Beleidsregels jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Dijk en Waard 2026

Geldend van 04-02-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026

Intitulé

Beleidsregels jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Dijk en Waard 2026

Zaaknummer: 0001162121

Datum collegevergadering: 27-1-2026

Het college besluit:

  • 1.

    De beleidsregels jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Dijk en Waard 2026 vast te stellen;

  • 2.

    De beleidsregels jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Dijk en Waard 2024 in te trekken;

Het college van gemeente Dijk en Waard;

gelet op het bepaalde in artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en het bepaalde

in de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Jeugdwet, de verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Dijk en Waard 2025;

gezien het advies van de Cliëntenadviesraad Dijk en Waard;

besluit vast te stellen de volgende beleidsregels:

jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Dijk en Waard 2026.

Inhoud

Artikel 1: Eigen kracht, probleemoplossend vermogen, gebruikelijke hulp

Artikel 2: Afbakening Jeugdwet met andere wetten

Artikel 3: Afbakening Wmo met andere wetten

Artikel 4: Financiële tegemoetkoming Wmo 2015

Artikel 5: Het persoonsgebonden budget

Artikel 6: Zak- en kleedgeldregeling

Artikel 7: Kwaliteit

Artikel 8: Inwerkingtreding en citeertitel

Bijlage 1: Afbakeningenlijst Jeugdwet (regio Alkmaar)

Bijlage 2: Pgb-vaardigheidstoets

Artikel 1. Eigen kracht, probleemoplossend vermogen, gebruikelijke hulp

(STAP 4 VAN HET STAPPENPLAN CRVB)

1.1 Afwegingskader eigen kracht

Er is in de verordening uitgebreid aandacht voor de beoordeling van de eigen kracht, het probleemoplossend vermogen en de gebruikelijke hulp (hierna te noemen: eigen kracht). De jeugdige/ouders of client krijgt inzicht in alle aspecten die de consulent onderzoekt en beoordeelt bij de vraag naar eigen kracht. Dit betekent dat er 16 beoordelingspunten (artikel 4.1.5.4, lid a t/m p uit de verordening) staan opgesomd in een ‘afwegingskader’, die de consulent naloopt en afweegt.

  • 1.

    De beoordelingscriteria a t/m p zijn:

    • a.

      De behoeften en mogelijkheden van de cliënt

    • b.

      De voor de cliënt benodigde ondersteuningsintensiteit en de duur daarvan

    • c.

      De mogelijkheden, draagkracht en belastbaarheid van de huisgenoten

    • d.

      De samenstelling van het huishouden en de woonsituatie van de cliënt

    • e.

      Het belang om te voorzien in een inkomen

    • f.

      De mogelijkheden van het sociale netwerk om ondersteuning te bieden

    • g.

      De mogelijkheid om gebruik te maken van voorliggende (wettelijke) voorzieningen

    • h.

      Overige omstandigheden die redelijkerwijs invloed hebben op het zelf hulp bieden

    • i.

      De aard van de relatie tussen de cliënt en de huisgenoten

    • j.

      De inhoudelijke aard, omvang en complexiteit van de ondersteuningsbehoefte

    • k.

      De beschikbaarheid van huisgenoten voor ondersteuning bij zelfredzaamheid, participatie

    • l.

      In hoeverre het gaat om een ondersteuningsbehoefte met noodzaak inzet van professionele hulpverlening

    • m.

      De medische beperkingen van huisgenoten

    • n.

      De mate van (dreigende) overbelasting van huisgenoten

    • o.

      De mate waarin en wijze waarop de cliënt eerder ondersteund is door huisgenoten

    • p.

      Overige relevante omstandigheden van huisgenoten

  • 2.

    Werkwijze

De consulent verzamelt tijdens het onderzoek eerst via stap 1 t/m 3 van het stappenplan (zie artikel 4.1.2 uit de verordening) informatie over elk aspect (a t/p) genoemd in het afwegingskader. Is informatie naar diens inzicht noodzakelijk dan wordt die informatie in het onderzoeksverslag benoemd. Is duidelijk geworden wat nodig is om de hulpvraag op te lossen dan wordt dat vastgelegd in stap 3: wat naar aard en omvang nodig is

Bij stap 4 van het stappenplan (de eigen kracht) gaat de consulent het rijtje a t/m p af en beoordeelt per onderdeel of wel of geen sprake is van eigen kracht. De consulent betrekt bij deze beoordeling de verzamelde informatie.

Bij alle punten geldt dat als er behoefte is aan een deskundigen-advies dit opgevraagd moet worden. Hierbij kan ook het medisch advies van een onafhankelijke arts ingeroepen worden.

  • 3.

    Omschrijving eigen kracht

Wat kan cliënt, het gezin, jeugdige, diens ouders zelf of samen met de personen om hen heen (netwerk), of wat kunnen huisgenoten met de personen om hen heen (netwerk) bijdragen aan de (dagelijkse) hulp en het oplossen van het probleem. Onder eigen kracht valt de eigen kracht, gebruikelijke hulp, zelfredzaamheid, het eigen probleemoplossend vermogen, de mantelzorg, de inzet van het sociaal netwerk en de voorliggende (wettelijke) voorzieningen.

  • 4.

    Afwegingskader

Om te bepalen wat de jeugdige/ouders of cliënt op eigen kracht kunnen oplossen, beoordeelt het college in ieder geval:

  • a.

    De behoeften en mogelijkheden van de cliënt

Uit stap 1 en 2 (hulpvraag en problematiek) vloeit voort wat er speelt. Ook wat volgens deze ouders/jeugdige of de cliënt nodig is om de hulpvraag op te lossen. Om daar te komen worden bij stap 1 bijvoorbeeld vragen gesteld over:

  • -

    wat doet u als uw hulpvraag zich voordoet?

  • -

    wat denken ouders/jeugdige of cliënt dat een oplossing voor de problemen kan bieden?

  • -

    wat hebben ze zelf al geprobeerd daaraan te doen?

  • -

    wat was daarvan het effect en waarom werd daardoor, volgens hen, het probleem niet opgelost?

  • -

    ziet men nog andere mogelijkheden om het probleem zelf op te lossen?

  • -

    wat heeft de jeugdige en/of diens gezin of de cliënt nodig;

  • -

    wat kan hij of zij nog zelf, wat gaat er goed;

  • -

    wat zijn de sterke kanten, welke vaardigheden zijn aanwezig en op welke gebieden is ondersteuning nodig?

Van belang is om, afhankelijk van de leeftijd, de client of jeugdige zelf mee te laten denken waar de mogelijkheden zitten. Dit komt overeen met artikel 2.3.2 lid 4 van de Wmo 2015, waarin staat dat je onderzoek moet doen naar de behoefte, persoonskenmerken en de voorkeuren.

Indien naar het oordeel van het college een zorgmomentenoverzicht van belang is dan wordt gevraagd om een zorgmomentenoverzicht op te stellen. Hieruit blijkt op welke punten problemen ondervonden worden, hoe die opgelost worden en met welke tijdsinvestering. Hiermee kunnen behoeften en mogelijkheden worden geïnventariseerd.

Is nagegaan wat nodig is om de hulpvraag op te lossen dan dient dat concreet vastgelegd te worden in stap 3 van het stappenplan: wat naar aard en omvang nodig is. Dat is het volgende punt (b).

  • b.

    De voor de jeugdige of cliënt benodigde ondersteuningsintensiteit en de duur daarvan.

Is de situatie onderzocht en de gewenste of noodzakelijke hulp duidelijk geworden, dan gaat het in stap 3 om het vaststellen wat dit ‘bruto’ betekent. In stap 3 wordt aan de ene kant opgenomen wat de jeugdige/zijn ouders of de cliënt noodzakelijk vindt, aan de andere kant wat de gemeente noodzakelijk vindt om de hulpvraag op te lossen. Dit wordt de bruto ondersteuningsbehoefte genoemd. Het is de behoefte aan hulp (wat is nodig en wat is de omvang, duur) zonder dat naar de eigen kracht van stap 4 wordt gekeken (zoals de gebruikelijke hulp, mantelzorg, het netwerk, andere wet- en regelgeving en voorliggende oplossingen).

Wat is nodig (de aard)? In kaart is gebracht wat er op dit moment geboden wordt aan ondersteuning/zorgtaken door ouders of huisgenoten en netwerk. Hoe intensief de ondersteuning/zorgtaken zijn, en voor hoeveel en hoe lang (tijdelijk of langdurig). Tijdelijke hulp kan anders worden beoordeeld dan langdurige of structurele hulpvragen. Het gaat om de balans tussen draagkracht en draaglast. Als iets intensief is of van lange duur dan wil dat nog niet zeggen dat een voorziening nodig is. Het gaat erom: kan degene die hulp biedt het aan? Ligt hulp binnen de mogelijkheden of is het tijdelijk? Dan kan een intensieve rol geen belasting zijn. Ligt het niet in hun mogelijkheden dan is de vraag of extra externe hulp nodig is om overbelasting te voorkomen. Als er groei mogelijk is kan er sprake van tijdelijkheid zijn, is er geen groei mogelijk dan gaat het om overname van taken hetgeen blijvend zal zijn. Wat zet je in?

De omvang in uren per dag geeft de ondersteuningsintensiteit aan. Hoeveel tijd is concreet nodig? Relevant is ook de duur. Is dat zonder einde, dan moet hier een afweging over worden gemaakt. Kan iemand, zoals het er nu naar uitziet, voorlopig de hulp gewoon bieden, dan mag dat gevraagd worden, ook voor de toekomst. Anders is dit als al vaststaat dat dit een te zware opgave zal worden. Overbelasting dient te worden voorkomen

Is stap 3 geformuleerd? Dan volgt de overgang naar stap 4 om de netto ondersteuningsbehoefte vast te stellen. De eigen kracht en gebruikelijke hulp is hierbij de basis van de ondersteuning: die wordt in ieder geval gevraagd. Voor de invulling van stap 4 gelden alle afwegingsgronden vanaf punt c tot en met p.

De vraag is dan of die te bieden ondersteuning gevraagd mag worden van de ouders/huisgenoten van de cliënt. Daar moet uiteindelijk een afweging over worden gemaakt waarbij de volgende punten (c tem p) in de afweging mee worden genomen. Ook kan hier rekening gehouden worden met de vraag of de ouders/huisgenoten werken, als dat zo is, of zij een volledige dagtaak hebben of deeltijds werken, welke andere activiteiten zij hebben. Het is niet zo dat alle activiteiten even zwaar tellen. Er zal rekening mee moeten worden gehouden en als dat niet gebeurt zal dat gemotiveerd moeten worden. Zo is een druk bestaan geen reden om af te zien van het bieden van gebruikelijke hulp. Wil iemand elke dag 2 x 2 uur naar de sportschool, dan zal de vraag gesteld moeten worden of dit wel acceptabel is als dat ten koste gaat van zorg voor een jeugdige of een cliënt. Dat geldt ook voor andere activiteiten: ze moeten met elkaar in verhouding zijn en passen c.q. rekening houden met de gezinssituatie.

  • c.

    De mogelijkheden, de draagkracht en de belastbaarheid van de ouders of huisgenoten.

Per huisgenoot zal dit geïnventariseerd moeten worden. Wat kunnen ouders of huisgenoten in redelijkheid bieden? In welke mate is dat haalbaar. Ook hier geldt balans tussen draagkracht en draaglast. Hebben ouders/huisgenoten bijvoorbeeld zelf medische problemen, hoe ziet invulling werk of vrije tijd eruit. Is er disbalans dan is hulp erop gericht om die weg te nemen (herstel situatie). Dit soort hulp kan vaak tijdelijk zijn.

Als er sprake is van overbelasting, dan wordt dit uitgewerkt bij punt n. Is er geen sprake van overbelasting, dan wordt beoordeeld welke mogelijkheden er zijn, waarbij gebruik gemaakt kan worden van de antwoorden op de vragen bij b gesteld of de ouders/huisgenoten werken, als dat zo is, of zij een volledige dagtaak hebben of deeltijds werken, welke andere activiteiten zij hebben.

Beoordeeld moet dan worden of de noodzakelijke hulp te combineren valt met de noodzakelijke/ gewenste activiteiten als arbeid, sport, vrijetijdsbesteding, waarbij uitgegaan mag worden van een gemiddeld gebruik dat is afgestemd op de gezinssituatie (zie d). Zijn de acceptabele, normale reguliere activiteiten niet te combineren met de te vragen eigen kracht of gebruikelijke zorg dan zal afstemming plaats moeten vinden.

Ook al is er geen sprake van overbelasting, dan nog is het niet mogelijk alles dat nodig is te vragen. De belastbaarheid is persoonlijk en zal besproken moete worden . Daarbij kan bijvoorbeeld gekeken worden naar een periode in het verleden in vergelijking met de huidige periode. Ook kan het hebben van geobjectiveerde ziekten of aandoeningen een rol spelen om de belastbaarheid lager in te schatten om overbelasting te voorkomen.

  • d.

    De samenstelling van het gezin en de woonsituatie van de jeugdige of cliënt waarbij bij gescheiden ouders ook gekeken wordt naar wat de ouder waar het kind niet woont bij kan dragen.

Wie wonen er samen in één huis? Wanneer is wie thuis en beschikbaar? Is er sprake van co-ouderschap? Hoe stabiel is de thuissituatie? Denk ook aan praktische aspecten zoals de grootte van het huis of de beschikbaarheid van een eigen kamer. Bij minderjarige huisgenoten wordt rekening gehouden met een bijdrage die past bij de leeftijd. Bij gescheiden ouders wordt ook gekeken naar de andere ouder, ook al woont het kind daar niet. Niet alleen is contact met beide ouders (meestal) een gewenste situatie, je mag van een gescheiden ouder ook een bijdrage verwachten als het gaat om het oplossen van problemen rond een kind dat misschien niet bij hem of haar woont. Zo nodig zal er een gesprek met de andere ouder moeten worden gevoerd om dit helder te krijgen.

  • e.

    Het belang van ouders om te voorzien in een inkomen, waarbij geen financiële draagkrachtmeting wordt gedaan

Een gezin zal een bestaansminimum nodig hebben als het gaat om het gezinsinkomen. Beoordeeld wordt of factoren - die met de problematiek van de jeugdige of de cliënt te maken hebben én die niet vermijdbaar zijn - consequenties hebben voor het gezinsinkomen.

Zo is een keuze om minder te gaan werken, ondanks alternatieven, is een persoonlijke keuze.

De consulent kijkt bij deze afweging naar de vereiste noodzaak en alternatieven.

Een pgb wordt soms als inkomen gezien. De gemeente is er niet voor de wens om minder te werken, slechts voor de noodzaak. Vaak heeft minder werken ook niet het gewenste effect, wat maakt dat handelen anders wordt nu iemand minder is gaan werken?

Houdt er rekening mee dat huisgenoten soms niet kunnen helpen door werk, zonder hierbij het inkomen zelf te beoordelen. Kijk hoe de vrije tijd wordt ingevuld. Waar liggen de prioriteiten? Meestal valt met een andere (dag)invulling winst te behalen. Worden ook alle (wettelijke of voorliggende) voorzieningen gebruikt die ter beschikking staan?

  • f.

    De mogelijkheden van het sociaal netwerk, inclusief steungezinnen, om de jeugdige of de ouders of de cliënt te ondersteunen

Hiervoor kan contact met personen rond het gezin nodig zijn, soms een gezamenlijk gesprek met alle betrokkenen uit het netwerk. Kijk of familie, buren, vrienden of kennissen, grootouders, steunfiguur/ steungezinnen, ouders op school iets kunnen betekenen voor de jeugdige/zijn ouders of de cliënt. Is er bijvoorbeeld een oom of tante met een sterke band? Grijp de mogelijkheid om hier het gesprek mee aan te gaan. Mensen uit het netwerk zijn bereidwilliger dan de ouders/client zelf denkt, om een bijdrage te leveren aan de oplossing van problemen. Is deze hulp structureel of incidenteel? Bekeken kan worden wie wat kan doen.

Uitgangspunt is dat mensen om je heen bereid zijn elkaar te helpen. Dat is de bereidheid van opa en oma, buren, andere familie: elkaar helpen als dat nodig is. Het is naastenliefde, zonder dat daar iets (financieel) tegenover moet staan.

  • g.

    De mogelijkheid om gebruik te maken van voorliggende (wettelijke) voorzieningen

Zijn er voorliggende wettelijke voorzieningen waarvan gebruik kan worden gemaakt? Te denken valt aan de Zorgverzekeringswet, Ziektewet, de Wet langdurige zorg, het (Passend) onderwijs, kinderopvang, ondersteuning via school. Of gemeentelijke instanties. Is er bereidheid om andere regelingen aan te spreken? Zo nee, waarom niet? Zo kan het voorkomen dat men liever onder de Wmo blijft dan de Wlz vanwege de lagere eigen bijdrage. Dit is geen argument om er geen gebruik van te maken.

  • h.

    Overige relevante omstandigheden van de jeugdige/ouders of cliënt die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de benodigde hulp zelf te bieden

Is er sprake van specifieke factoren zoals trauma, verslaving, ontwikkelingsproblematiek of culturele aspecten die invloed hebben op de hulpvraag? Denk ook aan bijvoorbeeld taalbarrières of recente levensgebeurtenissen. Misschien zijn er andere minder voor de hand liggende gebeurtenissen: elke situatie is anders. Ook kunnen er juist helpende factoren aanwezig zijn die een bijdrage kunnen leveren aan het zelfoplossend vermogen. Of juist niet, zoals de keuze (veel) meer dan gemiddeld te werken, veel bestuurslidmaatschappen, veel vrijwilligerswerk. Hier kan een heel scala van onderwerpen bij betrokken worden.

  • i.

    De aard en de relatie tussen de ouders en de jeugdige of de cliënt en diens huisgenoten

Zij beide ouders ook biologische ouders? Zijn het kinderen van meerdere vaders (of moeders)? Zij de kinderen erkend door de niet-biologische ouder? Is er sprake van een veilige hechtingsrelatie of zijn er spanningen, loyaliteitsconflicten, of zelfs huiselijk geweld? Kan de relatie herstel ondersteunen of juist belemmeren? Een gespannen of afstandelijke relatie kan hulpverlening door huisgenoten onmogelijk maken. Wat verlang je van wie?

  • j.

    De inhoudelijke aard, de omvang en de complexiteit van de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of de cliënt

Wat moet er gedaan worden? Is het een enkelvoudige hulpvraag of spelen er meerdere domeinen tegelijk (bijvoorbeeld gedrag, school, gezin)? Complexiteit beïnvloedt wat je redelijkerwijs mag verwachten van het netwerk.

Is het complex dan vraagt dat specifieke deskundigheid. Dan kan je het wellicht niet vragen van de ouders of de huisgenoten. Is het niet complex of vereist het geen deskundigheid, dan is het de vraag of je de mogelijkheid juist wel kunt vragen. Dat speelt ook mee bij de omvang. Is de behoefte zo groot dat het de mogelijkheid van de ouders of huisgenoten te boven gaat? Ook al zijn het veel uren, als de ouders of huisgenoten het gewoon kunnen doen, dan is de vraag waarom je het niet van hen zou kunnen vragen.

Hier speelt de vraag of er balans is tussen draagkracht en draaglast. Teveel activiteiten kunnen bijvoorbeeld leiden tot overbelasting waardoor overname belangrijk zou kunnen zijn. Hier moet je onderzoek dan ook op gericht zijn. Weeg af of de benodigde hulp professioneel moet zijn of eventueel ook door naasten kan worden geboden.

  • k.

    De beschikbaarheid van de ouders of de huisgenoten voor het ondersteunen van de cliënt bij diens zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving

Ouders hebben tot taak hun kinderen op te voeden. Je mag verwachten dat zij daar alles voor doen om dat te kunnen. Dat is de consequentie van het krijgen van kinderen. Bij ouders mag je er dus van uitgaan dat zij beschikbaar zijn, met de normale beperkingen van alle ouders: hun baan of werk. Maar ook ouders van een jongere met problemen moeten net als alle ouders onverwachte situaties zelf oplossen voor zover dat redelijk is. Zijn ouders voortdurend afwezig vanwege hun werk, dan kan het nodig zijn te bespreken of zij hun werk niet aan kunnen passen. Immers: ook jongeren met beperkingen hebben recht op hun ouders. Het eventueel aanpassen van een werksituatie (geen ploegendienst meer), of mantelzorgtaken elders (zoeken naar vervanging) kan een mogelijke oplossing bieden om meer beschikbaar zijn voor jeugdige of huisgenoot. Hierbij kan dus verwacht worden dat er andere keuzes worden gemaakt. Met een jongere of huisgenoot met beperkingen kan men zich niet verschuilen achter andere keuzes waardoor er geen tijd is.

  • l.

    De vraag in hoeverre het gaat om een ondersteuningsbehoefte die beantwoord moet worden met de inzet van professionele hulpverlening

Kunnen de ouders, de gebruikelijke hulp of het netwerk de situatie niet aan of ontbreekt specifieke deskundigheid? Motiveer waarom professionele inzet noodzakelijk is en welk resultaat daarmee beoogd wordt.

Sommige hulpvragen kunnen alleen door een zorgverlener met specifieke kennis worden beantwoord. Vaak kan meer bereikt worden met professionele ondersteuning dan wanneer de huisgenoot ondersteuning biedt. Zo kennen partners elkaar door en door, zijn voorspelbaar in hun reactie of blijven zaken overnemen waardoor zelfstandigheid vermindert. Dit leidt tot onbedoelde benadeling. Het is systeemproblematiek binnen een (ouder/kind)relatie waar een professional geen last van heeft. Om hulpverlening te kunnen bieden is distantie en een helicopterview nodig. Systeemproblemen binnen het gezin of relatie staan dit in de weg. Een professional zal dit onderkennen. Bij constatering zal het gesprek aangegaan moeten worden.

  • m.

    De vraag in hoeverre de ouders of huisgenoten medische beperkingen hebben om de gebruikelijke hulp te leveren

Zijn er fysieke of psychische gezondheidsproblemen waardoor ondersteuning niet of beperkt mogelijk is? Als ouders of huisgenoten geen hulp kunnen bieden omdat zij zelf (medische) beperkingen hebben is het belangrijk dit aspect te objectiveren. Is er een diagnose gesteld? Door wie? Als het niet te objectiveren is kan het soms nodig zijn een medisch advies te vragen. Op naam van de huisgenoot.

  • n.

    Het al dan niet dreigend overbelasting te raken van de ouders of huisgenoten of al overbelast zijn op basis van factoren die te maken hebben met de te leveren gebruikelijke hulp, waarbij beoordeeld wordt of de draaglast de draagkracht te boven gaat

Beoordeel of hulp bieden een te grote last vormt of zal worden, gezien de situatie. Zijn signalen van stress, burn-out of eerdere uitval aanwezig? Is hulp nodig om overbelasting te voorkomen of te herstellen?

Van belang is dat:

  • -

    Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de verleende zorg. Als er een andere oorzaak aan ten grondslag ligt, moet daar eerst aan gewerkt worden.

  • -

    Bekijk wat er al is of wordt gedaan om dreigende overbelasting te verminderen.

  • -

    Er moet actief worden meegewerkt aan het accepteren van andere vormen van ondersteuning, het herinrichten van dagstructuur, het werk of andere sociale of maatschappelijke activiteiten, dan wordt dit eerst van de ouder of huisgenoot verwacht.

  • -

    Een pgb voor het verlenen van hulp wordt beëindigd of niet toekend als er sprake is van dreigende overbelasting van ouder of huisgenoot.

  • o.

    De mate waarin en de wijze waarop de jeugdige of de client voorafgaand aan de melding is ondersteund door diens ouders of huisgenoot of huisgenoten op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving

Wat gebeurde er al vóórdat de hulpvraag formeel werd gemeld? Het kan zijn dat problemen eerder op een bepaalde manier waren opgelost en daar een eind aan is gekomen. Is er een patroon van ondersteuning zichtbaar? Is het niet meer mogelijk? Wil men het niet meer? Is er langdurige uitval? Wil men het niet meer zonder betaling? Zo kan het zijn dat een informeel Pgb wordt gevraagd voor een kind dat altijd logeert bij opa en oma, het blijft sociaal netwerk.

  • p.

    Overige relevante omstandigheden van de ouders, de huisgenoot of huisgenoten van de cliënt die redelijkerwijs van invloed kunnen zijn op de mogelijkheid om de client hulp te bieden op het terrein van zelfredzaamheid en participatie dan wel het zich handhaven in de samenleving

Gebruik dit criterium om situaties mee te wegen die niet onder de eerdere punten vallen, maar wel invloed hebben. Denk aan tijdelijke afwezigheid door detentie, verblijf in het buitenland, gezinshereniging, lopende conflicten of hulpverleningstrajecten, mantelzorgtaken voor anderen of andere verplichtingen. Ook positieve factoren zoals hersteld contact of betrokkenheid van nieuwe partners kunnen worden meegewogen. Altijd moet worden onderbouwd waarom deze omstandigheden relevant zijn voor de afweging.

1.2Respijtzorg

In gevallen van (dreigende) overbelasting bij ouders, de huisgenoot, gebruikelijke helper of mantelzorger van de cliënt, kan gebruikelijke hulp (deels) geïndiceerd worden als tijdelijke respijtzorg met het doel een eind te maken aan de situatie van overbelasting. Hierbij geldt dat:

  • 1.

    Respijtzorg wordt ingezet om (dreigende) overbelasting, als gevolg van het bieden van mantelzorg in het kader van een hulpvraag, te voorkomen. De overbelasting moet overduidelijk onbetwistbaar herkend zijn. In alle andere situaties is een medisch advies nodig;

  • 2.

    Respijtzorg wordt zoveel als mogelijk gerealiseerd met voorliggende oplossingen, zoals logeren bij familie, buurtgezinnen of andere voorliggende voorzieningen;

  • 3.

    Respijtzorg kan een tijdelijk karakter hebben en worden ingezet door de mantelzorgtaken over te nemen of door de jeugdige of de client tijdelijk een voorziening, zoals buurtgezinnen en andere voorliggende voorzieningen, aan te bieden. Respijtzorg kan ook structureel zijn als er sprake is van een langdurige hulpvraag;

  • 4.

    Respijtzorg kan worden geboden in de vorm van een jeugdhulpvoorziening of een andere voorziening dan een jeugdhulpvoorziening met als doel de ouders te ontlasten. Denk bij de laatste vorm aan bijvoorbeeld aan ondersteuning of zorg voor ouders, andere kinderen of het huishouden;

  • 5.

    Naast de inzet van respijtzorg wordt er ingezet op het wegnemen van de oorzaak van de overbelasting. De eigen kracht wordt vergroot waardoor toekomstige overbelasting voorkomen kan worden;

  • 6.

    Als de oorzaak van de overbelasting buiten het bieden van de hulp ligt, moet de oplossing ook daar gezocht worden. Bij overbelasting door een te groot dienstverband of als gevolg van spanningen op het werk, zal de oplossing in de eerste plaats gezocht moeten worden in minder uren gaan werken of aanpak van de spanningen op het werk. Het jeugdteam betrekt andere domeinen als dit het geval is, bijvoorbeeld ondersteuning vanuit de Wmo of schuldhulpverlening.

Artikel 2 Afbakening Jeugdwet met andere wetten

(STAP 4 VAN HET STAPPENPLAN CRVB)

Op grond van artikel 1.2 lid 1 sub b van de Jeugdwet treft het college geen voorziening als naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, zoals de Wet passend onderwijs, de Wet langdurige zorg (Wlz), de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Zorgverzekeringswet (Zvw). Deze wetten zijn voorliggend op de Jeugdwet. Bijlage 1 is ondersteunend aan deze afbakening van de Jeugdwet.

2.1 Afbakening Jeugdwet en Wet passend onderwijs

Wanneer een jeugdige leerplichtig is en staat ingeschreven op een school, maar de school is ‘handelingsverlegen’ en wil de jongere naar huis sturen, dan blijft de school verantwoordelijk voor de daginvulling van de jongere. Een school mag een leerling pas ‘uitschrijven’ wanneer het een nieuwe passende school heeft gevonden waar de jongere heen kan of als de jongere ontheven is van de leerplicht.

  • 1.

    Ondersteuning gericht op het doorlopen van het onderwijsprogramma die primair gericht is op het leerproces, het behalen van onderwijsdoelen of om de jeugdige verder te helpen in de onderwijsontwikkeling, valt onder de zorgplicht van de Wet passend onderwijs.

  • 2.

    Indien een jeugdige recht heeft op ondersteuning vanuit de Wet passend onderwijs gaat deze wet in rangorde voor op de Jeugdwet en treft het college geen individuele voorziening op grond van de Jeugdwet.

  • 3.

    Als de verstrekte ondersteuning als bedoeld in lid 1 en 2 mogelijk ook een bijdrage levert aan de ontwikkeling op andere leefgebieden, blijft het onderwijs verantwoordelijk voor de ondersteuning.

  • 4.

    Als de jeugdige naast het behalen van onderwijsdoelen begeleiding en/of persoonlijke verzorging nodig heeft op school in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen of psychische problemen en stoornissen, valt de ondersteuning – voor zover aan de voorwaarden voor toekenning wordt voldaan -onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet.

  • 5.

    Als op basis van wettelijke bepalingen onduidelijk is of de hulpvraag valt onder de Wet passend onderwijs of onder de Jeugdwet, dan rust op het college een inspanningsverplichting om in samenwerking met het onderwijs met behulp van het perspectiefplan of het onderwijsontwikkelperspectiefplan tot een passende oplossing te komen voor de hulpvraag.

2.2 Afbakening Jeugdwet en de Wet langdurige zorg

  • 1.

    Ondersteuning valt onder de Wlz als de jeugdige vanwege een somatische aandoening of beperking of een verstandelijke, lichamelijke of zintuigelijke handicap een blijvende behoefte heeft aan:

    • a.

      permanent toezicht ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel voor de verzekerde jeugdige of;

    • b.

      24 uur per dag zorg in de nabijheid, omdat de jeugdige zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen en de jeugdige, om ernstig nadeel voor zichzelf te voorkomen,

      • i.

        door fysieke problemen voortdurend begeleiding, verpleging of overname van zelfzorg nodig heeft, of;

      • ii.

        door zware regieproblemen voortdurend begeleiding of overname van taken nodig heeft.

  • 2.

    Een uitzondering op lid 1 is wanneer er meervoudige problematiek ten grondslag ligt aan de problemen van jeugdigen en er daardoor recht is op een soortgelijke voorziening op grond van zowel de Jeugdwet als de Wlz. In dat geval is het college gehouden een individuele voorziening op grond van de Jeugdwet te treffen voor zover aan de voorwaarden voor toekenning wordt voldaan.

  • 3.

    Ondersteuning die onder de Wet langdurige zorg valt, zijn onder andere:

    • a.

      logeeropvang voor jeugdigen met een Wlz-indicatie;

    • b.

      verblijf in een instelling;

    • c.

      vervoer naar een Wlz-locatie;

    • d.

      behandeling van psychische stoornissen, mits deze een integraal onderdeel uitmaakt van de behandeling plus verblijf die vanuit de Wlz geboden wordt.

  • 4.

    Indien een jeugdige recht heeft op ondersteuning vanuit de Wlz zoals genoemd in leden 1 en 3, die overeenkomt met de aangevraagde ondersteuning op grond van de Jeugdwet, gaat de Wlz in rangorde voor op de Jeugdwet en treft het college geen individuele voorziening op grond van de Jeugdwet.

  • 5.

    Wanneer de jeugdige en/of de ouder(s) weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een indicatiebesluit Wlz terwijl er gegronde redenen zijn die aannemelijk maken dat de jeugdige een indicatie voor Wlz-zorg zou kunnen krijgen, kan het college een individuele voorziening weigeren op grond van de Jeugdwet.

  • 6.

    Indien het college een individuele voorziening op basis van de Jeugdwet wil beëindigen, omdat de Wlz van toepassing is, ligt de bewijslast bij het college op basis van een medisch advies uitgebracht door arts met een NSPOH-specialisatie. Dit is een specialisatie binnen de sociale geneeskunde, zoals een bedrijfsarts, jeugdarts of vertrouwensarts. In de argumentatie moeten in ieder geval onderstaande zaken onderbouwd worden:

    • a.

      waarom er op dit moment 24 uur per dag zorg in de nabijheid of permanent toezicht nodig is;

    • b.

      waarom er op termijn geen verbetering te verwachten is.

2.3 Afbakening Jeugdwet en Zorgverzekeringswet

  • 1.

    Indien de jeugdige medisch noodzakelijke zorg nodig heeft, gaat de Zvw in rangorde voor op de Jeugdwet en is er geen recht op een individuele voorziening op basis van de Jeugdwet. Voorbeelden van zorg op basis van de Zvw zijn:

    • a.

      hulpmiddelenzorg (niet zijnde hulpmiddelen vanuit de Wmo);

    • b.

      ziekenvervoer;

    • c.

      zintuiglijke gehandicaptenzorg.

  • 2.

    Een uitzondering op lid 1 is wanneer er meervoudige problematiek ten grondslag ligt aan de problemen van jeugdigen en er daardoor recht is op een soortgelijke voorziening op grond van zowel de Jeugdwet als de Zvw. In dat geval is het college gehouden een individuele voorziening op grond van de Jeugdwet te treffen voor zover aan de voorwaarden voor toekenning wordt voldaan.

  • 3.

    Persoonlijke verzorging en de begeleiding die daarbij hoort voor jeugdigen tot 18 jaar kan zowel onder de Jeugdwet vallen als onder de Zvw. Daarbij geldt:

    • a.

      persoonlijke verzorging die nodig is in verband met een behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop valt onder de Zvw;

    • b.

      persoonlijke verzorging die gericht is op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij algemene dagelijkse levensverrichtingen valt onder de Jeugdwet.

  • 4.

    Verblijf voor jeugdigen tot 18 jaar kan zowel onder de Jeugdwet als onder de Zvw vallen. Daarbij geldt:

    • a.

      verblijf valt onder de Zvw als het een medisch noodzakelijk verblijf is vanwege geneeskundige zorg of wanneer het gaat om tijdelijk, kortdurend verblijf buiten de thuissituatie;

    • b.

      verblijf valt onder de Jeugdwet als het een verblijf van jeugdige buiten de thuissituatie betreft, niet zijnde een ziekenhuisverblijf.

2.4Afbakening Jeugdwet en Wet maatschappelijke ondersteuning

  • 1.

    Als de jeugdige ondersteuning nodig heeft om de zelfredzaamheid te vergroten, kan er in sommige gevallen recht bestaan op een voorziening vanuit de Wmo. Als dat zo is, gaat de Wmo in rangorde voor op de Jeugdwet en is er geen recht op een individuele voorziening op basis van de Jeugdwet. Het betreft dan bijvoorbeeld:

    • a.

      voorzieningen in de vorm van hulpmiddelen (niet zijnde hulpmiddelen Zvw), woningaanpassingen;

    • b.

      een vervoersvoorziening om te kunnen reizen in het kader van participatie naar verschillende locaties, zoals sportvereniging en recreatieplekken;

    • c.

      een maatwerkvoorziening voor opvang, indien jeugdige met ouder(s) meekomt als ouder de thuissituatie moet verlaten, vanwege bijvoorbeeld huiselijk geweld, mishandeling of een huisuitzetting.

Artikel 3. Afbakening Wmo met andere wetten

(STAP 4 VAN HET STAPPENPLAN CRVB)

3.1.Afbakening Wet maatschappelijke ondersteuning en Jeugdwet

  • 1.

    Tot de leeftijd van 18 jaar is de Jeugdwet voorliggend op de Wmo 2015.

  • 2.

    Op artikel 3.1 lid 1 gelden een aantal uitzonderingen, zoals genoemd in artikel 2.4.

  • 3.

    Vanaf de leeftijd van 18 jaar is de Wmo 2015 voorliggend op de Jeugdwet, tenzij er sprake is van verlengde Jeugdwet omdat een ingezette begeleiding of behandeling in afzienbare tijd afgemaakt kan worden of de Wmo 2015 de noodzakelijke hulp niet kan bieden.

3.2. Afbakening Wet maatschappelijke ondersteuning en Wet langdurige zorg

  • 1.

    Als een cliënt een indicatie Wlz heeft of zou kunnen krijgen is de Wlz voorliggend op de Wmo 2015. Het college kan een cliënt verzoeken een Wlz-indicatie aan te vragen bij het CIZ.

3.3Afbakening Wet maatschappelijke ondersteuning en Zorgverzekeringswet

  • 1.

    De Zvw is voorliggend op de Wmo 2015 voor wat betreft behandeling. Behandeling valt niet onder de Wmo 2015. Bij Wmo begeleiding kan indien nodig een beperkte mate van persoonlijke verzorging worden meegenomen (zogenaamd ‘met de handen op de rug’).

Artikel 4. Financiële tegemoetkoming Wmo 2015

(STAP 5 VAN HET STAPPENPLAN CRVB)

4.1. Tegemoetkoming voor een sportvoorziening

  • 4.1.1

    Een sportvoorziening wordt uitsluitend verstrekt als financiële tegemoetkoming. Het gaat om een maximaal bedrag van € 3.000,- welk bedoeld is als tegemoetkoming in aanschaf, verzekering, reparatie en onderhoud van een sportvoorziening, zoals een sportrolstoel, voor een periode van drie jaar.

  • 4.1.2

    De voorziening moet bijdragen aan participatie in de samenleving.

  • 4.1.3

    Er moet sprake zijn van meerkosten ten opzichte van ‘normale’ sportdeelname

4.2 Tegemoetkoming in de verhuiskosten / bezoekbaar maken woning

  • 4.2.1

    Het college kan een maximaal bedrag als tegemoetkoming in de verhuiskosten verstrekken aan een cliënt die de huidige woning moet verlaten.

  • 4.2.2

    Voorwaarden voor de tegemoetkoming:

    • a.

      er is sprake van een plotselinge noodzaak voor de verhuizing.

    • b.

      er wordt verhuisd naar een adequate woning.

  • 4.2.3

    Het vaststellen van de hoogte van de tegemoetkoming voor verhuiskosten wordt op grond van de individuele behoefte bepaald. De maximale tegemoetkoming bedraagt: € 3.000,-.

  • 4.2.4

    Het college kan een maximaal bedrag verstrekken om een woning die in de gemeente Dijk en Waard staat bezoekbaar te maken voor een cliënt die in een intramurale instelling verblijft.

  • 4.2.5

    Het vaststellen van de hoogte van de tegemoetkoming voor het bezoekbaar maken van de woning wordt op grond van de individuele behoefte bepaald. De maximale tegemoetkoming is € 2.000,-.

4.3 Maximaal bedrag eigen bijdrage Wmo 2015

Het maximaal te betalen bedrag als eigen bijdrage in de Wmo 2015 is gelijk aan het door het Rijk vastgestelde maandelijkse bedrag voor het tariefsysteem.

Artikel 5. Het persoonsgebonden budget

(STAP NA HET STAPPENPLAN CRVB)

5.1. Inleiding

Artikel 8.1.1 Jeugdwet en artikel 2.3.6 Wmo 2015 geven aan dat als de jeugdige of zijn ouders of de cliënt dit wil, de jeugdhulpvoorziening of maatwerkvoorziening verstrekt kan worden in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Hoewel dit de indruk kan wekken dat er keuzevrijheid bestaat om een pgb te kiezen, is dit niet juist. De beide artikelen geven daarna een aantal voorwaarden waaraan voldaan moet zijn wil een pgb verstrekt kunnen worden. Deze voorwaarden zijn voor Jeugdwet en Wmo 2015 bijna geheel gelijk.

Een pgb is een verstrekkingsvorm. Zowel in Jeugdwet als in Wmo 2015 is de standaardverstrekkingsvorm het bieden van de noodzakelijke hulp in natura. Als jeugdige of ouders of de cliënt een jeugdhulp of maatwerkvoorziening toegekend krijgen en dat als pgb willen ontvangen en aan alle voorwaarden voldoen kunnen zij als alternatief een pgb krijgen.

Een pgb komt dus pas ter sprake als eerst is vastgesteld dat er een individuele of maatwerkvoorziening verstrekt gaat worden. Dat betekent dat altijd eerst het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep gevolgd zal moeten worden om te bepalen of en zo ja welke jeugdhulp- of maatwerkvoorziening verstrekt gaat worden. Pas als vastgesteld is dat er inderdaad een individuele of maatwerkvoorziening verstrekt gaat worden heeft het zin de vraag te stellen: verstrekking in natura of in de vorm van een pgb.

5.2 Pgb-plan

Als een jeugdige of ouder of een cliënt in aanmerking komt voor een individuele voorziening of maatwerkvoorziening, maar de hulp of ondersteuning zelf wenst in te kopen met een pgb, dient hij daartoe een pgb-plan in. Hiervoor is een helder en in eenvoudige taal gesteld format beschikbaar, met alle bijbehorende stukken, waarmee de cliënt zijn pgb-plan kan indienen. Dit format is verplicht.

Daarin staat de motivatie waarom het natura aanbod van de gemeente niet passend is en een pgb gewenst is. Uit de argumentatie moet duidelijk worden dat de aanvrager zich voldoende heeft georiënteerd op het aanbod in natura. Voorts staat in het plan:

  • -

    welke jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning maatwerkvoorziening de jeugdige, zijn ouders of de cliënt gezien de hulpvraag wil inkopen waarbij opgemerkt dat de gekozen aanbieder/zorgverlener geen door de gemeente gecontracteerde aanbieder mag zijn;

  • -

    de wijze waarop de jeugdhulp of de maatwerkvoorziening georganiseerd wordt;

  • -

    hoe de hulp of ondersteuning bijdraagt aan de doelen die geformuleerd zijn in het persoonlijk zorgplan (onderzoek en doelmatigheid);

  • -

    op welke wijze de kwaliteit van de jeugdhulp of de maatwerkvoorziening is gewaarborgd;

  • -

    de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in het aantal eenheden en tarief;

  • -

    Indien de aanvrager een persoon uit het sociaal netwerk wil betrekken, een onderbouwing waarom dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is.

Toelichting:

Het Pgb-plan dient niet verward te worden met het persoonlijk (zorg) plan zoals genoemd in artikel 2.3, vierde lid, Wmo 2015 als ook artikel 3.3.3 van de verordening. De voorwaarde dat de aanvrager een pgb-plan dient over te leggen geldt niet voor een eenmalige pgb voor een maatwerkvoorziening, maar geldt voor een pgb voor het afnemen van hulp- en begeleidingsdiensten. De omvang en rol van het pgb-plan is relatief. Dat wil zeggen: hoe zwaarder de problematiek (en bijvoorbeeld de toets op kwaliteit), hoe groter de rol van het pgb-plan.

5.3 Beoordeling plan en toetsing pgb-vaardigheid, gewaarborgde hulp en kwaliteit

Het college voert de beoordeling uit op basis van het pgb-plan en een huisbezoek naar aanleiding van dit plan. Gaat het om een verlenging van een aanvraag dan kan het pgb-plan en huisbezoek eventueel achterwege blijven. Waarbij het in essentie steeds draait om de vraag of geborgd is dat het budget ten goede komt aan de gewenste ondersteuning en aan de kwetsbare persoon die ondersteuning nodig heeft.

Toestemming voor verzilvering van de ondersteuning in de vorm van een pgb kan pas gegeven worden als het pgb-plan dan wel de offerte met programma van eisen is goedgekeurd.

  • 5.3.1

    Te bespreken punten naar aanleiding van het pgb-plan

Dit onderzoek kan plaatsvinden aan de hand van de zeven vragen voor een pgb-onderzoek.

Vraag 1: Waarom wil iemand een pgb?

Met die vraag zal kritisch worden omgegaan, omdat het beheer van een pgb meer inhoudt dan alleen maar administratie. Die administratie wordt grotendeels door de Sociale Verzekeringsbank gedaan. Een belangrijk maar onderbelicht aspect is het aansturen van de zorgverleners. Met name als het gaat om professionele hulp die volgens het stappenplan noodzakelijk blijkt, zal de aansturing van het pgb lastig zijn: de professional heeft deskundigheden die degene die het pgb beheert niet heeft. Verder zal duidelijk moeten zijn dat er inzicht bestaat in het natura-aanbod Dat de gemeente heeft. Als de hulp ook in natura geboden kan worden is het de vraag waarom men die natura-hulp niet wenst. Waarom de met het pgb in te huren hulp beter is.

Vraag 2: Wie gaat het pgb beheren?

Het is logisch dat dit gebeurt door degene die de hulp nodig heeft, omdat het pgb immers gaat over het geven van eigen regie over de hulp of de hulpmiddelen. Dat kan niet altijd en dan biedt de wet de mogelijkheid het beheer door een ander uit te laten voeren. Die ander moet dan volgens de jurisprudentie van de CRvB wel een zogenaamde gewaarborgde hulp zijn (ECLI:NL:CRVB:2013:1488).

De taken van een gewaarborgde hulp zijn volgens die uitspraak onder andere (citaat:

“(…) is wel van belang of sprake is van gewaarborgde hulp van derden. Daarvan is in ieder geval geen sprake indien de derde niet kan instaan voor de nakoming van de aan het pgb verbonden verplichtingen, waaronder die welke betrekking hebben op de keuze van de zorgverlener, de kwaliteit van de zorg en de financiële verantwoording, waaraan inherent moet worden geacht dat eisen kunnen worden gesteld aan de integriteit van de derde.”

Het gaat dus om:

  • 1.

    De keuze van de zorgverlener;

  • 2.

    De (inhoudelijke) kwaliteit van de zorg;

  • 3.

    De financiële verantwoording;

  • 4.

    De integriteit van de gewaarborgde hulp.

Hieruit is duidelijk dat degene die de hulp biedt niet dezelfde kan zijn die de hulp beheert, vanwege het gebrek aan integriteit door belangenverstrengeling.

Om het onderzoek naar de vaardigheid van de pgb-beheerder, zowel degene die hulp nodig heeft zelf als een eventuele gewaarborgde hulp, goed te onderzoeken is door het ministerie van VWS samen met Per Saldo een lijst ontwikkeld met 10 punten waaraan men moet voldoen om voldoende vaardig te zijn een pgb te beheren. Zie bijlage 2 voor deze pgb-vaardigheidspunten.

Vraag 3: Wie gaat de hulp of ondersteuning bieden?

Als dat professionele hulp betreft zal dat een professional moeten zijn. Wil een professional effectief hulp kunnen bieden dan zal er tevoren geen bekendheid of betrokkenheid met betrokkene jeugdige of cliënt moeten zijn geweest omdat dit een objectieve beoordeling van de problematiek in de weg zal staan. Zo kunnen directe verwanten en goede bekenden over het algemeen geen professionele hulp bieden wegens het bestaan van systeemproblematiek. Hiernaar zal onderzoek moeten worden verricht. Daarenboven zal onderzocht worden of de beoogde zorgverlener opgeleid is en bekwaam is de noodzakelijke hulp te verlenen.

Vraag 4: Welke doelen zijn geformuleerd?

Zijn de doelen uit het stappenplan overgenomen en zijn die voldoende duidelijk in het pgb-plan geformuleerd? Zijn ze voldoende concreet? En is de evaluatie met de gemeente afgesproken?

Vraag 5: Zijn de kosten van het pgb niet hoger dan de kosten van een natura-verstrekking?

Wettelijk is bepaald dat een pgb geweigerd kan worden als de kosten van het pgb hoger zijn als de kosten in natura. Dat zal getoetst moeten worden.

Vraag 6: Is er iets te zeggen over het tarief sociaal netwerk?

Deze vraag gaat over de situatie dat er sprake is van hulp vanuit het sociaal netwerk. Daar kan een afwijkend tarief voor gelden en dat moet dan in de verordening staan.

Vraag 7: Zijn er contra-indicaties?

Dit betreft de vraag of er sprake is van contra-indicaties. Is er eerder sprake geweest van het verstrekken van onjuiste gegevens, het niet voldoen aan de voorwaarden of het gebruik van een pgb voor een ander doel, waardoor het besluit is ingetrokken? Dat kan een contra-indicatie zijn.

Verder hoeft geen contra-indicatie te zijn de vraag: is er sprake van schulden problematiek? Hier zal dan wel aandacht aan besteed moeten worden. Of het wel of niet een contra-indicatie is, hangt af van de mate waarin de schulden al dan niet door eigen toedoen zijn ontstaan.

  • 5.3.2

    De volgende omstandigheden kunnen aanleiding vormen om geen pgb toe te kennen vanwege onbekwaamheid, wanneer de cliënt niet beschikt over een netwerk dat dit kan compenseren:

    • -

      schuldenproblematiek;

    • -

      gok- of drugsverslaving;

    • -

      aangetoonde fraude, minder dan 5 jaar geleden;

    • -

      sterke vergeetachtigheid/verstandelijke beperking/psychische stoornis;

    • -

      analfabetisme of onvoldoende taal- of rekenvaardig;

    • -

      het leiden van een zwervend bestaan.

  • 5.3.3

    Vertegenwoordiging

    • a.

      Wanneer de cliënt een vertegenwoordiger heeft om zijn belangen ten aanzien van het pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren, stelt het college aan deze persoon dezelfde eisen als aan de cliënt.

    • b.

      De vertegenwoordiger van het pgb is niet alleen verantwoordelijk voor de besteding van het budget, maar voor alle taken en verantwoordelijkheden die verbonden zijn aan een pgb. Daarmee is de vertegenwoordiger tevens verantwoordelijk voor de kwaliteit van de geboden ondersteuning. Deze verantwoordelijkheden kunnen wel verdeeld worden over verschillende vertegenwoordigers.

Toelichting: Regie kunnen voeren is een belangrijke voorwaarde voor het succesvol inzetten van een pgb. In die gevallen waar de cliënt dit niet zelf kan, heeft de wetgever het mogelijk gemaakt dat de cliënt een vertegenwoordiger aanwijst. De vertegenwoordiger dient hiervoor bekwaam te zijn en te beschikken over de kennis en vaardigheden die nodig zijn om een pgb goed te kunnen beheren.

  • 5.3.4

    Voor eenmalige pgb’s voor hulpmiddelen kan een offerte en een programma van eisen volstaan. Voor eenmalige pgb’s voor vervoersmiddelen kan een offerte volstaan.

Artikel 6. Zak- en kleedgeldregeling

  • 1. Het College stelt aan jeugdhulpaanbieders een vergoeding voor zak- en kleedgeld beschikbaar voor Jeugdigen in een accommodatie voor verblijf waarvan de ouders deze kosten niet kunnen betalen, zoals bedoeld in artikel 5a.1 in de Regeling Jeugdwet.

  • 2. Deze verplichting geldt alleen als de ouder(s) niet voldoen aan hun onderhoudsplicht. Dit betreft o.a. de volgende situaties:

    • a.

      wanneer ouder(s) niet meer in beeld zijn;

    • b.

      wanneer duidelijk is dat het verhalen van de kosten op ouder(s) niet mogelijk is;

    • c.

      waarin er niet op korte termijn aan de onderhoudsplicht kan worden voldaan.

  • 3. Het College maakt met de jeugdhulpaanbieders afspraken over de voorwaarden waarop deze vergoeding wordt verstrekt. Hierin wordt de Handreiking Zak- en Kleedgeld van de VNG gevolgd.

  • 4. De hoogte van het zak- en kleedgeld wordt vastgesteld aan de hand van de richtlijnen van het Nibud. Deze bedragen zijn opgenomen in Bijlage 1a van Regeling Jeugdwet en worden periodiek gewijzigd.

Artikel 7. Kwaliteit

7.1 Kwaliteit van de ondersteuning

De zorgverlener draagt er zorg voor dat de ondersteuning van goede kwaliteit is. Een voorziening wordt in elk geval:

  • 1.

    Veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht verstrekt. Dat wil zeggen:

    • veilig: de relatie tussen de jeugdige, zijn ouders of de cliënt en zorgverlener is voor de hen vertrouwd en

    • stabiel, de privacy wordt in acht genomen en de zorgverlener onderneemt actie bij gesignaleerde onveiligheid in de situatie van de jeugdige, zijn ouders of de cliënt;

    • doeltreffend (effectief): de zorgverlener heeft de vereiste kennis, houding en vaardigheden om passende ondersteuning in te zetten bij de betreffende doelgroep, is aantoonbaar gericht op behalen van resultaten, werkt waar nodig samen met andere hulpverleners en onderhoudt contact met de sociale omgeving van de jeugdige, zijn ouders of de cliënt;

    • doelmatig (efficiënt) en cliëntgericht: de intensiteit en hoeveelheid ondersteuning is afgestemd op de persoonlijke situatie van de jeugdige, zijn ouders of de cliënt. Het bereiken van het doel wordt behaald met zo weinig mogelijk middelen. Er vindt afstemming plaats met andere vormen van zorg om ondoelmatigheden te voorkomen. De ondersteuning is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige, zijn ouders of de cliënt en op andere vormen van ondersteuning of hulp die de jeugdige, zijn ouders of de cliënt ontvangt.

  • 2.

    Verstrekt aan een (professionele) aanbieder die voldoet aan de eisen voortvloeiende uit de professionele standaard.

7.2 Screening

(Professionele) aanbieders kunnen door het college worden gescreend. Deze screening kan bestaan uit:

  • Het door (professionele) aanbieders laten overleggen van schriftelijke bewijsstukken die aantonen dat hij aan de geschiktheidseisen en/of kwaliteitseisen voldoet waaronder Verklaringen omtrent Gedrag, diploma’s en kwaliteitscertificaten;

  • Het doen van onderzoek in open dan wel gesloten bronnen;

  • Het vragen van een Bibob-advies bij het Landelijk Bureau Bibob.

Artikel 8. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 8.1 Deze beleidsregels treden met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2026.

  • 8.2 Deze beleidsregels worden aangehaald als: beleidsregels jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente Dijk en Waard 2026.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare collegevergadering van 27 januari 2026.

De gemeentesecretaris,

A. (Annet) Doesburg

De burgemeester,

M. (Maarten) Poorter

BIJLAGE 1: Afbakeningenlijst Jeugdwet (regio Alkmaar)

Deze lijst bevat een weergave van hulpvormen die mogelijk niet of onder voorwaarden onder de Jeugdwet vallen. Met deze lijst wordt beoogd om de toepassing van de Jeugdwet t.a.v. deze hulpvormen zo goed mogelijk af te bakenen. Als de aangevraagde hulp niet past binnen de Jeugdwet, dan kan de aanvraag worden afgewezen.

Bij het beoordelen van een aanvraag, wordt er gewerkt volgens het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) opgenomen in artikel 3.5 van de Verordening. Dit betekent dat eerst wordt bepaald of er een hulpvraag is en zoja, wat de aard en omvang van de hulpvraag is. Vervolgens wordt gekeken naar oplossingen die de jeugdige en/of ouders van de jeugdige zelf of binnen hun netwerk kunnen inzetten op de hulpvraag. Hieronder kan ook het aanspreken van een aanvullende verzekering vallen, indien aanwezig. Daarna wordt onderzocht in hoeverre voorliggende voorzieningen of wetten een oplossing kunnen bieden op de hulpvraag. Wanneer dat niet (voldoende) mogelijk is blijft er een aanvraag voor de inzet van een individuele voorziening over vanuit de Jeugdwet.

Bij de toets op de Jeugdwet, wordt altijd gekeken of de nodige inzet bijdraagt aan de doelen van de Jeugdwet. Deze doelen staan benoemd in artikel 2.3, lid 1 van de Jeugdwet, te weten: 1. gezond en veilig opgroeien, 2. groeien naar zelfstandigheid, 3. voldoende zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Belangrijk is daarbij dat de hulp of ondersteuning wordt ingezet waarvoor het is bedoeld (effectiviteit). Ook volgt de toets op regionale en lokale geldende regelgeving (inkoopafspraken, verordening en/of beleids- of nadere regels), zoals een toets op ingekocht aanbod of de kwaliteitseisen van de in te zetten ondersteuning. En er wordt gewerkt volgens het Landelijk Kwaliteitskader Jeugd (SKJ), waar ook de norm van verantwoorde werktoedeling onder valt.

De Jeugdwet is en blijft een maatwerkwet. Hierdoor ontstaat er soms een grijs gebied en/of zijn er uitzonderingen mogelijk op de geldende regelgeving. In die gevallen dat de Jeugdwet dan toch wordt toegepast, is een goede onderbouwing van groot belang. Het hanteren van het stappenplan van de CRvB en/of methoden als moreel beraad, omgekeerde toets of de doorbraakmethode kunnen helpen bij het maken van de juiste afweging.

Omschrijving hulpvorm

Voorliggende voorziening

Voorwaarden Jeugdwet

Toelichting

Alternatieve geneeswijzen en methoden

 

Er wordt gewerkt aan resultaten die vallen binnen de Jeugdwet.

Hulpverlener is SKJ-of BIG geregistreerd.

Andere hulpvormen bieden niet het gewenste resultaat.

Alternatieve geneeswijzen, zoals acupunctuur, haptonomie, hypnotherapie, mindfulness, meditatieve ontwikkeling, neurofeedback, neurolingistisch programmeren (NLP), spirituele therapie vallen niet onder niet onder het basispakket van de zorgverzekering.

De mogelijkheden om deze hulp vanuit de Jeugdwet in te zetten worden individueel getoetst aan de doelen van de Jeugdwet en zijn afhankelijk van de situatie. Wanneer dit het geval is, wordt samen met de jeugdige/zijn ouders bekeken welk hulp passend is. De best passende hulp wordt ingegeven door een combinatie van factoren: de vraag van de jeugdige, aanbod van de aanbieder en beschikbaarheid van de zorg.

Bovengenoemde behandelingen zijn nog onvoldoende effectief bewezen. Voor erkende effectieve jeugdinterventies wordt verwezen naar: https://www.nji.nl/interventies

Begeleiding bij onderwijs (regulier of speciaal, basis of voortgezet)

Passend Onderwijs

 

Begeleiding die nodig is voor het kunnen volgen van onderwijs is de verantwoordelijkheid van de school en valt onder de wet Passend Onderwijs. Het primaire doel van de ondersteuning is bepalend. Als het doel van de extra ondersteuning primair is gericht op het leerproces (dus op het halen van leerdoelen, het volgen van onderwijs en het bieden van een passende onderwijsplek) dan valt de ondersteuning onder de zorgplicht van de school. Voorbeelden zijn:

  • -

    Ondersteuning die gericht is op het aanpakken van leerproblemen

  • -

    Observatie,(intelligentie)onderzoek

  • -

    Het aanschaffen van aangepast lesmateriaal (bijv. pictogrammen of braille leerboeken)

  • -

    Remedial teaching, ondersteuning bij het aanleren van schoolse vaardigheden

  • -

    Begeleiding bij dyslexie, niet zijnde ernstige dyslexie

  • -

    Dyscalculie

  • -

    Sociale vaardigheidstraining

  • -

    Cogmed, training ten behoeve van het vergroten van het werkgeheugen en het concentratievermogen

  • -

    Kindcoaching

Begeleiding bij stage

(Passend) Onderwijs

School (samenwerkings-verband)

Schoolmaatschappelijk werk

 

De ‘niet verplichte stage’ voor leerlingen met het uitstroomprofiel dagbesteding is onderdeel van het onderwijsprogramma. Deze ‘stage’, in alle vormen, valt onder de zorgplicht van de school (Passend Onderwijs). Er is sprake van een voorliggende voorziening (art. 1.2 Jeugdwet).

De zorgplicht van school geldt ook voor een leerling die speciaal onderwijs volgt met ‘een uitstroomprofiel dagbesteding’. Als deze leerling een stage wil lopen, is de school verplicht deze kosten te betalen. Dit standpunt is kenbaar gemaakt per ministeriële brief 2021. De school ontvangt hiervoor compensatie vanuit het Rijk (artikel 25 van de Wet op de Expertisecentra). Een stage bij het ‘uitstroomprofiel dagbesteding’ - in tegenstelling tot het ‘uitstroomprofiel arbeidsmarktgericht’ – is niet verplicht. De school mag de leerling met ’uitstroomprofiel dagbesteding’ dan ook niet verplichten stage te lopen in de vorm van dagbesteding. Als de leerling stage wilt lopen om te gaan wennen op de nieuwe (beschermde arbeids-)plek is de school financieel verantwoordelijk voor alle kosten (inclusief begeleiding) betreft de stage. De voorbereiding op de vervolgplek na school (de dagbesteding) maakt onderdeel uit van het onderwijsaanbod dat de school op basis van de kerndoelen moet aanbieden.

Begeleiding bij vakantie(kamp) jeugdige

Vrij toegankelijk aanbod

Stichting en fondsen (bijvoorbeeld vakantie en weekendjes weg vanuit verenigingen en stichtingen)

Bijzondere bijstand

Er wordt gewerkt aan de resultaten die vallen binnen de jeugdwet.

Dit is geen individuele voorziening jeugdhulp onder artikel 2.1.2 Verordening Jeugd en Wmo. Zie vrijetijdsbesteding.

De mogelijkheden om deze hulp vanuit de Jeugdwet in te zetten worden individueel getoetst aan de doelen van de Jeugdwet en zijn afhankelijk van de situatie. Dit betreft jeugdigen met een beperking en waarbij de begeleiding zijn/haar deelname aan het maatschappelijk verkeer bevordert of een bijdrage levert aan het zelfstandig functioneren van de jeugdige.

Zie ook:

Rechtbank Overijssel 18-4-2016

Rechtbank Midden-Nederland 14-2-2017, nr. 15/6728 UTR

Begeleiding bij zwemles

 

Er wordt gewerkt aan resultaten die vallen binnen de Jeugdwet.

Andere hulpvormen bieden niet het gewenste resultaat.

Zwemles en zwemleskosten komen niet in aanmerking voor vergoeding vanuit de Jeugdwet. Indien de jeugdige extra begeleiding tijdens de zwemles nodig heeft, dienen ouders dit in beginsel zelf te bieden of te bekostigen.

De mogelijkheden om deze hulp vanuit de Jeugdwet in te zetten worden individueel getoetst aan de doelen van de Jeugdwet en zijn afhankelijk van de situatie. Dit betreft jeugdigen met een beperking en waarbij de begeleiding zijn/haar deelname aan het maatschappelijk verkeer bevordert of een bijdrage levert aan het zelfstandig functioneren van de jeugdige.

Cursus/training voor een jeugdige

Vrij toegankelijk aanbod / voorliggende voorzieningen

Onderwijs

Er wordt gewerkt aan resultaten die vallen binnen de Jeugdwet.

Het mag alleen worden ingezet als onderdeel van een specialistische behandeling, niet zelfstandig.

Hierbij valt te denken aan sociale vaardigheid, weerbaarheid en rots & water (zie ook begeleiding bij onderwijs). Dit zijn geen individuele voorzieningen jeugdhulp onder artikel 2.1.2 Verordening Jeugd en Wmo. Dergelijke trainingen kunnen bijvoorbeeld preventief vanuit de school, schoolmaatschappelijk werk of algemeen maatschappelijk werk ingezet worden. Op groepsniveau kan het positieve effecten opleveren.

Dergelijke trainingen kunnen daarnaast worden ingezet als onderdeel van een specialistische behandeling, waarbij er wordt gewerkt aan resultaten die vallen binnen de Jeugdwet. Bv. als er sprake is van een individuele training gericht op het omgaan met psychosociale of psychische problemen.

Dagbesteding ter vervanging van onderwijs

Passend Onderwijs

Er wordt gewerkt aan de resultaten die vallen binnen de jeugdwet.

Er zijn geen terugkeermogelijkheden naar het onderwijs.

Passend Onderwijs is voorliggend, wanneer het een jeugdige betreft die op leerplichtige leeftijd uitstroomt uit het onderwijs, met een tijdelijke leerplichtontheffing. De jeugdige krijgt een persoonlijk plan in de vorm van een onderwijs/ zorgarrangement waar dagbesteding onderdeel van uitmaakt.

De dagbesteding wordt specifiek ingezet om de jeugdige te laten werken aan doelen voortkomend uit problemen en/of stoornissen ten behoeve van terugkeer in het (speciaal) onderwijs.

Dagbesteding valt alleen onder de Jeugdwet, wanneer:

  • -

    De jeugdige niet meer terugkeert in het onderwijs, of

  • -

    De dagbesteding (tijdelijk) wordt ingezet voor het bereiken van doelen voortkomend uit problemen en/of stoornissen van de jeugdige.

Doventolk

Zvw (basisverzekering)

 

De inzet van een doventolk is de verantwoordelijkheid van de aanbieder. Als een doventolk nodig is bij onderwijs of werk dan kan dat worden aangevraagd bij het UWV. Als een doventolk nodig is in privésituaties dan kan dat worden aangevraagd bij VWS.

Hulphond ( voor bv. autisme of PTSS)

Zvw (basisverzekering)

Er wordt gewerkt aan resultaten die vallen binnen de Jeugdwet.

Andere hulpvormen bieden niet het gewenste resultaat.

Dit betreft een hulphond die de jeugdige begeleid bij zijn problematiek. De inzet van een dergelijke hulphond is niet evidence based. Andere (goedkopere) voorzieningen zijn voorliggend, wanneer deze ook passend zijn. In het geval dat niet passend is, kan er worden gekeken naar de mogelijkheden vanuit de Jeugdwet.

De mogelijkheden om de hulphond vanuit de Jeugdwet in te zetten worden individueel getoetst aan de doelen van de Jeugdwet en zijn afhankelijk van de situatie.

Zie ook:

CRvB 26-1-2022, ECLI:NL:CRVB:2022:254

CRvB 22-2-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:376

Een hulphond die ondersteunt bij een functiebeperking, zoals een blindengeleidehond, wordt als een hulpmiddel gezien. Deze honden (hulpmiddelen) worden wel vergoed door de Zvw.

Hulpmiddelen (voor bv. bij dyslexie, bij school zoals computer of onderhoud ervan en hulpmiddelen bij langdurig gebruik, rolstoelen)

Uwv of bijzondere bijstand

Passend Onderwijs

Zvw (basisverzekering)

Wmo 2015

 

Dergelijke hulpmiddelen worden niet beschouwd als een individuele voorziening jeugdhulp onder artikel 2.1.2 Verordening Jeugd en Wmo en vallen niet onder de Jeugdwet.

Zie ook:

artikel 2.9 Besluit zorgverzekering in samenhang met

artikel 2.6 Regeling zorgverzekering.

Bekijk de mogelijkheden om hulpmiddelen elders te laten vergoeden.

Hulpverlening met behulp van dieren

(bv. paarden of honden)

 

Er wordt gewerkt aan de resultaten die vallen binnen de jeugdwet.

Andere hulpvormen bieden niet het gewenste resultaat.

De gebruikte methodieken dienen evidence based of best practice te zijn en opgenomen in de database van het NJI of het Trimbos Instituut als erkende interventie.

Binnen de therapie zijn de doelen om de interventie met een dier in te zetten concreet beschreven en staan met elkaar in verhouding. Hierbij moet ook een duidelijk resultaat worden geformuleerd met een tijdpad.

Er is onvoldoende bewijs voor de effectiviteit van het gebruik van dieren voor een (jeugd-ggz) behandeling, zoals paarden- of hondentherapie.

De mogelijkheden om deze hulp vanuit de Jeugdwet in te zetten worden individueel getoetst aan de doelen van de Jeugdwet en zijn afhankelijk van de situatie. Dieren kunnen onder voorwaarden worden ingezet als middel/instrument bij het bieden van (S-GGZ) behandeling aan jeugdigen. Op die manier kunnen er positieve resultaten behaald worden.

Zie ook:

CRVB 12-9-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2785

Leermiddelen (aangepast instructiemateriaal of les- en leermaterialen)

Passend Onderwijs

 

Dergelijke leermiddelen worden niet beschouwd als een individuele voorziening jeugdhulp onder artikel 2.1.2 Verordening Jeugd en Wmo en vallen niet onder de Jeugdwet.

Bekijk de mogelijkheden om leermiddelen elders te laten vergoeden.

Vaktherapie als onderdeel van een specialistische behandeling

Vaktherapieën: -Speltherapie -Muziektherapie -Danstherapie -Dramatherapie -Beeldende therapie -Psycho-motorische therapie

 

Er wordt gewerkt aan resultaten die vallen binnen de Jeugdwet.

De vaktherapie onderdeel is van specialistische behandeling en behandeldoelen in het behandelplan.

Hulpverlener werkt onder de verantwoordelijkheid van een regiebehandelaar.

Hulpverlener staat geregistreerd in Register Vaktherapie.

Hulpverlener is aangesloten bij de Federatie Vaktherapeutische Beroepen of andere vaktherapeutische beroepsvereniging.

Onder vaktherapie vallen therapievormen die gebruik maken van een ervaringsgerichte aanpak zoals spel, muziek, dans, beweging, drama en beeldend materiaal. Als onderdeel van een specialistische behandeling onder regie van een BIG-geregistreerde hoofdbehandelaar draagt vaktherapie bij aan de gehele behandeling.

De mogelijkheden om deze hulp vanuit de Jeugdwet in te zetten worden individueel getoetst aan de doelen van de Jeugdwet en zijn afhankelijk van de situatie. Wanneer dit het geval is, wordt samen met de jeugdige/zijn ouders bekeken welk hulp passend is. De best passende hulp wordt ingegeven door een combinatie van factoren: de vraag van de jeugdige, aanbod van de aanbieder en beschikbaarheid van de zorg.

Vaktherapie losstaand

Vaktherapieën:

-Speltherapie

-Muziektherapie

-Danstherapie

-Dramatherapie

-Beeldende therapie

-Psycho-motorische therapie

 

Er wordt gewerkt aan resultaten die vallen binnen de Jeugdwet.

Hulpverlener staat geregistreerd in Register Vaktherapie

Hulpverlener is aangesloten bij de Federatie Vaktherapeutische Beroepen of andere vaktherapeutische beroepsvereniging.

Aanvullende criteria over maximale duur, maximaal aantal sessies en verlenging.

Onder vaktherapie vallen therapievormen die gebruik maken van een ervaringsgerichte aanpak zoals spel, muziek, dans, beweging, drama en beeldend materiaal. Vaktherapie kan door een vrijgevestigde vaktherapeut als losstaand product worden geleverd. Dit is een relatief laagdrempelige en lichte vorm van ondersteuning, die ingezet kan worden om zwaardere vormen te voorkomen.

De mogelijkheden om deze hulp vanuit de Jeugdwet in te zetten worden individueel getoetst aan de doelen van de Jeugdwet en zijn afhankelijk van de situatie. Wanneer dit het geval is, wordt samen met de jeugdige/zijn ouders bekeken welk hulp passend is. De best passende hulp wordt ingegeven door een combinatie van factoren: de vraag van de jeugdige, aanbod van de aanbieder en beschikbaarheid van de zorg.

Bij matige tot en met ernstige klachten of wanneer de veiligheid van het kind en/of de behandelaar in het geding is, moet worden doorverwezen naar de specialistische ggz of ambulante jeugdhulp (Landelijk Kwaliteitskader Jeugd). Vaktherapie kan dan niet (meer) als losstaand product worden ingezet. Dit kan eventueel wel nog als onderdeel van een complete specialistische behandeling.

Vaktherapeuten komen niet in aanmerking voor een SKJ-registratie. Het is wel van belang dat de vaktherapeut staat ingeschreven in het Register Vaktherapie; op die manier borgen we dat de vaktherapeut zich regelmatig laat bijscholen en visiteren en dat er intervisie en supervisie plaatsvindt.

Vaktherapie valt niet onder niet onder het basispakket van de zorgverzekering. Als ouders aanvullend verzekerd zijn, dan moet het maximaal aantal uren behandeling dat via de zorgverzekering wordt vergoed worden afgetrokken van het maximale aantal uren dat voor deze behandeling kan worden geïndiceerd.

Vervoer van en naar school van de jeugdige

Leerlingenvervoer

 

Dit is geen individuele voorziening jeugdhulp onder artikel 2.1.2 Verordening Jeugd en Wmo en valt niet onder de Jeugdwet.

Er is sprake van een voorliggende voorziening, namelijk leerlingenvervoer. Zie hiervoor de de verordening leerlingenvervoer.

Vervoer van school naar een buitenschoolse/ naschoolse opvanginstelling van een jeugdige

 
 

Dit is geen individuele voorziening jeugdhulp onder artikel 2.1.2 Verordening Jeugd en Wmo en valt niet onder de Jeugdwet.

Er is mogelijk sprake van een voorliggende voorziening. Vervoer wordt indien van toepassing geregeld via de buitenschoolse/naschoolse opvanginstelling.

Vrijetijdsbesteding, bekostiging en/of begeleiding

Vrij toegankelijk/voorliggend aanbod gemeente

Er wordt gewerkt aan de resultaten die vallen binnen de jeugdwet.

Dit is geen individuele voorziening jeugdhulp onder artikel 2.1.2, Verordening Jeugd en Wmo. Het eigen netwerk van de jeugdige wordt geacht de jeugdige te voorzien in (de bekostiging van) vrijetijdsbesteding, zoals entreegeld, deelnamekosten, contributie, personal trainer of de kosten van begeleiding.

De mogelijkheden om deze hulp vanuit de Jeugdwet in te zetten worden individueel getoetst aan de doelen van de Jeugdwet en zijn afhankelijk van de situatie. Dit betreft jeugdigen met een beperking en waarbij de begeleiding zijn/haar deelname aan het maatschappelijk verkeer bevordert of een bijdrage levert aan het zelfstandig functioneren van de jeugdige.

Zie ook:

Rechtbank Overijssel 18-4-2016

Rechtbank Midden-Nederland 14-2-2017, nr. 15/6728 UTR

BIJLAGE 2: PGB-vaardigheidstoets

De pgb-vaardigheid kan worden getoetst op de volgende 10 punten:

  • 1.

    U overziet uw eigen situatie, dan wel die van de hulpvrager, en u heeft een duidelijk beeld van de hulpvraag.

  • 2.

    U bent op de hoogte van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb, of u weet die zelf bij de desbetreffende instanties (online) te vinden.

  • 3.

    U bent in staat om een overzichtelijke pgbadministratie bij te houden, waardoor u inzicht heeft in de bestedingen van het pgb.

  • 4.

    U bent voldoende vaardig om te communiceren met de gemeente, zorgverzekeraar of het zorgkantoor, de SVB en zorgverleners.

  • 5.

    U bent in staat om zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen.

  • 6.

    U bent in staat om afspraken te maken en vast te leggen, en om dit te verantwoorden aan verstrekkers van het pgb.

  • 7.

    U kunt beoordelen en beargumenteren of de geleverde hulp of ondersteuning passend en kwalitatief goed is.

  • 8.

    U kunt de inzet van zorgverleners coördineren, waardoor de hulp of ondersteuning door kan gaan, ook bij verlof en ziekte.

  • 9.

    U bent in staat om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren.

  • 10.

    U heeft voldoende (juridische) kennis over het werk- of opdrachtgeverschap, of weet deze kennis te vinden.