Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR756078
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR756078/1
Geldend van 04-02-2026 t/m heden
1 Inleiding
1.1 Inleiding
Het Omgevingsprogramma toekomstbestendige bedrijventerrein (hierna: OTB) beschrijft hoe we als gemeente, samen met ondernemers en maatschappelijke partners, onze bestaande bedrijventerreinen toekomstbestendig gaan maken en welke acties we daarvoor de komende jaren gaan uitvoeren.
Het OTB is een uitwerking en concretisering van de omgevingsvisie Stedelijk Hengelo. Binnen deze omgevingsvisie beschrijven we de opgaven op onze bedrijventerreinen. Door middel van het OTB geven we hier concrete uitvoering aan. In het OTB vertalen we op gebiedsgerichte wijze het beleid van verschillende overheidsniveaus en relevante beleidsterreinen voor onze bedrijventerreinen, waarbij we aan dit beleid acties koppelen.
1.2 Definitie Toekomstbestendige bedrijventerreinen
De bedrijventerreinen zijn de gebieden binnen de bebouwde kom met als specifiek doel de vestiging van bedrijven, zoals industrie, handel en logistiek. De economische functie is de hoofdfunctie, maar er is ook een aantal woon- en detailhandelsfuncties te vinden. De geografische afbakening van de Hengelose bedrijventerreinen staat in hoofdstuk 2.2.
Toekomstbestendig houdt in dat iets voorbereid is op de toekomst en de veranderingen die dit met zich meebrengt. Dit maakt dat we bestand zijn tegen negatieve ontwikkelingen (zoals klimaatverandering) en gebruik kunnen maken van positieve ontwikkelingen (zoals ambitie in de groei van het inwoneraantal).
Voor het OTB houdt toekomstbestendige bedrijventerreinen in: terreinen die in 2040 economisch vitaal en duurzaam zijn. Er is voldoende ruimte om te ondernemen met een uitstekende kwaliteit. Hierdoor kunnen mensen er goed en prettig werken en ondernemen. Het is er aantrekkelijk voor bedrijvigheid van de toekomst waarbij circulair ondernemen centraal staat. De terreinen zijn optimaal ingericht qua ruimte, klimaat- en energieneutraal, voorbereid op klimaatverandering. Er is een nauwe samenwerking tussen ondernemers, de gemeente en andere partners. Hierdoor is Hengelo optimaal geprofileerd als onderdeel van de groene technologische topregio en wordt talent behouden.
1.3 Een integraal gebiedsgericht omgevingsprogramma
Het OTB is een gebiedsgericht omgevingsprogramma. Dat betekent dat het gaat over specifieke gebieden binnen de gemeente, in dit geval de bedrijventerreinen. Het OTB is ook een integraal programma. Dat betekent dat alle (ruimtelijke) opgaven in samenhang met elkaar worden aangepakt. Een omgevingsprogramma, een van de nieuwe instrumenten die we als gemeente sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet in 2024 kunnen gebruiken, is uitvoeringsgericht. Dat betekent dat er concrete activiteiten en maatregelen worden omschreven voor de bedrijventerreinen.
Het OTB is een programma onder de Omgevingswet. Dat betekent dat het zelfbindend is voor het college van Burgemeester en Wethouders van Hengelo. Dit programma is dus niet juridisch bindend voor andere partijen of organen. De juridische borging van onderdelen uit het OTB vindt plaats in het Omgevingsplan of overeenkomsten. Het OTB bevat activiteiten die we als gemeente gaan uitvoeren om de bedrijventerreinen meer toekomstbestendig te maken. Deze activiteiten kunnen effecten hebben voor de eigenaren en gebruikers van die terreinen. De uitvoering van het OTB is wel voor een groot deel afhankelijk van de samenwerking met ondernemers.
1.4 Waarom nu een OTB?
De Omgevingsvisie Stedelijk Hengelo biedt kaders voor het OTB. In het OTB maken we een verdiepingsslag binnen deze kaders door prioritering aan te brengen tussen de verschillende opgaven. Zonder OTB bestaat het risico dat toekomstige ontwikkeling van onze bedrijventerreinen substantiële vertraging oploopt en dat de kwaliteit en integraliteit van die ontwikkeling te laag is. Als de doelstellingen van verschillende beleidsterreinen niet op elkaar zijn afgestemd en afgewogen, zal de ontwikkeling van het bedrijventerrein gefragmenteerd en zonder duidelijke strategie worden uitgevoerd. Dit kan ertoe leiden dat de doelstellingen vanuit de verschillende beleidsterreinen niet worden gehaald. Daardoor worden de juiste randvoorwaarden voor een groene technologische topregio niet behaald.
Op delen van onze bedrijventerreinen zien we nu al verouderingsverschijnselen ontstaan. Veroudering leidt tot een verminderde bereidheid van de gevestigde bedrijven om te investeren in de kwaliteit van het terrein. De op locaties gebrekkige uitstraling en risico’s op verloedering en ondermijning leiden tot verlies van economische vitaliteit en het niet voldoen aan de opgaven op het gebied van duurzaamheid.
Bovendien zien wij een steeds grotere vraag naar ruimte voor werk. Dit heeft verschillende redenen:
-
Wegens strategische redenen worden productiefaciliteiten teruggehaald naar Europa, wat ook haar invloed heeft op Hengelo
-
De verstedelijkingsambitie vraagt ook om een toename van het aantal banen
-
De transitie naar een circulaire economie vraagt extra ruimte.
Dit zijn allemaal opgaven die extra ruimte vragen. Terwijl we een aantal redenen zien
waarom we niet aan deze ruimtevraag kunnen voldoen:
-
De afgelopen jaren zijn op verschillende plekken in de stad voormalige werklocaties omgezet naar gebieden voor andere functies (bijvoorbeeld wonen)
-
Nieuw te ontwikkelen locaties stuiten op weerstand bij omwonenden en worden belemmerd door zaken als: stikstof, netcongestie, conflicten met onze groene omgeving en lange doorlooptijden in procedures.
1.5 Leeswijzer
-
Hoofdstuk 2: Een kort overzicht van de relevante beleidskaders en de ruimtelijke afbakening voor dit omgevingsprogramma.
-
Hoofdstuk 3: Een samenvatting van het doorlopen proces om tot dit OTB te komen.
-
Hoofdstuk 4: Een uiteenzetting van de thema’s voor toekomstbestendige bedrijventerreinen met de daaraan gekoppelde vraagstukken en activiteiten voor de komende 4 jaar.
-
Hoofdstuk 5: Een werkwijze waarmee we een integrale uitvoering van het OTB waarborgen.
-
Hoofdstuk 6: Een aantal uitgangspunten die we als gemeente hanteren bij het uitvoeren van het OTB en de daaruit volgende projecten.
-
Hoofdstuk 7: Een korte omschrijving van hoe we de geplande activiteiten gaan bekostigen.
-
Hoofdstuk 8: Een korte uitleg van hoe we de uitvoering van het OTB gaan bijhouden en waar nodig gaan bijsturen.
2 Afbakening
2.1 Bestaand beleid
Rijk
Op Rijksniveau geeft artikel 19 van de Grondwet aan dat de overheid voldoende werkgelegenheid
dient te bevorderen. Daarnaast stelt het Rijk in het Nationaal Programma Circulaire
Economie 2023-2030 als doel ‘een volledig circulaire economie in 2050 en een halvering
van het primaire grondstoffenverbruik in 2050’. Het nationaal programma Ruimte voor
Economie heeft als doelstelling dat in 2050 het ruimtegebruik van drie procent van
ons land nodig is voor economie, werk en ondernemen. In het nationale Klimaatakkoord
hebben we als gezamenlijke overheden en marktpartijen afgesproken te werken aan een
transitie naar duurzamere bedrijvigheid met als doel om een flinke besparing op de
uitstoot van CO2 te bereiken.
Provinciaal
De Provinciale Omgevingsvisie (POVI) stuurt de ruimtelijke ontwikkeling in Overijssel.
Centraal staat zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, met behoud van bestaande werklocaties
en milieucategorieën. Uitbreiding van bedrijventerreinen gebeurt bij voorkeur via
inbreiding en herontwikkeling. In regionale afspraken is een balans gezocht tussen
vraag en aanbod, gebaseerd op een raming die uitkomt op ongeveer 1000 hectare behoefte
tot 2040. De circulaire economie is hierin nog niet meegenomen, waardoor de werkelijke
vraag hoger ligt. Vooral in havens zijn er kansen voor circulaire bedrijvigheid en
watergebonden logistiek, waarvoor gerichte huisvesting nodig is.
De topwerklocaties worden in de POVI gezien als werklocaties met bijzondere vestigingscondities voor bedrijven die zich richten op een (inter)nationaal verzorgingsgebied en een stuwende functie hebben voor de regionale economie. Dit wordt mogelijk gemaakt door de samenwerking tussen overheid, ondernemers en onderwijs (Triple Helix). Het High Tech Systems Park (HTSP) is hiervan een voorbeeld.
Regionale afspraken
Via de Triple Helix versterkt de Twente Board de sociaaleconomische structuur van
Twente. Het (door)ontwikkelen tot een toonaangevende groene technologische topregio
is het uiteindelijke doel. Twente Board draagt via de Agenda voor Twente bij aan drie
maatschappelijke opgaven: een slimme toekomstbestendige energievoorziening, transformatie
naar een duurzame en circulaire economie en innovatieve gezondheidszorg.
Hengelo: Omgevingsvisie Stedelijk Hengelo
Met de aantrekkelijke en toekomstbestendige bedrijventerreinen hebben we in Hengelo
een troef in handen, gezien de centrale ligging in Twente hebben deze bedrijventerreinen
een sterke regionale functie wat veel diverse werkgelegenheid oplevert. Deze locaties
dragen sterk bij aan het aantrekken van bedrijven in de genoemde sectoren en het behoud
van talent. Een sterke maakindustrie zorgt ook voor een schil aan gerelateerde bedrijven
en sectoren daaromheen die bijdragen aan de brede sociaaleconomische ontwikkeling
van onze stad.
Onze bedrijventerreinen hebben in 2040 sterke profielen met elk hun eigen vestigingsklimaat. We kennen hightech bedrijventerreinen, gebieden voor de zware maakindustrie en gemengde gebieden. Met profilering willen we ook bevorderen dat bedrijven die elkaar kunnen versterken, worden geclusterd. Bedrijven die minder passen in het profiel van een terrein proberen we te faciliteren om te verplaatsen naar een nieuwe locatie.
Op deze manier creëren we ruimte voor bedrijven die wel passen in het profiel (juiste
bedrijf op juiste plek).
Herstructurering gaat boven uitbreiding. We gaan bedrijventerrein intensiever benutten,
waarbij we gelijk inzetten op vergroening en een energietransitie. Uiteraard in samenspraak
met bedrijven, de ondernemersverenigingen en vastgoedeigenaren.
In de Omgevingsvisie Stedelijk Hengelo spreken we ook over bedrijvigheid in woonwijken. Indien we deze bedrijven verplaatsen vanuit bedrijventerreinen, ontstaat op de achtergebleven locatie ruimte voor bedrijvigheid die beter in het beoogde profiel past. Deze vormen van bedrijvigheid vallen buiten de kaders van het Omgevingsprogramma. Ook spreken we over de verkenning naar nieuwe bedrijventerrein. Door een goed ontsloten en modern bedrijventerrein te ontwikkelen, kunnen bedrijven naar deze locatie verplaatsen en ontstaan er kansen voor herontwikkeling in het bestaande Stedelijk Hengelo. Deze verkenning is onderdeel van de Hengelose Omgevingsvisie fase 4 en valt hiermee buiten de kaders van dit omgevingsprogramma.
2.2 Ruimtelijke afbakening
Het OTB gaat over de bedrijventerreinen in Hengelo. Specifiek geldt dit omgevingsprogramma voor de volgende bedrijventerreinen:
-
Oosterveld & Weijinkshoek
-
Timmersveld & Roershoek
-
Twentekanaal Noord 1 & 2
-
Twentekanaal Zuid 1 & 2
-
Westermaat Campus
-
Westermaat De Veldkamp (Hengeloos deel)
-
Westermaat Express
-
Westermaat Zuidoost
-
Westermaat Zuidwest & KWII
-
Zeggershoek-Fabelenweg
Buiten de scope van het OTB vallen de volgende bedrijventerreinen:
Het karakter van deze bedrijventerreinen wijkt af van de meer traditionele bedrijventerreinen,
zijn al onderdeel van bestaande ontwikkeling zoals de Spoorzone Hengelo-Enschede,
of vallen buiten de gemeentegrenzen.
3 Methodiek
3.1 Participatie en betrokkenheid
Het OTB is opgesteld met de input vanuit de ondernemers en ondernemersverenigingen op de bedrijventerreinen. Deze partijen hebben daar directe invloed en hebben daarom in het hele proces een meedenkende rol gehad. Omwonenden, werknemers en externe partners, zoals de netbeheerder en het waterschap, zijn in het opstellen van het OTB nog niet betrokken. Voor deze groepen zijn in de vervolgstappen wel participatieve rollen gewenst.
3.2 Procesverloop
Ambtelijke aftrap
Het proces startte met een brede ambtelijke sessie waarin vertegenwoordigers van verschillende
gemeentelijke disciplines – zoals mobiliteit, duurzaamheid, groen en economische zaken
– samenkwamen. Deze bijeenkomst had als doel om de verschillende belangen vanuit de
disciplines samen te brengen en te kijken waar er overlap is en verschillen zijn.
Er is opgehaald welke zaken meegenomen moeten worden in het OTB, waarna deze gebruikt
zijn als startpunt. Ook werd gekeken naar de mogelijkheden en knelpunten rondom integraal
werken.
Inventarisatie met ondernemers en raadsleden
Vervolgens vond een participatiesessie plaats met ondernemers en raadsleden. Tijdens
deze bijeenkomst werd opgehaald welke initiatieven ondernemers al nemen op het gebied
van toekomstbestendigheid en welke kansen en uitdagingen zij zien op hun eigen terrein.
Deze input is als rode draad gebruikt in de uitwerkingen van de thema’s en vraagstukken.
De raadsleden hadden hier een mee-wetende rol.
Concretisering van thema’s en vraagstukken
In de daaropvolgende fase werkte de ambtelijke projectgroep de Omgevingsvisie Stedelijk
Hengelo verder uit in de thema’s en vraagstukken zoals verwerkt in hoofdstuk 4. Deze
thema’s werden vervolgens getoetst op juistheid en compleetheid in een tweetal sessies:
één met ondernemersverenigingen en parkmanagementorganisaties, en één met een brede
ambtelijke vertegenwoordiging. Deze toets leidde tot de definitieve tekst voor de
thema’s en vraagstukken.
Prioritering per bedrijventerrein
In een nieuwe brede ambtelijke sessie is vervolgens per bedrijventerrein een prioritering
aangebracht in de thema’s en vraagstukken. Deze prioritering werd besproken met de
ondernemersverenigingen, die ook input leverden voor mogelijke maatregelen en activiteiten
per terrein. Tegelijkertijd werd een eerste aanzet gedaan voor de uitvoeringsagenda.
Deze uitvoeringsagenda is in het OTB breder getrokken dan de individuele bedrijventerreinen,
vanwege grote overlap in de ingebrachte maatregelen.
Bestuurlijke reflectie
Ook onderdeel van het proces was de werksessie met het college van B&W en de ambtelijke
directie. Deze sessie was gericht op het delen van de voortgang en het creëren van
bewustzijn over de dilemma’s die gepaard gaan met integraal programmeren. De bestuurlijke
reflectie op deze dilemma’s gaf richting aan de verdere uitwerking. Namelijk dat we
in dit omgevingsprogramma een integrale werkwijze opnemen.
Ambtelijke sessie over de uitvoeringsagenda
In de verdiepende fase zijn ambtelijke werksessies georganiseerd waarin per vraagstuk
mogelijke maatregelen en activiteiten zijn geïnventariseerd. Deze sessies werden gedaan
vanuit een vaste groep met milieu, ruimtelijke ordening, juridisch, duurzaamheid en
EZ, aangevuld met beleidsadviseurs voor specifieke thema’s.
Opstellen integrale werkwijze
Vervolgens is onderzocht op welke wijze de uitvoering van de activiteiten uit het
OTB zo integraal mogelijk kan plaatsvinden. Verschillende opties zijn afgewogen. Er
is gekozen om een aanpak op te stellen en op te nemen in het OTB die ervoor gaat zorgen
dat er telkens een zorgvuldige afweging plaatsvindt.
Feedbacksessies
Vervolgens zijn twee feedbacksessies georganiseerd. Eén breed ambtelijk en één met
de ondernemersverenigingen. In deze sessies is het eerste concept OTB besproken en
zijn door de deelnemers concrete verbeterpunten inzichtelijk gemaakt. Deze zijn verwerkt
tot het definitieve concept OTB.
Bijeenkomst definitief concept OTB
Als laatste stap voor het collegebesluit is een bijeenkomst georganiseerd voor alle
ondernemers en belanghebbenden om zich te laten informeren over het OTB en om nog
laatste feedback en reacties te geven. Daarnaast is er de mogelijkheid geweest voor
belanghebbenden om schriftelijk te reageren. Er zijn geen schriftelijke reacties ontvangen.
Deze laatste input is voor zover nodig en mogelijk verwerkt in het definitieve OTB.
In Bijlage 1 wordt dit nader toegelicht.
4 Thema's, vraagstukken en uitvoeringsagenda
4.1 Inleiding
In dit hoofdstuk is beschreven welke inhoudelijke thema’s en bijbehorende vraagstukken onderdeel uitmaken van het OTB. Deze vraagstukken geven richting aan de opgaven op de Hengelose bedrijventerreinen en vormen de basis voor de concrete activiteiten die in de periode van 2026 – 2029 worden uitgevoerd.
Het omgevingsprogramma kent zeven inhoudelijke thema’s: profilering, optimaliseren van ruimtegebruik, kwaliteitsimpuls, mobiliteit, energietransitie, circulair en klimaatbestendigheid. Binnen elk thema zijn vraagstukken en activiteiten geformuleerd. Deze activiteiten staan niet los van elkaar en worden in samenhang, dus integraal, opgepakt. Naast de zeven thema’s zijn er ook vier thema-overstijgende activiteiten die bijdragen aan het realiseren van de toekomstbestendige bedrijventerreinen in Hengelo.
Dit hoofdstuk is als volgt opgebouwd. Eerst gaan we in op de vier thema overstijgende activiteiten. Vervolgens zijn de zeven inhoudelijke thema’s aan de beurt. Elk thema heeft drie onderdelen:
1) In 2040 willen we bereikt hebben dat: In dit onderdeel wordt samengevat wat er in de omgevingsvisie Stedelijk Hengelo is
benoemd over het thema.
2) Daarvoor is het nodig dat we:In dit onderdeel worden de vraagstukken benoemd en toegelicht die volgen uit hetgeen
in de omgevingsvisie Stedelijk Hengelo is benoemd.
3) Dat doen we door in de periode 2026 – 2029 te werken aan: In dit onderdeel worden per vraagstuk de activiteiten benoemd die vanuit het OTB
uitgevoerd gaan worden. Deze activiteiten vormen samen de uitvoeringsagenda van het
OTB.
Als laatste is een overzicht gegeven van de gehele uitvoeringsagenda in tijd.
4.2 Thema overstijgende activiteiten
Organiserend vermogen vergroten
Het is randvoorwaardelijk voor het toekomstbestendig maken van bedrijventerreinen
dat ondernemers zich goed kunnen organiseren om gezamenlijk te werken aan oplossingen.
Maar niet alle bedrijventerreinen in Hengelo zijn goed georganiseerd en/of houden
zich (nog) weinig bezig met toekomstbestendigheid. Daarom is het nodig dat we dit
stimuleren en faciliteren vanuit de gemeente.
Dat doen we door in de periode 2026 – 2029:
A. (Externe) Capaciteit en kennis beschikbaar te stellen om collectieve oplossingen
voor toekomstbestendigheid uit te voeren
Hierbij is het mogelijk om een gebiedsregisseur die bedrijventerreinen ondersteunt
aan te stellen. Die kan als onpartijdige partner en ondersteuner helpen in het vormen
en uitvoeren van collectieve projecten. Bijvoorbeeld het ontwikkelen van een energiehub
of collectief vergroeningsplan. Ook inhoudelijke kennis brengen we in en we zorgen
dat daarvoor incidentele ambtelijke capaciteit beschikbaar is.
B. Intensief samen te (blijven) werken met ondernemersverenigingen, vastgoedeigenaren
en parkmanagement
We zetten in op een goede samenwerking om de uitvoering van toekomstbestendige activiteiten
te versnellen. Dat doen we door structureel afstemming te hebben en door, daar waar
nodig en/of mogelijk, samenwerkingsverbanden in intentieverklaringen, convenanten
of publiek-private samenwerkingsconstructies vast te leggen.
C. Meer bekendheid te creëren voor de activiteiten, projecten en succesverhalen
We gaan meer en beter communiceren. We zoeken hiervoor een manier waarop we de doelgroep
goed kunnen bereiken en werken hierin samen met de ondernemerscollectieven. Door succesverhalen
te delen en bekendheid te creëren over de werkzaamheden rondom toekomstbestendige
bedrijventerreinen proberen we het bewustzijn en -daarmee draagvlak- te vergroten.
Financiering Toekomstbestendige Bedrijventerreinen
Een andere randvoorwaarde voor toekomstbestendige bedrijventerreinen is: voldoende
financiële middelen om voorbereidende werkzaamheden te verrichten en om maatregelen
uit te voeren. Uit ervaring weten we dat het lastig is om collectieve financiering
op de bedrijventerreinen te realiseren en dat er een free-rider risico is. Daarom
is het van belang om hier als gemeente in te faciliteren, zodat de bedrijventerreinen
zelf meer in staat worden gesteld om toekomstbestendige ontwikkelingen door te maken.
Dat doen we door in de periode 2026 – 2029:
A. Een subsidieregeling voor Toekomstbestendige Bedrijventerreinen op te stellen
Bij meerdere thema’s is het mogelijk om ondernemers te stimuleren en faciliteren met
een subsidie. Om te voorkomen dat er allemaal losse regelingen worden gemaakt, is
ervoor gekozen om één overkoepelende subsidieregeling in het leven te roepen. Het
idee is dat ondernemers subsidie kunnen aanvragen om collectieve projecten vanuit
de thema’s uit te voeren.
B. Structurele financieringsvormen te onderzoeken en te implementeren
We gaan samen met ondernemers(verenigingen) onderzoeken hoe ondernemers structurele
financiering kunnen realiseren om toe te werken naar een meer toekomstbestendig bedrijventerrein.
Te denken valt het organiseren van een Ondernemersfonds.
4.3 Profilering
In 2040 willen we bereikt hebben dat
Hengelo onderdeel uitmaakt van de groene technologische topregio. Dat betekent dat
er hoogwaardige technologische bedrijven en een netwerk van ondersteunende bedrijvigheid
zijn gevestigd, maar ook dat er duidelijke keuzes gemaakt zijn over welke bedrijven
zich waar kunnen vestigen. Zowel ten opzichte van elkaar, van de stad als de hele
regio. Voor bedrijventerreinen hebben we daarom in de omgevingsvisie drie vestigingsmilieus
bepaald: hightech terreinen, zware maakterreinen en gemengde terreinen.
Het is belangrijk dat het juiste bedrijf op de juiste plek zit. Dit versterkt het ondernemerschap, stimuleert innovaties en draagt bij aan de marketing van de bedrijven en de terreinen. Bestaande bedrijven die niet passen in het profiel van een terrein proberen we te faciliteren om zich te verplaatsen naar een andere locatie en nieuwe bedrijven stimuleren we om op passende locaties te vestigen. Op deze manier creëren we ruimte voor bedrijven die wel passen in het profiel. We beseffen ons wel dat dit moeilijk te beïnvloeden keuzes van de bedrijven zijn.
Daarvoor is het nodig dat we
1) Concrete en scherpe profielen voor de huidige bedrijventerreinen hebben
De profilering in de omgevingsvisie is nog globaal, zowel in geografische afbakening
als in definitie. Om duidelijk aan te kunnen geven welk type bedrijf op welke plek
gewenst is (en hier uiteindelijk ook op te kunnen sturen) stellen we de profielen
zo concreet en scherp mogelijk op. Bij het opstellen van deze profielen wordt rekening
gehouden met de bestaande bedrijvigheid in Hengelo en de nieuwe bedrijvigheid die
we naar Hengelo toe willen trekken. Bovendien wordt rekening gehouden met bijvoorbeeld
het energievraagstuk, lokale productieketens en circulaire economie. Verder is het
van belang om de profielen af te stemmen met buurgemeenten en de provincie. Om te
kunnen bepalen welke maatregelen nodig zijn om de profielen in de praktijk te realiseren,
is inzicht nodig op welke locaties de huidige invulling niet past binnen het gewenste
profiel.
2) Beter omgaan met milieuruimte
Milieuruimte is een belangrijke kwaliteit voor bedrijventerreinen. Het geeft de ruimte
die samenhangt met bedrijfsactiviteiten zoals geluid en geur. De locaties met grote
milieuruimte worden echter niet altijd optimaal benut. En soms vestigen zich er bedrijven
die deze milieuruimte niet nodig hebben. Dit is ongewenst, want locaties met grote
milieuruimte zijn bijvoorbeeld van essentieel belang voor de circulaire economie en
de maakindustrie. De ruimte voor dit soort bedrijven is schaars en daarom reserveren
we deze locaties voor bedrijven die deze milieuruimte nodig hebben.
Daarnaast komt het voor dat er bedrijven met grotere milieu-impact op korte afstand van (geluid)gevoelige gebouwen liggen. Ook dit is niet altijd meer gewenst richting de toekomst. Dit kan namelijk overlast veroorzaken. Het is een opgave om een betere plek te zoeken waar deze bedrijven zich kunnen vestigen. Als we in kaart hebben waar de onbenutte milieuruimte zich bevindt en waar bedrijven gevestigd zijn met een grote milieuruimte op korte afstand van (geluid)gevoelige gebouwen, kunnen we vervolgens daar op sturen.
Hierbij houden we rekening met de milieuzonering ‘nieuwe stijl’. Deze richt zich op locatie gebonden, specifieke bedrijfsactiviteiten en werkt met zones met oplopende gebruiksruimte voor geluid en geur. We willen hiermee bereiken dat in de ideale situatie zwaardere activiteiten in het midden gesitueerd worden van het terrein en lichtere activiteiten meer aan de rand. Zodat de afstand tot (geluid)gevoelige gebouwen groter wordt.
3) Sturen op profilering
Het sturen op duidelijke profielen zorgt voor naamsbekendheid en regionale slagkracht
van de bedrijventerreinen in Hengelo. Het trekt bedrijven aan die zich met het profiel
kunnen identificeren en stimuleert de clustering van samenwerkende bedrijven en innovatie.
Als gemeente hebben we echter nagenoeg geen grond in eigendom op de bedrijventerreinen.
We hebben dus weinig invloed op de komst van nieuwe bedrijven. Door te sturen vanuit
het instrumentarium dat de gemeente tot haar beschikking heeft, kunnen we de profielen
in de praktijk realiseren. Dit kunnen we door het stimuleren en faciliteren aan de
ene kant en reguleren via het omgevingsplan aan de andere kant. Bij het sturen op
profilering houden we rekening met risico’s zoals het verstoren van het huidige ondernemersklimaat
en het afnemen van wendbaarheid. Verbinding tussen de ondernemers, van groot tot klein,
gaan we stimuleren en we kijken samen met ondernemers hoe we kunnen sturen op de profilering,
bijvoorbeeld door lokale of regionale kavelruil.
Dat doen we door in de periode 2026 – 2029 te werken aan
1) Concrete en scherpe profielen voor de huidige bedrijventerreinen
A. De huidige situatie te analyseren: we voeren een diepgaande analyse uit van de
huidige situatie op de bedrijventerreinen.
B. De gewenste profielen op te stellen: we werken op kavelniveau de gewenste profielen
voor 2040 uit.
C. Knelpunten tussen gewenste en huidige situatie te analyseren: we leggen de gewenste
toekomstige profilering over de huidige situatie en analyseren waar de knelpunten
liggen.
2) Beter om te gaan met milieuruimte
D. De milieuruimte actief onderdeel te maken bij de profielen van de bedrijventerreinen:
door de milieuruimte in de profielen vast te leggen kan er gestuurd worden op clustering
van hogere of lagere milieucategorieën.
3) Te sturen op profilering
E. Bepalen en vastleggen van de aanpak om de profilering te realiseren: aan de hand
van de knelpunten, zoals opgesteld bij activiteit 1C, wordt bepaald hoe er wordt gestuurd
op de profilering. Hierbij wegen we per knelpunt en locatie zorgvuldig af welke instrumenten
we daarvoor inzetten - van faciliteren tot reguleren. Indien nodig krijgt dit ook
een plek in stap 3F.
F. De gewenste profilering in het omgevingsplan vast te leggen: we leggen de gemeenteraad
de gewenste profilering en eventuele sturingsinstrumenten voor, om deze vast te leggen
in het omgevingsplan.
4.4 Optimaliseren ruimtegebruik
In 2040 willen we bereikt hebben dat
De bedrijventerreinen hoogwaardige kwaliteit hebben. Op die terreinen is balans tussen
groen, biodiversiteit, (circulaire) economie en mobiliteit. Op dit moment zijn nauwelijks
kavels beschikbaar op bestaande bedrijventerreinen. Daarom is het van belang dat we
de bestaande ruimte zo optimaal en efficiënt mogelijk gebruiken. Dan kunnen we de
kwantitatieve ruimtevraag voor bedrijvigheid, volgend uit de (groei)ambities, zo veel
mogelijk oplossen binnen de huidige geografische grenzen van de bedrijventerreinen.
Herstructurering gaat voor uitbreiding. Hierdoor ontstaat er meer ruimte voor bedrijven
op de bestaande terreinen en kunnen we meerdere vraagstukken tegelijk oplossen. Naast
de vraag naar bedrijfsruimte zijn er, ook andere opgaven met een ruimtevraag op bedrijventerreinen.
We zetten dus in op meervoudig efficiënt ruimtegebruik in combinatie met duurzaamheid.
Door scherpe profilering willen we clustering versterken. De voordelen van clustering
kunnen zich voordoen op verschillende terreinen: uitwisseling van kennis, samenwerking
rond energiegebruik, verminderen van transportbewegingen, gezamenlijke voorzieningen
voor medewerkers, etc. Bovendien draagt een duidelijk profiel bij aan het creëren
van een aantrekkelijk vestigings- en werkklimaat en aan de vindbaarheid en positionering
van bedrijven.
Het is belangrijk om ook regionaal afspraken te maken over vergelijkbare ontwikkelvoorwaarden bij bedrijventerreinen op het vlak van energie, klimaat, groen, water en circulariteit. Bij nieuwe ontwikkelingen wegen we af of de maatschappelijke waarde voldoende opweegt tegen de maatschappelijke kosten van bijvoorbeeld hoge energiebehoefte of schadelijke uitstoot.
Daarvoor is het nodig dat we
1) Sturen op efficiënt en meervoudig ruimtegebruik
Op onze bestaande bedrijventerreinen zijn veel onbenutte kansen voor efficiënter en
meervoudig ruimtegebruik, zoals onbenutte planologische ruimte (bouwhoogte en bebouwingspercentages),
gezamenlijk voorzieningen en koppelkansen op het gebied van vergroening of de energietransitie.
Door te sturen op efficiënt en meervoudig ruimtegebruik kunnen we deze kansen benutten.
Hierbij is het van belang om ervoor te zorgen dat er geen onnodige belemmeringen opgeworpen
worden.
2) Regionaal samenwerken op het gebied van (duurzame) ontwikkelvoorwaarden
Voor de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen zijn regionaal programmeringsafspraken
gemaakt. Doel daarvan is om een gelijk speelveld te creëren voor de ontwikkeling van
nieuwe bedrijventerreinen, zeker als het gaat om voorwaarden op het gebied van meervoudig
ruimtegebruik, energie, klimaat, groen, water en circulariteit. Het is belangrijk
om ook op het gebied van (her)ontwikkeling van bestaande bedrijventerreinen regionaal
af te stemmen.
3) Kansrijke locaties op bestaande bedrijventerreinen (her)ontwikkelen
Op de bestaande bedrijventerreinen is een tekort aan ruimte. Die ruimte is nodig voor
bedrijvigheid om de groeiambitie van de stad waar te kunnen maken. Daarbij gaat inbreiding
voor uitbreiding. Maar er is niet alleen bedrijfsruimte nodig, want er zijn ook andere
ruimteclaims. Denk aan benodigde ruimte in de ondergrond, voor de energietransitie
en groen/blauwstructuren. Daarom gaan we kansrijke locaties op bestaande bedrijventerreinen
(her)ontwikkelen zodat deze ingericht kunnen worden om in de toekomstige vraag te
kunnen voldoen. Dit doen we zoveel mogelijk volgens de ontwerpprincipes van de toekomst.
Denk aan meervoudig ruimtegebruik, de hoogte benutten, de mobiliteitstransitie en
circulair bouwen.
Door de kansrijke locaties voor (her)ontwikkeling in kaart te brengen en te prioriteren, kunnen we vervolgens sturen op de realisatie van deze (her)ontwikkelingen, in samenwerking met de ondernemers en vanuit een integrale werkwijze. Daarbij houden we rekening met -en benutten we- stimulansen in de markt.
Dat doen we door in de periode 2026 – 2029 te werken aan
1) Sturing op efficiënt en meervoudig ruimtegebruik
A. Een ontwikkelkader per bedrijventerrein op te stellen: het ontwikkelkader biedt
richting aan ruimtelijke ontwikkeling. Het bevat een prioritering van thema’s en vraagstukken,
uitgewerkt naar richtlijnen waar rekening mee gehouden moet worden. Deze verankeren
we indien nodig (deels) in de het Omgevingsplan. We stellen eerst een ontwikkelkader
op voor één bedrijventerrein als pilot. Daarna komen de andere terreinen aan de beurt
en nemen we de geleerde lessen uit de pilot mee.
2) Samenwerking in de regio op het gebied van (duurzame) ontwikkelvoorwaarden
B. Regionale afstemming te hebben tijdens de activiteiten onder 1 en 3 van dit thema
en bij het opstellen van de nieuwe profilering bij het thema Profilering.
3) Kansrijke locaties op bestaande bedrijventerreinen te (her)ontwikkelen
C. De pilot Hassinkweg te revitaliseren in publiek-private samenwerking: we zijn al
gestart met de voorbereidingen om de Hassinkweg te revitaliseren samen met de ondernemers.
We werken toe naar een uitvoeringsplan.
D. Kansrijke herontwikkelingslocaties te inventariseren en prioriteren: we onderzoeken
waar kansen of knelpunten liggen op de bedrijventerreinen. We nemen daarin ook de
bereidheid mee van de markt en de pandeigenaren en/of ondernemers om te investeren.
E. Kansrijke locaties te (her)ontwikkelen: we bekijken per locatie wat de beste aanpak
is om (her)ontwikkeling op gang te brengen en uit te voeren. Aan de hand daarvan bepalen
we onze rol als gemeente. Indien er zich kansen voordoen voor de afronding van 3D
en start van 3E, wegen we zorgvuldig af om daar eerder mee van start te gaan.
F. Een architectenpool op te zetten voor het efficiënter benutten van bedrijfsruimte:
conform de motie C01-M17 ‘Efficiënter omgaan met bedrijfsruimte’ die de gemeenteraad
op 12 november 2025 heeft aangenomen, zetten we een architectenpool op. Hiermee ondersteunen
we ondernemers bij plannen voor verbouwing, uitbreiding of (her)ontwikkeling.
4.5 Energietransitie
In 2040 willen we bereikt hebben dat
We een heel eind op weg zijn om in 2050 klimaat- en energieneutraal te zijn. De CO2-uitstoot
is met 80% gedaald ten opzichte van 1990. Klimaatneutraal betekent geen netto-uitstoot
van broeikasgassen. Energieneutraal betekent dat er -op jaarbasis- net zoveel energie
in als uitgaat. Samen met bedrijven en inwoners gaan we zuinig om met energie, wekken
we hernieuwbare energie op, slaan we deze lokaal op en gebruiken we deze lokaal.
We vormen het energiesysteem om naar een slim, groen, robuust systeem. Opwek en opslag gebeuren zoveel mogelijk in clusters nabij locaties waar veel van deze energie wordt gebruikt, zoals bedrijventerreinen. Zo gaat minder elektriciteit verloren en wordt het energienetwerk minder belast. We verminderen het verbruik en de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen. In 2040 willen we dat minstens 50% van de woningen en bedrijven aardgasvrij is.
Dit doen we door als gemeente samen met bedrijven en andere partners de handen ineen te slaan. Iedereen doet mee om vanuit de eigen mogelijkheden samen dezelfde kant op te bewegen naar een duurzame toekomst van Hengelo. We vinden het belangrijk dat bedrijven verantwoordelijkheid nemen en (mede-) eigenaar worden van lokale opwek en opslag van energie. We helpen deze eindgebruikers om te experimenteren en op te schalen, zodat zij groeien in hun rol als mede-eigenaar.
Daarvoor is het nodig dat we
1) Het totale energieverbruik verminderen
Energie die je niet verbruikt hoeft ook niet opgewekt te worden. Daarnaast heeft een
zo laag mogelijk energieverbruik andere voordelen. Het zorgt ervoor dat er minder
gevraagd wordt van het energienetwerk en dat er minder schaarse grondstoffen nodig
zijn voor bijvoorbeeld batterijen. Maar ook dat de transitie naar een aardgasloze
samenleving zo eenvoudig mogelijk is. Voor veel bedrijven staat energiebesparing echter
niet bovenaan de prioriteitenlijst. Door bedrijven te stimuleren en activeren, zorgen
we ervoor dat ze zo min mogelijk energie gebruiken. De invloed van de gemeente is
hierin relatief beperkt, dus kijken we hoe dit zo effectief mogelijk in de praktijk
gebracht kan worden.
2) Het gebruik van (lokale) hernieuwbare energiebronnen vergroten
Het is nodig dat het opwekpotentieel van duurzame energie op de bedrijventerreinen
optimaal benut wordt. De energie die nodig blijft voor onze economie is nog grotendeels
van fossiele afkomst. Deze energie gaan we op duurzame wijze opwekken, bijvoorbeeld
met zonne- en windenergie. Om onnodig transport van energie te voorkomen -en vanwege
problemen in het energienetwerk (netcongestie)- stimuleren we opwek van energie zo
dicht mogelijk bij de gebruiker. Hoe lokaler het energiesysteem op elkaar is afgestemd,
hoe beter.
Een groot potentieel voor zonne-energie zijn de grote daken van bedrijven, maar ook gevels en bijvoorbeeld parkeerplaatsen en ongebruikte stroken. Deze worden echter niet optimaal benut vanwege netcongestie, dakconstructies, verzekeringen etc. Voor windenergie loopt al een apart proces. Op de bedrijventerreinen in Hengelo zijn geen grote windmolens mogelijk. Kleine windmolens zijn mogelijk wel haalbaar. Het is nog de vraag in hoeverre andere energiedragers zoals groene waterstof en biogas een rol gaan spelen in het energiesysteem op de Hengelose bedrijventerreinen.
3) Oplossingen voor netcongestie realiseren
Een groot probleem in de energietransitie is netcongestie in het elektriciteitsnetwerk.
Netcongestie betekent dat er op bepaalde momenten niet genoeg elektriciteit geleverd
kan worden, of er te veel (duurzame) elektriciteit wordt aangeboden. Door vraag en
aanbod van elektriciteit in balans te brengen, lossen we de problemen op in het transportnetwerk
en de beperkingen voor bedrijvigheid en nieuwbouw. In eerste instantie kijken we naar
oplossingen bij het bedrijf zelf (achter de meter) en vervolgens naar samenwerkingsmogelijkheden
tussen bedrijven. Daarnaast wordt ook naar de mogelijkheden gekeken om energie te
delen van aanliggende woonwijken. Oplossingen zoals energieopslag, energiehubs en
smart grids zijn belangrijk om de energievoorziening toekomstbestendig te maken en
daarmee te zorgen dat Hengelo ook in de toekomst aantrekkelijk blijft voor ondernemen.
Dit soort oplossingen vraagt om een lange adem en veel organisatiekracht, ook vanuit
ondernemers.
Het is voor de economische ambitie van de stad essentieel dat dit soort oplossingen gerealiseerd worden. De gemeente heeft er belang bij dat bedrijven in Hengelo blijven en dat zich nieuwe bedrijven vestigen die bijdragen aan de (regionale) ambitie voor een technologische topregio. Daarvoor is de beschikbaarheid van energie randvoorwaarde. Tegelijkertijd willen we dat de ondernemer zelf verantwoordelijkheid neemt over dit soort vraagstukken.
Naast het beter benutten van het bestaande energienetwerk wordt het netwerk ook uitgebreid. Daarvoor worden er ook fysieke assets, zoals trafohuisjes geplaatst op bedrijventerreinen. We zoeken naar voldoende ruimte, waarbij een goede afweging gemaakt zal worden in samenhang met andere ruimtevragen.
4) Het gebruik van aardgas uitfaseren
Veel bedrijven gebruiken aardgas voor hun productieprocessen en als warmtebron voor
utiliteit. We gaan echter naar een aardgasloze samenleving toe en dat betekent dat
bedrijven een alternatieve energiebron moeten gaan gebruiken voor het verwarmen van
gebouwen en in hun productieprocessen. Dit is complexe opgave die veel raakvlakken
heeft met bovenstaande drie vraagstukken. Welke energiebron(en) en energiedrager(s)
is/zijn haalbaar en betaalbaar? Hoe verhoudt zich dat tot netcongestie, lokale opwek
van energie en energiebesparing? Bij dit vraagstuk sluiten we aan op het Warmteprogramma
(2023).
Dat doen we door in de periode 2026 – 2029 te werken aan
1) Het totale energieverbruik te verminderen
A. Intensiever samen te werken met Omgevingsdienst Twente: we gaan in gesprek met
de Omgevingsdienst en maken afspraken over een eventuele intensievere rol in advisering
richting bedrijven, beschikbaar stellen van energiedata en uiteindelijk toezicht en
handhaving op wettelijke verplichtingen.
B. Ondernemers te informeren over en faciliteren in de technische en financiële mogelijkheden
voor energiebesparing: we gaan eraan bijdragen dat ondernemers meer energie besparen
door ze actief te informeren en ondersteunen, bijvoorbeeld door de inzet van accountmanagement
en informatiecampagnes.
2) Het gebruik van (lokale) hernieuwbare energiebronnen te vergroten
C. Ondernemers te informeren over en hen te faciliteren in de technische en financiële
mogelijkheden voor lokale energie-opwek e gebruiken hierbij aanwezige hulpmiddelen
van het Rijk of de provincie, zoals het Ontzorgingsprogramma MKB.
3) Oplossingen voor netcongestie te realiseren
D. Collectieve oplossingen te faciliteren: we werken samen met ondernemers om collectieve
oplossingen te realiseren. Daarnaast stellen we kennis en capaciteit beschikbaar voor
ondernemers om samen naar oplossingen te zoeken en tot uitvoering over te gaan. Daarbij
nemen we warmtevoorziening actief mee als onderdeel van het energiesysteem.
E. Subsidie voor collectieve oplossingen beschikbaar te stellen: we maken het uitvoeren
van collectieve oplossingen voor netcongestie onderdeel van de op te stellen subsidieregeling
Toekomstbestendige Bedrijventerreinen en zorgen dat dit aansluit op andere regelingen.
Daarnaast co-financieren we projecten onder de Regio Deal II vanuit het door de raad
beschikbaar gestelde budget. De Regio Deal II stelt rijksmiddelen beschikbaar voor
het verduurzamen van bedrijventerreinen.
F. Belemmeringen voor de bouw van collectieve energievoorzieningen in het omgevingsplan
weg te nemen
We onderzoeken welke belemmeringen er in het omgevingsplan liggen voor collectieve
energievoorzieningen, zoals batterijen. We stellen vervolgens de raad voor dit mee
te nemen in de wijziging van het omgevingsplan.
4) Het gebruik van aardgas uit te faseren
G. Alternatieven voor aardgas op bedrijventerrein Twentekanaal te onderzoeken: we
zijn al van start gegaan met een onderzoek naar alternatieven voor aardgas op bedrijventerrein
Twentekanaal vanuit het Warmteprogramma.
H. Aardgasvrij mee te nemen als structureel onderdeel bij herontwikkeling: bij herontwikkeling
is aardgasvrij het uitgangspunt. Dit wordt ook opgenomen in het ontwikkelkader bij
Optimaliseren ruimtegebruik. We overwegen andere (tijdelijke) oplossingen wanneer
er sprak is van netcongestie bij belangrijke ontwikkelingen voor de doelen uit de
Omgevingsvisie.
I. Collectieve projecten voor aardgasvrij te faciliteren: wanneer er collectieve projecten
vanuit het bedrijfsleven ontstaan voor alternatieven op aardgas, faciliteren wij deze
door middel het leveren van kennis en expertise.
4.6 Kwaliteitsimpuls
In 2040 willen we bereikt hebben dat
De publieke en private ruimtes van uitstekende kwaliteit zijn, want dit is bevorderlijk
voor de gezondheid, veiligheid en motivatie. De plekken zijn veilig, schoon en onbeschadigd,
hebben een goede en passende infrastructuur, zijn goed onderhouden en er is minimale
leegstand. De inrichting sluit zo goed mogelijk aan bij de behoeften van de gebruikers.
De groen- en watervoorzieningen, ook op bedrijventerreinen, leveren een belangrijke bijdrage aan een gezonde verblijfs- en werkomgeving. Met name op de hightech terreinen wordt er ingezet op een hoge verblijfskwaliteit in de campusachtige setting om (jonge) werknemers te trekken en vast te houden. Hier zijn ook gedeelde faciliteiten zoals ondersteunende sport- en horecagelegenheden voor de werknemers mogelijk. Deze gebiedsontwikkelingen vinden samen met bedrijven plaats.
De voetganger heeft meer ruimte in de werkgebieden, zo ook op de bedrijventerreinen. Niet alleen omdat dat functioneel en veilig is, maar ook omdat we vinden dat de omgeving moet ‘uitnodigen’ tot bewegen, zoals het maken van een wandeling.
Daarvoor is het nodig dat we
1) Duidelijkheid hebben in de behoeften van de gebruikers
Een aantal (delen van) bedrijventerreinen zijn al fijnere verblijfslocaties dan andere.
Wat nodig is kan dus verschillen tussen bedrijventerrein en tussen de gebieden op
een bedrijventerrein. Daarom is het nodig om in beeld te krijgen welke behoeften er
precies zijn per bedrijventerrein. De behoeften van de bedrijventerreinen zijn niet
beperkt tot de werknemers, want de terreinen worden ook recreatief gebruikt. Zoals
voor (pauze)wandelingen, het uitlaten van de hond of als fietsroutes tussen binnenstad
en buitengebied. Door onderzoek te doen naar de verwachtingen en de verhoudingen van
de publieke en private ruimtes (van zowel de werkenden als de inwoners rondom het
gebied) kunnen de andere vraagstukken beter worden ingevuld.
Hier ligt ook de vraag of de terreinen toegankelijk genoeg zijn, ook in relatie tot de arbeidsmarkt. Door in beeld te hebben welke toegankelijkheidsvraagstukken op de bedrijventerreinen liggen, kan er actie worden ondernomen. Hierdoor krijgen bedrijven toegang tot een groter en meer divers arbeidspotentieel, zijn ze bereikbaarder voor meer klanten en worden de bedrijventerreinen niet een obstakel tussen woonwijk en buitengebied.
2) Fysieke veiligheid creëren en garanderen
Voelen mensen zich veilig op het terrein? Durven mensen ’s avonds op het bedrijventerrein
te lopen? Hoe kan voor een gevoel van veiligheid gezorgd worden op de bedrijventerreinen?
Voor een goed werk- en verblijfklimaat is veiligheid een voorwaarde. Ook voor het
vestigingsklimaat en het aantrekken van (nieuwe) werknemers is veiligheid een belangrijke
voorwaarde.
Als de kwaliteit van de omgeving beter is kan het veiligheidsgevoel worden verbeterd. Hier kunnen we bij de inrichting van de ruimte al rekening mee houden, bij zowel de kavels als in de openbare ruimte. Denk hierbij aan goede verlichting, een groene omgeving met goede zichtlijnen en mogelijk cameratoezicht. Zwerfafval, ondermijnende activiteiten, (ongewenste) graffiti, vernielingen, leegstand en hangjongeren werken negatief voor het veiligheidsgevoel. Deze vraagstukken worden meegenomen in de ontwikkelingen op bedrijventerreinen.
3) Het onderhoud op orde hebben
Er wordt ingezet op een goede verblijfskwaliteit op de bedrijventerreinen, dit zal
dan ook onderhouden moeten worden. Er is gekozen voor een laag beheerniveau als gemeentelijke
taak, maar in samenwerking met de ondernemers en gebruikers kan dit wel hoger worden.
Door samen met de ondernemers de volgende vragen te beantwoorden kunnen we duidelijkheid
bieden waar de taken en grenzen precies liggen: Wat wordt het niveau van het onderhoud?
Wat wordt de verdeling van taken? Wie gaat welk onderhoud doen? Zijn bedrijven bereid
zelf voor dit onderhoud te betalen of willen ze dit zelf uitvoeren? Zowel de ondernemer,
als de werknemers, als de gemeente heeft voordelen bij een bedrijventerrein met kwalitatief
hoogstaand onderhoud om aantrekkelijk te zijn, zich te profileren en uit te nodigen
tot beweging in de buitenlucht.
4) Werken aan de uitstraling en beeldkwaliteit van de openbare ruimte, bedrijfspanden
en -percelen
De uitstraling van de bedrijfspanden kan, bij bijvoorbeeld langdurige leegstand of
gebruik in ondermijnende activiteiten, achteruitgaan en in verval raken. Hiermee doet
de slechte uitstraling van het bedrijfspand afbraak aan de kwaliteit van de omliggende
ruimte.
Maar er is ook schuifruimte nodig voor bedrijven die willen groeien en er is huisvesting nodig voor bedrijven die willen beginnen in Hengelo. Deze frictieruimte zit idealiter rond de 5%. Door te zorgen dat het leegstandspercentage rond de frictieruimte blijft faciliteren we doorschuifmogelijkheden en beperken we de langdurige leegstand. Pas bij grootschalige, langdurige leegstand wordt overwogen het type profiel van het bedrijventerrein te verbreden.
Er zijn ook plekken, zowel in de openbare ruimte als op private gronden, die wel in gebruik zijn, maar de gewenste uitstraling niet hebben. Door in gesprek te gaan met de eigenaren en/of de gebruikers wordt duidelijk welke taken liggen bij de gemeente en welke bij de ondernemer en/of pandeigenaar.
Dat doen we door in de periode 2026 – 2029 te werken aan
1) Duidelijkheid in de behoefte van de gebruikers
A. De behoefte als voorwaarde mee te nemen in de profilering en met meervoudig ruimtegebruik:
bij de participatiesessies rondom die vraagstukken actief te vragen naar de behoeften
die de gebruikers hebben. Hiertoe behoort ook de veiligheid en het veiligheidsgevoel.
2) Fysieke veiligheid te creëren en garanderen
B. Het Keurmerk Veilig Ondernemen actiever te stimuleren: dit keurmerk is een certificering
voor bedrijventerreinen dat gericht is op het verbeteren van de veiligheid en het
verminderen van overlast en criminaliteit. Het Keurmerk Veilig Ondernemen wordt opgenomen
in het integraal veiligheidsplan.
3) Het onderhoud op orde te hebben
C. Formele, lange termijn afspraken te maken met ondernemers, ondernemersverenigingen,
pandeigenaren en parkmanagement over collectief onderhoud. Zodat bij herontwikkelingen
en vergroening de rolverdeling duidelijk is en (de kwaliteit van) het onderhoud gezamenlijk
gedragen en uitgevoerd wordt.
4) Te werken aan de uitstraling en beeldkwaliteit van de openbare ruimte, bedrijfspanden
en -percelen
D. Actief accountmanagement: de accountmanagers kunnen problemen signaleren en in
contact komen met de eigenaar om te kijken naar mogelijke oplossingen.
E. Het organiserend vermogen van de bedrijventerreinen te benutten: we moedigen het
aan dat de ondernemersvereniging of de buurt gaat signaleren en de eigenaar of gebruiker
aanspreekt bij (eerste tekenen van) vermindering van ruimtelijke kwaliteit. Zowel
in openbare als private ruimte.
F. Kwaliteitseisen voor bedrijfspanden in het omgevingsplan op te nemen. We onderzoeken
hoe we kwaliteitseisen voor bedrijfspanden in het omgevingsplan kunnen opnemen. Vervolgens
bepalen we de aard en hoogte van die eisen en leggen we de wijziging van het omgevingsplan
voor aan de gemeenteraad.
4.7 Mobiliteit
In 2040 willen we bereikt hebben dat
We behoren tot de groene technologische topregio’s van Nederland. Een goede bereikbaarheid
op alle niveaus is hiervoor cruciaal. We werken toe naar een duurzaam, gezond en veilig
mobiliteitssysteem met op elk schaalniveau de juiste passende verbindingen en vervoermiddelen.
Op internationaal niveau benutten we de centrale ligging van Hengelo optimaal en versterken
we onze verbindingen via water, spoor, (snel)wegen en de lucht (airport Twente). Op
het niveau van de stad hanteren we het STOMP-principe. Dat betekent dat we eerste
prioriteit geven aan wandelen, fietsen, openbaar vervoer en deelmobiliteit en als
laatste kijken naar de auto. Per gebied staat maatwerk centraal in het toepassen van
het STOMP-principe.
We willen onnodige verkeersbewegingen door de stad voorkomen. In 2040 zijn alle belangrijke economische en maatschappelijke bestemmingen in Hengelo en de regio uitstekend bereikbaar voor fietsers. We maken veilige fietsroutes voor de bereikbaarheid van de bedrijventerreinen. Waar mogelijk benutten we technologische innovaties om fietsen nog aantrekkelijker te maken. Het Hoogwaardig Openbaar Vervoer (HOV) brengt je snel en comfortabel naar belangrijke bestemmingen in de regio. HOV versterken we door mobiliteitshubs te ontwikkelen langs de HOV-lijnen, waaronder ook op bedrijventerreinen.
De bedrijventerreinen en logistieke knooppunten van Hengelo hebben een gunstige ligging, zowel over het water (Twentekanaal), per spoor (strategische ligging in Twente), als per (vracht)auto. Deze ligging willen we nog beter benutten voor logistiek vervoer. We stimuleren bedrijven om goederen over water te vervoeren en waar mogelijk ook per spoor.
Daarvoor is het nodig dat we
1) Het STOMP-principe stimuleren
Het stimuleren van STOMP gaat met name over personenvervoer en bestaat uit twee componenten:
Enerzijds de inrichting van de fysieke infrastructuur, en anderzijds beïnvloeding
van mobiliteitsgedrag. De eerste component behelst onder meer het wandel- en fietsvriendelijk
inrichten van de openbare ruimte.
De tweede component komt voort uit de eerste. Pas als er sprake is van een STOMP-vriendelijke fysieke inrichting, kan er verleid worden tot vervoersbewegingen per voet, fiets of het openbaar vervoer; maar ook de werkgevers hebben dan de taak om de STOMP-principes bij hun werknemers en bezoekers aan te moedigen.
Het is nodig om het OV op bedrijventerreinen verder te versterken en werkgevers en werknemers te stimuleren om hiervan gebruik te maken. Daarnaast kijken we hoe we mobiliteitshubs kunnen inzetten om de mobiliteitstransitie op de bedrijventerreinen op gang te brengen. Ook voor last-mile vervoer en P&R-locaties binnen personenvervoer, wordt er gekeken naar de bedrijventerreinen.
2) Logistiek efficiënter inrichten
Naast personenvervoer gaan we ook aan de slag met de logistiek. Daarin gaan we een
efficiëntieslag maken. We minimaliseren de vervoersbewegingen zoveel mogelijk en benutten
het kanaal beter zodat er minder vervoer over de weg nodig is. Daarnaast clusteren
we de logistieke ketens op bedrijventerreinen zoveel mogelijk, eventueel kan dit in
de profilering al worden meegenomen. De clustering kan bijvoorbeeld door middel van
logistieke overslagpunten. Dit heeft als voordeel dat de ruimte efficiënter wordt
benut en de bedrijventerreinen bijvoorbeeld ook bijdragen aan de doelstellingen voor
de zero-emissie binnenstad.
3) Slimme en schone logistiek faciliteren
Voor de logistieke keten geldt een stevige (landelijke) ambitie richting zero-emissie.
We gaan toewerken naar een zero-emissie logistieke keten door goede logistieke overslagpunten
te ontwikkelen. Daar ligt ook een groot energievraagstuk, want de logistiek zal overstappen
op elektriciteit of een andere duurzame brandstof. We hebben de opdracht ervoor te
zorgen dat de benodigde infrastructuur daarvoor aanwezig is, zodat de logistiek de
transitie naar zero-emissie kan maken. Daarom is er ook afstemming met het Deelprogramma
Laden.
Dat doen we door in de periode 2026 – 2029 te werken aan
1) Het STOMP-principe te stimuleren
A. De potentie van OV-bereikbaarheid op de bedrijventerreinen in kaart te brengen
en die te verbeteren: we onderzoeken eerst waar er mogelijkheden zijn om het OV te
verbeteren. Vervolgens maken we, samen met bedrijven, een plan om de mogelijkheden
te benutten. Daarbij benutten we de al uitgevoerde onderzoeken vanuit de gemeente
en andere instanties.
B. Te onderzoeken of collectieve mobiliteitsoplossingen haalbaar en effectief zijn:
mobiliteitshubs, deelmobiliteitsplaatsen, gedeeld fietsplan, een gezamenlijk wagenpark
of gedeelde parkeervoorzieningen kunnen een mogelijkheid zijn om de personenauto minder
te gebruiken.
C. Een eerste fysieke ruimte in te richten naar het STOMP-principe: volgend op de
onderzoeken wordt er gestart met een eerste project om STOMP in de fysieke ruimte
toe te passen. Hierbij wordt aangehaakt bij Deelprogramma Fiets en worden de wandelingen
op en over de bedrijventerreinen ook meegenomen.
2) Logistiek efficiënter in te richten
D. Clustering van logistieke functies te onderzoeken: zo wordt logistiek een kleinere
ruimtevrager en kan er efficiënter met de ruimte en voorzieningen als laad- en losplaatsen
worden omgegaan. Hierbij hebben we ook aandacht voor de bereikbaarheid met betrekking
tot bedrijfsprocessen, zoals bestelbussen en vrachtwagens.
E. Overslagpunten voor zero-emissie bevoorrading als concept te onderzoeken: we onderzoeken
hoe en waar dit concept kan landen op bedrijventerreinen. In het ruimtelijk ontwikkelkader
wordt vervolgens meegenomen dat de bedrijventerreinen de plek worden waar vervuilende
logistiek wordt overgeslagen naar schone (kleinere) logistiek voor de bevoorrading.
We verankeren dit, indien nodig, in het Omgevingsplan.
3) Slimme en schone logistiek te faciliteren
F. De koppeling tussen (elektrische) logistiek en lokale energieopwekking te onderzoeken:
logistiek zal op termijn energieneutraal worden, waarbij lokale energieopwekking voor
het opladen meegenomen moet worden. We onderzoeken daarom, samen met ondernemers,
waar plek is voor logistiek laden op bedrijventerreinen en hoe de (lokale) energiebronnen
daarvoor ingezet kunnen worden.
G. De inzet van gemeentelijke gronden voor schone logistieke toepassingen te verkennen:
schone logistiek heeft een aanvullende ruimtevraag. Het is de vraag of daar gemeentelijke
grond voor nodig is en of er ruimte voor te reserveren of vrij te maken is.
4.8 Circulair
In 2040 willen we bereikt hebben dat
Grondstoffen zoveel mogelijk lokale herkomst hebben via korte ketens. En dat grondstoffen
hergebruikt worden, want in 2050 zijn we een circulaire samenleving. Bewustwording
is hierbij cruciaal: van nuttigen naar benutten, van kwantiteit naar kwaliteit en
van consumeren naar consuminderen. Waar hergebruik niet mogelijk is, wordt afval op
schone wijze verbrand en wordt de daarbij vrijkomende warmte gebruikt voor gebouwverwarming
en industriële processen. Dit geldt ook voor restwarmte uit onze maakindustrie. Nieuwe
ontwikkelingen dragen bij aan een duurzame, circulaire en gezonde stad. Op herontwikkellocaties
in de stad kijken we hoe we materialen kunnen hergebruiken of dat we de gebouwen een
andere functie kunnen geven. Het versterkt de identiteit van de plek en draagt bij
aan het behoud van erfgoed. Onze haven is een strategische plek en logistieke hub
voor hernieuwbare grondstoffen.
Dit alles doen we door als gemeente samen met de bevolking en partners de handen ineen te slaan. Binnen Twente is zowel tussen overheden onderling als tussen overheid, bedrijfsleven en onderwijs afgesproken gezamenlijk te werken aan een circulaire economie (gesloten grondstofkringlopen). De aanwezige hightech en maakindustrie in Hengelo zetten we in om kennis te ontwikkelen en te innoveren op onder meer het hergebruik van grondstoffen.
Daarvoor is het nodig dat we
1) Inzicht hebben in grondstoffen- en materialenverbruik en ketens
Om een circulaire economie te realiseren brengen we het gebruik van nieuwe niet-hernieuwbare
grondstoffen (zoals mineralen, metalen en fossiele grondstoffen die uit de aarde worden
gewonnen) terug naar 0. Op dit moment is er op lokaal niveau geen inzicht welke (en
hoeveel) van deze grondstoffen gebruikt worden. Dit geldt ook voor (drink)watergebruik
en materiaalgebruik. Daardoor is het niet mogelijk te bepalen waar de meeste winst
te behalen is, waar lokale samenwerkingsmogelijkheden liggen en of gerichte maatregelen
op bepaalde grondstoffenketens wenselijk zijn.
2) Ruimte voor circulaire bedrijvigheid creëren
Circulaire bedrijvigheid heeft in veel gevallen goede bereikbaarheid en (milieu)ruimte
nodig. Zoals bij het thema Profilering is geschetst, wordt deze ruimte niet altijd
goed benut, waardoor circulaire ontplooiing wordt geremd. Door te zorgen voor voldoende
(milieu)ruimte waar circulaire bedrijfsprocessen kunnen plaatsvinden, zoals grondstoffendepots,
kan de circulaire economie gestimuleerd worden. Zo heeft het Planbureau voor de Leefomgeving
(2023) geconcludeerd dat de toename van de ruimtevraag voor de circulaire economie
tussen de 0 en 40% ligt. Daarnaast is er een extra vraag naar ruimte in een overgangsfase
van een lineaire naar een volledig circulaire economie. Hierin ligt ook een cruciale
rol voor het kanaal.
3) Circulaire bedrijvigheid stimuleren en faciliteren
Op dit moment is onze maatschappij ingericht op zoveel mogelijk consumptie van materiële
goederen, met uitputting van grondstoffen tot gevolg. Dit kan worden teruggebracht
als bedrijven de circulaire principes van de 10R-ladder in hun ontwerp-, productie-,
en bedrijfsprocessen verankeren. Dat betekent dat bedrijven eerst individueel kijken
hoe producten slimmer gemaakt en gebruikt kunnen worden, daarna kijken hoe de levensduur
van producten en onderdelen verlengd kan worden en als laatste kijken hoe restmaterialen
nuttig toegepast kunnen worden. Doordat bedrijven op een zo lokaal mogelijke schaal
samenwerken om grondstofkringlopen te realiseren, kunnen ze efficiënter omgaan met
grondstoffen en reststromen. Dit kan alleen als bedrijven zich bewust zijn van de
noodzaak tot circulariteit, kennis hebben van circulaire oplossingen (individueel
en collectief) en toegang hebben tot haalbare circulaire businesscases.
4) Als gemeente het (juridisch) instrumentarium gaan inzetten
Als gemeente kunnen we sturen op circulaire economie. Door het verplicht stellen van
een materialenpaspoort bij de aanvraag van een omgevingsvergunning of door via het
omgevingsplan voorwaarden te stellen, kan de gemeente circulair gedrag bevorderen.
Maar we kunnen bijvoorbeeld door een omgevingsplan ook locaties reserveren voor circulaire
activiteiten, zoals een materialendepot. Het is vraag of we dit we dit willen en vervolgens
hoe we gaan regelen.
Dat doen we door in de periode 2026 – 2029 te werken aan
1) Inzicht in grondstoffenverbruik en grondstoffenketens
A. Een onderzoek uit te voeren naar het huidige grondstoffen-, materialen- en watergebruik:
hierbij maken we kansen voor circulariteit inzichtelijk waarop we vervolgens kunnen
sturen op het implementeren van de 10R-ladder in de praktijk.
2) Ruimte voor circulaire bedrijvigheid te creëren
B. Te onderzoeken welke ruimtelijke behoefte er is voor circulaire processen, nu en
in de toekomst: het in beeld brengen welke ruimte nodig is voor circulaire activiteiten,
inclusief tijdelijke ruimte in de transitieperiode. Hierbij wordt ook gekeken of dit
in Hengelo moet plaatsvinden of dat dit op regionaal niveau wordt opgepakt.
3) Circulaire bedrijvigheid te stimuleren en faciliteren
C. Bedrijven te ondersteunen bij het toepassen van circulaire principes: we ontwikkelen
een kennisaanbod en organiseren bijeenkomsten over circulaire businessmodellen, samenwerking
in ketens en toepassing van de 10R-ladder.
D. Een circulair proefproject op te starten samen met partners op een bedrijventerrein:
we starten in publiek-private samenwerking een project om de circulaire principes
in de praktijk toe te passen. Hiervoor wordt gezocht naar eventuele subsidiemogelijkheden
zoals het C3 Circulair City Programma (CCA) vanuit de Europese Investeringsbank (EIB).
4) Als gemeente het (juridisch) instrumentarium gaan inzetten
E. Te verkennen of en hoe circulaire voorwaarden opgenomen kunnen worden in het omgevingsplan:
bijvoorbeeld door het verplicht stellen van een materialenpaspoort of het reserveren
van ruimte voor circulaire functies zoals materialendepots. Ook nemen we circulaire
principes mee in het ontwikkelkader.
F. Circulaire principes bij projecten in de openbare ruimte toe te passen: we passen
de circulaire principes van de 10R-ladder toe wanneer we in de openbare ruimte op
bedrijventerreinen werken.
4.9 Klimaatbestendig
In 2040 willen we bereikt hebben dat
Hengelo een klimaatbestendige, groene en gezonde stad is. Dit houdt in dat er een
goede milieukwaliteit met voldoende groen, biodiversiteit en water is waarin we voorbereid
zijn op een veranderend klimaat met grotere weersextremen zoals droogte, hitte en
wateroverlast. De huidige klimaatopgaven vragen om vitale groene gebieden, die biodivers
zijn, met een gezonde open bodem en met voldoende capaciteit voor waterberging. Deze
klimaateffecten worden zo lokaal mogelijk voorkomen, opgevangen en verholpen.
Voor een gezonde ecologische basis is het van belang dat er voldoende oppervlakte van goede kwaliteit aan groen is en dat deze groene gebieden, plekken en zones met elkaar in verbinding staan. Niet alleen ten dienste van mensen, maar ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur. De hoofdgroenstructuur vormt hiervan de ruggengraat.
Aan nieuwe ontwikkelingen worden door de provinciale omgevingsvisie randvoorwaarden meegegeven die gaan bijdragen aan de doelen voor onder andere klimaat en groen.
Daarvoor is het nodig dat we
1) Sturen vanuit de bodem- en watersystemen
Het is nodig dat de bodem- en watersystemen als sturend principe worden opgenomen
in de omgevingsopgaven. Dit houdt in dat de bodemkwaliteit niet achteruit mag gaan
en dat de wateropgaven vast onderdeel zijn bij ontwikkelingen in de ruimte. Met robuuste
bodem- en watersystemen zijn we beter voorbereid op de schommelingen in het weer die
de klimaatverandering met zich meebrengt. Bovendien dragen we bij aan de groenvoorziening,
wat een impuls geeft aan de ruimtelijke kwaliteit. Het goed in beeld hebben van deze
systemen is een voorwaarde voor effectieve klimaatadaptatie. Zodra die in beeld zijn,
is het van belang om ervoor te zorgen dat bodem- en watersystemen in de omgevingsplannen
op een bedrijventerrein goed worden meegenomen en dat de samenhang tussen bodem, water
en groen hierin goed vorm wordt gegeven.
2) Groen en biodiversiteit stimuleren en versterken
Gemeente Hengelo heeft een afgebakende hoofdgroenstructuur (HGS). In de ontwikkelingen
op de bedrijventerreinen komt het voor dat de hoofdgroenstructuur en de ruimtelijke
ontwikkelingen met elkaar botsen. Daarom is het van belang om ervoor te zorgen dat
ruimtelijke ontwikkelingen kunnen plaatsvinden zonder dat de kwaliteit van de ecologische
structuren wordt verminderd. Of om te zorgen dat met ruimtelijke ontwikkelingen de
ecologische kwaliteit juist versterkt wordt. Daarbij worden ook private terreinen,
zoals op daken en gevels, goed benut.
Het is van belang om in kaart te brengen welke mogelijkheden er zijn voor de gemeente en bedrijven om groen en biodiversiteit op bedrijventerreinen te versterken, zeker ook op andere plekken dan het maaiveld.
3) Voorbereid zijn op klimaatextremen
Met klimaatextremen wordt bedoeld: droogte, hittegolven, hevige of langdurige neerslag
en de daarbij voorkomende wateroverlast. Het veranderende klimaat heeft ook zijn weerslag
op de bedrijventerreinen in Hengelo. Door vergroening te stimuleren en verstening
te verminderen, wordt het op warme dagen minder warm en kan bij hevige neerslag het
water beter de grond in trekken. Ook isolatie van de bedrijven, groenvoorzieningen,
afwatering en wateropvang kunnen bijdragen bij het klimaatbestendig worden van de
bedrijventerreinen. Voor de klimaatbestendigheid wordt eerst gekeken naar maatregelen
met de individuele bedrijven, daarna die vanuit de straat en ten slotte op niveau
van het gehele bedrijventerrein. Waar het gaat om afwatering en waterberging wordt
wel rekening gehouden met het mogelijk mobiliseren van bodemverontreiniging.
Dat doen we door in de periode 2026 – 2029 te werken aan
1) Te sturen vanuit de bodem- en watersystemen
A. Het in beeld brengen van bodem- en watersystemen: we voeren een analyse uit van
de huidige bodem- en watersystemen op onze bedrijventerreinen, door op een aantal
locaties experimentele metingen te gaan doen.
B. Het analyseren van de verschillen tussen de huidige en gewenste situatie: we vergelijken
de huidige situatie met de geldende (wettelijke) ondergrenzen van kwaliteit, zoals
de Kaderrichtlijn Water. Indien blijkt dat we op locaties niet het gewenste kwaliteitsniveau
hebben, nemen we maatregelen om de bodem- en waterkwaliteit te verbeteren zodat we
voldoen aan het gewenste niveau.
C. De bodem- en watersystemen als sturend principe mee te nemen in (her)ontwikkeling:
door dit vraagstuk structureel mee te nemen in de integrale benadering worden de bodem-
en watersystemen vooraf meegenomen bij elke activiteit die naar aanleiding van het
OTB wordt opgepakt.
2) Groen en biodiversiteit te stimuleren en versterken
D. De huidige en benodigde/gewenste kwaliteit en kwaliteit van groen en biodiversiteit
te analyseren per bedrijventerrein: we brengen de huidige kwaliteit en kwantiteit
van groen en biodiversiteit op elk bedrijventerrein in kaart, zowel ecologisch als
qua beeldkwaliteit. Vervolgens brengen we het gewenste niveau in kaart in samenwerking
met de gebruikers van de terreinen. We analyseren waar het huidige niveau afwijkt
van het gewenste niveau.
E. Te onderzoeken of en hoe we kunnen sturen op de gewenste kwaliteit en kwantiteit
van groen en biodiversiteit: op basis van de uitkomsten van de hiervoor genoemde analyse
onderzoeken we of, hoe en waar we kunnen sturen op de gewenste ecologische kwaliteit
en beeldkwaliteit door middel van het ontwikkelkader en/of het omgevingsplan. Indien
mogelijk en wenselijk leggen we maatregelen en/of regels vast.
F. Het ecologisch onderhoud op bedrijventerrein uit te breiden: we gaan onderzoeken
waar we het ecologisch maaibeleid kunnen uitbreiden en versterken. Daarbij kijken
we ook samen met eigenaren hoe zij hun percelen meer ecologisch verantwoord kunnen
onderhouden.
G. Op minimaal 1 bedrijventerrein een ecologisch verantwoord groenplan op te stellen
en uit te voeren: we gaan samen met ondernemers en eigenaren een gezamenlijk ecologisch
verantwoord groenplan opstellen. Dat gaat over zowel de openbare als private ruimte.
Gezamenlijk voeren we de maatregelen uit het groenplan uit.
3) Voor te bereiden op klimaatextremen
H. Een menukaart voor klimaatmaatregelen op te stellen voor eigenaren op bedrijventerreinen:
we maken inzichtelijk welke maatregelen eigenaren zelf kunnen nemen om hun percelen
meer klimaatbestendig in te richten. Daarbij laten we zien wat het kost en wat het
ook oplevert.
I. Op minimaal 3 locaties maatregelen te treffen om de inrichting meer klimaatbestendig
te maken. We analyseren welke delen van onze bedrijventerreinen het minst klimaatbestendig
zijn. Vervolgens gaan we als proefproject voor minimaal drie van deze locaties klimaatbestendigheidsmaatregelen
uitvoeren. Te denken valt aan het verwijderen van onnodig verhard oppervlak, het vergroenen
van parkeerterreinen of oplossingen voor (toekomstig) tekort aan proceswater. Deze
maatregelen kunnen onderdeel van een groter project zoals een herontwikkeling.
4.10 Uitvoeringsagenda
Hieronder is een totaaloverzicht gegeven van de Uitvoeringsagenda. Hierin zijn alle activiteiten opgenomen. De verschillende thema’s hebben een kleur gekregen voor de leesbaarheid van de tabel. De planning is opgebouwd in de aankomende jaren, inclusief het jaar 2025. Dat komt doordat sommige activiteiten een voorzetting zijn van waar we al mee bezig zijn. 2026 en 2027 zijn verder onderverdeeld in de eerste en tweede helft van het jaar. Voor 2028 en 2029 is deze concretisering nog niet gemaakt. Dat gebeurt in de herijking van het OTB. Deze agenda is het uitgangspunt voor de uitvoering. We kunnen hiervan afwijken indien dit goed afgewogen en onderbouwt is. Denk bijvoorbeeld aan een situatie waarbij we eerder dan gepland in kunnen spelen op een concrete kans op een bedrijventerrein.
De kleuren in de planning hebben elk een betekenis:

5 Integrale werkwijze
5.1 Integraal werken in het OTB
Het OTB is een integraal en gebiedsgericht programma. Dat betekent dat op elk te onderscheiden bedrijventerrein verschillende (ruimtelijke) opgaven in samenhang aangepakt worden. In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe we deze samenhang in de praktijk organiseren. In essentie leggen we een aanpak vast die ervoor zorgt dat bij besluiten en projecten op bedrijventerreinen de juiste afweging wordt gemaakt over welke vraagstukken wel of niet worden meegenomen en op welke manier. Deze aanpak is opgesteld aan de hand van de PMC-methode.
5.2 De aanpak
Stap 1: Opdrachtdefinitie
Er wordt een opdracht geformuleerd vanuit de uitvoeringsagenda OTB of vanwege een
initiatief van derden welke onder (één van) de thema’s en vraagstukken uit het OTB.
Bij dit laatste kan gedacht worden aan een ondernemerscollectief dat gezamenlijk een
collectief laadplein wil realiseren en hiervoor de gemeente vraagt om samen te werken,
te faciliteren of te participeren in het project.
Stap 2: De vraagstukkenselectie
De persoon met de rol van projectleider is verantwoordelijk voor de check op welke
vraagstukken uit het OTB relevant zijn voor de opdracht. Criteria voor relevantie
kunnen zijn:
-
Is de uitvoering van de opdracht afhankelijk van dit vraagstuk?
-
Kan het meenemen van dit vraagstuk zorgen voor een meer toekomstbestendig resultaat?
-
Is er sprake van ruimtelijke concurrentie met dit vraagstuk?
-
Zijn er kansen voor meervoudig ruimtegebruik?
De projectleider verdeelt de vraagstukken vervolgens in de onderstaande categorieën:
1) Randvoorwaarde
- De opdracht is afhankelijk van de uitkomsten van een activiteit uit de Uitvoeringsagenda
OTB.
Voorbeeld: Om de gewenste profilering per bedrijventerrein op te stellen, is het randvoorwaarde
dat onderzocht is welke lokale ruimtelijke behoefte er is voor circulaire processen;
nu en in de toekomst.
- De opdracht wordt op zware positieve of negatieve wijze beïnvloed door een vraagstuk
en/of een activiteit uit de Uitvoeringsagenda OTB.
Voorbeeld: Een herontwikkeling op een bedrijventerrein is afhankelijk van de ruimte
op het energienetwerk. Bij netcongestie moeten er aanvullende maatregelen worden genomen
om de ontwikkeling mogelijk te maken.
2) Actief meenemen
- De opdracht stuurt actief op een vraagstuk en/of activiteit uit de Uitvoeringsagenda
OTB, maar is er niet afhankelijk van. Het vraagstuk of de activiteit wordt onderdeel
van de opdracht en het projectresultaat.
Voorbeeld: Er wordt een nieuw fietspad aangelegd vanuit het STOMP-principe. Daarbij
kan onderdeel zijn van de opdracht om hierbij de circulaire principes van de 10R-ladder
toe te passen. Maar het fietspad kan ook aangelegd worden op de traditionele wijze.
Daarmee is circulair dus geen randvoorwaarde, maar kan er wel zorgen dat het resultaat
meer toekomstbestendig is.
3) Neveneffect
- De opdracht stuurt niet actief op een vraagstuk en/of activiteit uit de Uitvoeringsagenda
OTB, maar heeft wel een positief of negatief effect hierop.
Voorbeeld: Bij verdichting op een bedrijventerrein wordt er niet actief gestuurd op
biodiversiteit, maar deze activiteit kan er wel voor zorgen dat de mate van biodiversiteit
veranderd.
4) Wel relevant, maar niet meenemen
- De opdracht heeft effect op een vraagstuk en/of activiteit benoemd in de Uitvoeringsagenda
OTB, maar deze wordt niet meegenomen in de opdracht.
Voorbeeld: Er wordt een straat opnieuw geasfalteerd. Onder het thema circulair hebben
we bepaald dat we daarbij circulaire principes toepassen. Maar wellicht kan het circulaire
asfalt niet (tijdig) geleverd worden.
5) Niet relevant
- De opdracht heeft geen effect op een vraagstuk en/of activiteit benoemd in de Uitvoeringsagenda
OTB.
Voorbeeld: Bij de verbetering van uitstraling van de bedrijfspanden heeft het oplossen
van netcongestie geen effect.
Deze afweging dient zorgvuldig te worden gemaakt. Daarom moeten in ieder geval onderstaande
overwegingen meegenomen worden in de onderbouwing van de selectie. Wanneer vraagstukken
wel relevant zijn, maar niet worden meegenomen, dient dit goed onderbouwd te worden.
1) De verhouding tussen korte termijn resultaat en langetermijn doelen
- Voorbeeld: Een project wil op korte termijn extra parkeerplekken realiseren voor
auto’s om de bereikbaarheid te verbeteren. Dit staat op gespannen voet met het langetermijndoel
om het STOMP-principe toe te passen.
- Afweging: Wordt er gekozen voor een tijdelijke oplossing met een duidelijke afbouwstrategie,
of wordt direct ingezet op duurzame mobiliteit?
2) Afwenteling op toekomstige generaties of andere plekken
- Voorbeeld: Een bedrijf wil uitbreiden op een locatie die ook in beeld is voor waterberging
en vergroening. Door nu te kiezen voor bebouwing, wordt de klimaatadaptieve functie
van het terrein beperkt.
- Afweging: Is er een alternatief dat de uitbreiding mogelijk maakt zonder de opgave
van voldoende waterberging en groene kwaliteit af te schuiven naar een volgende generatie
of een andere plek in de omgeving?
3) De uitvoerbaarheid van de opdracht, in tijd, middelen en capaciteit
- Voorbeeld: Het meenemen van circulaire bouwprincipes in een herontwikkeling is wenselijk,
maar vraagt extra expertise en budget. De projectplanning is krap en het beschikbare
budget beperkt.
- Afweging: Kan het circulaire aspect gefaseerd worden ingevoerd, of zijn er subsidiemogelijkheden
om het toch mogelijk te maken?
4) Latere betrokkenheid van vraagstukken
- Voorbeeld: In een mobiliteitsproject is vergroening niet direct relevant, maar bij
de herinrichting van de openbare ruimte ontstaat later wel ruimte voor biodiversiteit.
- Afweging: Wordt het vraagstuk nu passief gevolgd, met het voornemen om het in een
latere fase actief te betrekken?
Stap 3: Definitieve opdracht – Plan van Aanpak
De projectleider stelt een Plan van Aanpak (PvA) op waarin de selectie uit stap 2
is verwerkt. Hierin wordt onderbouwd welke vraagstukken worden meegenomen en op welke
wijze. Daarin wordt toegelicht hoe participatie wordt toegepast en hoe de voortgang
op de gekozen vraagstukken wordt gemonitord. Daarnaast wordt gekeken of er elders
al goede voorbeelden zijn die aansluiten bij de vraagstukken in de opdracht.
Het PvA wordt afgestemd met de ambtelijk en bestuurlijk opdrachtgever. Zij kunnen
bijsturen met inachtneming van de overwegingen uit stap 2.
Stap 4: Monitoring en evaluatie
Tijdens en na uitvoering wordt geëvalueerd of de integrale aanpak goed is toegepast.
De projectleider en opdrachtgever kunnen tussentijds bijsturen. Na afronding wordt
een evaluatie uitgevoerd waarin leerpunten worden vastgelegd en geborgd via de ambtelijk
opdrachtgever op managementniveau.
5.3 Continue verbeterend proces
Integraal werken is complex en leidt tot een doorlopend proces met vallen en opstaan. Daarom wordt de integrale werkwijze continue geëvalueerd en waar nodig verbeterd. Een belangrijk herijkingsmoment voor de aanpak is in ieder geval bij het opstellen van het Ontwikkelkader voor ruimtelijke initiatieven, zoals omschreven bij het thema Optimaliseren ruimtegebruik.
6 Uitgangspunten
6.1 Uitgangspunten
Om naar toekomstbestendige bedrijventerreinen toe te werken, is een aantal uitgangspunten gekozen. Deze uitgangspunten dienen als vertrekpunt voor de uitvoering van het omgevingsprogramma.
1) Als gemeente zijn we flexibel als het gaat om toekomstbestendige bedrijventerreinen.
Het toekomstbestendig maken van de bedrijventerreinen vraagt grote veranderingen op
meerdere vlakken. De opgaven hangen samen en worden beïnvloed door externe factoren.
Het is een doorlopend proces, waarbij we de ontwikkelingen van de komende jaren in
de gaten houden en daarmee flexibel willen omgaan.
2) We pakken de opgaven op de bedrijventerreinen integraal aan.
Op bedrijventerreinen spelen ruimtelijke opgaven vanuit verschillende thema’s die
we in samenhang aanpakken. Daarbij maken we bewuste afwegingen voor het al dan niet
meenemen van andere opgaven.
3) We kiezen onze rol als gemeente op basis van het doel en niet andersom
We kijken zoveel mogelijk eerst wat nodig is om de ambities te behalen en beslissen
vervolgens welke rol of rollen nodig zijn om dat doel te bereiken. We denken hierbij
vanuit kansen in plaats van belemmeringen. De vier rollen die we kunnen inzetten zijn:
-
Realiserende overheid
We gaan zelf aan de slag en nemen initiatief. -
Samenwerkende overheid
We werken samen met andere partijen. Verantwoordelijkheden en kosten delen we hierin. -
Regulerende overheid
We dwingen acties en maatregelen af bij andere partijen, bijvoorbeeld via het Omgevingsplan. -
Ondersteunende overheid
Het initiatief voor acties of maatregelen ligt bij andere partijen. Wij ondersteunen.
Daarbij is het wel zo dat de eigenaar in eerste instantie verantwoordelijk is voor
het toekomstbestendig maken van zijn/haar eigendom. Dit geldt voor private en publieke
organisaties. Het overgrote gedeelte van de grond en vastgoed op onze bedrijventerreinen
is in particulier bezit. De gemeente heeft (bijna) geen grondpositie, behalve de openbare
ruimte. Bovendien is het bezit versnipperd. Samenwerking met ondernemers, ondernemersverenigingen
en eigenaren is daarom essentieel voor het realiseren van de ambities.
4) We omarmen een cultuur van pionieren en experimenteren met oplossingen voor de
toekomst
Vooruitgang vereist innovatie. Dat vraagt om moed en de wil om nieuwe, ongebaande
wegen te verkennen. Daarom nemen we een actieve houding aan in het ontwikkelen en
testen van innovatieve activiteiten op de bedrijventerreinen. We stimuleren partners
om samen met ons op verantwoorde wijze te experimenteren en leren van zowel successen
als mislukkingen.
7 Financiële paragraaf
7.1 Financiële paragraaf
Voor het OTB heeft de gemeenteraad in de raadsvergadering van 9 juli 2025 een budget van € 300.000 per jaar vrijgemaakt voor 2026 en 2027. Dit budget betreft het programmabudget. Dit budget is gericht op het in gang zetten van noodzakelijke processen en voorbereidende maatregelen, zoals organisatieversterking en verdiepende onderzoeken. Bovenop de € 300.000 komt een bedrag van € 50.000 uit de bestaande post ‘Ontwikkeling bedrijventerreinen algemeen 63204001’. Daarnaast heeft de gemeenteraad voor 2026 en 2027 elk jaar € 50.000 beschikbaar gesteld voor het thema Optimaliseren ruimtegebruik, activiteit 3F ‘het opzetten van de architectenpool’.
Het programmabudget voor 2026 bestaat voor ongeveer een derde deel uit gelden ten behoeve van het versterken van het organiserend vermogen, terwijl ongeveer twee derde deel voor onderzoeks- en voorbereidingsmaatregelen dient. Voor 2027 bestaat het programmabudget voor ongeveer een derde deel uit gelden voor onderzoeks- en voorbereidingsmaatregelen, een derde voor het vergroten van het organiserend vermogen en een derde deel voor het opzetten van een subsidieregeling. Indien nodig vragen we de gemeenteraad om additionele middelen voor de uitvoering van het OTB.
Het projectbudget is gericht op de uitvoering van fysieke projecten, zoals herontwikkeling, vergroening en oplossingen voor netcongestie. De exacte invulling van het projectbudget wordt nog nader bepaald (p.m.) en voorgelegd aan de gemeenteraad.
Voor onszelf maken we een inschatting voor de uitvoeringsbudgetten. Zo kunnen we bijhouden of we op schema liggen en- indien nodig- tijdig aanvullende middelen aanvragen.
8 Monitoring en evaluatie
8.1 Monitoring en evaluatie
We monitoren en evalueren (onderdelen van) het OTB op verschillende momenten gedurende de looptijd van het programma. Hieronder is beschreven op welke momenten dat is.
Jaarlijkse monitoring op de uitvoeringsagenda
We monitoren elk jaar of we op schema liggen met het uitvoeren van de uitvoeringsagenda.
Afwijkingen rapporteren we via de P&C-cyclus.
Herijking OTB
We herijken het OTB na de eerste twee jaar van uitvoering. Dat is nodig omdat een
groot deel van het programma een onderzoekend karakter heeft en veel voorbereidende
activiteiten bevat die daarna juridisch verankerd moeten worden in het omgevingsplan
of in nieuwe projecten gevat moeten worden. Bij deze herijking concretiseren we de
uitvoeringsagenda verder voor de laatste twee jaar van het programma.
Daarnaast evalueren we de publiek-private samenwerking met het bedrijfsleven en de maatregelen die genomen zijn om het organiserend vermogen te vergroten.
Tussentijdse bijsturing OTB
In een aantal gevallen kan er reden zijn om tussentijds het OTB aan te passen en bij
te sturen. Dat kan het geval zijn als gevolg van trends en ontwikkelingen. Denk aan
veranderend rijksbeleid en wetgeving, beschikbare subsidie- en ondersteuningsinstrumenten
vanuit andere organisaties, en ontwikkelingen in de lokale economie.
Ook kan een actualisatie van de omgevingsvisie reden zijn om het OTB aan te passen. Dat komt doordat het OTB uitvoering geeft aan de ambities en kaders uit de omgevingsvisie en past bij werken conform de beleidscyclus, een van de uitgangspunten van de Omgevingswet.
Het college van B&W kan het OTB tussentijds wijzigen met een collegebesluit. Hiervoor zijn in principe geen aanvullende procedures nodig, hoewel afhankelijk van het onderwerp wel altijd aandacht moet zijn voor participatie. Indien er aanvullend budget nodig is voor de uitvoering van het OTB zullen we dit bij de gemeenteraad moeten aanvragen.
Integrale werkwijze
We monitoren en evalueren de bruikbaarheid en effectiviteit van de integrale werkwijze
continue. Dat betekent dat we regelmatig controleren of de werkwijze wordt toegepast
zoals is bedoeld in het OTB en of het toepassen van de werkwijze het beoogde effect
heeft. Wanneer we zien dat de integrale werkwijze verbeterd kan worden, doen we dat
zo snel mogelijk.
Bijlage I Overzicht Informatieobjecten
- toekomstbestendige bedrijventerrein
-
/join/id/regdata/gm0164/2026/7ff2bb18697b4c0db0ccbbb0891027f3/nld@2026‑01‑28;08261871
Bijlage III Bijlage 1
1 Aanvullende toelichting op de participatie
In het proces van opstelling van het Omgevingsprogramma Toekomstbestendige Bedrijventerreinen (OTB) zijn externen op meerdere momenten betrokken (co-creatie, raadpleging, informerend). Hieronder staat een visuele weergave van het hele proces tot vaststelling van het OTB. De goud omcirkelde momenten zijn participatiemomenten.

Laatste participatiebijeenkomst, 4 november 2025
De laatste participatiebijeenkomst vond plaats op 4 november 2025. Voor deze bijeenkomst werden raadsleden en ondernemers expliciet uitgenodigd. Daarnaast werd de uitnodiging openbaar gedeeld (website en sociale media) waardoor alle geïnteresseerden de mogelijkheid hadden om het concept Omgevingsprogramma te lezen, deel te nemen aan de bijeenkomst en schriftelijk te reageren.
In totaal waren twaalf personen aanwezig tijdens de participatiebijeenkomst, waarvan vier raadsleden en acht ondernemers of vertegenwoordigers van ondernemers. Er zijn geen schriftelijke reacties ontvangen.
Hieronder zijn de vragen en antwoorden weergegeven van deze bijeenkomst en wordt toegelicht of de vragen hebben geleid tot aanpassingen in het OTB.




Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl