Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR756251
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR756251/1
Beleidsplan omgevingsveiligheid Westland
Geldend van 04-02-2026 t/m heden
Intitulé
Beleidsplan omgevingsveiligheid WestlandDe raad van de gemeente Westland;
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 2 september 2025, nummer 25-0100301, met de volgende bijlage(n):
- -
Beleidsplan omgevingsveiligheid Westland
gelet op het bepaalde in artikel 1.3, 1.7a, 1.8 en 2.1 van de Omgevingswet alsmede de artikelen 156 en 108 van de Gemeentewet;
gehoord het advies van de commissie Ruimte van 7 oktober 2025 en gehoord de beraadslagingen
van onderhavige vergadering;
besluit:
Het beleidsplan omgevingsveiligheid Westland vast te stellen.
Begrippenlijst
|
Wat we beschermen |
|
|
Beperkt kwetsbare gebouwen (BKG) |
Gebouwen aangewezen in bijlage VI (onderdeel A) van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Bedoeld zijn gebouwen waarinmensen kort of tijdelijk verblijven, maar niet in hoge aantallen en geen kwetsbare groepen.Denk bijvoorbeeld aankantoren (maximaal bvo van 1500m2), winkels, hotels, pensions en sporthallen. |
|
Beperkt kwetsbare locaties (BKL) |
Locaties aangewezen in bijlage VI (onderdeel B) van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Bedoeld zijn locaties waar mensen kort of tijdelijk verblijven, maar niet in hoge aantallen en geen kwetsbare groepen. Denk bijvoorbeeld aan campings (tot 50 personen) en evenementen (tot 5000 personen). |
|
Kwetsbare gebouwen (KG) |
Gebouwen aangewezen in bijlage VI (onderdeel C) van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Bedoeld zijn gebouwen met een woonfunctie (met een aantal uitzonderingen), grote bijeenkomstfuncties, kantoorfuncties (bvohoger dan 1500m2), logiesfuncties, sportfuncties, winkelfuncties en onderwijsfuncties voor volwassenonderwijs. |
|
Kwetsbare locaties (KL) |
Locaties aangewezen in bijlage VI (onderdeel D) van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Bedoeld zijn locaties waar mensen kort of tijdelijk verblijven, maar niet in hoge aantallen en geen kwetsbare groepen. Denk bijvoorbeeld aan campings (groter dan 50 personen) en evenementen (groter dan 5000 personen). |
|
Zeer kwetsbare gebouwen (ZKG) |
Gebouwen aangewezen in bijlage VI (onderdeel E) van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Bedoeld zijn gebouwen waarin mensen langer verblijven en/of minder zelfredzaam zijn. Denk bijvoorbeeld aan gebouwen met een woonfunctie voor 24-uur zorg, bijeenkomstfunctie voorkinderen, celfunctie, gezondheidsfunctie en onderwijsfunctie voor het basisonderwijs. |
|
Hoe we beschermen |
|
|
Aandachtsgebied |
Gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnenzijn tegen de gevolgen (brand, explosie en/of gifwolk) van een ongeval met gevaarlijke stoffen. |
|
Groepsrisico (GR) |
De cumulatieve kans per jaar dat een groep van 10 of meer personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid nabij een ongeval metgevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit. |
|
Plaatsgebonden risico (PR) |
De kans per jaar dat een persoon, die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffenbij een risicovolle activiteit. De grenswaarde voordeze kans is één op de miljoenper jaar (10-6). |
|
Risicogebied Omgevingsveiligheid |
In een risicogebied Omgevingsveiligheid liggen bedrijven met verhoogde omgevingsveiligheidsrisico’s bijelkaar. Deze gebieden zijn bedoeld om bedrijven meer ruimte te geven. Niet-risicovolle ontwikkelingen die typerend zijnvoor het karakter van de binnenhet risicogebied gelegen risicovolle bedrijven kunnen dan planologisch |
|
|
gemakkelijker worden ingepast. Daarnaast geeft een risicogebied duidelijkheid over de risico-ontwikkelruimte richting de omgeving. Op de grens van het risicogebied mag het plaatsgebonden risico niet meer dan 1 op de miljoen perjaar zijn (PR10-6). Dit gebiedkan de gemeente aanwijzen in haar omgevingsplan. |
|
Voorschriftengebied |
Een gebieddat binnen eenbrand- of explosieaandachtsgebied wordt aangewezen, waarbinnen aanvullende bouweisen gelden voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van een bouwwerk. |
|
Waartegen we beschermen |
|
|
Basisnet |
Een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen overRijksinfrastructuur (weg/water/spoor). |
|
Milieubelastende activiteiten (MBA) |
Een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieukan veroorzaken (zoals aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteit leefomgeving), niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werkof een wateronttrekkingsactiviteit. |
|
Risicovolle activiteiten |
Een (milieubelastende) activiteit die risico’s op het gebied van omgevingsveiligheid met zich meebrengt door de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen (zoals opgenomen in bijlage VII t/m X van het Besluit kwaliteit leefomgeving). |
|
Stationaire activiteiten |
Een (risicovolle) activiteit die binnen de grenzen van een terrein plaatsvindt. Denk aan een aardgas meet- en regelstation, tankstation met LPG of waterstof, opslagtank met propaan/propeen, opslagplaats met verpakte gevaarlijke stoffen en een koelinstallatie met ammoniak. |
|
Seveso-bedrijf |
Een bedrijfmet een grotehoeveelheid opslag van gevaarlijke stoffen, waarmee bepaalde drempelwaarden worden overschreden en de Europese Seveso-richtlijn van toepassing is. |
|
Provinciale wegen |
Het vervoervan gevaarlijke stoffendat plaatsvindt over de provinciale wegen, naast de landelijk aangewezen Rijksinfrastructuur. |
|
Informatiebronnen |
|
|
Regionale Risicokaart Haaglanden |
Een zeer gedetailleerde en duidelijke risicokaart, waarin alle risicobronnen in de omgeving goed worden weergegeven. |
|
Atlas van de Leefomgeving |
Een interactieve kaartviewer met meer dan 130kaarten die relevant zijn voor duurzame en integrale ruimtelijke ontwikkeling. |
Lijst met afkortingen
|
BAG |
Brandaandachtsgebied |
|
Bal |
Besluit activiteiten leefomgeving |
|
Bbl |
Besluit bouwwerken leefomgeving |
|
BKG |
Beperkt kwetsbaar gebouw |
|
Bkl |
Besluit kwaliteit leefomgeving |
|
BKL |
Beperkt kwetsbare locatie |
|
Bopa |
Buitenplanse omgevingsplanactiviteit |
|
EAG |
Explosieaandachtsgebied |
|
EOS |
Energieopslagsysteem |
|
GAG |
Gifwolkaandachtsgebied |
|
GR |
Groepsrisico |
|
KG |
Kwetsbaar gebouw |
|
KL |
Kwetsbare locatie |
|
LPG |
Liquified Petroleum Gas |
|
MBA |
Milieubelastende activiteit |
|
MOV |
Modernisering omgevingsveiligheid |
|
Opa |
Omgevingsplanactiviteit (binnenplans) |
|
Ow |
Omgevingswet |
|
PR |
Plaatsgebonden risico |
|
ZKG |
Zeer kwetsbare gebouwen |
1 Inleiding
1.1 Aanleiding
De inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 brengt voor gemeenten de duidelijke opdracht met zich mee om hun ambities en opgaven voor een veilige en gezonde leefomgeving opnieuw tegen het licht te houden en vast te leggen in nieuwe beleidsinstrumenten: de omgevingsvisie, het omgevingsplan en, waar nodig, aanvullende programma’s. Dit vraagt om een zorgvuldige herijking en een gerichte aanpak.
Voor het thema omgevingsveiligheid is met de inwerkingtreding van de Omgevingswet het beleid en regelgeving gewijzigd, o.a. door het introduceren van aandachtsgebieden omgevingsveiligheid. Dat vraagt van gemeenten om opnieuw of voor het eerst keuzes te maken over een veilige leefomgeving.
Aandachtsgebieden zijn gebieden rondom een risicovolle activiteit die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De bedoeling achter dit instrument is om in plaats van een afweging op basis van abstracte risicogetallen te maken, een ‘goed gesprek’ te voeren over de wenselijkheid van nieuwe risicovolle activiteiten en nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen nabij deze activiteiten.
De invoering van aandachtsgebieden gaat gepaard met meer gemeentelijke beleidsvrijheid, en (dus) verantwoordelijkheid. Meer dan onder het oude omgevingsrecht moet de gemeente Westland nu zelf nadenken over wat voor hen een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 Ow) is en dienen dit vervolgens te borgen in de beschikbare beleidsinstrumenten (bijvoorbeeld het omgevingsplan). Dit vormt de aanleiding voor de gemeente Westland om een beleidsvisie omgevingsveiligheid op te stellen.
1.2 Doelstelling
In de gemeente Westland wordt de komende jaren ingezet op het realiseren van nieuwe woningen en tegelijkertijd vormt de energietransitie hierin een belangrijke uitdaging. Deze ontwikkelingen brengen spanningen met zich mee tussen enerzijds het ‘benutten’ van de fysieke leefomgeving en anderzijds het ‘beschermen’ daarvan. Met voorliggende beleidsvisie beogen we een evenwicht te vinden om enerzijds planologische ontwikkelingen in de leefomgeving te bevorderen en anderzijds nieuwe en bestaande ontwikkelingen in relatie tot omgevingsveiligheid te beschermen.
Dit betekent dat we de risico’s voor mensen in de omgeving van risicovolle activiteiten beheersen en beperken tot een aanvaardbaar veiligheidsniveau. In deze beleidsvisie beschrijven we hoe we dat doen.
Daarnaast heeft deze beleidsvisie nog een aantal specifieke doelstellingen:
- •
Het opstellen van eenduidig, integraal afgewogen, beleidskader voor beleid waarmee recht wordt gedaan aan het thema omgevingsveiligheid bij alle nieuwe ontwikkelingen in de gemeente;
- •
Het creëren van duidelijkheid voor alle gebruikers over de omgang met omgevingsveiligheid in onze gemeente;
- •
Samenwerking bevorderen tussen de gemeente en ketenpartners zoals, provincie, omgevingsdienst en veiligheidsregio;
- •
Opstellen van voorbeeld planregels die gebruikt kunnen worden bij het opstellen van het Omgevingsplan.
1.3 Totstandkoming en verantwoording
Dit beleidsdocument is tot stand gekomen in de periode maart en april 2025. In de volgende tabel zijn de organisaties, namen en functies van de leden van de projectgroep weergegeven.
Tabel 1 - Projectgroep
|
Organisatie |
Contactpersonen |
Functie |
|
Gemeente Westland |
Joëlle Glerum |
Adviseur Crisisbeheersing |
|
Gemeente Westland |
Sander Westerduin |
Planjurist |
|
Gemeente Westland |
Hanno Verkuil |
Beleidsmedewerker Milieu |
|
Gemeente Westland |
Erik Groen |
Beleidsmedewerker Milieu |
|
Gemeente Westland Gemeente Westland Gemeente Westland Gemeente Westland Gemeente Westland Gemeente Westland Gemeente Westland Omgevingsdienst Haaglanden Oostkracht10 Oostkracht10 Veligheidsregio Haaglanden Veligheidsregio Haaglanden |
Thies Dinkelberg |
Beleidsmedewerker Energie |
|
Jantine de Munnik |
Opgavemanager Ruimtelijke Ordening |
|
|
Mike Schermer |
Toezicht VTH? |
|
|
Wibo Lenting |
Stedenbouwkundige |
|
|
Anouk Kleijn |
Planjurist |
|
|
Michelle Koster |
Planjurist |
|
|
Harold Verhey |
Beleidsmedewerker Milieu |
|
|
Jessey van Beek |
Adviseur Externe Veiligheid |
|
|
Ben Jonker |
Adviseur Externe Veiligheid |
|
|
Dirk Jan de Boer |
Adviseur Externe Veiligheid |
|
|
Richelle Wienholts |
Adviseur Omgevingsveiligheid |
|
|
Elmar Huijsing |
Adviseur Omgevingsveiligheid |
1.4 Afbakening
Wanneer we in dit document spreken over ‘omgevingsveiligheid’ bedoelen we het (oude) begrip ‘Externe veiligheid’. Omgevingsveiligheid gaat over de risico’s voor mensen die ontstaan door het vervoer, opslag, gebruik en productie van gevaarlijke stoffen en het in werking hebben van windturbines en burgerluchthavens. In bijlage 1 wordt nader omschreven welke activiteiten met gevaarlijke stoffen specifiek tot Omgevingsveiligheid worden gerekend.
|
Definitie omgevingsveiligheid “Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico’s van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen, de veiligheid van inrichtingen en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Het gaat om de ‘feitelijke’ risico’s, met soms grote onzekerheden, én om gepercipieerde risico’s.” (RIVM) |
Aanvullend op de juridische definitie van omgevingsveiligheid houden we in deze beleidsvisie ook rekening met omgevingsrisico’s van energie-opslagsystemen (EOS). De omgevingsrisico’s van zonne-energie vallen niet binnen het kader van deze beleidsvisie, omdat deze geen risico levert op het gebied van omgevingsveiligheid. We richten ons met deze visie nadrukkelijk niet op het bredere begrip ‘omgevingsveiligheid’, dat bijvoorbeeld door de veiligheidsregio wordt gehanteerd. Ook richten we ons niet op de (gezondheids)risico’s van natte koeltorens.
1.5 Status beleid
Hoewel de gemeente in principe gebonden is dit vastgestelde beleid, kan hiervan onder strikte voorwaarden op grond van artikel 4:84 Awb worden afgeweken. Dit kan als sprake is van bijzondere (onvoorziene) omstandigheden en als handelen conform het beleid onevenredige nadelige gevolgen met zich meebrengen voor belanghebbenden.
1.6 Leeswijzer
Voordat we ingaan op de wijze waarop wij invulling geven aan de beleidsvrijheid op het gebied van omgevingsveiligheid wordt eerst een aantal kaders geschetst. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de kaders die volgen vanuit de landelijke regelgeving (de Omgevingswet en de Wet vervoer gevaarlijke stoffen).
Vervolgens geeft hoofdstuk 3 een overzicht van de kaders die volgen uit andere gemeentelijke of provinciale beleidsdocumenten.
In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in de huidige risicosituatie in de gemeente en wordt kort ingegaan op de belangrijkste ontwikkelingen ten aanzien van omgevingsveiligheid, waaronder de energietransitie.
In de hoofdstukken 5 en 6 volgt de uitwerking van de nieuwe visie op omgevingsveiligheid. Dit doen we in twee stappen. Allereerst formuleren we een aantal ambities en uitgangspunten (hoofdstuk 5). Deze ambities en uitgangspunten worden vervolgens uitgewerkt in concrete uitvoeringstaken (hoofdstuk 6).
2 Beleidsvrijheid Omgevingsveiligheid
Vanuit de landelijke wet- en regelgeving (Omgevingswet en Wet vervoer gevaarlijke stoffen) komt naar voren dat een gemeente beleidsvrijheid heeft op het gebied van omgevingsveiligheid. In dit hoofdstuk beschrijven we op hoofdlijnen welke beleidsvrijheid dit betreft. Hoe wij hier zelf invulling aan hebben gegeven volgt in hoofdstuk 5 en 6. Een uitgebreide uitleg van wat omgevingsveiligheid is en hoe het landelijke beleid werkt, is opgenomen in bijlage 1.
2.1 Plaatsgebonden risico
Het landelijke omgevingsveiligheidsbeleid is erop gericht om zowel individuen als groepen van mensen te beschermen tegen de risico’s van (met name) activiteiten met gevaarlijke stoffen. Hiervoor hanteert de wetgever twee risicomaten: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Met het plaatsgebonden risico garandeert de overheid een zogenaamd basisbeschermingsniveau voor omgevingsveiligheid. Dit houdt in dat er een minimale afstand wordt aangehouden tussen de risicovolle activiteit en haar omgeving. In vaktermen noemen we dit ook wel de plaatsgebonden risicocontour.
In figuur 1 zijn ter illustratie de plaatsgebonden risicocontouren (blauw) en brand- en explosieaandachtsgebieden (rood respectievelijk oranje) van een lpg-tankstation opgenomen. In dit geval heeft de risicobron – het lpg-tankstation – meerdere plaatsgebonden risicocontouren omdat het plaatsgebonden risico verschilt per installatieonderdeel (opslagtank, vulpunt en afleverzuil).
Figuur 1: Ter illustratie: een LPG-tankstation. Blauw = plaatsgebonden risicocontour 10-6/ Rood = brandaandachtsgebied/ Oranje = Explosieaandachtsgebied.
In het Bkl staan instructieregels over de omgang met het plaatsgebonden risico in het omgevingsplan (artikelen 5.6 t/m 5.11a Bkl). In tabel 2 wordt deze toegelicht. De minimale afstand voor het plaatsgebonden risico verschilt per risicovolle activiteit. Voor een aantal risicovolle activiteiten staan in bijlage VII van het Bkl
vaste afstanden, voor de meer complexe risicovolle activiteiten – zoals grote chemische bedrijven – moet deze afstand specifiek worden berekend volgens de daarvoor geldende rekenvoorschriften.
De definitie van een zeer kwetsbaar, kwetsbaar of beperkt kwetsbaar gebouw of locatie is eveneens gegeven in het Bkl; in bijlage VI. De opsomming van gebouwtypen in bijlage VI van het Bkl is niet uitputtend. Op grond van de toelichting op artikel 5.3 lid 2 van het Bkl heeft de gemeente de beleidsvrijheid om specifiek gebouwen of locaties aan de opsomming toe te voegen en zo de definitie op te rekken.
2.2 Groepsrisico
Naast de minimale bescherming (plaatsgebonden risico) is het ook belangrijk om grote groepen mensen te beschermen tegen de effecten van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Daarmee proberen we maatschappelijke ontwrichting te voorkomen. In vaktermen noemen we dit het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicovolle activiteit (artikel 5.15 lid 1 Bkl). Kortom, wanneer er minder dan 10 personen verblijven in de omgeving van een risicobron, is er theoretisch geen sprake van een groepsrisico. Hetzelfde geldt voor scenario’s waarbij mensen in de omgeving van een ongeval pas na langere tijd komen te overlijden. Denk daarbij aan scenario’s waarbij kankerverwekkende of radioactieve stoffen vrijkomen. Dergelijke scenario’s worden niet tot omgevingsveiligheid gerekend.
2.2.1 Aandachtsgebieden
Elke risicovolle activiteit heeft een aandachtsgebied voor brand, explosie en/of gifwolk. Een aandachtsgebied geeft aan tot waar mensen binnenshuis kunnen komen te overlijden als gevolg van deze scenario’s. Voor een aantal risicovolle activiteiten staan in het Bkl vaste afstanden, voor de meer complexe risicovolle activiteiten moeten deze afstanden worden berekend volgens het rekenvoorschrift van het Handboek Omgevingsveiligheid van het RIVM. De vastgestelde aandachtsgebieden zijn te raadplegen op de Atlas Leefomgeving.
Binnen de aandachtsgebieden voor brand, explosie en gifwolk rondom een risicovolle activiteit (zie ter illustratie de brand- en explosieaandachtsgebieden in figuur 1) moeten gemeenten ‘rekening houden’ met het groepsrisico (volgens art. 5.15 Bkl). Dit kan middels het uitsluiten van alle (zeer/beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties binnen een aandachtsgebied (volgens artikel 5.15 Bkl lid 2 onder a).
Dit is echter niet altijd mogelijk door de beperkte ruimte voor nieuwe ontwikkelingen in gemeenten. In dat geval dienen maatregelen dan wel een beperking van de personendichtheid te worden overwogen (volgens artikel 5.15 Bkl lid 2 onder b). Hoe de gemeente dat precies moet doen en wanneer zij voldoende ‘rekening heeft gehouden’ met het groepsrisico is onbepaald en daarmee onderdeel van de gemeentelijke beleidsvrijheid.
Voorbeelden van maatregelen die een gemeente kan overwegen binnen een aandachtsgebied zijn:
- •
Bronmaatregelen (voor bronnen waar zij invloed op heeft);
- •
Nieuwe ontwikkelingen buiten aandachtsgebieden plaatsen;
- •
Binnen het aandachtsgebied zoveel mogelijk afstand houden tussen de risicovolle activiteit en (zeer/beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties;
- •
Beperken van functies met verminderd zelfredzamen en/of waar veel mensen aanwezig zijn voor langere tijd (dus zeer kwetsbare en kwetsbare gebouwen);
- •
Gebouwen veilig positioneren; in de schaduwzijde van andere gebouwen, loodrecht op en met de kortste zijde naar de risicovolle activiteit;
- •
Omgevingsmaatregelen die de effecten van een ongeval kunnen beperken (aarden wal, keerwand, droge greppel, etc.);
- •
Bouwkundige maatregelen waarmee mensen binnenshuis beschermd zijn tegen de effecten van een ongeval (brandwerende gevel, scherfvrij glas, etc.);
- •
Rekening houden met de bereikbaarheid van hulpdiensten en benodigde bluswatervoorzieningen;
- •
Voldoende vluchtmogelijkheden creëren voor mensen die zich binnenshuis bevinden en schuilmogelijkheden voor mensen die zich buitenshuis bevinden;
- •
Voorbereiden (opleiden, trainen en oefenen) op een mogelijk ongeval en adequate crisiscommunicatie.
2.2.2 Voorschriftengebied
Wanneer een gemeente vindt dat bouwkundige maatregelen nodig zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in een aandachtsgebied, dient er een voorschriftengebied aan te worden gewezen in het omgevingsplan. Dit blijkt uit artikel 5.14 van het Bkl, waarin de voorschriftgebieden geïntroduceerd worden. Zonder voorschriftengebied kunnen geen bouwkundige maatregelen worden ‘voorgeschreven’. Het hele aandachtsgebied kan als voorschriftengebied worden aangewezen, maar het kan ook een gedeelte zijn (bijvoorbeeld een zone of perceel). Binnen het voorschriftengebied moeten specifieke bouwkundige maatregelen worden toegepast bij nieuwe ontwikkelingen. Welke bouwkundige maatregelen dat zijn, verschilt per type gebouw en volgt uit paragraaf 4.2.14 van het Bbl. De beleidsvrijheid van de gemeente heeft enkel betrekking op het aanwijzen van voorschriftengebieden, niet op de bouwvoorschriften die in dat gebied gelden.
Een voorschriftengebied kan alleen in een brand- en explosieaandachtsgebied worden aangewezen. In een gifwolkaandachtsgebied kan dat niet, omdat bouwkundige maatregelen (bijvoorbeeld afschakelbare ventilatie) al als standaardeis zijn opgenomen in het Bbl.
Wanneer het gaat om locaties binnen een brand- en explosieaandachtsgebied waar zeer kwetsbare gebouwen (Bkl, bijlage VI, onderdeel E) zijn toegestaan (of niet expliciet zijn uitgesloten) in het (tijdelijk) omgevingsplan, is een gemeente verplicht om deze locaties aan te wijzen als voorschriftengebied in het omgevingsplan. Dit geldt zowel voor locaties zonder bebouwing als locaties met bebouwing. Het verplicht stellen van bouwkundige maatregelen voor nieuwe zeer kwetsbare gebouwen komt voort uit de wens van de wetgever om verminderd zelfredzamen extra te beschermen.
Bouwkundige maatregelen hebben als doel om mensen in een gebouw beter te beschermen tegen de effecten van een brand of explosie. Als we geen brand- of explosievoorschriftengebied in het omgevingsplan aanwijzen, zijn binnen het aandachtsgebied, aanvullende bouwkundige maatregelen niet verplicht. Het is aan de gemeente om af te wegen of deze aanvullende maatregelen nodig zijn om de mensen in kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen voldoende te beschermen tegen de gevolgen van een brand en/of explosie.
Naast bouwkundige maatregelen zijn er ook andere mogelijkheden om deze bescherming te bieden (zie paragraaf 2.3.1).
2.3 Lokaal vervoer van gevaarlijke stoffen
Tot slot heeft de gemeente beleidsvrijheid waar het gaat om het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg. Op grond van artikel 24 lid 2 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) heeft de gemeente de bevoegdheid om specifieke wegen binnen haar grondgebied vrij te stellen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Dit doet zij door het vaststellen van een routebesluit. Transporteurs mogen vervolgens alleen van de vastgestelde routering afwijken indien de gemeente daarvoor een ontheffing heeft verleend.
Hoewel het bij lokaal vervoer van gevaarlijke stoffen doorgaans over kleinere transportaantallen gaat dan bij het vervoer van gevaarlijke stoffen over Rijkswegen, is ook hier sprake van omgevingsveiligheidsrisico’s voor de omgeving. De Ow schrijft echter geen aandachtsgebieden voor, voor lokale wegen waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. De beoordeling van de omgevingsveiligheid rondom deze wegen behoort eveneens tot de gemeentelijke beleidsvrijheid.
2.4 Beleidsvrijheid samengevat
Op basis van de voorgaande paragrafen stellen we vast dat de gemeente Westland de volgende beleidsvrijheden heeft ten aanzien van omgevingsveiligheid:
- •
We hebben de vrijheid om de definitie van (zeer, beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties zoals vermeld in bijlage VI van het Bkl uit te breiden;
- •
We hebben de vrijheid om nadere kaders te stellen aan de wijze waarop met het groepsrisico ‘rekening moeten worden gehouden’ bij ontwikkelingen in een aandachtsgebied, zowel voor nieuwe gebouwen als voor nieuwe risicovolle activiteiten;
- •
We hebben de vrijheid om brand- en explosieaandachtsgebieden aan te wijzen als een brand- respectievelijk explosievoorschriftengebied voor (beperkt) kwetsbare gebouwen;
We hebben de vrijheid om lokaal specifieke wegen aan te wijzen voor het transport van gevaarlijke stoffen (routebesluit) en om nadere regels te stellen aan de beoordeling van omgevingsveiligheid bij ruimtelijke initiatieven rondom deze wegen.
3 Provinciale en gemeentelijke beleidskaders
Naast de landelijke wet- en regelgeving (Omgevingswet en Wet vervoer gevaarlijke stoffen) zijn er gemeentelijke en provinciale beleidskaders die relevant zijn voor het nieuwe beleid voor omgevingsveiligheid. In dit hoofdstuk beschrijven we de belangrijkste beleidspublicaties.
3.1 Provinciale beleidskaders
3.1.1 Omgevingsvisie provincie Zuid-Holland
De visie van de provincie Zuid-Holland wordt weergegeven in een heel netwerk van beleidsambities met bijbehorende beleidsdoelen. Deze doelen worden verder uitgewerkt in beleidskeuzes met bijbehorende beleidsmaatregelen. De ambitie waar omgevingsveiligheid onder valt is de ambitie ‘Gezond en veilig Zuid- Holland’ met als doel het bevorderen van de verbetering van de milieukwaliteit en gezondheid.
De provincie Zuid-Holland heeft in haar omgevingsvisie de ambitie ‘Gezond en veilig Zuid-Holland’ vastgelegd om de risico’s van gevaarlijke stoffen te beperken en zo een veilige leefomgeving te waarborgen. Dit doet de provincie door regels te stellen voor risicovolle activiteiten, locaties zorgvuldig te bepalen en kwetsbare functies op veilige afstand te houden. Gezien de hoge bevolkingsdichtheid en de sterke economische activiteit binnen de provincie, is een integrale aanpak van omgevingsveiligheid noodzakelijk. De provincie combineert deze aanpak met andere ruimtelijke opgaven, zoals woningbouw en de energietransitie, om gezondheid, veiligheid en ruimtelijke kwaliteit in balans te houden.
Om omgevingsveiligheidsrisico’s effectief te beheersen, hanteert de provincie drie kernstrategieën: het clusteren van risicovolle activiteiten om risico’s ruimtelijk te begrenzen, het verantwoord combineren van functies om een veilige leefomgeving te creëren en het verminderen van risico’s bij de bron door regelgeving en toezicht. Daarnaast zet de provincie zich in om het transport van gevaarlijke stoffen door binnenstedelijk gebied te beperken en werkt zij samen met de Rijksoverheid aan lange termijnoplossingen. De gemeente sluit aan bij deze uitgangspunten en gebruikt het provinciale kader als leidraad bij het vormgeven van haar eigen beleid op het gebied van omgevingsveiligheid en ruimtelijke ordening.
Gerelateerd aan de beleidskeuzes zijn er ook maatregelen genomen door de provincie. Deze maatregelen hebben op één maatregel na van doen met de rol van de provincie als netwerk coördinator en in samenwerkend verband. Er is één regel die invloed heeft op de gemeenten, namelijk uit maatregel: “7.1.3.3 Omgevingsveiligheid als ontwerpvariabele bij nieuwe ontwikkelingen”. Hierin staat een alinea over het omgevingsplan en een beoordelingskader voor omgevingsveiligheid, dit luid als volgt: “Het gemeentelijk omgevingsplan bevat (straks) de regels voor het behalen van de maatschappelijke doelen in de fysieke leefomgeving. In de omgevingsverordening heeft de provincie regels opgenomen die bijdragen aan het zorgvuldig omgaan met de groepsrisico afweging in omgevingsplannen door gemeenten. Het omgevingsplan bevat daarmee een beoordelingskader omgevingsveiligheid.”
3.1.2 Omgevingsverordening provincie Zuid-Holland
De provincie Zuid-Holland heeft in haar omgevingsverordening specifieke regels vastgesteld om omgevingsveiligheid te waarborgen, met name rondom risicovolle activiteiten en het transport van gevaarlijke stoffen. In de omgevingsordening zijn de volgende artikelen opgenomen over omgevingsveiligheid in de provincie Zuid-Holland:
- •
Artikel 7.16 (opname risicogebieden omgevingsveiligheid)
- •
Artikel 7.17 (waarborgen ruimte risicogebieden omgevingsveiligheid)
- •
Artikel 7.18 (groepsrisicobenadering aandachtsgebieden met verhoogd groepsrisico)
- •
Artikel 7.19 (aanwijzing en geometrische begrenzing veiligheidszone Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas)
- •
Artikel 7.20 (waarborgen veiligheid oevers Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas)
- •
Artikel 7.21 (aanwijzing en geometrische begrenzing niet-Basisnet transportroutes)
- •
Artikel 7.22 (aandachtsgebieden langs niet-Basisnet transportroutes in verband met groepsrisico)
Voor de gemeente Westland zijn de artikelen 7.18, 7.21 en 7.22 relevant. De overige artikelen hebben betrekking op activiteiten en locaties die niet in Westland aanwezig zijn. In bijlage 2 zijn de bovengenoemde artikelen uit de omgevingsverordening opgenomen.
In artikel 7.18 stuurt de provincie op het verantwoorden van het groepsrisico in situaties waarin het groepsrisico hoog is of kan worden. Het gaat hier om gebieden waarbij voldaan wordt aan de criteria die benoemd staan onder artikel 7.18 van de omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland. In het kort komen deze gebieden neer op gebieden waarbij een toename is van:
- a.
>500 extra mensen tussen PR 10⁻⁸ en 1% letaliteitsgrens van een MBA;
- b.
>10% of >100 extra mensen binnen PR 10⁻⁸ contour van een MBA;
- c.
>100 extra mensen bij >70 personen/ha in BAG en/of EAG van het Basisnet;
- d.
>10% en ≥100 extra mensen in BAG en/of EAG van het Basisnet.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen aandachtsgebieden moet de gemeente een kwantitatieve beoordeling uitvoeren als de personendichtheid toeneemt boven vastgestelde drempelwaarden (zie hierboven of bijlage 2 van deze visie). Hierbij moet rekening worden gehouden met alternatieven, mogelijke beschermingsmaatregelen en adviezen van de veiligheidsregio. Dit helpt bij het beheersen van risico’s en draagt bij aan een veilige inpassing van nieuwe functies in de omgeving.
In artikel 7.21 is voor niet-basisnet transportroutes gelden effectgebieden waarin gemeenten bij nieuwe ontwikkelingen maatregelen moeten treffen om de impact van incidenten met gevaarlijke stoffen te minimaliseren. Dit betekent dat kwetsbare gebouwen en locaties alleen zijn toegestaan als er adequate beschermingsmaatregelen worden genomen.
3.2 Gemeentelijke beleidskaders
3.2.1 Omgevingsvisie
De omgevingsvisie 2.0 van de gemeente Westland is van kracht geworden in 2020. In deze omgevingsvisie dient de gemeente te beschrijven wat haar ambities zijn. De ambities zijn als volgt:
- 1.
Westland werkt samen aan vitale, sociaal krachtige, gezonde en duurzame dorpen;
- 2.
Westland versterkt haar economie en bestendigt haar (economische) toppositie als regio;
- 3.
Westland versterkt en benut het menselijk kapitaal van de gemeente;
- 4.
Westland behoudt en versterkt haar ruimtelijke, cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten;
- 5.
Westland is in 2040 klimaatbestendig.
De visie heeft het niet over omgevingsveiligheid, wel benoemd de visie de belangen bij het rekening houden met fysieke veiligheid en externe veiligheid. Hierover zegt de visie het volgende:
Fysieke veiligheid
“Fysieke veiligheid gaat over de thema's brandveiligheid, externe veiligheid, crisisbeheersing en conventionele explosieven. Als gemeente hebben wij een regierol. Trekkers zijn de veiligheidsregio Haaglanden en de Omgevingsdienst Haaglanden.
Door de komst van nieuwe risicobronnen (zoals bijvoorbeeld waterstoftankstations, geothermie, grootschalig gebruik van zonnepanelen en buurtbatterijen) is het vergroten van kennis en expertise van deze nieuwe risicobronnen essentieel. Energie Opslag Systemen (EOS) en geothermiecentrales plaatsen we op voldoende afstand van kwetsbare functies. De Veiligheidsregio Haaglanden adviseert ons hierbij, dus we zullen hen dan ook in een vroeg stadium bij deze nieuwe ontwikkelingen betrekken.”
Externe veiligheid
“De risicobronnen bij ruimtelijke ontwikkelingen zijn te vinden op de provinciale en regionale risicokaart (die in verband met terrorismegevaar beperkt openbaar is). Denk aan LPG-tankstations, opslagplaatsen, routes voor gevaarlijke stoffen en buisleidingen. Ondanks alle genomen veiligheidsmaatregelen kan er altijd een ongeval met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Voor Westland staat consequente handhaving bij overschrijding van toegestane risico's voorop. We richten ons, samen met de Omgevingsdienst Haaglanden (ODH) en de veiligheidsregio op bewustwording en zelfredzaamheid door goede voorlichting en communicatie. We vertalen risico's naar de ruimtelijke ordening door onder andere fysiek afstand te creëren tussen nieuwe ontwikkelingen en risicobronnen en vlucht- en schuilmogelijkheden te creëren.”
Explosieven
“In de gemeente Westland zijn na de Tweede Wereldoorlog conventionele explosieven achtergebleven in de grond. We hebben de mogelijke risicogebieden in kaart gebracht en bepaald hoe om te gaan met deze explosieven. Dit betekent onder meer het op peil houden van het werkprotocol, de explosievenkaart en weten hoe te handelen bij incidenten.”
3.2.2 Overig Gemeentelijk beleid
Westlands Veiligheidsbeleid 2023-2026
In het Westlands Veiligheidsbeleid 2023-2026 wordt in paragraaf 3.2 kort benoemd dat er binnen de speerpunten voor veiligheid, waarin doelen vermeld staat, verschillende thema’s zijn. Eén van deze thema’s is externe veiligheid binnen fysieke veiligheid. In het document wordt er niet verder op externe veiligheid of omgevingsveiligheid ingegaan.
De rest van het beleid gaat voornamelijk in op criminaliteit en de sociale veiligheid van inwoners.
Energie
Voor energie is er een document opgesteld genaamd: ‘Westlandse Energie Opgave strategie 2023-2027’. Het doel en de ambitie met de strategie die hierin beschreven staat, komt neer op een betaalbare energievoorziening voor iedere Westlander.
Om dit te bereiken wordt er gekeken naar het stimuleren van de volgende energiebronnen met de toepassing in de specifieke gebieden:
- ▪
Geothermie: Gericht op de glastuinbouwsector, waar aardwarmte gebruikt wordt voor het verwarmen van kassen om de afhankelijkheid van aardgas te verminderen.
- ▪
Restwarmte: Vooral relevant in samenwerking met industrieën en energiecentrales buiten Westland, zoals de Rotterdamse haven, om restwarmte via warmtenetten naar kassen en woningen te transporteren.
- ▪
Zon op dak: Gericht op bedrijventerreinen en kassencomplexen met grote dakoppervlakken, maar ook op woningen en gemeentelijke gebouwen om lokaal duurzame stroom op te wekken.
- ▪
Windenergie: Speelt voornamelijk een rol aan de randen van het Westland en langs infrastructuren zoals snelwegen, waar mogelijkheden zijn voor het plaatsen van windturbines zonder te veel overlast voor bewoners.
Waterstof: Nog in een verkennende fase, maar met potentie voor de glastuinbouw als energiedrager en mogelijk voor zwaar transport en logistiek in en rond het Westland.
Een groot gedeelte van deze energiebronnen hebben invloed op de omgevingsveiligheid binnen Westland.
Gezondheid
Westland heeft ook een beleid opgesteld voor de gezondheid in de gemeente. Het doel van dit beleid is de wil dat meer Westlanders gezond leven, waarbij een specifieke aandacht is voor alcohol en drugs. Hier speelt de gezonde leefstijl een rol in, waarbij de rol op sturing hierin vervuld wordt door de GHOR en GGD. Er wordt echter in het beleid niet ingegaan op de fysieke veiligheid en omgevingsveiligheid in de omgeving.
4 Omgevingsveiligheid in Westland
Voordat we over kunnen gaan tot het formuleren van een beleidsambitie, is het nodig om inzicht te hebben in het omgevingsveiligheidsrisicoprofiel van onze gemeente. Daarnaast schetsen we aankomende ontwikkelingen die van invloed (kunnen) zijn op dit profiel.
4.1 Huidige situatie
Binnen omgevingsveiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten risicovolle activiteiten. Onder de Omgevingswet worden dit ook wel risicovolle milieubelastende activiteiten (MBA) genoemd. In Bijlage VII van het Bkl is bepaald welke milieubelastende activiteiten als risicovol in het kader van omgevingsveiligheid moeten worden gezien. Op hoofdlijnen gaat het om de volgende activiteiten:
- •
Transport van gevaarlijke stoffen;
- •
Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
- •
Bedrijven met opslag, verwerking of productie van gevaarlijke stoffen;
- •
Burgerluchthavens en windturbines.
De Atlas Leefomgeving is door eenieder te raadplegen voor informatie over de ligging van deze risicovolle activiteiten in onze gemeente en tot waar de bijhorende gevaren kunnen reiken.
Figuur 3, overzichtskaart van alle risicovolle activiteiten in de Gemeente Westland (bron: PAV Kaarten 2-4-2025)
4.1.1 Transport van gevaarlijke stoffen
In onze gemeente liggen vrijwel geen routes voor het transport van gevaarlijke stoffen die vallen onder het landelijke basisnet vervoer gevaarlijke stoffen.
Landelijk Basisnet
Het basisnet voor wegtransport van gevaarlijke stoffen loopt slechts voor een redelijk klein deel langs Maasdijk in het zuidoosten van Westland. Dit betreft Burgemeester Elsenweg vanaf de A20, wegvak Z048 en Z122.
Rond dit deel van het basisnet in Westland gelden geen plaatsgebonden risicocontouren. Wel geldt aan weerszijden van deze transportroute een brandaandachtsgebied van 30 meter en een explosieaandachtsgebied van 200 meter (Bkl, bijlage VII, onder C). Daarnaast zijn er op de Atlas Leefomgeving ook gifwolkaandachtsgebieden van 300 meter weergegeven. Deze gifwolkaandachtsgebieden zijn bij publicatie van dit document nog niet wettelijke aangewezen. Het is de verwachting dat deze gifwolkaandachtsgebieden op afzienbare tijd worden opgenomen in de landelijke wetgeving.
Figuur 4, alle basisnet routes met aandachtsgebieden in gemeente Westland (Bron: Atlas Leefomgeving)
Provinciaal Basisnet
Door Westland lopen meerdere provinciale wegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Deze wegen vallen niet onder het Basisnet waardoor vanuit het rijk geen veiligheidsafstanden gelden. In de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening versie 15 juni 2024 gelden voor enkele aangewezen niet- Basisnettransportroutes alsnog aandachtsgebieden. Geen van de provinciale wegen in Westland zijn door de provincie Zuid-Holland aangewezen als niet-Basisnettransportroute waarvoor aandachtsgebieden gelden.
4.1.2 Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen
In de gemeente Westland bevindt zich een aantal buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen getransporteerd worden. Er kan onderscheid gemaakt worden tussen hogedrukaardgasleidingen en overige buisleidingen (warmtenet, CO2, etc.).
Figuur 5, Buisleidingen in Westland. Bron: Regionale Risicokaart Haaglanden (Geoblik).
Hogedrukaardgasleidingen
Het risico van hogedrukaardgasleidingen wordt bepaald door de druk, diepteligging en de diameter van de buizen. Een hogedrukaardgasleiding valt pas onder categorie D2 van Bkl-bijlage VII bij een druk van 16 bar en een uitwendige diameter van ten minste 50 mm. Dus de kleine distributieleidingen die door de woonwijken lopen spelen geen rol in het kader van omgevingsveiligheid. De PR 106-contour en het brandaandachtsgebied van een hogedruk aardgasleiding worden zijn per tracé bepaald.
Daarnaast is voor hogedrukaardgasleidingen een belemmeringenstrook vastgesteld Er zijn dus geen vaste voorgeschreven afstanden. Wel is voor alle buisleidingen in verband met onderhoud en inspectie. Bij hogedrukaardgasleidingen met een druk van 16 tot en met 40 bar is de belemmeringenstrook 4 meter aan weerszijden. Bij hogedrukaardgasleidingen met een druk hoger van 40 bar is de belemmeringenstrook 5 meter aan weerszijden.
In Westland hebben de volgende hogedrukaardgasleidingen een PR 106-contour.
Een klein deel ligt langs de grens met Midden-Delfland bij het kassencomplex nabij Woudtzicht. Deze contouren zijn relevanter voor de gemeente Midden-Delfland aangezien maar een redelijk klein deel overlapt met Westland.
Figuur 6, De PR 10-6-contouren van hogedrukaardgasleiding nabij Woudtzicht. Bron: Regionale Risicokaart Haaglanden (Geoblik).
Een deel van Wippolderlaan (N211) in het bedrijventerrein van Wateringen.
Figuur 7, De PR 10-6-contouren van een hogedrukaardgasleiding over de Wippolderlaan, Bedrijventerrein Wateringen. Bron: Regionale Risicokaart Haaglanden (Geoblik).
Voor alle overige hogedrukaardgasleidingen gelden dus geen PR 10-6-contouren die relevant zijn omdat ze buiten de belemmeringsstrook komen. Wel is er sprake van brandaandachtsgebieden. Deze brandaandachtsgebieden zijn voor nu gelijkgesteld aan de 1%-letaliteitszone uit de oude wetgeving.
Westland beschikt over veel buisleidingen, zoals te zien in figuur 5. Doordat er een brandaandachtsgebied actief is vastgesteld voor deze buisleidingen, ontstaan er veel contouren in de gemeente Westland rondom de buisleidingen.
Overige buisleidingen
Naast het transport van aardgas onder hoge druk in buisleidingen, worden ook andere (gevaarlijke) stoffen getransporteerd in buisleidingen door Westland. De risico’s zijn echter minder omvangrijk vergeleken met hogedrukaardgasleidingen. Overige buisleidingen met gevaarlijke stoffen die door Westland lopen bevatten:
- •
Aardgascondensaat;
- •
Aardolie;
- •
CO2;
- •
Warmtenet (WarmtelinQ).
Voor deze stoffen geldt op grond van artikel 4.1113 van het Bal een belemmeringenstrook van 5 meter aan weerszijden gemeten vanuit het hart van de buisleiding. Deze zone is voor onderhoud en inspectie. Hierbinnen mag dus sowieso niet gebouwd worden.
Door Westland lopen meerdere aardgascondensaatleidingen. Drie daarvan zijn afkomstig van mijnbouwinrichting NAM Gaag aan de Coldenhovelaan 14 in De Lier. Eén daarvan loopt door heel Westland naar het noorden in Monster. Twee anderen lopen naar het zuidwesten langs de gemeentegrens met Maassluis en Rotterdam. Elders in Westland loopt een aardgascondensaatleiding vanaf NAM Monster (Madeweg) tot aan de gemeentegrens met Rotterdam. Voor deze aardgascondensaatleidingen is in het verleden al gerekend. Daaruit kwam dat er een smalle maar lange strook aan PR 10-6-contouren gelden over de Madeweg, Molenweg, Zwartendijk en Grote Achterweg. Voor deze leidingen zijn brandaandachtsgebieden aangewezen.
Figuur 8. De PR 10-6-contouren van aardgascondensaatleidingen door Monster. Bron: Regionale Risicokaart Haaglanden (Geoblik).
Er lopen één CO2-leiding en één aardolieleiding langs elkaar vanuit Midden-Delfland tussen de A20 en de gemeentegrens tot aan het knooppunt met de Coldenhovelaan. Parellel aan deze leiding loopt ook een hogedrukaardgasleiding waarvoor al PR 10-6-contouren en een brandaandachtsgebied geldt.
Figuur 9, De CO2-leiding (donkerblauw), aardolieleiding (oranje), hogedrukaardgasleiding (donkergroen) en de PR 10-6-contouren (lichtgroen) behorende tot de hogedrukaardgasleiding tussen de A20 en de gemeentegrens met Midden-Delfland. Bron: Regionale Risicokaart Haaglanden (Geoblik).
4.1.3 Stationaire activiteiten met gevaarlijke stoffen
In de gemeente Westland zijn stationaire activiteiten met gevaarlijke stoffen.
Figuur 10, kaart met alle stationaire bronnen in Gemeente Westland met aandachtsgebieden en PR10-6 contouren (bron PAV kaarten) (04-2025).
Het gaat o.a. om LPG-tankstations, propaantanks, LNG- en CNG-tankstations, windturbines en een aantal industriële bedrijven. Het gevaar voor de omgeving van LPG-tankstations en propaantanks is brand en explosie. Van een windturbine is dat het afbreken van de mast, wiek of gondel. En van de industriële bedrijven kunnen dit verschillende scenario’s zijn, wat kan leiden tot brand, explosie of een gifwolk. Elke risicovolle activiteit heeft een aandachtsgebied voor brand, explosie en/of gifwolk, behalve bij windturbines (deze heeft alleen een plaatsgebonden risicocontour).
Voor een aantal risicovolle activiteiten staan vaste afstanden in bijlage VII van het Bkl, voor de meer complexe risicovolle activiteiten moeten deze afstanden worden berekend.
Daarnaast zijn er in de regio Haaglanden slechts twee Seveso-inrichtingen gevestigd. Eén daarvan ligt in Westland, namelijk Royal Brinkman, een agrarische groothandelaar (Wouterseweg 10, te ’s-Gravenzande). Zij hebben zo veel gevaarlijke stoffen opgeslagen, dat zij vallen onder het regime van Seveso III. DCMR heeft ook al plaatsgebonden risicoafstanden en aandachtsgebieden berekend voor Royal Brinkman en deze staan op de Atlas Leefomgeving.
Om de initiatieven in beeld te brengen worden deze voor in ieder geval de categorieën: LPG-tankstation, CNG-tankstations, LNG-tankstations, Seveso-inrichtingen, opslag van explosieven en het gebruik van ammoniakkoelinstallaties.
Tabel 2, Stationaire bronnen (bestaande initiatieven in Westland)
|
Categorie stationaire bron |
Naam bedrijf |
Adres |
|
LPG-tankstation |
Shell ShellZuiderwijk Exploitatie |
Coldenhovelaan 5 te Maasdijk Wippolderlaan 1 te Wateringen |
|
CNG-tankstations |
Van Vliet Transportbedrijf |
Transportweg 24 te Maasdijk |
|
LNG-tankstations |
Shell |
Coldenhovenlaan 6 te Maasdijk |
|
Seveso-inrichtingen |
Royal Brinkman |
Wouterseweg 10, te ’s-Gravenzande |
|
Opslag van explosieven |
Opslagvan munitie en kruit door Wapenhandel Donck |
Naaldwijkseweg 24 te Wateringen |
|
Opslag van rookzwak kruitdoor Schietvereniging OKK Coral |
Veenbes 15 te Wateringen |
|
|
Ammoniakkoelinstallaties |
Varekamp Coldstores Holland B.V. |
ABC Westland 444 te Poeldijk |
|
|
P.F. Onings B.V. |
ABC Westland 661 te Poeldijk |
|
|
Van den Bos Flowerbulbs |
Dijkweg 115te Honselersdijk |
|
|
Flora Holland |
Middel Broekweg 29 te Honselersdijk |
|
|
Americold Netherlands II B.V. |
Galgeweg 8 te ’s-Gravenzande |
|
|
J. Stolze De Lier B.V. |
Hoefweg 24 te De Lier |
|
|
Nature’s Pride |
Honderland 611 te Maasdijk |
Verder bevinden zich nog natte koeltorens binnen de Gemeente Westland. In het Bal wordt legionellabesmetting door slecht onderhoud van natte koeltorens gezien als een risico dat relevant is in het kader van omgevingsveiligheid. Wij gaan niet in op deze risico’s zoals in de afbakening in hoofdstuk 1 benoemd is. Er zijn privaatrechtelijke afspraken tussen netbeheerder Tennet en gebruiker van de grond over het bouwen onder een hoogspanningstrace. Wij gaan in deze visie en in het omgevingsplan niet in op dit aspect van veiligheid.
4.2 Ontwikkelingen risicovolle activiteiten
Het thema omgevingsveiligheid moet beoordeeld worden o.a. het moment dat de gemeente Westland of Omgevingsdienst Haaglanden (gemandateerd) een omgevingsvergunning milieu verleend voor een risicovolle Milieubelastende activiteit.
Nieuwe ontwikkelingen van risicovolle activiteiten gaan vaak samen met de energietransitie en klimaatadaptatie. Twee voorbeelden die we hiervan in de Gemeente Westland in de praktijk zien zijn: de plaatsing van waterstoftankstations en mobiele energieopslagsystemen (EOS).
Waterstoftankstations hebben als risico dat er kans is op brand en explosies. De activiteit is opgenomen als milieubelastend in het Besluit activiteiten leefomgeving, wat regelgeving en richtlijnen voor de uitvoering van deze activiteiten gestroomlijnder maakt. De aanwijzing wordt vermeld in artikel 3.286 van het Bal en in 3.297 van het bal, waarbij in beide gevallen de algemene regels gelden uit paragraaf 4.38 van het Bal.
Energieopslagsystemen zijn er in verschillende vormen en maten, waarbij onderscheid gemaakt kan worden in mobiele en vaste EOS’en. Een energieopslagsysteem zien we steeds vaker voorkomen en is een goed middel om op veel verschillende plekken machines en apparatuur van stroom te voorzien. De activiteit is echter wel risicovol door de gevaren als brand, explosie en een gifwolk die kan ontstaan door voornamelijk een thermal runaway (het zonder zuurstof kunnen blijven branden van batterijen). Het Bal wijst deze activiteit nog niet aan als milieubelastend, maar is van plan dit uiteindelijk wel door te voeren.
4.3 Ruimtelijke Ontwikkelingen
Het thema omgevingsveiligheid moet beoordeeld worden o.a. het moment dat de gemeente Westland het omgevingsplan wijzigt of een afwijking van het omgevingsplan vergunt. In onderstaande figuur is opgenomen wat de bekende ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente zijn. In de tabel op de volgende pagina zijn de ontwikkelingen nader beschreven en wordt aangegeven in hoeverre de ontwikkeling binnen een aandachtsgebied omgevingsveiligheid is gelegen. De ontwikkelingen zijn verzameld tijdens werksessies in het kader van het opstellen van deze beleidsvisie. Het is mogelijk geen compleet overzicht, maar is vooral bedoeld om een beeld te schetsen. De nummers in de tabel komen overeen met de nummers op onderstaande kaart.
Figuur 11, kaart met alle thans bekende ruimtelijke ontwikkelingen die op 16-04-2025 gepland zijn in de Gemeente Westland.
Tabel 2 Ruimtelijke plannen in de gemeente Westland
|
Nr ontwikkeling |
Naam project |
Locatie (dorpskern) |
Indicatie van start verkoop |
Indicatie van start verhuur |
Aantal woningen |
Ontwikkeling binnen OV-contour |
|
1 |
Sociale huur Arcade veld 5 in Waelpolder |
's-Gravenzande |
Niet van toepassing |
Eind vierdekwartaal 2025/begin 2026 |
104 woningen |
Nee |
|
2 |
Midden huur Wooninvest Mantelzorgappartementen veld 5 in Waelpolder |
's-Gravenzande |
Niet van toepassing |
Derde/Vierde kwartaal 2026 |
40 woningen |
Nee |
|
3 |
Betaalbare koopveld 5 in Waelpolder |
's-Gravenzande |
Alles is verkocht |
Eind 2025/begin 2026 |
39 woningen |
Nee |
|
4 |
VanMierloo Veld 4 in Waelpolder |
's-Gravenzande |
Nog niet bekend, net gegund |
N.v.t. |
47 betaalbare appartementen 68 duurdere sector appartementen |
Nee |
|
5 |
Waelpolder – Dijckerhoek veld 11 in Waelpolder |
's-Gravenzande |
Twee- rijtjes van4 |
N.v.t. |
56 betaalbare appartementen 8 duurdere sector appartementen 8 twee-onder-een-kap woning |
Nee |
|
6 |
KasseNova veld 3 in Waelpolder |
's-Gravenzande |
Binnenkort |
N.v.t. |
40 betaalbare appartementen 28 duurdere appartementen 8 duren twee- rijtjesvan 4 woningen |
Nee |
|
7 |
ABB veld 1 in Waelpolder |
's-Gravenzande |
Nog niet bekend |
N.v.t. |
55 woningen in de duurdere sector |
Nee |
|
8 |
W-Develop in Waelpolder |
's-Gravenzande |
1ste faseverkocht |
N.v.t. |
47 woningen in de duurdere sector |
Nee |
|
9 |
Maasdijk naast13 in 's- Gravenzande |
's-Gravenzande |
Niet van toepassing |
Nog niet bekend |
30 woonunits voor 120 arbeidsmigranten |
Waarschijnlijk in EAG en misschien BAG van propaan tanks |
|
10 |
Julianahof (2e Berkenflat) |
's-Gravenzande |
Niet van toepassing (start bouw 2027) |
Verwachting 2028 |
42 socialehuurappartementen |
Nee |
|
11 |
's-Gravenzande |
Nee |
||||
|
12 |
Gantel de Baak - ONW |
Naaldwijk |
Nog niet bekend |
N.v.t. |
8 Vrije kavels voor zelfbouw |
Nee |
|
13 |
De Hooge Geest |
Naaldwijk |
N.v.t. |
N.v.t. |
9 uitplaatskavels |
Een gedeelte in BAG buisleiding |
|
14 |
Zuidgeestlaan |
Naaldwijk |
Nog niet bekend |
Nog niet bekend |
41 woningen 4 uitplaatskavels |
Nee |
|
15 |
Hoogvlieger boven de school |
Naaldwijk |
N.v.t. |
2027 |
20 Socialehuurappartementen |
Gedeelte in BAG buisleiding |
|
16 |
Naaldwijk Zuid: Vlietweg NABIJ 22 |
Naaldwijk |
Nog niet bekend |
Nog niet bekend |
550 woningen |
Bijna volledig is BAG buisleiding |
|
17 |
Hoogeland - Serrestraat en Dianastraat |
Naaldwijk |
Niet van toepassing |
Start Bouw 2026 |
46 sociale huurappartementen 19 sociale koop 4 middenhuur |
Nee |
|
18 |
Tijdelijk Wonen Flora Campus Westland – Arcade |
Honselersdijk |
Een-, twee- en driekamerappartem enten |
Dec 2025/1ste kwartaal 2026 |
151 sociale huurappartementen |
Volledig in GAG Royal Flora Holland |
|
19 |
Flowertower – Arcade |
Honselersdijk |
Niet van toepassing |
2026/2027 |
116 sociale huurappartementen |
Volledig in GAG Royal Flora Holland |
|
20 |
Wateringen Noord |
Waarschijnlijk niet, dichtbij BAG buisleiding |
||||
|
21 |
De Driesprong - Heulpark |
Kwintsheul |
Fase 1 in 2024 – fase 2 in januari 2025 – fase 3 nog niet bekend |
Oktober 2025 |
193 woningen (64 sociale huurwoningen 43 middel dure woningen 86 dure koopwoningen) |
Nee |
|
22 |
De Wilde Zee |
Kwintsheul |
Juli 2025 |
Q1 2026 |
24 woningen (sociale huurwoningen, middenhuurwoningen, dure koopwoningen) |
Nee |
|
25 |
Wilgenbuurt |
De Lier |
Niet van toepassing |
Verwachting 2026 |
13 socialehuurappartementen |
Nee, maar dicht bij BAG buisleiding |
|
26 |
Havenbuurt |
De Lier |
Nog niet bekend |
Nog niet bekend (verwachting start bouw 2027) |
47 socialehuurappartementen 16 goedkope koopappartementen |
Nee, maar dicht bij BAG buisleiding |
|
27 |
Princes Marianneplein – Arcade |
Maasdijk |
Niet van toepassing |
2026 |
36 sociale huurappartementen 8 middenhuur woningen |
Nee |
5 Beleidsvisie gemeente Westland
Dit hoofdstuk vormt de kern van onze nieuwe visie op omgevingsveiligheid. Allereerst wordt de visie beschreven (paragraaf 5.1). Vervolgens wordt de visie nader uitgewerkt in een aantal beleidskeuzes (paragraaf 5.2).
5.1 Visie op omgevingsveiligheid
Eén van de kerntaken van de overheid is het bieden van een veilige leefomgeving voor haar burgers. In die zin draagt de gemeente Westland dus een belangrijke verantwoordelijkheid als het gaat om omgevingsveiligheid.
Als het gaat om het ambitieniveau voor omgevingsveiligheid binnen de gemeente Westland is door de wetgever een minimum-veiligheidsniveau gedefinieerd. Binnen de kaders, die in hoofdstuk 2 zijn beschreven, staat het de gemeente Westland vrij om eigen ambities te formuleren. Om deze verantwoordelijkheid in te vullen formuleert de gemeente Westland deze visie op omgevingsveiligheid.
De omgevingsveiligheidsrisico’s in Westland worden voor het belangrijkste deel bepaald door hogedruk aardgasleidingen en door risicovolle milieubelastende activiteiten.
We streven naar een verantwoord evenwicht tussen het ontwikkelen en beschermen van onze fysieke leefomgeving; een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (art. 4.2 Ow). Voor ons zijn hierbij de volgende principes leidend:
- 1.
We houden rekening met de omvang van het risico. Dat houdt bijvoorbeeld in dat we bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij de snelweg en LPG-tankstations minder toestaan dan rondom andere risicovolle activiteiten met een lager risico. De kans op een ongeval met een buisleiding of kleine propaantank (<13 m3) is namelijk kleiner dan met andere risicobronnen.
- 2.
Mensen in zeer kwetsbare gebouwen verdienen extra bescherming, omdat zij niet zelfredzaam zijn. Zeer kwetsbare gebouwen sluiten we daarom over het algemeen uit nabij risicovolle activiteiten.
- 3.
In een brand- en explosieaandachtsgebied wordt minder ruimtelijke ontwikkelingen toegestaan dan in het gifwolkaandachtsgebied. Mensen die zich in een gifwolkaandachtsgebied bevinden hebben meer tijd om zich in veiligheid te brengen en zijn over het algemeen beter beschermd tegen een gifwolk dan tegen een brand of explosie.
- 4.
De gemeente wijst in het omgevingsplan de wettelijk verplichte voorschriftengebieden aan, maar maakt op voorhand geen gebruik van de mogelijkheid om voor andere gebieden ook een brand- en/of voorschriftengebied aan te wijzen.
- 5.
Het realiseren van nieuwe risicovolle activiteiten (Milieubelastende activiteiten) is op basis van het huidige omgevingsplan niet mogelijk. Nieuwe risicovolle activiteiten worden niet toegestaan in woongebieden en landelijk gebied. Uitzondering daarop zijn risicovolle activiteiten die nodig zijn in het kader van de energietransitie en risicovolle activiteiten binnen landelijk gebied die noodzakelijk zijn in het kader van de bedrijfsvoering.
- 6.
We maken onderscheid tussen bestaande en nieuwe situaties. Nieuwe situaties moeten vanzelfsprekend voldoen aan de nú geldende voorschriften en het beoordelingskader in deze beleidsvisie. Voor de bestaande situaties houden we rekening met de historie en de veiligheidsafweging die destijds is gemaakt. Tijdelijke situaties of functiewijziging behandelen wij als gemeente – voor zover juridisch verantwoord – zoveel mogelijk als een nieuwe situatie.
- 7.
We zijn als gemeente primair verantwoordelijk voor het uitdragen van het omgevingsveiligheidsbeleid. Natuurlijk laten we ons daarbij bijstaan door onze partners, de Omgevingsdienst Haaglanden en de Veiligheidsregio Haaglanden.
5.2 Beleidskeuzes
In dit hoofdstuk zijn de gemaakte beleidskeuzes uitgewerkt, waarbij invulling is gegeven aan de beleidsvrijheid. De gemaakte beleidskeuzes zijn als volgt ingedeeld:
|
|
Nieuwe ruimtelijke ontwikkeling nabij risicovolle activiteit (5.2) |
Buisleidingen (5.2.1) |
|
|
Transportroutes (5.2.2) |
|
|
|
Stationaire activiteiten (5.2.3) |
|
|
Toelaten van stationaire activiteiten (5.2.4) |
|
|
|
Voorwaarden (5.2.5) |
|
|
|
Procesafspraken (5.2.6) |
|
|
In de tabellen in de volgende paragrafen is per type risicobron aangegeven of een ontwikkeling wel of niet is toegestaan. Daarvoor zijn de kleuren rood, oranje en groen gebruikt
- •
Wanneer een cel in de tabel rood is, dan is een ontwikkeling uitgesloten;
- •
Wanneer een cel in de tabel oranje is, dan is een ontwikkeling mogelijk onder voorwaarden en onder voorbehoud van de verantwoording groepsrisico;
- •
Wanneer een cel in de tabel groen is, dan is een ontwikkeling toegestaan. Daarbij geldt wel dat bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid en andere randvoorwaarden in het kader van incidentbestrijding op orde moeten zijn1.
In sommige gevallen heeft de gemeente een bewuste keuze gemaakt om iets niet toe te staan, in andere gevallen staat landelijke wetgeving (Bkl) het niet toe. Ditzelfde geldt wanneer iets onder voorwaarden is toegestaan. Soms zijn voorwaarden opgelegd van rijkswege, in andere gevallen is de projectgroep tot de bijbehorende voorwaarden gekomen. Wanneer er vanuit landelijke wetgeving geen beleidsvrijheid geldt, dan is dit tekstueel weergegeven in de tabel.
De voorwaarden die opgenomen zijn in de tabellen zijn verder toegelicht in paragraaf 5.2.5.
5.2.1 Ruimtelijke ontwikkelingen nabij buisleidingen
In onderstaande tabel is te zien hoe in de gemeente Westland omgaat met nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen nabij hogedruk aardgasleidingen. Hierbij gaat het alleen om brandaandachtsgebieden. Hogedrukaardgasleidingen hebben geen explosieaandachtsgebied of gifwolkaandachtsgebied.
Onderstaand is per categorie kwetsbaarheid2 uitgewerkt welke keuzes zijn gemaakt.
Zeer kwetsbaar gebouw
Binnen de PR10-6 contour en de belemmeringenstrook zijn van rechtswege geen zeer kwetsbare gebouwen toegestaan. Daarnaast is ervoor gekozen om binnen het gehele brandaandachtsgebied zeer kwetsbare gebouwen uit te sluiten. De gemeente Westland wil voorkomen dat verminderd zelfredzame personen op deze afstand van hogedrukaardgasleidingen (binnen een brandaandachtsgebied) verblijven, aangezien zij zich bij een incident niet zelfstandig in veiligheid kunnen brengen
(beperkt) Kwetsbaar gebouw
Binnen de PR10-6 contour en de belemmeringenstrook zijn geen kwetsbare gebouwen toegestaan. Voor beperkt kwetsbare gebouwen is hierin wel beleidsvrijheid. Van deze beleidsvrijheid wordt echter geen gebruik gemaakt omdat de gemeente Westland in de eerste meters rondom dit type risicobron geen gebouwen (dus ook geen beperkt kwetsbare gebouwen) wil toelaten, vanwege het risico op beschadiging van de buisleiding.
Binnen het brandaandachtsgebied zijn (beperkt) kwetsbare gebouwen toegestaan wanneer het groepsrisico kan worden verantwoord. Hiermee borgt de gemeente Westland dat het aantal slachtoffers dat bij een incident kan vallen beperkt blijft.
Er wordt geen onderscheid gemaakt in de omgang met kwetsbaar en beperkt kwetsbaar omdat dit in de verantwoording van het groepsrisico beschouwd wordt. Eventueel kan in de verantwoording een onderscheid gemaakt worden tussen aanwezigen in de 1-99% letaalzone en de 100% letaalzone. Daarbij zal het toelaten van (beperkt) kwetsbare gebouwen in de 100% letaalzone zwaarder beargumenteerd moeten worden, dan het toelaten van (beperkt) kwetsbare gebouwen in de 1-99% letaalzone, vanwege de grotere kans op overlijden bij een ongeval in de 100% letaalzone.
(beperkt) Kwetsbare locaties
Binnen de PR10-6 contour zijn van rechtswege geen kwetsbare locaties toegestaan. Voor beperkt kwetsbare locaties is hierin wel beleidsvrijheid. Van deze beleidsvrijheid wordt echter geen gebruik gemaakt, gelet op de ambitie van de gemeente Westland om een uniform beschermingsniveau te realiseren voor mensen die wonen, werken en recreëren in de gemeente tegen omgevingsveiligheidsrisico’s.
Binnen de belemmeringenstrook geldt voor zowel kwetsbare als beperkt kwetsbare locaties beleidsvrijheid. Van deze beleidsvrijheid kan gebruik gemaakt worden wanneer toestemming is gegeven door de leidingbeheerder, wanneer kan worden voldaan aan de door de leidingbeheerder gestelde eisen en voorwaarden en wanneer het groepsrisico kan worden verantwoord. De gemeente staat dit toe omdat de risico’s bij een hogedrukaardgasleiding zeer beperkt zijn, doordat deze ondergronds zijn gelegen en graafschade de belangrijkste oorzaak is van een ongeval. Graafwerkzaamheden binnen de belemmeringenstrook zijn echter alleen mogelijk wanneer de leidingbeheerder daar toestemming voor geeft en wanneer deze gepland zijn. Wanneer dat het geval is wordt ook richting de omgeving gecommuniceerd dat in die strook gegraven wordt en kan ervoor gezorgd worden dat er geen mensen aanwezig zijn in de omgeving van de graafwerkzaamheden, waardoor het risico op slachtoffers bij een mogelijk incident wordt beheerst.
Binnen het brandaandachtsgebied zijn (beperkt) kwetsbare locaties toegestaan wanneer het groepsrisico kan worden verantwoord. Met deze keuze wordt er gezorgd voor dezelfde lijn binnen de toelating van de verschillende soorten in (beperkt) kwetsbare locaties.
In onderstaand kader zijn een aantal voorbeelden gegeven van ontwikkelingen die wel, niet of onder voorwaarden zijn toegestaan.
|
Voorbeelden in overeenstemming met het beleid:
|
5.2.2 Ruimtelijke ontwikkelingen nabij stationaire activiteiten
In onderstaande tabel is te zien hoe in de gemeente Westland omgaat met nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen nabij stationaire risicovolle activiteiten.
3 De 300 meter verwijst naar de afstand die voor het gifwolkaandachtsgebied is vastgesteld voor Basisnetroutes.
Onderstaand is per categorie kwetsbaarheid4 uitgewerkt welke keuzes zijn gemaakt.
Zeer kwetsbaar gebouw
Binnen de PR10-6 contour zijn van rechtswege geen zeer kwetsbare gebouwen toegestaan. Binnen het brandaandachtsgebied en het explosieaandachtsgebied zijn zeer kwetsbare gebouwen eveneens uitgesloten. De gemeente Westland wil voorkomen dat verminderd zelfredzame personen binnen deze aandachtsgebieden van stationaire risicovolle activiteiten verblijven, aangezien zij zich bij een incident niet zelfstandig in veiligheid kunnen brengen. Binnen het gifwolkaandachtsgebied wordt onderscheid gemaakt tussen een zone die tot 300 meter reikt en een zone vanaf 300 meter. Voor de zone tot 300 meter geldt dat een zeer kwetsbaar gebouw is toegestaan als kan worden voldaan aan de voorwaarde om de ventilatie te borgen (en daarmee voldoende bescherming tegen een gifwolk kan worden gecreëerd) en wanneer het groepsrisico kan worden verantwoord. Voor de zone vanaf de 300 meter geldt dat een zeer kwetsbaar gebouw is toegestaan als kan worden voldaan aan de voorwaarde om de ventilatie te borgen. Op die afstand zijn de effecten al zodanig minder ernstig, dat met het tijdig afsluiten van de ventilatie het aantal slachtoffers bij een incident beperkt blijft.
(beperkt) Kwetsbaar gebouw
Binnen de PR10-6 contour zijn van rechtswege geen kwetsbare gebouwen toegestaan. Voor beperkt kwetsbare gebouwen is hierin wel beleidsvrijheid. Net als voor de andere risicobronnen geldt ook hier dat de gemeente Westland een uniform beschermingsniveau wil realiseren voor mensen die wonen, werken en recreëren in de gemeente tegen omgevingsveiligheidsrisico’s en er geen gebruik gemaakt wordt van deze beleidsvrijheid.
Binnen het brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied is een (beperkt) kwetsbaar gebouw toegestaan wanneer het groepsrisico kan worden verantwoord. Hiermee borgt de gemeente Westland dat het aantal slachtoffers dat bij een incident kan vallen beperkt blijft. Binnen het gifwolkaandachtsgebied geldt dezelfde redenatie en dezelfde voorwaarden als voor zeer kwetsbare gebouwen het geval is. Binnen de eerste 300 meter van het gifwolkaandachtsgebied is een (beperkt) kwetsbaar gebouw toegestaan als kan worden voldaan aan de voorwaarde om de ventilatie te borgen (en daarmee voldoende bescherming tegen een gifwolk kan worden gecreëerd) en wanneer het groepsrisico kan worden verantwoord. Voor die zone vanaf de 300 meter geldt dat een (beperkt) kwetsbaar gebouw is toegestaan. Daarbij wordt als extra beschermende maatregel opgenomen dat het kunnen afsluiten van de ventilatie geborgd moet worden.
Er wordt geen onderscheid gemaakt in de omgang met kwetsbaar en beperkt kwetsbaar omdat dit in de verantwoording van het groepsrisico beschouwd wordt.
(beperkt) Kwetsbare locaties
Binnen de PR10-6 contour zijn van rechtswege geen kwetsbare locaties toegestaan. Voor beperkt kwetsbare locaties is hierin wel beleidsvrijheid. Van deze beleidsvrijheid wordt echter geen gebruik gemaakt om dezelfde reden als voor beperkt kwetsbare gebouwen het geval is.
Binnen het brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en binnen 300 meter van het gifwolkaandachtsgebied is een (beperkt) kwetsbare locatie toegestaan wanneer het groepsrisico kan worden verantwoord. Hiermee borgt de gemeente Westland dat het aantal slachtoffers dat bij een incident kan vallen beperkt blijft. Binnen het gifwolkaandachtsgebied, maar buiten de 300 meter is een (beperkt) kwetsbare locatie toegestaan. Er wordt geen onderscheid gemaakt in kwetsbaar en beperkt kwetsbaar omdat dit in de verantwoording van het groepsrisico beschouwd wordt.
In onderstaand kader zijn een aantal voorbeelden gegeven van ontwikkelingen die wel, niet of onder voorwaarden zijn toegestaan.
|
Voorbeelden in overeenstemming met het beleid:
|
5.2.3 Ruimtelijke ontwikkelingen nabij transportroutes
In onderstaande tabel is te zien hoe in de gemeente Westland omgaat met nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen nabij basisnet transportroutes (in Westland enkel een klein deel van de A20).
5 Afstand gerekend vanaf de risicobron. Voor een brandaandachtsgebied geldt dus dat deze van 0-30 meter reikt, een explosieaandachtsgebied reikt van 0-200 meter en een gifwolkaandachtsgebied reikt van 0-300 meter.
Onderstaand is per categorie kwetsbaarheid6 uitgewerkt welke keuzes zijn gemaakt.
Zeer kwetsbaar gebouw
Binnen de PR10-6 contour zijn van rechtswege geen zeer kwetsbare gebouwen toegestaan. Binnen het brandaandachtsgebied en het explosieaandachtsgebied is ervoor gekozen om zeer kwetsbare gebouwen eveneens uit te sluiten. De gemeente Westland wil voorkomen dat verminderd zelfredzame personen binnen deze aandachtsgebieden verblijven, aangezien zij zich bij een incident niet zelfstandig in veiligheid kunnen brengen. Binnen het gifwolkaandachtsgebied is een zeer kwetsbaar gebouw toegestaan als kan worden voldaan aan de voorwaarde om de ventilatie te borgen (en daarmee voldoende bescherming tegen een gifwolk kan worden gecreëerd) en wanneer het groepsrisico kan worden verantwoord.
(beperkt) Kwetsbaar gebouw
Binnen de PR10-6 contour zijn van rechtswege geen kwetsbare gebouwen toegestaan. Voor beperkt kwetsbare gebouwen is hierin wel beleidsvrijheid. Gelet op de ambitie van de gemeente Westland om een uniform beschermingsniveau te realiseren voor mensen die wonen, werken en recreëren in de gemeente tegen omgevingsveiligheidsrisico’s wordt er geen gebruik gemaakt van deze beleidsvrijheid. Het uitgangspunt is om de eerste meters rondom dit type risicobronnen te allen tijde vrij te houden, voor elk type ontwikkeling.
Binnen het brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied is een (beperkt) kwetsbaar gebouw toegestaan wanneer het groepsrisico kan worden verantwoord. Hiermee borgt de gemeente Westland dat het aantal slachtoffers dat bij een incident kan vallen beperkt blijft. In het gifwolkaandachtsgebied geldt alleen de voorwaarde dat de ventilatie geborgd moet zijn. Op die manier wordt voldoende bescherming tegen een gifwolk gewaarborgd. Er wordt geen onderscheid gemaakt in kwetsbaar en beperkt kwetsbaar omdat dit in de verantwoording van het groepsrisico nader beschouwd wordt.
(beperkt) Kwetsbare locaties
Binnen de PR10-6 contour zijn van rechtswege geen kwetsbare locaties toegestaan. Voor beperkt kwetsbare locaties is hierin wel beleidsvrijheid. Van deze beleidsvrijheid wordt echter geen gebruik gemaakt om dezelfde reden als voor beperkt kwetsbare gebouwen het geval is.
Binnen het brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en het gifwolkaandachtsgebied is een (beperkt) kwetsbare locatie toegestaan wanneer het groepsrisico kan worden verantwoord. Hiermee borgt de gemeente Westland dat het aantal slachtoffers dat bij een incident kan vallen beperkt blijft. Er wordt geen onderscheid gemaakt in kwetsbaar en beperkt kwetsbaar omdat dit in de verantwoording van het groepsrisico nader beschouwd wordt.
In onderstaand kader zijn een aantal voorbeelden gegeven van ontwikkelingen die wel, niet of onder voorwaarden zijn toegestaan.
|
Voorbeelden in overeenstemming met het beleid:
|
5.2.3.1 Lokaal vervoer van gevaarlijke stoffen
Zoals al eerder aangegeven kunnen gemeenten ervoor kiezen (op basis van art. 24 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen) om vervoer van gevaarlijke stoffen alleen over bepaalde gemeentelijke en/of provinciale wegen toe te staan, door deze aan te wijzen met een routeringsbesluit. De Gemeente Westland heeft eerder een routebesluit gehad, welke zij op 30 oktober 2012 heeft ingetrokken (raadsbesluit met docnr. 12- 0058506).
De gemeente Westland maakt geen gebruik van de beleidsvrijheid die hiervoor geldt en wijst geen gemeentelijke routes aan voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals dit onder het bestaande beleid ook niet werd gedaan. Hier wordt voor gekozen, omdat middels de Wet vervoer gevaarlijke stoffen al is geregeld, dat de transporteur van gevaarlijke stoffen verplicht is de kortste route te rijden, en de bebouwde kom te mijden. Daarmee is een veilige routekeuze al geborgd. Indien nodig kan de gemeente Westland via de milieuvergunning bovendien venstertijden opleggen, om ervoor te zorgen dat het transport plaatsvindt op
momenten dat er zo min mogelijk personen langs de route aanwezig zijn. Voor MBA’s waar geen vergunning verplicht is, is het niet mogelijk om venstertijden op te leggen.
Doordat er geen route voor vervoer van gevaarlijke stoffen door de gemeente Westland wordt vastgesteld, worden er ook geen aanvullende veiligheidszones vastgesteld rondom deze wegen en gelden er vanuit het oogpunt van omgevingsveiligheid geen aanvullende beperkingen aan de ruimtelijke ordening rondom deze wegen.
5.2.4 Het toelaten van stationaire risicovolle activiteiten
In onderstaande tabel is te zien hoe in de gemeente Westland omgaat met het toestaan van nieuwe risicovolle activiteiten.
|
* Alleen risicovolle activiteiten toegelaten als zij noodzakelijk zijn voor de energietransitie ** Alleen risicovolle activiteiten toegelaten als zij onmisbaar zijn voor de bedrijfsvoering |
Anders dan in de vorige paragrafen, waar het ging over het toestaan van een ontwikkeling binnen een aandachtsgebied, gaat het hier over het toestaan van een nieuwe of de uitbreiding van een stationaire risicovolle activiteit met een PR10-6 contour en/of aandachtsgebieden. Zoals in de tabel te zien is, gelden hiervoor altijd voorwaarden en is dit nooit zonder meer toegestaan óf uitgesloten. De mogelijkheid blijft over om van het beleid en de planregels af te wijken doormiddel van een Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA).
Op bedrijventerreinen is de meeste ruimte om risicovolle activiteiten te ontplooien. Wel moet hier altijd worden voldaan aan de voorwaarde dat de PR10-6 contour binnen de eigen terreingrenzen moet blijven en dat het brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied niet tot over woongebieden of zeer kwetsbare gebouwen mogen reiken. Daarnaast moet altijd het groepsrisico worden verantwoord. Hiermee borgt de gemeente Westland dat het aantal slachtoffers dat bij een incident kan vallen beperkt blijft. Dit beleidsprincipe is strenger dan het huidige beleid, om verdichting op bedrijventerreinen mogelijk te maken.
|
Energieopslagsystemen Het scenario van een energieopslagsysteem is dat deze opwarmt door bijvoorbeeld een productiefout, storing, overladen of externe impact. Opwarming leidt al snel tot een situatie waarbij de reactie zichzelf versnelt (thermal runaway). Wanneer het energieopslagsysteem tot ontbranding komt, is het lastig om deze brand te blussen. Bij deze brand komen naast hitte ook giftige stoffen vrij (onder andere waterstoffluoride en zoutzuur). Momenteel zijn deze activiteiten niet aangewezen als milieubelastend in het Bal, en gelden er ook geen algemene regels en veiligheidsafstanden. Het voornemen is om dit in de loop van 2025 aan te passen. Dan zullen ook algemene regels gaan gelden, waarin ook wordt verwezen naar de richtlijnen PGS 37-1 en 37-2 (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, 2023). Deze PGS-richtlijnen bevatten maatregelen om de risico’s van lithium-ion houdende energieopslag systemen te beperken. Vooruitlopend op landelijke regelgeving hanteren we bij nieuwe initiatieven met dergelijke systemen al de richtlijnen PGS 37-1 en 37-2 én wordt in deze gevallen altijd de VRH en ODH om advies gevraagd. Ook zullen we de risico’s van dergelijke systemen meenemen in het nieuw op te stellen beleid op energie en duurzaamheid. |
Voor woongebied en glastuinbouwgebied gelden twee harde voorwaarden voor het kunnen toelaten van risicovolle activiteiten. De aangevraagde activiteit móét een relatie hebben met de energietransitie in woongebied of met de bedrijfsvoering en/of de energietransitie in glastuinbouwgebied. Als daar niet aan wordt voldaan is de activiteit niet toegestaan. Dit is in lijn met het huidige beleid, waarin nieuwe of uitbreiding van stationaire risicovolle activiteiten ook alleen onder voorwaarden waren toegestaan. Daarnaast moet ook hier de PR10-6 contour binnen de eigen terreingrenzen blijven en moet het groepsrisico worden verantwoord.
|
Voorbeelden in overeenstemming met het beleid:
|
5.2.4.1 LPG-tankstations en propaantanks
Met de inwerkintreding van de Omgevingswet bestaan er voor omgevingsveiligheid een aantal zogeheten ‘bruidsschatonderwerpen’. Twee belangrijke onderwerpen hierover zijn de omgang met LPG-tankstations en met propaantanks.
Zowel voor de LPG-tankstations als voor propaantanks (met een tankinhoud van meer dan 13m2) legt de gemeente Westland een vergunningplicht op. De realisatie van deze activiteiten legt namelijk een beslag op de ruimte in de vorm van de aandachtsgebieden die van rechtswege gelden rondom deze activiteiten.
5.2.5 Voorwaarden
Voor elk type risicobron zijn er situaties waarin een ontwikkeling onder voorwaarden is toegestaan. In de verschillende tabellen in de voorgaande paragrafen is opgenomen wanneer iets onder voorwaarden is toegestaan én welke voorwaarden dan gelden. Onderstaand is toegelicht wat die voorwaarden inhouden.
Voorwaarden af te stemmen met leidingbeheerder: Binnen de PR10-6 contour en de belemmeringenstrook van een hogedrukaardgasleiding is de realisatie van gebouwen uitgesloten. Voor locaties geldt dit niet per sé. Om in die zone een locatie te kunnen toelaten is echter toestemming van de leidingbeheerder nodig. Daarnaast kan de leidingbeheerder hier voorwaarden aan stellen, die ook in het omgevingsplan kunnen worden opgenomen om deze te borgen.
Borging ventilatie: Met borging van de ventilatie wordt bedoeld dat mechanische ventilatie binnen een gebouw niet enkel wordt geïnstalleerd bij nieuwbouw (wat op grond van het Bbl verplicht is) maar dat er ook voor wordt gezorgd dat organisatorische maatregelen getroffen zijn om die mechanische ventilatie daadwerkelijk te kunnen afsluiten en ramen en deuren te sluiten. Dit kan bijvoorbeeld noodzakelijk zijn, wanneer een gifwolk ontstaat en deze tot over het gebouw reikt.
Verantwoording groepsrisico: Met de verantwoording van het groepsrisico moet worden beargumenteerd waarom een ontwikkeling op die locatie doorgang kan vinden. Voor de ontwikkeling moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd, waarbij deze alleen wordt verleend als;
- •
Aangetoond is dat er redelijkerwijs geen alternatieve locatie mogelijk is die buiten het aandachtsgebied ligt van de risicovolle activiteit;
- •
De afstand van de kwetsbare activiteit tot de risicovolle activiteit zo groot mogelijk is;
- •
De personendichtheid en aanwezigheidsduur van de ontwikkeling zo beperkt mogelijk is
- •
Aangetoond is dat de bescherming van de kwetsbare activiteit voldoende is door maatregelen zoals:
- o
bronmaatregelen bij de risicovolle activiteit;
- o
omgevingsmaatregelen;
- o
bestrijdbaarheidsmaatregelen bij de risicovolle activiteit, waaronder de bereikbaarheid voor hulpdiensten en aanwezige bluswatervoorzieningen;
- o
bouwkundige maatregelen;
- o
schuil- en vluchtmogelijkheden;
- o
adequate risico- en crisiscommunicatie.
- o
- •
Bij de beoordeling van bovenstaande rekening is gehouden met het advies van de veiligheidsregio.
5.2.6 Proces
Naast de inhoudelijke beleidskeuzes, die in de volgende paragrafen zijn uitgewerkt, zijn er met dit nieuwe beleidskader ook een aantal procesmatige beleidskeuzes gemaakt.
De Omgevingsdienst Haaglanden (ODH) is en blijft de adviseur omgevingsveiligheid voor de gemeente Westland. In de praktijk betekent dit dat alle vragen met betrekking tot omgevingsveiligheid aan de ODH worden voorgelegd.
Een andere belangrijke partner is de Veiligheidsregio Haaglanden. De gemeente Westland vraagt de Veiligheidsregio Haaglanden (vroegtijdig) aan te schuiven bij bijvoorbeeld omgevingstafels en betrekt haar vroegtijdig bij grote ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente. Zo wordt het belang van de veiligheidsregio ten alle tijden geborgd.
6 Uitvoering
6.1 Van ambities naar acties
De in dit beleidsplan geformuleerde uitgangspunten en ambities kunnen alleen gerealiseerd worden als daarvoor de goede maatregelen genomen worden en het juiste instrumentarium aanwezig is. In dit hoofdstuk wordt uiteengezet op welke wijze de uitgangspunten en ambities van de gemeente Westland worden omgezet in acties.
Voorop staat dat omgevingsveiligheid een takenveld kent waaraan vele gemeentelijke disciplines een bijdrage moeten leveren: milieu, RO, verkeer en vervoer, openbare orde en veiligheid, bouwen, communicatie en economische zaken. Waar toepasselijk, is sprake van inzet bij beleidsvorming, vergunningverlening en handhaving. Het merendeel van de werkzaamheden ligt echter bij de teams die gaan over de leefomgeving (RO / milieu), de Omgevingsdienst Haaglanden en de Veiligheidsregio Haaglanden.
In hoofdlijnen strekken de acties van de discipline milieu zich uit over het inventariseren en invoeren van risicovolle en kwetsbare activiteiten in het Register Externe Veiligheid (REV) (en houden) van een actueel beeld van risicobronnen en andere relevante situaties. Verder liggen er taken (actualiseren, verlenen, handhaven) op het gebied van de omgevingsvergunningen van risicovolle activiteiten en meldingen van niet- vergunningplichtige risicovolle activiteiten. Taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden dienen structureel te zijn verankerd in procedures en beschrijvingen van werkprocessen.
Onderhavig beleid vindt eveneens zijn toepassing binnen de ruimtelijke besluitvorming. Dit gebeurt hoofdzakelijk bij de vaststelling van het omgevingsplan en het verlenen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Middels de ruimtelijke onderbouwing/toelichting wordt uiteengezet wat de keuzes zijn en wat deze keuzes betekenen voor de omgevingsveiligheid. Een verantwoording van het groepsrisico maakt hier indien nodig deel van uit. De gemaakte keuzes worden vertaald in mogelijkheden en beperkingen in de regels en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan en het besluit omtrent een omgevingsvergunning.
De beheersing van calamiteiten zal door de Veiligheidsregio Haaglanden goed moeten worden afgestemd op de risico’s die zich in de gemeente Westland ten gevolge van gevaarlijke stoffen kunnen voordoen. Ook heeft de Veiligheidsregio Haaglanden belangrijke adviestaak richting de taakuitvoering van Milieu en RO, zowel in het kader van de Omgevingswet als in het kader van hun eigenstandige adviesfunctie op basis van de Wet veiligheidsregio’s.
Uitgangspunten en ambities zijn niet tijdloos. Interne en externe factoren en omstandigheden kunnen zorgen voor een aanpassing van het omgevingsveiligheidsbeleid.
6.2 Taken omgevingsveiligheid
Zoals hierboven is aangegeven ligt de uitvoering van de taken op het gebied van omgevingsveiligheid deels bij de gemeente zelf (milieu en RO) en wordt deze deels ingevuld door de Omgevingsdienst Haaglanden en de Veiligheidsregio Haaglanden. Hierover zijn in het verleden reeds afspraken gemaakt. Deze afspraken veranderen niet door de komst van het nieuwe beleidskader.
Het nieuwe beleidskader brengt wel enkele nieuwe taken met zich mee. Deze worden hieronder toegelicht:
6.2.1 Aanleveren gegevens kwetsbare gebouwen en locaties aan het REV
Met de komst van de Omgevingswet is de gemeente verantwoordelijk voor het bijhouden van het register omgevingsveiligheid met informatie over de verschillende typen kwetsbare gebouwen en locaties.
Dit betekent dat de vooringevulde informatie in het REV gecontroleerd moet worden en een proces ingericht dient te worden om deze informatie in het vervolg actueel te houden, bijvoorbeeld door het maken van een koppeling met de gemeentelijke basisadministratie.
Op grond van artikel 11.1 van het Bkl beheert de ODH de risicovolle MBA's in het REV. Op grond van artikel 11.6 van het Bkl mag alleen het bevoegd gezag dat beslist om een BOPA-vergunning te verlenen de kwetsbare gebouwen en locaties in het REV beheren. De ODH is niet gemandateerd voor het verlenen van bouw-/BOPA-vergunningen. Daarom ligt het beheer hiervan (nog) bij de gemeente Westland.
6.2.2 Inventarisatie zeer kwetsbare gebouwen
Voor zeer kwetsbare gebouwen geldt dat deze met het nieuwe beleid extra beschermd worden. Het is van belang deze gebouwen - en ook de locaties waar deze gebouwen conform het huidige (tijdelijke) omgevingsplan zijn toegelaten – goed in beeld te brengen. Hiervoor dient een inventarisatie te worden uitgevoerd.
6.2.3 Vertaling beleid naar omgevingsplan
Bij het toedelen van functies aan locaties en het opstellen van planregels dient het geformuleerde beleid uit hoofdstuk 5.2 gehanteerd te worden. Op die manier wordt het beleid ook geborgd in de praktijk. In hoofdstuk 7 wordt hier verder op ingegaan.
6.3 Monitoring beleid
De gemeente zorgt voor de monitoring van de werking van de beleidsvisie (H5) en draagt zorg voor de borging en monitoring van de uitvoering van de taken. Daarvoor sluit zijn aan bij de BIG-8 beleidscyclus die wordt aanbevolen voor het vormgeven van VTH-taken. De BIG-8 beleidscyclus biedt een gestructureerde aanpak voor het opstellen, uitvoeren, evalueren en bijstellen van beleid en wordt ondersteund door het IPLO als een effectief instrument voor kwaliteitsborging in het omgevingsrecht. Door deze stappen te volgen, ontstaat een doorlopende cyclus die begint bij het opstellen van beleid en via uitvoering en evaluatie leidt tot het bijstellen van het beleid. Dit cyclische proces is bedoeld om de effectiviteit van het beleid te waarborgen en aan te passen aan veranderende omstandigheden.
Figuur 12, BIG-8 Beleidscyclus
Voor omgevingsveiligheid kan de beleidscyclus als volgt worden ingevuld:
- 1.
Prioriteiten & Doelen
- •
Prioriteit: Beschermen van kwetsbare groepen (zoals kinderen en ouderen), aandacht voor het onbewust toelaten van en nieuwe risicovolle activiteiten.
- •
Doel: Voldoen aan Seveso/BRZO-wetgeving, voorkomen van zware ongevallen, beperken en minimaliseren van risico’s voor kwetsbare bewoners en omwonenden van risicovolle bedrijven en activiteiten, zoals opslag chemische stoffen, ammoniak koelinstallaties en transport van gevaarlijke stoffen.
- •
- 2.
Strategie
- •
Risico objecten/gebieden binnen de gemeente Westland inzichtelijk maken en houden.
- •
De kwetsbare gebouwen binnen de gemeente Westland inzichtelijk krijgen en houden.
- •
Met het beleid omgevingsveiligheid hebben we handvatten om omgevingsveiligheid in planregels te borgen.
- •
Met het beleid omgevingsveiligheid kunnen we het thema integreren in de toepasbare regels.
- •
- 3.
Programma & organisatie
- •
Opstellen en bijhouden van risicokaarten (REV), toepasbare regels en planvoorschriften.
- •
Betrekken van veiligheidsregio/brandweer en omgevingsdienst en vanuit de interne organisatie stedenbouw, bouw- en woningtoezicht, omgevingsplanjuristen, milieubeleid, crisisbeheersing, regelanalist DSO en strategisch regisseurs.
- •
- 4.
Beleidsevaluatie
- •
Analyse van projecten na realisatie, steekproefsgewijs checken of toepasbare regels zijn toegepast (en nog kloppen) bij, toetsen of doelen worden gehaald, na incidenten (zoals lekkage of brand) wordt geëvalueerd of het beleid effectief was, inspectieresultaten (via BRZO + rapportages) worden geanalyseerd. Check of de vergunningen nog actueel zijn.
- •
Na vier jaar, of eerder indien noodzakelijk, na het van kracht worden van het beleid wordt het beleid omgevingsveiligheid geëvalueerd en wordt de gemeenteraad door het college geïnformeerd over eventuele wijzigingen of aanvullingen.
- •
- 5.
Werkwijze
- •
Inspecties door bouw- en woningtoezicht, inspecties door toezichthouders omgevingsdienst in samenwerking met VRH/brandweer, communicatie met inwoners en bedrijven.
- •
(V)TH-taken door de omgevingsdienst, waaronder actualisatie van vergunningen.
- •
- 6.
Uitvoering
- •
Vergunningverlening, toezicht houden, afstemmen met adviseur crisisbeheersing, afstemming met Inspectie SZW, afstemmen met veiligheidsregio/brandweer, oefenen met rampenscenario’s, controle op noodplannen, incidentenregistratie, voorlichting geven/communicatie.
- •
- 7.
Monitoring
- •
Controle van naleving van de regels voor bedrijven door de omgevingsdienst en brandweer.
- •
Risicoanalyses actualiseren, jaarlijks overzicht mutaties REV.
- •
Monitoring taakuitvoering (V)TH voor de omgevingsdienst
- •
- 8.
Terugkoppeling
- •
Resultaten van monitoring en evaluatie leiden tot aanpassingen in doelen en strategie.
- •
Feedback vanuit monitoring en incidenten leidt tot actualisatie van vergunningen, aanpassing van regels of investeringen in betere systemen (BBT).
- •
Zo blijft het beleid een lerend systeem.
- •
7 Voorbeeld planregels
7.1 Van beleid naar planregels
In een werksessie met juridisch medewerkers van de gemeente Westland is verkend op welke wijze het beleid vertaald kan worden naar planregels in het omgevingsplan. Op dit moment beschikt de gemeente Westland over een tijdelijk omgevingsplan, waar de bestemmingsplannen onder de Wro en de bruidsschat onderdeel van uitmaken. Naar verwachting stelt de gemeente eind 2025 een eerste nieuwe versie van het omgevingsplan vast. Deze nieuwe versie betreft een beleidsneutrale overgang naar het omgevingsplan. In dit kader kunnen ook beleidsneutrale wijzigingen met betrekking tot het thema omgevingsveiligheid worden meegenomen.
In dit hoofdstuk maken we onderscheid in planregels die betrekking hebben op:
- •
Beleidsneutrale wijzigingen
- •
Bruidsschat
- •
Nieuwe beleidskeuzes
7.2 Beleidsneutrale wijzigingen
7.2.1 Aanwijzen wettelijk verplichte voorschriftengebieden
In een omgevingsplan wordt conform Artikel 5.14 (lid 2 en 3) van het Bkl: a. een brandaandachtsgebied aangewezen als brandvoorschriftengebied en b. een explosieaandachtsgebied aangewezen als explosievoorschriftengebied. In een omgevingsplan wordt afgezien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of kan een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied worden aangewezen. Dit geldt niet voor een locatie in een brand- of een explosieaandachtsgebied waar een zeer kwetsbaar gebouw is toegelaten.
Dat betekent dat de gemeente Westland in het omgevingsplan de gebieden binnen een brand- en explosieaandachtsgebied als brand- en voorschriftengebied moet aanwijzen voor de gebieden, waarvoor een functie is toegekend waarin een zeer kwetsbaar gebouw is of kan worden gerealiseerd. Het gaat in veel gevallen om de functie ‘maatschappelijk’.
In onderstaande afbeelding is een voorbeeld opgenomen over planregels m.b.t. het aanwijzen van een voorschriftengebied, afkomstig het omgevingsplan van de gemeente Lansingerland.
Figuur 13, Voorbeeld plaatsgebonden risico. Bron: Gemeenteblad 2025, 74256 gemeente Lansingerland
7.2.2 Vestiging nieuwe risicovolle MBA’s uitsluiten in Westland
Het oprichten van een nieuw risicovol bedrijf is in de huidige bestemmingsplannen voor de meeste locaties binnen Westland uitgesloten. Deze lijn wordt doorgetrokken in het omgevingsplan. Onder de Omgevingswet is het begrip milieubelastende activiteiten (MBA) geïntroduceerd. Onder een MBA met een extern veiligheidsrisico wordt verstaan: een activiteit zoals gedefinieerd in bijlage 7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). MBA’s met een extern veiligheidsrisico worden uitgesloten in het omgevingsplan.
Er kan hiervan worden afgeweken door middel van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Een dergelijke afwijking wordt slechts toegestaan indien de aanvraag wordt getoetst aan het gemeentelijk beleid en hiermee in overeenstemming is.
7.2.3 Plaatsgebonden risico
Onder de Omgevingswet is de systematiek en beoordeling van het plaatsgebonden risico niet gewijzigd. Het plaatsgebonden risico is in het verleden in bestemmingsplannen direct of indirect vastgelegd. In het omgevingsplan wordt het werkingsgebied van het plaatsgebonden risico 10-6 vastgelegd en worden beperkingen opgenomen, zoals bedoeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Het vaststellen van een nieuw omgevingsplan is een kans om de wijze waarop het plaatsgebonden risico 10-6 is vastgelegd, wordt geüniformeerd en geactualiseerd.
Onderstaande afbeeldingen tonen voorbeelden van de wijze waarop de planregels kunnen worden vormgegeven. De voorbeelden zijn afkomstig uit het omgevingsplan van de gemeente Lansingerland.
Figuur 14, Voorbeeld plaatsgebonden risico. Bron: Gemeenteblad 2025, 74256 gemeente Lansingerland
Figuur 15, Figuur 14, Voorbeeld plaatsgebonden risico. Bron: Gemeenteblad 2025, 74256 gemeente Lansingerland
7.2.4 Omgevingsverordening provincie Zuid-Holland
De gemeente Westland dient de regels die voorkomen uit de provinciale verordening van de provincie Zuid- Holland door te voeren in ons beleid. In de vormgeving van onze planregels houden we rekening met het toevoegen van de volgende onderwerpen: toevoegen van de grenswaarden/verhoogde risicogebieden voor een verplichte berekening van het groepsrisico en met het toevoegen van de effectgebieden rondom de aangewezen provinciale niet-basisnet transportroute met hierbij de toevoeging van een extra verantwoording van het groepsrisico. Dit vloeit voort uit de paragraven 7.3.2.2. en 7.3.2.4 van de provinciale verordening van de provincie Zuid-Holland.
7.3 Bruidsschat omgevingsplan
De gemeente Westland hanteert als uitgangspunt dat de volledige bruidsschat van toepassing blijft binnen het omgevingsplan. Daarmee zijn ook de onderdelen die betrekking hebben op externe veiligheid automatisch van kracht.
7.3.1 Opnemen regels bluswatervoorziening en bereikbaarheid
Voor dit onderdeel worden geen aanvullende planregels opgenomen, aangezien de regels omtrent bluswatervoorziening en bereikbaarheid zijn opgenomen in het omgevingsplan, in de artikelen 22.13 en 22.15.
7.3.2 Opnemen vergunningplicht LPG en propaan
Ook voor dit onderdeel worden geen extra planregels toegevoegd. De vergunningplicht met betrekking tot de opslag van LPG en propaan is opgenomen in artikel 22.263 van het omgevingsplan.
7.4 Beleidskeuzes van het omgevingsplan
7.4.1 Vesting nieuwe zeer kwetsbare gebouwen uitsluiten in het BAG en EAG
In hoofdstuk 5 is de beleidskeuzes vastgelegd dat de gemeente Westland binnen het BAG en/of EAG van risicobronnen geen nieuwe zeer kwetsbare objecten wil toestaan. Op dit moment is het in de gemeente Westland nu meestal niet mogelijk om een zeer kwetsbaar object te realiseren zonder een BOPA-vergunning of wijziging van het omgevingsplan. Voor de duidelijkheid naar initiatiefnemers is ervoor gekozen om dit in planregels expliciet te benoemen in het omgevingsplan.
De onderstaande afbeeldingen tonen voorbeelden van de wijze waarop de planregel kan worden vormgegeven. De voorbeelden zijn afkomstig uit het omgevingsplan van de gemeente Lansingerland.
Figuur 12: Voorbeeld brandaandachtsgebieden en explosieaandachtsgebieden. Bron: Gemeenteblad 2025, 74256 gemeente Lansingerland.
Figuur 13: Voorbeeld kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en locaties. Bron: Gemeenteblad 2025, 74256 gemeente Lansingerland.
Ondertekening
Aldus besloten door de raad in zijn openbare vergadering van 28 oktober 2025
de griffier,
P. van Oosten
de voorzitter,
B.R. Arends
Bijlage 1 Uitleg Omgevingsveiligheid
Wat is omgevingsveiligheid?
Omgevingsveiligheid gaat over de risico’s die ontstaan door het vervoer, opslag, gebruik en productie van gevaarlijke stoffen en het in werking hebben van windturbines en burgerluchthavens. Bij een ongeval met een dergelijke activiteit kunnen er levensbedreigende effecten in de omgeving optreden zoals warmtestraling door een brand, overdrukeffecten door een explosie of vergiftiging door het vrijkomen van een gifwolk. De kans op een ongeval is erg klein, maar de effecten voor mensen in de omgeving kunnen enorm zijn. Dit betekent dat we voldoende afstand moeten houden tussen activiteiten met gevaarlijke stoffen en bijvoorbeeld woon-, werk- en recreatiegebieden óf beschermende maatregelen moeten nemen als afstand houden niet mogelijk is.
We kennen binnen omgevingsveiligheid vijf soorten risicovolle activiteiten waarvoor regels gesteld worden:
- a.
Transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor
- b.
Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen
- c.
Opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen
- d.
Windturbines, met de kans op het afbreken van een blad, gondel of mast
- e.
Burgerluchthavens, met de kans op een ongeval met een vliegtuig
Om te beoordelen of voldoende afstand wordt aangehouden of voldoende beschermende maatregelen zijn genomen, werden er voor de invoering van de Omgevingswet twee risicomaten toegepast; het plaatsgebonden risico (zie B1.4) en het groepsrisico (zie B1.5).
Milieubelastende activiteiten
Onder de Omgevingswet kennen we het begrip milieubelastende activiteit (MBA). Deze MBA’s worden aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In het Bal staan ook alle algemene rijksregels die gelden voor deze MBA’s. Dit besluit regelt tevens de meldings- of vergunningsplicht per MBA en de bijhorende inhoudelijke regels. De MBA’s die relevant zijn vanuit omgevingsveiligheid noemen we risicovolle MBA’s en zijn te herleiden uit bijlage VII t/m IX van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Kwetsbare gebouwen en locaties
Onder de Omgevingswet kennen we de volgende functies die bescherming behoeven: zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, kwetsbare locaties, beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties. Bij het bepalen van de kwetsbaarheid van een gebouw of locatie is gekeken naar de volgende kenmerken:
- •
het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is;
- •
de aanwezigheidsduur van personen;
- •
in hoeverre personen zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een ongeval.
In bijlage VI van het Bkl worden deze gebouwen en locaties aangewezen. Bij zeer kwetsbare gebouwen gaat het bijvoorbeeld om de volgende functies (zie onderdeel E uit de desbetreffende bijlage):
- •
woonfunctie voor 24-uurszorg;
- •
kinderopvang
- •
dagverblijf van personen met een lichamelijke of geestelijke beperking;
- •
gebouwen met een celfunctie;
- •
gezondheidszorgfunctie met bedgebied
- •
basisonderwijs
- •
onderwijs aan minderjarigen met een lichamelijke of geestelijk beperking
Het plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat één persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. Het plaatsgebonden risico mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen jaar (10-6). Dit betekent dat binnen dit plaatsgebonden risicocontour rondom een risicovolle activiteit geen (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties zijn toegestaan. Voor die gebouwen en locaties is dit een grenswaarde. Beperkt kwetsbare gebouwen en locaties zijn binnen de 10-6 plaatsgebonden risicocontour alleen toegestaan met goede motivering. De 10-6 plaatsgebonden risicocontour geldt dan als standaardwaarde.
Het aandachtsgebied
Onder de Omgevingswet kent elke risicovolle activiteit (MBA) een of meerdere aandachtsgebieden. Het aandachtsgebied is het gebied waarbinnen mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende zijn beschermd tegen de levensbedreigende effecten van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen een brandaandachtsgebied (BAG), explosieaandachtsgebied (EAG) en een gifwolkaandachtsgebied (GAG).
De gemeente moet in het omgevingsplan regelen hoe ze omgaan met het groepsrisico, dus hoe zij groepen mensen gaan beschermen tegen de risico’s van activiteiten met gevaarlijke stoffen (conform artikel 5.15 van het Bkl). Het groepsrisico (GR) is de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit met gevaarlijke stoffen (of met een vliegtuig of windturbine).
Voor een aantal risicovolle MBA’s en voor transportroutes is de omvang van de aandachtsgebieden in bijlage VII tot en met IX van het Bkl vastgesteld met een vaste afstand. Vaste afstanden (bijlage VII Bkl onder A, B en C) gelden bijvoorbeeld voor: het tanken van LPG, propaantanks (waarvoor geen vergunningplicht geldt) en routes die onderdeel uitmaken van het landelijke Basisnet. Voor andere (meer complexe) activiteiten en voor buisleidingen moet de omvang van de aandachtsgebieden berekend worden. Activiteiten waarvoor de aandachtsgebieden worden berekend (Bijlage VII Bkl onder D en E) zijn bijvoorbeeld: buisleidingen, propaantanks >13 m3 en Seveso-bedrijven.
Het voorschriftengebied
Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. We wijzen in dat geval een locatie aan binnen een (brand- of explosie) aandachtsgebied als (brand-of explosie) voorschriftengebied in het omgevingsplan. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Daarin staan eisen over de brandwerendheid van gebouwen, vluchtroutes en over de scherfwerking van het glas van gebouwen. Deze maatregelen hebben tot doel om mensen in een gebouw beter te beschermen tegen de effecten van een brand of explosie. Bij de omgevingsvergunning gedeelte bouw wordt getoetst of de gebouwen voldoen aan de eisen van een brand,- of explosievoorschriftengebied. Voor gedeelten van het bouwwerk buiten het voorschriftengebied gelden geen aanvullende bouweisen uit het Bbl. Als we geen brand- of explosievoorschriftengebied in het omgevingsplan hebben aangewezen, gelden binnen het aandachtsgebied geen aanvullende bouweisen. Het is aan ons om af te wegen of aanvullende maatregelen nodig zijn om de mensen in (beperkt) kwetsbare gebouwen voldoende te beschermen tegen de gevolgen van een brand en/of explosie. Een bouwkundige maatregel is één van de mogelijke maatregelen. Voor het gifwolkaandachtsgebied geldt geen voorschriftengebied.
Het risicogebied
Het is mogelijk om rondom zware risicovolle stationaire activiteiten (uit bijlage VII van het Bkl, onder E, onder 3 t/m 5.2, 6 t/m 9 en 11 t/m 13) zogenaamde risicogebieden aan te wijzen (art. 5.16 Bkl). Een risicogebied wordt meestal rondom een cluster van dergelijke activiteiten aangewezen waarbinnen ook activiteiten kunnen liggen die niet onder E van bijlage VII van het Bkl vallen. Een risicogebied is bedoeld om bedrijven met
ruimtelijke impact (plaatsgebonden risicocontour en aandachtsgebieden) ruimte te geven om uit te breiden. De geometrische begrenzing dient te worden vastgelegd in het omgevingsplan. Het hele chemische cluster wordt benaderd als één risicovolle activiteit met één 10-6 plaatsgebonden risicocontour die is gelegen op de begrenzing van het risicogebied. Hierbinnen zijn zeer kwetsbare gebouwen niet toegestaan. (Beperkt) kwetsbare gebouwen met een functionele binding worden toegelaten als die al zijn toegestaan op het tijdstip van het aanwijzen van het gebied. Binnen een risicogebied hebben bedrijven wel hun eigen aandachtsgebieden. Rondom het risicogebied kan ook een maximale contour van aandachtsgebieden gelegd worden. De toepassing van artikel 5.15 Bkl (rekening houden met groepsrisico) is alleen verplicht in dat deel van het aandachtsgebied dat buiten het risicogebied ligt.
Bruidsschat
Momenteel staan er een aantal bruidsschatregels (voorheen rijksregels) over omgevingsveiligheid in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Deze regels kunnen gemeenten schrappen of, eventueel na aanpassing, behouden en overzetten naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. Onderstaand is per regel aangegeven hoe het nu is geregeld en wat er verandert.
Propaan/propeen: Met de komst van de Omgevingswet wordt er voor het vergunningplichtig zijn van de milieubelastende activiteit ‘het opslaan van propaan of propeen’ geen onderscheid meer gemaakt in het aantal tanks. Het opslaan van propaan of propeen (brandbare gassen) in een opslagtank met een inhoud van meer dan 150 liter is een milieubelastende activiteit (art. 3.21 van het Bal. Bij het opslaan van meer dan 13 m3 propaan of propeen in een opslagtank is sprake van een vergunningplicht (art. 3.22 Bal). De vergunningplicht voor het opslaan van propaan of propeen in meer dan twee opslagtanks is niet overgenomen in het Bal. Wel is de vergunningplicht overgenomen in art. 22.262 van de Bruidsschat. Dit betekent dat het opslaan van propaan of propeen in meer dan twee opslagtanks bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet in eerste instantie nog vergunningplichtig is.
LPG-tankstation: Het bieden van gelegenheid voor tanken van LPG is in het Bal aangewezen als een milieubelastende activiteit (art. 3.272). De vergunningplicht blijft slechts gelden voor het tanken van vaartuigen of drijvende werktuigen met LPG (art. 3.273 onder b Bal). De vergunningplicht voor het afleveren van LPG voor de overige activiteiten is niet overgenomen in het Bal. Wel zijn de vergunningplichten overgenomen in de bruidsschat (art. 22.263). Dit betekent dat deze activiteiten bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet in eerste instantie nog vergunningplichtig zijn. Daarnaast gelden voor het tanken van motorvoertuigen de voorschriften uit het Bal (§ 4.35).
Brandbestrijding: In het Bbl zijn de artikelen over bluswatervoorziening, bereikbaarheid hulpdiensten en opstelplaatsen voor brandweervoertuigen uit het Bouwbesluit 2012 niet meer opgenomen. De regels komen wel terug in de volgende artikelen van de bruidsschat: art. 22.13 Bluswatervoorziening, art. 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten en art. 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen.
Bijlage 2 Provinciale verordening Omgevingsveiligheid
§ 7.3.2 Omgevingsveiligheid (omgevingsveiligheid)
§ 7.3.2.1 Risicogebieden omgevingsveiligheid
Artikel 7.16 (opname risicogebieden omgevingsveiligheid)
De locaties risicogebied omgevingsveiligheid Botlek-Vondelingenplaat, risicogebied omgevingsveiligheid Europoort en Landtong, risicogebied omgevingsveiligheid Maasvlakte 1 en Maasvlakte 2, risicogebied omgevingsveiligheid Zeehavens Dordrecht, risicogebied omgevingsveiligheid Eemhaven en Distripark Albrandswaard en risicogebied omgevingsveiligheid Waalhaven, waarvan de geometrische begrenzing in bijlage II is vastgelegd, worden als risicogebieden omgevingsveiligheid opgenomen in het omgevingsplan.
Toelichting
Deze bepaling heeft tot doel de zes veiligheidscontouren, die door de provincie en betrokken gemeenten zijn vastgesteld tussen 2013 en 2018, zoals bepaald in artikel 14 Besluit omgevingsveiligheid inrichtingen , op te nemen in de omgevingsplannen van gemeenten als risicogebieden omgevingsveiligheid zoals gedefinieerd in artikel 5.16 Besluit kwaliteit leefomgeving. Met het gebruik van risicogebieden omgevingsveiligheid kan in beginsel de ontstane praktijk met betrekking tot de veiligheidscontouren worden voortgezet. De geometrische begrenzingen van de risicogebieden zijn dan ook rechtstreeks ontleend aan de vastgestelde veiligheidscontouren. Het opnemen van risicogebieden omgevingsveiligheid in het omgevingsplan activeert de regels uit artikelen 5.16 en 5.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 7.17 (waarborgen ruimte risicogebieden omgevingsveiligheid)
Bij het al dan niet toewijzen van een reservering van ruimte voor een aandachtsgebied in het omgevingsplan rond de risicogebieden omgevingsveiligheid , genoemd in artikel 7.16, wordt de ruimte van activiteiten waarvoor het risicogebied omgevingsveiligheid is gereserveerd in acht genomen.
Toelichting
Deze bepaling beschermt de ruimte die binnen de risicogebieden omgevingsveiligheid, genoemd in artikel 7.16, is gereserveerd voor milieubelastende activiteiten met omgevingsveiligheidsrisico's. De provincie streeft ernaar om de bestaande mogelijkheid om risicovolle bedrijfsactiviteiten te vergunnen toe te staan binnen deze risicogebieden omgevingsveiligheid te behouden. Om dit te waarborgen, wordt van gemeenten verlangd ruimte in acht te nemen die behoort bij de risicovolle activiteiten waarvoor de risicogebieden omgevingsveiligheid zijn gereserveerd. Als onderdeel van de Modernisering Omgevingsveiligheid (MOV) heeft het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat het aandachtsgebiedenbeleid geïntroduceerd. De gemeente kan in het omgevingsplan ruimte reserveren voor aandachtsgebieden of juist aandachtsgebieden op een bepaalde locatie uitsluiten. Dit artikel is opgesteld om te voorkomen dat gemeenten op voorhand aandachtsgebieden rondom risicogebieden uitsluiten. Het doel van dit artikel is ervoor te zorgen dat gemeenten bij het vaststellen van het omgevingsplan geen beperking opleggen voor toekomstige risicovolle activiteiten binnen het risicogebied. Het beoogt voldoende ruimte te behouden voor het bundelen van dergelijke activiteiten binnen de risicogebieden, zodat de functionaliteit van het risicogebied behouden blijft.
Wanneer een gemeente besluit een aandachtsgebied direct buiten een risicogebied omgevingsveiligheid uit te sluiten, dan heeft dit nadelige gevolgen voor de ruimte die oorspronkelijk binnen het risicogebied oorspronkelijk was gereserveerd voor milieubelastende activiteiten met omgevingsveiligheidsrisico's. Dit ontstaat als het aandachtsgebied van een risicobron binnen het risicogebied, als gevolg van vestiging of uitbreiding van een activiteit met omgevingsveiligheidsrisico's, (verder) buiten het risicogebied komt te
liggen. In dat geval kan de provincie, als bevoegd gezag voor Seveso-inrichtingen, binnen het risicogebied minder uitbreiding of vestiging van risicovolle bedrijvigheid vergunnen ten opzichte van de situatie voor het aandachtsgebiedenbeleid.
De zes risicogebieden in Zuid-Holland zijn bedoeld om risicovolle activiteiten in te clusteren. De gebiedsaanduiding van het risicogebied geeft een begrenzing aan de PR 10-6 per jaar contour van de activiteiten. Hieruit volgt dat het niet de bedoeling is dat gemeenten buiten de risicogebieden aandachtsgebieden op voorhand in het omgevingsplan uitsluiten in die mate dat er geen nieuwe risicovolle activiteiten binnen het risicogebied kunnen worden vergund ondanks dat de PR 10-6 per jaar contour van de activiteit binnen het risicogebied blijft. Artikel 7.17 is daarmee van toepassing op het niet mogen uitsluiten van de aandachtsgebieden die hypothetisch gezien zouden kunnen volgen bij volledig gebruik van het risicogebied, ofwel bij activiteiten tot de grens van de PR 10-6 per jaar contour. Dit zorgt ervoor dat de risicogebieden op dezelfde manier gebruikt kunnen worden als waarvoor deze zijn aangewezen.
§ 7.3.2.2 Groepsrisicobenadering
Artikel 7.18 (groepsrisicobenadering aandachtsgebieden met verhoogd groepsrisico)
- 1.
Indien een omgevingsplan voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling binnen een aandachtsgebied wordt in aanvulling op artikel 5.15 , eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, een kwantitatieve beoordeling van het groepsrisico uitgevoerd indien:
- a.
de ontwikkeling leidt tot een toename in populatie van meer dan 500 personen in het gebied tussen de PR 10-8 contour en de 1% letaliteitsgrens van een milieubelastende activiteit;
- b.
de ontwikkeling zich bevindt binnen de PR 10-8 contour van een milieubelastende activiteit en leidt tot een toename van de personendichtheid van meer dan 10% of een toename van meer dan 100 personen;
- c.
de ontwikkeling plaats vindt binnen het brand- of explosieaandachtsgebied van een weg , spoorweg of binnenwater die behoren tot het basisnet, waar de bestaande populatiedichtheid hoger is dan 70 personen per hectare, en de ontwikkeling leidt tot een toename van de populatie van meer dan 100 personen;
- d.
de ontwikkeling plaats vindt binnen het brand- of explosieaandachtsgebied van een weg , spoorweg of binnenwater die behoren tot het basisnet en leidt tot een toename van de personendichtheid van meer dan 10%, waarbij de toename minimaal 100 personen betreft.
- a.
- 2.
Wanneer een ruimtelijke ontwikkeling binnen een aandachtsgebied leidt tot een verhoogd groepsrisico , worden de volgende aspecten betrokken bij de motivering van het groepsrisico :
- a.
mogelijkheden om de ruimtelijke ontwikkeling plaats te laten vinden buiten het aandachtsgebied ;
- b.
alternatieven met een lager groepsrisico ;
- c.
waardering van al bestaande bescherming, waaronder:
- i.
1°. in de wet- en regelgeving voorgeschreven basisvoorzieningen;
- ii.
2°. andere in het verleden getroffen maatregelen die gedeeltelijk of geheel bescherming bieden;
- i.
- d.
mogelijkheden om aan de risicobron maatregelen te treffen;
- e.
mogelijkheden tot aanvullende bescherming, waaronder:
- i.
1°. binnen het aandachtsgebied afstand houden tot de risicobron;
- ii.
2°. beperking van personendichtheden in de omgeving van de risicobron;
- iii.
3°. treffen van omgevingsmaatregelen tussen de risicobron en bebouwde omgeving;
- iv.
4°. aanvullende bouwmaatregelen;
- v.
5°. vlucht- en schuilmogelijkheden binnen het aandachtsgebied ;
- vi.
6°. aanvullende risicocommunicatie;
- i.
- f.
door de veiligheidsregio geadviseerde maatregelen op de onderdelen c, d en e evenals op het gebied van hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid;
- g.
de aanwijzing van een brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied als brandvoorschriftengebied respectievelijk explosievoorschriftengebied als bedoeld in artikel 5.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
- a.
- 3.
Bij het opstellen of wijzigen van het omgevingsplan wordt gemotiveerd op welke wijze de onderdelen, bedoeld in het tweede lid, zijn betrokken in de verantwoording van het groepsrisico .
Toelichting
Dit is een algemeen artikel voor de omgang met het groepsrisico bij ruimtelijke ontwikkelingen. Deze bepaling voorziet in een aantal onderdelen voor gemeenten om te betrekken bij de afweging van het groepsrisico voor aandachtsgebieden waar sprake is van een verhoogd groepsrisico. Indien de genoemde onderdelen worden betrokken in de afweging, voldoet de verantwoording van het groepsrisico.
Artikel 5.15 , eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving verplicht gemeenten tot het rekening houden met het groepsrisico in het omgevingsplan voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen aandachtsgebieden.
Uit het Besluit kwaliteit leefomgeving volgt dat deze bepaling niet van toepassing is op ontwikkelingen binnen een risicogebied omgevingsveiligheid. Artikel 5.16 , vijfde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dat het artikel over het groepsrisico (artikel 5.15 van het Besluit kwaliteit leefomgeving) niet van toepassing is binnen een risicogebied omgevingsveiligheid. Omdat artikel 7.18 van deze verordening aansluit op artikel 5.15 van het Besluit kwaliteit leefomgeving vindt deze bepaling dus geen toepassing binnen een risicogebied omgevingsveiligheid.
Het groepsrisico kan zowel kwantitatief als kwalitatief benaderd worden. De kwantitatieve manier is door het uitvoeren van berekeningen aan de hand van voorgeschreven rekenvoorschriften en rekenpakketten, en de resultaten daarvan te vergelijken met de oriëntatiewaarde. De kwalitatieve manier betekent dat het groepsrisico wordt beoordeeld zonder gebruik te maken van precieze cijfers of berekeningen. In plaats daarvan kan gebruik worden gemaakt van een ‘expert judgement’ of kan een ‘quick scan’ worden uitgevoerd, waarbij een inschatting wordt gemaakt van de hoogte van het groepsrisico ten opzichte van de oriëntatiewaarde. Dit is alleen mogelijk in gevallen waarbij de inschatting is dat de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden.
De Provincie Zuid-Holland heeft de beleidskeuze gemaakt om de kans op een ramp met veel slachtoffers zo goed mogelijk te beheersen. Hier wordt invulling aan gegeven door in bepaalde gevallen rekenkundig te bepalen wat de jaarlijkse kans is dat een groep personen van een bepaalde omvang tegelijkertijd slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit berekende groepsrisico wordt vervolgens getoetst aan de oriëntatiewaarde.
In welke gevallen een groepsrisicoberekening is vereist is opgenomen in artikel 7.18, eerste lid.
De verplichting om een groepsrisicoberekening uit te voeren en deze te toetsen aan de oriëntatiewaarde is van cruciaal belang. De oriëntatiewaarde heeft meerwaarde doordat het een meetbare referentie biedt voor het beoordelen van risico's, wat bijdraagt aan het nemen van weloverwogen en goed onderbouwde beslissingen met betrekking tot vergunningen, ruimtelijke ontwikkelingen en veiligheidsmaatregelen. Een groepsrisicoberekening voegt waarde toe doordat die een dieper inzicht geeft in de risico's verbonden aan
specifieke activiteiten of situaties, verdergaand dan alleen het vaststellen of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Belangrijke voordelen en meerwaarde van een groepsrisicoberekening bij ruimtelijke ontwikkelingen zijn:
- •
locatie specifiek inzicht: het geeft aan hoe groot het risico daadwerkelijk is op een bepaalde locatie. Hierdoor kunnen maatregelen gerichter worden genomen;
- •
identificatie van kritieke scenario's: het laat zien welke specifieke scenario's of gebeurtenissen de grootste bijdrage leveren aan het groepsrisico, waardoor er prioriteit kan worden gegeven aan de aanpak van de meest kritieke situaties;
- •
mogelijkheid voor maatwerk: met een groepsrisicoberekening kan de noodzaak tot het nemen van specifieke ruimtelijke, technische of bouwkundige maatregelen worden onderbouwd om het risico te verminderen op basis van de specifieke kenmerken van de situatie. Deze maatregelen kunnen als voorschriften worden opgenomen in het omgevingsplan;
- •
inzicht in effectiviteit van maatregelen: een berekening biedt de mogelijkheid om inzicht te geven in de effectiviteit van genomen maatregelen in het verminderen van het groepsrisico;
- •
stimuleren van maatregelen: zowel een groepsrisicoberekening als het toetsen van het berekende groepsrisico aan de oriëntatiewaarde stimuleren het nemen van veiligheidsmaatregelen.
Kortom, een groepsrisicoberekening gaat verder dan een louter kwalitatieve beoordeling van het groepsrisico en stelt besluitvormers in staat om doelgerichtere en effectievere maatregelen te nemen om de veiligheid van de samenleving te waarborgen.
Het groepsrisico geeft de kans weer op het overlijden van een groep van tien of meer mensen die niet direct betrokken zijn bij de risicobron, zoals een milieubelastende activiteit met gevaarlijke stoffen, vliegveld en/of windturbines. Deze kans wordt grafisch weergegeven in een FN-curve, waarbij het aantal potentiële slachtoffers (N) wordt afgezet tegen de jaarlijkse kans op een incident (f). Het berekende groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde.
In 1993 heeft de minister van VROM (2e kamer, 1993-1994, 22.666 nr. 3) de oriëntatiewaarde gedefinieerd als een waarde die betrokken wordt in de bestuurlijke afweging om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling aanvaardbaar is, gezien de potentiële risico’s. Met andere woorden, de oriëntatiewaarde heeft als doel nadenken, afwegen en verantwoorden van het groepsrisico, met als uiteindelijke doel het voorkómen van maatschappelijke ontwrichting. Deze rol van de oriëntatiewaarde en beoogd doel zijn onveranderd overgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. In de toelichting op het Besluit kwaliteit leefomgeving is vermeld dat de oriëntatiewaarde kan blijven dienen als referentie en niet als grenswaarde.
Grafisch wordt de oriëntatiewaarde weergegeven door twee verschillende lijnen: één voor stationaire milieubelastende activiteiten en één voor transport. Op de x-as staat het aantal slachtoffers en op de y-as de kans per jaar op minimaal dat aantal dodelijke slachtoffers. De lijnen verbinden verschillende punten met een bepaalde kans op ongevallen met tien of meer dodelijke slachtoffers per jaar.
Voor milieubelastende activiteiten met omgevingsveiligheidsrisico’s (met uitzondering van transport) gaat de lijn van de oriëntatiewaarde door de punten met:
- •
de kans op een ongeval met tien of meer dodelijke slachtoffers 10-5 per jaar (kans van één op de honderdduizend jaar);
- •
de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers 10-7 per jaar (kans van één op de tien miljoen jaar);
- •
en de kans op een ongeval met 1.000 of meer slachtoffers 10-9 per jaar (kans van één op de miljard jaar).
Voor transportroutes (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen) gaat de lijn van de oriëntatiewaarde door de punten met:
- •
de kans per kilometer transportroute op een ongeval met tien of meer dodelijke slachtoffers 10-4 per jaar (een kans van één op de tienduizend jaar);
- •
de kans per kilometer transportroute op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers 10-6 per jaar (een kans van één op de miljoen jaar);
- •
en de kans per kilometer transportroute op een ongeval met 1.000 of meer dodelijke slachtoffers 10- 8 per jaar (kans van één op de honderd miljoen jaar).
§ 7.3.2.3 Veiligheidszonering Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas
Artikel 7.19 (aanwijzing en geometrische begrenzing veiligheidszone Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas)
De veiligheidszone Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas zijn de locaties binnen 25 m van de rijksvaarwegen Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II van de verordening.
Toelichting
Deze bepaling regelt de aanwijzing van de veiligheidszone langs de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas. De zone geldt vanaf raainummer 1034 bij Hoek van Holland tot aan raainummer 995 ter hoogte van de Van Brienenoordbrug nabij de splitsing van de Nieuwe Maas en de Hollandsche IJssel. De zone heeft een breedte van 25 meter en geldt vanaf de begrenzing van de vaarweg van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas zoals vastgelegd in de Omgevingsregeling . De afstand van 25 meter volgt uit de eerdere bepaling over de veiligheidszone uit de voorgaande verordeningen Ruimte en de Omgevingsverordening Zuid-Holland.
Artikel 7.20 (waarborgen veiligheid oevers Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas)
- 1.
Een omgevingsplan voor locaties binnen de veiligheidszone Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas laat nieuwe bebouwing of nieuwe activiteiten alleen toe als voor de effecten van een plasbrand vergelijkbare veiligheid wordt gegarandeerd als buiten de veiligheidszone, en als hierover advies is ingewonnen bij de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond.
- 2.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
- a.
havengebonden nieuwe bebouwing of nieuwe activiteiten binnen de uitzondering veiligheidszone Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas risicogebieden omgevingsveiligheid , waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II;
- b.
voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het functioneren van de vaarweg en de haven;
- c.
incidentele kleinschalige voorzieningen voor dagrecreatie.
- a.
Toelichting
Eerste lid
Deze bepaling komt voort uit de voorgaande verordeningen Ruimte en de Omgevingsverordening Zuid- Holland en is ten aanzien van deze vorige bepalingen geactualiseerd. Het doel van deze bepaling is ervoor te zorgen dat bij bebouwing of functiewijziging binnen de veiligheidszone voldoende maatregelen worden genomen om personen die zich binnen de veiligheidszone bevinden te beschermen in het geval van een plasbrandscenario.
Om deze bescherming te waarborgen, moeten minstens dezelfde veiligheidsmaatregelen worden genomen als die worden voorgeschreven in paragraaf 4.2.14 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Het is echter ook mogelijk vergelijkbare veiligheid te garanderen door maatregelen te treffen die worden aanbevolen door de veiligheidsregio. Een voorbeeld hiervan is het gebruik van een zogenaamde ‘oil boom’ of strekdam, om gevaarlijke brandbare vloeistoffen die bij een aanvaring kunnen vrijkomen, op voldoende afstand (minimaal 25 meter) van de oever te houden. Vergelijkbare veiligheid kan ook worden bereikt door het bieden van adequate vluchtmogelijkheden volgens het advies van de veiligheidsregio. Op deze manier kunnen personen binnen de veiligheidszone bij een ongeval tijdig wegkomen en worden ze gelijkwaardig beschermd als personen buiten de zone.
Deze bepaling gebruikt het begrip vergelijkbare veiligheid omdat bouwmaatregelen zoals opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving niet altijd mogelijk of optimaal zijn. In sommige situaties kunnen andere maatregelen geschikter zijn om adequate bescherming te bieden, bijvoorbeeld in het geval van een restaurant met een terras aan het water waar een muur van twee meter aan de rand van het terras als bouwmaatregel wordt voorgeschreven.
Tweede lid
Deze bepaling voorziet in een aantal uitzonderingen op het eerste lid. Nieuwe bebouwing of nieuwe activiteiten binnen de risicogebieden omgevingsveiligheid vallen niet onder deze regeling als deze zijn gebonden aan of kenmerkend zijn voor de haven. Over het algemeen betreft dit bouwprojecten of activiteiten van bedrijven die zijn opgenomen in bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het functioneren van de vaarweg of haven omvatten bijvoorbeeld radarposten en kranen. Kleinschalige voorzieningen voor dagrecreatie zijn voorzieningen die zich richten op het aanbieden van maaltijden en dranken voor gebruik ter plekke, en die verband houden met extensieve dagrecreatie. Hieronder vallen bijvoorbeeld koffiehuizen, ijs- en snackverkooppunten, evenals rustpunten voor wandelaars en fietsers die de dagrecreatieve aard van de oever ondersteunen, zoals kleine restaurants, cafés en kiosken. Deze voorzieningen worden beschouwd als uitzonderingen, zolang ze in beperkte aantallen blijven.
§ 7.3.2.4 Niet-Basisnet transportroutes
Artikel 7.21 (aanwijzing en geometrische begrenzing niet-Basisnet transportroutes)
De niet-Basisnet transportroutes zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II van de verordening.
Toelichting
Deze bepaling wijst de transportroutes aan die geen onderdeel zijn van het landelijke Basisnet, maar waar wel aandacht nodig is voor het groepsrisico vanwege de grote hoeveelheden transport van gevaarlijke stoffen over deze routes. Ruimtelijke ontwikkelingen in infrastructuur, vervoersstromen of anderszins kunnen leiden tot uitbreiding of versmalling van de in Bijlage II, van deze verordening, opgenomen lijst met aangewezen transportroutes. Het gaat in Zuid-Holland in de huidige situatie om enkele gemeentelijke
wegen. In beginsel zijn provinciale en waterschapswegen, die geen onderdeel zijn van het Basisnet, niet uitgesloten van deze lijst, maar vooralsnog komen in Zuid-Holland deze risico’s niet voor langs deze wegen.
De aanwijzingen zijn onder andere gebaseerd op de informatie over transportroutes uit het Register Externe Veiligheid (REV) die op basis van artikelen 11.1 , aanhef onder f en 11.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving door het college van burgemeester en wethouders moet worden verzameld. Dit zijn wegen waar een plaatsgebonden risico van 10-6 of hoger op de as van de weg is gelegen. Aanvullend zijn de aanwijzingen gebaseerd op bijlage I bij de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) van het RIVM. In die bijlage staan vuistregels om te bepalen bij welke aantallen LPG-tankwagens het groepsrisico relevant wordt. Bij hoge populatiedichtheden, zoals groter dan 100 per hectare, kan een ruimtelijke ontwikkeling snel bijdragen aan een hoger groepsrisico.
In de praktijk zijn dit wegen waarbij sprake is, of potentieel sprake is, van een groepsrisico boven de oriëntatiewaarde. Het doel van deze bepaling, en het daaraan gekoppelde artikel 7.22, is om deze wegen in het zicht te houden zodat aandacht voor het groepsrisico in deze situaties blijft geborgd. Ruimtelijke ontwikkelingen in de buurt van deze wegen kunnen namelijk snel leiden tot een hoger groepsrisico.
Artikel 7.22 (aandachtsgebieden langs niet-Basisnet transportroutes in verband met groepsrisico)
- 1.
Langs de niet-Basisnet transportroutes, bedoeld in artikel 7.21, strekt het effectgebied voor incidenten met brand bij het vervoer van gevaarlijke stoffen zich uit tot een afstand van 30 m, gemeten vanaf de kant van de weg en strekt het effectgebied voor incidenten met explosies zich uit tot een afstand van 200 m gemeten vanaf de kant van de weg.
- 2.
In een omgevingsplan wordt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen de effectgebieden, bedoeld in het eerste lid, rekening gehouden met de effecten van mogelijke incidenten met het vervoer van gevaarlijk stoffen.
- 3.
Aan het tweede lid wordt in ieder geval voldaan als een omgevingsplan, in aanvulling op paragraaf 7.3.2.2:
- a.
binnen een effectgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties toelaat;
- b.
de locaties waar beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties worden toegelaten, in ieder geval waarborgt:
- i.
1°. dat maatregelen zijn getroffen ter bescherming van personen in die gebouwen en op die locaties tegen de effecten van een ongewoon voorval met gevaarlijke stoffen op de transportroute; of
- ii.
2°. dat het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die aanwezig zijn in die gebouwen en op die locaties beperkt is.
- i.
- c.
dat de onderbouwing van het groepsrisico in het effectgebied berust op een advies van de veiligheidsregio met betrekking tot maatregelen op het gebied van hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid om de veiligheid van bestaande en te ontwikkelen kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties te optimaliseren.
- a.
Toelichting
Deze bepaling is gericht op het waarborgen van aandacht voor het groepsrisico rond transportroutes die niet tot het Basisnet Weg behoren. Voor specifieke niet-Basisnet transportroutes, met andere woorden provinciale, gemeentelijke en waterschapswegen die geen onderdeel zijn van het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen, is het van belang dat er aanvullende aandacht is voor veiligheidsrisico’s vanwege de grote hoeveelheden transport van gevaarlijke stoffen over deze wegen. Het aangeven van effectgebieden voor brand en explosies langs deze wegen zorgt ervoor dat er aandacht is voor het groepsrisico bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Het transport van GF3 (LPG) op deze niet-Basisnet transportroutes is sterk bepalend voor de hoogte van het groepsrisico. De afstanden voor de effectgebieden voor brand en explosies zijn gebaseerd op de afstanden zoals bepaald voor het Basisnet in Bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Omdat langs specifieke niet-Basisnet wegen zich gelijkwaardige risico’s van gelijksoortige risicobronnen kunnen voordoen als langs het Basisnet Weg, is ervoor gekozen om dezelfde afstanden te hanteren zoals die gelden voor het Basisnet. Net zoals er geen gifwolkaandachtsgebieden worden aangewezen langs het Basisnet Weg, vallen gifwolkaandachtsgebieden ook buiten deze bepaling.
Deze regels hebben tot gevolg dat langs een aantal specifieke wegen die geen onderdeel zijn van het Basisnet Weg, er rekening wordt gehouden met het groepsrisico. Dit is geregeld door gemeenten te vragen in een omgevingsplan rekening te houden met de effectgebieden langs deze wegen, gelijk aan de afweging voor aandachtsgebieden langs het Basisnet. Dit betekent dat er bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen dit gebied wordt gehandeld alsof het een aandachtsgebied uit de rijksregels is. Zo wordt aangesloten op de systematiek van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 5.15 , eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving regelt de omgang met het groepsrisico binnen omgevingsplannen. Concreet betekent de toepassing van artikel 7.22 dat er bij een ruimtelijke ontwikkeling binnen 200 meter van een in artikel 7.21 aangewezen transportroute, in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het groepsrisico.
Indien een dergelijke nieuwe ruimtelijke ontwikkeling tot een (verder toegenomen) verhoogd groepsrisico leidt, wordt ook paragraaf 7.3.2.2 van deze verordening geactiveerd. In dat geval moet bij het opstellen of wijzigen van het omgevingsplan een uitgebreidere afweging worden gemaakt rond het groepsrisico. De bepaling bewerkstelligt zo dat rond specifieke wegen, waar gelijkwaardige risico’s gelden als op andere plekken waar de wetgever aandachtsgebieden aanwijst, er ook een gelijkwaardige afweging wordt gemaakt.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl