Financiële verordening 2025

Geldend van 02-02-2026 t/m heden

Intitulé

Financiële verordening 2025

Besluit van het algemeen bestuur tot vaststelling van de financiële verordening Omgevingsdienst IJsselland 2025

Gelet op het bepaalde artikel 216 van de Provinciewet, Wet gemeenschappelijke regeling en de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst IJsselland;

Overwegende dat:

Omgevingsdienst IJsselland is ingesteld ter behartiging van de individuele en gezamenlijke belangen van haar deelnemers op het gebied van de fysieke leefomgeving en ziet op de vergunningverlening, het toezicht op de naleving en de handhaving van de voorschriften zoals opgenomen in de relevante regelgeving, voor zover de bevoegdheid daartoe de deelnemers toekomt en voor zover deze aan de omgevingsdienst is gemandateerd;

De omgevingsdienst zorg draagt voor een organisatie ter behartiging van de hierboven genoemde belangen en richt zich daarbij op:

  • 1.

    Het bieden van een structuur waarin de colleges voldoen aan de wettelijke eisen van kwaliteit, effectiviteit en robuustheid en organisatie voor de uitvoering van hun taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving;

  • 2.

    Advisering aan en uitvoering voor de deelnemers ten behoeve van vergunningverlening, toezicht en handhaving;

  • 3.

    De inzet van kennis en kunde;

  • 4.

    De realisatie van een centraal aanspreekpunt voor externe partners;

  • 5.

    Het creëren van een gelijk speelveld voor burgers en bedrijven in het werkgebied van de omgevingsdienst.

Het wenselijk is om de bestaande financiële verordening te actualiseren teneinde deze in overeenstemming te brengen met de herziene Gemeenschappelijke Regeling Omgevingsdienst IJsselland.

Besluiten

De Financiële Verordening van de Omgevingsdienst IJsselland 2023 en de Treasurystatuut Omgevingsdienst IJsselland 2018 in te trekken en in plaats daarvan de Financiële Verordening 2025 van de Omgevingsdienst IJsselland vanaf 1 januari 2025 en latere jaren aldus vast te stellen:

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepaling

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. administratie:

het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, het functioneren en het beheersen van (onderdelen van) de organisatie van de Omgevingsdienst en ten behoeve van de verantwoording die daarover moet worden afgelegd.

b. administratieve organisatie:

het stelsel van organisatorische maatregelen gericht op het tot stand brengen en het in stand houden van de goede werking van de bestuurlijke en ambtelijke informatieverzorging ten behoeve van de verantwoordelijke leiding.

c. rechtmatigheid:

het in overeenstemming zijn met geldende wet- en regelgeving.

d. doelmatigheid:

het realiseren van bepaalde prestaties met een zo beperkt mogelijke inzet van middelen.

e. doeltreffendheid:

mate waarin de Omgevingsdienst erin slaagt met de geleverde prestaties de gestelde doelen of de beoogde maatschappelijke effecten van het beleid te bereiken.

f. financieel beheer:

het uitoefenen van bestuur over en toezicht op het beheer van middelen en het uitoefenen van rechten van de Omgevingsdienst.

g. financiële administratie:

het onderdeel van de administratie dat omvat het systematisch maken en verwerken van aantekeningen betreffende de financiële gegevens van (onderdelen van) de organisatie van de Omgevingsdienst, teneinde te komen tot een goed inzicht in: de financieel-economische positie; het financiële beheer; de uitvoering van de begroting; het afwikkelen van vorderingen en schulden; evenals tot het afleggen van rekening en verantwoording daarover.

h. investering:

een investering is een uitgaaf voor een goed of object met een gebruiksduur langer dan een jaar.

i. treasury:

het sturen en beheersen, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financiële vermogenswaarden, de financiële posities en de hieraan verbonden risico’s.

j. weerstandscapaciteit:

de middelen en mogelijkheden waarover de Omgevingsdienst beschikt of kan beschikken om niet voorziene tegenvallers te bekostigen.

Hoofdstuk 2 Begroting en verantwoording

Artikel 2 Programma-indeling

  • 1.

    Het Algemeen Bestuur stelt de programma-indeling voor de begroting vast.

  • 2.

    Het Algemeen Bestuur stelt op voorstel van het Dagelijks Bestuur per programma vast:

    • 1.

      de taakvelden en

    • 2.

      de beleidsindicatoren. Het voorstel van het Dagelijks Bestuur bevat in ieder geval de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) voor zover deze betrekking hebben op het specifieke taakveld van de Omgevingsdienst IJsselland.

Artikel 3. autorisatie

  • 1.

    Het Algemeen Bestuur autoriseert met het vaststellen van de begroting de totale lasten en de totale baten voor de afzonderlijke programma’s alsmede de in de begroting opgenomen investeringskredieten.

  • 2.

    Voor investeringen in de loop van het begrotingsjaar waarvan de lasten niet in de begroting zijn opgenomen, legt het Dagelijks Bestuur voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een voorstel voor het autoriseren van een krediet aan het Algemeen Bestuur voor. Het voorstel dient voorzien te zijn van een structureel sluitende begrotingswijziging waarin de baten en lasten voortvloeiend uit deze investering zijn opgenomen.

Artikel 4. tussentijdse rapportage

  • 1.

    Het Dagelijks Bestuur informeert het Algemeen Bestuur door middel van een tussentijdse rapportage over de realisatie van de begroting van de Omgevingsdienst.

  • 2.

    De voortgangsrapportage rapporteert over de eerste vijf maanden van het begrotingsjaar.

  • 3.

    De inrichting van de tussentijdse rapportage sluit aan bij de indeling van de begroting.

  • 4.

    In de rapportage worden de inhoudelijke en financiële ontwikkelingen binnen de programma’s aan de orde gesteld. Daarbij worden de ontwikkelingen binnen het lopende begrotingsjaar genoemd en worden eventuele structurele consequenties van het gevoerde beleid meegenomen.

  • 5.

    De rapportage gaat ten minste in op afwijkingen van de baten en lasten en de geleverde prestaties.

Artikel 5 jaarstukken

  • 1.

    Het Dagelijks Bestuur legt conform het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten verantwoording af over de uitvoering van de begroting middels de jaarstukken.

  • 2.

    Het Dagelijks Bestuur zendt tegelijk met de jaarstukken een voorstel tot bestemming van het rekeningresultaat aan de raden en Staten van de deelnemers.

Hoofstuk 3 Rechtmatigheidsverantwoording

Artikel 6 Verantwoordings- en rapportagegrens rechtmatigheidsverantwoording

  • 1.

    Het Algemeen Bestuur stelt vast op welke wijze hij door middel van de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de Jaarstukken, naast de verplichte onderdelen van deze paragraaf, wil worden geïnformeerd over rechtmatigheid.

  • 2.

    In de rechtmatigheidsverantwoording bij de jaarrekening rapporteert het Dagelijks Bestuur aan het Algemeen Bestuur over afwijkingen met een verantwoordingsgrens van 2% van de totale lasten van de Gemeenschappelijke Regeling, exclusief dotaties aan de reserves.

  • 3.

    In de paragraaf bedrijfsvoering worden de geconstateerde afwijkingen (fouten of onduidelijkheden) groter dan 0,1% van de totale lasten van de Gemeenschappelijke Regeling, exclusief dotaties, aan de reserves nader toegelicht.

Artikel 7 voorwaardencriterium

  • 1.

    Het voorwaardencriterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op de eisen die worden gesteld bij de uitvoering van de financiële beheershandelingen. De eisen/voorwaarden zijn afkomstig uit diverse wet- en regelgeving en hebben betrekking op aspecten als doelgroep, termijn, grondslag, administratieve bepalingen, normbedragen, bevoegdheden, bewijsstukken, recht, hoogte en duur.

  • 2.

    Het Dagelijks Bestuur biedt het Algemeen Bestuur indien sprake is van wijzigingen een normenkader rechtmatigheid ter vaststelling aan. Dit kader bestaat uit alle relevante (interne) wet- en regelgeving waaruit financiële beheershandelingen kunnen voortvloeien.

Artikel 8 begrotingscriterium

  • 1.

    Het begrotingscriterium is een criterium van rechtmatigheid dat betrekking heeft op de grenzen van de baten en lasten in de door het Algemeen Bestuur geautoriseerde begroting van exploitatie en investeringskredieten en de hiermee samenhangende programma’s, waarbinnen de financiële beheershandelingen tot stand moeten zijn gekomen;

  • 2.

    De begrotingsrechtmatigheid wordt beoordeeld op het niveau waarop de begroting door het Algemeen Bestuur is geautoriseerd, zoals is opgenomen in artikel 2 in deze verordening.

  • 3.

    Bij investeringsprojecten wordt de begrotingsrechtmatigheid beoordeeld op het niveau van het totaal gevoteerde kredietbedrag. Een overschrijding van het jaarbudget, passend binnen het totaal bedrag van het krediet, wordt daarmee als rechtmatig beschouwd.

  • 4.

    Uitgangspunt is dat iedere afwijking van de begroting als onrechtmatig wordt beschouwd, indien deze niet tijdig aan het Algemeen Bestuur is gemeld. Tijdig melden houdt in dat begrotingsafwijkingen worden gemeld aan het Algemeen Bestuur in een tussentijdse rapportage of in de jaarrekening. Begrotingsonrechtmatigheden worden als acceptabel aangemerkt in de volgende situaties:

    a. er is sprake van een overschrijding van lasten die gecompenseerd wordt door direct gerelateerde inkomsten.

    b. er is sprake van een overschrijding op een open-einde regeling.

    c. er is sprake van een overschrijding van lasten welke past binnen het door het Algemeen Bestuur geaccordeerde beleid, welke zich voordoet op een moment dat er geen begrotingswijziging meer kan worden vastgesteld.5.

5. Begrotingsonrechtmatigheden die passen binnen het bestaande beleid van het Algemeen Bestuur, worden opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording (voor zover de verantwoordingsgrens voor afzonderlijke fouten of onduidelijkheden is overschreden), maar worden niet nader toegelicht in de paragraaf bedrijfsvoering.

Artikel 9 Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium

  • 1.

    Het misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op het voorkomen, detecteren en corrigeren van misbruik en oneigenlijk gebruik van overheidsgelden en eigendommen bij financiële beheershandelingen.

  • 2.

    Het Dagelijks Bestuur zorgt voor en legt vast de regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van regelingen en eigendommen.

Hoofstuk 4 Financieel beleid

Artikel 10 Waardering en afschrijving vaste activa

  • 1.

    Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht.

  • 2.

    De materiële vaste activa met economisch nut, zoals bedoeld in artikel 35 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten, worden lineair afgeschreven in:

3 tot 5 jaar

Software, automatiseringsapparatuur en kantoormeubilair

2 tot 3 jaar

Mobiele telefoons, tablets

3. Afschrijving start op jaarbasis in het jaar waarin de investering gereed komt of wordt verworven.

4. Activa met een verkrijgingprijs van minder dan € 10.000 behoeven niet afzonderlijk te worden geactiveerd.

Artikel 11 reserves en voorzieningen

  • 1.

    Het Dagelijks Bestuur biedt jaarlijks als onderdeel van de begroting het overzicht van reserves en voorzieningen aan ter behandeling en vaststelling door het Algemeen Bestuur. Het overzicht bevat de criteria voor vorming en vrijval van reserves; de vorming en vrijval van voorzieningen en de (eventuele) toerekening en verwerking van rente over reserves, bestemmingsreserves en voorzieningen.

  • 2.

    Het voorstel tot bestemming van het rekeningresultaat wordt voor zienswijze voorgelegd aan de raden en Staten alvorens dit aan de Algemene Reserve gedoteerd of onttrokken wordt.

Hoofdstuk 5 Treasury

Artikel 12. Doelstellingen treasurybeleid

De doelstellingen van het treasurybeleid zijn:

  • 1.

    Het verzekeren van een duurzame toegang tot financiële markten tegen acceptabele condities, zodat te allen tijde in de behoefte aan financiële middelen kan worden voorzien.

  • 2.

    Het beschermen van de vermogens en resultaten tegen ongewenste financiële risico’s zoals renterisico’s, koersrisico’s, kredietrisico’s en liquiditeitsrisico’s.

  • 3.

    Het optimaliseren van renteresultaten binnen de kaders van de wet FiDO, aanvullende regelgeving en de voorschriften die in dit statuut zijn opgenomen.

  • 4.

    Het minimaliseren van de interne verwerkingskosten en externe kosten bij het beheren van de geldstromen en financiële posities.

  • 5.

    Het waarborgen dat de taken en verantwoordelijkheden van de treasuryfunctie duidelijk zijn geregeld.

Artikel 13 Uitgangspunten risicobeheer treasuryfunctie

Met betrekking tot risicobeheer gelden de volgende algemene uitgangspunten voor de treasuryfunctie:

  • 1.

    de treasurer vraagt bij het aantrekken van lange financieringen bij verschillende financiële instellingen ten minste drie prijsopgaven op. Bij kortgeld kan worden volstaan met één prijsopgaaf als die marktconform is (d.w.z.<= eonia of euribor rekening houdend met de looptijd). Voor het doen van uitzettingen gelden de voorschriften uit de Regeling schatkistbankieren decentrale overheden.

  • 2.

    het renterisico op de korte schuld bedraagt maximaal de kasgeldlimiet conform de Wet FiDo.

  • 3.

    het renterisico op de lange schuld bedraagt maximaal de renterisiconorm conform de Wet FiDo.

  • 4.

    Overeenkomsten voor het aangaan van financieringen, het uitzetten van middelen en het verlenen van garanties luiden in uitsluitend euro’s.

Artikel 14 Richtlijnen en limieten externe financiering

  • 1.

    Bij het opereren op de financiële markten wordt zodanig gehandeld dat de toegang tot de markten niet in het gevaar komt; er wordt gestreefd naar financiering tegen zo gunstig mogelijke condities.

  • 2.

    Bij het aantrekken van gelden voor een periode vanaf één jaar worden minimaal drie partijen benaderd voor een offerte.

  • 3.

    Het Dagelijks Bestuur stelt, in voorkomende gevallen, na advies van de controller richtlijnen voor de treasuryfunctionaris op.

  • 4.

    Leningen worden niet aangetrokken met het doel deze tegen een hoger rendement uit te zetten.

Artikel 15 Richtlijnen en limieten uitzettingen

  • 1.

    Overtollige liquide middelen boven het berekende drempelbedrag volgens de regeling schatkistbankieren decentrale overheden, worden aangehouden bij ’s Rijks schatkist of uitgeleend aan mede decentrale overheden voor gebruik binnen het publieke domein.

  • 2.

    Voor de uitzetting tot aan het zogenaamde drempelbedrag wordt de rekening courant gehanteerd.

Artikel 16 Betalingsverkeer

  • 1.

    Ten einde de verwerkingskosten te minimaliseren loopt het betalingsverkeer alleen over bij de huisbankier aangehouden rekeningen.

  • 2.

    Iedere betaaltransactie wordt door minimaal 2 functionarissen uitgevoerd (het vier-ogen-principe).

Hoofdstuk 6 Paragrafen

Artikel 17 Weerstandsvermogen en risicomanagement

  • 1.

    Het Algemeen Bestuur stelt ten minste elke vier jaar een nota risico en weerstandsvermogen vast waarin het doel en de hoogte van de Algemene Reserve en overig weerstandsvermogen is vastgelegd.

  • 2.

    In de paragraaf weerstandsvermogen van de begroting en de jaarstukken, geeft het Dagelijks Bestuur:

    • 1.

      een overzicht van de risico’s van materieel belang, met een inschatting van de kans dat deze risico’s zich voordoen. Waar mogelijk worden deze risico’s gekwantificeerd.

    • 2.

      de weerstandscapaciteit en in hoeverre schade en verliezen als gevolg van de risico’s van materieel belang met de weerstandscapaciteit kunnen worden opgevangen.

Artikel 18 Onderhoud kapitaalgoederen

Het Dagelijks Bestuur draagt zorg voor het meerjarig onderhoud van de activa binnen de daarvoor beschikbare budgetten.

Artikel 19 Financiering

In de paragraaf financiering bij de begroting en de jaarstukken neemt het Dagelijks Bestuur, tenminste de verplichte onderdelen op, op grond van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

Artikel 20 Bedrijfsvoering

In de paragraaf bedrijfsvoering bij de begroting en de jaarstukken neemt het Dagelijks Bestuur, tenminste de verplichte onderdelen op, op grond van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

Artikel 21 Wet open overheid

In de paragraaf Wet open overheid bij de begroting en de jaarstukken neemt het dagelijks bestuur in ieder geval de verplichte onderdelen op, op grond van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

Hoofdstuk 7 Financiële organisatie en administratie

Artikel 22 Administratie

De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor:

  • 1.

    het sturen en het beheersen van activiteiten en processen bij de Omgevingsdienst;

  • 2.

    het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van balansposten;

  • 3.

    het verschaffen van informatie aan de budgethouders en voor het maken van kostencalculaties;

  • 4.

    het bevorderen van de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en ter zake geldende wet- en regelgeving;

  • 5.

    het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en ter zake geldende wet- en regelgeving;

  • 6.

    de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie evenals voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen;

  • 7.

    de inrichting en de werking van de financiële administratie voldoet aan het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten en andere relevante wet- en regelgeving;

  • 8.

    de vereiste informatie verstrekt wordt aan het Rijk en andere instellingen die specifieke verantwoordingsverplichtingen opleggen aan de Omgevingsdienst.

Artikel 23 Financiële organisatie

Het Dagelijks Bestuur is verantwoordelijk voor:

  • 1.

    een eenduidige indeling van de organisatie van de Omgevingsdienst en een eenduidige toewijzing van de taken van de Omgevingsdienst aan de afdelingen;

  • 2.

    een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden, verantwoordelijkheden;

  • 3.

    de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten;

  • 4.

    de te maken afspraken met de afdelingen over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen;

  • 5.

    het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten;

  • 6.

    het beleid en de interne regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van regelingen en eigendommen;

  • 7.

    het verzamelen en vastleggen van gegevens over de geleverde prestaties en de maatschappelijke effecten zodat de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid, zoals vastgesteld door de raad, kunnen worden getoetst.

Artikel 24 Beheersing en interne controle

  • 1.

    Het Dagelijks Bestuur is ten behoeve van het getrouwe beeld en de rechtmatigheid van de jaarrekening verantwoordelijk voor de periodieke interne controle van de getrouwheid van de informatieverstrekking, en de rechtmatigheid van de beheers handelingen. Bij afwijking neemt het Dagelijks Bestuur maatregelen tot herstel.

  • 2.

    Het Dagelijks Bestuur is verantwoordelijk voor de periodieke interne controle van de organisatieonderdelen op juistheid, volledigheid en tijdigheid van de bestuurlijke informatievoorziening, de rechtmatigheid van beheers handelingen.

Hoofdstuk 8 Slotbepalingen

Artikel 25 Hardheidsclausule

In niet voorziene situaties kan afgeweken worden van de richtlijnen in deze verordening. Het voorstel tot een afwijking wordt voorzien van argumenten en wordt vastgesteld door het algemeen bestuur.

Artikel 26 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met terugwerkende kracht per 1 januari 2025.

Artikel 27 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als “Financiële Verordening 2025 Omgevingsdienst IJsselland”.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van het Algemeen Bestuur van 22 januari 2026.

De voorzitter,       De secretaris-directeur,