Beleidsregels planologisch toetsingskader paasvuren en verbranden van snoeiafval

Geldend van 31-01-2026 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels planologisch toetsingskader paasvuren en verbranden van snoeiafval

Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede,

In zijn vergadering van 18 november 2025

Gelet op artikel 1:3 en 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 4.2 en 5.1 lid 1 sub a en lid 2 sub b van de Omgevingswet;

Besluit:

  • 1.

    Tot het vaststellen van beleidsregels voor het toestaan van het branden van een paasvuur en het in de open lucht, buiten een installatie, verbranden van huishoudelijk snoeiafval, met toepassing van:

    • a.

      een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) en/of;

    • b.

      een omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit ‘verbranden van bedrijfsafvalstoffen’ als bedoeld in art. 3.40e van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).

  • 2.

    Dat de onder 1 genoemde beleidsregels gelden in aanvulling op de Beleidsregel Planologische Afwijkingsmogelijkheden Enschede 2023, zoals vastgesteld door het College van burgemeester en wethouders op 21 november 2023.

1. Aanleiding voor deze beleidsregels

Gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 zijn ook de regels voor het verbranden van afval in de Wet milieubeheer gewijzigd. Consequentie van de gewijzigde wetgeving is dat het in de open lucht verbranden van snoeiafval niet meer in alle gevallen kan worden toegestaan met het verlenen van een (algemene) stookontheffing op grond van artikel 10.63, 1e lid Wet milieubeheer. Dit geldt ook voor het branden van paasvuren. Een paasvuur is immers een specifieke vorm van in de open lucht verbranden van snoeiafval.

Milieubelastende activiteit of niet?

Het verbranden van snoeiafval in de open lucht, en dus ook een paasvuur, kan een milieubelastende activiteit zijn waarvoor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.40e van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk is. Bepalend voor het antwoord op de vraag of een paasvuur of het verbranden van snoeihout in de open lucht een milieubelastende activiteit is als bedoeld in het Bal, is of er sprake is van het verbranden van afgegeven of ingezameld snoeihout. Als het antwoord op die vraag ‘Ja’ is, dan is het verbranden van snoeihout een milieubelastende activiteit als bedoeld in het Bal. In paragraaf 5 gaan we onder ‘Wettelijk kader’ nader in op het juridische belang van het maken van onderscheid tussen afgegeven en niet afgegeven afval dan wel ingezameld of niet ingezameld afval.

Ruimtelijke regels nodig

Om voor de activiteiten ‘paasvuur’ en ‘verbranden van snoeiafval in de open lucht’ een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.40e van het Bal te kunnen verlenen is het wenselijk ook regels te stellen in het omgevingsplan. Bij de beoordeling of een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.40e van het Bal kan worden verleend moet namelijk ook rekening worden gehouden met de regels in het omgevingsplan. Als het omgevingsplan een paasvuur of het verbranden van snoeiafval in de open lucht toestaat, is daarmee vastgelegd dat er bij die activiteiten sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het omgevingsplan staat paasvuren nu nog niet toe. Het zal naar verwachting nog enkele jaren duren voor we in het omgevingsplan regels opnemen voor de activiteiten ‘paasvuur’ en ‘verbranden van snoeiafval in de open lucht’.

We moeten echter al wel in 2026 voor een paasvuur een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.40e van het Bal kunnen verlenen. Daarom is er op korte termijn behoefte aan een planologisch toetsingskader voor met name de activiteit ‘paasvuur’. Dit planologisch toetsingskader vormt de basis voor de toekomstige planologische regeling in het omgevingsplan voor het toestaan van paasvuren en het anderszins verbranden van snoeiafval in de open lucht. Dit planologisch toetsingskader kan ook worden gebruikt voor het in afwijking van het omgevingsplan voor het toestaan van een paasvuur verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA).

2. Afbakening planologisch toetsingskader

Het planologisch toetsingskader in deze beleidsregels heeft uitsluitend betrekking op het met een omgevingsvergunning voor een BOPA en/of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.40e van het Bal 1 toestaan van de activiteiten ‘paasvuur’ en ‘verbranden van snoeiafval in de open lucht’.

3. Werkingsgebied planologisch toetsingskader

Het planologisch toetsingskader in deze beleidsregels geldt alleen voor het werkingsgebied ‘landelijk gebied’, zoals met groene kleur weergegeven op de verbeelding in de bijlage bij deze beleidsregels.

4. Begripsbepalingen

Afgegeven takken- en snoeiafval: takken- en snoeiafval dat door iemand is afgegeven om buiten zijn eigen terrein te verbranden. Daarbij maakt het niet uit of het gaat om het afgeven van snoeihout voor de brandstapel van een paasvuur, het afgeven van snoeihout bij een afvalbrengpunt of het afgeven van snoeihout aan iemand anders.

Evenement: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak als bedoeld in artikel 2.24 van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Enschede 2009.

Ingezameld takken- en snoeiafval: takken- en snoeiafval dat door iemand of een bedrijf is opgehaald om op een specifieke locatie te verbranden. Daarbij maakt het niet uit of het gaat om inzamelen van snoeihout voor de brandstapel van een paasvuur of om inzamelen van snoeihout door een gespecialiseerd afvalverwerkingsbedrijf.

Openbaar toegankelijk paasvuur: paasvuur wat voor een ieder vrij toegankelijk is, al dan niet op vertoon van een toegangsbewijs.

Paasvuur: een locatiegebonden vreugdevuur, dat bij wijze van traditie ter gelegenheid van Pasen wordt ontstoken.

Niet openbaar toegankelijk paasvuur: een besloten paasvuur wat niet voor een ieder vrij toegankelijk is maar alleen voor een specifieke en beperkte groep personen op persoonlijke uitnodiging van degene die het paasvuur organiseert.

Takken- en snoeiafval: afval afkomstig na onderhoudswerkzaamheden in tuinen, parken, plantsoenen en bosgebieden dat alleen bestaat uit takken, blad of stammen.

5. Wettelijk kader

Wet milieubeheer: In artikel 10.2, 1e lid, van de Wet milieubeheer is bepaald dat het verbranden van huishoudelijk afval niet is toegestaan. In het 4e lid van artikel 10.2 is bepaald dat het verbod niet geldt voor huishoudelijk afval dat is afgegeven of ingezameld. Artikel 10.63 van de Wet milieubeheer bevat de bevoegdheid voor burgemeester en wethouders om ontheffing (stookontheffing) te verlenen van het verbod in artikel 10.2, 1e lid, voor zover het geen gevaarlijke afvalstoffen betreft.

Milieubelastende activiteit en vergunningplicht: In artikel 3.40d van het Bal is bepaald dat het verbranden van afgegeven of ingezamelde bedrijfsafvalstoffen buiten een installatie een milieubelastende activiteit is. In artikel 3.40e van het Bal is bepaald dat voor een milieubelastende activiteit als genoemd in artikel 3.40d een omgevingsvergunning verplicht is. Onder ‘bedrijfsafvalstoffen’ worden in het Bal ook huishoudelijke afvalstoffen verstaan en daarmee dus ook snoeihout.

Toetsingskader omgevingsvergunning milieubelastende activiteit: Het wettelijk toetsingskader voor het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.40e van het Bal is geregeld in paragraaf 8.5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Artikel 8.9 van het Bkl schrijft voor dat bij de beoordeling o.a. rekening wordt gehouden met het bepaalde in artikel 10.14 van de Wet milieubeheer en met de regels in het omgevingsplan en eventuele verleende omgevingsvergunningen voor BOPA’s. Artikel 10.14 van de Wet milieubeheer bepaalt dat rekening moet worden gehouden met het geldende afvalbeheerplan. Het geldende afvalbeheerplan is het Landelijk Afvalbeheerplan LAP3, dat in 2025 wordt geactualiseerd en vanaf dan Circulair Materialen Plan heet.

Buitenplanse omgevingsplanactiviteit: In de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet is bepaald wat een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (kortweg: BOPA) is. Een BOPA is een activiteit die in strijd is met de voor die activiteit in het omgevingsplan opgenomen regels en waarvoor het verboden is om de activiteit uit te voeren zonder omgevingsvergunning. Een BOPA kan ook een activiteit zijn die in strijd is met het omgevingsplan maar waarvoor het omgevingsplan geen verbod bevat om de activiteit uit te voeren zonder omgevingsvergunning. Een paasvuur is een voorbeeld van zo’n activiteit.

Toetsingskader omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit: Het wettelijk toetsingskader voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) is geregeld in paragraaf 8.1.1.2 van het Bkl. Artikel 8.0b van het Bkl schrijft voor dat een omgevingsvergunning voor een BOPA in ieder geval moet voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Dat betekent dat een activiteit moet worden getoetst aan alle relevante aspecten die invloed kunnen hebben op de betreffende locatie en zijn omgeving. Daarbij kun je onder andere denken aan geluid, water, bodem, veiligheid, natuur en gezondheid. De artikelen 8.0c en 8.0d van het Bkl schrijven voor dat een omgevingsvergunning voor een BOPA ook moet voldoen aan de instructieregels voor omgevingsplannen van het Rijk (Bkl) en de provincie (hoofdstuk 4 Provinciale Omgevingsverordening Overijssel).

6. Algemene beleidsregels planologisch toetsingskader voor verbranden van snoeiafval

In deze paragraaf beschrijven we het algemeen planologisch toetsingskader voor het toestaan van de activiteiten ‘paasvuur’ en ‘verbranden van snoeiafval in de open lucht’. Daarbij gaan we achtereenvolgens in op het landelijk beleidskader voor duurzaam en circulair afvalbeheer, erfgoed en cultuurhistorie, gezondheid en luchtkwaliteit en het algemene toetsingskader voor verbranden van afval en de algemene stookontheffing in hoofdstuk 10 van de Verordening Kwaliteit Leefomgeving. Voor paasvuren die tevens een evenement zijn geldt aanvullend op dit toetsingskader het gemeentelijk toetsingskader voor het verlenen van evenementenvergunningen. Voor die paasvuren is naast een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.40e van het Bal en/of een BOPA ook een evenementenvergunning noodzakelijk.

6.1 Beleidskader doelmatig afvalbeheer: Landelijk Afvalbeleidsplan (LAP3)

In het Landelijk Afvalbeleidsplan (LAP3, vanaf eind 2025: CMP – Circulair Materialenplan) is vastgelegd dat verbranding van afvalstoffen in de open lucht in principe ongewenst is. Afvalstoffen kunnen hoogwaardiger worden verwerkt voor duurzaam hergebruik (afval is tevens grondstof). Ook uit het oogpunt van bescherming van de luchtkwaliteit is verbranding van afvalstoffen in de open lucht niet gewenst. Bekend is immers dat grootschalige verbranding van afvalstoffen in de open lucht leidt tot forse emissies van onder meer fijnstof. Verbranding van afvalstoffen zonder milieubeschermende voorzieningen leidt tot emissies, met name naar de lucht, die, zowel voor het milieu als voor de menselijke gezondheid, zeer schadelijk kunnen zijn. Ook kan de verbranding van - met name grote hoeveelheden - afvalstoffen gevaar opleveren als het vuur zich ongehinderd kan verspreiden.

In het LAP3 staat echter ook dat er gevallen denkbaar zijn dat verbranding van afvalstoffen (met name houtachtige stromen), om andere redenen dan doelmatige verwerking van afvalstoffen en een goede luchtkwaliteit, bij uitzondering toch aanvaardbaar is. Als concrete voorbeelden noemt het LAP 3 daarbij dat gedacht kan worden aan evenementen als paasvuren en kerstboomverbranding. In het LAP3 worden gemeenten geadviseerd om in hun omgevingsplan beleid vast te stellen over het verbranden van afvalstoffen in de open lucht. Daarbij zou het uitgangspunt moeten zijn dat dit vanuit doelmatig beheer van afvalstoffen en vanwege bescherming van de luchtkwaliteit in beginsel ongewenst is en alleen bij uitzondering kan worden toegestaan. In het omgevingsplan moeten dan de randvoorwaarden worden geregeld voor toepassing van de uitzonderingsmogelijkheid in het LAP3.

Het inzamelen van snoeiafval door middel van afvoeren naar elders is in het landelijk gebied niet altijd per definitie de meest doelmatige manier van afvalbeheer. Het ophalen van snoeiafval in het landelijk gebied gaat naar het idee van bewoners en terreinbeheerders niet altijd even praktisch en laagdrempelig, zeker als het om grotere hoeveelheden gaat. Om snoeiafval toch doelmatig in de zin van het LAP3 / CMP te kunnen afvoeren is het voor bewoners en terreinbeheerders in het landelijk gebied vaak noodzakelijk om het snoeiafval naar een afvalbrengpunt in de stad te brengen. Dat is omslachtiger dan het aan de straat zetten voor inzameling door een afvalverwerker. Het op eigen terrein verbranden van snoeiafval of het afgeven daarvan voor verbranding bij een paasvuur, kan dan voor bewoners en terreinbeheerders in het landelijk gebied doelmatiger en voordeliger zijn. Daar komt bij dat de asresten vervolgens in de bodem gebracht kunnen worden, wat een positief effect kan hebben op de vruchtbaarheid van de bodem en het bodemleven.

Beleidsuitspraak: In het omgevingsplan nemen we regels op die paasvuren en het verbranden van afvalstoffen in de open lucht alleen zeer beperkt toestaan. In die regels wordt vastgelegd dat alleen het verbranden van schoon en onbehandeld snoeihout is toegestaan. Daarbij moet wel worden voldaan aan de randvoorwaarden en uitzonderingen zoals beschreven in deze beleidsregels.

6.2 Toetsingskaders verbranden van snoeiafval, stoken van vuur en algemene stookontheffing

Voor het in de open lucht verbranden van snoeiafval en het stoken van vuur gelden de regels in de artikelen 10.10 tot en met 10.10h van de Verordening Kwaliteit Leefomgeving 2023 (VKL). In die regels is ook een algemene stookontheffing op grond van artikel 10.63, 1e lid Wet milieubeheer opgenomen. In de VKL zijn de algemene spelregels vastgelegd voor het verbranden van snoeiafval in de open lucht. Dat zijn regels over wanneer van de algemene stookontheffing gebruik gemaakt mag worden (elk jaar in de periode 21 september tot en met 21 maart), welke veiligheidsafstanden in acht moeten worden genomen, hoeveel snoeiafval er maximaal per keer mag worden verbrand (150 m3 per keer voor verbranden eigen snoeiafval door particulieren en terreinbeheerders) en hoe vaak (maximaal 5 x per jaar voor verbranden eigen snoeiafval door particulieren en terreinbeheerders) er van de algemene stookontheffing gebruik mag worden gemaakt. Daarnaast zijn er regels voor het zorgvuldig beëindigen van de verbranding, het veilig en schoon achterlaten van de vuurplaats, regels voor het toezicht op de verbranding en regels voor het veilig beëindigen van de verbranding. De VKL bevat ook de eisen en randvoorwaarden met oog op zowel een doelmatig en circulair afvalbeheer als het bieden van waarborgen voor de veiligheid, gezondheid, de natuur en het milieu.

Beleidsuitspraak: De regels in de artikelen 10.10 tot en met 10.10h van de VKL vormen de basis voor een toekomstige regeling voor het toestaan van het verbranden van snoeiafval in de open lucht in het omgevingsplan. De regels in de VKL komen te vervallen zodra ze zijn omgezet naar regels in het omgevingsplan.

6.3 Gezondheid en Luchtkwaliteit

Zoals hiervoor in paragraaf 6.1 al genoemd kan het verbranden van afvalstoffen – waaronder ook takken- en snoeihout – in de open lucht leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit en daarmee ook van de volksgezondheid. Uit het advies van de GGD aan alle Twentse gemeenten, de gemeente Deventer en de Omgevingsdienst Twente blijkt dat zelfs een kleine tijdelijke verslechtering van de luchtkwaliteit, zoals door paasvuren, al veel overlast kan betekenen voor kwetsbare groepen (ouderen, kinderen en mensen met een longziekte). De GGD adviseert daarom vanuit het oogpunt van gezondheid om de blootstelling aan houtrook in algemene zin – dus niet alleen paasvuren maar bijvoorbeeld ook het stoken van kachels met hout – zoveel mogelijk te beperken. Specifiek voor paasvuren adviseert de GGD met het toestaan daarvan zeer terughoudend om te gaan.

Om de luchtverontreiniging in Nederland en Europa zoveel mogelijk op een aanvaardbaar en gezond niveau te houden of te brengen gelden er Europese luchtkwaliteitsnormen. Deze Europese luchtkwaliteitsnormen zijn in Nederland vertaald in de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit, zoals opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De Europese luchtkwaliteitsnormen worden per 1 januari 2030 verder aangescherpt. Dat betekent dat ook in Nederland vanaf 2030 aan de strengere luchtkwaliteitsnormen moet worden voldaan. Om te toetsen of bij het branden van paasvuren in Twente mogelijk sprake is van het (bijna) overschrijden van de landelijke luchtkwaliteitsnormen is in 2025 in opdracht van alle 14 Twentse gemeenten en de gemeenten Deventer en Dalfsen door Antea Group onderzoek gedaan naar de mogelijke consequenties voor luchtkwaliteit. Daarbij heeft Antea Group voor alle in 2025 bekende paasvuren in Twente, Deventer en Dalfsen in diverse scenario’s onderzocht of de wettelijke omgevingswaarden voor luchtkwaliteit en/of de grenswaarden voor zeer zorgwekkende stoffen mogelijk worden overschreden. Daarbij is door Antea Group ook getoetst aan de strengere luchtkwaliteitsnormen die op grond van Europese regelgeving per 2030 in werking zullen treden. Conclusie van het onderzoek is dat er ook in het zwaarste scenario – alle Twentse paasvuren branden tegelijkertijd – de wettelijke omgevingswaarden voor luchtkwaliteit en de grenswaarden voor zeer zorgwekkende stoffen niet worden overschreden. Daarvoor is de omvang van de paasvuren te gering en de duur van de emissie (maximaal een half etmaal per paasvuur) te kort. Het incidenteel kleinschalig verbranden van snoeiafval door particulieren of terreinbeheerders in het landelijk gebied is niet door Antea Group onderzocht. Gelet op de daarvoor geldende beperkingen in aantal keren per jaar, hoeveelheid per keer en gemiddelde duur van de emissie (maximaal enkele uren per keer) kan daarvoor dezelfde conclusie worden getrokken als voor paasvuren. Bij het onderzoek van Antea Group moet wel de kanttekening worden geplaatst dat de wettelijke normen voor luchtkwaliteit en zeer zorgwekkende stoffen jaargemiddelde normen zijn. Kortdurende emissies, zoals van een paasvuur of het incidenteel kleinschalig in de open lucht verbranden van snoeiafval door een particulier of terreinbeheerder, hebben geen wezenlijke invloed op het (bijna) bereiken van de wettelijke jaargemiddelde normen.

Gelet op het voorgaande kan voor Enschede worden geconcludeerd dat de mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit door paasvuren en het incidenteel door particulieren en terreinbeheerders verbranden van snoeiafval in de open lucht tot een aanvaardbaar minimum beperkt blijven. Om meer aan te sluiten bij het landelijk beleidskader voor doelmatig afvalbeheer in het LAP3/CMP en het gemeentelijk afvalbeleid zijn de regels in de VKL voor het verbranden van snoeiafval in de open lucht aangescherpt. Daarmee wordt ook tegemoet gekomen aan het advies van de GGD om terughoudend om te gaan met het toestaan van houtstook. Paasvuren en het incidenteel kleinschalig verbranden van snoeiafval in de open lucht door particulieren en terreinbeheerders mogen alleen plaatsvinden in het landelijk gebied. Het aantal keren per jaar dat van de algemene stookontheffing gebruik mag worden gemaakt voor het in de open lucht verbranden van snoeiafval is in de VKL beperkt tot 5 en de maximale hoeveelheid die per keer verbrand mag worden is 150 m3 . In de VKL is ook bepaald dat in de open lucht uitsluitend schoon en onbehandeld snoeihout verbrand mag worden, dat geldt ook voor paasvuren. Voor een paasvuur geldt in de VKL ongewijzigd een maximale omvang van 500 m3. Daarnaast geldt voor beide activiteiten dat er ook veiligheidsafstanden in acht moeten worden genomen tot woningen en verkeersinfrastructuur. Daarmee is verzekerd dat het verbranden plaatsvindt op ruime afstand van grotere aantallen woningen en belangrijke verkeersinfrastructuur.

6.4 Erfgoed en Cultuurhistorie

Paasvuren en het door particulieren of terreinbeheerders op eigen terrein verbranden van snoeiafval zijn in Twente tradities die van oudsher onderdeel zijn van de streek- en plattelandscultuur. Enschede heeft een omvangrijk buitengebied, met zijn eigen plattelandscultuur. Een vitaal en leefbaar landelijk gebied is één van de beleidsspeerpunten in de Omgevingsvisie Enschede en de Visie Landelijk Gebied. Daarom koesteren we deze tradities. Paasvuren zijn immaterieel erfgoed. Via de spelregels die zijn vastgelegd in de VKL en in deze beleidsregels borgen we dat deze tradities op een veilige en verantwoorde manier kunnen blijven voortbestaan.

6.5 Bodem en Water

In zowel het landelijk als het provinciaal en het gemeentelijk beleid voor de fysieke leefomgeving geldt als uitgangspunt voor het mogelijk maken van ontwikkelingen en activiteiten dat water en bodem sturend zijn. Dat betekent dat bij het toestaan van ontwikkelingen en activiteiten rekening moet worden gehouden met de kwaliteit van de bodem, het grondwater en het oppervlaktewater. Voor het verbranden van snoeiafval in de open lucht en voor paasvuren betekent dit dat voorkomen moet worden dat tijdens of na afloop van de verbranding voor mens, dier en milieu risicovolle stoffen in de bodem, het grondwater en het oppervlaktewater terecht komen. Met het oog daarop zijn in de VKL regels opgenomen met eisen en randvoorwaarden voor de locatie van vuurplaatsen, het soort stoffen dat in de open lucht mag worden verbrand (alleen schoon en onbehandeld snoeihout) en het zorgvuldig handelen tijdens en na afloop van de verbranding. Daarnaast bevat de Omgevingswet diverse algemene en specifieke (o.a. voor bodem) zorgplichten die bij paasvuren en het verbranden van snoeiafval in de open lucht in acht genomen moeten worden.

6.6 Natuur- en landschapswaarden

Bij het toestaan van ontwikkelingen en activiteiten in het landelijk gebied moet ook rekening worden gehouden met aanwezige natuur- en landschapswaarden, beschermde planten- en diersoorten en beschermde natuurgebieden. Paasvuren en het verbranden van snoeihout in de open lucht vinden normaal gezien niet plaats in natuurgebieden maar op agrarische gronden zonder bijzondere natuurwaarden. Sommige agrarische gronden zijn in de provinciale omgevingsverordening aangewezen als onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). In veel gevallen gaat het daarbij gewoon om agrarische grond, zonder natuurwaarden, als verbinding tussen gronden met meer natuurwaarden. Paasvuren en het verbranden van snoeihout kunnen op die agrarische gronden gewoon plaatsvinden. Het een paar keer per jaar verbranden van snoeihout op agrarische gronden heeft geen langdurige of permanente negatieve effecten op eventuele aanwezige natuurwaarden op of rondom die agrarische gronden. Daarbij komt dat het inbrengen van asresten in de bodem van agrarische gronden juist positief kan uitwerken op de vruchtbaarheid van de bodem en het bodemleven.

Om eventuele risico’s voor in de omgeving van de vuurplaats aanwezige natuurwaarden zoveel mogelijk te beperken bevat de VKL regels voor het tijdig treffen van voorzorgs- en veiligheidsmaatregelen. Die regels geven ook invulling aan de algemene zorgplicht en de specifieke zorgplicht voor flora en fauna in de Omgevingswet. Die zorgplicht geldt voor alle van nature in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten. In de VKL staat onder meer dat vuurplaatsen op voldoende afstand van bomen, struiken en andere beplanting moeten worden gesitueerd. Dit is nodig om te voorkomen dat door overslaand vuur of vonken natuurbranden kunnen ontstaan en om te voorkomen dat verblijfplaatsen van dieren door vuur of hitte onbruikbaar of vernietigd worden. Daarnaast is het met name bij paasvuren van belang om te voorkomen dat dieren zich nestelen in de houtstapel.

Beleidsuitspraak NNN: Het is niet noodzakelijk om in het omgevingsplan paasvuren of het verbranden van snoeihout in de open lucht expliciet te verbieden in gebieden die onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Paasvuren op agrarische gronden zonder natuurwaarden zijn zonder meer toegestaan als ook aan alle andere daarvoor geldende regels en randvoorwaarden wordt voldaan. Voor het toestaan van paasvuren op gronden met natuurwaarden in het NNN overwegen we om daarvoor misschien in het omgevingsplan een toetsmoment vooraf op te nemen. Daarvoor staan alle opties die de Omgevingswet biedt nog open, ook een eventuele vergunningplicht. Daarnaast moeten de algemene zorgplicht en de specifieke zorgplicht voor flora en fauna in de Omgevingswet in acht worden genomen.

Natura 2000 gebieden en stikstofdepositie

Mogelijke significant negatieve effecten op het bereiken van de instandhoudingsdoelen van Natura 2000 gebieden zijn op voorhand met zekerheid uit te sluiten. Met uitzondering van mogelijke effecten door stikstofdepositie kunnen significant negatieve effecten zich alleen voordoen in of in de directe nabijheid van Natura 2000 gebieden. Een paasvuur of het in de open lucht verbranden van snoeihout in een Natura 2000 gebied kan zorgen voor verstoring van beschermde natuurwaarden door menselijke aanwezigheid, licht, rook en hitte. In of direct grenzend aan Natura 2000 gebieden staan we geen paasvuren toe. We verwachten ook geen significant negatieve effecten door stikstofdepositie op Natura 2000 gebieden als gevolg van paasvuren. Bij stikstofdepositie gaat het net als bij de luchtkwaliteitsnormen om jaargemiddelden. Paasvuren in Enschede hebben een geringe maximale omvang en de duur van de emissie is kort, maximaal een half etmaal per paasvuur. Voor de openbaar toegankelijke paasvuren in Enschede die tevens een evenement zijn geldt daarbij bovendien dat het aantal bezoekers gemiddeld gezien relatief kleinschalig is. Bovendien komt slechts een deel van de bezoekers aan een paasvuurevenement met een motorvoertuig met verbrandingsmotor. Op basis van al die factoren is bij paasvuren voor alle relevante Natura 2000 gebieden hooguit een zeer beperkte en kortdurende tijdelijke toename van stikstofdepositie te verwachten. Op het bereiken van de instandhoudingsdoelen voor Natura 2000 gebieden heeft dat geen meetbare effecten. Het per paasvuur afzonderlijk of voor alle paasvuren gezamenlijk uitvoeren van stikstofberekeningen is daarom niet noodzakelijk.

Beleidsuitspraak Natura 2000 gebieden: Een paasvuur is geen passende activiteit voor in of nabij een natuurgebied. Een paasvuur of het in de open lucht verbranden van snoeiafval in of nabij een Natura 2000 gebied kan verstorend werken op de daar aanwezige beschermde natuurwaarden. Daarom gaan we in het omgevingsplan wel paasvuren en het in de open lucht verbranden van snoeiafval expliciet verbieden op locaties in of direct grenzend aan Natura 2000 gebieden.

7. Aanvullende beleidsregels planologisch toetsingskader specifiek voor paasvuren

Voor paasvuren gelden aanvullend op de in paragraaf 4 genoemde algemene planologische beleidsregels voor paasvuren en het verbranden van snoeiafval in de open lucht, tevens de in paragraaf 5 genoemde specifieke beleidsregels. Daarbij gaan we eerst in op het specifieke toetsingskader voor paasvuren in hoofdstuk 10 van de Verordening Kwaliteit Leefomgeving en daarna op de onderwerpen leefomgeving en veiligheid, externe veiligheid, geluid en bereikbaarheid en parkeren.

7.1 Specifiek toetsingskader paasvuren en algemene stookontheffing

Specifiek voor paasvuren gelden de regels in de artikelen 10.10i tot en met 10.10k van de Verordening Kwaliteit Leefomgeving 2023 (VKL). Deze regels gelden in aanvulling op dan wel in afwijking van de algemene regels voor het in de open lucht verbranden van snoeiafval en het stoken van vuur in de artikelen 10.10 tot en met 10.10h van de VKL. Deze regels maken integraal onderdeel uit van het toetsingskader voor het verbranden van afval, stoken van vuur. Ook voor paasvuren geldt de in die regels opgenomen algemene stookontheffing op grond van artikel 10.63, 1e lid Wet milieubeheer. In die regels is vastgelegd dat paasvuren maximaal 500 m3 groot mogen zijn en welke specifieke veiligheidsafstanden gelden voor paasvuren. Ook is in die regels vastgelegd in welke gevallen het branden van een paasvuur is verboden en welke uitzonderingen er zijn om af te kunnen wijken van dat verbod.

Beleidsuitspraak: De regels in de artikelen 10.10i tot en met 10.10k vormen samen met de regels in de artikelen 10.10 tot en met 10.10h van de VKL de basis voor een toekomstige regeling voor het toestaan van het verbranden van snoeiafval in de open lucht in het omgevingsplan. De regels in de VKL komen te vervallen zodra ze zijn omgezet naar regels in het omgevingsplan.

7.2 Leefomgeving en Veiligheid

Voor paasvuren gelden in de VKL specifieke veiligheidsafstanden. Deze gelden aanvullend op de algemene veiligheidsafstanden voor brandstapels in de VKL. De specifieke veiligheidsafstanden voor paasvuren zijn overgenomen uit het Kader Advisering Paas- en andere vreugdevuren van de Brandweer Twente. Met die veiligheidsafstanden wordt geborgd dat paasvuren met zo min mogelijk risico’s op branden en andere mogelijke rampen en calamiteiten kunnen worden georganiseerd.

7.3 Externe veiligheid

Bij het toestaan van paasvuren moet ook worden getoetst aan de wettelijke normen en regels in het omgevingsplan voor externe veiligheid. Die regels bepalen dat in beginsel geen mogelijk risicovolle activiteiten, zoals een paasvuur, mogen plaatsvinden binnen de wettelijke aandachtsgebieden voor brandgevaar, ontploffingsgevaar en het vrijkomen van giftige stoffen in de lucht. Aandachtsgebieden liggen rondom energievoorzieningen en – infrastructuur (o.a. hogedruk aardgastransportleidingen en -verdeelstations, propaantanks en batterijopslagen voor hernieuwbare energie), voorzieningen en infrastructuur voor brandstoffen (o.a. LPG-tankstations en oliepijpleidingen) en hoofdverkeerswegen die zijn aangewezen als verplichte transportroute voor gevaarlijke stoffen (o.a. rijkswegen A35 / N35 en A1, Westerval en Usselerrondweg). Een paasvuurlocatie binnen het aandachtsgebied van een hogedruk aardgastransportleiding heeft geen invloed op het plaatsgebonden risico van de betreffende leiding. De hittestraling van het paasvuur zal namelijk geen effect hebben op de leiding die onder de grond is gelegen. Ook het groepsrisico is in dat geval verwaarloosbaar klein. Het gaat immers om de aanwezigheid van een grotere groep mensen (bezoekers) binnen het aandachtsgebied gedurende één dagdeel per jaar. Bovendien moet een paasvuurlocatie voldoen aan de veiligheidsafstanden in de VKL. Die veiligheidsafstanden gelden ook voor de situering ten opzichte van opslagen met brandgevaarlijke stoffen.

Beleidsuitspraak: Het is niet noodzakelijk om in het omgevingsplan het door particulieren of terreinbeheerders verbranden van snoeihout in de open lucht of paasvuren binnen aandachtsgebieden voor brandgevaar, explosiegevaar of gifwolkgevaar expliciet te verbieden. Voor het toestaan van alle mogelijke risicovolle activiteiten en voorzieningen binnen een aandachtsgebied geldt in het omgevingsplan en op grond van de instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving de regel ‘nee, tenzij’. De in de VKL opgenomen veiligheidsafstanden geven voldoende waarborg dat paasvuren en andere locaties voor het verbranden van snoeihout in de open lucht op voldoende afstand van mogelijke risicobronnen worden gesitueerd.

7.4 Geluid

In paragraaf 22.3.4 van het omgevingsplan staan de regels voor de toelaatbaarheid van geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw. Geluidgevoelige gebouwen zijn in ieder geval woningen, scholen, klinieken en kinderopvanglocaties. De in deze regels vastgelegde geluidnormen en aan te houden minimale afstanden tot geluidgevoelige gebouwen gelden ook voor paasvuren. De geluidregels in het omgevingsplan gelden niet voor geluid van menselijk stemgeluid door activiteiten.

Voor geluid van menselijk stemgeluid door activiteiten is het bepaalde in artikel 5.59 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) van toepassing. Dat artikel bepaalt dat in het omgevingsplan met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties rekening moet worden gehouden met geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Het geluid van een activiteit op een geluidgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn.

Een brandend paasvuur veroorzaakt zelf nauwelijks noemenswaardig geluid. Mede door de afstandseisen die voor een paasvuur zijn opgenomen in de VKL (en op termijn in het omgevingsplan) is er daarbij geen sprake van onaanvaardbare geluidhinder op geluidgevoelige gebouwen. Een openbaar toegankelijk paasvuur dat tevens een evenement is omvat naast het paasvuur zelf ook activiteiten die mogelijk wel enige geluidhinder geven op geluidgevoelige gebouwen. Bij paasvuurevenementen is meestal ook sprake van geluid door versterkte muziek, menselijk stemgeluid en het aan en afrijden van auto’s van bezoekers en door dichtslaande autoportieren. Geluid door evenementen moet voldoen aan de voor evenementen geldende geluidnormen in hoofdstuk 7 van het Toetsingskader Evenementen, randvoorwaarden voor vergunningen en meldingen 2025. Deze geluidnormen voldoen ook aan de instructieregels voor geluid door activiteiten in paragraaf 5.1.4.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Van mogelijke onaanvaardbare geluidhinder op geluidgevoelige gebouwen door menselijk stemgeluid en andere bijkomende activiteiten die geluid veroorzaken is normaal gezien geen sprake. De eventuele versterkte muziek die ten gehore wordt gebracht is namelijk bedoeld als achtergrondmuziek en is niet de hoofdactiviteit van het evenement.

Beleidsuitspraak: Het is niet noodzakelijk om in het omgevingsplan specifieke geluidregels op te nemen voor paasvuurevenementen. Indien nodig kunnen burgemeester en wethouders voor een paasvuurevenement maatwerkvoorschriften stellen ter beperking van de geluidhinder op geluidgevoelige gebouwen.

7.5 Bereikbaarheid en parkeren

Een openbaar toegankelijk paasvuur dat tevens een evenement is mag geen zodanige verkeersaantrekkende werking hebben dat daardoor de bereikbaarheid van de directe omgeving en voor hulpdiensten onaanvaardbaar gehinderd wordt. Dat betekent dat indien nodig in de directe omgeving van de paasvuurlocatie voldoende tijdelijke parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd en zo nodig aanvullende maatregelen zoals bijvoorbeeld het op piekmomenten inzetten van verkeersregelaars. Of en zo ja welke parkeer- en bereikbaarheidsmaatregelen noodzakelijk zijn wordt bepaald op basis van het verkeersplan dat onderdeel is van de evenementenvergunning. Een paasvuur vindt doorgaans niet plaats op een formele of permanente evenementenlocatie.

Beleidsuitspraak: Het is niet noodzakelijk om in het omgevingsplan specifieke parkeernormen of andere parkeereisen op te nemen voor paasvuurevenementen.

7.6 Geur

In paragraaf 22.3.6 van het omgevingsplan staan de regels voor de toelaatbaarheid van geur door een activiteit op een geurgevoelig object. Geurgevoelige objecten zijn in ieder geval woningen, scholen, klinieken en kinderopvanglocaties. De in deze regels vastgelegde geurnormen en aan te houden minimale afstanden tot geurgevoelige objecten gelden niet voor paasvuren. Een paasvuur is geen activiteit als genoemd in de paragrafen 22.3.6.2 tot en met 22.3.6.5 van het omgevingsplan.

Het feit dat de geurregels in het omgevingsplan niet gelden voor paasvuren betekent niet dat bij het toestaan van paasvuren geen rekening moet worden gehouden met mogelijke geurhinder op geurgevoelige objecten. Artikel 5.92 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt namelijk dat in het omgevingsplan met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties rekening moet worden gehouden met geurhinder door activiteiten op geurgevoelige objecten. De geurhinder van een activiteit op een geurgevoelig object moet aanvaardbaar zijn.

De mogelijk te ondervinden geurhinder door paasvuren is over het algemeen aanvaardbaar en niet onevenredig te noemen. In de VKL (en op termijn in het omgevingsplan) zijn regels opgenomen die borgen dat een paasvuur alleen in het landelijk gebied en op ruime afstand van woningen mag plaatsvinden en dat daarbij alleen schoon en onbehandeld snoeihout mag worden verbrand. Daardoor wordt directe wezenlijke en/of schadelijke geurhinder voor omwonenden zoveel mogelijk voorkomen. Ook is de duur van eventuele geurhinder zeer beperkt: slechts eenmaal per jaar maximaal een half etmaal. Voor de openbaar toegankelijke paasvuren die tevens een evenement zijn geldt bovendien dat bezoekers er vrijwillig voor kiezen om een bepaalde periode op korte afstand van het vuur te zijn.

Beleidsuitspraak: De regels voor paasvuren in de VKL borgen in voldoende mate dat eventueel te ondervinden geurhinder als gevolg van een paasvuur aanvaardbaar blijft. Het in het omgevingsplan voor paasvuren opnemen van specifieke geurregels is niet noodzakelijk.

8. Slotbepalingen

8.1 Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking de dag na bekendmaking.

8.2 Citeertitel

Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als ‘Beleidsregels planologisch toetsingskader paasvuren en verbranden van snoeiafval’

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van 18 november 2025,

Het college van burgmeester en wethouders van de gemeente Enschede,

de loco-Secretaris, E.A. Smit

de Burgemeester, R.W. Bleker

Bijlage 1 Werkingsgebied

afbeelding binnen de regeling


Noot
1

Het verbranden van andere afvalsoorten dan snoeihout is een milieubelastende activiteit waarvoor in alle gevallen een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.40e van het Bal noodzakelijk is. Voor die activiteiten is het omgevingsplan geen dwingend toetsingskader. Het toetsingskader voor de activiteiten ‘paasvuur’ en ‘verbranden van snoeiafval in de open lucht’, niet zijnde een milieubelastende activiteit als bedoeld in het Bal, staat In hoofdstuk 10 van de Verordening Kwaliteit Leefomgeving 2023 (VKL).