apparaatskosten’. De regeling is uitsluitend bedoeld voor niet-overheden die deelnemen aan een of meer GGA-teams. Dit kunnen organisaties of particulieren zijn.

Staatssteun

Subsidiëring op grond van deze paragraaf brengt geen staatssteun met zich mee. De activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend zijn immers slechts ondersteunende activiteiten aan het gebiedsproces dat nodig is voor realisatie van het provinciaal uitvoeringsprogramma. Deze activiteiten bestaan niet uit het aanbieden van een dienst (of goederen) op de markt. Aangezien er geen sprake is van economische activiteiten, is er geen sprake van staatssteun.

II. Artikelsgewijs

Paragraaf 1 Instandhouding Natura 2000

Artikel 1.5 Subsidiabele activiteiten

onder a en b

Subsidiëring is alleen mogelijk voor projectgebonden maatregelen in niet-stikstofgevoelige N2000-gebieden. Dit valt dan uiteen in:

  • het uitvoeren van cyclische maatregelen in Natura 2000-gebieden;

  • het uitvoeren van natuurherstelmaatregelen in niet-stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden;

onder c

Expliciet is de mogelijkheid geboden voor het uitvoeren van natuurherstel-maatregelen ter voorkoming van drukfactoren in Natura-2000 gebieden. Dit hangt samen met het feit dat de subsidies op grond van paragraaf 2 naar het rijk verantwoord moeten worden en dat daarbij expliciet moet worden ingegaan in hoeverre de op grond van paragraaf 2 gesubsidieerde activiteiten hebben geleid tot vermindering van drukfactoren op de natuur. Maatregelen ter voorkoming van drukfactoren vallen daar echter buiten.

onder e

Ook is subsidiëring mogelijk van onderzoek voor behoud en herstel van Natura 2000-gebieden dat niet specifiek gekoppeld is aan een projectsubsidie maar wel tegemoet komt aan een Brabant specifieke onderzoeksvraag voor herstel van de Natura 2000-gebieden.

Artikel 1.6 Weigeringsgronden

De weigeringsgronden in dit artikel komen in aanvulling op de weigeringsgronden uit artikel 4:25 en 4:35 Awb en de weigeringsgronden uit artikel 8 van de Asv.

Ingevolge artikel 8 Asv wordt de subsidie o.a. geweigerd indien de aangevraagde subsidie niet in voldoende mate in het algemeen provinciaal belang wordt geacht of de activiteiten van de aanvrager niet gericht zijn op de provincie Noord-Brabant.

Artikel 1.9 Niet subsidiabele kosten

onder b

Kosten voor regulier beheer en onderhoud zijn niet subsidiabel. Hiervoor kan subsidie worden aangevraagd op grond van de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Brabant 2016. Op grond van deze paragraaf kan uitsluitend het extra benodigde cyclische beheer en onderhoud, dat nodig is voor N2000-habitats en soorten binnen N2000 gebieden, worden gesubsidieerd.

Artikel 1.10, tweede lid, Subsidievereisten

onder f

Aanvragers van subsidie kunnen hier aangeven van welke bestaande monitoring gebruik gemaakt gaat worden om de maatregelen te volgen. Daarnaast kunnen ze zelf natuurlijk ook een check op de uitvoering hebben van maatregelen.

Paragraaf 2 Versnelling herstel stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden

Artikel 2.6 Weigeringsgronden

De weigeringsgronden in dit artikel komen in aanvulling op de weigeringsgronden uit artikel 4:25 en 4:35 Awb en de weigeringsgronden uit artikel 8 van de Asv.

Ingevolge artikel 8 Asv wordt de subsidie o.a. geweigerd indien de aangevraagde subsidie niet in voldoende mate in het algemeen provinciaal belang wordt geacht of de activiteiten van de aanvrager niet gericht zijn op de provincie Noord-Brabant.

onder a

Vanwege de staatssteunregels mag de uitvoering van een project niet zijn begonnen voordat de aanvraag voor een subsidie is ingediend. Het ‘stimulerend effect’ van de subsidie zou dan ontbreken. Juridisch bindende toezeggingen tot uitvoering dan wel andere onomkeerbare handelingen, worden beschouwd als uitvoering. Zuiver voorbereidende handelingen daarentegen zijn wél toegestaan. De kosten daarvan zijn subsidiabel voor zover gemaakt na 1 januari 2024 (artikel 2.10, eerste lid, onder b).

onder c

Projecten gericht op verwerving, functiewijziging, afkoop van pacht of erfpacht, of beheer van grond ten behoeve van natuur, vallen reeds onder het Natuurpact en worden uit dien hoofde gesubsidieerd via de Subsidieregeling realisering Natuurnetwerk Noord-Brabant en de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Brabant 2016.

onder d

De paragraaf staat alleen open voor agrariërs indien deze MKB-onderneming zijn. Of dit het geval is wordt bepaald door de Europese staatssteunregels. Een onderneming is MKB-onderneming indien er minder dan 250 personen werkzaam zijn en de jaaromzet beneden de 50 miljoen EUR blijft dan wel het jaarlijks balanstotaal beneden de 43 miljoen EUR blijft.

onder f en g

Deze weigeringsgronden komen voort uit de Europese vrijstellingsverordeningen. Daarin staat omschreven wanneer sprake is van ‘financiële moeilijkheden’. De aanvrager dient bij zijn subsidieaanvraag te verklaren dat hij niet in moeilijkheden verkeert en er tegen hem geen bevel tot terugvordering openstaat.

Artikel 2.7, eerste lid, Algemene subsidievereisten

onder e

Projecten die strijdig zijn met natuur- of waterdoelstellingen worden niet gesubsidieerd. Daarbij wordt gedacht aan strijdigheid met bijv. Natura 2000-beheerplannen, het Natuurbeheerplan, het provinciaal milieu- en waterplan, het Deltaplan Hoge Zandgronden en de verdrogingsaanpak binnen de Visie klimaatadaptatie.

onder f

In de tabel in bijlage 1 zijn drukfactoren opgenomen per Natura 2000-gebied welke in de aanvraag om een specifieke uitkering, op grond van de Regeling specifieke uitkering Programma Natuur 2e fase, die de provincie bij het Ministerie van LVVN heeft ingediend, zijn opgenomen.

De tabel is opgenomen om subsidieaanvragen duiding te geven aan de focus van de opdracht van het landelijk programma natuur.

Artikel 2.8 Aanvullende vereisten bosrevitalisering

onder c en d

In deze onderdelen is een onderscheid gemaakt tussen bossen op arme zandgronden en bossen op rijke zandgronden voor wat betreft de wijze waarop de revitalisering plaats moet vinden. Voor deze verschillende typen zandgronden geldt een andere verhouding tussen de hieronder getypeerde omvormingsmethodes.

Intensieve omvorming: meestal realisatie van door rijkstrooiselsoorten gedomineerd bos binnen 10 à 20 jaar. Dit vraagt hoge plantdichtheden, een intensieve jeugdverzorging en ook een goede wildbescherming. Vaak wordt intensieve omvorming alleen daar toegepast waar ook een snelle omvorming te verwachten is (goede vochtvoorziening en/of basenverzadiging > 25% of in combinatie met bodemverbeteraars basenverzadiging >12%). Deze omvorming bestaat met name uit:

  • verjonging onder scherm (toekomstige woudreuzen/dik dood hout);

  • terreinvoorbereiding klepelen of voren ploegen;

  • aanplant 2500 á 3000 stuks bosplantsoen per ha + natuurlijke verjonging;

  • wildraster van ursusgaas;

  • jeugdverzorging (vrijzetten aanplant om groei te verbeteren).

Standaard omvorming: meestal realisatie binnen 40 jaar van bos met 10 -25% bedekking met rijkstrooiselsoorten en natuurlijke verjonging van rijkstrooiselsoorten. Doel is tevens bodemverbetering door betere menging en structuurvariatie binnen het bos. De omvorming bestaat met name uit:

  • verjonging na groepenkap/dunning (behoud bosklimaat);

  • aanplant groot bosplantsoen (veren) 150 stuks per hectare of bosplantsoen 500 á 750 stuks per hectare;

  • individuele wildbescherming;

  • jeugdverzorging (vrijzetten aanplant om groei te verbeteren).

Extensieve omvorming: meestal gericht op het bevorderen van de menging en bosstructuur en het bevorderen van het aandeel boom- en struiksoorten met mild strooisel, die geen hoge eisen aan de groeiplaats stellen. Eventueel kunnen ook enkele zaadbomen van rijkstrooiselsoorten worden ingebracht. De omvorming bestaat met name uit:

  • aanwijzen habitatbomen, mengbomen en structuurgaten;

  • variabele dunning en groepenkap;

  • eventueel extensieve aanplant groot plantsoen rijkstrooiselsoorten;

Omvorming tot OAD-netwerk: de richtlijn voor dood hout is meestal 10% in multifunctioneel bos. De omvorming bestaat met name uit:

  • aanwijzen en vastleggen locaties met oude en dikke bomen/ al dan niet in combinatie met te vernatten laagten;

  • vellen/ringen deel bomen, hout laten liggen;

  • eventueel extensieve aanplant groot bosplantsoen rijkstrooiselsoorten.

Artikel 2.9 Aanvullende vereisten hydrologische maatregelen

onder b

Uitgesloten van subsidie zijn maatregelen die onderdeel zijn van het pakket KRW-maatregelen, zoals opgenomen in de waterbeheerplannen van de waterschappen (onder de Omgevingswet: waterbeheerprogramma’s). Deze maatregelen worden beschouwd als ‘reguliere maatregelen’, met andersoortige financieringsafspraken. Wel subsidiabel zijn hydrologische maatregelen die een plus zijn op deze KRW-maatregelen en die tevens een versnelling teweeg brengen in het herstel van stikstofgevoelige Natura2000-gebieden.

onder c

Activiteiten gericht op het optimaal grond- en oppervlaktewaterregime (OGOR) dragen bij aan:

  • een structureel hogere grondwaterstand die goed is voor de bescherming en instandhouding van habitattypen en soorten (meer water vasthouden/minder water afvoeren; en

  • een structureel minder gebruik van het grondwater met als gevolg bescherming en instandhouding van habitattypen en soorten.

Artikel 2.10, eerste lid, Subsidiabele kosten

onder g

Wat in het kader van de maatregelen onder deze paragraaf aanvullend op bestaande monitoring, nog aan monitoring dient plaats te vinden, zal per maatregel verschillen. Om die reden zullen eventuele monitoringverplichtingen nog in een subsidiebeschikking of in aanvullende overeenkomsten worden beschreven. Vooralsnog zijn alleen de kosten voor inrichting van de monitoring subsidiabel gesteld.

onder h

Schade door vernattingsmaatregelen kan ontstaan door grondwaterstijging en door toename van inundatie vanuit het oppervlaktewater, bijvoorbeeld omdat de beekbedding omhoog wordt gebracht.

onder j

De staatssteunregels sluiten productieve investeringen van agrariërs uit. Dat betekent dat alleen investeringen die niet leiden tot een ‘aanzienlijke stijging van de waarde of de rentabiliteit van het bedrijf’ voor subsidie in aanmerking komen.

onder k

De arbeids- en personeelsuren van gemeentes zijn alleen subsidiabel als zij besteed worden aan extra werkzaamheden en deze bovendien specifiek voor dit project moeten worden gemaakt. Dat betekent dat uren die besteed worden aan reguliere werkzaamheden die toch al uitgevoerd zouden moeten worden, niet gesubsidieerd worden.

Artikel 2.15, vijfde lid, Verdelingswijze

Het weigeren van subsidie bij het bereiken van het subsidieplafond is een verplichte weigeringsgrond. Het is niet wenselijk om opeenvolgende subsidies met een lager subsidiebedrag te weigeren op het moment dat met het verstrekken van een subsidie voor een in de rangorde hogere aanvraag voor een hoger subsidiebedrag het subsidieplafond bereikt zou worden. Dat betekent dat indien een aanvraag niet kan worden gehonoreerd omdat het subsidieplafond ontoereikend is, een opeenvolgende aanvraag die wel past binnen het subsidieplafond wel gehonoreerd kan worden.

Artikel 2.16 Verplichtingen van de subsidieontvanger

onder e

Deze verplichting voor niet-agrarische ondernemingen vloeit voort uit de algemene groepsvrijstellingsverordening. Door voor te schrijven dat de onderneming eventuele opbrengsten opnieuw in natuurherstel of -beheer moet steken, is het toegestaan de steunintensiteit te bepalen op 100%.

Artikel 2.17 Verantwoording

eerste, tweede en derde lid, onder c

Bij afronding van het project dient één geopackage te worden aangeleverd. Zodat duidelijk wordt waar welke maatregelen exact zijn uitgevoerd.

Artikel 2.19 Vaststelling subsidies tot €125.000

De vaststelling van subsidies vindt plaats op basis van gerealiseerde, werkelijke kosten. De staatssteunregels verplichten daartoe. Voor subsidies tot € 125.000 wordt om die reden afgeweken van de Asv. Voor subsidies vanaf € 125.000 wordt de Asv gevolgd.

Paragraaf 3 Regievoering GGA landelijk programma natuur

Artikel 3.3 Doelgroep

De doelgroep betreft organisaties en particulieren die actief deelnemen aan de overleggen van de gebiedsgerichte aanpak. Dit zijn naast de TBO’s (Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en Brabants Landschap), de verenigingen die in het gebiedsproces het belang van een bepaalde groep vertegenwoordigen (ZLTO, Brabants particulier grondbezit, de Bosgroep en de gezamenlijke agrarische collectieven), maar ook gemeenten en waterschappen.

Artikel 3.5 Subsidiabele activiteiten

Op grond van de Regeling specifieke uitkering Programma Natuur 2e fase is aan de provincie Noord-Brabant een specifieke uitkering verleend. Deze kan worden ingezet voor het herstel van stikstofgevoelige natuurgebieden en stikstofgevoelige habitats en soorten. De provincies stellen daarvoor een uitvoeringsprogramma op. De met het opstellen van dat uitvoeringsprogramma samenhangende apparaatskosten worden eveneens uit deze specifieke uitkering bekostigd.

Artikel 3.6 Weigeringsgronden

De weigeringsgronden in dit artikel komen in aanvulling op de weigeringsgronden uit artikel 4:25 en 4:35 Awb en de weigeringsgronden uit artikel 8 van de Asv.

Ingevolge artikel 8 Asv wordt de subsidie o.a. geweigerd indien de aangevraagde subsidie niet in voldoende mate in het algemeen provinciaal belang wordt geacht of de activiteiten van de aanvrager niet gericht zijn op de provincie Noord-Brabant.

Artikel 3.7, Subsidievereisten

onderdeel a

onder 1°

Van de subsidieontvanger wordt een actieve deelname verwacht aan een of meerdere gebiedsteams. Organisaties die slechts agendalid zijn, komen niet in aanmerking voor subsidie.

onder 2° en 3°

De in dit onderdeel opgenomen activiteiten die in aanmerking komen voor subsidie, betreffen slechts de gebiedsgerichte maatregelen. Maatregelen die door individuele initiatiefnemers kunnen worden getroffen zonder dat daar overleg in de GGA-teams voor nodig is, kunnen op grond van paragraaf 1

van deze subsidieregeling worden ingediend. Eventuele voorbereidingskosten (voor bijvoorbeeld het uitwerken van een plan) of onderzoekskosten kunnen ook onder die paragraaf worden aangevraagd.

onder 4°

Om een specifieke uitkering te kunnen aanvragen op grond van de Regeling specifieke uitkering Programma Natuur 2e fase, is het nodig op hoofdlijnen een pakket maatregelen te formuleren per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied. Dit bereidt de provincie in samenspraak met haar partners voor. Het overleg dat daarmee gemoeid is, is subsidiabel.

onder 5°

Gedeputeerde Staten hechten er belang aan dat alle stakeholders in een gebied voldoende betrokken zijn bij de uitwerking van de plannen. Om die reden komt het overleg dat organisaties met hun achterban moeten voeren, in aanmerking voor subsidie.

onder b

Niet voor alle stikstofgevoelige N2000-gebieden geldt dat het gebiedsproces dusdanig complex is, dat de apparaatskosten voor regievoering voor subsidie in aanmerking moeten komen. In de bijlage is een lijst weergegeven van de gebieden waarvoor de deelnemers aan de GGA-teams subsidie kunnen aanvragen.

Artikel 3.9 Niet subsidiabele kosten

onder c

Kosten die direct samenhangen met specifieke maatregelen, worden niet aangemerkt als apparaatskosten. Deze kosten zijn onder voorwaarden wel subsidiabel op grond van paragraaf 2 van deze subsidieregeling.

Het betreft dan bijvoorbeeld kosten voor planvoorbereiding, uitvoering en begeleiding van uitvoeringsmaatregelen.

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

de voorzitter,

mr. I.R. Adema

de secretaris,

drs. G.H.E. Derks MPA