Beleidsregel bijzondere bijstand Goeree-Overflakkee 2026

Geldend van 04-02-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026

Intitulé

Beleidsregel bijzondere bijstand Goeree-Overflakkee 2026

Burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee;

overwegende dat:

het college de bevoegdheid heeft om nadere regels op te stellen voor verlening van bijzondere bijstand aan inwoners en inzichtelijk te maken op grond van welke regels aanvragen bijzondere bijstand worden beoordeeld;

om redenen van rechtszekerheid en doelmatigheid het gewenst is regels vast te stellen voor het verlenen van bijzondere bijstand; en

de Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Goeree-Overflakkee op onderdelen aanpassingen en actualisering nodig hebben;

gelet op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 35 van de Participatiewet;

besluiten vast te stellen de Beleidsregel bijzondere bijstand Goeree-Overflakkee 2026.

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1 Definities

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • -

    bijstandsnorm: de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onder c van de wet, zonder toepassing van de kostendelersnorm;

  • -

    draagkracht: het gedeelte of restant van het inkomen en vermogen dat wordt gebruikt om de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan te betalen;

  • -

    gezin: het gezin als omschreven in artikel 4, eerste lid, onder c van de wet;

  • -

    inkomen: het totale netto inkomen van de alleenstaande, de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin als bedoeld in de artikelen 31, 32 en 33 van de wet; voor zelfstandig ondernemers geldt voor het inkomen uit onderneming het inkomen als bedoeld in artikel 6 van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004;

  • -

    maximale huurgrens: de huurprijs zoals genoemd in artikel 13, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag;

  • -

    vermogen: het vermogen als bedoeld in artikel 34 van de wet. Een eigen woning die door de aanvrager (en zijn gezin) zelf wordt bewoond, wordt niet tot het vermogen gerekend voor zover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd;

  • -

    wet: de Participatiewet;

  • -

    woonkosten bij huurwoning: de per maand geldende rekenhuur als omschreven in artikel 5 van de Wet op de huurtoeslag;

  • -

    woonkosten bij woning in eigendom: de tot een bedrag per maand omgerekende som van de hypotheekrente (minus de teruggave hypotheekrente voor zover belanghebbende geen Participatiewet uitkering ontvangt), de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten, premie opstalverzekering en erfpachtcanon.

Begrippen die in deze beleidsregel gebruikt worden en die niet anders omschreven worden dan in de wet, hebben dezelfde betekenis als in die wet.

Artikel 2 Algemene uitgangspunten bijzondere bijstand

  • 1.

    Bijzondere bijstand staat open voor iedere belanghebbende met een laag inkomen tot 110% van de (fictief) toepasselijke bijstandsnorm, inclusief vakantietoeslag en die geen vermogen heeft boven de in artikel 34, derde lid, van de wet van toepassing zijnde vermogensgrens.

  • 2.

    Indien belanghebbende een inkomen of vermogen heeft hoger dan genoemd in het eerste lid, wordt rekening gehouden met draagkracht, zoals omschreven in hoofdstuk 3 van deze beleidsregel.

  • 3.

    De kostendelersnorm wordt niet toegepast.

  • 4.

    Het drempelbedrag, zoals bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de wet, wordt niet toegepast.

  • 5.

    Het recht op bijzondere bijstand kan ambtshalve worden vastgesteld als het indienen van een aanvraag niet mogelijk is vanwege individuele omstandigheden.

  • 6.

    Burgemeester en wethouders kunnen een deskundige om advies vragen als dat voor het vaststellen van het recht en/of de hoogte van bijzondere bijstand noodzakelijk is.

Artikel 3 Vormen van bijstand

  • 1.

    Tenzij de beleidsregel anders bepaalt, wordt de bijzondere bijstand om niet (zonder terugbetaalverplichting) verstrekt.

  • 2.

    Bijzondere bijstand kan in de vorm van een geldlening worden verstrekt in gevallen zoals benoemd in artikel 48, tweede lid, van de wet.

  • 3.

    Bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen kan in de vorm van een geldlening worden verstrekt op grond van artikel 51 van de wet.

Hoofdstuk 2. Procedures

Artikel 4 Aanvraag

  • 1.

    De belanghebbende gebruikt voor de aanvraag een door burgemeester en wethouders beschikbaar gesteld aanvraagformulier. Het aanvraagformulier is zowel digitaal als in papieren vorm beschikbaar.

  • 2.

    Een aanvraag voor bijzondere bijstand wordt in beginsel ingediend voordat de kosten opkomen.

  • 3.

    Burgemeester en wethouders kunnen van het tweede lid afwijken, indien:

    • a.

      de kosten zijn opgekomen vóór de datum van aanvraag, met dien verstande dat:

      • de facturen niet ouder mogen zijn dan drie maanden;

      • de kosten niet langer dan zes maanden voor de datum van de aanvraag zijn opgekomen;

    • b.

      burgemeester en wethouders nog kunnen vaststellen dat de kosten zich voordoen, noodzakelijk zijn en voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 35 van de wet; en

    • c.

      de kosten nog niet zijn voldaan.

Artikel 5 Aflossing leenbijstand

  • 1.

    De afloscapaciteit van bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening wordt, voor zover en zolang een inkomen op bijstandsniveau wordt ontvangen, bepaald op 5% van de toepasselijke bijstandsnorm, inclusief vakantietoeslag.

  • 2.

    Beschikt de belanghebbende over een inkomen boven bijstandsniveau dan stellen burgemeester en wethouders de afloscapaciteit vast op een bedrag waarmee belanghebbende volledig naar vermogen aflost.

  • 3.

    Bij het vaststellen van de afloscapaciteit als genoemd in lid 2 wordt er rekening mee gehouden dat de belanghebbende tenminste beschikt over 95% van de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag.

  • 4.

    De aflossingstermijn van een geldlening bedraagt maximaal 36 maanden.

  • 5.

    Na 36 maanden wordt het restant van de lening omgezet in bijstand om niet, tenzij de belanghebbende binnen de 36 maanden niet aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan en/of de bijzondere bijstand met toepassing van artikel 48, tweede lid, van de wet als lening is verstrekt.

  • 6.

    Als een belanghebbende meerdere bijstandsleningen heeft, dan wordt de bijstandslening uit het oudste toekenningsbesluit als eerste afgelost.

  • 7.

    Als een bijstandslening samenloopt met een terugvordering, kunnen burgemeester en wethouders bepalen op welke schuld het eerste wordt afgelost.

Artikel 6 Hoogte bijzondere bijstand

  • 1.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt in beginsel vastgesteld op basis van de werkelijke kosten.

  • 2.

    Indien nodig kan voor de vaststelling van de hoogte van de bijzondere bijstand uitgegaan worden van een percentage van de bedragen, zoals vermeld in de actuele Nibud-prijzengids. Hierbij dient rekening gehouden te worden met eventuele bijzondere bepalingen in deze beleidsregel.

Hoofdstuk 3. Draagkrachtregels

Artikel 7 Algemene uitgangspunten draagkracht

  • 1.

    Bijzondere bijstand wordt verleend met inachtneming van de draagkracht van de belanghebbende en zijn gezin.

  • 2.

    De draagkracht wordt in beginsel vastgesteld met inachtneming van de middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 van de wet.

  • 3.

    De kostendelersnorm, zoals bedoeld in artikel 22a van de wet, is niet van toepassing bij de vaststelling van de draagkracht.

  • 4.

    De individuele inkomenstoeslag, zoals bedoeld in artikel 36 van de wet wordt voor de vaststelling van de draagkracht niet in aanmerking genomen, tenzij de aanvraag de aanschaf of vervanging van duurzame goederen betreft, zoals bedoeld in artikel 51 van de wet.

  • 5.

    Indien een belanghebbende is toegelaten tot de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) of deelneemt aan een minnelijke schuldregeling, wordt de belanghebbende geacht niet over draagkracht te beschikken.

Artikel 8 Draagkrachtperiode

  • 1.

    De draagkracht in het inkomen en vermogen wordt vastgesteld over een periode van 12 maanden, te rekenen vanaf de eerste dag van de kalendermaand waarop de verstrekking van de bijzondere bijstand betrekking heeft.

  • 2.

    Voor de vaststelling van de draagkracht, zoals bedoeld in het eerste lid, wordt de draagkracht, die is vastgesteld per maand, toegerekend naar een periode van 12 maanden.

  • 3.

    De vastgestelde draagkracht, zoals bedoeld in het tweede lid, wordt in geval van incidentele bijzondere noodzakelijke kosten in één keer in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten.

  • 4.

    Indien een aanvraag wordt ingediend binnen een reeds vastgestelde draagkrachtperiode, wordt geen nieuwe draagkrachtperiode vastgesteld.

  • 5.

    De draagkracht kan worden bijgesteld als er zodanige wijzigingen zijn in de persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende, dat de eerder vastgestelde draagkracht redelijkerwijs niet gehandhaafd kan blijven.

Artikel 9 Draagkracht inkomen en vermogen

  • 1.

    Belanghebbenden die een inkomen hebben tot 110% van de voor hen (fictief) van toepassing zijnde bijstandsnorm, inclusief vakantietoeslag, en die geen vermogen hebben boven de voor hen in artikel 34, derde lid, van de wet genoemde vermogensgrens, hebben in principe geen draagkracht.

  • 2.

    Het inkomen boven de 110% van de (fictief) geldende bijstandsnorm wordt volledig als draagkracht gerekend.

  • 3.

    Het inkomen van de belanghebbende wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 32 en 33 van de wet.

  • 4.

    Middelen genoemd in artikel 31, tweede lid, van de wet worden niet tot het draagkrachtinkomen van de belanghebbende gerekend

  • 5.

    Het vermogen van de belanghebbende wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van de wet.

  • 6.

    Middelen genoemd in artikel 34, tweede lid, van de wet worden niet tot het vermogen van de belanghebbende gerekend, met uitzondering van artikel 34, tweede lid, onder c;

  • 7.

    Voor de vermogensvaststelling bij bezit van een vervoermiddel en dergelijke is artikel 4 van de Beleidsregel vermogensvaststelling Participatiewet Goeree-Overflakkee van toepassing.

  • 8.

    Vermogen boven de vermogensgrenzen, zoals bedoeld in artikel 34, derde lid, van de wet wordt als volledige draagkracht gerekend.

  • 9.

    Burgemeester en wethouders wijzen een aanvraag om bijzondere bijstand af, indien de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten minder bedragen dan de vastgestelde draagkracht.

Hoofdstuk 4. Kosten in verband met wonen

Artikel 10 Woonkostentoeslag bij huur

  • 1.

    Huurtoeslag wordt geacht een voorliggende voorziening te zijn die in het algemeen passend en toereikend is als tegemoetkoming in de huurkosten.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders kunnen bijzondere bijstand in de vorm van woonkostentoeslag bij huur verlenen als:

    • a.

      de huurtoeslag niet als passende en/of toereikende voorliggende voorziening kan worden aangemerkt;

    • b.

      door redenen die belanghebbende niet te verwijten zijn over een bepaalde periode geen aanspraak op huurtoeslag kan worden gemaakt.

  • 3.

    Bij berekening van de woonkostentoeslag wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de berekeningssystematiek van de huurtoeslag.

  • 4.

    Woonkostentoeslag voor een huur tot de maximale huurgrens als genoemd in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag wordt verstrekt tot de eerstvolgende datum waarop huurtoeslag kan worden toegekend.

  • 5.

    Woonkostentoeslag voor een huur boven de maximale huurgrens als genoemd in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag wordt verstrekt voor een periode van maximaal 12 maanden. Deze periode kan worden verlengd indien dringende redenen daartoe noodzaken.

  • 6.

    De hoogte van de woonkostentoeslag als bedoeld in lid 5 wordt bepaald op een bedrag van 50 procent van het verschil tussen de kale huur volgens de overeenkomst en de maximale huurgrens.

  • 7.

    Indien belanghebbende een huurcontract aangaat voor een huur boven de maximale huurgrens en hij ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst een inkomen heeft dat recht geeft op huurtoeslag, bestaat geen recht op woonkostentoeslag.

  • 8.

    In afwijking van artikel 9 geldt bij woonkostentoeslag, dat:

    • a.

      inkomen boven de (fictief) geldende bijstandsnorm (100%), inclusief vakantietoeslag, als volledige draagkracht wordt gerekend; en

    • b.

      vermogen volledig wordt aangemerkt als draagkracht.

Artikel 11 Woonkostentoeslag bij een woning in eigendom

  • 1.

    Woonkostentoeslag bij een eigen woning wordt als noodzakelijk gezien als:

    • a.

      belanghebbende eigenaar is van de woning;

    • b.

      belanghebbende de woning zelf bewoont;

    • c.

      belanghebbende de woning redelijkerwijs niet kan verkopen of verder kan bezwaren met geldleningen;

    • d.

      het inkomen van belanghebbende niet toereikend is om de woonkosten te voldoen.

  • 2.

    Bij berekening van de woonkostentoeslag wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de berekeningssystematiek van de huurtoeslag.

  • 3.

    De woonkostentoeslag als bedoeld in dit artikel wordt maximaal 12 maanden verstrekt. Deze periode kan worden verlengd indien dringende redenen daartoe noodzaken.

  • 4.

    Als de woonkosten niet hoger zijn dan de maximale huurgrens als bedoeld in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag, wordt de woonkostentoeslag bepaald op het bedrag van de huurtoeslag die belanghebbende gelet op zijn financiële situatie op grond van de Wet op de huurtoeslag (indien hij een huurwoning zou bewonen) per maand zou ontvangen.

  • 5.

    Als de woonkosten hoger zijn dan de maximale huurgrens als bedoeld in artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag, wordt de woonkostentoeslag bepaald op het bedrag aan huurtoeslag bij woonkosten ter hoogte van de maximale huurgrens, vermeerderd met een bedrag van 50 procent van het verschil tussen de woonkosten bij eigen woning en de maximale huurgrens.

  • 6.

    Als uit onderzoek blijkt dat belanghebbende ten tijde van de aankoop van de woning, gezien de kosten en de aanwezige draagkracht, al behoefte had aan financiële ondersteuning via de woonkostentoeslag, bestaat er geen recht op woonkostentoeslag.

  • 7.

    In afwijking van artikel 9 geldt bij woonkostentoeslag, dat:

    • a.

      inkomen boven de (fictief) geldende bijstandsnorm (100%), inclusief vakantietoeslag, als volledige draagkracht wordt gerekend; en

    • b.

      vermogen volledig wordt aangemerkt als draagkracht.

Artikel 12 Woonkostentoeslag verplichtingen

  • 1.

    Aan belanghebbende kunnen aanvullende verplichtingen worden opgelegd gericht op het normaliseren van de inkomenssituatie in relatie tot de woonkosten:

    • a.

      een inspanningsverplichting gericht op het verkrijgen van voldoende inkomen om de woonkosten te kunnen betalen;

    • b.

      een inspanningsverplichting gericht op het (tijdelijk) verlagen van de woonkosten;

    • c.

      een verhuisverplichting zes maanden na toekenning van de woonkostentoeslag als belanghebbende er niet in is geslaagd zijn inkomenssituatie in relatie tot de woonkosten te normaliseren;

    • d.

      een verhuisverplichting direct bij toekenning als verwacht kan worden dat de verplichtingen genoemd onder a. en b. van dit lid onvoldoende resultaat zullen opleveren.

  • 2.

    Werkt belanghebbende niet mee aan beperking van de woonkosten of betoont belanghebbende onvoldoende besef van verantwoordelijkheden van bestaan op het gebied van woonkosten, wordt de woonkostentoeslag geweigerd of beëindigd, tenzij er sprake is van bijzondere redenen die verband houden met specifieke feitelijke omstandigheden van belanghebbende of diens gezin.

  • 3.

    Als er sprake is van bijzondere redenen genoemd in het tweede lid, wordt de woonkostentoeslag toegekend als lening op grond van artikel 48, tweede lid, Participatiewet echter niet langer dan 12 maanden.

Artikel 13 Woonkosten bij opname in een inrichting

  • 1.

    Een belanghebbende kan alleen in aanmerking komen voor bijzondere bijstand voor het doorbetalen van de woonkosten als hij alleenstaand is en voorafgaand aan de opname in de inrichting ingeschreven staat in de basisregistratie personen van de gemeente Goeree-Overflakkee.

  • 2.

    Als duidelijk is dat het een blijvende opname is, dan wordt de bijstandsnorm alleenstaande direct omgezet in de norm verblijf in inrichting en kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de woonkosten van het restant van de lopende maand, plus één maand (gelijk aan de opzegtermijn).

  • 3.

    Als onduidelijk is of de opname blijvend is, dan wordt de bijstandsnorm alleenstaande de lopende maand plus twee maanden doorbetaald. Daarna wordt de bijstandsnorm omgezet in de norm voor verblijf in een inrichting.

  • 4.

    Is na verloop van de periode genoemd onder het derde lid niet duidelijk of het een blijvende opname in de inrichting betreft, dan kan bijzondere bijstand worden verleend voor de woonkosten tot maximaal 12 maanden na de opname of totdat blijkt dat de woonstede wijzigt.

Artikel 14 Woonkosten bij kortdurende detentie

  • 1.

    Een belanghebbende kan alleen in aanmerking komen voor bijzondere bijstand voor het doorbetalen van de woonkosten als:

    • a.

      die persoon alleenstaand is en voorafgaand aan de detentie ingeschreven staat in de basisregistratie personen van de gemeente Goeree-Overflakkee;

    • b.

      die persoon in Nederland in detentie verblijft;

    • c.

      de mogelijkheid tot reserveren heeft ontbroken. De richtlijn voor de reserveringscapaciteit bedraagt 5% van de toepasselijke bijstandsnorm vanaf het moment van de veroordeling tot het moment van de daadwerkelijke detentie;

    • d.

      in de vijf jaren voorafgaand aan de aanvraag niet eerder bijzondere bijstand in verband met doorbetaling van de woonkosten bij verblijf in detentie is verstrekt.

  • 2.

    De bijzondere bijstand, bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt in de vorm van een lening.

  • 3.

    In afwijking van de draagkrachtregeling in artikel 9 worden bij verlening van bijzondere bijstand voor de woonkosten van het aanhouden van de woning in geval van detentie alle middelen in aanmerking genomen. Hieronder valt ook het eigen (bescheiden) vermogen.

  • 4.

    De bijzondere bijstand, bedoeld in het eerste lid:

    • a.

      wordt niet verstrekt voor de woonkosten in de eerste maand van de detentie. Van de belanghebbende wordt verwacht dit zelf te kunnen opvangen;

    • b.

      wordt niet verstrekt indien op voorhand vast staat dat de detentie langer duurt dan zes maanden;

    • c.

      wordt beëindigd indien, na de datum van het besluit tot verlening van bijzondere bijstand op grond van het eerste lid, bekend wordt dat de totale periode van detentie meer dan zes maanden bedraagt; de beëindiging gaat in op de eerste dag van de volgende maand na het bekend worden van de detentieduur.

Hoofdstuk 5. Jongeren in een inrichting

Artikel 15 Jongeren in een inrichting

  • 1.

    Aan jongeren tot 21 jaar die, zoals bedoeld in artikel 13, tweede lid, onder a van de wet, in een inrichting verblijven op grond artikel 1, onderdeel f, van de wet, kan periodiek bijzondere bijstand worden verstrekt.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand is de norm als bedoeld in artikel 20, eerste en tweede lid, van de wet.

  • 3.

    De bijzondere bijstand wordt verstrekt op basis van artikel 35 van de wet.

  • 4.

    De bijzondere bijstand wordt alleen verstrekt als er een onderzoek heeft plaatsgevonden als bedoeld in artikel 1:395a BW (onderhoudsrecht/-plicht) en er geen recht bestaat op een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 van de wet.

  • 5.

    Het niet te gelde kunnen maken van het onderhoudsrecht, zoals bedoeld in artikel 1:395a BW wordt aangenomen indien:

    • a.

      de belanghebbende gedurende een periode langer dan 12 maanden voorafgaande aan de aanvraag niet in gezinsverband met zijn ouders heeft gewoond;

    • b.

      de belanghebbende met een partner en/of kind een gezin vormt;

    • c.

      er sprake is van een ernstig verstoorde relatie tussen de belanghebbende en zijn ouders;

    • d.

      beide ouders zijn overleden of in het buitenland wonen;

    • e.

      één van de ouders is overleden en de andere ouder in het buitenland woont.

Hoofdstuk 6. Duurzame gebruiksgoederen, inrichtings- en stofferingskosten

Artikel 16 Duurzame gebruiksgoederen en inrichtingskosten

  • 1.

    De kosten van duurzame gebruiksgoederen en inrichtingskosten behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. In beginsel dienen deze kosten uit het eigen inkomen te worden betaald door middel van reservering of gespreide betaling achteraf.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan er bijzondere bijstand worden verstrekt als er sprake is van noodzaak, bijzondere omstandigheden en als er geen reservering mogelijk is geweest.

  • 3.

    Burgemeester en wethouders stimuleren de aanschaf van tweedehands gebruiksgoederen, met uitzondering van witgoed. Burgemeester en wethouders verplicht belanghebbende om witgoed nieuw aan te schaffen.

  • 4.

    De hoogte van de te verstrekken bijzondere bijstand bedraagt in beginsel maximaal 50 procent van de richtprijzen voor de betreffende gezinssamenstelling op het moment van datum aanvraag, als vermeld in de actuele prijzengids van het Nibud.

  • 5.

    In afwijking van het vierde lid wordt voor de aanschaf van witgoed 100 procent van de richtprijzen, als vermeld in de actuele prijzengids van het Nibud, verstrekt.

  • 6.

    Bij wijziging van de gezinssamenstelling door bijvoorbeeld een (nareizende) partner of (nareizend) inwonend kind wordt een aanvulling op de bijzondere bijstand verleend van maximaal 50 procent van het verschil tussen de richtprijzen van de nieuwe gezinssamenstelling en eerdere gezinssamenstelling.

  • 7.

    Als het (nareizend) inwonend kind meerderjarig is, wordt de bijzondere bijstand verleend aan de ouder(s) van het betreffende kind.

  • 8.

    De bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen en inrichtingskosten, wordt in beginsel als lening verstrekt tenzij er bijzondere omstandigheden zijn.

Artikel 17 Stofferingskosten

  • 1.

    Burgemeester en wethouders kunnen bijzondere bijstand verlenen voor de kosten van stoffering als er sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten.

  • 2.

    Als stofferingskosten worden aangemerkt: verf, behang, vloerbedekking/laminaat en raambekleding.

  • 3.

    De hoogte van de te verstrekken bijzondere bijstand bedraagt in beginsel maximaal 100 procent van de richtprijzen als vermeld in de actuele prijzengids van het Nibud.

  • 4.

    De bijzondere bijstand voor stofferingskosten wordt om niet verstrekt.

Artikel 18 Intrekking oude beleidsregel

De Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Goeree-Overflakkee worden ingetrokken met ingang van 1 januari 2026.

Artikel 19 Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2026.

Artikel 20 Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel bijzondere bijstand Goeree-Overflakkee 2026.

Aldus vastgesteld op 27 januari 2026 door

burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee,

S. van Heeren mr. A. Grootenboer-Dubbelman

secretaris burgemeester

Ondertekening

Toelichting

Toelichting algemeen

Aanleiding

Op 1 januari 2026 is fase 1 van spoor 1 van de Participatiewet in balans in werking getreden. De Participatiewet in balans is een ingrijpende wijziging van de Participatiewet en heeft als doel de Participatiewet beter te laten aansluiten op de mogelijkheden en omstandigheden van de mensen die daarop zijn aangewezen. Niet de regels, maar de mens centraal. Kernbegrippen zijn hierbij menselijke maat, vertrouwen en vereenvoudiging. De wijzigingen moet leiden tot een betere en voorspelbaardere dienstverlening aan inwoners met een bijstandsuitkering en meer handelingsruimte om dat mogelijk te maken. De eerste fase van de Participatiewet in balans betekent voor ons beleid bijzondere bijstand een wettelijk noodzakelijke aanpassing met betrekking tot de jongerennorm.

Ook de Wet op de huurtoeslag is met ingang van 1 januari 2026 gewijzigd. Dit heeft gevolgen voor de woonkostentoeslag en heeft geleid tot een noodzakelijke aanpassing. Er is tevens voor gekozen om beleid op te nemen over het verstrekken van bijzondere bijstand voor woonkosten bij tijdelijke opname in een inrichting of kortdurende detentie.

De beleidsregel bijzondere bijstand Goeree-Overflakkee 2026 is gebaseerd op het maatwerkprincipe. Daarom is ervoor gekozen om niet uitputtend beleidsregels op te stellen.

Deze beleidsregel vervangt de Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Goeree-Overflakkee.

De juridische grondslag van deze beleidsregel is artikel 35 van de Participatiewet.

Criteria bijzondere bijstand

Door bijzondere omstandigheden kan zich de situatie voordoen dat de uitkeringsnorm of het inkomen niet volledig toereikend is om bepaalde noodzakelijke uitgaven te doen. Als een persoon voor dergelijke kosten geen beroep kan doen op een voorliggende voorziening, kan de gemeente bijzondere bijstand verstrekken. Criteria voor vergoeding van kosten door middel van bijzondere bijstand zijn:

  • -

    Doen de kosten zich voor?

  • -

    Zijn de kosten noodzakelijk?

  • -

    Is er sprake van bijzondere omstandigheden?

  • -

    Kunnen de kosten worden bekostigd uit een voorliggende voorziening?

  • -

    Heeft de belanghebbende voldoende draagkracht?

  • -

    Heeft de belanghebbende voor de kosten kunnen reserveren?

Een voorliggende voorziening is een voorziening die gezien haar aard en doel geacht wordt passend en toereikend te zijn voor de belanghebbende. Als voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 Participatiewet en het bepaalde in deze beleidsregel wordt in ieder geval begrepen (niet limitatief):

  • -

    Wet langdurige zorg;

  • -

    Zorgverzekeringswet;

  • -

    Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • -

    Wet op de huurtoeslag;

  • -

    Wet op de zorgtoeslag;

  • -

    Wet kinderopvang.

Als in een voorliggende voorziening de gemaakte kosten niet volledig worden vergoed, is er in beginsel ook sprake van een passende en toereikende voorliggende voorziening. De prestaties en vergoedingen op grond van de Zorgverzekeringswet zijn volgens vaste rechtspraak voor medische en paramedische kosten een aan de wet voorliggende, toereikende en passende voorziening. Volgens de rechtspraak is in het algemeen een bewuste keus gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van deze kosten. Worden deze kosten dus niet vergoed uit de verplichte basisverzekering dan kan de aanvraag bijzondere bijstand in beginsel worden afgewezen. Bij iedere aanvraag zal echter, indien nodig, onderzocht moeten worden of het noodzakelijk is om maatwerk toe te passen. In verband met het vaststellen van de noodzaak van de gemaakte kosten kan zo nodig advies worden ingewonnen bij derden, bijvoorbeeld medisch advies.

Als sprake is van een (deels) negatieve beschikking, neemt de gemeente contact op met de belanghebbende om deze in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te brengen. Het is mogelijk dat uit dit contact nieuwe gegevens komen die aanleiding kunnen zijn om het voorgenomen besluit te herzien. Pas daarna volgt een gemotiveerde schriftelijke (gedeeltelijke) afwijzing.

Maatwerk en integrale aanpak

Bijzondere bijstand is financieel en beleidsmatig gedecentraliseerd aan gemeenten, omdat op lokaal niveau – dichtbij de inwoner – maatwerk kan worden geboden rekening houdend met individuele en lokale omstandigheden.

Een aanpak op individueel niveau is nodig om de financiële ondersteuning gericht in te zetten en om een brede integrale aanpak mogelijk te maken. Een integrale aanpak waarbij ook de persoonlijke en maatschappelijke situatie van de belanghebbende wordt verbeterd en waarbij de belanghebbende – waar mogelijk – deelneemt aan het arbeidsproces. Dit vraagt afstemming met bijvoorbeeld de afdeling Wmo, re-integratie, schuldhulpverlening en maatschappelijke partners.

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1 – Definities

Dit artikel behoeft geen verdere toelichting

Artikel 2 – Algemene uitgangspunten bijzondere bijstand

Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de Participatiewet en de daarin opgenomen mogelijkheden tot het verstrekken van individuele bijzondere bijstand. De bijzondere bijstand is wettelijk geregeld in artikel 35 van de Participatiewet. In dit artikel is bepaald dat bijzondere bijstand wordt verstrekt voor de noodzakelijke kosten van bestaan die als gevolg van bijzondere individuele omstandigheden niet kunnen worden voldaan uit de algemene bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de toepasselijke bijstandsnorm. Voor deze beleidsregel bijzondere bijstand geldt dat als belanghebbenden een inkomen hebben tot 110% van de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag en geen vermogen boven de voor hen in artikel 34, derde lid van de wet genoemde vermogensgrens, zij in principe geen draagkracht hebben. Bedraagt het inkomen 110% van de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantiegeld, of hoger, en er is onvoldoende draagkracht om deze bijzondere noodzakelijke kosten zelf te voldoen, kan er ook recht bestaan op bijzondere bijstand. Niet de aard van de kosten is bepalend, maar de omstandigheden van de belanghebbende. De beoordeling van deze bijzondere individuele omstandigheden is aan het college. De landelijk geregelde bijstandsnorm en de eventueel daarop verleende toeslag zijn in de regel toereikend om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien.

Voor het domicilie geldt artikel 40 van de Participatiewet, waarbij het feitelijk verblijf bepalend is.

Bij het vaststellen van de noodzaak en/of hoogte van de bijzondere bijstand is het college niet altijd ter zake kundig. In die gevallen heeft het college de bevoegdheid om advies van een deskundige in te winnen. De belanghebbende zal medewerking moeten verlenen aan het onderzoek (artikel 17, tweede lid, van de Participatiewet).

Artikel 3 – Vormen van bijstand

In dit artikel is de vorm van bijstand geregeld, en ook de mogelijkheden om hiervan af te wijken. Bijvoorbeeld bij tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan worden afgeweken van de hoofdregel dat de bijstand om niet wordt verstrekt. Hierbij moet gedacht worden aan situaties waarin de belanghebbende door eigen toedoen (eerder) een beroep op bijstand moet doen, bijvoorbeeld door het te snel interen op een vermogensoverschot. De bijstand kan dan met toepassing van artikel 48, tweede lid, onder b, van de wet in de vorm van een geldlening worden verstrekt. Met betrekking tot het gestelde onder het derde lid wordt verwezen naar hoofdstuk 6 van deze beleidsregel – Duurzame gebruiksgoederen, inrichtings- en stofferingskosten.

Hoofdstuk 2. Procedures

Artikel 4 – Aanvraag

Een aanvraag wordt bij voorkeur digitaal ingediend.

Dit artikel bepaalt de hoofdregel. In het algemeen geldt dat de aanvraag moet worden ingediend voor het moment waarop de betalingsverplichting voor de betreffende kosten ontstaat (bijv. ECLI:NL:CRVB:2016:2715 en ECLI:NL:CRVB:2007:BA6875).

Het derde lid bepaalt dat het college kan afwijken van de hoofdregel. Er kan op grond van dit lid met terugwerkende kracht bijzondere bijstand worden verstrekt, mits de kosten niet langer geleden dan zes maanden voor de aanvraag zijn opgekomen én de nota’s niet ouder zijn drie maanden. Het college beoordeelt of de aanvraag op tijd is ingediend en of de kosten daadwerkelijk in rekening zijn gebracht aan de hand van de factuur. Voor het recht op bijzondere bijstand moet het college nog wel de noodzaak van de kosten kunnen vaststellen én of het om uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten gaat.

Artikel 5 – Aflossing leenbijstand

Dit artikel behoeft geen verdere toelichting

Artikel 6 – Hoogte bijzondere bijstand

Met dit artikel wordt geregeld dat de bijzondere bijstand in beginsel wordt bepaald op de werkelijke kosten. Als de hoogte van de kosten niet duidelijk is, kan op basis van de Nibud-prijzengids de bijzondere bijstand worden vastgesteld, waarbij rekening gehouden wordt met specifieke bepalingen in deze beleidsregel, zoals in hoofdstuk 6 - Duurzame gebruiksgoederen, inrichtings- en stofferingskosten - het geval is.

Hoofdstuk 3. Draagkrachtregels (artikelen 7, 8 en 9)

De bijzondere bijstand is niet alleen voor bijstandsgerechtigden. Bijzondere bijstand is toegankelijk voor iedereen met een laag inkomen. Bepalend is de draagkracht van de belanghebbenden, waarbij het inkomen met de van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt vergeleken. Bij geen of slechts een beperkte draagkracht, kan aanspraak op bijzondere bijstand bestaan voor specifieke kosten, die niet uit het reguliere inkomen of uit de algemene bijstand kunnen worden voldaan. De bijzondere noodzakelijke kosten moeten de draagkracht te boven gaan.

De individuele inkomenstoeslag wordt alleen tot de draagkracht gerekend als bij de aanvraag om bijzondere bijstand voor inrichtingskosten en/of de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen, zoals genoemd in artikel 51 van de wet, aanspraak op individuele inkomenstoeslag kan worden gemaakt. De individuele inkomenstoeslag is er namelijk voor huishoudens die al meerdere jaren moeten rondkomen van een minimuminkomen en daardoor moeilijk kunnen reserveren voor onverwachte uitgaven zoals duurzame gebruiksgoederen.

Bij het bepalen van de draagkracht gaat het college uit van het inkomen en vermogen waarover de belanghebbende beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Indien een belanghebbende is toegelaten tot de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) of deelneemt aan een minnelijke schuldregeling kan hij niet beschikken over zijn gehele inkomen. Dit geldt ook als er sprake is van executoriaal beslag op het inkomen van de belanghebbende. In die gevallen heeft de belanghebbende geen feitelijke bestedingsmogelijkheden of beschikkingsbevoegdheid over dat deel van het inkomen. Bij de berekening van de draagkracht in het kader van de bijzondere bijstand mag dan ook geen rekening worden gehouden met dat (deel van het) inkomen. Bij een aanvraag om bijzondere bijstand moet wel worden beoordeeld, of het traject goed verloopt en de belanghebbende zich aan de afspraken houdt. In de aanloop naar een schuldregeling (bijvoorbeeld in de stabilisatiefase) heeft de belanghebbende nog wel de beschikking over zijn inkomen en dient hiermee rekening te worden gehouden bij de berekening van de draagkracht. Op het moment dat de belanghebbende start met een schuldregeling kan vervolgens op grond van artikel 8, vijfde lid, van deze beleidsregel de eerder vastgestelde draagkracht opnieuw worden vastgesteld.

De middelen zoals genoemd in paragraaf 3.4 van de wet worden bij de vaststelling van de draagkracht in aanmerking genomen. De middelen genoemd in artikel 31, tweede lid, van de wet worden niet bij de berekening van de draagkracht meegenomen. Middelen genoemd in artikel 34, tweede lid, van de wet worden niet tot het vermogen gerekend, met uitzondering van de tijdens de periode van bijstand opgebouwde spaargelden, zoals in onderdeel c. staat omschreven.

Voor zover het inkomen meer bedraagt dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, dient het verschil te worden aangewend voor de betaling van de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten. Voor zover deze kosten niet voldaan kunnen worden uit de aanwezige draagkracht, bestaat aanspraak op bijzondere bijstand.

In beginsel wordt slechts éénmaal per draagkrachtjaar een draagkrachtberekening uitgevoerd. De draagkracht wordt telkens voor een periode van één jaar vastgesteld. De periode van een jaar start op de eerste dag van de kalendermaand waarop de verstrekking van de bijzondere bijstand betrekking heeft. Op het moment dat gedurende het draagkrachtjaar een nieuwe aanvraag wordt ingediend wordt er geen nieuwe draagkrachtberekening gemaakt, maar wordt er gebruik gemaakt van de al aanwezige draagkrachtberekening. Er kan echter aanleiding zijn om de vastgestelde draagkracht aan te passen als er zich wijzigingen voordoen in het inkomen of vermogen die een hogere of lagere draagkracht tot gevolg zouden kunnen hebben. Ook een wijziging in de gezinsomstandigheden, zoals huwelijk, echtscheiding of overlijden, kan aanleiding zijn voor een aanpassing.

Bij het vaststellen van de draagkracht ten behoeve van een aanvraag voor incidentele bijzondere bijstand wordt de draagkracht op basis van 12 maanden berekend. De berekende draagkracht wordt vervolgens in mindering gebracht op de bijzondere noodzakelijke kosten. Bij het vaststellen van de draagkracht ten behoeve van een aanvraag voor periodieke bijzondere bijstand wordt de draagkracht eveneens op basis van 12 maanden berekend en verdeeld over het aantal maanden waarop de verstrekking betrekking heeft, uiteraard met een maximum van 12 maanden. Deze verdeelde draagkracht wordt vervolgens maandelijks in mindering gebracht op de bijzondere noodzakelijke kosten.

Hoofdstuk 4. Kosten in verband met wonen

Artikel 10 – Woonkostentoeslag bij huur

Als hoofdregel geldt dat de Wet op de huurtoeslag als een voorliggende passende en toereikende voorziening wordt aangemerkt (ECLI:NL:CRVB:2010:BM3482). De Wet op de huurtoeslag kan niet in alle gevallen als passende en toereikende voorliggende voorziening worden aangemerkt omdat de huurtoeslag bijvoorbeeld wordt verstrekt met ingang van de eerste van de maand (ECLI:NL:CRVB:2014:1945). De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld aan de hand van de berekeningssystematiek van de Wet op de huurtoeslag. Eventueel door de Belastingdienst eerder toegekende huurtoeslag wordt in mindering gebracht op de woonkostentoeslag. Als belanghebbende nog geen huurtoeslag heeft aangevraagd dient dit te worden opgelegd als een aanvullende verplichting volgens artikel 55 Participatiewet bij de toekenning. Als het inkomen plotseling is gedaald buiten de schuld van belanghebbende om, kan de belanghebbende in aanmerking komen voor een tijdelijke woonkostentoeslag. Dit is alleen mogelijk als er sprake is van omstandigheden, die belanghebbende niet te verwijten zijn.

Bij een huur hoger dan de maximale huurgrens voor huurtoeslag wordt de duur van de woonkostentoeslag in principe afgebakend op 12 maanden. Deze periode kan worden verlengd indien dringende redenen daartoe noodaken. De duur van de verlenging en de voorwaarden waaronder blijft altijd maatwerk. Denk bij dringende redenen bijvoorbeeld aan sociale of medische omstandigheden.

Als er sprake is van een tekortschietend besef in de verantwoordelijkheden van het bestaan, bijvoorbeeld door het aangaan van een huurovereenkomst met een hogere huur dan met het inkomen van belanghebbende kan worden betaald, bestaat er geen recht op woonkostentoeslag.

In afwijking van artikel 9 van deze beleidsregel wordt de ruimte in het inkomen boven de (fictief) van toepassing zijnde bijstandsnorm in zijn geheel aangemerkt als draagkracht. Ook wordt het gehele vermogen aangemerkt als draagkracht.

Artikel 11 – Woonkostentoeslag bij een woning in eigendom

Het college sluit bij het verlenen van een woonkostentoeslag aan eigen woningbezitters aan op de systematiek van de Wet op de huurtoeslag (ECLI:NL:CRVB:2014:4242). Ook voor woningeigenaren geldt dat zij niet te duur moeten blijven wonen (ECLI:NL:CRVB:2012:BX1676).

De voorlopige teruggave inkomstenbelasting wordt op grond van artikel 32, lid 1, Participatiewet als inkomen toegerekend aan de periode waarop deze teruggave betrekking heeft. Het college betrekt deze bij de berekening van de bijzondere bijstand en brengt deze in mindering op de totale woonkostentoeslag (ECLI:NL:CRVB:2014:2384).

Bij de berekening van de hoogte van de woonkostentoeslag dient alleen rekening gehouden te worden met de voorlopige teruggave hypotheekrente voor zover belanghebbende geen Participatiewet uitkering ontvangt. Immers, in dat geval wordt dit als middel verrekend met de bijstandsuitkering.

Ook hier geldt dat als er sprake is van een tekortschietend besef in de verantwoordelijkheden van het bestaan, bijvoorbeeld door het aangaan van een koopovereenkomst met een hogere hypotheek dan met het inkomen van belanghebbende kan worden betaald, er geen recht op woonkostentoeslag bestaat.

In afwijking van artikel 9 van deze beleidsregel wordt de ruimte in het inkomen boven de (fictief) van toepassing zijnde bijstandsnorm in zijn geheel aangemerkt als draagkracht. Ook wordt het gehele vermogen aangemerkt als draagkracht.

Artikel 12 – Woonkostentoeslag verplichtingen

Het college heeft op grond van artikel 55 Participatiewet een discretionaire bevoegdheid om nadere verplichtingen op te leggen die zijn verbonden aan het recht op bijstand. Deze verplichtingen strekken in dit geval tot vermindering of beëindiging van bijstand. Bij het verlenen van bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag maakt het college in principe gebruik van deze bevoegdheid omdat betrokkenen, in relatie tot de hoogte van hun inkomen, niet te duur mogen wonen. Dat geldt voor huurders (ECLI:NL:CRVB:2016:190 en ECLI:NL:CRVB:2016:77) maar ook voor ook woningeigenaren (ECLI:NL:CRVB:2013:1957 en ECLI:NL:CRVB:2014:4242). Om de inkomenssituatie te normaliseren ten opzichte van de woonsituatie, maar ook omgekeerd, kan het college de in dit artikel genoemde aanvullende verplichtingen opleggen.

Belanghebbende kan desgevraagd of uit eigen beweging een beroep doen op bijzondere omstandigheden waarom hij niet aan de verplichtingen heeft voldaan of kan voldoen. Het college heeft de plicht om belanghebbende te bevragen naar bijzondere omstandigheden. Belanghebbende zal een beroep op bijzondere omstandigheden zelf nader moeten onderbouwen. Het college kan bij de beoordeling van de aanvraag ook feitelijk tot de conclusie komen dat hier (impliciet) een beroep op wordt gedaan. Het moet in voorkomende gevallen gaan om specifieke feitelijke omstandigheden van de belanghebbende of diens gezin die het college vaststelt. Gedacht kan worden aan een wettelijk schuldhulpverleningstraject, een aanvraag om jeugdhulp op grond van de Jeugdwet of individuele begeleiding op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Het niet honoreren van de woonkostentoeslag zou in voorkomende gevallen onredelijk kunnen zijn omdat het college daarmee de noodzaak van de (te bieden) ondersteuning zou miskennen of (de voortzetting, dan wel het welslagen van) die ondersteuning juist ondermijnen.

In deze situatie kan het college de woonkostentoeslag toekennen in de vorm van een geldlening onder toepassing van de verplichtingen genoemd in dit artikel. Let wel, deelname aan een wettelijk schuldhulpverleningstraject betekent niet dat het college de bijzondere bijstand niet als lening zou mogen verstrekken. Verder worden, naast de reguliere verhuisplicht, extra nadere verplichtingen verbonden aan de bijzondere bijstand, namelijk dat belanghebbende zich in voorkomende gevallen houdt aan de voorwaarden die verbonden (kunnen) zijn aan de hier bedoelde ondersteuning. Dat gebeurt dan ook onder toepassing van artikel 55 Participatiewet. Bij een volgende aanvraag om woonkostentoeslag (verlenging) zal het college ook moeten beoordelen of aan deze voorwaarde(n) is voldaan. Is dat niet het geval, dan ligt het niet voor de hand dat wederom met succes een beroep kan worden gedaan op bijzondere omstandigheden.

Artikel 13 – Woonkosten bij opname in een inrichting

Het college kan een belanghebbende die als alleenstaande wordt aangemerkt en tijdelijk verblijft in een inrichting bijzondere bijstand verlenen voor de doorbetaling van de woonkosten als het aanhouden van de woning noodzakelijk is. Hiermee wordt beoogd om bij te dragen aan woonstabiliteit en een soepele terugkeer naar een zelfstandige woonsituatie.

De tijdelijke aard van de opname in de inrichting speelt een belangrijke rol bij de beoordeling of en voor welke periode bijzondere bijstand voor de woonkosten in verband met het aanhouden van de woning wordt verleend. Bij een verblijf in een inrichting van meer dan 12 maanden kan niet meer gesproken worden van een tijdelijk karakter. Het ligt voor de hand dat de belanghebbende permanent in een inrichting zal verblijven op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz).

Artikel 14 – Woonkosten bij kortdurende detentie

In afwijking van artikel 13, eerste lid onder a, van de wet kan het college bijzondere bijstand verlenen aan een alleenstaande voor de doorbetaling van de woonkosten bij kortdurende detentie. Hiermee wordt beoogd te voorkomen dat de belanghebbende tijdens zijn afwezigheid zijn woning kwijt raakt en hierdoor in een onstabiele woonsituatie terecht komt en re-integratie in de maatschappij hierdoor bemoeilijkt wordt.

De periode waarin het college bijzondere bijstand kan verlenen is begrensd. Op voorhand staat echter niet altijd vast hoe lang de detentieperiode zal zijn. Ook kan het voorkomen dat er meerdere vonnissen worden uitgesproken. Verder is het zo dat bij de vaststelling van de periode rekening moet worden gehouden met de voorwaardelijke invrijheidstelling. De periode van het voorarrest wordt ook meegeteld bij de vaststelling van de detentieperiode.

De bijzondere bijstand wordt in de vorm van een lening verstrekt. Woonkosten zijn algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan die in beginsel bestreden moeten worden uit het eigen inkomen. Aangezien detentie het gevolg is van verwijtbaar gedrag, acht het college het onwenselijk de bijzondere bijstand om niet te verstrekken.

Hoofdstuk 5. Jongeren in een inrichting

Artikel 15 – Jongeren in een inrichting

Met de harmonisatie van de jongerennorm in het kader van de Participatiewet in balans heeft de jongere van 18 tot 21 jaar niet langer recht op aanvulling van de jongerennorm van artikel 20, eerste en tweede lid, van de wet, via de bijzondere bijstand, maar via de algemene bijstand. In artikel 20, derde lid, van de wet is de verhoogde jongerennorm opgenomen.

Dit geldt niet voor jongeren van 18 tot 21 jaar die in een inrichting verblijven. Zij hebben geen recht op algemene bijstand op grond van artikel 13, tweede lid, onder a, van de wet. Wel kan bijzondere bijstand worden verstrekt op grond van artikel 35 van de Participatiewet. Ook daarvoor geldt dat eerst moet worden beoordeeld of de ouders kunnen bijdragen in de kosten (onderhoudsplicht), zoals bedoeld in artikel 1:395a BW. Voor de hoogte van de bijzondere bijstand wordt aangesloten bij de normen, zoals die zijn opgenomen in artikel 20, eerste en tweede lid, van de wet. Bijzondere bijstand is in principe niet bedoeld voor de (reguliere) kosten van levensonderhoud. Daarom moet de toekenning van de bijzondere bijstand in deze situaties goed worden gemotiveerd.

Hoofdstuk 6. Duurzame gebruiksgoederen, inrichtings- en stofferingskosten

Artikel 16 – Duurzame gebruiksgoederen en inrichtingskosten

De kosten van woninginrichting en de aanschaf of vervanging van duurzame gebruiksgoederen behoren tot de normale kosten van het bestaan. Deze kosten zijn in de meeste gevallen noodzakelijk maar niet bijzonder. Men kan hiervoor reserveren of achteraf gespreid betalen als hiervoor een lening is afgesloten. Een lening wordt gezien als een voorliggende voorziening. Daarnaast wordt geacht dat men met een inkomen op bijstandsniveau kan reserveren voor onverwachte uitgaven. In veel gevallen is er ook sprake van voorzienbaarheid. Het kan echter voorkomen dat er sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college kan besluiten bijzondere bijstand te vertrekken. Een reden voor verstrekking van bijzondere bijstand kan bijvoorbeeld zijn het ontbreken van de mogelijkheid tot reserveren. Uit jurisprudentie volgt dat onder bepaalde omstandigheden een gebrek aan reserveringscapaciteit als gevolg van schulden een bijzondere omstandigheid is die tot verlening van bijzondere bijstand kan leiden, zie ECLI:NL:CRVB:2023:2263.

Hoewel het hebben van schulden in beginsel niet gezien wordt als een bijzondere omstandigheid, wil het college voor bepaalde belanghebbenden afwijken van deze regel. Het gaat veelal om belanghebbenden die deelnemen aan een minnelijke schuldregeling of op wie de WSNP van toepassing is verklaard, die een noodzakelijke uitgave voor (de vervanging van) een duurzaam gebruiksgoed moeten doen. Er moet dan sprake zijn van een acute situatie waarin geen mogelijkheden voor reservering zijn geweest. Bij de overwegingen over de noodzaak en bijzondere omstandigheden wordt ook de aanwezigheid van minderjarige kinderen betrokken.

De aanschaf van duurzame gebruiksgoederen is alleen voor de essentiële woonruimtes: de woonkamer, de slaapkamer, de keuken, de badkamer. De belanghebbende moet kunnen verblijven, slapen, eten koken en zichzelf verzorgen. De verstrekking moet noodzakelijk zijn en de aanvrager moet het kunnen voorzien in de goedkoopst adequate voorziening. Noodzakelijk zijn in elk geval die duurzame gebruiksgoederen die het functioneren van een huishouden mogelijk maken.

Voor wat betreft de hoogte van de te verstrekken bijzondere bijstand vindt het college dat van de belanghebbende mag worden verwacht dat hij tracht de kosten zo laag mogelijk te houden. Om die reden is het uitgangspunt om duurzame gebruiksgoederen tweedehands aan te schaffen. Vanuit het oogpunt van duurzaamheid dient witgoed nieuw te worden aangeschaft. Voor het bepalen van de hoogte van de bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen wordt de meest actuele prijzengids van het Nibud gebruikt. Uitgangspunt is dat we maximaal 50 procent van richtprijzen van de prijzengids verstrekken. Aangezien voor witgoed de verplichting wordt opgelegd om deze nieuw aan te schaffen, wordt hiervoor 100 procent van deze richtprijzen als bijzondere bijstand verstrekt.

Onder noodzakelijk witgoed wordt verstaan: (elektrisch) fornuis/kooktoestel, koel/vriescombinatie, wasmachine en afzuigkap.

Het college verstrekt de bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen en inrichtingskosten in beginsel als lening. De bijzondere bijstand kan om niet worden verstrekt wanneer de individuele situatie hiervoor aanleiding geeft. Bijzondere omstandigheden kunnen bijvoorbeeld bestaan uit het ontbreken van aflossingscapaciteit.

Artikel 17 – Stofferingskosten

Stofferingskosten vallen niet onder de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen en daarmee niet onder artikel 51, eerste lid, van de Participatiewet. Dit betekent dat bijzondere bijstand voor stofferingskosten om niet verleend dient te worden gelet op artikel 48, eerste lid, van de Participatiewet.

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen (artikelen 18, 19 en 20)

Deze artikelen behoeven geen verdere toelichting