Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR756123
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR756123/1
NOTA VENT- EN STANDPLAATSENBELEID GEMEENTE RENKUM
Geldend van 06-09-2000 t/m heden
Intitulé
NOTA VENT- EN STANDPLAATSENBELEID GEMEENTE RENKUMInhoudsopgave
1. Inleiding
2. Standplaatsenbeleid
2.1. Definiëring standplaatsen
2.2. Doelstelling van het beleid
2.3. Motieven
3. Het wettelijk kader van het standplaatsenbeleid
3.1. De Gemeentewet
3.1.1. Art. 108, eerste lid, van de Gemeentewet
3.1.2. Art. 149 van de Gemeentewet
3.1.3. Art. 151 van de Gemeentewet
3.2. De APV
3.2.1. Art. 5.2.3 APV
3.2.2. Art. 5.2.3, vierde lid, van de APV
3.3. De Wet milieubeheer
3.4. De Bouwverordening
3.5. Vestigingswet bedrijven
3.6. Winkeltijdenwet/ winkeltijdenverordening
3.7. Warenwet
3.8. Algemene wet bestuursrecht (Awb)
3.9. Jurisprudentie
4. Standplaatsenbeleid in de gemeente Renkum
4.1. Inleiding
4.2. Maximumstelsel
4.3. De indeling en aan- en afwijzing van de standplaatslocaties
4.3.1. De indeling van de standplaatslocaties
4.3.2. De aan- en afwijzing van standplaatslocaties
5. De uitvoering van het standplaatsenbeleid in onze gemeente
5.1. De beoordeling en afhandeling van de vergunningaanvraag
5.2. Standaardformulier voor aanvragen vergunning
5.3. Vergunningvoorwaarden
5.4. De controle op naleving en handhaving standplaatsvergunningen
6. Tarieven voor standplaatsen op gemeentegrond
7. Ventvergunningen
7.1. Weigeringsgronden
7.2. Voorwaarden te verbinden aan de ventvergunning
8. Uitstallingen door de sedentaire handel
9. Rechtsbescherming
10. Mandaat
11. Resumé
12. Besluitvorming
BIJLAGEN:
1. Artikel 5.2.2 (venten e.d.) en artikel 5.2.3. (Standplaatsen; uitstallingen op de weg) van de APV.
2. Overzicht weigeringsgronden.
3. Scoreformulieren st2ndplaatsenbeleid gemeente Renkum 1998.
4. Model aanvraagformulier standplaatsvergunning.
5. Verslagen bijeenkomst 7 juli 1998.
Nota Vent- en standplaatsenbeleid Gemeente Renkum 2000
1. Inleiding.
Begin 1998 is er een startnotitie verschenen om het huidige standplaatsenbeleid zoals vastgelegd in de uit 1990 stammende nota "Beleid met betrekking tot standplaatsen" te wijzigen.
Op 27 februari 1998 hebben burgemeester en wethouders ingestemd met deze startnotitie waarin wordt aangedrongen op een stelselmatige herziening van het vigerende standplaatsenbeleid aan de hand van de in de startnotitie aangegeven hoofdlijnen.
In deze startnotitie is aangegeven dat een stelsel, waarbij maximering qua branche, plaats, aantal, dag en tijdstip plaatsvindt, in onze gemeente in beginsel de voorkeur geniet.
In haar vergadering van 16 april 1998 heeft ook de raadscommissie Bestuur ingestemd met de uitgangspunten zoals verwoord in de start- notitie.
In hoofdlijnen is daarbij het volgende aangegeven:
- 1.
vaststellen van de standplaatslocaties;
- 2.
invoering van een maximumstelsel;
- 3.
handhaving van het ambulante karakter van de handel middels standplaatsvergunningen;
- 4.
terughoudendheid bij de invulling van de (schaarse) openbare ruimte.
In vervolg op deze startnotitie treft u hierbij de `Nota vent- en standplaatsenbeleid gemeente Renkum' aan. Gelet op het ontbreken van enige beleidsregels ten aanzien van het verstrekken van ventvergunningen is besloten in deze nota tevens algemene regels te stellen ten aanzien van het ventvergunningenbeleid.
2. Standplaatsenbeleid.
2.1. Definiëring standplaatsen.
Onder standplaats verstaan we het vanuit een kraam, tent of vanuit een verrijd- of verplaatsbare verkoopwagen op een (markt)terrein of aan de openbare weg ter uitoefening van de straathandel (de ambulante detailhandel) te koop aanbieden en/of verkopen van producten, waarvoor een ontheffing of (vent)vergunning is verleend.
2.2. Doelstelling van het beleid.
Het beleid met betrekking tot de afgifte van standplaatsvergunningen is in hoofdzaak gericht op een rechtvaardige verdeling van de standplaatsen. De behartiging van dit belang dient de openbare orde. Om een rechtvaardige verdeling te bewerkstelligen, is gekozen voor een wachtlijst en de verplichting tot persoonlijke plaatsbezetting. Artikel 1.5 van de APV biedt hiervoor een voldoende juridische basis. Op grond van artikel 1.5 van de APV zijn vergunningen en ontheffingen persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.
Ook vent- en standplaatsvergunningen kunnen als persoonlijke vergunningen worden beschouwd. Dit hangt samen zowel met het — persoonlijke — karakter van de ambulante handel als met de omstandigheden dat het aantal aanvragen om vergunning het aantal te verlenen vergunningen veelal overtreft, hetgeen het bestuur noodzaakt een restrictief beleid te voeren. Het zou onredelijk zijn als een standplaats- of ventvergunning zonder meer kan worden overgedragen aan een andere terwijl een groot aantal aanvragers op de wachtlijst staat.
Een weigering van een standplaatsvergunning is een inbreuk op de vrijheid van burgers om economische activiteiten te ontplooien zodat een goede onderbouwing noodzakelijk is. De gemeente moet daarbij aantonen dat het publieke belang opweegt tegen de belangen van de aanvragers.
2.3. Motieven.
Het standplaatsenbeleid heeft twee kanten: de rechtmatigheid en de doelmatigheid van het vergunningenbeleid.
De rechtmatigheid van het vergunningenbeleid ziet op de bevoegdheid en verplichtingen van het betrokken bestuursorgaan. Onderstaand wordt de publiekrechtelijke kant van het beleid afzonderlijk in beeld gebracht.
De doelmatigheid ziet op de effectiviteit van het vergunningenbeleid. Die effectiviteit wordt gevonden in een doeltreffend in onze gemeente te voeren maximumstelsel. De randvoorwaarden en inhoud van het maximumstelsel worden onderstaand uitvoerig uiteengezet.
Het onderscheid tussen rechtmatigheid en doelmatigheid is van belang inzake de complexe problematiek van het standplaatsenbeleid. De op het standplaatsenbeleid van toepassing zijnde kernregeling, de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), verschaft het college ter zake van het standplaatsenbeleid immers een grote mate vrijheid tot belangenafweging.
Naast deze in de APV genoemde belangen spelen nog enkele andere belangen een rol. Te noemen zijn: een evenwichtige verhouding tussen sedentaire en ambulante handel, een duidelijk onderscheid tussen deze twee ambulante handelsvormen, de markt en de standplaatsen, en een duidelijk onderscheid tussen tijdelijke en vaste vergunningen. Al deze belangen zijn bij deze nota en het opstellen van bijgaande beleidsregeling betrokken. Vastgesteld kan worden dat de beoordelingsruimte groot is. Vele aspecten kunnen daarbij betrokken worden.
3. Het wettelijk kader van het standplaatsenbeleid
3.1. De Gemeentewet.
3.1.1Art. 108, eerste lid, van de Gemeentewet.
Ingevolge dit artikel wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur inzake de huishouding van de gemeente aan het gemeentebestuur overgelaten.
3.1.2Art. 149 van de Gemeentewet.
Conform dit artikel maakt de raad verordeningen die hij in het belang van de gemeente nodig oordeelt. De ambulante handel en het beleid te dien aanzien mogen tot de huishouding van de gemeente gerekend worden. De raad heeft middels de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) voor Renkum bepalingen vastgesteld o.a. ten aanzien van straathandel.
3.1.3Art. 151 van de Gemeentewet.
Dit artikel kent het verbod tot marktvorming. Dit wordt door de rechter aangemerkt als een belang van openbare orde. Slechts de raad kan besluiten tot het instellen van een markt.
Een markt is te omschrijven als een aantal standplaatsen op dezelfde locatie in de openbare ruimte van waaruit goederen te koop worden aangeboden. In onze gemeente zijn dat de weekmarkten in Renkum en Oosterbeek.
Voor het vaststellen van regels ten aanzien van markten geldt de aparte bepaling van artikel 151 van de Gemeentewet. Op basis van dit artikel is door de gemeenteraad de Marktverordening vastgesteld.
3.2 De APV.
Hierin is de publiekrechtelijke standplaatsvergurming geregeld. De weigeringsgronden zijn limitatief opgesomd in artikel 5.2.3. Een weigering op andere gronden bijvoorbeeld aan de hoogste bieder van de pachtsom of aan degene die een privaatrechtelijke overeenkomst heeft gesloten is niet geoorloofd. De bescherming van het privaatrechtelijk gemeentelijk eigendom hoort daar evenmin toe. Het financieel belang valt hier in beginsel wel onder, maar moet wel te herleiden zijn tot een van de weigeringsgronden.
3.2.1Art. 5.2.3 APV.
In dit artikel is het verbod om standplaats in te nemen opgenomen. De APV is de hoeksteen van het door het college van burgemeester en wethouders te voeren beleid. De APV kent zes gronden om standplaatsvergunningen te weigeren. Het gaat om de te waarborgen openbare belangen. In de APV staat de openbare orde centraal. Dit belang speelt in het standplaatsenbeleid een hoofdrol. De weigeringsgronden zijn ruim geformuleerd en de regeling is opgenomen in het hoofdstuk "Huishouding der gemeente".
De bevoegdheid om standplaatsvergunningen te verlenen berust bij het college. Ingevolge artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het college de uitoefening van deze bevoegdheid regelen door beleidsregels vast te stellen. De beleidsregels kunnen ingevolge het vierde lid van artikel 1:3 Awb betrekking hebben op de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften. Beleidsregels zijn, kortom, regels die de manier aangeven waarop het college met haar bevoegdheid omgaat.
Artikel 5.2.3. APV vermeldt de volgende weigeringsgronden:
- a.
de openbare orde;
- b.
het voorkomen of beperken van de overlast;
- c.
de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;
- d.
de verkeersvrijheid of -veiligheid;
- e.
het in gevaar komen van een redelijk verzorgingsniveau voor de consument;
- f.
vanwege strijd met een geldende bestemmingsplan.
Wanneer men zonder nadere motivering een van deze gronden hanteert, wordt dat beroep niet geaccepteerd. Bestaande jurisprudentie wijst uit, dat hier een beleidsplan aan ten grondslag moet liggen, waarbij objectieve, algemeen bekendgemaakte criteria een rol spelen.
Ad. a. Openbare orde.
De eerste weigeringsgrond dien in artikel 5.2.3, zesde lid, is geformuleerd heeft betrekking op de openbare orde. Deze weigeringsgrond sluit nauw aan bij de weigeringsgrond zoals opgenomen in artikel 5.2.3, zesde lid, sub. b, het beperken en voorkomen van overlast. Ook wordt deze weigeringsgrond dikwijls gehanteerd in combinatie met de weigeringsgrond "belang van de verkeersvrijheid of veiligheid".
Standplaatsen waar goederen te koop aangeboden worden hebben in de praktijk een verkeersaantrekkend karakter. Door deze verkeersaantrekkende werking ontstaat mogelijk ongewenste oversteekbewegingen van voetgangers en ontoelaatbaar rijwielverkeer in voetgangersgebieden. Ook geparkeerde auto's kunnen overlast in de omgeving veroorzaken. Ik het belang van de verkeersveiligheid is het daarom niet mogelijk overal een standplaats in te nemen.
Uit de jurisprudentie blijkt dat beperking van het aantal te verstrekken vergunningen in het belang van de openbare orde is toegestaan.
Ad. b. Het voorkomen en beperken van overlast.
De tweede weigeringsgrond die in artikel 5.2.3, zesde lid, is opgenomen betreft de beperking van overlast. Bij het hanteren van de weigeringsgrond "overlast" kan een verdeling gerealiseerd worden van het aantal standplaatsen, waarbij de af te geven vergunning zodanig over de week verspreid worden, dat een concentratie van de in te nemen standplaatsen wordt tegengegaan. Deze weigeringsgrond kan ook gebruik worden wanneer veel belangstelling voor dezelfde locatie ontstaat. Een ruim aantal standplaatsen op één plek doet ook de kans op feitelijke marktvorming ontstaan.
Het voorkomen en/of beperken van overlast wordt ook getoetst aan het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer. Hoewel strikt formeel het Besluit niet in alle gevallen van toepassing zal zijn, is het toch raadzaam de voorschriften uit het Besluit, analoog redenerend, te gebruiken voor de toetsing van aanvragen voor een standplaatsvergunning.
Daarnaast moeten onder andere patatverkopers, visverkopers en loempiaverkopers, op grond van de Wet milieubeheer, een melding doen bij het college van burgemeester en wethouders en de inspecteur van het staatstoezicht op de volksgezondheid. Gelet op artikel 5.2.3 van de APV (m.n. de leden 5 en 7), ware het zinvol om van de aanvrager te verlangen dat hij bij de aanvraag voor een standplaatsvergunning een kopie van de akkoordverklaring van de melding voegt.
Ad. c. De bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving.
Deze weigeringsgrond kan gehanteerd worden indien een of meer standplaatsen worden ingenomen op een zodanige plaats dat het straatbeeld ernstig verstoord wordt.
In de gemeente Renkum zijn nogal wat historische gebouwen te vinden. Bij de beoordeling wordt kritisch op het punt van het uiterlijk aanzien getoetst. Bij deze toetsing zal met name gelet worden op de verstoring van het straatbeeld en het aanzien van monumentale gebouwen
Ad. d. De verkeersvrijheid of- veiligheid.
Standplaatsen waar goederen te koop worden aangeboden hebben in de praktijk een verkeers-aantrekkend karakter. Door deze verkeersaantrekkende werking ontstaan mogelijk ongewenste oversteekbewegingen door voetgangers. Ook parkerende en geparkeerde auto's kunnen overlast in de omgeving veroorzaken. Iedere standplaats zal dan ook kritisch moeten worden getoetst op verkeersveiligheid/-vrijheid. Aan een eventuele weigering zal een (politie)rapportage ten grondslag moeten liggen, waarin wordt aangegeven, welke gevolgen het innemen van een standplaats zal hebben voor de verkeersvrijheid of -veiligheid. Met name zal kritisch worden bezien of er genoeg parkeergelegenheid aanwezig is.
Ad. e. Het in gevaar komen van het verzorgingsniveau.
Uitspraken van de rechter hebben aangetoond dat er niet snel sprake is van de in de APV omschreven bijzondere omstandigheden. In zo'n geval zal het gemeentebestuur met een gedegen deskundig en recent rapport aan moeten tonen dat de verleende vergunning de doodsteek is voor de marginaal draaiende laatste buurtwinkel in een kern. Hierbij zij nog opgemerkt dat het geen taak van het gemeentebestuur wordt geacht om rechtstreeks in te grijpen in concurrentieverhoudingen. Anders gezegd: gezonde concurrentie moet kunnen.
De situatie in Renkum is (gelukkig) niet dusdanig dat op grond van bijzondere omstandigheden een vergunning kan worden geweigerd.
Ad. f. Strijd met het bestemmingsplan.
De relevante bestemmingsplannen binnen de bebouwde kommen bestemmen de voor een standplaats geschikte locaties voor "Verkeersvoorzieningen". Het innemen van een (vaste) standplaats is in strijd met deze bestemming. Dat betekent dat in alle gevallen de aanvraag om een standplaats zou kunnen worden geweigerd.
Een aanvraag om een standplaats, die in strijd is met de gebruiksvoorschriften van een bestemmingsplan, wordt eerst beoordeeld op grond van de overige in het zesde lid van artikel 5.2.3 APV opgenomen criteria. Pas indien deze criteria geen aanleiding geven om de vergunning te weigeren, wordt de aanvraag opgevat als mede een verzoek om vrijstelling van de gebruiksvoorschriften van het bestemmingsplan.
3.2.2Art. 5.2.3, vierde lid, van de APV.
Dit artikellid geeft aan dat er geen aparte standplaatsvergunning benodigd is in geval van een door de raad ingestelde markt. Degene die op een door de gemeente ingestelde markt een standplaats wil innemen zal zich moeten houden aan de regels zoals die in de marktverordening zijn vastgelegd. Voor het innemen van een standplaats op een bepaald evenement is eveneens geen vergunning krachtens artikel 5.2.3 nodig. Op het evenement is dan een afzonderlijk regime (artikel 5.2.4) van toepassing, waarbij de bepalingen met betrekking tot het innemen van een standplaats niet van toepassing zijn.
3.3. De Wet milieubeheer.
In de Wet milieubeheer wordt een regeling getroffen ten aanzien van inrichtingen die hinder of overlast kunnen veroorzaken voor de omgeving. Deze bepalingen gelden ook voor standplaatshouders. Van belang is de regelgeving die geldt voor bijvoorbeeld patatverkopers, die voor wat betreft de frituurinrichting aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen.
Van belang in deze is voorts artikel 5.2.3 lid 7, APV dat bepaalt dat burgemeester en wethouders de beslissing op een aanvraag voor een standplaatsvergunning aanhouden, indien de aanvraag tevens een milieuwetplichtige activiteit betreft, tot de dag waarop de beslissing over de milieuaanvraag is genomen.
3.4. De Bouwverordening
In de Bouwverordening en in het Bouwbesluit zijn veiligheidsvoorschriften vastgesteld. Daarin liggen o.a. de eisen vast inzake brandveilig gebruik.
3.5. Vestigingswet bedrijven
Met ingang van 1 januari 1996 is er een vernieuwd systeem van vestigingswetgeving gaan gelden. Op grond van de herziene Vestigingswet is voor de ambulante handel (waaronder standplaatsen) het Diploma Algemene Ondernemersvaardigheden, dan wel een daarmee gelijkgesteld diploma vereist. De Kamer van koophandel heeft een volledige lijst van diploma's die gelijkgesteld zijn aan het Diploma Algemene Ondernemersvaardigheden.
De eisen op grond van de Vestigingswet gelden naast de voorschriften die door burgemeester en wethouders gesteld kunnen worden op basis van een standplaatsvergunning.
Bij de aanvraag dient de aanvrager zijn inschrijving bij de Kamer van Koophandel overleggen alsmede de registratiekaart uitgegeven door het Centraal Registratiekantoor Detailhandel-Ambacht.
3.6. Winkeltijdenwet/winkeltijdenverordening
De bepalingen van de Winkeltijdenwet- en Verordening winkeltijden gemeente Renkum gelden ook voor verkoop van goederen vanaf een standplaats. Met name de bepalingen met betrekking tot de dagen en uren waarop geen handel mag worden bedreven zijn hier van belang. Bij de beoordeling van een aanvraag om een standplaatsvergunning zal acht worden geslagen op de bepalingen uit de Winkeltijdenwet en Verordening winkeltijden gemeente Renkum. Indien nodig wordt contact opgeno¬men met de aanvrager.
3.7. Warenwet
Op het drijven van handel in waren zoals bedoeld in artikel 1 van de Warenwet (eetwaren, waaronder tevens worden begrepen kauwpreparaten, andere dan tabak, en drinkwaren, alsmede andere roerende zaken) zijn de bepalingen uit de Warenwet van toepassing. De Warenwet geldt dus ook voor het drijven van handel vanaf een standplaats. De Warenwet stelt regels met betrekking tot de goede hoedanigheid en aanduiding van de uitgestalde waren. Ook kunnen regels betreffende hygiëne en degelijkheid van toepassing zijn. De voorschriften die uit de Warenwet voortvloeien gelden naast de voorschriften die door burgemeester en wethouders gesteld kunnen worden op basis van een standplaatsvergunning.
3.8. Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Algemene wet bestuursrecht biedt belanghebbenden (bijvoorbeeld de omwonenden) de mogelijkheid om tegen het verlenen van een standplaatsvergunning beroep in te stellen bij een administratieve rechter. Voordat een belanghebbende beroep bij een administratieve rechter in kan stellen dient hij eerst - binnen zes weken na het verlenen van de vergunning - bezwaar te maken bij het bestuursorgaan (college van burgemeester en wethouders) dat de vergunning heeft verleend. Het vermelden van de bezwaarmogelijkheid wordt verplicht gesteld in artikel 3:45 van de Algemene wet bestuursrecht.
Er zij op gewezen dat wanneer van de standplaatsvergunning gebruik wordt gemaakt voordat de vergunning onherroepelijk is, de vergunninghouder op eigen risico van de vergunning gebruik maakt. Een hiertoe strekkende passage dient in de vergunning te worden opgenomen.
Indien de standplaatsvergunning wordt geweigerd of indien aan de vergunning voorschriften worden verbonden waar de aanvrager het niet mee eens is, is de aanvrager zelf belanghebbende en kan zodoende dus bezwaar maken en eventueel beroep instellen.
3.9. Jurisprudentie.
De jurisprudentie op het vlak van de ambulante handel is overvloedig. Het verdient aanbeveling ontwikkelingen op het vlak van de jurisprudentie op de afdeling Bestuursondersteuning (AJZ) te verzamelen en te bundelen, zodat ook actuele rechtspraak voorhanden is.
4. Standplaatsenbeleid in de gemeente Renkum
4.1. inleiding
In deze notitie wordt een onderscheid gemaakt tussen standplaatslocaties, standplaatsen (wagens/ kramen, e.d.) en standplaatsvergunningen.
Een standplaatslocatie is een plaats aan de openbare weg waar standplaats kan worden ingenomen. Een standplaatslocatie kan achtereenvolgend door verschillende vergunninghouders worden ingenomen. Zo is het mogelijk dat een aangewezen standplaatslocatie op donderdag wordt ingenomen door een vishandelaar, op vrijdagochtend door een zuivelhandelaar en op vrijdagmiddag/-avond door een bloemenhandelaar.
Duidelijk zal zijn dat een aangewezen standplaatslocatie iets anders is dan de standplaats, zijnde de wagen of kraam waarmee de ambulante handel in feite wordt uitgeoefend, en de standplaatsvergunning (inclusief de te stellen voorschriften), die aan afzonderlijke personen wordt verstrekt voor het innemen van de standplaatslocatie m.b.v. de standplaats.
Ten aanzien van de ambulante handel dient te worden opgemerkt, dat deze thans onder sterke druk staat. De omzetten van de individuele ondernemers lopen terug. Dit leidt er o.a. toe dat diverse kooplieden extra verkooppunten zoeken. Gemeenten hebben dan ook te maken met een toename van het aantal aanvragen voor een markt-, vent en/of standplaatsvergunningen. Een goed beleid is derhalve noodzakelijk om te voorkomen dat deze aanvragen moeten worden gehonoreerd. Een dilemma is dat hoe meer vergunningen er worden verleend, hoe dunner de spoeling wordt en hoe slechter het gaat (ontstaan neerwaartse spiraal).
De marken in Oosterbeek en Renkum staan momenteel onder druk en de marktkooplieden en de detaillisten ondervinden veel concurrentie van de standplaatsen die er binnen onze gemeente zijn. Die concurrentie betreft hoofdzakelijk de food-branche, juist de branche die de drager is van de markten in onze gemeente. Belangrijk gegeven hierbij is dat de Renkumse markt uitsluitend bestaansrecht heeft op basis van de aantrekkingskracht van de kooplieden in de food-sector. Wanneer hierin gaten ontstaan — mede veroorzaakt door de uitgifte van veel vent- en standplaatsvergunningen — zou het bestaansrecht van deze markt wel eens in gevaar kunnen komen. Ook in Oosterbeek speelt dit probleem, zij het in mindere mate.
Op de achtergrond spelen ook de plannen van een aantal initiatiefnemers in Arnhem. Zij willen medio 2000 een zwarte markt openen in een hiervoor geschikt gemaakte steenfabriek in `Meinderswijk'. Deze markt zal volgens deze plannen zes dagen per week geopend zijn. Wanneer dit doorgaat zal dit negatieve invloed hebben op de toekomst van de Oosterbeekse weekmarkt.
Omdat het beleid van de gemeente Renkum er op is gericht om de twee weekmarkten binnen de gemeente in stand te houden zal er ten aanzien van het aantal verkoopactiviteiten middels het venten en het innemen van standplaatsen binnen onze gemeente een restrictief beleid gevoerd moeten worden. Het ongelimiteerd toelaten van venters en standplaatshouders brengt het voorbestaan van deze twee weekmarkten in gevaar, omdat daardoor de omzetten van de marktlieden teruglopen, waardoor marktlieden wegblijven, en de weekmarkt te Renkum en Oosterbeek kleiner, minder gevarieerd en dus minder aantrekkelijk worden. Met als gevolg dat ook de kopers wegblijven en er een neergaande spiraal ontstaat.
Speciale aandacht dient er te worden besteed aan de aanwezigheid van "standplaatsen met een permanent karakter".
Binnen de gemeente bestaan er thans twee van dergelijke standplaatsen die een permanent karakter hebben en derhalve door hun constructie perceel- en plaatsgebonden zijn. Deze bouwwerken zijn naar hun aard bouwvergunningplichtig. Daar echter deze bouwwerken zijn opgericht in strijd met de fingerende bestemmingsplannen kunnen hiervoor geen bouwvergunningen worden verleend. Voor deze gevallen geldt dat er een uitsterfbeleid wordt toegepast. Uitbreiding van de standplaats of een afwijking in de afmetingen van de huidige standplaats kunnen niet worden toegestaan. Bij verkoop aan een derde zal deze derde niet meer in aanmerking komen voor een standplaatsvergunning.
Verzoeken tot het verkrijgen van een vergunning voor een vaste standplaats worden afgewezen. De aanvrager zal verwezen worden naar de afdeling BWM voor het aanvragen van een bouwvergunning. Het standplaatsenbeleid moet betrekking hebben op de "pure"ambulante handel, waarbij de vergunninghouder zijn verkoopwagen na de dagelijkse verkoop van de standplaats verwijdert. In het kader van de handhaving zal hier nauwlettend op toegezien moeten worden.
4.2. Maximumstelsel.
De eis van doelmatigheid stelt in zijn algemeenheid aan het beleid bepaalde eisen of randvoorwaarden: Het beleid:
- a.
eerbiedigt oude rechten: het aansluiten van nieuw en oud beleid;
- b.
biedt een lange termijn oplossing: het is ten minste gedurende een periode van 5 jaren levensvatbaar. Hierdoor wordt ook een groeibeleid en/of uitsterfbeleid mogelijk (bijvoorbeeld in geval van wijziging van bestemmingsplannen of gebiedsuitbreiding);
- c.
is eenvoudig uitvoerbaar: het maximumstelsel is eenvoudig, er wordt een beperkt aantal vast locaties aangewezen (inclusief zogenaamde standplaatsvrije zones);
Daarnaast geldt voor het standplaatsenbeleid het volgende. Een doelmatig beleid wordt gevoerd, indien de weigeringsgronden worden ingevuld en afgestemd op de plaatselijke omstandigheden in de gemeente. Deze invulling betreft het zogenoemde maximumstelsel.
De rechtspraak heeft uitgemaakt, dat een maximumstelsel gevoerd mag worden. De rechter gebruikt de volgende sleutelredenering: aangezien er door het bestuursorgaan vanzelfsprekend niet een onbepaald groot aantal vergunningen afgegeven kan worden, is een bepaalde maximering toegestaan.
Via zo'n maximumstelsel kunnen aan de vergunning beperkingen worden gesteld qua aantal, branche, dag en tijd. Daaruit volgt dat er bepaalde vaste locaties aangewezen dienen te worden, terwijl aan de standplaats verdere beperkingen worden gesteld qua plaats, branche, tijd, en dag. Opdat het maximumstelsel niet te strikt wordt ingevuld, stelt de rechter daaraan een aantal eisen
Het maximumstelsel:
- a.
is getalsmatig volledig benut;
- b.
berust op de weigeringsgronden;
- c.
heeft de openbare orde als centraal element;
- d.
is gebaseerd op een rapportage omtrent de weigeringsgronden.
Geconcludeerd wordt dat een krachtig standplaatsenbeleid, onder de gegeven eisen en randvoorwaarden, alle juridische en bestuurlijke mogelijkheden van het maximumstelsel optimaal zal benutten. Bijgevoegd is een uitgebreid overzicht, met daarin alle elementen van het beleid en de onderdelen daarvan.
Economische en concurrentiemotieven bij vergunningverlening.
Volgens vast jurisprudentie van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State is het weigeren van een standplaatsvergunning op door de sedentaire handel aangedragen klachten op grond van economische en concurrentiemotieven in strijd met de Vestigingswet Bedrijven 1954, die uitgaat van het beginsel van vrije vestiging en product. Een standplaatsvergunning kan volgens deze jurisprudentie wel worden geweigerd, indien bij verlening het gevaar bestaat, dat in de concurrentieslag de gevestigde handel het tegen de standplaatshouder moet afleggen en daardoor het voorzieningenniveau voor de consument beneden een aanvaardbaar peil zakt. Dit doet zich voor als door de vestiging van een standplaats een winkel verdwijnt en er in de omgeving geen vervangende gelegenheid is, die kan voldoen aan de vraag van de consument. De consument zou daardoor voortaan voor zijn inkopen zijn aangewezen op de ambulante handel. Die staat echter soms niet alle dagen op zijn standplaats, heeft een minder ruim aanbod aan verschillende producten en kan zich relatief gemakkelijk (zonder te veel kosten) verplaatsen naar een andere locatie in de omgeving. De ambulante handelaar biedt dan onvoldoende garantie voor handhaving van een aanvaardbaar voorzieningenniveau.
Voorts kan ter bescherming van de vestiging van een nieuw winkelcentrum een standplaatsvergunning worden geweigerd. Ook hierbij is het voorzieningenniveau voor de consument de doorslaggevende reden. Zij moeten voor hun behoefte zijn aangewezen op dit winkelcentrum en daardoor niet op (relatief) eenvoudige wijze kunnen uitwijken naar een nabij gelegen locatie.
Het waarborgen van een aanvaardbaar voorzieningenniveau voor de consument betreft een belang van openbare orde. In dat kader kan de gemeente regels stellen ter bescherming daarvan. De feitelijke situatie moet daartoe wel noodzaken
Gelet hierop kan het maximumstelsel niet gebruikt worden ter bescherming van de gevestigde handel. Dit zou in strijd zijn met de hierboven genoemde beginselen van de Vestigingswet Bedrijven 1954.
4.3. De indeling en aan- en afwijzing van de standplaatslocaties.
Door middel van het maken van onderscheid tussen de indeling en de aanwijzing van de standplaatslocaties kan het maximumstelsel compleet en consistent uitgewerkt worden.
4.3.1.De indeling van de standplaatslocaties
De indeling van de standplaatslocatie berust op het verbod tot marktvorming. Dit verbod ligt vast in artikel 151 van de Gemeentewet. Het verbod is erop gericht een tweede (of meerdere andere markten) te voorkomen. Door de wetgever/rechter kan niet bij voorbaat worden aangeven wannéér in concreto sprake is van een tweede markt. Dit hangt af van de plaatselijke omstandigheden. Hierdoor kan het verbod afgestemd worden op hetgeen in de gemeente Renkum mogelijk en wenselijk is. In elk geval komt een strikt onderscheid tussen de beide ambulante handelsvormen een evenwichtig beleid jegens beide handelsvormen ten goede.
Met behulp van het verbod kan nauwkeurig aangegeven worden:
- a.
waar, met welke aantal, anders dan op de markt, standplaats mag worden ingenomen;
- b.
en vooral hoe groot de standplaatsvrije ruimte dient te zijn, m.a.w. waar geen standplaats mag worden ingenomen.
Marktvorming:
Onder marktvorming verstaan we een verzameling van vier of meer verkooppunten ten behoeve van de ambulante handel, die onderling visueel samenhangen, en waarbij de onderlinge afstanden niet meer dan 50 meter bedragen.
In de gemeente Renkum bevinden zich enkele concentratiegebieden. Deze gebieden zijn met name te vinden bij het Drielse veer te Doorwerth en het Raadhuisplein te Oosterbeek. Deze gebieden zijn vanwege de grote bezoekersstroom van toeristen en dagjesmensen in de zomermaanden (Drielse veer) en vanwege het winkelende publiek (Raadhuisplein) aantrekkelijk voor standplaatshouders. Bijkomend probleem voor de standplaatslocatie bij het Drielse veer te Doorwerth is dat ook (ijs-) venters zich op dan wel in de nabij omgeving van deze locatie ophouden. Met betrekking tot de ingekomen klachten die hierover de afgelopen twee jaren zijn ontvangen, leert dat deze zich met name toespitsen op overlast vanwege de onderlinge concurrentie.
Inventarisatie:
Hieronder treft u een overzicht aan van het per branche uitgegeven aantal vent- en standplaatsen over het jaar 1999.
|
Branche: |
Standplaatsvergunningen |
Ventvergunningen |
|
Bloemen en planten |
2 |
2 |
|
Aardappelen, groente & fruit |
1 |
6 |
|
Haring, vis & visproducten |
5 |
0 |
|
Patates-frites & snacks |
4 |
0 |
|
Consumptie-ijs |
2 |
5 |
|
Brood & banket |
3 |
0 |
|
Kaas & zuivelproducten |
2 |
1 |
|
Totaal: |
19 |
14 |
In het hierboven vermelde overzicht zijn niet de branches oliebollen en kernbomen opgenomen. De verkoop van vorengenoemde artikelen heeft jaarlijks plaats in de periode van 1 oktober tot en met 31 december respectievelijk 6 december tot en met 24 december.
Toelichting nieuwe locaties:
Bij de nieuwe locaties zijn slechts die locaties bekeken, die zijn gelegen aan min of meer doorgaande routes en/of wijkontsluitingswegen. Standplaatsen elders scoren bij voorbaat sterk negatief op de toetsingscriteria met betrekking tot de openbare orde en verkeersveiligheid, en wellicht ook t.a.v. welstand. Bovendien zullen deze plaatsen niet aantrekkelijk zijn voor de handel vanwege de geringere attentiewaarde en het daardoor beperktere handelsdraagvlak. Vanwege mogelijke schade aan gemeentelijk eigendom is voorts afgezien van de beoordeling van locaties, die (volledig) gelegen zijn op gemeentegroen.
Op locatiekaarten zullen alle locaties nader worden aangegeven, met vermelding van de juiste situering van de standplaats. Deze locatiekaarten zullen bij de vergunning worden gevoegd zodat duidelijkheid bestaat voor de standplaatshouder waar hij exact zijn standplaats mag innemen.
De volgende locaties zijn beoordeeld:
RENKUM-HEELSUM
Bestaande locaties:
- 1.
Dorpsplein;
- 2.
Hogenkampseweg/Reymerweg;
- 3.
Bennekomseweg/Telefoonweg;
- 4.
Van Riessenstraat;
- 5.
Nieuwe Keijenbergseweg/Bennekomseweg;
- 6.
Telefoonweg;
- 7.
Kamperdijklaan.
Nieuwe locaties:
- 1.
Tennispark Bakkershaag;
- 2.
Europalaan;
- 3.
Wilhelmina sportpark.
DOORWERTH/HEVEADORP
Bestaande locaties:
- 1.
Johanniterweg;
- 2.
Johanniterweg/Bentinciclaan;
- 3.
Beeklaan;
- 4.
Drielse veer
Nieuwe locaties:
- 1.
Sportpark De Waayenberg;
- 2.
Mozartlaan/Beethovenlaan;
- 3.
Sporthal Doorwerth;
OOSTERBEEK
Bestaande locaties:
- 1.
Raadhuisplein;
- 2.
Idem;
- 3.
Station Oosterbeek;
- 4.
Plein 46.
Nieuwe locaties:
- 1.
Sportpark De Bilderberg;
- 2.
Sportpark Hartenstein;
- 3.
Utrechtseweg/Talsmalaan;
- 4.
Weverstraat/Koningstraat (kiosk);
WOLFHEZE
Bestaande locaties:
- 1.
Van Mesdagweg/Wolfhezerweg;
- 2.
Parallelweg;
Nieuwe locaties:
- 1.
Sportpark Wolfheze;
- 2.
Wolfhezerweg;
- 3.
Parallelweg.
4.3.2.De aan- en afwijzing van standplaatslocaties.
Heeft de indeling van de standplaatsen op basis van het verbod tot marktvorming plaatsgevonden, dan kunnen op grond daarvan nieuwe locaties worden af- of aangewezen. De aan- /afwijzing geschiedt op basis van de tweede beoordelingsgrond van het beleid en de weigeringsgronden genoemd in art. 5.2.3. APV.
De aan-/afwijzing betreft het maximumstelsel op het punt van de maximering qua locatie, branche en aantal. Uitgaande van de even aangehaalde, door de rechtspraak gestelde eisen omtrent met name de weigeringsgronden, geschiedt de beleidsmatige aan- /afwijzing door middel van de volgende methode:
(a) een in- /aanvulling van de weigeringsgrond op de betrokken aspecten; (b) een toetsing van de weigeringsgrond door middel van een matrix; en een (c) rapportage omtrent de weigeringsgronden door politie, marktmeester, milieu en brandweer.
De toegepaste methoden zijn als afzonderlijk bijlagen bij deze notitie gevoegd.
Het voordeel van deze methode van invulling, toetsing en rapportage omtrent de weigeringsgronden treedt ook bij de beleidsuitvoering, de beoordeling en afhandeling van nieuwe verzoeken om een vergunning, aan de dag. Bij dergelijke nieuwe aanvragen kan op de uiteenlopende aspecten van de weigeringsronden, de beleidsmatige voortoets van af te wijzen locaties en de deskundigenrapportage een beroep gedaan worden. Zodoende behoeft niet steeds om advisering gevraagd te worden. Volstaan kan worden met een verwijzing naar het beleid.
Gekozen is voor de volgende werkwijze. Een aan- /afwijzing van locaties op basis van:
- 1.
een globale toetsing van de locaties met als conclusie: globaal gegrond (voorlopige aanwijzing) of globaal ongegrond (voorlopig afwijzing);
- 2.
een beoordeling van de locatie op basis van een specifieke toetsing van de locaties met als conclusie: specifiek gegrond (definitieve aanwijzing) of specifiek ongegrond (definitieve afwijzing).
De toetsing heeft tijdens twee overlegbijeenkomsten plaatsgevonden. Daarbij waren naast de vakgroep AJZ aanwezig: de politie, de afdeling grondzaken, milieu en de marktmeester.
ad. 1: Het eindoordeel omtrent de globale toetsing in:
|
RENKUM-HEELSUM |
|
|
GLOBAAL GEGROND |
GLOBAAL ONGEGROND |
|
Dorpsplein |
Telefoonweg |
|
Hogenkampseweg/Reymerweg |
Bennekomseweg/Telefoonweg |
|
Van Riessenstraat |
|
|
Kamperdijklaan |
|
|
Tennispark Bakkershaag |
|
|
Wilhelmina Sportpark |
|
|
Europalaan |
|
|
DOORWERTH HEVEADORP |
|
|
GLOBAAL GEGROND |
GLOBAAL ONGEGROND |
|
Beeklaan |
Johanniterweg |
|
Drielse veer |
Johanniterweg/Bentincklaan |
|
Sportpark de Waayenberg |
|
|
Mozartlaan/Beethovenlaan |
|
|
Sporthal Doorwerth |
|
|
OOSTERBEEK |
|
|
GLOBAAL GEGROND |
GLOBAAL ONGEGROND |
|
Raadhuisplein |
Station Oosterbeek |
|
Plein '46 |
|
|
Weverstraat/Koningstraat |
|
|
WOLFHEZE |
|
|
GLOBAAL GEGROND |
GLOBAAL ONGEGROND |
|
Van Mesdagweg/Wolfhezerweg |
|
|
Parallelweg |
|
|
Sportpark Wolfheze |
|
ad. 2: Wat betreft het eindoordeel omtrent de aanwijzing ter zake van de specifieke toetsing:
|
RENKUM-HEELSUM |
|
|
SPECIFIEK GEGROND |
SPECIFIEK ONGEGROND |
|
Dorpsplein |
Europalaan |
|
Hogenkampseweg/Reymerweg |
Wilhelmina Sportpark |
|
Van Riessenstraat |
Nieuwe Keijenbergseweg/Bennekomseweg |
|
Kamperdijklaan |
|
|
Tennispark Bakkershaag |
|
|
DOORWERTH-HEVEADORP |
|
|
SPECIFIEK GEGROND |
SPECIFIEK ONGEGROND |
|
Johanniterweg/Bentincklaan |
|
|
Beeklaan |
|
|
Drielse veer |
|
|
Sportpark de Waayenberg |
|
|
Mozartlaan/Beethovenlaan |
|
|
Sporthal Doorwerth |
|
|
OOSTERBEEK |
|
|
SPECIFIEK GEGROND |
SPECIFIEK ONGEGROND |
|
Raadhuisplein |
|
|
WOLFHEZE |
|
|
SPECIFIEK GEGROND |
SPECIFIEK ONGEGROND |
|
Van Mesdagweg/Wolfhezerweg |
|
|
Parallelweg |
|
|
Sportpark Wolfheze |
|
Omtrent vorenstaande toetsing merken wij ten aanzien van een aantal locaties het volgende op.
Bij de toetsing is een onderscheid gemaakt tussen de kernen (bebouwde kommen) en het buitengebied van onze gemeente. Daarbij is rekening gehouden met het feit dat in het buitengebied, voor een groot deel naast kwetsbare gebieden met grote natuurwaarden, ook beschermingswaardige monumentale plaatsen zijn gelegen. Daaruit volgt dat bij de inpassing van mobiele standplaatsinrichtingen in deze gebieden in beginsel een terughoudend standpunt ingenomen dient te worden. Dit standpunt wordt ondersteund door de afdeling Wijkbeheer, vakgroep Groen. De afdeling Wijkbeheer heeft te kennen gegeven een afschrift te willen ontvangen van alle aanvragen om standplaatsen, die betrekking hebben op het buitengebied.
Wat betreft het buitengebied wordt daarom voorgesteld inkomende aanvragen steeds van geval tot geval te beoordelen. Daarbij verdient de stand van zaken, zoals deze is neergelegd in het bestemmingsplan, uiteraard bijzondere aandacht. In dit kader is ook van belang dat overleg plaatsvindt met diverse natuurbeschermingsorganisaties, zoals Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten. Dit beleidsmatige vooroverleg is vooral nodig aangezien publiekrechtelijke toetsing en toestemming op grond van het eigendomsrecht twee verschillende zaken zijn. Bij slechte communicatie tussen de gemeente en de particuliere grondeigenaren kan zich de situatie voordoen, dat toestemming door de eigenaar wordt verleend, terwijl voor de standplaats op publiekrechtelijke gronden geen vergunning kan worden verleend. Ook de omgekeerde situatie komt voor. Bij de voorbereiding van het beleid heeft overleg plaatsgevonden met Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en Gelders Landschap. Inzet van dit overleg was te komen tot een gemeenschappelijk beleid ten aanzien van standplaatsen.
Daarmee wordt voorkomen dat in de relatie tussen aanvrager om standplaatsvergunning, gemeente en particuliere eigenaar-natuurbeschermingsorganisatie onduidelijkheden ontstaan.
Als beleidsregel is daarom te formuleren, dat bij aanvragen voor locaties, betrekking hebbende op het buitengebied, terugkoppeling plaatsvindt naar het gemeenschappelijk beleid tussen gemeente en natuurbeschermingsorganisaties.
Wij wijzen er verder op dat de aangewezen standplaatslocaties uit een oogpunt van verkoop de meest interessante plaatsen omvat. De locaties bevinden zich in de directe nabijheid van parkeerruimte en één of meer winkels (concentratie winkelend publiek). Door de locatiekeuze in de nabijheid van parkeerplaatsen wordt voorkomen dat door parkerende en geparkeerde auto's overlast in de omgeving wordt veroorzaakt. Door tevens te kiezen voor locaties die in de nabijheid van winkels zijn gelegen, wordt de "stroom" bezoekers van een standplaats opgenomen in het winkelend publiek. Hierdoor is er, voor zover er al sprake is van enige toename, uiteindelijk slechts sprake van een geringe toename van de overlast in de omgeving.
RENKUM/HEELSUM
Dorpstraat/Van Riessenstraat
Inventarisatie en toetsing.
Omtrent deze locaties heeft overleg plaatsgevonden met de afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling. In aansluiting op de visie ten aanzien van de herinrichting van de Dorpstraat is een regeling opgesteld die betrekking heeft op luifels, zonwering, reclame, uitstallingen en terrassen. Deze regeling dient als toetsingskader voor de welstandscommissie ('het Gelders Genootschap') wanneer zij burgemeester en wethouders adviseren omtrent bouwaanvragen en aanvragen m.b.t. reclame. Ook dient het als toetsingskader bij het verlenen van vergunningen, zoals een terrasvergunning of een vergunning voor uitstallingen. De herinrichting is medio 1999 volledig voltooid. Het verdient aanbeveling bij het verlenen van standplaatsvergunningen ten aanzien van deze locatie en uiterlijk aanzien van de standplaatswagen- kraam zoveel als mogelijk aansluiting te zoeken bij de door de afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling ontworpen en op 13 juli 1999 door uw college vastgestelde beleidsnotitie "Uitstallingen en terrassen Rijnpromenade Renkum".
Voorstel.
Locatie in beginsel aanwijzen met dien verstande dat de nadere vergunningverlening geschiedt in overeenstemming met het specifiek op deze locatie toegesneden beleid zoals vastgelegd in de beleidsnota "Uitstallingen en terrassen Rijnpromenade Renkum".
|
Aantal: |
Branche: |
Dag: |
Tijd: |
Situering: |
|
Twee |
Onbeperkt, indien mogelijk niet dezelfde branche |
Vrijdag en zaterdag |
Gehele dag |
Volgens situatie kaartje. |
Hogenkampseweg / Reijinerweg
Inventarisatie en toetsing
Het betreft hier een op het terrein van verkeersveiligheid en openbare orde een zeer gunstige locatie. Op deze locatie staat op de woensdag en de zaterdag een vishandel. Voorgesteld wordt deze situatie ongewijzigd in stand te laten.
|
Aantal: |
Branche: |
Dag: |
Tijd: |
Situering: |
|
Een |
Vishandel |
Woensdag en zaterdag |
Gehele dag |
Volgens situatie kaartje. |
Bennekomseweg /Telefoonweg
Inventarisatie en toetsing
Deze locatie is gunstig gelegen aan een verkeersplein. Het standplaatsenbeleid ziet uitsluitend op mobiele inrichtingen. Daarvan is hier geen sprake. Daarom dient op deze locatie als standplaatslocatie te worden afgewezen als zijnde globaal ongegrond.
Voor deze locatie is echter gedurende een lange periode vergunning verleend. Op grond hiervan wordt voorgesteld voor deze locatie een afzonderlijke oplossing te vinden, mogelijk in de vorm van een gedoogbeslissing, omdat het geldende bestemmingsplan ter plaatse geen enkele vorm van bebouwing toestaat.. Dit is met de huidige vergunninghouder besproken.
Voorstel.
Locatie afwijzen als zijnde globaal ongegrond. Overgangsrecht toepassen en vergunninghouder hierover informeren.
Bennekomseweg /Nieuwe Keijenbergseweg
Inventarisatie en toetsing.
Deze standplaats is gelegen in het buitengebied. Parkeer- of verkeersveiligheidsproblemen zijn hier niet aan de orde. Er is voldoende ruimte voor in- en uitrijden op en van de standplaats. Vanwege landschapsschoon en natuurwaarden speelt het uiterlijk aanzien een rol. De vraag is of ambulante handel hier, in het kwetsbare Beekdalgebied, toelaatbaar is.
Voorstel.
Locatie in beginsel afwijzen.
Telefoonweg/ Driegemeentepad
Inventarisatie en toetsing.
Er spelen hier problemen ten aanzien van de verkeersveiligheid vanwege de ligging aan een min of meer onoverzichtelijke bocht waar meerdere wegen samenkomen. De te dicht aan de weg gelegen standplaats leidt de aandacht af, met gevaarlijke situaties uit een oogpunt van verkeersveiligheid. Ongetwijfeld heeft deze locatie een, uit commercieel oogpunt, aantrekkelijke waarde. Maar de politie stelt vast dat deze standplaats om bovengenoemde redenen nooit verleend had mogen worden.
Bij het innemen van een standplaats op gemeentegrond, gesitueerd bij de zitbankjes, spelen deze aspecten minder. Echter de afmeting (m2) van de standplaatslocatie is beperkt.
Voorstel.
Deze locatie afwijzen als zijnde globaal ongegrond, zulks met dien verstande dat hierop het uitsterfbeleid wordt toegepast. Vanwege de nadelige gevolgen, die dit op langere termijn voor de standplaatshouder heeft, dient uit hoofde van zorgvuldig bestuur met de vergunninghouder bij brief contact opgenomen te worden.
Indien de standplaats wordt ingenomen op gemeentegrond, nabij de zitbankjes, is deze locatie geschikt.
|
Aantal: |
Branche: |
Dag: |
Tijd: |
Situering: |
|
Een |
Consumptie-ijs, snacks |
Maandag tot en met zondag |
Gehele dag |
Bij de zitbankjes, op gemeentegrond. Afmeting locatie (m2) beperkt. |
Europalaan
Inventarisatie en toetsing.
Deze standplaatslocatie is gelegen op de plaats waar de weekmarkt plaatsvindt. De markteconomische positie daarvan is niet florissant. De gemeente geeft de voorkeur aan handhaving van de weekmarkt in haar huidige vorm. Via het argument van het voorzieningenniveau als weigeringsgrond, kan men op basis van de openbare orde overwegen aan de weekmarkt voorrang te geven. Volledigheidshalve dient opgemerkt te worden dat indien de markt zou verdwijnen, of zou gaan floreerden, er bij een volgende beleidsronde, ruimte is voor een heroverweging.
Gelet op het tot nu toe gevoerde beleid bestaat er geen bezwaar om op deze locatie een standplaats toe te staan ten behoeve van de verkoop van een product welke geen directe invloed heeft op de weekmarkt, bijvoorbeeld het graveren van kentekens.
Voorstel.
Deze locatie afwijzen als zijnde specifiek ongegrond. Binnen een termijn van 5 jaar na vaststelling van
het beleid op basis van vorengenoemde gronden een heroverweging maken. Wel toestemming verlenen voor de verkoop van een product welke geen directe invloed heeft op de weekmarkt.
|
Aantal: |
Branche: |
Dag: |
Tijd: |
Situering: |
|
Een |
Geen concurrerend product voor de weekmarkt. Bijvoorbeeld kenteken graveren. |
Iedere dag van de week behalve op dinsdag. |
Gehele dag |
Zoals aangegeven op kaartje |
Kamperdijklaan
Inventarisatie en toetsing
Het betreft hier een gunstige locatie waar iedere vrijdag een vishandel staat.
Voorstel
Voorgesteld wordt deze situatie ongewijzigd te laten voortbestaan.
|
Aantal: |
Branche: |
Dag: |
Tijd: |
Situering: |
|
Een |
Vishandel |
Vrijdag |
Gehele dag |
Zoals aangegeven op kaartje |
Tennispark Bakkershaag
Inventarisatie en toetsing.
In verband met de eigendomskwestie rijst hier de vraag welk terrein men in aanmerking wil doen komen. In elk geval dient het te gaan om openbaar gebied. Ook als men aldaar een gemeentelijk terrein vindt, dient men vooraf te informeren naar het standpunt van de dichtstbijzijnde belanghebbende, zoals de exploitant van de bestaande horeca-inrichting.
Voorstel.
Deze locatie aanwijzen voor één standplaats.
|
Aantal: |
Branche: |
Dag: |
Tijd: |
Situering: |
|
Een |
Patates frites, snacks, consumptie-ijs. |
Maandag tot en met zondag |
Gehele dag |
Nader te bepalen |
DOORWERTH
Drielse veer
Inventarisatie en toetsing.
Op de locatie aan het Drielse Veer wordt reeds jaren standplaats ingenomen. Deze locatie is commercieel aantrekkelijk vanwege de aanwezigheid van de veerverbinding met regionaal toeristische betekenis.
Alle adviserende instanties waarderen deze locatie als positief. De opstelling van de kramen op het terrein behoeft echter enige aandacht. Geoordeeld wordt dat een situering van de kramen naar de achterkant van het terrein uit een oogpunt van vrije doorgang van het verkeer van voertuigen en voetgangers noodzakelijk is, zo niet sterk de voorkeur verdient. De politie en de marktmeester zeggen toe zich te zullen inspannen tot en medewerking te verlenen aan de verplaatsing van de kramen. Dit zal moeten gebeuren in goed overleg met de betrokken standplaatshouders. De verwachting is, dat dezen daaraan zonder meer hun medewerking zullen verlenen.
Tevens is de afspraak gemaakt dat het goede moment van deze verplaatsing de vaststelling van het nieuwe beleid is. Bij die gelegenheid zal de marktmeester alle standplaatshouders benaderen, kennismaken en informeren over het nieuwe beleid.
Gelet op twee uitspraken van de bestuursrechter van 18 augustus 1999 is onvoldoende gemotiveerd waarom op deze locatie `slechts' plaats is voor twee standplaatslocaties. Als gevolg van deze uitspraak zal gedurende het jaar 2000 meer standplaatsvergunningen verleend moeten worden dan de bestaande twee. Gelet evenwel op het gevaar van marktvorming geldt aldaar een maximum van 4 standplaatsen. Evaluatie eind 2000 zal moeten uitwijzen in hoeverre het mogelijk is het aantal standplaatsen weer terug te brengen naar het niveau van twee.
Voorstel.
Deze locatie in principe aanwijzen voor één standplaats ten behoeve van de verkoop van consumptie-ijs en een standplaats voor de verkoop van groenten en -fruit.
Gelet op een tweetal uitspraak van de bestuursrechter van 18 augustus 1999 in het jaar 2000 aanvragen honoreren tot een maximum van vier, gelet op het voorkomen van marktvorming. Evaluatie zal uit moeten wijzen of daarna het aantal te verlenen standplaatsvergunningen weer teruggebracht kan worden naar het niveau van twee.
|
Aantallen: |
Branche: |
Dag: |
Tijd: |
Situering: |
|
Twee |
Eén snacks/ consumptie-ijs en één aardappelen, groenten&fruit. |
Maandag tot en met zondag |
Gehele dag |
Zoals aangegeven op kaartje |
Johanniterweg / Bentincklaan
Inventarisatie en toetsing
Deze locatie is gunstig gelegen in Doorwerth en daarom commercieel aantrekkelijk. Het standplaatsenbeleid ziet uitsluitend op mobiele inrichtingen. Daarvan is hier geen sprake. Daarom dient deze locatie als standplaatslocatie in beginsel te worden afgewezen als zijnde globaal ongegrond. Aangezien voor deze locatie niettemin gedurende een zeer lange periode vergunning is verleend, wordt voorgesteld bij wijze van overgangsrecht, een uitsterfbeleid te voeren. Dit is met aanvrager besproken.
Naast de aanwezigheid hier van een `standplaats met een permanent karakter' is er op de parkeerplaats een geschikte locatie voor het innemen van een standplaats. In het bestaande beleid wordt deze locatie reeds voor de donderdag (kaas), vrijdag (brood) en de zaterdag (vis) ingevuld. Voorgesteld wordt deze situatie ongewijzigd te handhaven.
Voorstel.
Overgangsrecht toepassen voor de permanente standplaats. Op parkeerplaats door achter een standplaats voor donderdag t/m zaterdag.
|
Aantal: |
Branche: |
Dag: |
Tijd: |
Situering: |
|
Twee (waarvan er inmiddels één permanent wordt ingenomen. |
Zuivelproducten: Brood en banket: Vis en visproducten: |
Donderdag Vrijdag Zaterdag |
Gehele dag |
Zoals aangegeven op kaartje. |
OOSTERBEEK
Raadhuisplein
Inventarisatie en toetsing
Ook hier wordt, buiten de traditionele weekmarkt om, reeds vanouds standplaats ingenomen. Er zijn geen klachten ten aanzien van deze locatie, terwijl de advisering vanwege de marktmeester, politie, en brandweer onverdeeld gunstig is.
Voorstel
Locatie aanwijzen voor maximaal twee standplaatsen waarvan één met een meer permanent karakter en één standplaats voor allerlei ad-hoc activiteiten.
|
Aantal: |
Branche: |
Dag: |
Tijd: |
Situering: |
|
Twee |
Geen beperkingen. |
Alle dagen van de week met uitzondering van de donderdag. Ook dient rekening te worden gehouden met evenementen (kermissen, airborne, herdenking etc. |
Gehele dag |
Vanuit economisch oogpunt voorkeur voor situering nabij Albert Heijn en Blokker. |
Station Oosterbeek (noord- en zuidzijde)
Inventarisatie en toetsing
Op deze locatie wordt thans geen standplaats ingenomen. Deze locatie is betrokken bij het nieuw vast te stellen beleid. Het resultaat van de toetsing is ongunstig.
De standplaats aan de noordzijde heeft meerdere verkeersonveilige aspecten. Het uitzicht is beperkt, daar de spoorwegovergang op een helling is gesitueerd, terwijl de wachtenden bij de spoorwegovergang de het in-, en uitrijden van en naar de standplaats belemmeren. Ook de ruimte bij de standplaats is gering. Een minpunt is het keren op de smalle eenrichtingsweg van degenen die een consumptie hebben gekocht. Het terrein is vermoedelijk van de NS.
Ook de situatie aan de zuidzijde van het station Oosterbeek is ongunstig. De parkeerruimte aldaar is zeer beperkt. De verkeersveiligheid komt in het gedrang indien men de wagen aan de straat zou situeren en van daar uit verkoopactiviteiten plaats vinden.
Voorstel:
Afwijzen en standplaatslocatie globaal ongegrond verklaren.
Plein '46
Inventarisatie en toetsing.
Hier wordt standplaats ingenomen voor de verkoop van bloemen en planten. De mar (meester constateert dat ter plaatse, in strijd met de vergunning, een soort van 'drive-in' bloemverkoop plaatsvindt. Dit belemmert de doorstroming van het verkeer, geeft aanleiding tot verwarrende en/of gevaarlijke verkeerssituaties, en nodigt uit tot het maken van verkeersovertredingen. In zijn algemeenheid wordt de orde op de openbare weg hierdoor verstoord. De ligging van de standplaats is ronduit ongunstig. De verkeersbewegingen van en naar zijn niet door het stellen van voorschriften, gericht aan de standplaatshouder, te keren. Betrokken vergunninghouder is d.d. 2 juli 1998 omtrent de situatie gehoord.
Door middel van bij het beleid vast te stellen overgangsrecht wordt gekozen voor het voeren van uitsterfbeleid ten aanzien van deze locatie.
Voorstel.
Uitsterfbeleid toepassen voor de standplaats op deze locatie.
Sportpark De Bilderberg
Inventarisatie en toetsing.
Het betreft een nieuw vast te stellen locaties. Hier is een gemeentelijk kampeerterrein gevestigd, welke overigens op korte termijn geprivatiseerd zal gaan worden. Er is een parkeerplaats aanwezig, dat in eigendom van de gemeente is (en blijft).
Voorstel.
Deze locatie aanwijzen als alternatieve locatie.
|
Aantal: |
Branche: |
Dag: |
Tijd: |
Situering: |
|
Een. |
Geen beperkingen. |
Alle dagen van de week |
Gehele dag |
Op parkeerterrein. Bij concreet verzoek nog nader vast te stellen. |
Hoek Utrechtseweg/ Pietersbergseweg
Inventarisatie en toetsing.
Door onbekende oorzaak is deze locatie bij de inventarisatie en toetsing medio 1998 niet meegenomen.
Bij de afronding van deze nota is besloten deze locatie alsnog op te nemen als zijnde globaal gegrond Het betreft hier de locatie die voorheen werd ingenomen door de VVV. Het is een commercieel aantrekkelijk locatie gelet op het aantal verzoeken uit het verleden. Gelet op de aanwezigheid van voldoende parkeergelegenheid bestaat er vanuit verkeersvrijheid of —veiligheid geen bezwaren. Bij het schrijven van deze notitie wordt deze locatie echter nog bezet door een directiekeet in verband met de reconstructie van de Utrechtseweg. Als deze reconstructie medio 2000 zal zijn voltooid kan deze locatie worden uitgegeven als standplaats.
Voorstel:
Deze locatie aanwijzen als alternatieve locatie.
|
Aantal: |
Branche: |
Dag: |
Tijd: |
Situering: |
|
Een. |
Geen beperkingen. |
Alle dagen van de week |
Gehele dag |
Op plaats voormalig VVV-kantoor. |
Utrechtseweg/Tals m alaan
Inventarisatie en toetsing.
Het betreft niet de locatie voorheen ingenomen door de VVV, maar de andere zijde van het parkeerterrein, bij de kerk.
Er zijn geen parkeerproblemen en de situatie is niet verkeersonveilig.
Voorstel.
Deze locatie aanwijzen als alternatieve locatie.
|
Aantal: |
Branche: |
Dag: |
Tijd: |
Situering: |
|
Een. |
Geen beperkingen. |
Alle dagen van de week. |
Gehele dag. |
Nader te bepalen |
Weverstraat/Koningstraat
Inventarisatie en toetsing.
Gedacht is een standplaats te situeren, aan de straatzijde, op de plaats waar voorheen een kiosk gesitueerd was. Naar het oordeel van politie en marktmeester is deze locatie te krap bemeten voor het innemen van standplaats en het verrichten van verkoopactiviteiten. Situeert men de standplaats op de aanliggende parkeerplaats, dan ontstaat er een te grote druk op de parkeercapaciteit.
Een bijkomend effect is ook, dat er alsdan verwarrende en onoverzichtelijke situaties ontstaan, wat weer aanleiding geeft tot het maken verkeersovertredingen.
Meer in het algemeen kan deze situatie als volgt worden toelicht. Situeert men de standplaats niet op een parkeerplaats, maar aan de openbare weg, dan moet er op parkeerplaatsen dan wel op of aan de openbare weg ruimte gemaakt worden om de verkoopactiviteiten te laten plaatsvinden. Zou men de standplaats daarentegen op een parkeerplaats situeren, dan is nog meer parkeerruimte of voetgangersruimte benodigd. In elk geval moet men er rekening mee houden, dat er door een standplaats steeds veel meer en andere ruimte nodig is, dan in beslag genomen wordt door de kraam of wagen.
Voorstel.
Afwijzen met globale ongegrond verklaring van de standplaatslocatie.
WOLFHEZE
Van Mesdag/ Wol fhezerweg
Inventarisatie en toetsing
Op de Wolfhezerweg wordt thans geen standplaats ingenomen. Het terrein waarop de standplaats is gelokaliseerd is in bezit van Natuurmonumenten.
Alternatieve locatie kan ook gedacht worden aan het terrein in eigendom van de gemeente nabij het ziekenhuis.
Voorstel.
Aanwijzen als alternatieve locatie.
|
Aantal: |
Branche: |
Dag: |
Tijd: |
Situering: |
|
Een. |
Geen beperkingen. |
Alle dagen van de week. |
Gehele dag. |
Nader te bepalen |
Parallelweg:
Inventarisatie en toetsing.
Aan deze weg komt alleen het parkeerterrein van de NS, nabij de spooroverweg in Wolfheze, in aanmerking als geschikte locatie. In het verleden werd op deze locatie standplaats ingenomen voor de verkoop van consumptie-ijs. Het terrein is eigendom van de NS.
Voorstel:
Deze locatie aanwijzen als alternatieve locatie.
|
Aantal: |
Branche: |
Dag: |
Tijd: |
Situering: |
|
Een. |
Geen beperkingen. |
Alle dagen van de week. |
Gehele dag. |
In overleg en met toestemming van met de NS te bepalen |
Sportpark Wolfheze:
Inventarisatie en toetsing:
Deze locatie is aangewezen als zijnde specifiek gegrond. Uit het verleden zijn er echter geen aanvragen bekend om op deze locatie standplaats te mogen innemen.
Voorstel:
Deze locatie aanwijzen als alternatieve locatie.
|
Aantal: |
Branche: |
Dag: |
Tijd: |
Situering: |
|
Een. |
Geen beperkingen |
Alle dagen van de week |
Gehele dag |
In nader overleg vast te stellen. |
5. De uitvoering van het standplaatsenbeleid in onze gemeente.
5.1. De beoordeling en afhandeling van de vergunningaanvraag.
Wij wijzen erop, dat een beleidsmatige beoordeling een noodzakelijke, maar op zichzelf nog ontoereikende basis is van de afhandeling van de aanvraag. Beleid is immers in beginsel altijd algemeen. De rechter past in elk voorkomend geval het individualiseringsbeginsel toe, en beziet of er, gelet op de bijzonderheden van het geval, in concreto reden is ten gunste van betrokkenen van het beleid af te wijken. De stand van zaken is derhalve als volgt: vanwege onze beoordelingsvrijheid vraagt de rechter naar beleidslijnen. En zijn deze een keer moeizaam geformuleerd, dan vraagt de rechter naar de uitzonderingen daarop! Aanvragen, die bijvoorbeeld betrekking hebben op locaties die niet in deze nota zijn aangewezen, en/of aanvragen die boventallig zijn, kunnen daarom niet zonder meer worden geweigerd. Het beleidstelsel is daarom bepaald geen uitputtende regeling. In dit verband wijzen wij nogmaals op het belang, de weigeringsgronden te verbreden en aan te vullen. Met het oog op de bijzonderheden worden de gronden hierdoor toetsbaar aan de bijzonderheden van het geval, en is het besluit bijgevolg gemotiveerd en sterk.
5.2. Standaardformulier voor aanvragen vergunning
Voor een goede beoordeling van de voorliggende aanvragen dient snel kennis genomen te worden van alle relevante gegevens. Door middel van een aanvraagformulier kunnen alle relevante gegevens op slag bij de aanvraag meegenomen worden. Anders geformuleerd: het aanvraagformulier zal op het in deze notitie omschreven beleid afgestemd moeten zijn.
Terzijde zij opgemerkt dat de Algemene wet bestuursrecht in de artikelen 4:1 tot en met 4:6 een aantal bepalingen met betrekking tot het indienen van een aanvraag kent.
5.3. Vergunningvoorwaarden
Artikel 1.9, lid 1 van de APV bepaalt:
"plan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist."
Bij de aanvraag dient een afschrift van het identiteitsbewijs (paspoort of rijbewijs) worden afgegeven.
Aan de vergunning zullen in beginsel de volgende voorschriften worden verbonden.
- 1.
De standplaats mag slechts worden ingenomen op <datum/dag>, telkens van tot <dagdeel/-delen> uur. Na afloop dient de standplaats vrij te zijn van ieder obstakel.
- 2.
De standplaats dient door de vergunninghouder persoonlijk te worden ingenomen.
- 3.
De standplaatshouder dient in het bezit te zijn van een geldig bewijs van inschrijving van registratie van het Hoofdbedrijfsschap Detailhandel te Den Haag.
- 4.
De vergunninghouder mag zich wegens ziekte, vakantie of een andere dringende reden voor ten hoogste zes weken laten vervangen. Indien in geval van ziekte de vervanging langer gaat duren dan zes weken, moet de vergunninghouder elke drie maanden een geneeskundige verklaring overleggen. De vergunninghouder die zich tijdelijk laat vervangen moet dit zo spoedig mogelijk schriftelijk kenbaar maken aan de marktmeester. De vergunninghouder kan zich uitsluitend laten vervangen door:
- a.
de echtgeno(o)te of relatiepartner;
- b.
een bloed- of aanverwant in de eerste graad;
- c.
een persoon die bij de vergunninghouder in loondienst is.
- a.
De vervanger dient voor de vervanging te bewijzen dat hij één van de genoemde status bezit door overlegging van:
-
- a.
een uittreksel uit het bevolkingsregister of
- b.
een uittreksel uit het geboorteregister of
- c.
een loonverklaring.
- a.
- 5.
De standplaats mag alleen worden ingenomen voor het te koop aanbieden van goederen, het verkopen of verstrekken van goederen, dan wel het aanbieden van diensten, zoals in de aanvraag is omschreven.
- 6.
De directe omgeving van de standplaats dient geregeld te worden ontdaan van eventuele verontreiniging.
- 7.
Alvorens de standplaatslocatie te verlaten dient de standplaats en de onmiddellijke omgeving daarvan schoon opgeleverd te worden.
- 8.
De vergunninghouder dient het afval zelf af te voeren. Indien deze verplichting niet wordt nagekomen kan dit van gemeentewege, doch op kosten van de vergunninghouder, geschieden.
- 9.
De omwonenden van de standplaats mogen geen hinder van de met het innemen van de standplaats verband houdende werkzaamheden ondervinden.
- 10.
Het plaatsen van tafels, stoelen, parasols en dergelijke in de omgeving van de standplaats is niet toegestaan.
- 11.
Het is niet toegestaan om stroomkabels, of andere kabels, over de openbare weg te leggen.
- 12.
De door of namens een daartoe door het gemeentebestuur aangewezen ambtenaar te geven aanwijzingen met betrekking tot de openbare orde, (verkeers-)veiligheid en het voorkomen van overlast voor de omgeving, dienen stipt en terstond te worden opgevolgd.
- 13.
De vergunning dient op eerste vordering van een ambtenaar van politie en een daartoe aangewezen ambtenaar van de gemeente ter inzage worden gegeven.
- 14.
De standplaats dient ingenomen te worden overeenkomstig bijgevoegd kaartje. Het is verboden een andere standplaats in te nemen dan de plaats waarvoor vergunning is verleend.
Verder zullen aan de vergunning zonodig nog aanvullende voorschriften worden opgenomen.
5.4. De controle op naleving en handhaving standplaatsvergunningen.
De uitvoering van de controle op de handhaving en naleving ingevolge de APV geschiedt door de politie. Met name de gebiedsagenten spelen hierbij een belangrijke rol. Verder wordt er door de marktmeester incidenteel controle uitgevoerd, gelet op het beperkt aantal uren welke hem ter beschikking staan.
Vastgesteld moet worden dat de controle op de naleving van de vergunningsvoorwaarden te weinig plaatsvindt om succesvol te kunnen zijn. Dit met name omdat zeven dagen per week moet worden gecontroleerd. Daarbij zij vermeld, dat de meeste overtredingen op zon- en feestdagen plaatsvinden. Tegen het ontbreken of niet naleven van de standplaatsvergunning kan opgetreden worden met behulp van bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen zoals bestuursdwang en dwangsom. In voorkomende gevallen kan door de politie, op basis de APV, proces-verbaal opgemaakt worden. De praktijk toont aan dat langs deze laatste voorkomen kan worden dat men in eenvoudige gevallen in het langdurige, arbeidsintensieve en moeizame traject van bestuursrechtelijke handhaving belandt.
De controle op de naleving en de handhaving op de verleende standplaatsvergunning berust op, en ligt in het verlengde van, de hierboven aangegeven beleidsonderdelen. Dat betekent dat op basis van een juridisch valide en beleidsmatig doeltreffende indeling, aanwijzing en beoordeling in beginsel ook een effectieve controle op de naleving en handhaving van de verleende standplaatsvergunningen is. Omgekeerd levert de controle op de naleving in ieder geval een flink probleem op, als bij voorbeeld op het niveau van de aanwijzing van de locaties stappen worden overgeslagen. Ontbreekt een precieze aanduiding van de locatie, dan dient steeds nadien, noodgedwongen en ad hoc, een toevlucht gezocht te worden in hulpconstructies, zoals de bij de vergunning te geven voorschriften. Zo zal het stellen van het voorschrift, dat de bevelen van de politie opgevolgd dienen te worden, geen soelaas meer bieden, indien het onderliggende beleid ontbreekt of zwak gefundeerd is. Geeft de vergunninghouder er geen gevolg aan, en zou het naar aanleiding van een intrekking van de vergunning tot een eventuele rechterlijke toetsing komen, dan is deze toetsing niet zonder risico's.
6. Tarieven voor standplaats op gemeentegrond.
Sinds geruime tijd hanteren wij het privaatrechtelijk tarievensysteem, namelijk de pachtsom. Daar de pachtovereenkomst betrekking heeft op de overeenkomst, waarbij de ene partij zich verbindt aan de andere partij tegen voldoening van een tegenprestatie een hoeve of los land in gebruik te verstrekken ter uitoefening van de landbouw (artikel 1, aanhef en onder d, van de Pachtwet) is het beter hier te spreken over de overeenkomst van huur en verhuur (huurovereenkomst). Daar kunnen niet eenzijdig vanwege ons de voorwaarden aan worden verbonden. De huurder zal — het is immers een tweezijdige overeenkomst — zich akkoord met die voorwaarden moeten verklaren.
Bij besluit van 24 mei 1994 hebben burgemeester en wethouders de pachtsom verhoogd en vastgesteld op f 25,-- per dag.
Voorgesteld wordt om een gedifferentieerd tarief per meter frontbreedte van de verkoopwagen in te voeren. Dit gedifferentieerde tarief vast te stellen als volgt:
f 25,-- per dag voor verkoopwagens tot en met 8 meter frontbreedte;
f 50,-- per dag voor verkoopwagen vanaf 8 meter en meer frontbreedte.
Voorgesteld wordt dit tarief eveneens te laten gelden voor een standplaats tijdens de Airbornewandeltocht.
7. Ventvergunningen.
Krachtens artikel 5.2.2 van de APV is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders in de uitoefening van handel op of aan de weg of aan een openbaar water aan een huis dan wel een andere — al dan niet met enige beperking — voor het publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaatsen goederen aan te bieden, te verkopen of af te geven dan wel diensten aan te bieden.
In het tweede artikellid worden de uitzonderingen op het verbod genoemd; het derde artikellid geeft aan wanneer de aangevraagde vergunning kan worden geweigerd.
Uit de jurisprudentie volgt dat de venter zijn waren voortdurend moet aanbieden vanaf een andere plaats. Verkoop vanuit een rijdende winkelwagen wordt ook tot het venten gerekend.
7.1. Weigeringsgronden.
De weigeringsgronden zijn (derde lid):
- •
openbare orde;
- •
voorkomen of beperken van overlast;
- •
verkeersvrijheid of —veiligheid;
- •
bijzondere omstandigheden (verzorgingsniveau van de consument).
De weigeringsgronden `in het belang van het uiterlijk aanzien' en `strijd met het bestemmingsplan' zijn (daar een venter vrijwel voortdurend in beweging is) niet van toepassing.
Het verdient aanbeveling het gebied waar gevent mag worden duidelijk in de vergunning te omschrijven. Verder dient de venter te beschikken over een geldig bewijs van registratie bij het Hoofdbedrijfschap Detailhandel te Den Haag en dient hij/zij aan de eisen te voldoen die de Warenwet stelt.
Ten aanzien van de weigeringsgrond `in het belang van het voorkomen en beperken van overlast' dient nog het volgende te worden opgemerkt. Het venten met patates frites of vis e.d. vraagt een nadere benadering dan bij het innemen van een standplaats voor de verkoop van deze producten. Het moet namelijk ter plekke worden bereid. Dit houdt in dat de venter geregeld gedurende langere tijd op verschillende plaatsen met zijn (verkoop)wagen stilstaat, hetgeen in feite neerkomt op het innemen van een standplaats. Bovendien zal het publiek langere tijd dienen te wachten, dikwijls op de openbare weg. Dit kan de verkeersveiligheid in gevaar brengen.
Voorgesteld wordt geen ventvergunningen te verlenen voor de verkoop van producten welke een langere bereidingstijd vergen.
Hetgeen in deze nota is opgemerkt ten aanzien van de standplaatsvergunning geldt ook voor de ventvergunningen, namelijk een restrictief vergunningenbeleid waarbij de het ambulante karakter van de handel in stand moet blijven. Dit laatste betekent dat, evenals bij de standplaatsvergunning, een ventvergunning slechts aan natuurlijke personen verleend kan worden waarbij het voorschrift geldt, dat de houder van de vergunning persoonlijk van de vergunning gebruik dient te maken.
Wel dient te worden getracht een zo gevarieerd mogelijk aanbod van waren te realiseren.
7.2. Voorwaarden te verbinden aan de ventvergunning.
Op grond van artikel 1.4, eerste lid, van de APV dienen aan de vergunning in beginsel de volgende voorschriften worden verbonden
- 1.
Niet gevent mag worden voor 08.00 uur en na 22.00 uur.
- 2.
Het is verboden bij het venten gebruik te maken van geluidsversterkende middelen;
- 3.
Het is verboden in de nabijheid van een kerk of van een gebouw, bestemd voor godsdienstige bijeenkomsten, op tijden waarop daarin godsdienstoefeningen worden gehouden, en in de nabijheid van een schoolgebouw gedurende de tijden waarop les wordt gegeven, zomede in de nabijheid van een ziekenhuis, op de weg, op openbare grond of op een ander voor het publiek toegankelijk terrein met luide stem, met behulp van een bel of op een andere geruchtmakende wijze te koop aan te bieden, te koop te vragen of te venten of enige andere straatnering uit te oefenen.
- 4.
Er mag niet gevent worden op wegen waar dit verkeershinderlijke of —gevaarlijke situaties oplevert. Ook overigens dient het venten te geschieden zonder overlast te veroorzaken.
- 5.
Voorts mag niet gevent worden: #.
- 6.
Het is verboden met andere waren te venten dan die op de vergunning staan vermeld.
- 7.
Afval van koopwaar moet in een mede te voeren kist, mand of zak worden geborgen.
- 8.
U dient in het bezit te zijn van een geldig bewijs van registratie van het Hoofdbedrijfsschap Detailhandel te Den Haag.
- 9.
U dient als verkoper aan de eisen van de Warenwet te voldoen.
- 10.
Deze vergunning dient op een daartoe strekkend verzoek van een bevoegd ambtenaar onverwijld ter inzage worden afgegeven.
- 11.
De vergunning is persoonsgebonden, overeenkomstig artikel 1.5 van de APV.
8. Uitstallingen door de sedentaire handel.
Naar onze mening is het uitstallen van goederen op de weg voor een winkel geen vorm van straathandel, waar deze beleidnotitie betrekking op heeft. De verkooptransactie vindt immers in de winkel en niet op de weg plaats. Het is wel een vorm van bijzonder gebruik van de openbare ruimte. Gelet op de grootte van sommige uitstallingen en het gevaar van branchevervaging, dient er gewaakt te worden voor het "uitbaten" van de openbare gronden. Op deze manier kan een clandestiene vorm van ambulante handel ontstaan.
Deze problematiek vereist een goede coördinatie tussen de Informatiebalie, waar de uitvoering — en dus de vergunningverlening plaatsvindt — en de afdeling BWM, waar het beheer van de openbare ruimte is ondergebracht.
9. Rechtsbescherming
De Algemene wet bestuursrecht biedt belanghebbenden (bijvoorbeeld de omwonenden) de mogelijkheid om tegen het verlenen van een standplaatsvergunning beroep in te stellen bij een administratieve rechter. Voordat een belanghebbende beroep bij een administratieve rechter in kan stellen dient hij eerst -binnen zes weken na het verlenen van de vergunning- bezwaar te maken bij het bestuursorgaan (college van burgemeester en wethouders) dat de vergunning heeft verleend. Het vermelden van de bezwaarmogelijkheid wordt verplicht gesteld in artikel 3:45 van de Algemene wet bestuursrecht.
Er zij op gewezen dat wanneer van de standplaatsvergunning gebruik wordt gemaakt voordat de vergunning onherroepelijk is (hetgeen er over het algemeen op neerkomt dat er in de bezwarenperiode geen bezwaar is ingediend), de vergunninghouder op eigen risico van de vergunning gebruik maakt. Een hiertoe strekkende passage dient in de vergunning te worden opgenomen.
Indien de standplaatsvergunning wordt geweigerd of indien aan de vergunning voorschriften worden verbonden waar de aanvrager het niet mee eens is, is de aanvrager zelf belanghebbende en kan zodoende dus bezwaar maken en eventueel beroep instellen.
10. Mandaat
Aan het afdelingshoofd van de afdeling BWM is mandaat verleend om te beslissen op (onder andere) aanvragen om een standplaatsvergunning. Uit de "interne mandaatregels" blijkt dat het mandaat zich uitstrekt voor zover dat blijft binnen de grenzen zoals die, door het bevoegde orgaan, vooraf zijn aangegeven. Het in deze notitie neergelegde beleid dient dan ook als toetsingskader voor de uitoefening van het verleende mandaat.
11. Resumé.
Met de hierboven vermelde maatregelen en het vaststellen van de hierin opgenomen beleidsuitgangspunten wordt bereikt, dat binnen de met name door de jurisprudentie getrokken smalle juridische grenzen, een zo terughoudend mogelijk beleid wordt gevoerd ten aanzien van het verstrekken van vent- en standplaatsvergunningen. Dit beleid is met name ingegeven ter bescherming van de kwaliteit van de openbare (groen) ruimteen ter bescherming van de twee weekmarkten binnen onze gemeente.
12. Besluitvorming.
Op grond van het vorenstaande stellen wij u voor vast te stellen:
- 1.
de beleidsnotitie "Nota Vent- en standplaatsenbeleid gemeente Renkum";
- 2.
dat aanvragen voor ventvergunningen en standplaatsvergunningen worden beoordeeld aan de hand van de "Nota vent- en standplaatsenbeleid gemeente Renkum";
- 3.
te bepalen dat vent- en standplaatsvergunningen maximaal voor één kalenderjaar ( van 1 januari t/m 31 december) worden verleend;
- 4.
dat de "Nota vent- en standplaatsenbeleid gemeente Renkum" in werking treedt één dag na de bekendmaking middels publicatie op de gemeentepagina van "de Veluwepost";
- 5.
dat met ingang van de dag waarop de "Nota vent- en standplaatsenbeleid gemeente Renkum" inwerking is getreden het besluit van 28 maart 1990, inhoudende "de nota standplaatsenbeleid" wordt ingetrokken;
- 6.
De hoogte van de huurprijs voor een standplaatslocatie op gemeentegrond bepalen op:
-
f 25,-- per dag voor verkoopwagen met een frontbreedte tot en met 8 meter;
-
f 50,-- per dag voor verkoopwagen met een frontbreedte vanaf 8 meter.
Ondertekening
Oosterbeek,
HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN RENKLIM,
de gemeentesecretaris, de voorzitter
mevr. A. Boomsma drs. J.W.A.M. Verlinden
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl