Omgevingsvisie Kaag en Braassem

Geldend van 30-01-2026 t/m heden

1 Inleiding

1.1 De veranderende context

De eerste zin uit de vorige herziening van de Omgevingsvisie (februari, 2024) luidt: "De samenleving verandert”. Nu, bijna twee jaar later, verandert Kaag en Braassem nog steeds, en is het de verwachting dat de gemeente zich blijft ontwikkelen. Twee jaar terug concludeerden we: een samenleving die volop in ontwikkeling is, vraagt om een gemeente die mee verandert. Deze conclusie staat nog overeind, zij het met een voetnoot: een constante, betrouwbare gemeente is minstens zo belangrijk, zeker wanneer er tijden aanbreken waarin meer en meer op losse schroeven komt te staan.

De huidige herziening van de Omgevingsvisie is in dit licht te zien en te lezen. In deze versie is gezocht naar een balans tussen het opleveren van een ‘levend document’ en het behouden van een aantal kernwaarden en basisprincipes. Ook de ingezette koers op een aantal bewegingen blijft bewust onveranderd.

1.2 Wat is een omgevingsvisie?

De Omgevingsvisie is voor gemeenten een verplicht beleidsdocument en is het resultaat van landelijke wetgeving. De ‘Omgevingswet’ schrijft voor dat elke overheid een integrale visie ontwikkelt op de fysieke leefomgeving, én van onze eigen koers als gemeente. In Kaag en Braassem ligt de basis in de eerder opgestelde Maatschappelijk Ruimtelijke Structuurvisie (MRSV), waarin we al vroeg de koppeling maakten tussen het fysieke en sociaal-maatschappelijke domein. Met het fysieke domein bedoelen we alles rondom woningen, infrastructuur en de buitenruimte. Met het sociaal-maatschappelijke domein bedoelen we alles dat draait om het welzijn van inwoners. Dus van zorg tot onderwijs en van werk tot sociale samenhang. Wij merken dat de ruimtelijke en sociale opgaven buiten de muren van het gemeentehuis door elkaar lopen en verbonden zijn. Die verbinding tussen fysiek en sociaal maken we in deze Omgevingsvisie dus ook.

Samenvattend geeft de Omgevingsvisie weer wat voor gemeente Kaag en Braassem is, wat we met elkaar belangrijk vinden en waar we naartoe bewegen op ruimtelijk en sociaal-maatschappelijk vlak. Dit betekent dat de ambities en doelstellingen van vrijwel alle beleidsthema's zoals wonen, mobiliteit, natuur, zorg en gezondheid in deze visie staan. Hierdoor vormt de Omgevingsvisie naast leidraad ook de basis voor een toetsingskader voor ruimtelijke initiatieven.

De Omgevingsvisie bestaat uit acht thematische hoofdstukken en één gebiedsgericht hoofdstuk. Deze thema’s staan niet op zichzelf. We blijven toewerken naar meer samenhang tussen de thema’s, zodat zichtbaar is hoe ze met elkaar verbonden zijn en dat ze elkaar versterken in plaats van tegenspreken. Zo ontstaat een brede, praktijkgerichte kijk op de vraagstukken waar we als gemeente voor staan, van wonen en duurzaamheid tot gezondheid, leefbaarheid en veiligheid.

Deze Omgevingsvisie geeft richting aan de keuzes die we maken en vormt het vertrekpunt voor verdere uitwerking. Het ruimtelijke deel werken we uit in het omgevingsplan, waarin de regels voor de fysieke leefomgeving zijn opgenomen. Het gaat dan om regels over onderwerpen zoals bouwen, milieu, water en gebruik van ruimte. Het omgevingsplan vervangt het ‘oude’ bestemmingsplan en is het juridische instrument waarmee we ruimte voor ontwikkelingen kunnen maken of juist beperken. Daarnaast zijn andere onderwerpen uit te werken in programma’s. Naast de bestaande gebiedsgerichte programma’s zijn ook bestaande beleidsstukken en visiedocumenten – waar mogelijk – als programma onder deze Omgevingsvisie te plaatsen.

1.3 Waarom hebben we een omgevingsvisie?

De Omgevingsvisie is er zogezegd vooral om de richting te bepalen en houvast te bieden. De visie van de gemeente, wat vinden we belangrijk en waar gaan we heen, komt erin terug en dat geeft duidelijkheid voor inwoners en ondernemers. Die sturing helpt zodat de politiek het juiste gesprek kan voeren en we in het gemeentehuis beter in staat zijn beleidskeuzes te maken die logisch zijn en niet uit de lucht komen vallen. Die houvast willen we ook graag bieden voor mensen en organisaties buiten het gemeentehuis: de inwoners, ondernemers, samenwerkingsorganisaties en initiatiefnemers. Zodat op die manier duidelijk is wanneer de gemeente (wettelijk) verantwoordelijk is, wanneer de gemeente welke rol pakt en waar de gemeente ruimte kan en wil bieden voor initiatieven vanuit de omgeving. Deze visie is daarmee ondersteunend aan het belangrijkste doel van de gemeente Kaag en Braassem: bijdragen aan vitale gemeenschappen in een leefbare, mooie woon-, werk- en leefomgeving.

1.4 De toekomst van deze visie

De Omgevingsvisie is een levend document. Iedere vier jaar vindt er een volledige herziening plaats. Want hoewel de Omgevingsvisie ver vooruit probeert te kijken, is bijsturen in deze snel veranderende tijden noodzakelijk. Naast bijsturing op de inhoudelijke thema’s, ontwikkelen we de Omgevingsvisie daarnaast ook als instrument. Daarbij liggen er nog kansen in het verder versterken en verduidelijken van de verbindingen tussen thema’s. Ook het achterhalen waar thema’s of ambities botsen, en de verbinding met andere gemeentelijke stukken, zoals het raadsakkoord, kan worden verbeterd. Waar we nu nog vooral binnen onze thema’s werken, is het belangrijk om in de nabije toekomst dwarsverbanden en conflicten explicieter zichtbaar te maken – tussen gezondheid en mobiliteit, tussen landbouw en biodiversiteit, tussen economie en leefbaarheid. Het verbeteren van de koppeling met andere gemeentelijke stukken gaat helpen om inwoners en organisaties buiten het gemeentehuis beter inzicht te geven in de samenhang tussen verschillende documenten, en daardoor inzicht in wat mensen wel of niet van de gemeente kunnen verwachten.

1.5 Kaag en Braassem in cijfers

Het rad hiernaast geeft een beeld van hoe Kaag en Braassem ervoor staat op de acht hoofdthema’s van deze Omgevingsvisie. Elk thema is weergegeven op een schaal van 0 tot 5. Het rad geeft vereenvoudigd weer op welke thema’s we sterk staan en waar nog werk te verrichten is. De blauwe lijn is het landelijk of regionaal gemiddelde en de beoordeling is gebaseerd op landelijke trends, regionale ontwikkelingen en onze eigen gemeentelijke situatie. In de afzonderlijke hoofdstukken staat bij elk thema een eigen rad met meer verdieping. Ook hier is er een blauwe lijn zichtbaar die correspondeert met het landelijk of regionaal gemiddelde.

Voor dit rad – en de grafische overzichten verderop in deze visie – geldt: hoe dichter bij de 5, hoe beter of positiever de score; hoe dichter bij de 0, hoe meer het een aandachtspunt vormt.

afbeelding binnen de regeling

 

1.6 Onze organisatie als onderdeel van de samenleving

Kaag en Braassem is een gemeente die wil bijdragen aan de samenleving waar leefbaarheid en geluk centraal staan. Om dit voor elkaar te krijgen is een organisatie wenselijk die zich bewust is van haar positie in de samenleving en van de verschillende rollen die zij hierin vervult. Een gezonde, ontwikkelgerichte en dienstverlenende organisatie die grip heeft op haar bedrijfsvoering en waarin leren vanzelfsprekend is.

We willen samenwerking tussen organisaties, inwoners en de gemeente verder uitdragen en stimuleren. Dit gebeurt vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid, maar ieder doet dat vanuit diens eigen rol. Deze inzet ligt vast in het ontwikkelprogramma ‘participatie’. Onderstaand overzicht geeft een beeld van de verschillende rollen die de gemeente in de samenleving heeft, en wat dit, vanuit het oogpunt van de gemeente betekent voor partners waarmee we samenwerken. De verschillende rollen vragen een andere houding van de gemeente en zijn daarom van belang om bij elk vraagstuk scherp te krijgen:

Inwonersparticipatie (gemeente is bepalend)

  • De rechtmatige overheid: Vanuit deze overheidsrol garanderen wij orde en veiligheid voor onze inwoners. In deze 'rode rol’ handhaven we, innen we belastingen, verstrekken we efficiënt uitkeringen en leveren we diverse producten waar inwoners weinig directe invloed op hebben. Zo gaan we niet in onderhandeling met inwoners over de hoogte van een dwangsom of de kleur van het paspoort. In de rechtmatige rol geven we als gemeente bewust geen ruimte voor participatie. De overheid maakt zelf wetgeving en voert deze uit; inwoners kunnen hierop alleen via de verkiezingen invloed uitoefenen. In deze rol moeten we als gemeente wel helder uitleggen waarom we dingen doen en zorgen voor een efficiënte dienstverlening.

  • De presterende & samenwerkende overheid: Bij deze ‘blauwe’ rol zijn waarden als gelijkheid en rechtvaardigheid leidend. Veel lokale regels die we als gemeente maken vallen binnen deze rol. Denk aan ruimtelijke ordening, het beheren en onderhouden van de openbare ruimte en het uitvoeren van de taken in het sociaal domein. De overheid verwacht dat inwoners zich aan die regels houden. Daarom betrekken we inwoners nadrukkelijk bij het opstellen van deze overheidsregels. De gemeente neemt uiteindelijk de beslissing, maar inwonersparticipatie reikt verder dan alleen communiceren. De kennis en kunde die in Kaag en Braassem woont en werkt wordt in deze rol benut. Zodat de kwaliteit van het beleid toeneemt en er draagvlak is voor beleid.

 

Overheidsparticipatie (Inwoners en organisaties zijn bepalend)

  • De participerende en reactieve overheid: In Kaag en Braassem wonen en werken agrariërs, onderwijzers, topsporters, juristen groenspecialisten en rijksambtenaren. Alle beroepen zijn vertegenwoordigd. Mensen dus met unieke vaardigheden, met uiteenlopende ervaring en specifieke kennis. Mensen die op verschillende manieren willen bijdragen aan hun eigen omgeving, die verantwoordelijkheid nemen en eigenaarschap wensen en die initiatieven laten ontstaan. Zo worden er steeds meer ideeën en projecten uitgevoerd waar de gemeente (bewust) een (zeer) beperkte rol heeft. Deze beweging komt bovenop de initiatieven die onafhankelijk van de gemeente tot stand komen. In deze participerende en reactieve, ‘groene’ rol leveren wij een bijdrage in de leefwereld van de inwoners, verenigingen en ondernemers die met elkaar samenwerken aan waardevolle activiteiten. In deze rol is de overheid niet (als eerste) aan zet. In de ‘groene’ rol geven de inwoners het tempo aan en is de gemeente, als wij al een rol hebben, een waarderende en betrouwbare partner.

1.7 Samenwerking vanuit de rollen

In Kaag en Braassem vinden wij het belangrijk dat de samenwerking tussen gemeente, markt (commerciële organisaties) en samenleving positief verloopt. Dit betekent niet dat er altijd een door breed gedragen besluit volgt op een samenwerking. Wel werken we aan een samenwerking waarbij helder is wat iedereen van de gemeente (en de gemeente van de partners buiten het gemeentehuis) kan en mag verwachten. In deze samenwerking komt de politiek (daar waar nodig) in positie, aan de voorkant om kaders te stellen of later in het proces om conflicterende belangen af te wegen. Zo zetten wij participatie in om iedereen vanuit diens eigen rol te laten meedenken, meebeslissen, meedoen en te leren over de toekomst van onze gemeente.

Participatie is het proces om alle betrokkenen gelegenheid te geven inbreng te leveren op plannen, projecten en initiatieven. Het is ook belangrijk dat al deze informatie en meningen beschikbaar zijn in de bestuurlijke besluitvorming. Participatie is echter niet de optelsom van meningen. Het is een weging van alle belangen in het proces van besluitvorming, waarbij de inbreng vanuit de omgeving uiteraard een belangrijke rol heeft.

Participatie vraagt flexibiliteit, durf, geduld en ook het besef dat het niet altijd gemakkelijk zal gaan. Daarbij is er bij de samenwerking ook meestal sprake van maatwerk en is de rol van de gemeente afhankelijk van de rol die inwoners en/of samenwerkingspartners (willen) pakken. Participatie is dynamisch en verschilt logischerwijs per dorp, per buurt, per samenwerkingspartner, per opgave en per project.

Onafhankelijk van welke rol houden wij in de samenwerking de volgende algemene uitgangspunten aan:

  • De gemeente is van de inwoners en organisaties.

  • Samenwerking is geen doel op zich (zie rode rol).

  • We betrekken inwoners/belanghebbenden (volgens het principe van participatief werken) in een zo vroeg mogelijk stadium bij beleidsvorming en -uitvoering om zo mee te beslissen of mee uit te voeren (blauwe rol).

  • We staan open voor initiatieven uit de samenleving en we zijn duidelijk naar initiatiefnemers wat zij van ons kunnen verwachten (groene rol).

  • Kaag en Braassem wil een actieve en vernieuwende koers op het gebied van participatie inzetten (blauwe en groene rol).

 

Verder houden we de volgende specifieke uitgangspunten in het achterhoofd:

  • Hoe meer mensen hoe meer meningen. En dus hoe meer deelnemers hoe meer tegenstrijdige ideeën en soms ook belangen.

  • Samenwerking werkt alleen als je elkaar weet te vinden.

  • Eigenaarschap ligt daar waar het hoort.

1.8 Leeswijzer

De Omgevingsvisie is opgedeeld in een aantal grote thema’s. Binnen die thema’s is een aantal opgaven geformuleerd. Die lichten we toe en daarbij benoemen we (eventuele) doelen. Bij elk thema staat een rad. Dit visuele overzicht brengt per onderwerp in beeld hoe we er als gemeente in relatieve zin voor staan. Het rad biedt een korte indicatie van de actuele situatie of prestaties binnen een thema op bepaalde onderwerpen.

We hebben onze gemeente in vijf gebiedstypen ingedeeld: het buitengebied, het water, de glastuinbouwgebieden, de bedrijventerreinen en de kernen. Binnen ieder gebiedstype spelen verschillende belangen en thema’s. Deze lichten we in hoofdstuk 10 toe met een beschrijving van het gebied en de doelen en specifieke uitgangspunten voor het bereiken van deze doelen. Zodat het duidelijk is hoe zo’n gebied eruitziet en wat het beeld voor de toekomst is.

Onze gemeente bestaat verder uit elf kernen die allemaal een eigen identiteit met eigen karakteristieken kent. Van elk kern in onze gemeente is een dorpsperspectief gemaakt in samenwerking met de inwoners. Zij hebben tijdens bijeenkomsten in de dorpen, of online, input geleverd die de basis vormt van de dorpsperspectieven. Bij ieder dorpsperspectief noemen we een voorbeeld van een initiatief vanuit de gemeenschap.

2 Energie & grondstoffen

2.1 Inleiding

De gemeente Kaag en Braassem heeft zich, via de Regionale Energie Strategie (RES) Holland-Rijnland, verbonden aan de doelstelling om in 2050 een energie neutrale regio te zijn. Het is ook de doelstelling in het Klimaatakkoord om in 2050 aardgasvrij te zijn. Dit betekent dat we alle elektriciteit, warmte en brandstoffen die we in de regio gebruiken, lokaal en duurzaam opwekken. Een flinke opgave dus. Het energiesysteem is volop in ontwikkeling en ook in Kaag en Braassem houden we daardoor in ruimtelijke ontwikkelingen rekening met de ruimteclaims die opslag in de toekomst kan veroorzaken.

Om naar deze 2050-doelstelling toe te werken wil Kaag en Braassem de doelstelling van de RES Holland Rijnland voor 2030 volgen. Die doelstelling van de RES Holland-Rijnland is om samen met de andere RES-regio’s in Nederland in 2030, 55% minder CO2 uit te stoten.

Ook wil de gemeente zelf duurzame elektriciteit opwekken (0,09 TWh in 2030), wat ongeveer 40% van het totale elektriciteitsverbruik in 2030 is. Door deze doelen verandert het bovengrondse en ondergrondse energiesysteem. Hoe de gemeente Kaag en Braassem hier naartoe werkt, is opgenomen in de Lokale Energie Strategie (hierna: LES). De LES is een integraal sturingsdocument voor de energietransitie als geheel en bouwt verder op de gezette stappen in de Transitievisie Warmte (TVW) en Regionale Energie Strategie (RES). Eind 2026 wordt de opvolger van de TVW van begin 2022 vastgesteld. Onder de nieuwe Omgevingswet wordt dit een Warmteprogramma. Naast de energieopgave beoogt de gemeente tevens een circulaire economie te worden waardoor een begrip als afval uiteindelijk tot het verleden zal behoren.

2.2 Achtergrond

2.2.1 Meeste energieverbruik door de agrarische sector, woningen en onze voertuigen 

Bij het wonen, werken en rijden binnen Kaag en Braassem verbruiken we allemaal energie. Daarbij heeft elke sector een eigen energievraag. In Kaag en Braassem komt de energievraag vooral uit de gebouwde omgeving (26%), mobiliteit (19%) en land- en tuinbouw (26%). De industrie speelt geen noemenswaardige rol: slechts 2% van de energievraag in de gemeente komt hier vandaan. Verder veroorzaakt de A4 die door Kaag en Braassem loopt een belangrijk deel van het energieverbruik (namelijk 27%). Hier heeft de gemeente geen invloed op en daarom nemen we deze activiteit niet mee in de Lokale Energie Strategie en de Omgevingsvisie .

2.2.2 Duurzaamheid is in beweging

Steeds meer inwoners zijn bezig met duurzaamheid of gaan daar bewust mee aan de slag. Hierbij gaat het vooral om energiebesparende maatregelen, het opwekken van duurzame energie via zonnepanelen en het bewuster omgaan met afval:

  • Jaarlijks ontvangen meer dan 100 huishoudens energieadvies van onze energiecoaches, dat is inclusief het werk van Leimuiden Duurzaam.

  • In 2023 t/m 2025 zijn er 1.400 huishoudens bezocht door het fix team van Kaag en Braasem en Regionaal Energieloket.

  • In 2023 hadden 5.720 woningen in Kaag en Braassem zonnepanelen. Dat is 56,1% van alle eengezinswoningen en een stijging van 18,1% ten opzichte van eind 2022 (CBS, 2024).

  • In 2023 waren de inwoners van Kaag en Braassem koploper in de Cyclus-regio met gemiddeld maar 121,5 kilo restafval per inwoner, een stuk minder dan het landelijk gemiddelde van 177 kilogram (CBS, 2023).

  • Verschillende uitgevoerde projecten van de Coöperatieve energiecoöperatie KB Energie, te weten de panelen op het gemeentehuis, de panelen ten behoeve van de Voedselbank op het dak van Dobbe transport en de panelen op de Herenboerderij aan de Drecht.

2.2.3 Afval en recycling

Op dit moment zijn er alleen gegevens beschikbaar over het huishoudelijk afval. Zo weten we dat bijna al onze inwoners (88%) aan afvalscheiding doen en dat 45% vaak probeert zoveel mogelijk voorwerpen en producten te hergebruiken. De komende tijd moeten er meer gegevens komen om inzichtelijk te maken hoeveel en welke materialen, grondstoffen en producten mensen gebruiken en hoeveel ‘afval’ bedrijven bijvoorbeeld produceren. We verwachten, op basis van gegevens van de inwoners zelf, dat zij in de nabije toekomst (binnen nu en 5 jaar) meer belangstelling hebben voor het duurzaam omgaan met materialen en grondstoffen.

2.2.4 Duurzaamheid in cijfers

Het rad toont hoe Kaag en Braassem scoort op verschillende duurzaamheidscijfers, afgezet tegen het landelijk gemiddelde (schaal 3). De gemeente heeft meer woningen met zonnepanelen dan gemiddeld, en ook meer woningen met een hoog energielabel (A t/m A++++). Ook het energieverbruik van woningen per inwoner is lager dan het landelijk gemiddelde. Voor wat betreft restafval per inwoner en het scheidingspercentage scoort de gemeente ook beter dan het gemiddelde.

afbeelding binnen de regeling
Radardiagram Energie & Grondstoffen

2.3 Samen naar een duurzame toekomst

2.3.1 Inleiding

In de Lokale Energie Strategie (LES) is een voorkeursscenario opgesteld voor het plaatsen van zonne- en windenergie als vormen van grootschalige duurzame opwek. Het voorkeursscenario is gebaseerd op onderzoek en gesprekken met inwoners, deskundigen en belanghebbenden. Gezien de veranderende omstandigheden en de weerstand onder de bevolking ziet Kaag en Braassem af van zoekgebieden van zon en wind. Bovendien wensen de regiogemeenten de RES-doelstellingen te herijken.

De gemeente stimuleert verder lokale initiatieven die gericht zijn op het plaatsen van zonnepanelen op daken en parkeerplaatsen. Ook wordt er ingezet op het ontwikkelen van kleine zonneparken langs wegen en restgronden bij bedrijventerreinen.

Een succesvolle energietransitie waarin de gemeente Kaag en Braassem haar doelen uit de LES bereikt, of het nu gaat om energie besparen of het opwekken van duurzame energie, vraagt om samenwerking. Niet alleen nu, maar ook in de eerstvolgende fasen waarin we met elkaar de energieopgave verder zullen uitwerken.

2.3.2 Wat willen we bereiken?

  • Om de doelstelling van 2030 te halen en 11% energie te besparen dient ongeveer 15% van het vervoer in Kaag en Braassem over te gaan op elektrische voertuigen. In Kaag en Braassem had eind 2022 2,6% van alle voertuigbezitters een elektrische auto.

  • Om het energieverbruik in woningen te verlagen en de bespaardoelstelling te behalen, moeten er in de periode tot 2030 zo’n 2.000 woningen (of 20% van alle woningen) volledig geïsoleerd worden (van label G/F naar label A/B).

  • In 2030 willen we dat er in Kaag en Braassem 2294 aardgasvrije woningen staan. Nieuwbouw vanaf 2019 telt hierbij niet mee. Dit is een doorrekening van de doelen in het landelijk Klimaatakkoord.

  • De doelstelling uit de in 2024 vastgestelde LES ging ervan uit dat – wanneer de gemeente Kaag en Braassem haar evenredige deel van de nu nog geldende regionale opwekgave levert - er maximaal 1 tot 2 windturbines (5,6 MW) en 30 tot 40 hectare zonnepanelen geplaatst zullen worden. Gezien de veranderende omstandigheden en de weerstand onder de bevolking ziet Kaag en Braassem af van zoekgebieden van zon en wind.

2.3.3 Energie besparen

In de gemeente Kaag en Braassem helpen energiecoaches huiseigenaren en huurders met gratis energieadvies. Om energieverbruik in woningen te besparen, werken we met isolatiemaatregelen. Daarnaast heeft het fix team meer dan 500 acties uitgevoerd om kleine energiebesparingen door te voeren en is de gemeente gestart met een lokale subsidie, het Nationaal Isolatie Programma. Het is belangrijk dat in de komende jaren nog veel meer huiseigenaren en huurders hulp krijgen bij onder andere het isoleren van hun woning.

Het is aannemelijk dat veel inwoners voor individuele opties kiezen om hun huis te verduurzamen, zoals hybride warmtepompen. Dit komt door de lage warmtedichtheid in Kaag en Braassem. Om die verduurzaming in goede banen te leiden is het van belang dat de gemeente de transitie blijft ondersteunen, wat het onder andere kan doen door de Wijkuitvoeringsplannen op te stellen. Deze geven per wijk een beter beeld wat logische verduurzamingsroutes kunnen zijn.

Het besparen van energie bij vervoer en mobiliteit is vooral mogelijk door over te stappen naar elektrische auto’s, want die zijn een stuk zuiniger dan auto’s met een verbrandingsmotor.

2.3.4 Energie opwekken

Het opwekken van meer duurzame elektriciteit is noodzakelijk om de duurzaamheidsdoelstellingen te behalen. Landelijk gebeurt dat met kernenergie en wind op zee. Maar ook lokaal is het opwekken van duurzame elektriciteit belangrijk. Dit kan via zonnepanelen op daken, en zou ook kunnen door zonneparken en windturbines, maar hier is totdat het RES-bod herijkt is nog geen sprake van.

Voor wat betreft windturbines neemt de gemeente de zorgen en onrust die er in de samenleving leven serieus. De gemeente blijft daarom samen oplopen met inwoners, deskundigen en belanghebbenden. Ook tijdens de volgende fase waarin verder wordt onderzocht hoe Kaag en Braassem in haar zoekgebieden schone energie op kan opwekken, veilig en verantwoord. Concreet moet hierbij gedacht worden aan onder meer het in kaart brengen van de gezondheidsrisico’s, het uitwerken van afstandsnormen en het exact bepalen wat de landschappelijke impact is van de opwekopgave.

Op dit moment is deze volgende fase gepauzeerd omdat het proces van de provincie Zuid-Holland parallel loopt en de gemeente eerst meer duidelijkheid wenst over de keuzes van de provincie. Zodat verdere onrust en verwarring onder de inwoners van Kaag en Braassem wordt voorkomen.

Voor wat betreft zonneparken wordt er in de komende periode – naast de eerdergenoemde restgronden bij bedrijventerreinen – specifiek gekeken of het mogelijk is om zonnepanelen te plaatsen op geluidsschermen en/of reststroken langs de A4 en/of het spoor.

In de toekomst gaat ook de opslag van energie een belangrijke rol spelen. Als het energiesysteem niet altijd energie produceert als er vraag is, dan is opslag van belang. Opslag is volop in ontwikkeling en ook in Kaag en Braassem houden we daardoor in ruimtelijke ontwikkelingen rekening met de ruimteclaims die opslag in de toekomst kan veroorzaken.

2.3.5 Grootste opgaven voor een duurzaam Kaag en Braassem

  • Ons energiesysteem verandert, zowel bovengronds als ondergronds. Er is meer energie-infrastructuur nodig zoals transformatorstations, transformatorhuisjes en kabels en leidingen voor het transport van elektriciteit en warmte.

  • De verduurzaming van mobiliteit en transport loopt vertraging op door netcongestie, overbelasting van het elektriciteitsnet. Daardoor zijn er op dit moment geen aansluitingen mogelijk.

  • Het werken richting een circulaire economie waarin er geen sprake meer is van afval en we steeds meer duurzaam geproduceerde, hernieuwbare grondstoffen en materialen gebruiken.

2.3.6 Nationaal, regionaal en lokaal

Een van de grotere doelstellingen van de rijksoverheid in het klimaatakkoord, is om in 2030, 35 TWh aan duurzame elektriciteit op te wekken op land. Om dit te voor elkaar te krijgen heeft de rijksoverheid Nederland opgedeeld in energieregio’s die samen in 2030 de 35 TWh op dienen te wekken. Om tot goede plannen te komen heeft elke regio een Regionale Energie Strategie (RES) opgesteld. De gemeente Kaag en Braassem is onderdeel van de RES Holland-Rijnland. De Lokale Energie Strategie (LES) van Kaag en Braassem sluit aan bij deze regionale doelen. In deze LES kijken we naar de mogelijkheden voor duurzame energieopwekking in de gemeente en stemmen we deze af met de andere gemeenten in de regio.

Het is niet alleen de gemeente die bepaalt waar duurzame energie is op te wekken. De rijksoverheid, de provincie en Schiphol hebben ook invloed en maken beleid dat eisen kan opleggen. We toetsen alle plannen in de LES zoveel mogelijk aan het bestaande beleid van de rijksoverheid en de provincie, maar dit beleid kan veranderen.

2.3.7 Na 2030

De ontwikkelingen tot 2030 zijn een voorbode voor wat er na 2030 nodig is. Zo is de verwachting dat de verduurzaming van de maatschappij verder doorzet, wat leidt tot een verder groeiende vraag naar duurzame elektriciteit, warmte en mobiliteit. Technologische ontwikkelingen zullen verder doorzetten, waardoor technieken die nu nog economisch gezien niet rendabel zijn, dan wel concurrerend worden. Denk bijvoorbeeld aan waterstof, kleine modulaire kernreactoren (SMRs) of langdurige opslag van elektriciteit en warmte. Dit betekent dat er voor een aantal sectoren transitiepaden ontstaan, die eerder nog onduidelijk waren. De gemeente blijft deze ontwikkelingen volgen en past haar doelstellingen en plannen voor 2050 hierop aan.

2.4 Grondstoffen: Op termijn naar een circulaire economie 

2.4.1 Inleiding

De rijksoverheid streeft naar een circulaire economie in 2050. Een circulaire economie is een gesloten economie waarin er geen afval bestaat. Het is ook een economie waarin we alleen nog maar herbruikbare en duurzaam geproduceerde grondstoffen gebruiken. Een belangrijke tussenstap om dat doel te halen, is het streven om 50 % minder primaire grondstoffen (mineralen, metalen en fossiele brandstoffen) te gebruiken in 2030. De overgang van onze huidige economie naar een circulaire economie is hieronder schematisch weergegeven. Het laat zien dat we in de toekomst zuiniger, slimmer en efficiënter om moeten gaan met materialen en grondstoffen. Dit willen we beter verankeren in het inkoopbeleid van de gemeente.

Dit betekent dat:

  • We in onze woningen, het gemeentehuis en onze (sport) verenigingen efficiënter gebruik moeten maken van grondstoffen (onder andere het delen van producten en diensten), zodat er minder grondstoffen nodig zijn.

  • Wanneer we nieuwe grondstoffen en materialen gebruiken, voor bijvoorbeeld het bouwen van een school of van een nieuwe woning, dit zoveel mogelijk duurzaam geproduceerde, hernieuwbare (onuitputtelijke) en algemeen beschikbare grondstoffen zijn.

  • Onze ondernemers en agrariërs tegelijkertijd gaan nadenken over en bouwen aan een circulaire bedrijfsvoering en een productieproces waarin, op den duur, geen afval meer ontstaat.

 

Hoe we dat verstandig en betaalbaar gaan doen, daar willen we ons met elkaar de komende jaren op gaan richten. Want ondanks dat er al een aantal creatieve en intelligente oplossingen zichtbaar zijn voor deze opgave, staan we als Kaag en Braassem, maar ook als Nederland en wereldwijd gezien, pas aan het begin van de gewenste omslag. Duidelijk is wel dat we allemaal, in onze woningen, in onze bedrijven, op het gemeentehuis en op onze agrarische erven, de schouders onder deze overgang moeten zetten.

afbeelding binnen de regeling
Proces van de circulaire economie

 

2.4.2 Wat willen we bereiken?

De komende jaren willen we ons huishoudelijk restafval blijven verminderen door: 

  • Het beter scheiden van het restafval én het verbeteren van de kwaliteit van de deelstromen van afvalscheiding.

  • Inzicht krijgen en verbeteringen aanbrengen in de afvalstromen en het gebruik van materialen binnen het gemeentehuis en op de gemeentewerf.

  • Vanuit de gemeente inzetten op duurzaam inkopen en aanbesteden.

  • Ondernemers, waar mogelijk, stimuleren om afval te verminderen en te hergebruiken.

2.4.3 Nationaal, regionaal en lokaal

De gemeente Kaag en Braassem heeft het Manifest Maatschappelijk Verantwoord Opdrachtgeven en Inkopen ondertekend, wat een initiatief is van de rijksoverheid. Dit manifest richt zich op het stimuleren van ambitieus maatschappelijk verantwoord opdrachtgeven en inkopen, en is ondertekend door ruim 70 bestuurders van zo'n 90 (semi-) overheidsorganisaties. Dit draagt bij aan oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen. In het manifest komen deze thema’s aan bod: milieu en biodiversiteit, klimaat, circulair (inclusief biobased), internationale sociale voorwaarden (ISV of ketenverantwoordelijkheid), diversiteit en inclusie en social return. Dit manifest is nog niet omgezet in een uitvoeringsagenda.

Regionaal is de gemeente Kaag en Braassem aangesloten bij Cyclus NV, dat in afstemming met de deelnemende gemeenten een regionaal demontagebedrijf opricht voor grof huishoudelijk afval. Door demontage, het uit elkaar halen, van grof huishoudelijk restafval is te voorkomen dat 60% tot 80% van dit afval wordt verbrand. Het grofvuil is na demontage te scheiden in onder andere hout, ijzer, plastics en schuimrubber. Dit gaat vervolgens naar gespecialiseerde recyclebedrijven. Het streven van Cyclus NV en de aangesloten gemeenten is om het grof huishoudelijk afval dat op de milieustraten komt zoveel mogelijk te gaan demonteren. Ook gaat het demontagebedrijf zich inzetten om al het grof huishoudelijk afval zo hoogwaardig mogelijk te verwerken. Dat betekent dat zij samenwerking zoeken met maakbedrijven, zoals ateliers en meubelmakers. Op deze manier sluit het demontagebedrijf goed aan op onze duurzaamheidsambities.

2.5 Specifieke uitgangspunten

  • Als gemeente stimuleren we duurzaamheidsinitiatieven die inwoners in de wijken en dorpen opzetten.

  • De gemeente stuurt waar nodig op een dorpsgerichte aanpak, waardoor de aanpak van opgaven als de energietransitie en het voor elkaar krijgen van een circulaire economie, per dorp en per initiatief kunnen verschillen.

  • Als gemeente gaan we, mede ook op basis van de uitkomsten van het inwonerspanel, uit van een breed gedragen verantwoordelijkheid bij de aanpak van de duurzaamheidsopgaven. We zoeken daarom, wanneer dit wenselijk is, verbinding tussen inwoners, het bedrijfsleven, de agrariërs in een dorp en eventuele andere overheidsinstanties.

  • Circulair bouwen vraagt om een andere manier van denken. Hoe kunnen we materialen hergebruiken? Wat is de meest duurzame keuze? Daarbij moeten we niet alleen kijken naar de kosten van vandaag, maar ook naar de gevolgen in de toekomst. Circulair bouwen is daarbij een belangrijk uitgangspunt: de vraag naar nieuwe grondstoffen verminderen en bijdragen aan een kleinere CO2-voetafdruk. Zo houden we onze mooie gemeente leefbaar voor de generaties na ons.

3 Klimaat, biodiversiteit, water en bodem

3.1 Inleiding

Groen en blauw vormen de kern van Kaag en Braassem. De uitgestrekte weilanden met sloten en vaarten, de karakteristieke polders, de rietrijke oevers van de Kagerplassen en het Braassemermeer en het veenweidelandschap maken onze gemeente een bijzonder deel van het Groene Hart. Dit landschap is rijk aan planten en dieren in diverse ecosystemen, van grote waarde voor natuur, landbouw, recreatie en leefkwaliteit. De natuurlijke dynamiek van water en bodem vormt de basis van dit landschap, dat niet alleen onze gemeente karakter geeft, maar ook onze mogelijkheden en grenzen bepaalt bij het inrichten van de ruimte. 

Tegelijkertijd staat onze leefomgeving onder druk. Steeds vaker vallen er hevige buien, waardoor straten onderlopen en het riool het water niet meer aankan. Bij het uitblijven van regen verdroogt het landschap en raken natuur en landbouw in de knel. Tropische zomerdagen zorgen voor hittestress in onze dorpen, vooral op plekken waar weinig groen of schaduw is. Het risico op overstromingen groeit, doordat de zeespiegel stijgt en het poldersysteem steeds meer water moet verwerken. 

Ook de biodiversiteit neemt af. Steeds minder insecten, vogels en planten vinden geschikte leefgebieden in bermen, oevers, tuinen en groenvakken. Terwijl juist een grote verscheidenheid aan soorten het ecosysteem sterk en veerkrachtig maakt. Hoe gevarieerder het systeem, hoe beter het kan omgaan met verstoringen zoals droogte, extreme regen of hitte. In een tijd van klimaatverandering is dat belangrijker dan ooit. Biodiversiteit ondersteunt daarnaast noodzakelijke processen als bestuiving, natuurlijke plaagbestrijding en bodemgezondheid, en vormt zo de stille motor achter voedsel, natuur, gezondheid en leefkwaliteit. 

Het samenspel tussen water en bodem is kwetsbaar, zeker in een laaggelegen gemeente als de onze. Bij zware regenval raakt het watersysteem sneller overbelast. In droge tijden zakt het grondwaterpeil en droogt de bodem uit, waardoor natuur verdroogt en bodemdaling toeneemt. Wat we aan de oppervlakte doen, werkt door in de ondergrond. Een toekomstbestendige inrichting begint daarom met het begrijpen én versterken van dit systeem. 

Deze ontwikkelingen vragen om bewuste keuzes. Hoe we omgaan met water, bodem, groen en ruimte is bepalend voor de toekomst van onze leefomgeving. Sommige plekken vragen om bescherming, andere juist om aanpassing. Dat vraagt om inzicht in de samenhang van deze systemen én de bereidheid om samen te werken aan slimme, toekomstbestendige oplossingen.

3.2 Achtergrond

Het rad toont hoe Kaag en Braassem scoort op diverse indicatoren voor klimaat, natuur, en water en bodem, afgezet tegen het landelijke of regionale gemiddelde (blauwe stippellijn - schaal 3). De gemeente heeft na een hevige regenbui minder water op straat dan het landelijk gemiddelde, is even gevoelig voor hitte, maar heeft juist meer last van droogte en een grotere kans op overstroming. Kaag en Braassem heeft daarnaast minder groen in de leefomgeving dan omliggende gemeenten en scoort erg slecht op de 3+30+300 vergroeningsvuistregel1. Voorbiodiversiteit zijn over Kaag en Braassem geen gegevens beschikbaar, maar het landelijke beeld laat zien dat soorten herstellen in zoetwater- en moerasgebieden, terwijl het aantal dieren op land juist sterk achteruitgaat. Tot slot is de gemeente minder kwetsbaar voor lage grondwaterstanden dan gemiddeld, maar juist gevoeliger voor hoge grondwaterstanden en zeer kwetsbaar voor bodemdaling. Uit dit profiel blijkt dat een integrale aanpak nodig is waarin klimaatadaptatie, het behoud en de bevordering van biodiversiteit, en water en bodem leidend zijn.

 

1. De 3+30+300-regel is ontwikkeld door stedelijk groenonderzoeker Cecil Konijnendijk. Hij adviseert dat iedereen vanuit huis drie bomen moet kunnen zien, dat iedere buurt ongeveer 30 procent bladerdek of schaduwgevend groen heeft, en dat er binnen 300 meter een park of groengebied van ten minste 1 hectare beschikbaar is.

afbeelding binnen de regeling
Radardiagram klimaat, biodiversiteit, water en bodem

3.3 Aanpassen aan het veranderende klimaat: Klimaatadaptief Kaag en Braassem

3.3.1 Inleiding

Het klimaat verandert. Wereldwijd, in Nederland en ook in Kaag en Braassem krijgen we steeds vaker te maken met weersextremen. Die nemen verschillende vormen aan en hebben elk hun eigen gevolgen voor onze leefomgeving.

Hevige regenval zorgt ervoor dat het water niet snel genoeg weg kan. Het riool raakt overbelast, de grond is al doordrenkt en sloten staan vol. Daardoor ontstaan er plassen op straten, pleinen en in tuinen. In wijken met veel tegels en weinig groen blijft het water liggen en kunnen straten tijdelijk vollopen. Ook hittegolven en aanhoudend hoge temperaturen komen vaker voor. In dorpskernen met veel steen en weinig groen blijft de warmte hangen: overdag loopt de temperatuur op, en ’s nachts koelt het nauwelijks af. Dit leidt tot hittestress, vooral bij ouderen en andere kwetsbare groepen. Ook planten, bomen en dieren in de openbare ruimte hebben het zwaar tijdens langdurige hitte. Daarnaast komt langdurige droogte steeds vaker voor. Regen blijft uit, terwijl het vocht uit de bodem verdampt. Dit maakt de grond steeds droger en harder, waardoor die later minder makkelijk water opneemt. Als het dan eindelijk regent, stroomt het water vaak weg in plaats van in de bodem te trekken. Vooral planten, gras en gewassen hebben daar last van en groeien minder goed. Ten slotte groeit het risico op overstromingen. Door zeespiegelstijging en hoge rivierafvoeren komt het hoofdwatersysteem, het netwerk van rivieren, watergangen en dijken, vaker onder druk te staan. Als water niet snel genoeg naar zee kan worden afgevoerd, neemt de druk op dijken toe. Een dijkdoorbraak is zeldzaam, maar de gevolgen kunnen groot zijn, zeker voor een laaggelegen gemeente als Kaag en Braassem.

Deze veranderingen zijn geen tijdelijke uitschieters, maar structurele trends.Ze raken direct aan hoe we wonen, bewegen, bouwen en omgaan met onze omgeving. Daarom is aanpassen geen keuze voor later, maar een opgave voor nu.

3.3.2 Kansen en maatregelen: samen klimaatadaptief worden

Klimaatverandering vraagt om slimme, samenhangende keuzes in de inrichting van onze leefomgeving. Met klimaatadaptatie bereiden we ons voor op extremer weer en de gevolgen daarvan. In Kaag en Braassem zetten we daarom in op een toekomstbestendige omgeving die beter bestand is tegen hitte, droogte, wateroverlast en overstromingen. We leggen hiervoor klimaatadaptatierichtlijnen vast in onze Leidraad Inrichting Openbare Ruimte (LIOR), gebaseerd op de landelijke maatlat voor een groene, klimaatbestendige gebouwde omgeving. Deze richtlijnen passen we al toe bij lopende projecten en onderhoud.

Om wateroverlast te voorkomen, willen we regenwater beter opvangen, vasthouden en vertraagd afvoeren. Dat vraagt om slimme combinaties van verharding, afwatering, waterberging en vergroening. Denk aan gescheiden afvoer van regenwater, waterdoorlatende bestrating en ondergrondse berging, maar ook aan groene oplossingen zoals plantvakken die infiltratie in de bodem bevorderen, bomen die water opnemen, en sloten of greppels waar water kan samenkomen. Door de openbare ruimte strategisch in te richten, kunnen we het regenwater gericht afvoeren naar plekken waar het geen schade veroorzaakt, maar juist bijdraagt aan het functioneren van het watersysteem.

Tegen hittestress willen we onze dorpskernen groener, schaduwrijker en koeler maken. Vooral grote bomen spelen hierbij een sleutelrol. Groene daken en gevels, schaduwrijke plantsoenen en bomen met een brede kroon dragen bij aan verkoeling van de omgeving én het vasthouden van water. Binnen de gemeente zetten we zoveel mogelijk in op vergroening: als we bij nieuwe ontwikkelingen bomen kappen, zorgen we ten minste voor nieuwe aanplant in gelijke aantallen.

Om droogte beter te doorstaan, streven we naar een bodem die water beter vasthoudt. Dat vraagt om minder verharding, meer ruimte voor infiltratie en gebruik van de natuurlijke sponswerking. Ook op particulier terrein liggen kansen, bijvoorbeeld met regentonnen of infiltratievoorzieningen. Tegelijk vraagt droogte om zuiniger watergebruik, zeker van partijen die afhankelijk zijn van grondwater.

Bij het toenemende overstromingsrisico draait het om ruimtelijke afwegingen en goede voorbereiding. In een laaggelegen gemeente als Kaag en Braassem is samenwerking met het hoogheemraadschap en de veiligheidsregio essentieel. Bijvoorbeeld bij het vernieuwen van calamiteitenplannen of het slim inrichten van kwetsbare gebieden zodat de schade tijdens overstromingen beperkt blijft.

Klimaatadaptatie vraagt om samenwerking tussen alle partijen: van overheid tot inwoners, agrariërs, ontwikkelaars en bedrijven. Door samen te werken aan een groenere, klimaatadaptieve omgeving: in de openbare ruimte, in tuinen, op daken en in het buitengebied, bouwen we aan dorpen die ook in een veranderend klimaat gezond, veilig en leefbaar blijven.

3.3.3 Wat willen we bereiken?

  • De openbare ruimte van Kaag en Braassem klimaatadaptief inrichten, zodat we beter voorbereid zijn op piekbuien, langdurige droogte, hittegolven en overstromingen.

  • Samen met inwoners, ondernemers, agrariërs en gebiedspartners bouwen aan een klimaatbestendige leefomgeving, door kennis te delen, bewustwording te vergroten en actie op eigen terrein te stimuleren.

3.4 Biodiversiteit behouden en bevorderen

3.4.1 Inleiding

Biodiversiteit is kortweg de verscheidenheid aan leven. Hieronder vallen alle soorten planten, dieren en micro-organismen (onder andere algen en schimmels), de genetische variatie binnen die soorten en de verschillende ecosystemen waarvan ze deel uitmaken, dus van weiland tot sloot tot woonwijk. Het gaat daarom niet alleen over bloemen, bomen en dieren, maar omvat het totaalpakket aan levende organismen en systemen – en de interacties daartussen. Biodiversiteit is belangrijk voor onze leefomgeving. Sterker nog: we zijn er onderdeel van.

De biodiversiteit staat wereldwijd onder druk door verstedelijking, intensivering van de landbouw en andere economische ontwikkelingen. Als de biodiversiteit om ons heen afneemt, komen natuurlijke processen, waarvan we ons vaak niet eens bewust zijn, vanzelf onder druk te staan. Zo zijn de bestuiving van planten (ook landbouwgewassen), schoon water, een vruchtbare bodem en fluitende vogels namelijk niet vanzelfsprekend. Zonder voldoende biologische diversiteit houdt dit vanzelf op er ’te zijn’. We zien dit nu al in Kaag en Braassem gebeuren: plaagvorming, zoals de eikenprocessierups, ziektes als essentaksterfte en troebele sloten zijn het directe gevolg van verminderde biodiversiteit in de buitenruimte. Biodiversiteit is dus niet alleen belangrijk voor productieve landbouw: het verhoogt de (be)leefbaarheid van onze directe omgeving en kan ons onnodige uitgaven besparen.

Het is van belang dat de verschillende partijen die werken aan biodiversiteit en waterkwaliteit – van inwoners tot overheid – hetzelfde doel voor ogen hebben. Want het gericht samenwerken door agrariërs, het hoogheemraadschap en de gemeente maakt de kans op succes groter dan als we afzonderlijke doelen nastreven.

3.4.2 Biodiversiteit versterken en vergroten

Achteruitgang van biodiversiteit is een wereldwijde trend en daarom zien we het als opgave om de biodiversiteit te beschermen en te bevorderen. Een doelstelling kan zijn de biodiversiteit te versterken óf te vergroten. Het versterken van de biodiversiteit betekent niet vanzelfsprekend een toename van verschillende dier- en plantensoorten in een gebied en dus vergroting van de biodiversiteit. Een methode om de biodiversiteit te versterken is om in een aantal landelijke ‘groengebieden’ gericht te kiezen voor bepaalde icoonsoorten. Denk hierbij aan plant- en diersoorten die kenmerkend zijn voor de landschappen van Zuid-Holland. Deze icoonsoorten, zoals de weidehommel, argusvlinder, merel en dotterbloem vertegenwoordigen samen de verschillende leefgebieden in de provincie. Als het leefgebied voor deze dieren en planten op orde is, kan een gezonde natuur bestaan die in balans is. Ook wij als mens zijn hier afhankelijk van.

Het specifiek inzetten op het vergroten van de biodiversiteit houdt in dat er meer verschillende dier- en plantensoorten in een gebied aanwezig gaan zijn. Deze aanpak vraagt maatwerk omdat in sommige wijken en dorpen soorten voorkomen die gebruik maken van oude gebouwen (vleermuizen, mussen en zwaluwen), terwijl in andere delen van onze bebouwde omgeving, zoals de nieuwbouwwijken in Roelofarendsveen, dit duidelijk niet het geval is.

Zo moeten we bij nieuwbouw en renovatie rekening houden met soorten die er al zijn, maar ook keuzes maken om nieuwe soorten mogelijkheden te bieden. Zo ontstaat er onder andere door natuurinclusief te bouwen een aantrekkelijk leefmilieu. De kennis is er, we moeten het alleen nu en in de toekomst bij bestaande dorpskernen, nieuwbouwwijken, bedrijventerreinen en waterwegen toepassen.

3.4.3 Biodiversiteit bij stedelijke ontwikkelingen

De provincie Zuid-Holland heeft een aantal concrete doelstellingen geformuleerd om de biodiversiteit bij stedelijke ontwikkelingen te bevorderen. Deze zijn ook voor Kaag en Braassem van belang.

 

  • a.

    Allereerst is dat het behoud en de bescherming van bestaande natuur. Want het is niet alleen belangrijk om voor nieuwe natuur te zorgen, maar juist ook om bestaande waardevolle natuur te behouden. Denk hierbij aan een volwassen boom die meer voordelen biedt dan nieuw aangeplante bomen, zoals schaduw, luchtzuivering en wateropvang.

  • b.

    Een andere doelstelling is om te zorgen voor basiskwaliteit natuur (BKN). BKN is een set condities – milieuomstandigheden, inrichting en beheer – die nodig is voor het voortbestaan van algemene soorten. Om voor een kansrijke leefomgeving te zorgen, wordt er rekening gehouden met ‘de vijf V’s’: verblijfplaatsen, voedsel, verbinding, variatie en veiligheid.

  • c.

    Naast aandacht voor het type inrichting moet er voldoende ruimte komen voor natuur. Hierbij is te denken aan een groennorm in vierkante meters. Met dubbelgebruik en koppelkansen is de groene ruimte nog meer te benutten. Denk hierbij aan de aanleg van groene daken (dubbelgebruik) of de combinatie van groen met recreatieve doeleinden (een koppelkans).

  • d.

    Ten slotte is het van belang groenblauwe structuren te behouden en versterken. Groenblauwe hoofdstructuren en fijnmazige dooradering door landschappen en de gebouwde omgeving verrijken de kwaliteit van de leefomgeving en zorgen voor voldoende aangesloten leefgebieden voor dieren. Naast dieren, profiteren ook wij mensen daarvan omdat we die groene zones kunnen gebruiken om te wandelen, fietsen en tot rust te komen.

Plagen, invasieve exoten, vervuiling en klimaatverandering kunnen een gebied onder druk zetten. Een goede biodiversiteit heeft hierop een dempende werking. Want, hoe diverser een gebied, hoe stabieler. Bij het aanplanten van bomen en groen in de openbare ruimte zorgen wij daarom voor gevarieerde beplanting. Hierbij staat ecologische compatibiliteit voorop. Aan de ene kant kiezen we voor inheemse soorten die van nature voorkomen in Nederland. Die soorten zijn optimaal aangepast aan de omgeving en trekken veel insecten en vogels aan. Daarnaast houden we rekening met het veranderende klimaat en gebruiken we soorten die beter bestand zijn tegen temperatuurschommelingen en/of langdurige droge of natte periodes. Deze soorten dienen ook interessant te zijn voor dieren die hier van nature voorkomen. Deze gevarieerde beplanting en robuuste natuur waarin allerlei plant- en diersoorten voorkomen draagt in onze gemeente bij aan een gezonde en klimaatbestendige leefomgeving.

3.4.4 Biodiversiteit in het buitengebied

Bij de opgave rondom biodiversiteit liggen kansen in de ontwikkeling van het buitengebied. Zo vormen onze bermen een grote oppervlakte. Als we die bermen ecologisch beheren en de inrichting aanpassen stimuleert dit de biodiversiteit. Ook dienen de bermen als verbindingszones voor bestuivers en andere dieren. Het netwerk via Groene Cirkel Bijenlandschap kan bijdragen aan het aanleggen van bijvriendelijke gebieden.

Daarnaast hebben agrariërs in Kaag en Braassem een grote invloed op veel uitdagingen van vandaag en morgen, zo ook op het gebied van biodiversiteit. Agrariërs kunnen een waardevolle rol spelen in het landschapsbeheer. Het beheer van bermen, houtwallen en slootkanten kan de biodiversiteit versterken en overlast, zoals Jacobskruiskruid, beperken. Boeren beschikken over de nodige kennis en machines, maar kunnen deze diensten niet kosteloos aanbieden. Hoe kunnen agrariërs een goede boterham verdienen met hun polders, terwijl zij tegelijkertijd een belangrijke bijdrage leveren aan bijvoorbeeld het verbeteren van de waterkwaliteit en de bescherming van plant- en diersoorten die het zwaar hebben, zoals de rietorchis en weidevogels? Het vraagt om bewuste keuzes en maatwerk. Dit kan zijn het verbouwen van alternatieve gewassen, zoals natte teelten, een aangepast maairegime of het benutten van reststroken landbouwgrond, zodat dier- en plantensoorten zich kunnen blijven handhaven.

Schoon en gezond water is onmisbaar voor biodiversiteit. Het biedt leefruimte aan planten, vissen, insecten, vogels en andere soorten, en speelt bovendien een sleutelrol in landbouw, recreatie en drinkwatervoorziening. Daarom geldt in Europa de Kaderrichtlijn Water (KRW), die lidstaten verplicht om uiterlijk in 2027 een goede ecologische en chemische toestand van hun wateren voor elkaar te krijgen. In Nederland is deze richtlijn vertaald in landelijke kaders en instrumenten. Binnen Kaag en Braassem gaat het om wateren als het Braassemermeer, de Wijde Aa, de Kagerplassen en de Does. Het behalen van de KRW-doelen vraagt samenwerking: de provincie het hoogheemraadschap, agrariërs, de gemeente en inwoners dragen hierin ieder hun deel van de verantwoordelijkheid.

3.4.5 Wat willen we bereiken?

  • Werken aan versterking en vergroting van de biodiversiteit in Kaag en Braassem door het behouden van bestaande natuur, het zorgen voor leefgebieden voor (icoon)soorten , voldoende ruimte voor natuur en het bevorderen van groenblauwe structuren.

  • Samen met inwoners, agrariërs en gebiedspartners werken aan het bevorderen van de biodiversiteit, door kennis te delen, de bewustwording te vergroten en actie op eigen terrein te stimuleren.

3.5 Water en bodem

3.5.1 Inleiding

Water en bodem vormen de ruggengraat van onze gemeente. Ze bepalen waar het mogelijk is om te wonen, te boeren of te ontspannen, maar leggen ook grenzen op. In het laaggelegen poldergebied van Kaag en Braassem zijn deze systemen al eeuwenlang met elkaar verweven. Een toekomstbestendige leefomgeving begint bij het begrijpen en versterken van dit samenspel.

3.5.2 Watersysteem

Het watersysteem van Kaag en Braassem bestaat uit een netwerk van sloten, vaarten, plassen en meren. Dat netwerk voert water af, biedt ruimte voor berging, ondersteunt landbouw, natuur en recreatie, en draagt bij aan het open, waterrijke karakter van het landschap. In deze laaggelegen polder is de balans tussen aanvoer, doorstroming en afvoer echter kwetsbaar. Door verstedelijking en verharding stroomt regenwater sneller af en raken watergangen sneller vol, terwijl langdurige droogte juist leidt tot lage waterstanden en verminderde waterkwaliteit. Dat maakt het systeem steeds gevoeliger.

Om het watersysteem goed te laten functioneren, moeten ruimtelijke keuzes hier beter op aansluiten: met voldoende ruimte voor watergangen en tijdelijke berging, en een inrichting van infrastructuur, percelen en groen die inspeelt op de natuurlijke waterdynamiek. De kenmerkende sloten, vaarten en verkavelingslijnen vertellen het verhaal van eeuwen waterbeheer, en geven structuur aan het landschap. Door deze historische lijnen te behouden én mee te nemen in onze ruimtelijke keuzes, blijft het systeem niet alleen veerkrachtig, maar ook herkenbaar en verbonden met de identiteit van Kaag en Braassem. Het functioneren van dit watersysteem werkt bovendien direct door in het grondwater en daarmee in de bodem. Water- en bodemopgaven zijn steeds meer met elkaar verweven.

3.5.3 Interactie water en bodem

Tussen het water dat we zien en de bodem waar we op leven, ligt een minder zichtbare maar zeer belangrijke laag: het grondwater. Dit is het water dat zich onder het maaiveld bevindt, opgeslagen tussen lagen in de ondergrond. De hoogte van het grondwaterpeil hangt af van meerdere factoren: de doorlaatbaarheid van het maaiveld, het soort ondergrond, de nabijheid van sloten en de manier waarop we het landschap inrichten. Een gezonde bodem laat regenwater geleidelijk in de ondergrond zakken en houdt het daar tijdelijk vast. Maar bij een dichte of verharde bodem stroomt het water sneller weg en komt er minder in de bodem terecht. Daarnaast heeft het peil in watergangen invloed op het grondwaterpeil: grond- en oppervlaktewater vormen samen één systeem. Veranderingen in het watersysteem werken dus door onder de grond. Een te hoge grondwaterstand (grondwateroverlast) kan leiden tot bijvoorbeeld verzopen groen of vochtproblemen in woningen met oudere funderingen, terwijl een te lage grondwaterstand (grondwateronderlast) onder meer kan zorgen voor paalrot bij houten funderingen die te lang droogstaan, of voor verdroging van groen en gewassen.

We kunnen dit systeem versterken als we daar in onze ruimtelijke inrichting rekening mee houden. Bijvoorbeeld door ruimte te maken waar regenwater in de bodem kan infiltreren, door overgangen tussen land en water natuurlijker te maken, of door zones in te richten waarin we het waterpeil actief kunnen sturen. Zo houden we het grondwatersysteem veerkrachtig en in balans met zijn omgeving. Door bodemdaling, bemaling en de stijgende zeespiegel neemt daarnaast het risico op verzilting toe: zouter water uit diepere lagen in de bodem of vanuit zee kan oprukken door de bodem via het grondwater naar gebieden die nu nog zoet zijn. Hoewel dit in Kaag en Braassem op dit moment beperkt speelt, is het belangrijk om deze ontwikkelingen te blijven volgen en tijdig maatregelen te verkennen om schade aan bodemgebruik, biodiversiteit en waterkwaliteit te voorkomen.

3.5.4 Bodemsysteem

Ongeveer 40% van het landoppervlak in Kaag en Braassem bestaat uit veengrond. Deze bodem bepaalt het karakter van het landschap en is gevoelig voor verandering. Want dit veen bestaat grotendeels uit plantaardig materiaal dat zich onder natte omstandigheden heeft opgebouwd. Als de bodem te droog is, bijvoorbeeld door lage grondwaterstanden of bemaling, komt het veen in contact met zuurstof en begint het langzaam af te breken. Daardoor klinkt de bodem in: een geleidelijk proces van bodemdaling dat grote gevolgen kan hebben voor gebouwen, wegen en het watersysteem. In de bebouwde omgeving kunnen hierdoor bijvoorbeeld huizen, wegen en rioleringen verzakken en beschadigd raken. Ook fysieke belasting, door bijvoorbeeld zware voertuigen of intensieve bebouwing, versnelt dit proces.

De bodemdaling kan plaatselijk aanzienlijk toenemen bij het gebruik van zwaar ophoogmateriaal zoals zand of beton. Daarom is het steeds opnieuw ophogen met zware materialen op termijn geen houdbare oplossing; lichtere of drijvende bouwwerken bieden hier duurzamere alternatieven. In polder- en kustgebieden vergroot dat bovendien de kans op verzilting, waarbij zouter water uit diepere lagen of vanuit zee de zoetwaterbalans verstoort. Tegelijkertijd komt bij de afbraak van veen veel CO₂ vrij, wat bijdraagt aan de opwarming van het klimaat.

Om bodemdaling te beperken, moeten we de oorzaken aanpakken. Dat begint bij het tegengaan van veenoxidatie. Een hogere grondwaterstand kan daarbij helpen, omdat zo minder veen met zuurstof in aanraking komt en de afbraak van veen wordt vertraagd. Per locatie wordt bekeken of dit noodzakelijk is om de bodemdaling af te remmen. In samenwerking met Rijnland worden peilbesluiten opgesteld die aansluiten bij de huidige bovengrondse functies en tegelijkertijd rekening houden met de toekomst. Zo blijft het veenweidelandschap op de lange termijn een aantrekkelijk gebied om te wonen, werken en recreëren.

Ook het voorkomen van extra belasting is belangrijk: door lichtere materialen te gebruiken bij ophoging of bewust te kiezen voor minder intensieve bebouwing op kwetsbare bodems. Tegelijk moeten we ook beter omgaan met bodemdaling die al plaatsvindt. Dat vraagt om innovatieve bouwmethoden die rekening houden met een dalende ondergrond, zoals flexibel bouwen. Verder is het mogelijk om infrastructuur zo te ontwerpen dat die kan meebewegen met de bodem of minder gevoelig is voor verzakking. Ten slotte vraagt de bodem ook om slimme ruimtelijke keuzes. Door functies beter af te stemmen op wat de bodem aankan, infrastructuur op de juiste plekken aan te leggen en actief te werken aan het behoud van bodemkwaliteit, geven we de bodem opnieuw een centrale plek in onze ruimtelijke keuzes.

Oplossingen vragen daarbij om maatwerk en gebiedskennis: kennis van het landschap, het bodemtype en de historie van waterbeheer. Daarom is het belangrijk dat partijen zoals het hoogheemraadschap van Rijnland, de provincie Zuid-Holland, de Omgevingsdienst West-Holland en de agrarische sector samenwerken.

De keuzes die we maken voor water en bodem zijn niet altijd direct zichtbaar, maar zijn op de lange termijn bepalend. Als we deze systemen als vertrekpunt nemen in ons ruimtelijk beleid, ontstaat er ruimte voor oplossingen die werken voor mens, natuur en economie tegelijk. Zo zorgen we ervoor dat we ook in de toekomst kunnen blijven wonen, werken en genieten in Kaag en Braassem.

3.5.5 Wat willen we bereiken?

  • Samen werken aan een watersysteem dat goed blijft functioneren bij droogte en piekbuien, dat ruimte biedt voor natuur en recreatie, en bijdraagt aan het karakter van onze open, waterrijke omgeving.

  • Een gezonde samenhang tussen water en bodem, waarbij de water- en bodemkwaliteit past bij de beoogde functie.

  • Samen werken aan een toekomstbestendige aanpak van bodemdaling, verzilting en belasting, met slimme oplossingen die passen bij het veenlandschap en bijdragen aan duurzaam gebruik van de bodem.

3.6 Specifieke uitgangspunten

3.6.1 Klimaatadaptieve leefomgeving

We richten de leefomgeving klimaatbestendig in om extreme weersomstandigheden op te vangen. Bij nieuwe projecten scheiden we het regenwater van het riool en creëren we extra capaciteit voor berging van water, bijvoorbeeld in waterdoorlatende parkeervakken, greppels en ondergrondse waterbuffers.

We maken de openbare ruimte groener en schaduwrijker om hittestress te verminderen, met grote bomen, schaduwrijke verblijfsplekken en een rijkere, gelaagde beplanting. Tegelijk werken we aan een bodem die water beter vasthoudt, door minder verharding en meer ruimte voor het infiltratie in de bodem, ook op particulier terrein. Zuinig watergebruik is daarbij belangrijk, zeker in tijden van droogte.

Omdat ons watersysteem kwetsbaar is bij piekbuien en hoge rivierafvoeren, nemen we tijdig maatregelen om schade door overstromingen te beperken. Dat doen we samen met het hoogheemraadschap en de Veiligheidsregio Hollands Midden. Klimaatadaptatie is een gedeelde verantwoordelijkheid: ook inwoners, bedrijven en agrariërs nemen maatregelen op hun eigen terrein, zodat we samen bouwen aan een toekomstbestendige en leefbare gemeente.

3.6.2 Biodiversiteit behouden en versterken

We zetten in op het behouden, herstellen en waar mogelijk vergroten van de biodiversiteit, omdat deze de basis vormt voor een veerkrachtig ecosysteem en een gezonde leefomgeving. Een gevarieerde soortenrijkdom maakt ons gebied weerbaarder tegen droogte, hitte, extreme regen en draagt bij aan gezonde water- en bodemsystemen. Biodiversiteit ondersteunt essentiële processen zoals bestuiving, natuurlijke plaagbestrijding en bodemgezondheid, en is belangrijk voor voedselvoorziening, natuur en leefbaarheid.

In het landelijk gebied stimuleren we natuurinclusieve landbouw, landbouw die rekening houdt met de natuur, en zorgvuldig landschapsbeheer om waardevolle ecosystemen en kenmerkende soorten te versterken. In dorpskernen bevorderen we natuurinclusief bouwen, ontstenen en ruimte voor inheemse beplanting waar planten en dieren kunnen leven.

We zorgen voor groene verbindingen tussen natuurgebieden om dierbewegingen en ecosysteemverbindingen te versterken, wat ook de beleving voor inwoners vergroot. We werken intensief samen met agrariërs, inwoners en natuurorganisaties, en stimuleren actie op eigen terrein. Die gezamenlijke inzet versterkt de biodiversiteit en draagt bij aan een toekomstbestendige leefomgeving.

3.6.3 Toekomstbestendig water- en bodemsysteem

Water en bodem zijn bepalend voor ons ruimtelijk beleid en geven richting aan de mogelijkheden en beperkingen van elke keuze. Het watersysteem is kwetsbaar door verstedelijking, verharding en klimaatverandering. In elke ontwikkeling reserveren we daarom ruimte voor watergangen, infiltratiegebieden en tijdelijke berging, en richten we functies en infrastructuur zo in dat ze de natuurlijke waterdynamiek kunnen volgen. Zo blijft het systeem veerkrachtig bij droogte en hevige regenval en blijft er ruimte voor natuur en recreatie.

Grondwater verbindt oppervlaktewater en bodem. We houden bij ontwikkelingen rekening met de bodemdoorlaatbaarheid, de ligging van watergangen en de invloed van verharding. Waar mogelijk stimuleren we infiltratie van regenwater, waarbij regenwater geleidelijk aan in de bodem zakt, en richten we de ruimte zo in dat het grondwaterpeil stabiel blijft. Zo beperken we schade door verdroging, wateroverlast en verzilting.

De bodem is gevoelig voor bodemdaling. Dit geldt voornamelijk voor het veenweidegebied. We beperken deze kwetsbaarheid zo veel mogelijk door voorbelasting toe te passen bij nieuwe ontwikkelingen, te zoeken naar mogelijkheden voor hogere grondwaterstanden en te bouwen met lichtere of flexibele bouwmethoden. Daarbij stemmen we bovengrondse functies af op de kwaliteit en gevoeligheid van de bodem.

4 Wonen

4.1 Inleiding

Een dak boven je hoofd hebben is één van de basisbehoeften van de mens. Kaag en Braassem is een mooie woongemeente en dat willen we ook blijven. Een gemeente met aantrekkelijke kernen in het Groene Hart, die zich onderscheidt van andere gemeenten door haar unieke ligging en woonmilieus. Maar de druk op de woningmarkt is groot. Er is een grote wachtlijst voor de sociale huursector, er is behoefte aan meer huur- en koopwoningen in het (betaalbare) middensegment en we hebben te maken met specifieke huisvestingsvraagstukken voor doelgroepen.

We zetten daarom in op het sneller zorgen voor meer woningen, met de focus op het sociale en betaalbare segment, maar kiezen ook voor het meer strategisch inzetten van nieuwbouw om de doorstroom te bevorderen zodat meer inwoners passend wonen. Met lokaal maatwerk kunnen we dit bereiken. We vinden dat alle doelgroepen op de woningmarkt aan bod moeten komen op een manier die past bij hun behoefte. Er is dan ook aandacht voor het zorgen voor diversiteit in woningtypes om betaalbaar en geschikt wonen mogelijk te maken voor iedereen.

Daarbij is de leefbaarheid van de kernen van groot belang. Als er voldoende woningen beschikbaar zijn die aansluiten bij de specifieke behoeften van de kern, draagt dat bij aan het behoud van voorzieningen en een levendig verenigingsleven. Daarom zetten we in op woningbouwontwikkelingen in elke kern van de gemeente. Bij elke ontwikkeling wel rekening houdend met de ruimtelijke kwaliteit en met de focus op ‘passend in de omgeving’. Plannen die aan deze voorwaarden voldoen kunnen dan ook op de volle steun rekenen van de gemeente. Om de leefbaarheid en de voorzieningen op peil te houden willen Gedeputeerde Staten op bepaalde plekken de mogelijkheid bieden om extra woningen te bouwen aan de rand van de kernen (straatje erbij) of in bestaande linten (straatje ertussen). Zo is de provincie Zuid-Holland positief over het toevoegen van een straatje aan de westkant van Hoogmade.

4.2 Achtergrond

4.2.1 Samenstelling gemeente in relatie tot de woningmarkt

Uit het rapport ‘Woningmarktonderzoek Kaag en Braassem’ van mei 2023 blijkt dat er in Kaag en Braassem 12.035 huishoudens zijn en dat de woningvoorraad bestaat uit ongeveer 12.142 (zelfstandige) woningen. Tegelijk geldt dat het woningtekort ondanks de bouwproductie in de afgelopen periode is opgelopen. Het actuele woningtekort in de regio werd in 2022 door onderzoeksinstituut ABF geraamd op 4%. Uit het woningmarktonderzoek blijkt verder dat het aantal huishoudens over de hele gemeente de komende jaren blijft groeien, naar verwachting met 1.090 huishoudens tot 2030. Hierin zien we ook een groei in de kleinere kernen. Van de gehele woningvoorraad in Kaag en Braassem bestaat 26% uit sociale huurwoningen. In Kaag en Braassem woont 64% van de huishoudens in een koopwoning. In de afgelopen jaren heeft de gemeente met het toevoegen van koopwoningen veel gezinnen aangetrokken uit Leiden, Amsterdam, Amstelveen en Haarlemmermeer. Het aantal ouderen neemt naar verwachting de komende jaren behoorlijk toe.

4.2.2 Woningbouwprogramma

Het woningbouwprogramma in Kaag en Braassem biedt voldoende woningen om het actuele tekort te kunnen oplossen en aan de toekomstige huisvestingsopgave (vanuit de regio) te voldoen. De huidige plannen zijn volgens bovengenoemd woningmarktonderzoek echter niet in lijn met het beleid van de rijksoverheid en de lokaal gewenste kwaliteit van de woningen. Inmiddels staat er 33% sociale huur in de woningbouwprogrammering. Om te voldoen aan het rijksoverheids- en regionale beleid moet 30% van de programmering bestaan uit sociale huur en ook nog een aandeel van 40% uit betaalbare koop- of middenhuurwoningen. Daarbij vragen de Regionale woondeal en Regionale Woonagenda 2023 onze inzet bij het huisvesten van (kwetsbare) aandachtsgroepen. De toenemende groep ouderen heeft ook de wens voor meer gegroepeerde woonvormen. Daar komt bij dat we met het huidige woningbouwprogramma rekening moeten houden met planuitval door (externe) ontwikkelingen.

4.2.3 Huisvesting van specifieke doelgroepen 

Met ingang van 2023 kreeg de gemeente een nieuwe verantwoordelijkheid voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang. Omdat er sprake is van verschillende doelgroepen en wisselende aantallen is het lastig om hiervoor jaarlijks een concreet aantal woningen te reserveren. Met de woningcorporaties zijn daarom afspraken gemaakt om ons samen in te zetten voor het huisvesten van deze doelgroepen. Ook de huisvestingsopgaven voor andere doelgroepen, zoals asielzoekers, arbeidsmigranten en statushouders, zorgen voor de nodige uitdagingen. Per 1 januari 2026 ligt er een Woonzorgvisie voor de gemeente Kaag en Braassem. Dit document brengt de huidige en toekomstige woon- en zorgbehoefte van inwoners met een zorg- en ondersteuningsvraag in beeld. Hierbij gaat het om doelgroepen zoals ouderen, mensen met een verstandelijke beperking of psychische kwetsbaarheid.

4.2.4 ‘Passend in de omgeving’ bouwen 

Met de Regionale Realisatieagenda 2023 (RRA) zetten we binnen de kernen zoveel mogelijk in op verdichting, het bouwen van woningen in bestaande bebouwde gebieden. In de RRA is ook opgenomen dat enkele gemeenten aanlopen tegen de grenzen van het Bestaand Stads en Dorpsgebied (BSD). Ook in Kaag en Braassem zijn er enkele plannen die mogelijk niet doorgaan in verband met die BSD-contouren. Vanuit het woningmarktonderzoek blijkt verder dat de behoefte in de kleine kernen toeneemt in de komende jaren. Daar waar het passend is moeten we daarom denken aan hoogbouw.

4.2.5 Dit zijn de samenhangende woonopgaven:

  • Woningbouwplannen richten op de behoefte.

  • Doorstroming bevorderen.

  • Huisvesting voor specifieke/bijzondere doelgroepen opleveren.

  • Definiëren wat passend is in de omgeving.

4.2.6 Wonen in cijfers

Het rad toont hoe Kaag en Braassem scoort op diverse wooncijfers, afgezet tegen het landelijk gemiddelde (schaal 3). De gemeente kent relatief hoge WOZ-waardes en de ruimte rondom woningen, wat duidt op een aantrekkelijke, niet-stedelijke woonomgeving. Tegelijkertijd liggen de verkoopprijzen hoog en is het aanbod in het middensegment en de sociale huur beperkt. Ook het woningtekort en de betaalbaarheid van wonen blijven aandachtspunten. Dit profiel vraagt om een evenwichtige nieuwbouwprogrammering met voldoende ruimte voor betaalbare woningen en sociale huur, in lijn met landelijke streefwaarden.

afbeelding binnen de regeling
Radardiagram wonen

4.3 Gewenste beweging

Met de Omgevingsvisie zien we voor dit onderwerp de volgende beweging:

  • De focus op kwantiteit en kwaliteit.

  • Doorstroming mogelijk maken en daarmee inwoners meer passend laten wonen.

  • Van algemene regelingen… naar het leveren van maatwerk.

  • Van diverse bestemmingsplannen… naar één omgevingsplan.

  • Van individuele initiatieven … naar breed gedragen woningbouwplannen.

4.4 Woningbouwplannen richten op de behoefte

We zetten in op de behoefte van de inwoners en kernen van Kaag en Braassem, rekening houdend met de regionale afspraken. Nieuwbouwplannen in de kernen zijn in eerste instantie bedoeld voor de eigen inwoners. Daar zijn nu al verschillende vormen van maatwerk voor om dit te waarborgen. Hiervoor willen we de bestaande en eventuele toekomstige wettelijke mogelijkheden zo optimaal mogelijk inzetten. Het woningbouwproject Braassemerland voorziet daarbij ook gedeeltelijk in het huisvesten van mensen van buiten onze regio. De ambitie in Kaag en Braassem is: iedereen binnen een redelijke termijn een passende woning op de juiste plek.

In de Regionale Woonagenda van Holland Rijnland en op basis van de meest recente schatting van de woningbehoefte (trendraming) zijn afspraken gemaakt over het toevoegen van woningen aan de woningvoorraad. Elke te bouwen woning wordt afgestemd met Holland Rijnland en met name regio Oost (Alphen aan den Rijn, Nieuwkoop en Kaag en Braassem). Het aantal woningen dat we volgens deze raming en de provincie nog mogen bouwen in regio Oost is beperkt. In verband met de onzekerheden op de woningmarkt is het echter wel van belang om voldoende plannen op te voeren. We behouden zelf de regie over de volledige woningbouwplanning en zetten, vanwege het tekort, in op een versnelde oplevering van meer en betaalbare woningen.

Bijvoorbeeld door:

  • Het gericht toevoegen van woningtypen waar behoefte aan is in de gemeente en/of kern; zoals sociale- en middenhuurwoningen of betaalbare koop (€ 405.000,- in 2025).

  • Het toevoegen van woningtypes voor specifieke doelgroepen, zoals zorg- en seniorenwoningen (levensloopbestendig), en woonvormen (bijvoorbeeld Knarrenhof) of jongerenhuisvesting.

  • Het zoeken naar een oplossing voor onwenselijke activiteiten; bijvoorbeeld een bedrijf met een hoge milieucategorie binnen een dorpskern.

  • Het zorgen voor ruimtelijke kwaliteitswinst; bijvoorbeeld in het kader van de ‘ruimte voor ruimte-regeling’ en/of door het slopen van vervallen bebouwing.

  • Het meewerken aan functiewijzigingen van kantoor- , bedrijfs- of maatschappelijke bestemmingen naar een woonbestemming, als dit ruimtelijk en milieutechnisch gezien haalbaar is.

  • Andere vormen van toevoegingen zoals splitsen, optoppen, aanbouwen en tijdelijke woningen.

 

We hebben met de regio Holland Rijnland afspraken gemaakt over de sociale woningbouw. Van het totale woningbouwprogramma dient 30% te bestaan uit sociale huurwoningen. Onze inzet daarbij is om deze toe te voegen aan de voorraad van onze lokale woningcorporaties. Dit betekent dat we de betreffende corporatie in een zo vroeg mogelijk stadium bij de planvorming moeten betrekken. Mochten de ontwikkelende partij en de corporatie er onverhoopt niet uitkomen dan is de randvoorwaarde dat de (toekomstige) exploitant van de sociale huurwoningen de woningen verhuurt via het regionale woonruimteverdeelsysteem. Ook het middensegment vormt een belangrijk aandachtspunt binnen de Regionale Woonagenda. Dit betekent dat minimaal 35%, maar bij voorkeur 40%, van het programma bestaat uit middenhuur tot € 1.184,- (prijspeil 2025) of betaalbare koopwoningen (tot de betaalbaarheidsgrens). Vanwege de vele eisen en voorwaarden bij (de toewijzing van) sociale huurwoningen is het opleveren van deze woningen binnen kleine woningbouwontwikkelingen (11 woningen of minder) ruimtelijk niet in alle gevallen haalbaar. Daarom is het bij uitzondering mogelijk om bij dergelijke plannen het percentage sociale huur en mogelijk middensegment ‘af te kopen’ door de verschuldigde bijdrage te storten in het sociale vereveningsfonds. Deze regeling is aangescherpt en het opleveren van woningen in het middensegment is daaraan toegevoegd. Het geld uit het fonds maakt woningbouwprojecten met sociale huur en middenhuur mogelijk, door bijvoorbeeld grond te kopen of initiatiefnemers te helpen om de financiering rond te krijgen. Bij het afkopen moet er wel een deugdelijke onderbouwing zijn waarom de 30% sociale huur niet haalbaar is. We kunnen daarbij als voorwaarde stellen dat een onafhankelijke toets aantoont dat er geen overeenstemming is bereikt met de woningcorporatie. Bij woningbouwontwikkelingen van 12 woningen of meer is het percentage sociale huur en middensegment een harde eis en kan dit niet worden ‘afgekocht’.

Het bouwen van sociale huurwoningen door ontwikkelende partijen gebeurt bij voorkeur in samenwerking met de woningcorporaties, tenzij zij aantonen dat dit niet mogelijk is. In de huidige prestatieafspraken is vastgelegd dat we periodiek met elkaar om de tafel gaan om de woningbouwmogelijkheden te bespreken. De gemeente en woningcorporaties zetten zich ook in om de middenhuurwoningen op te leveren. Dit biedt grote kansen in het kader van bijvoorbeeld doorstroming. Voor sociale en betaalbare woningen geldt de Doelgroepenverordening. Die geeft bijvoorbeeld aan dat de toewijzing van koop- en huurwoningen zoveel mogelijk gebeurt aan inwoners uit Kaag en Braassem, tot aan een bepaalde inkomensgrens. Daarnaast bepaalt de verordening hoe lang deze woningen voor de juiste doelgroep(en) beschikbaar moeten blijven. In de Regionale Woonagenda 2023 zijn de instandhoudingstermijnen verlengd (dit is de periode waarin een woning verplicht beschikbaar moet blijven voor de doelgroep waarvoor deze bedoeld is). Deze aanpassing moet in het omgevingsplan (voorheen doelgroepenverordening) komen, net als een aanpassing van de sociale koopprijsgrens. We sluiten geen enkel woningtype uit, omdat er altijd sprake kan zijn van onvoorziene uitzonderingen, maar we richten ons wel zoveel mogelijk op de lokale behoefte. Zo zien we dat de vraag naar levensloopbestendige woningen toeneemt. Dit zijn woningen die zo zijn aangepast dat ouderen die mogelijk minder mobiel zijn er kunnen wonen. Zodra er een aanvraag is voor de bouw van een levensloopbestendige woning nemen we hier voorwaarden over op in de vergunning (zoals drempelloos en brede deurkozijnen). Als gemeente zijn we positief over de komst van flexwoningen, omdat dit meer mogelijkheden biedt voor bebouwing buiten de bestaande grenzen van de kern. Wel blijkt het plaatsen van flexwoningen in de praktijk ingewikkeld in verband met geschikte locaties, het financiële plaatje en het draagvlak.

Wat betreft woningtypen zijn we terughoudend bij nieuwe bedrijfswoningen en woonboten. Voor het eerste type geldt dat initiatiefnemers de noodzakelijkheid en doelmatigheid moeten aantonen en dat tweede bedrijfswoningen vrijwel helemaal zijn uitgesloten. Verder geldt er een uitsterfbeleid voor een select aantal afzonderlijk gelegen woonboten. Dit betekent niet dat we alle vormen van wonen op het water uitsluiten. Initiatieven die passen in de omgeving, met name binnen bestaand stedelijk gebied, beoordelen we per initiatief op haalbaarheid en wenselijkheid. Als het gaat om tijdelijke woningen dan is dat in elk gebiedstype mogelijk als dit geen belemmeringen oplevert (bijvoorbeeld voor omliggende bedrijven). Vrijkomende locaties in bijvoorbeeld glastuinbouwgebieden zetten we in eerste instantie in voor woningbouw, als blijkt dat die locaties niet langer zinvol zijn de inzet voor glastuinbouw. Pas daarna kijken we naar die locaties voor de inpassing van groen of voor duurzame energieopwekking.

4.5 Doorstroming bevorderen

In Kaag en Braassem wonen relatief veel aankomende ouderen. We zullen nog meer rekening moeten houden met de ontwikkeling van vergrijzing. Ouderen blijven langer in hun eigen (grote) woning wonen, omdat een kleinere woning niet beschikbaar is of omdat de huurlasten van de nieuwe woning hoger en soms te hoog zijn. Daarnaast moet aan de senioren een goed alternatief geboden worden met voldoende ruimte en voorzieningen. Bij veel senioren ligt ook een wens om te wonen in een woonvorm. 

Starters op koopmarkt kunnen gelet op hun inkomen en de hoge woningprijzen niet of nauwelijks een woning kopen en worstelen met de betaalbaarheid van woningen. Deze doelgroep blijft daarom langer in een sociale (huur)woning zitten dan gewenst. In theorie is binnen Kaag en Braassem het aandeel sociale woningen in evenwicht met het aandeel huishoudens dat hier qua inkomen op aangewezen is. Een groot aandeel van de huishoudens woont echter in een sociale huurwoning terwijl zij een inkomen hebben boven de inkomensgrens voor een sociale huurwoning. Deze huishoudens noemen we ook wel ‘scheefwoners’. Het is van belang om dit scheefwonen te beperken. 

Een manier om doorstroming op de woningmarkt te stimuleren en doelgroepen van een geschikte woonruimte te kunnen voorzien, is het van belang om op korte termijn de juiste woningtypes te realiseren, zoals betaalbare koopwoningen en middeldure huurwoningen. Met de inzet van o.a. lokaal maatwerk, doorstroomadviseur en andere instrumenten kunnen inwoners gestimuleerd worden om te verhuizen. Daarnaast zullen we in samenwerking met de woningcorporaties nagaan hoe doorstroming gestimuleerd kan worden, bijvoorbeeld met inzet van lokaal maatwerk of de eventuele inzet van een zogenaamde doorstroommakelaar.

4.6 Huisvesting voor specifieke/bijzondere doelgroepen

4.6.1 Inleiding

Wij krijgen als gemeente steeds meer verantwoordelijkheden en hebben daarom te maken met verschillende huisvestingsvraagstukken. Bijvoorbeeld van arbeidsmigranten die zich hier – al dan niet tijdelijk (als seizoenarbeiders) – willen vestigen. Onze ondernemers kunnen niet zonder deze medewerkers, en met elkaar willen we zorgen voor een goede, veilige en menswaardige huisvesting van arbeidsmigranten in de gemeente. Daarbij zien we het wel als een primaire taak voor bedrijven en uitzendorganisaties om deze huisvesting te organiseren. Deze vorm van huisvesting heeft dan in principe ook geen invloed op de reguliere woningvoorraad. In 2023 is hiervoor de herziene ‘Beleidsregel huisvesting arbeidsmigranten’ opgesteld. Deze beleidsregel is van toepassing op de logiesgewijze huisvesting, tijdelijke onderkomens voor arbeidsmigranten, op locaties binnen de verschillende gebiedstypen van de gemeente. Op deze basis kunnen we vanuit de gemeente medewerking verlenen aan particuliere initiatieven voor huisvesting van arbeidsmigranten. Daarnaast is op 15 april 2025 de ‘Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten’ ingegaan. De wet moet misstanden in de uitzendsector, zoals uitbuiting en slechte arbeidsomstandigheden, tegengaan. Onze gemeente heeft met de huisvestende partijen de taak om deze wet uit te voeren.

Vanuit de spreidingswet en het daarbij behorende capaciteitsbesluit is er een wettelijke taakstelling van 179 plekken voor asielopvang in Kaag en Braassem. Hiervoor zoeken we naar een geschikte grotere locatie in samenwerking met de gemeente Nieuwkoop. Dit betreft een specifieke huisvestingsopgave en gaat niet ten koste van de reguliere woonvoorraad.

Naast deze twee specifieke doelgroepen, onderscheiden we ook zes zogeheten ‘bijzondere doelgroepen’. Voor een aantal van deze doelgroepen zijn er in de woonregio Holland Rijnland al regelingen beschikbaar, waaronder de urgentie- en contingentenregeling. De contingentenregeling is bedoeld voor mensen die uitstromen naar een zelfstandige woning uit een instelling voor beschermd wonen, maatschappelijke opvang, jeugdzorg of voor mensen met een verstandelijke beperking. Dit zijn de zes doelgroepen:

 

  • a.

    Inwoners met ernstige psychische problemen - Met ingang van 2023 hebben gemeenten een verantwoordelijkheid voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang. Met de hervorming van de zorg gaan steeds meer mensen zelfstandig of in groepen wonen, ook mensen met psychische problemen. Dit is vaak met begeleiding aan huis in plaats van in een instelling. Daarmee is er dus ook minder behoefte aan grote, dure zorginstellingen.

  • b.

    Inwoners met een (licht) verstandelijke beperking - Mensen met een (lichte) verstandelijke beperking (lvb) hebben belemmeringen bij het leren, begrijpen en zelfstandig functioneren, en die beperkingen zijn ontstaan in de jeugdjaren. Een trainingswoning kan hier uitkomst bieden, waarbijzij in zekere mate zelfstandig wonen en ondersteuning krijgen van een zorgpartner, zodat zij uiteindelijk uitstromen naar een zelfstandige woning zonder ondersteuning (of ondersteuning op andere vlakken).

  • c.

    De ‘tussen wal en schip groep’ - Er bestaat een groep inwoners die niet in aanmerking komt voor de huidige urgentieregeling of contingent-woningen. Voor deze groep zoeken we naar een flexibel aanbod van woningen. Naast deze situaties zijn er ook inwoners in sociaal kwetsbare situaties die niet bij bovengenoemde groepen horen en ook ‘tussen wal en schip’ vallen.

  • d.

    Dak- en thuislozen - Inwoners die om welke reden dan ook dakloos raken en niet in staat zijn om zich op eigen kracht in de samenleving te redden kunnen een beroep doen op de maatschappelijke opvang. Vaak is bij deze mensen sprake van meervoudige problematiek. Denk hierbij aan (ernstige) psychische problemen in combinatie met bijvoorbeeld verslaving, een licht verstandelijke beperking en/of schulden. Sommigen van hen kunnen beter in een prikkelarme omgeving wonen. Daarnaast blijkt uit de ETHOS-telling2 van 2024 dat dakloosheid vaak onzichtbaar is en regelmatig voorkomt bij jongvolwassenen en mensen die tijdelijk bij familie of vrienden verblijven. Daarom zetten wij als gemeente, samen met regionale partners, actief in op het verbeteren van de maatschappelijke opvang en zoeken we naar aanvullende oplossingen op de korte en lange termijn.

  • e.

    Ex-gedetineerden - Mensen die gevangen hebben gezeten en nu vrij zijn keren in principe terug naar de gemeente waar zij eerder woonden. In enkele situaties kunnen zij een beroep doen op een contingentwoning via de reclassering of via een van de zorgpartners zoals Exodus. Op te merken is dat het hier in Kaag en Braassem gaat om een relatief kleine groep.

  • f.

    Statushouders - Twee keer per jaar legt de rijksoverheid een taakstelling op voor het aantal te huisvesten statushouders. De gemeente heeft afspraken gemaakt met de woningcorporaties over de verdeling van deze taakstelling. Daarnaast zoeken we ook samenwerking met de maatschappelijke partners voor de begeleiding van statushouders. De gemeente krijgt jaarlijks een groot aantal statushouders aangewezen, dit levert een constante druk op voor onze woningcorporaties en de lokale woningmarkt.

Deze specifieke huisvestingsvraagstukken en de huidige tekorten in de woningvoorraad zorgen voor een oplopende druk. Er zijn te weinig (passende) woningen. Samen met de betrokken partijen kijken we dan ook naar alternatieve mogelijkheden om te zorgen voor extra woningen, zoals de inzet van flexwoningen, optoppen, splitsen, aanplakken en/of het verhuren van kamers, om verdringing van andere woningzoekenden in de reguliere woningvoorraad te beperken.

 

2 De ETHOS-telling (European Typology of Homelessness and Housing Exclusion) brengt verschillende vormen van dak- en thuisloosheid in kaart, waaronder ook verborgen dakloosheid, zoals mensen die tijdelijk bij anderen inwonen of geen vaste verblijfplaats hebben.

4.6.2 Wat willen we bereiken?

Passend aanbod bieden voor al onze inwoners, ook rekening houdend met de huisvestingsvraagstukken voor specifieke doelgroepen, zodat zij in Kaag en Braassem kunnen blijven wonen, of binnen een redelijke termijn een woning kunnen vinden. Voor hen is voldoende woonruimte aanwezig, die past bij hun levensfase, inkomen en mogelijke ondersteuningsvraag. Daarom zetten we in op:

  • Het (sneller) bouwen van betaalbare woningen voor ouderen, starters en jongeren om zo de doorstroming te stimuleren.

  • Het sturen op voldoende sociale huurwoningen en woningen in het middensegment in de toekomstige woningbouwontwikkelingen.

  • Het inzetten op gedragen plannen door de gemeente, initiatiefnemers en de gemeenschap.

  • Het opleveren van geschikte woonvoorzieningen voor bijzondere doelgroepen.

  • Het bieden van flexibele, tijdelijke woonconcepten om acute woonproblemen op te lossen.

  • Het verzorgen van menswaardige huisvesting voor arbeidsmigranten.

4.7 Wat is passend in de omgeving?

4.7.1 Inleiding

Bouwen in een tijd van schaarse mogelijkheden vraagt om duidelijke keuzes.

Voor wie bouwen we, waar bouwen we en wat bouwen we?

4.7.2 Voor wie?

We bouwen voor alle doelgroepen, maar hebben op basis van woononderzoeken een extra focus op jongeren, starters en senioren uit de eigen gemeente. Daarnaast proberen we scheefwoners en mensen die niet meer passend wonen door te laten stromen op de woningmarkt. Ook de mensen die tussen wal en schip dreigen te vallen zijn nadrukkelijk in beeld en proberen we te huisvesten.

We gebruiken de mogelijkheden van lokaal maatwerk om inwoners van Kaag en Braassem voorrang te geven bij de toewijzing van nieuwe en bestaande woningen. In de prestatieafspraken met de woningcorporaties hebben we hier afspraken over gemaakt.

4.7.3 Waar?

We zetten in op woningbouw in al onze dorpen. Grootschalige woningbouw concentreert zich voornamelijk in de kernen waar voorzieningen zijn (Roelofarendsveen, Oude Wetering, Leimuiden en Woubrugge). Maar ook voor de andere dorpen is (kleinschaliger) woningbouw van belang, om zo de dorpen leefbaar te houden en voorzieningen in stand te houden. We bouwen bij voorkeur binnen het bestaande stads- en dorpsgebied (‘inbreiden’) en in de nabijheid van openbaar vervoer. De definitie van bestaand stads- en dorpsgebied is: “Bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.” Deze definitie van de provincie Zuid-Holland is leidend, de BSD-kaart is in principe een suggestie. Op de kaarten die als bijlagen zijn toegevoegd bij hoofdstuk 10 Gebiedstypen komen de ‘Dorpen’ overeen met die BSD-contour.

Om deze locaties zo optimaal mogelijk te benutten kijken we naar de mogelijkheden om in bestaand bebouwd gebied goede en genoeg woningen toe te voegen, om te verdichten. Hoger bouwen dan tot nu toe gebruikelijk is in Kaag en Braassem (vier à vijf lagen) is daarbij zeker een optie, als dit op de betreffende locatie (ook in relatie tot de omgeving van de bouwlocatie) stedenbouwkundig aanvaardbaar is.

De gebiedsontwikkeling Braassemerland krijgt de komende jaren verder vorm in het voormalige glastuinbouwgebied van Roelofarendsveen. De nieuwbouwwijk kent in totaal 11 fasen die gericht zijn op recreërend wonen in een waterrijke omgeving. Bij die gebiedsontwikkeling is er ruimte voor bepaalde voorzieningen zoals scholen. Braassemerland biedt ruimte aan inwoners van Kaag en Braassem en woningzoekenden uit de regio.

Het aantal geschikte en overgebleven inbreidingslocaties (plekken binnen bestaand gebied die vrij komen voor (woning)bouw) is, zeker in de kleinere kernen, te beperkt. Bovendien zijn inbreidingslocaties relatief duur, en dat zet de doelstellingen van onze gemeente en van de rijksoverheid en de provincie om meer sociaal en betaalbaar te bouwen, onder druk. Wij zetten daarom ook in op het bouwen van woningen buiten de BSD-contour. Als voorschot daarop hebben we zelf een tweede contour opgenomen (de lichtere arcering ‘bestaand stedelijk gebied’ op de kaarten), dat wij aanmerken als bestaand stedelijk gebied. Daarnaast schetsen we bij de dorpsperspectieven door middel van een pijl de ‘logische’ uitbreidingsrichting per kern. Het gaat dan eigenlijk altijd om het bouwen aan de dorpsranden op zoek naar logische grenzen om dorpen ‘af te maken’, zodat het effect op het open landschap beperkt blijft. Het belang van een goede landschappelijke inpassing is groot. Bij een eventuele ontwikkeling aan een dorpsrand moeten we dan ook extra aandacht besteden aan de geleidelijke overgang tussen woonwijk en open landschap. We gaan geen ‘nieuwe dorpen stichten’ midden in de polder. Het uitgangspunt voor Kaag en Braassem is dan ook: ‘inbreiden waar het kan, uitbreiden waar het moet’.

Wij blijven ons, samen met alle betrokkenen en de andere regiogemeenten, stevig inzetten om deze tweede contour vastgelegd te krijgen in het provinciale beleid. Als er in de tussentijd binnen deze tweede contour of logische uitbreidingsrichting initiatieven komen die én volledig passen binnen onze volkshuisvestelijke en ruimtelijke eisen, én (in voldoende mate) gedragen worden door de dorpsgemeenschap, dan ondersteunen wij deze als gemeente. Het is hierin van belang om samen (college, raad en initiatiefnemers) achter deze initiatieven te gaan staan en ons, ieder vanuit de eigen rol en verantwoordelijkheid, in te spannen om deze ontwikkelingen mogelijk te maken. Zie voor een gedetailleerde toelichting de beschrijving van de gebiedstypen en dorpsperspectieven in hoofdstuk 10.

In gebieden die gevoelig zijn voor bodemdaling houden we bij de bouw rekening met de ondergrond. Dat doen we bijvoorbeeld door het maaiveld op te hogen en de bodem voor te belasten, zodat we verzakkingen zoveel mogelijk beperken. Op die manier zorgen we ervoor dat ook in deze gebieden duurzaam is te wonen.

4.7.4 Wat (is passend in de omgeving)?

Deze vraag bekijken we per initiatief en het antwoord kan dus ook per geval verschillen. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn vaak maatwerk en voorop staat dat de ontwikkeling ruimtelijk gezien ‘passend is voor de locatie en in de omgeving’. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om bouw- en goothoogtes, woningtypen en de plek in de bestaande omgeving. Een stedenbouwkundige moet elk nieuwbouwvoorstel beoordelen en positief onderbouwen. In specifieke gevallen is een beeldkwaliteitsparagraaf vereist. Het is goed om te beseffen dat uitbreiding en hoogbouw (hoger dan vier lagen of hoger dan 12/13 meter) geen doelen op zich zijn, maar voortkomen uit het volkshuisvestingsvraagstuk. De beschikbare ruimte voor woningbouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied is beperkt en dus sluiten we hoogbouw met name in het centrumgebied van de dorpse kernen Leimuiden, Oude Wetering, Roelofarendsveen en Woubrugge niet uit. De kleinere kernen, aangemerkt als landelijk dorps, zijn in de basis minder geschikt voor hoogbouw.

In alle gevallen stellen we duidelijke voorwaarden bij hoogbouwinitiatieven en toetsen we aan zaken als schaduwwerking, alzijdigheid (architectuur) en de vormgeving van de openbare ruimte. Begin 2021 is de ‘Visie op hoogbouw en inbreiden/uitbreiden’ voor de hele gemeente vastgesteld, waarin we dieper ingegaan op wat wij als gemeente verstaan onder hoogbouw. Hierin komen ook alle zaken aan de orde die we toetsen.

Ten slotte is het aantal woningen dat we tot 2030 mogen inplannen volgens de provincie beperkt. We zien echter dat door de onzekerheden in de markt het risico op planuitval groot is en het dus van belang is om toch de aantallen te verhogen en nieuwe plannen op te blijven voeren. Het is daarbij van groot belang om meer te sturen op de kwaliteit, met de focus op sociale- en betaalbare woningen. Met de kwaliteit van plannen bedoelen we ook het juiste woningtype voor de doelgroepen die we willen voorzien van een passende woning en toekomstbestendig/klimaatadaptief bouwen.

4.7.5 Wat willen we bereiken?

  • Het (sneller) bouwen zodat er meer woningen beschikbaar komen in het sociale én betaalbare segment.

  • Kansen vergroten op een woning voor inwoners van Kaag en Braassem door het, waar mogelijk, toepassen van lokaal maatwerk.

  • Het behouden of bij voorkeur verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit en het woonklimaat door op de juiste plek te bouwen.

  • Het behouden van een gezond leefklimaat en voorzieningen binnen de kernen door op de juiste plek en voor de juiste doelgroep te bouwen.

4.8 Specifieke uitgangspunten

4.8.1 Wij zorgen voor een goed woon- en leefklimaat 

Bij de bouw van nieuwe woningen moet er op basis van de wet- en regelgeving altijd sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Zo is het van belang dat we een goede en verkeersveilige ontsluiting bij nieuw te ontwikkelen locaties inpassen. Ook moet er bij een nieuwe woningbouwontwikkeling voldoende ruimte zijn voor groen, water en biodiversiteit. Daarbij werkt de bouw met de landelijke maatlat voor een groene en klimaatadaptieve omgeving. In deze maatlat staan ontwerpeisen voor het tegengaan van wateroverlast, hittestress, bodemdaling, droogte en biodiversiteitsverlies.

Naast klimaatadaptatie is het ook belangrijk dat de kwaliteit van de lucht en bodem geschikt is om te wonen. Verder mag er geen sprake zijn van (overmatige) geur-, geluid-, licht- en/of trillinghinder. Het behouden van de huidige geluidssituatie en waar mogelijk het verbeteren hiervan is het uitgangspunt in de gemeente. Met de komst van de ‘Omgevingswet’ gelden geen landelijke regels meer voor geluid. We kunnen zelf (gemotiveerd) geluidsnormen stellen. Deze geluidsnormen zijn daarbij ook gebiedsgericht toe te passen. Zo kunnen we bijvoorbeeld voor het onderdeel geluid in het centrumgebied of op een bedrijventerrein meer toestaan dan in het buitengebied of in een (rustige) woonwijk. We streven ernaar om bij het stellen van geluidsnormen rekening te houden met de gestelde uitgangspunten voor een type gebied. Ook is het noodzakelijk dat we bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen de toekomstige inwoners beschermen tegen geluidshinder. In het omgevingsplan staan verder nadere regels voor geluid door activiteiten en spoor- en wegverkeer.

Vanuit het oogpunt van veiligheid zijn risicovolle activiteiten niet toegelaten op plaatsen waar ze de leefbaarheid aantasten. Daarbij letten we erop dat we de veiligheidsnormen niet overschrijden, bijvoorbeeld in de nabijheid van een LPG-tankstation of op een transportroute van gevaarlijke stoffen. Bij elk (bouw)plan is het belangrijk om de omgevingsveiligheidsrisico’s zoveel mogelijk te beperken. Dit doen we door het beschermen van kwetsbare groepen van mensen. Daarom willen we bij voorkeur geen nieuwe gebouwen en functies waarin kwetsbare groepen verblijven (zoals een kinderdagverblijf, verzorgingshuis of een ziekenhuis) in de omgeving van een risicobron. Voor deze groepen kijken we zoveel mogelijk naar alternatieve locaties. Ook houden we zoveel mogelijk afstand tussen een risicobron en woon- en werkgebieden. Het streven is om nieuwe zeer kwetsbare gebouwen bij voorkeur niet binnen explosie- en brandaandachtsgebieden van risicobronnen toe te laten. In het omgevingsplan stellen we hierover regels op.

In het kader van een gezonde en veilige leefomgeving zijn we daarnaast kritisch op het gebruik van houtkachels, drones en het hobbymatig houden van dieren. Daarbij houden we rekening met de beperkingenzones (onder andere de contouren vanuit het Luchthavenindelingbesluit Schiphol) die van toepassing zijn voor onze gemeente.

4.8.2 Nieuwe ontwikkelingen passen bij de aard en schaal van een gebied

De gemeente Kaag en Braassem is een welstandsluwe gemeente, een gemeente die ervoor kiest om minder streng of beperkt te toetsen op welstandseisen bij bouwprojecten. Maar dat betekent niet dat alles mogelijk is. Ontwikkelingen moeten passen bij de aard en schaal van een gebied. Bovendien zijn we extra zuinig op het beperkte lijstje van karakteristieke panden (voorheen gemeentelijke monumenten) en de linten die aangemerkt zijn als karakteristiek gebied (voorheen beschermd dorpsgezicht) in onze gemeente. Het onderhouden van dergelijke panden gaat de gemeente Kaag en Braassem meer geld kosten want voor particulieren is het steeds lastiger om dit op te brengen. Het splitsen van rijksmonumenten of karakteristieke panden naar meer woningen kan een bijdrage leveren aan het behoud van deze panden. Verder moet er bij nieuwe ontwikkelingen voldoende parkeergelegenheid zijn volgens de gemeentelijke Nota Parkeernormen. Daarbij mag parkeren niet ten koste gaan van openbaar groen en proberen we duurzame mobiliteit (zoals wandelen, fietsen, deelsystemen en openbaar vervoer) zoveel mogelijk te stimuleren. Als blijkt dat bepaalde onderdelen niet geschikt zijn voor de uiteindelijke uitvoering, dan is er maatwerk toe te passen.

4.8.3 Ruimte voor recreatie en bedrijvigheid 

Bij woningen is er ruimte voor andere activiteiten dan wonen, zoals recreatie (bijvoorbeeld een bed and breakfast) of bedrijvigheid (bedrijf of beroep aan huis). De mate waarin dat mogelijk is, verschilt per gebied. In alle gevallen moet er een evenwichtige spreiding van dergelijke activiteiten zijn op de locatie en wegen we de verkeersaantrekkende werking van dergelijke activiteiten goed mee. Daarnaast mag de bouw van nieuwe woningen de omliggende bedrijven niet beperken in hun bedrijfsactiviteiten en (uitbreidings)mogelijkheden. Aan de andere kant mogen diezelfde bedrijven geen belemmering vormen voor het woon- en leefklimaat van de nieuwe woning(en). Ook zien we het belang van voldoende mogelijkheden om te recreëren in de eigen woonomgeving. Daarvoor is een goede invulling van het openbaar groen of de aanleg van nieuwe en/of de aansluiting op bestaande wandel- en fietspaden gewenst.

4.8.4 Een prettige leefomgeving die schoon, heel en veilig is

Hoe de openbare ruimte eruit ziet is van invloed op hoe inwoners hun leefomgeving ervaren, op hun welzijn en veiligheidsgevoel. Hier houden we rekening mee bij woningbouwplannen en woningtoewijzing. Aan de hand van de LIOR (Leidraad Inrichting Openbare Ruimte) sturen we bijvoorbeeld op de vormgeving van de openbare ruimte. Zo zorgen we onder meer voor voldoende openbaar groen, toegankelijkheid van de kernen en de verkeersveiligheid. We hechten daarbij veel waarde aan goed bereikbare en verkeersveilige kernen. We stimuleren het langer thuis blijven wonen, mede door het aanleggen van veilige en schaduwrijke loop- en fietsroutes naar bijvoorbeeld de winkels of de huisarts. Ten slotte proberen we sluipverkeer zo veel mogelijk tegen te gaan. Dit zijn belangrijke voorwaarden voor een prettige leefomgeving. Maar door het vasthouden aan deze normen kan de betaalbaarheid van woningen soms onder druk komen te staan. Dit vraagt om het maken van keuzes, waarbij we (indien noodzakelijk) samen via maatwerk deze normen invullen, om op die manier voldoende betaalbare woningen op te leveren.

Kaag en Braassem ligt vlakbij de luchthaven Schiphol en onder de start- en aanvliegroutes van de Kaagbaan. De luchthaven heeft een grote invloed op de lokale omgeving en samenleving. Het is voor de gemeente een belangrijk doel om de leefbaarheid te verbeteren door een reductie van de waarneembare geluidhinder en het voorkomen van slaapverstoring door vliegtuigen. We sluiten daarbij aan bij de doelstelling ‘Minder hinder voor iedereen’ van de bestuurlijke regio Schiphol. Dat betekent een betere luchtkwaliteit en minder geluidsoverlast. De gemeente is van mening dat bij weging van belangen, de economische belangen niet meer zoals in het verleden voorop staan, maar er een goede balans met de overige belangen moet zijn. De gemeente vindt het belangrijk dat er een brede discussie wordt gevoerd over een voor Nederland passende omvang van de luchtvaart.

Het is van belang dat er geen aanpassingen van het baangebruik komen die nadelig uitpakken voor de inwoners in Kaag en Braassem. De Kaagbaan is één van de voorkeursbanen en de meest ingezette startbaan van Schiphol. De gemeente zet zich in voor het beperken hiervan. Het verplaatsen van vluchten naar de Kaagbaan moet niet als oplossingsrichting worden gezien voor het verminderen van hinder elders. Daarbij is de huidige norm, het aantal ernstig gehinderden, geen goede maatstaf. De gemeente pleit voor een eerlijke verdeling van overlast op basis van een nieuw normenstelsel, gericht op individuele rechtsbescherming. De gemeente neemt dit standpunt in bij de diverse projecten en procedures die vanuit de rijksoverheid, Schiphol en LVNL zijn gestart, zoals de Luchtruimherziening, het Luchthavenverkeersbesluit en ‘Minder hinder Schiphol”.

4.8.5 Aandacht voor duurzaamheid in de fysieke omgeving 

Wat betreft de opwekking van duurzame energie zetten we in op het zo efficiënt mogelijk benutten van alle daken voor zonnepanelen. Daarnaast krijgen nieuw te bouwen woningen geen gasaansluiting. Verder voldoen nieuwbouwontwikkelingen aan de ontwerprichtlijnen van de landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving. Waar groennormen in het gedrang komen kijken we naar alternatieven, zoals groene daken en gevels. Wat betreft de uitbreiding aan de dorpsranden, gaat de voorkeur uit naar woningbouw. En als we dan nieuwe woningen bouwen, dan is er in voldoende mate ruimte voor groen, water en de biodiversiteit. Dit maakt een woongebied ook aantrekkelijker.

4.8.6 Kostenverhaal en Programma vereveningsfonds

De gemeente Kaag en Braassem heeft een wettelijke verplichting om gemeentelijke kosten ten gevolge van ruimtelijke ontwikkelingen op deze ruimtelijke ontwikkelingen te verhalen. Dit wordt kostenverhaal genoemd. Het wettelijke stelsel voor kostenverhaal onder de Omgevingswet biedt hiervoor de basis. Te verhalen kosten hebben betrekking op de kosten van de gemeentelijke inzet, maar ook bovenwijkse voorzieningen zoals de aanpassingen van infrastructuur ten gevolge van de ontwikkeling. Om dit verder te versterken is de gemeente voornemens een Nota Kostenverhaal op te stellen. Deze nota biedt een beleidsmatig kader om op een consistente wijze kosten te verhalen, aansluitend bij de gemeentelijke ontwikkelambities. Daarmee wordt gewaarborgd dat maatschappelijke investeringen transparant, evenredig en toekomstbestendig worden bekostigd. De Nota Kostenverhaal zal in de komende periode worden opgesteld en separaat ter vaststelling aan de raad worden aangeboden.

Daarnaast zet de gemeente in op het Programma Vereveningsfonds sociale woningbouw. Dit fonds maakt het mogelijk om de realisatie van sociale woningen beter te borgen. Ontwikkelingen met een hogere financiële draagkracht leveren een bijdrage aan het fonds, waardoor in andere projecten sociale woningbouw kan worden gerealiseerd, ook als de financiële haalbaarheid daar onder druk staat. Zo kan de gemeente sturen op een evenwichtige woningbouwprogrammering en bijdragen aan betaalbaarheid en inclusiviteit in de woningmarkt.

5 Gezonde economische ontwikkelingen

5.1 Inleiding

5.1.1 Ondernemend klimaat

Kaag en Braassem is een bedrijvige gemeente. Dat komt mede door de strategische ligging aan de rijksweg A4, in het waterrijke deel van het Groene Hart tussen de Noord en Zuidvleugel van de Randstad, en door de nabijheid van Schiphol. Hoewel de gemeente oorspronkelijk een sterke agrarische ondernemersgeest had, zien we tegenwoordig steeds meer maakbedrijven en dienstverleners die dezelfde passie delen. Daarnaast is de gemeente een aantrekkelijke vestigingslocatie voor groeiende en nieuwe bedrijven. Naast verschillende bedrijventerreinen heeft onze gemeente diverse duurzame glastuinbouwgebieden en een groot aanbod aan recreatieve voorzieningen.

De komende jaren willen we met de ontwikkeling van bedrijventerreinen, glastuinbouwgebieden en de recreatieve sector kansen benutten en onze economie gezond houden. Daarbij zijn er verschillende uitdagingen. Zo is het naast de ruimtelijke inpassing van belang om het onderwijs aan te laten sluiten op de vraag vanuit de arbeidsmarkt en is de inburgering van nieuwkomers vanuit het buitenland een belangrijke opgave. Voor onze ondernemers is het verder belangrijk om samen in te zetten op (de gevolgen van) onder andere de energietransitie en klimaatadaptatie.

Voldoende ruimte voor ondernemers is belangrijk voor bedrijven en voor de inwoners van Kaag een Braassem. Want een ondernemende gemeente bruist en daagt uit. Daarbij draagt het stimuleren van een ondernemend klimaat bij aan het beperken van veel maatschappelijke problemen.

5.1.2 Samenwerkingsverband

De gemeente hecht veel waarde aan samenwerkingsverbanden met verschillende partijen, dus ook met het bedrijfsleven. Zo werken we nauw samen met het Economisch Overleg Platform (EOP), dat bestaat uit vertegenwoordigers van de gemeente en de ondernemersvereniging (OVKB). Een goede relatie tussen de gemeente en de lokale ondernemers is van levensbelang voor het lokale bedrijfsleven, waarbij communicatie cruciaal is. Open communicatie, gebaseerd op wederzijds vertrouwen en waardering, is noodzakelijk om randvoorwaarden te scheppen voor een vitaal en duurzaam bedrijfsleven. Deze randvoorwaarden, die bij de thema’s in de economische visie van het OVKB zijn benoemd, zijn nodig om ruimte te geven aan ondernemers en aan het ondernemerschap waar onze gemeente al zoveel jaren trots op is.

5.2 Achtergrond

De economie binnen onze gemeente scoort op een aantal punten gelijk aan, of zelfs beter dan, het landelijk gemiddelde. Dit is bijvoorbeeld het geval op het vlak van werkgelegenheid, economische zelfredzaamheid, gemiddeld inkomen per inwoner en kennis en innovatie. Zo telt Kaag en Braassem 135 banen per 1.000 inwoners, vergeleken met 100 banen per 1.000 inwoners landelijk. Ook op het gebied van economische zelfredzaamheid, de mate waarin een inwoner zelfstandig zonder hulp kan rondkomen, scoort Kaag en Braassem hoger dan het landelijk gemiddelde. De bijstandsdichtheid, het aantal inwoners dat bijstand krijgt, binnen onze gemeente is bijvoorbeeld 1 op 1.000 inwoners, terwijl dit landelijk 34 op 1.000 inwoners is.

Op het gebied van kennis en innovatie, bestaande uit de gegevens over opleidingen (wo, hbo, mbo of laag opgeleid) en het aantal innovatieve bedrijven, is er voor de gemeente nog winst te behalen. Kaag en Braassem scoort echter wel gelijk aan het landelijk gemiddelde.

Al met al wijzen deze resultaten op een gezonde en sterke economie binnen Kaag en Braassem. Het is van belang om deze positieve ontwikkeling ook in de toekomst te blijven volgen en hierop in te spelen.

afbeelding binnen de regeling
Radardiagram Gezonde economische ontwikkelingen

5.3 Aantrekkelijk vestigingsgebied voor bedrijven

5.3.1 Inleiding

We willen dit doen door ondernemers te stimuleren en nieuwe bedrijven de kans te geven. Specifiek is daarbij aandacht voor: 

5.3.2 Bedrijventerreinen

De bedrijventerreinen in onze gemeente zijn van groot belang voor onze lokale ondernemers. Bij lokale bedrijven is behoefte aan zogenoemde ‘doorschuiflocaties’, waarbij zij kunnen uitbreiden of verplaatsen naar een nieuw bedrijventerrein. Bij (uitbreiding van) onze bedrijventerreinen willen we ruimte bieden aan (het doorgroeien van) lokale ondernemers. Daarvoor nemen we als gemeente een actievere rol in het grondbeleid, om zo te proberen de uitbreidingen van bedrijven mogelijk te maken. In het omgevingsplan stellen we regels op die hierop gericht zijn, binnen de grenzen van wat mogelijk is.

Bedrijventerreinen dragen onder andere bij aan meer werkgelegenheid binnen de gemeentegrenzen. De huidige bedrijventerreinen Veenderveld, de Lasso en Drechthoek zijn over het algemeen goed bereikbaar en hebben een aantrekkelijk vestigingsmilieu. Er is alleen geen ruimte om uit te breiden of te ontwikkelen in het ondernemen, terwijl ondernemers daar wel behoefte aan hebben. We streven naar optimaal ruimtegebruik van bestaande terreinen, stimuleren nieuwe vestiging van arbeidsintensieve bedrijven en zetten ook in op het zoeken naar geschikte locaties voor bijvoorbeeld enkele hectares nieuw bedrijventerrein. Zo is de ontwikkeling van Drechthoek II een volgende fase ingegaan. Dit bedrijventerrein biedt ruimte aan kleinschalige bedrijven tot middelgrote ondernemingen. Naar verwachting geven we de eerste kavels uit in 2026. Deze uitbreiding zorgt voor een netto toename van 8 hectare aan ruimte voor ondernemers. Aan de Boskade in Hoogmade komen 14 hoogwaardige bedrijfsunits en twee kantoor-opslaggebouwen. Daarnaast blijven we in gesprek met betrokken partijen over de mogelijke ontwikkeling van een nieuw bedrijventerrein ten westen van de N445 nabij Nieuwe Wetering. Dit geldt ook voor de mogelijke ontwikkellocatie van Veenderveld II, die de gemeente verder onderzoekt als het bedrijventerrein ten westen van de N445 geen optie blijkt te zijn. Het niet meenemen van deze locatie kan namelijk betekenen dat de gemeente vanuit de provincie geen ontwikkellocatie meer toegewezen krijgt. Dit wil de gemeente voorkomen. Zo zorgen we voor ruimte voor grote bedrijven, maar bieden we ook een plek voor het mkb dat behoefte heeft aan bedrijfsunits.

Om (bestaande) bedrijventerreinen tot een succes te maken, is het wenselijk om bedrijven zoveel mogelijk op deze terreinen samen te brengen en ze dus te laten verdwijnen uit de kernen, het glastuinbouwgebied en het buitengebied. Daarom hanteert de gemeente een proactieve houding bij het handhaven van de bestemmingsplannen, zodat we de terreinen blijven gebruiken waarvoor ze zijn bedoeld. Daarnaast stimuleert de gemeente Bedrijfinvesteringszones (BIZ), KVO (Keurmerk Veilig Ondernemen)-keurmerken en actieve vormen van parkmanagement. Zo hebben Bedrijvenpark de Lasso en Bedrijvenpark Veenderveld een actief parkmanagement en hebben ze beiden een KVO-keurmerk. Dit zorgt voor verhoogde veiligheid op onze bedrijventerreinen en korte lijnen met de gemeente, waardoor we snel actie kunnen nemen. Dit succes ziet de gemeente graag ook bij andere bedrijventerreinen, waaronder Drechthoek II, en daarom ondersteunen we waar nodig het parkmanagement om dit voor elkaar te krijgen.

In de toekomst zijn bereikbaarheid, duurzaamheid en energie belangrijke voorwaarden om een aantrekkelijk vestigingsgebied voor bedrijven te blijven. Goede ontsluitingen op het hoofdnet zijn essentieel voor de bedrijventerreinen en hun medewerkers om de bedrijfsvoering soepel te laten verlopen. Ook digitale bereikbaarheid is van belang, waarbij glasvezelinternet op alle bedrijventerreinen beschikbaar moet zijn. De gemeente zet zich daarnaast in voor de veiligheid van weggebruikers binnen de bedrijventerreinen en zorgt voor veilige voetgangersplaatsen en oversteekplaatsen voor fietsers. Verder stimuleert de gemeente energiebesparende maatregelen en investeert zij samen met partners in duurzame kansen. Omdat we steeds meer elektriciteit gebruiken, is er meer energiecapaciteit nodig. Daardoor moet het energienet flink worden uitgebreid. Om deze uitbreiding goed te kunnen faciliteren kan er bij de ontwikkeling van toekomstige bedrijventerreinen extra rekening gehouden worden met de ruimtevraag voor energie-infrastructuur, dit in overleg met de betrokken stakeholders. De gemeente ondersteunt en stimuleert het opzetten van energiehubs en andere voorzieningen om piekbelasting op te vangen. Verder heeft de gemeente een ondersteunende rol bij de aanleg van laadpunten en faciliteiten voor deelvervoer, wat bijdraagt aan een duurzamere toekomst.

5.3.3 Detailhandel

De gemeente ondersteunt de versterking van de detailhandel in de hoofdwinkelgebieden en gaat de vestiging van winkelbedrijven buiten de winkelconcentratiegebieden in de verschillende kernen juist tegen. Detailhandel op bedrijventerreinen, in het glastuinbouwgebied of in het buitengebied is niet toegestaan. Hierbij maken we een uitzondering voor ruimte-intensieve detailhandel zoals bouwmarkten en meubelzaken, die niet passen in de winkelstraten, detailhandel op bedrijventerreinen en de verkoop van streekproducten in het glastuinbouwgebied of het buitengebied. Dit regelen we in de bestemmingsplannen, waarbij we aansluiten bij het regionale en provinciale beleid. Daarnaast streven we naar minder stenen en meer groen in de winkelgebieden, wat bijdraagt aan betere afwatering, verkoeling en een fraaier beeld. Een compleet aanbod van voorzieningen maakt dorpscentra aantrekkelijk, waarbij goede bereikbaarheid en voldoende parkeergelegenheid essentieel zijn. Dit is voor alle partijen interessant: ondernemers profiteren van een concentratie van winkelbedrijven door de extra toestroom van koopkracht naar die gebieden, en het voordeel voor inwoners is dat zij een compleet aanbod van voorzieningen hebben in een verzorgd winkelgebied.

In Roelofarendsveen ligt het hoofdwinkelgebied rondom het Winkelhart, bestaande uit Noordhoek, Noordeinde, Noordplein en Zuidplein. Daarnaast is het aanbod van winkels voor niet-dagelijkse goederen toegenomen en hebben veel ondernemers geïnvesteerd in hun bedrijven, waarmee zij bezoekers uit de regio aantrekken. In de komende tijd onderzoeken we mogelijkheden om het aanbod te versterken of te verbreden en bekijken we of een standplaatsenbeleid voor ambulante handel (markt) hierbij kan helpen. De gemeente houdt parkeren gratis zodat het winkelgebied aantrekkelijk blijft voor bezoekers. In Leimuiden is het dorpshart opnieuw ontwikkeld, met aandacht voor een verzorgd winkel- en woongebied. De gemeente richt zich nu op de optimalisatie van het parkeerterrein en de verkeersdoorstroming. Bij de Meerkreuk in Oude Wetering is het buurtwinkelcentrum met de supermarkt de trekker, waarbij handhaving van het huidige winkelbestand belangrijk is. In Hoogmade en Woubrugge vervullen buurtwinkels, waaronder supermarkten, een sociale spilfunctie.

Zoals eerder al is aangegeven, is verbetering van de infrastructuur belangrijk voor een goede verbinding met winkelgebieden in de diverse kernen. Aandachtspunten daarbij zijn het zorgen voor voldoende mogelijkheden voor laden en lossen en genoeg fietsenrekken. Voor de totale detailhandel in Kaag en Braassem zijn de toekomstige woningbouw- en recreatieplannen van groot belang voor het behouden en mogelijk uitbreiden van het winkelbestand.

5.3.4 Horeca en verblijfsrecreatie

Kaag en Braassem zet zich neer als recreatiegemeente en is onderdeel van de Hollandse Plassen en het Groene Hart. Het is de verwachting dat het aantal binnenlandse bezoekers uit de regio en uit omringende landen de komende jaren toeneemt. De horeca en de verblijfsrecreatiesector spelen een belangrijke rol in onze gemeente, als visitekaartje voor bezoekers en als werkgever. Vanuit de gemeente erkennen wij de essentiële rol die horeca speelt in onze gemeenschap. Een goed ondernemingsklimaat vereist duidelijke prioriteiten en samenwerking. Zo vinden we het belangrijk om onder andere de opbrengsten van de logiesbelasting te investeren in sectorgerichte projecten, zoals het verbeteren van de infrastructuur, waaronder fietspaden en wandelroutes, vaarroutes en recreatieve voorzieningen. Daarbij is het voor ons van belang dat we duidelijk zijn richting ondernemers en dat zij direct betrokken zijn.

De horeca- en de verblijfsrecreatie hebben ook een belangrijk aandeel in het mogelijk maken van evenementen. Daarnaast bevorderen dergelijke evenementen de economische en sociale verbinding binnen onze gemeente. In het vernieuwde evenementenbeleid is de gemeente partner en zijn er drie aanspreekpunten voor organisatoren vanuit de horeca en de vele vrijwilligersorganisaties die de dorpen van Kaag en Braassem kleur geven met hun evenementen.

Hierbij letten we op een eerlijk speelveld voor alle partijen, waarbij de gemeente horecaondernemers stimuleert om te blijven verduurzamen en innoveren. Het doel is om gezamenlijk het ondernemingsklimaat te versterken en ruimte te maken voor nieuwe ideeën en groei. Een bloeiend ondernemingsklimaat ontstaat alleen wanneer er een gedeelde visie is voor de horeca, waarin ondernemerschap, innovatie en samenwerking centraal staan.

5.3.5 Glastuinbouw

Kaag en Braassem maakt deel uit van Greenport Aalsmeer en werkt aan nieuwe mogelijkheden om de glastuinbouw een kansrijke toekomst te geven. Gemeente, ondernemers en belangenorganisaties zetten samen in op thema’s als duurzaamheid, kennis, intensivering, huisvesting, innovatie, onderwijs en specialisatie. Een brede groep van ondernemers biedt meerwaarde door het telen van onderscheidende producten, wat belangrijk is voor de toekomst van de tuinbouw in de gemeente. Deze samenwerking tussen kwekers en de brede groep ondernemers daaromheen die de kennis hebben om onderscheidend te blijven, is belangrijk voor een goede economische positie.

In onze gemeente bedrijven vier gebieden tuinbouw: Woubrugge, Nieuwe Wetering, Geestweg/Floraweg (Roelofarendsveen) en Baan/Sotaweg (Oude Wetering/Roelofarendsveen). Elk van deze gebieden heeft zijn eigen kenmerken. Voor de positie en ontwikkeling van de tuinbouw is het essentieel dat er op de lange termijn planologische duidelijkheid is en dat we de huidige oppervlakte in vitale en toekomstbestendige gebieden behouden.

Op dit moment heeft de glastuinbouw in Kaag en Braassem te maken met enkele zorgen en uitdagingen. De vier glastuinbouwgebieden zijn verschillend in grootte en toekomstbestendigheid, waarbij slechts voor drie van de vier gebieden het uitgangspunt tuinbouw overeind blijft. Zo zijn er voor de tuinbouwgebieden Nieuwe Wetering en Woubrugge geen zorgen over de toekomstbestendigheid. Het uitgangspunt voor deze twee duurzame glastuinbouwgebieden is dat de gemeente deze gebieden niet beperkt in hun bedrijfsvoering en potentiële uitbreidingsmogelijkheden.

Voor het glastuinbouwgebied De Baan-Sotaweg heeft Greenport Aalsmeer een gebiedsvisie opgesteld (2025). Deze visie richt zich vooral op herstructurering van het gebied om te ontwikkelen naar een toekomstbestendige en duurzame glastuinbouwstructuur. Binnen die visie krijgen moderne bedrijven die uitbreiden de ruimte, terwijl stoppende bedrijven kunnen uitfaseren. Daarnaast heeft de gemeente haar eigen visie bepaald, waarin het gebied voor een periode van 20 jaar is aangewezen als glastuinbouwgebied. Uitgangspunt daarbij is dat ontwikkelingen geen beperkingen mogen opleveren voor bestaande bedrijven of hun toekomstige planologische mogelijkheden. Dit betekent dat we, waar mogelijk, geen ontwikkelingen toestaan die niet bijdragen aan de glastuinbouw. Verder is het toegestaan om bedrijfswoningen om te zetten naar plattelandswoningen (en in uitzonderlijke gevallen naar woningen voor inwoners), als dit de tuinbouwactiviteiten niet beperkt. Het toevoegen van een nieuwe tweede bedrijfswoning is uitgesloten.

Voor tuinbouwgebied Geestweg-Floraweg zijn er uitdagingen voor wat betreft de toekomstbestendigheid. Na een algemene inventarisatie van het gebied is een toekomstvisie gemaakt. Op basis van de uitkomsten van deze inventarisatie heeft het college uitgangspunten geformuleerd, wat uiteindelijk heeft geleid tot een onderzoek naar de toekomstbestendigheid van het tuinbouwgebied. Dit onderzoek, uitgevoerd door Greenport Aalsmeer, is in september 2025 aan de Raad aangeboden. Mocht de uitkomst van dit onderzoek aangeven dat het gebied niet toekomstbestendig is voor tuinbouw, dan moeten we kijken naar alternatieve mogelijkheden voor de toekomst van dit gebied. In samenspraak met organisaties zoals Greenport Aalsmeer, provincie Zuid-Holland, Stichting Platform Tuinbouw Veenstreek, het EOP (Economisch Overleg Platform) en de inwoners van het gebied krijgt het bestemmingsplan verder vorm. Daarbij krijgen de bestaande tuinders die door willen en wensen te groeien, voldoende ruimte en ondersteuning om hun bedrijfsvoering voort te zetten en door te ontwikkelen. Het uitgangspunt is dat ruimte die voor bedrijven en ondernemers bestemd is ook voor deze doelgroep behouden blijft, zodat er een goede balans ontstaat tussen wonen, werken en recreëren.

Om de bestaande tuinbouwgebieden succesvol te houden, is het noodzakelijk om samen te blijven werken aan de promotie en belangenbehartiging van de sector. Onze aanspreekpunten zijn hiervoor de Stichting Platform Tuinbouw Veenstreek, LTO (Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland) en het EOP.

Water wordt steeds belangrijker vanwege klimaatverandering, grondverzakkingen en toegenomen recreatieve activiteiten. Daarnaast is de Kaderrichtlijn Water 2027 van toepassing, een Europese afspraak die voorschrijft dat een goede toestand van het water is bereikt in 2027. Om oevers te versterken, plagen aan te pakken en waterberging te verbeteren is samenwerking met het hoogheemraadschap van Rijnland noodzakelijk. De glastuinbouw speelt ook een belangrijke rol bij het energiesysteem, en dan met name bij het in balans houden van vraag en aanbod van energie. Met Warmte Kracht Koppeling (WKK) kan de sector het elektriciteitsnet ondersteunen tijdens piekmomenten en ontlasten bij overvloed van elektriciteit. Het is de verwachting dat deze steeds belangrijker wordt voor de verduurzaming van Nederland. De rol van de glastuinbouw in het voorkomen van overbelasting van het elektriciteitsnet (netcongestie) en het bieden van voldoende stroomaanbod heeft een belangrijke maatschappelijke meerwaarde, nu en in de toekomst. Binnen Kaag en Braassem is het belangrijk om kansen op dit gebied te benutten, hier is nog veel ontwikkeling mogelijk.

5.3.6 Landbouw

Landbouwgrond moet behouden blijven 

Landbouwgrond moet haar bestemming behouden voor de productie van voedsel en andere agrarische producten omdat deze gronden de basis vormen van de primaire (voedsel)productie. Een functieverandering of het onttrekken van gronden staat het toekomstbestendig maken van bedrijven in de weg. We erkennen de toenemende behoefte aan weidegrond door Europese regelgeving en bieden ondersteuning aan bedrijven die duurzaam willen ondernemen.

Met deze visie staan we midden in een periode met grote (landelijke) uitdagingen voor de landbouw. Alle inzet door gemeente, provincie en vooral de agrariërs zelf, heeft gevolgen voor de komende periode. Zo waren er onlangs belangrijke ontwikkelingen. Het Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied (ZH-PLG) brengt sinds 2023 de belangen van natuur, water, stikstof en klimaat samen als randvoorwaarden voor een vitaal platteland. Eind 2024 heeft het kabinet besloten om het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) en het bijbehorende transitiefonds te laten vervallen, maar Zuid-Holland gaat door met de gebiedsgerichte aanpak.

In juni 2025 heeft de provincie Zuid-Holland de verbeterde Samenhangende Aanpak Natuurherstel en Economie (SANE) vastgesteld. Deze aanpak richt zich op het verminderen van de uitstoot van stikstof, het herstellen van de natuur en het versterken van de leefkwaliteit en welvaart in de provincie.

De Provinciale Staten hebben via amendementen en moties gezorgd voor een eerlijker verdeling van verantwoordelijkheden tussen verschillende sectoren, in lijn met de aanbevelingen van de ministeriële stikstofcommissie. Ook is extra aandacht gevraagd voor de rol van de regiegroepen. Dit zijn samenwerkingsverbanden van lokale partijen die werken aan gebiedsgerichte oplossingen. Zij zijn gevraagd om uiterlijk december 2025 een voorstel te doen waarin staat hoe hun gebied bijdraagt aan de provinciale doelen, met concrete plannen voor de uitvoering.

De provincie werkt in het najaar van 2025 de maatregelen verder uit, met nadrukkelijke inzet op participatie van alle betrokken partijen.

De gemeente en de regiegroep van Groene Hart Noord volgen dit proces actief en leveren waar nodig inhoudelijke input.

Droogmakerijen en Veenweidengebieden 

Landbouw is van oudsher een belangrijk onderdeel van het buitengebied. De landbouw is producent van voedsel en draagt bij aan een aantrekkelijk landschap, de lokale economie en de leefbaarheid van het buitengebied. We erkennen de waarde van de droogmakerijen en de veenweidegebieden voor agrariërs. We willen, in samenwerking met de agrariërs, de milieu- en klimaatdoelen behalen waarbij het verdienmodel van de agrarische sector overeind blijft.

Uitdagingen

De landbouw heeft te maken met verschillende uitdagingen. Zo vraagt een toekomstbestendige landbouw ruimte: ruimte voor schaalvergroting, verduurzaming, innovatie, herstructurering én verbreding. Als gemeente willen we de ondernemers de mogelijkheid bieden om hun bedrijf te ontwikkelen, dat kan als hoofdtak of als neventak (denk hierbij aan recreatie, zorglandbouw of agrarisch natuurbeheer). Vanuit de gemeente zijn regels op te stellen die het ontwikkelen van verdienmodellen, zoals multifunctionele landbouw en agrarisch natuurbeheer ruimte bieden.

Het hoogheemraadschap van Rijnland is verantwoordelijk voor het waterbeheer in onze gemeente. Zij zorgen voor voldoende water, bescherming tegen te veel water en houden de kwaliteit van het water in de gaten. Voldoende waterbeschikbaarheid in droge perioden en snelle waterafvoer in natte periodes zijn van essentieel belang voor de bewerkbaarheid van de gronden. Het is belangrijk voor de agrarische sector om gebruik te kunnen blijven maken van bronnen en oppervlaktewater voor het beregenen van de gewassen. Zonder beregening in droge perioden komen de opbrengsten en kwaliteit van de producten in gevaar. Maar ook waterafvoer is minstens zo belangrijk.

Ruimte voor duurzame energie  

Agrarische bedrijven moeten kunnen bijdragen aan en profiteren van de energietransitie, zonder dat het ten koste gaat van landbouwgrond. Boeren dienen de mogelijkheid te krijgen om te verduurzamen en zelfvoorzienend te zijn in hun energievoorziening, bijvoorbeeld via zonnepanelen op daken, kleine windmolens of het plaatsen van een batterij om de duurzaam opgewekte energie in op te slaan. De agrarische sector speelt ook een belangrijke rol in de energietransitie door het mogelijk plaatsen van windturbines of zonnepanelen. Zij mogen kleine windmolens van maximaal 15 meter plaatsen bij (voormalig) agrarische bedrijven, als deze het landschap en/of de karakteristieke waarden van het boerenerf niet schaden. Daarnaast moeten zij rekening houden met de Lokale Energie Strategie (LES). Soms is het bijvoorbeeld voor het plaatsen van windmolens een goede optie om deze buiten het bouwblok neer te zetten omdat bedrijfsgebouwen veel wind wegvangen. Daarnaast is soms een hogere ashoogte gewenst voor een financiële dekking en een grotere bijdrage aan de productie van duurzame energie. Daarom bestaat de wens vanuit de sector om het beleidskader voor kleine windmolens op te trekken van 15 meter naar 20 meter ashoogte. Versnelde vergunningverlening kan de sector helpen, bijvoorbeeld voor het plaatsen van een batterij bij agrarische bedrijven. Tegelijkertijd willen we landbouwgrond niet opofferen voor grootschalige zonneparken, deze leggen beslag op productiegronden en staan landschappelijke waarden in de weg.

Bodemdaling en WIS (water- en bodemsysteem) 

We willen als gemeente kansen bieden voor circulaire initiatieven en maatregelen om bodemdaling tegen te gaan. In gebieden met bodemdaling staat de landbouw letterlijk onder druk. Daar zijn het waterpeilbeheer, de bouwmogelijkheden en investeringen steeds moeilijker. Maatregelen zijn beter op elkaar af te stemmen als we bodemdaling actief koppelen aan de opgaven van waterinfiltratiesystemen (WIS) (zoals peilbeheer, bodemkwaliteit, waterbeschikbaarheid). Daarbij is afstemming nodig tussen gemeente, provincie, waterschap en de agrariërs. Zo streven we samen naar oplossingen die de productiviteit en veerkracht van de bodem behouden. Een voorbeeld hiervan is het gebiedsproces bodemdaling in de Waterloospolder, de Blauwe polder en de Vlietpolder. Voor deze drie polders is er een subsidieaanvraag bij de provincie Zuid-Holland gestart.

Nevenactiviteiten

Agrarische bedrijven kunnen ervoor kiezen om nevenactiviteiten uit te voeren. Vanuit de gemeente staan we open voor nevenactiviteiten als (dag- en verblijfs)recreatie, horeca, de verkoop van streekproducten, zorg en onderwijs. Voor die bedrijven kan het belangrijk zijn om inkomsten te kunnen halen uit andere takken. We blijven de mogelijkheden onderzoeken om dit te ondersteunen. Zo houden we het platteland vitaal en leefbaar. Afhankelijk van de invloed op de omgeving kan een agrarisch bedrijf een volwaardige tweede recreatieve bedrijfstak voeren als dit het waardevolle en open landschap niet schaadt. In het hoofdstuk gebiedstypen en in de gebiedsgerichte programma’s staat beschreven wat er waar precies mogelijk is aan nevenactiviteiten.

Toekomst 

We koesteren de agrarische bedrijven die willen blijven en het buitengebied dat zij beheren. Hierbij is samenwerking en het kijken naar mogelijkheden om de sector op een positieve manier te ontwikkelen erg belangrijk. Daarbij kijken we naar het bieden van ruimte voor innovatie, zodat de landbouw op een duurzame en verantwoorde wijze blijft bijdragen aan onze voedselproductie en lokale economie. Samen met agrariërs, belanghebbenden en de lokale gemeenschap willen we werken aan een toekomstbestendige agrarische sector die zorgt voor een gezonde en veerkrachtige leefomgeving en stimuleren we landbouw die bijdraagt aan maatschappelijke ontwikkelingen en een goed inkomen voor boeren en tuinders.

We bevorderen samenwerking tussen LTO en overheden om uitdagingen zoals bodemdaling, stikstof, CO2, en waterkwaliteit aan te pakken. We ondersteunen innovatie en schaalvergroting, ondernemersvrijheden en winstgevendheid van investeringen.

5.3.7 Schiphol

In onze regionale economie speelt Schiphol een rol. Omdat Schiphol kansen biedt aan ondernemers vergroot het de (al bestaande) druk op de ruimte op onze bedrijventerreinen. Steeds vaker zien we dat ondernemers actief zijn op het gebied van Schiphol Parking waarbij zij parkeerplaatsen voor vliegreizigers aanbieden inclusief luchthaventransfer. Andere ondernemers hebben (mede) hierdoor minder mogelijkheden om te groeien. Waar dit niet gepast is ontmoedigen we Schiphol Parking op bedrijventerreinen. Buiten de bedrijventerreinen is Schiphol Parking niet toegestaan.

5.3.8 Wat willen we bereiken?

  • De glastuinbouw samenbrengen in duurzame glastuinbouwgebieden.

  • De detailhandel plaatsen in dorpscentra.

  • Bedrijven groeperen op bedrijventerreinen.

  • Meer vestigingsmogelijkheden voor het uitbreiden van bedrijven.

  • Meer mensen werken binnen de gemeentegrenzen.

  • Vitaal ondernemersklimaat voor agrariërs.

  • Het mogelijk blijven maken van ondergeschikte nevenfuncties voor agrarische bedrijven.

5.4 Economische sector verbeteren zodat iedereen mee kan doen

5.4.1 Inleiding

Iedereen in Kaag en Braassem moet zelfredzaam zijn en mee kunnen doen in onze maatschappij. Dat begint al door de jeugd een goede kans te geven, waarbij kinderen zorgeloos kind kunnen zijn en waarbij we sport en bewegen mogelijk maken voor iedereen. Voor een goede aansluiting van onderwijs op de arbeidsmarkt maken we jongeren in de regio bewust van de positie op de arbeidsmarkt. Daarbij kunnen jongvolwassenen en volwassenen als ze dat willen ondersteuning krijgen bij hun financiële vaardigheden. Daarnaast zetten we door nauwe samenwerking tussen partners in op duurzame uitstroom uit de uitkering. Ook als voor mensen betaald werk niet direct mogelijk is, kijken we wat er wel haalbaar is om te zorgen dat iemand (op een laagdrempelige manier) mee kan doen.

5.4.2 Betere aansluiting vanuit onderwijs

Op dit moment kampt Zuid-Holland met één van de grootste arbeidstekorten van Nederland. Eén op de vijf bedrijven kan onvoldoende geschoold personeel krijgen en dreigt daarmee economisch gezien niet te kunnen groeien. Ondernemers, werkgevers, werknemers, onderwijs en gemeente werken samen om de vraag naar en aanbod van werk in balans te krijgen en houden. Op die manier zijn er straks voldoende en goed opgeleide mensen beschikbaar voor de arbeidsmarkt. Een optimale publiek-private samenwerking kan bijdragen aan een werknemersbestand dat in balans is en waarin ook werknemers met een afstand tot de arbeidsmarkt zijn opgenomen. Hoewel er in de gemeente geen middelbaar onderwijs of beroepsonderwijs is, is de gemeente van plan om samenwerkingen en innovatiehubs te stimuleren om zo inwoners die willen werken in de regio aan werk te helpen.

5.4.3 Inburgering, schuldhulpverlening en preventie 

Nieuwkomers uit het buitenland moeten zo snel mogelijk mee kunnen doen in Kaag en Braassem. De snelste weg is het leren van de Nederlandse taal en het vinden van een baan. Per 1 januari 2022 is de nieuwe ‘Wet inburgering’ van kracht, waarbij de gemeente de regie heeft over de uitvoering van de inburgering. Statushouders krijgen zes maanden financiële ondersteuning (de gemeente neemt het beheer van inkomsten en uitgaven geheel of gedeeltelijk uit handen), zodat de statushouder zich volledig op diens inburgering kan richten. Al tijdens de inburgering gaat ontwikkelbedrijf Rijnvicus samen met de statushouder aan de slag om zo snel mogelijk en succesvol aan het werk te gaan.

We investeren samen met verschillende organisaties en partijen in preventie en vroegsignalering van schulden voor alle inwoners van de gemeente om langdurige schuldtrajecten voor te zijn. Waar nodig bieden we schuldhulpverlening aan, waarbij we ons richten op het oplossen van de schulden op de lange termijn.

5.4.4 Wat willen we bereiken?

  • Ondernemers/werkgevers, werknemers, onderwijs en gemeente werken samen om de vraag naar en aanbod van werk (huidig en toekomstig) in balans te krijgen en houden, waarbij het gaat om kwaliteit en kwantiteit.

  • Alle inwoners hebben een fatsoenlijk bestaansniveau en kunnen zich financieel redden, doordat zij werken naar vermogen, bij voorkeur in een regulier betaalde baan. Wij zetten daarom in op het aan het werk helpen van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt.

5.5 Specifieke uitgangspunten

De specifieke uitgangspunten vormen een kader voor activiteiten en ontwikkelingen. We hebben aandacht voor de omgeving bij de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen. Bereikbaarheid, milieubelastende activiteiten, duurzaamheid en waterberging (zie ook hoofdstuk 3) zijn belangrijke aandachtspunten. Ook moeten nieuwe bedrijventerreinen passen bij de aard en schaal van het gebied en moet de ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit behouden en waar mogelijk verbeteren. Een beeldkwaliteitsplan is nodig om dit aan te tonen. Bij voorkeur wordt er aangesloten bij bestaande bedrijventerreinen of glastuinbouwgebieden.

6 Recreatie

6.1 Inleiding

Kaag en Braassem: 11 dorpen verbonden door water. Waar molens het land drooghouden en boeren en tuinders een bestaan opbouwden, waaruit de omliggende steden werden gevoed. Waar het veen werd afgegraven voor turf en waar de handel opbloeide dankzij de zeilscheepvaart. Waar ondernemen en hard werken in het DNA zit en de watersport haar wieg heeft staan. En waar de recreant ontspant: in de waterrijke omgeving, tussen polders en groen.

De recreatieve sector is een belangrijke economische motor van de gemeente Kaag en Braassem. We hebben dit te danken aan de unieke ligging in het Hollandse Plassengebied en het Groene Hart. Het gebied is aantrekkelijk voor recreanten en inwoners die beleving, ontspanning, ruimte en/of rust zoeken. Recreatie in de groene openbare ruimte draagt bij aan de gezondheid, het welzijn, het sociaal welbevinden en de lokale identiteit van de inwoners. Kaag en Braassem heeft een uniek karakter als waterrijk gebied met een rijke historie.

6.2 Achtergrond

6.2.1 Inleiding

Mensen in onze gemeente houden van buitenactiviteiten. Vooral wandelen en fietsen zijn populaire bezigheden. Veel mensen doen dit vaak, en meer dan de helft doet het minstens één keer per week. Waarom? Vooral omdat ze van de natuur genieten en willen ontspannen.

Onze gemeente heeft mooie plekken met groen, water en natuur. De inwoners waarderen deze plekken om even weg te zijn van het drukke leven en te ontspannen in de buitenlucht. Recreatie is goed voor hun geest en lichaam.

De verwachting is dat de vraag naar recreëren op het water, in het openbaar groen in en aan de randen van de bebouwde kom en de vraag naar wandel- en fietspaden in het landelijk gebied toeneemt. We moeten nadenken hoe we aan deze wensen kunnen voldoen.

6.2.2 Wat vinden onze inwoners?

De inwoners van Kaag en Braassem hechten veel waarde aan de landelijke leefomgeving, gekenmerkt door polders, water en recreatiemogelijkheden. Dit vinden zij belangrijk:

  • Openluchtrecreatie heeft de voorkeur bij de inwoners, met wandelen (85%) en fietsen/mountainbiken (75%) als populaire recreatieve activiteiten. Ze doen dit voornamelijk om geestelijk en lichamelijk te ontspannen en zien het als goed voor hun gezondheid. Daarnaast bezoeken ze evenementen zoals de Nationale Molendag en Open Monumentendag om kennis op te doen.

  • De meest genoemde activiteiten voor vermaak onder de inwoners zijn het bezoeken van restaurants (81%) en het bijwonen van verschillende evenementen, zoals de Oranjefeesten in diverse dorpen. Culturele evenementen zoals het Kaagfestival en het Sluisconcert zijn ook geliefd en dragen bij aan hun vermaak.

  • De inwoners geven aan dat ze bepaalde voorzieningen missen in hun recreatieve omgeving. Hierbij gaat het om zwemstrandjes, wandelroutes, ‘ommetjes’ en thematische routes, parken en horecagelegenheden aan het water. Bovendien wensen ze een verbeterde bereikbaarheid en toegang tot dijken, oevers, vanaf het water en het land.

 

Kortom, de inwoners koesteren de natuurlijke en recreatieve kanten van hun omgeving, en ze missen enkele voorzieningen die hun recreatie-ervaring kunnen verrijken.

6.2.3 Wat willen we bereiken?

  • Het behouden en bevorderen van de unieke identiteit van onze regio.

  • Het bevorderen van een gezonde en vitale samenleving.

  • Het behouden en verbeteren van de natuurwaarden.

  • Kaag en Braassem blijven ontwikkelen als recreatiegemeente.

6.2.4 Recreatie in cijfers

De gegevens uit het recreatierad geven inzicht in het vrijetijdsgedrag en de recreatieve voorkeuren van inwoners van Kaag en Braassem in verhouding tot landelijke trends. Het onderzoek is gedaan door MarketRespons en gaat uit van zeven leefstijlen die inzicht geven in hoe mensen hun vrije tijd invullen. De indeling in leefstijlen is gebaseerd op grootschalig landelijk onderzoek dat bestaat uit interviews en statistische analyses onder ruim 2.000 Nederlanders. Deze indeling helpt bij het beter afstemmen van recreatief beleid en voorzieningen op de voorkeuren van inwoners en bezoekers.

Bij het onderzoek valt op dat de gemeente bovengemiddeld scoort op Stijlzoekers (5), Inzichtzoekers (4) en Verbindingszoekers (4). Daartegenover staan lagere scores bij Plezierzoekers en Rustzoekers (beide 3), wat wijst op iets minder nadruk op puur ontspanning of amusement.

De plek van Kaag en Braassem in het rad laat zien hoe het recreatieprofiel zich ongeveer verhoudt tot het landelijk gemiddelde. 

afbeelding binnen de regeling
Radardiagram Recreatie

6.3 Wat doet de gemeente?

Wat het bevorderen van recreatie betreft zet de gemeente zich in om recreatieve voorzieningen en infrastructuur op te leveren en te onderhouden, evenementen mogelijk te maken en te zorgen voor milieubescherming, het handhaven van veiligheid en het toewijzen van financiële middelen en subsidies. Daarnaast bevorderen we samenwerking met en tussen inwoners, vrijwilligersorganisaties en ondernemers. De gemeente streeft ernaar om deze groepen de ruimte te geven. Op die manier kunnen zij vanuit hun eigen verantwoordelijkheid bijdragen aan oplossingen voor lokale vraagstukken. Dit verbetert de levenskwaliteit en stimuleert de betrokkenheid bij de gemeenschap.

6.4 Behoud en bevordering unieke identiteit

6.4.1 Inleiding

We streven naar het behouden en bevorderen van de unieke identiteit van onze regio. Elf dorpen verbonden door water, groen en polders vormen het karakteristieke hart van onze gemeente. Kaag en Braassem kent een rijke geschiedenis waarin molens het land droog hielden en boeren en tuinders een gezond bestaan opbouwden. Bovendien voorzag het de omliggende steden van voedsel. Het afgraven van veen voor turf en de bloeiende zeilscheepvaart zorgden voor welvaart en handel. Het ondernemerschap en harde werken zitten diepgeworteld in het DNA van onze gemeenschap, waar ook de watersport opbloeide. Vandaag de dag biedt Kaag en Braassem een oase van ontspanning en rust voor recreanten.

Recreatievormen moeten aansluiten bij de identiteit van de 11 dorpen en de leefstijl van onze inwoners. We willen onze mooie waterrijke omgeving, onze uitgestrekte polders en ons groen optimaal benutten en zorgen dat iedereen die kan beleven. Kaag en Braassem is een fijne plek voor natuurliefhebbers, watersporters en mensen die op zoek zijn naar een landelijke omgeving om tot rust te komen.

6.4.2 Wat willen we bereiken?

  • Het uitbouwen van het merk Kaag en Braassem.

  • Het stimuleren en mogelijk maken van recreatievormen die passen bij de leefstijl van inwoners.

  • Inzetten op de groei van lokale initiatieven.

6.5 Bevordering van een gezonde en vitale samenleving

6.5.1 Inleiding

Recreatie heeft aantoonbaar positieve effecten op de gezondheid en het welzijn van mensen. Lichamelijke activiteit, ontspanning en stressvermindering kunnen bijdragen aan een gezonde en vitale samenleving. Door te investeren in recreatieve voorzieningen zoals wandel- en fietspaden, speelplaatsen en picknickplaatsen, stimuleren we actieve leefstijlen en nodigen we inwoners uit om te genieten van de natuurlijke omgeving. Dit kan helpen bij het verbeteren van de fysieke gezondheid, het verlagen van het risico op chronische ziekten en het bevorderen van de algehele fitheid. Bovendien kan recreatie in de natuurlijke omgeving een kalmerend effect hebben en helpen bij het verminderen van stress en het verbeteren van het geestelijk welzijn. Daarnaast zijn de recreatieve routes, zitmogelijkheden en de horecagelegenheden die de gemeente mogelijk maakt ontmoetingsplekken waar inwoners en bezoekers samen komen en ervaringen delen. Voor de inrichting van de recreatieve ruimte houdt de gemeente rekening met de toegankelijkheid voor mensen met een beperking om zo de kansengelijkheid te vergroten.

6.5.2 Wat willen we bereiken?

  • Het op de provinciale, regionale en lokale agenda krijgen en houden van het belang van recreatie voor de gezondheid en het welzijn van inwoners en bezoekers.

  • Het zorgen voor recreatieve routes.

  • Het opzetten en mogelijk maken van ontmoetingsplekken.

  • Het optimaliseren van de openbare ruimte.

6.6 Behoud en verbetering van de natuurwaarden

6.6.1 Inleiding

Het historische landschap van Kaag en Braassem, met polders, meren, vaarten en molens, is bijzonder. We streven naar het behoud en de verbetering van de natuurwaarden en willen recreatieve routes, wandel- en fietspaden plaatsen, zodat inwoners en bezoekers kunnen genieten van de natuurlijke omgeving. Het onderhoud en beheer van deze gebieden brengt kosten met zich mee.

Voor het onderhoud van het landelijk gebied werken we deels samen met agrariërs, die een belangrijke rol spelen in het behoud van deze gebieden. We zijn ons ervan bewust dat de vraag naar ruimte voor recreatie op het water, in het openbaar groen en op de wandel- en fietspaden in landelijk gebied gaat toenemen, onder andere door woningbouw. Het is belangrijk om een goede

balans te vinden tussen het behoud van de natuur en de mogelijkheden voor recreatie. Natuur en natuurbehoud zijn twee belangrijke voorwaarden voor recreatie in onze gemeente. Zonder natuur geen mooie fietspaden tussen bloeiende bermen, geen vaarroutes langs rietkragen, geen gezond zwemwater, geen natuurbeleving en nog vele andere vormen van recreatie.

6.6.2 Wat willen we bereiken?

  • Het vergroten van het bewustzijn en met name agrariërs op de hoogte brengen van mogelijk (nieuwe) verdienmodellen als zij met biodiversiteit en natuurbehoud aan de slag gaan.

  • In samenwerking met landschapsfonds Alphen aan de Rijn e.o. boerenlandpaden verder ontwikkelen.

6.7 Blijven ontwikkelen als recreatiegemeente

6.7.1 Waterbeleving en watersport

Kaag en Braassem staat bekend om zijn watersportmogelijkheden. Als gemeente blijven we ons inzetten om mogelijkheden te bieden voor watersporters, zoals aanlegplaatsen, steigers en jachthavens. Ook zetten we ons in om de toegang tot het water te verbeteren. We begrijpen het belang van een goed uitgeruste infrastructuur om recreanten en liefhebbers van watersport te ondersteunen en te stimuleren.

Hoewel onze gemeente erg waterrijk is, is de waterbeleving en toegankelijkheid van het water niet overal optimaal. We streven ernaar ook vanaf de oevers de waterbeleving voor recreanten te vergroten.

Recreatie en natuur gaan niet overal samen. We hechten aan het behoud van de waterkwaliteit en de ecologische balans van ons oppervlaktewater. Daarbij richten we ons op hoogwaardige oeverrecreatie en watersportfaciliteiten en een gezond evenwicht waar waterrecreatie/watersport én natuur hand in hand gaan.

6.7.2 Dag- en verblijfsrecreatie

Bestaande watersport- en recreatiebedrijven krijgen ruimte om te groeien en nieuwe bedrijven in de dag- en verblijfsrecreatieve sector krijgen de kans om zich te vestigen. Want als mensen hier willen verblijven dan moet dat wel mogelijk zijn. We denken dan bijvoorbeeld aan kleinschalige mogelijkheden zoals bed and breakfasts en nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven, eventueel in combinatie met dagrecreatie. Als grotere projecten landschappelijk goed zijn in te passen, bieden we ook daar beperkt ruimte voor.

 Verblijfsrecreatie bij agrarische bedrijven 

Agrarische bedrijven hebben de mogelijkheid diverse vormen van (verblijfs)recreatie als nevenfunctie aan te bieden. Zo houden we het platteland vitaal en leefbaar.

Stimuleren van verblijfsrecreatie in onze gemeente

We willen verblijfsrecreatie binnen onze gemeente graag stimuleren en ruimte bieden, maar ook geen valse verwachtingen wekken. Om dit goed te kunnen doen, is er een duidelijk toetsingskader opgesteld. Dit kader helpt bij het beoordelen van plannen en bij het versterken van de samenwerking tussen de gemeente, de provincie en andere betrokken partijen.

De provincie is op dit moment terughoudend bij het toestaan van nieuwe campings of het toevoegen van kleinschalige recreatieverblijven. Dit is met name om permanente bewoning van dergelijke recreatieverblijven te voorkomen. Toch biedt het huidige provinciale beleid wel ruimte voor kleinschalige initiatieven, als deze goed passen in de omgeving. Voorbeelden hiervan zijn camperplaatsen, bed and breakfasts, groepsaccommodaties, trekkershutten of tijdelijke kampeerplekken. De provincie werkt aan een herziening van het Omgevingsbeleid Zuid-Holland. Als hierin meer ruimte ontstaat voor verblijfsrecreatie, nemen we dit uiteraard mee in een volgende versie van onze Omgevingsvisie.

Permanente bewoning

Op basis van een onderzoek van bureau Ginder naar de vitaliteit van 17 vakantieparken in de gemeente, heeft het college in oktober 2024 besloten om op 11 van deze parken te handhaven op permanente bewoning, en op 6 parken de mogelijkheid te onderzoeken naar een wijziging in het omgevingsplan, waarbij wonen nadrukkelijk niet wordt uitgesloten. Dit besluit wordt nu uitgewerkt en uitgevoerd.

Vanuit de Rijksoverheid is in mei 2025 de Instructieregel Permanente Bewoning gepubliceerd die gemeenten verplicht onder bepaalde voorwaarden permanente bewoning toe te staan. Deze Instructieregel is op 4 oktober 2025 voor behandeling in het parlement gestuurd. Daarbij gaat het uitsluitend om een groep individuele gebruikers die op 16 mei 2024 of al langer, in een recreatieverblijf wonen en geen andere woning bezitten. Mogelijkheden voor individuele gebruikers anders dan de genoemde doelgroep, worden daarmee niet gecreëerd. Gemeenteraden kunnen wel beslissen de werking van de regel te verruimen. Echter, gezien het provinciale verbod op permanente bewoning buiten Bestaand Stad- en Dorpsgebied (BSD) en het actieve beleid dat de provincie op dit onderwerp voert, zien wij daar op dit moment geen ruimte toe. Bovendien is de gemeente het met de provincie eens dat voorzichtig dient te worden omgegaan met permanente bewoning van recreatievoorzieningen, onder meer met het oog op de veiligheid en bereikbaarheid van voorzieningen. Aan nieuwe individuele verzoeken of aanvragen voor het permanent bewonen van een recreatiewoning anders dan bovengenoemde doelgroep wordt dan ook geen medewerking verleend.

6.7.3 Samenwerking en participatie

Samenwerking en participatie zijn essentieel voor de recreatievisie van de gemeente. Hierbij gaat het om samenwerking met lokale ondernemers, verenigingen, inwoners, buurtgemeenten, regionale partners en andere belanghebbenden. We kunnen het niet alleen. Daarom stimuleren we de participatie van inwoners en betrokkenen bij de ontwikkeling en uitvoering van recreatieve projecten. Binnen het recreatieve landschap van Kaag en Braassem spelen vrijwilligers een belangrijke rol. Zij maken het mogelijk dat recreanten onze mooie gemeente kunnen beleven.

6.7.4 Wat willen we bereiken?

  • Het behouden en waar mogelijk investeren in recreatieve voorzieningen.

  • Het mogelijk maken van nevenfuncties voor agrarische bedrijven.

  • Het verbeteren van de toegang tot het water.

  • Het versterken van het lokale en regionale recreatienetwerk.

  • Het huidige beleid voor het bouwen van recreatiewoningen met een maximum van 60m2 blijft behouden zodat we permanente bewoning ontmoedigen.

6.8 Specifieke uitgangspunten

Welke activiteiten staan we toe? 

Dag- en verblijfsrecreatie krijgt de mogelijkheid om zich in Kaag en Braassem te vestigen en te groeien. De recreatievormen moeten passen bij de leefstijl van inwoners en mogen geen afbreuk doen aan de omgeving.

Gezamenlijke verantwoordelijkheid

Samenwerking en participatie zijn essentieel voor de recreatievisie van de gemeente. Hierbij gaat het om samenwerking met lokale ondernemers, verenigingen, inwoners, buurtgemeenten, regionale partners en andere belanghebbenden. Iedereen heeft een eigen verantwoordelijkheid om te zorgen dat recreanten onze mooie gemeente kunnen beleven en hier komen genieten.

7 Sociaal domein

7.1 Inleiding

De inwoners van Kaag en Braassem zijn betrokken bij elkaar en bij hun omgeving. Veel inwoners zetten zich in voor een ander of voor een vereniging. Wij waarderen deze betrokkenheid en dit enthousiasme. En we willen hier de komende jaren meer ruimte aan bieden en deze betrokkenheid mogelijk blijven maken en ondersteunen. Toch zien wij ook dat steeds meer inwoners, al dan niet tijdelijk, in de knel komen; door de ontwikkelingen in de samenleving die ze niet meer bij kunnen houden, door fysieke, verstandelijke of psychische beperkingen, door financiële problemen of door andere omstandigheden. Vaak kunnen ze een beroep doen op familie en vrienden, maar soms is dat ook niet meer voldoende. Dan zorgen wij als gemeente dat er voldoende hulp en ondersteuning is waarop mensen een beroep kunnen doen. Zo bundelen we als inwoners, organisaties, professionals en gemeente onze krachten om samen te zorgen voor een sociaal Kaag en Braassem. Een gemeente waar iedereen erbij hoort en gelijkwaardig en volwaardig mee mag doen, ongeacht iemands beperking, chronische ziekte (zoals omschreven in onder andere het VN Verdrag Handicap), culturele achtergrond of seksuele oriëntatie.

7.2 Achtergrond

7.2.1 Meeste inwoners gezond, maar meer gezondheidsrisico’s

Het grootste deel van onze inwoners is in goede gezondheid. Wel zien we ontwikkelingen die de gezondheid en het welzijn van onze inwoners bedreigen, zoals een toename van eenzaamheid, angst, depressie en een ongezonde leefstijl:

  • ongeveer de helft van onze inwoners (18+) heeft overgewicht (2022);

  • 39% van de volwassen inwoners voldoet aan de alcoholrichtlijn (2022);

  • 11% van de volwassenen voelt zich zeer eenzaam. Ook jongeren voelen zich geregeld eenzaam. (2022);

  • 54% van de jongeren van zestien tot 25 jaar vindt de eigen mentale gezondheid (zeer) goed.

7.2.2 Huiselijk geweld een blijvend probleem 

De afgelopen jaren is het aantal zaken huiselijk geweld stabiel gebleven: ongeveer 480 gestarte casussen per 100.000 inwoners. Dit is iets lager dan het landelijk gemiddelde. Bij meer dan de helft van de zaken gaat het over kindermishandeling.

7.2.3 Beroep op jeugdhulp fluctueert

In onze gemeente maakte in 2024, bijna 11% van de jongeren gebruik van jeugdzorg. Dit is een lichte toename ten opzichte van 2023 (maar lager dan 2021 en 2022) en is vergelijkbaar met het regionaal en landelijk gemiddelde. We zien het beroep op jeugdzorg in 2025 verder toenemen.

7.2.4 Vergrijzing en dementie nemen toe, druk op mantelzorg wordt groter

Ongeveer 22% van onze inwoners heeft een leeftijd van 65+. Dit percentage neemt de komende jaren nog verder toe. Ook het aantal mensen met dementie gaat als gevolg van deze vergrijzing aanzienlijk stijgen. Het is de verwachting dat in 2040 ongeveer 875 inwoners van onze gemeente dementie hebben. De zorg voor mensen met dementie ligt voor een groot deel bij de directe omgeving, bij de mantelzorgers. Overbelasting en eenzaamheid zijn daarbij risico’s, voor alle mantelzorgers. Mantelzorger zijn is niet altijd een bewuste keuze. Het overkomt je en je ziet het als een vanzelfsprekendheid. De duur en de intensiteit van de verleende hulp is de afgelopen jaren toegenomen.

7.2.5 Grootste opgaven op het gebied van welzijn en zorg

  • Het versterken van de sociale basis in de wijk.

  • Het versterken van de bestaanszekerheid.

  • Het makkelijker maken van gezond leven.

  • Het vergroten van de kansengelijkheid.

7.2.6 Sociaal domein in cijfers

Het rad laat zien hoe Kaag en Braassem scoort op meetpunten rond de sociale basis, kansengelijkheid, bestaanszekerheid en gezondheid, afgezet tegen het landelijk gemiddelde (schaal 3). De gemeente kent een sterk sociaal weefsel met hoge betrokkenheid onder inwoners en weinig sociaal isolement. Ook op het gebied van gezondheid en overgewicht valt Kaag en Braassem in positieve zin op. Tegelijkertijd is de arbeidsparticipatie goed, maar niet uitzonderlijk, en blijft het opleidingsniveau een aandachtspunt. Hoewel het gebruik van jeugdzorg op dit moment niet afwijkt van het gemiddelde in Nederland, blijft dit onderwerp onze aandacht vragen. De score op inkomen laat zien dat relatief weinig inwoners onder het sociaal minimum leven, wat de bestaanszekerheid versterkt.

afbeelding binnen de regeling
Radardiagram Sociaal Domein

7.3 Gewenste beweging

Met de Omgevingsvisie willen we de beweging die wij al eerder (met de Maatschappelijke Agenda (MAG)) hebben ingezet, verder laten groeien. Een beweging:

  • van zorgen voor ... naar zorgen dat.

  • van gelijkheid/uniformiteit en eenheid ... naar differentiatie en diversiteit.

  • van reactief ... naar proactief.

  • van de kwaal centraal ... naar de oplossing centraal.

  • van dure, specialistische, individuele zorg ... naar ondersteuning in en door de samenleving.

  • van aanbodgericht ... naar vraag-/behoeftegericht, maatwerk.

  • van focus op ziekte en zorg ... naar aandacht voor gezondheid en gedrag.

7.4 Versterken van de sociale basis in de wijk

7.4.1 Inleiding

Vanuit de gemeente zorgen we voor een stevige sociale basis en zetten we in op onder andere inwoners, vrijwilligers, kindcentra en welzijn. We willen de sociale verbinding in onze wijken en dorpen versterken en zorgen voor een inclusieve samenleving waar iedereen zich thuis voelt. Vrijwilligersorganisaties hebben een belangrijke rol in onze samenleving. Omdat verenigingen draaien op de kracht van vrijwilligers noemen we ze daarom vrijwilligersorganisaties. Die organisaties dragen bij aan het welzijn van onze inwoners en aan de doelen van deze Omgevingsvisie. Om dit mogelijk te (blijven) maken, ondersteunen wij, samen met onze ingehuurde partners, bij het oplossen van de vraagstukken waar de organisaties mee worstelen. Zo denken we mee en leggen we verbindingen. Wij blijven hiervoor in contact met onze vrijwilligers(organisaties).

7.4.2 Wat willen we bereiken

  • Inwoners hebben een voldoende sociaal netwerk, waar ze - waar nodig - op terug kunnen vallen. We zetten ons in om sociaal isolement en eenzaamheid te voorkomen of te verminderen.

  • Inwoners voelen zich verantwoordelijk voor zichzelf en hun (sociale en fysieke) omgeving.

  • Inwoners hebben zo min mogelijk belemmeringen in de openbare ruimte. Voor alle inwoners, jong en oud, biedt de openbare ruimte mogelijkheden om elkaar te ontmoeten, te spelen en te bewegen. De inrichting en ruime opzet van onze buitenruimte stimuleert inwoners van alle leeftijden om te spelen en bewegen.

  • Mantelzorgers krijgen de ondersteuning en/of verlichting van zorg die zij nodig hebben om – op eigen wijze – de mantelzorg te kunnen (blijven) bieden. Deze ondersteuning of verlichting bieden we op een manier die past bij hun leven en leeftijd en bij de toenemende intensiteit, duur en complexiteit van mantelzorg.

  • Inwoners, buurten en wijken ondersteunen elkaar. We benutten, versterken en ondersteunen de kracht van de samenleving, waarbij er oog is voor de grenzen van die kracht.

  • We zetten in op de juiste/ passende ondersteuning voor verenigingen zodat deze belangrijke ontmoetings/netwerkplekken de basis blijven voor het vormen en vergroten van het sociale netwerk. De uitdaging om deze locaties met vrijwilligers te laten bloeien zien we als een opgave voor de komende periode.

7.5 Gezond leven makkelijker maken

7.5.1 Inleiding

Binnen deze Omgevingsvisie ligt de nadruk op de veerkracht van onze inwoners om met fysieke, emotionele en sociale uitdagingen in het leven om te gaan (positieve gezondheid), en zich minder te richten op het ontbreken van ziekte of beperkingen. Het gaat hierbij onder andere om regie op het eigen leven, kwaliteit van leven en het kunnen meedoen in de samenleving. De leefstijl van onze inwoners kan hier invloed op hebben. Bij leefstijl gaat het om gunstig gedrag voor de gezondheid zoals sport en bewegen, maar ook om ongunstig gedrag zoals roken, (overmatig) alcohol- en drugsgebruik en ongunstig gewicht (onder- en overgewicht). Wij bevorderen een gezonde leefstijl voor jong en oud, waarbij we erkennen dat ouders een belangrijke voorbeeldfunctie voor hun kinderen hebben.

Verschillende omgevingsfactoren, zoals luchtkwaliteit, de leefomgeving en gezondheidsbevorderende voorzieningen, zijn van invloed op de gezondheid. Als gemeente zetten we ons daarom in om gezondheid in alle keuzes die wij maken mee te nemen. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om aanpassingen aan de fysieke leefomgeving, zoals het aanleggen van veilige fietsverbindingen. Maar ook om veilige looproutes naar bijvoorbeeld winkels en huisartsen voor kwetsbare inwoners (in het kader van langer thuis wonen). Verder zorgen we voor voldoende groen en ruimte om daarmee een gezonde leefomgeving te bevorderen.

Huiselijk geweld en kindermishandeling zijn problemen die diep ingrijpen in het leven van opgroeiende kinderen en in het welzijn van onze inwoners. De leden van de gezinnen en huishoudens waar het hier om gaat zijn in veel gevallen niet, of wisselend gemotiveerd om ondersteuning, hulp of behandeling te zoeken bij het oplossen van hun problemen. In een aantal gevallen gaat de problematiek door van generatie op generatie. Uit onderzoek blijkt dat bij kinderen die zijn mishandeld of verwaarloosd de kans drie keer groter is dat zij in de toekomst hun kinderen mishandelen.

7.5.2 Wat willen we bereiken?

  • Inwoners van alle leeftijden hebben een gezonde en actieve leefstijl. We dringen gezondheidsbedreigende factoren terug: we stimuleren en ondersteunen meer bewegen door te werken aan een inclusief en gezond sportklimaat, zetten in op het matigen en voorkomen van (overmatig) alcohol- en drugsgebruik en zetten in op een rookvrije generatie.

  • Inwoners van alle leeftijden zitten goed in hun vel.

  • Huiselijk geweld en kindermishandeling wordt voorkomen, gesignaleerd en/of duurzaam aangepakt.

  • De sociale veiligheid in wijken en dorpen neemt toe. Situaties waarin overlast ontstaat door psychische of andere problematiek proberen we zoveel mogelijk te voorkomen, en waar nodig grijpen we snel in voordat dit uit de hand loopt.

7.6 Het vergroten van kansengelijkheid

7.6.1 Inleiding

Wij willen de kinderen in onze gemeente een goede basis en gelijke kansen bieden. Zij moeten veilig kunnen opgroeien en hun talenten kunnen ontwikkelen. Dan kunnen zij, nu en later, naar vermogen meedoen en bijdragen aan de samenleving. We zien hierin een grote rol voor de ouders. Zij zijn eerstverantwoordelijk. Wij gaan een samenhangend aanbod voor onze jeugd en jongeren organiseren, waarbij onderwijs (en kinderopvang), welzijn, preventie en jeugdhulp lokaal samenwerken. We zetten in op integrale kindcentra en laagdrempelige voorzieningen. Niet voor alle kinderen zijn een goede basis en gelijke kansen vanzelfsprekend. Door armoede, achtergrond, beperkingen of aandoeningen kunnen zij tegen grenzen aanlopen. Waar mogelijk willen wij deze grenzen slechten.

7.6.2 Wat willen we bereiken?

  • Kinderen moeten in een veilige omgeving kunnen opgroeien en een goede start kunnen maken in hun leven (eerste 1.000 dagen).

  • We streven naar gelijke kansen voor ieder kind. Alle kinderen hebben gelijke kansen en rechten om zelfstandig mee te doen aan de samenleving.

  • Kinderen zijn weerbaar en kunnen omgaan met de uitdagingen in het leven.

  • Ouders zijn toegerust om voor hun kinderen te zorgen en hen op te voeden. Ieder kind krijgt de liefde die het verdient en ieder kind wordt gehoord en gezien.

  • Als een kind of gezin professionele hulp nodig heeft, dan bieden we die hulp in de leefomgeving van het kind of het gezin en sluiten we aan bij de vraag en mogelijkheden van het kind en het gezin. Wij zetten ons in om te zorgen dat inwoners met een licht verstandelijke beperking en inwoners die laaggeletterd zijn kunnen meedoen in de (steeds ingewikkelder) samenleving.

7.7 Het versterken van bestaanszekerheid

7.7.1 Inleiding

Een samenleving waarin iedereen welkom is, waar iedereen (naar vermogen) kan meedoen en iedereen erbij hoort. Wij geloven als Kaag en Braassem in zo’n inclusieve samenleving. Wij bevorderen dit dan ook actief. Het grootste deel van onze inwoners heeft geen ondersteuning nodig om mee te doen in de samenleving, om sociale contacten te onderhouden, of bij het wonen of werken. Soms hebben inwoners wel (tijdelijk) hulp of ondersteuning nodig. In veel gevallen doen zij dan een beroep op familie en vrienden. Soms is ondersteuning door een professional nodig. Deze ondersteuning moet snel, laagdrempelig en dichtbij zijn. Zo licht en kort als mogelijk en zo zwaar en lang als nodig. We hebben hierbij ook oog voor mensen met verward gedrag en mensen die hulp nodig hebben, maar dat niet inzien of geen hulp willen aanvaarden, én voor hun omgeving. We begrijp dat overlastgevend gedrag ook van invloed is op het welzijn van de familie, vrienden en buren van de kwetsbare inwoner en op het veiligheidsgevoel in de buurt.

In verschillende onderzoeken is een verband tussen armoede en sociale uitsluiting vastgesteld. Vooral voor kinderen kan armoede de reden zijn dat zij niet mee kunnen doen. Maar ook voor volwassenen belemmert armoede de actieve deelname aan de samenleving. Niet meedoen heeft een negatief effect op het gedrag, de gezondheid en de (school)prestaties en vergroot de kans op armoede in de toekomst. In Kaag en Braassem hechten we daarom aan het laagdrempelig kunnen meedoen aan sport, cultuur en muziek. Juist voor mensen in een sociaal kwetsbare positie die ondersteuning nodig hebben, kan dit aanbod bijdragen aan het vormen van een netwerk en daardoor mogelijk ook aan het zelfstandig kunnen (blijven) wonen en/of het meedoen in de samenleving.

7.7.2 Wat willen we bereiken?

Inwoners in een (sociaal) kwetsbare positie, zoals mensen met dementie, met psychische problemen, een verstandelijke beperking, laaggeletterdheid of met financiële problemen, hebben een volwaardige plek binnen de samenleving en krijgen tijdig passende ondersteuning vanuit hun eigen netwerk en waar nodig van professionals. We zorgen er daarom voor dat we kennis over psychische aandoeningen hebben zodat er meer begrip voor inwoners in een kwetsbare situatie ontstaat.

7.8 Specifieke uitgangspunten?

  • Activiteiten als sport, spelen, cultuur, muziek en dans hebben een belangrijk positief effect op de leefbaarheid, gezondheid en de sociale ontwikkeling en zijn daarmee belangrijk voor het behalen van onze opgaven en doelen. Wij zoeken samen met verenigingen en organisaties naar (nieuwe) kansen. We zetten daarbij in op:

    • Laagdrempelig, inclusief en toegankelijk aanbod.

    • Sterke organisaties.

    • Een match tussen vraag en aanbod van vrijwilliger(s).

    • De verbinding tussen sport en ondersteuning/hulp.

  • Gezamenlijke verantwoordelijkheid: inwoners, partijen, verenigingen, professionals en vrijwilligers werken samen en bundelen hun krachten. Ze vullen elkaar aan en zetten een sluitende keten op. Als diverse professionals hulp bieden hanteren we altijd één gezin, één plan en één regisseur.

  • Wij sturen op wijkgericht werken en vragen van onze maatschappelijke partners om de ondersteuning in samenhang en dicht bij de inwoners te organiseren. Hierbij wordt aangesloten bij bestaande voorzieningen zoals huisartsen, verenigingen en Integrale Kindcentra (IKC's). Maar ook maatschappelijk vastgoed (zoals sporthallen, buurthuizen en dergelijke) heeft hierin een rol. Maatschappelijk vastgoed is van en voor de inwoners. Dit vastgoed is een belangrijk middel om onze doelen te halen. Naast de belangrijkste activiteiten van dit vastgoed (zoals sport en muziek) zijn er mogelijk kansen voor vernieuwende vormen van huisvesting. Wij stimuleren onze partners om, waar mogelijk, gebruik te maken van het beschikbare maatschappelijk vastgoed.

  • Voor maatschappelijke (verenigings)activiteiten en voorzieningen is ruimte nodig, in de openbare ruimte en in de vorm van maatschappelijk vastgoed. Voor het bepalen van de ruimtebehoefte werkt de gemeente Kaag en Braassem met referentiewaarden die nog in ontwikkeling zijn. Eigenaarschap van het maatschappelijk vastgoed ligt zoveel mogelijk bij inwoners, partners en professionals.

8 Mobiliteit

8.1 Inleiding

Om goed te kunnen wonen en werken in de verschillende kernen is de bereikbaarheid van Kaag en Braassem een belangrijke voorwaarde. Een goede aansluiting op (en doorstroming van) het hoofdwegennet zorgt ervoor dat inwoners en anderen gebruik kunnen maken van de voorzieningen. Ook deze voorzieningen hebben belang bij een goede mobiliteit om hun diensten en producten aan te kunnen blijven bieden. Daarnaast is het van belang dat de omliggende regio goed bereikbaar blijft onder meer vanuit economisch oogpunt. Daarbij houden we oog voor de verkeersveiligheid van inwoners en gebruikers. Vanuit de gemeente volgen we de ontwikkelingen op het gebied van mobiliteit, zoals alternatief vervoer.

8.2 Achtergrond

8.2.1 Mobiliteit blijft groeien, bereikbaarheid blijft aandachtspunt

Het aantal wegvoertuigen blijft jaarlijks toenemen, met ongeveer 300 personenauto’s en 100 bedrijfsvoertuigen per jaar in onze gemeente (bron: CBS). In totaal waren er in 2023, 23.637 wegvoertuigen in Kaag en Braassem, gemiddeld 1,2 personenauto per huishouden. De toename van het aantal wegvoertuigen heeft een direct effect op de bereikbaarheid van de gemeente. Daarnaast heeft het invloed op de doorstroming van het hoofdwegennet in en rondom Kaag en Braassem. Een ontwikkeling die ook invloed heeft op de bereikbaarheid in onze gemeente is het sluipverkeer. Er zijn daarnaast diverse ontwikkelingen in het wegennet die van invloed zijn. Een daarvan is de verbreding van de A4. Deze is uitgesteld vanwege stikstofproblematiek, maar gaat naar verwachting de komende jaren weer starten. Dan is er ook de verbetering van de ontsluiting van de kern Leimuiden op de N207 gecombineerd met het verbeteren van de doorstroming op de N207 ter hoogte van de Leimuiderbrug. Daarbij gaan we in de toekomst zorgen voor een verbetering van de infrastructuur in de vorm van bijvoorbeeld een aquaduct ter hoogte van de ringvaart Leimuiderbrug. En als laatste bijvoorbeeld de ontsluitingsstructuur binnen Roelofarendsveen die nodig is vanwege de bouw van extra woningen binnen het plangebied Braassemerland.

Ook vanuit de regio Holland Rijnland is een aantal ontwikkelingen te zien. Zo komt er meer diversiteit in de mobiliteit. De verkeersvraag spreidt zich meer over de dag, er zijn verschillende nieuwe vervoerswijzen (elektrische fietsen / speed pedelecs / nieuwe ov-concepten) en ook andere routes. Ondanks de ontwikkelingen en mogelijke alternatieven voor reizen blijft de vraag naar mobiliteit ook groeien. Daarnaast blijkt vanuit het inwonerspanel dat inwoners bijna elke dag met de auto door de gemeente reizen.

8.2.2 Verkeersongevallen in Kaag en Braassem

Jaarlijks raken ongeveer 79 inwoners gewond door een verkeersongeval (bron: BLIQ rapportage 2018 - 2022). Verreweg de meeste verkeersongevallen gebeuren op de rijksweg A4, gevolgd door de provinciale weg N207. In 2022 registreerde de politie in totaal 797 verkeersongevallen in Kaag en Braassem.

8.2.3 Duurzame mobiliteit en openbaar vervoer

De aandacht voor en doelen op het gebied van duurzaamheid leiden tot een toename van het gebruik van duurzame brandstoffen. De regio Holland Rijnland merkt op dat de acceptatie onder inwoners toeneemt om ruimte in woongebieden in te richten voor duurzame vormen van mobiliteit. Volgens de mensen die meedoen aan het inwonerspanel is het stimuleren van het openbaar vervoer (met 55%) de beste manier om Kaag en Braassem bereikbaar te houden. Daarnaast geeft 41% van de deelnemers aan (nog) niet bereid te zijn om de auto in te ruilen voor een duurzaam vervoersmiddel. Wel komen wij vanuit de gemeente in het kader van de energietransitie en onze duurzaamheidsagenda tegemoet aan de laadbehoefte van elektrische voertuigen. Zo plaatsen wij laadpalen in de openbare ruimte als daar vraag naar is. We houden daarbij ook innovatieve ontwikkelingen in de gaten, zoals snelladen, om te kunnen handelen als de vraag naar dergelijke voorzieningen toeneemt. De grootste opgaven op het gebied van mobiliteit zijn: 

 

  • a.

    Kaag en Braassem bereikbaar houden

  • b.

    De verkeersveiligheid vergroten. 

  • c.

    Duurzame mobiliteit stimuleren.

8.2.4 Mobiliteit in cijfers

In het mobiliteitsrad heeft Kaag en Braassem een gemiddelde tot goede positie op de meeste onderdelen. De autobereikbaarheid scoort een 3: de ligging nabij rijks- en provinciale wegen is gunstig, maar er zijn knelpunten op onder andere de A4 en enkele gemeentelijke wegen in de kernen. Het openbaar vervoer scoort met een 2 het laagst, doordat trein- en tramverbindingen ontbreken en buslijnen beperkt zijn, zeker tussen de kernen onderling. Tegelijk zijn er nieuwe mogelijkheden: alle kernen zijn aangesloten op het ov en de nieuwe vergunning brengt extra dienstregelinguren.

Op het gebied van duurzame mobiliteit (score 3) neemt het netwerk van laadpalen toe, maar stimuleren we autodelen of subsidiëring nog niet. Het fietsnetwerk scoort met een 4 het hoogst: vrij liggende fietspaden en veilige zones binnen de kernen maken het aantrekkelijk om te fietsen. Wel is er winst te behalen in de kwaliteit en breedte van fietspaden, met name op drukke routes. Dit komt met name doordat er meer typen fietsen komen – waaronder e-bikes – en er snelheidsverschillen ontstaan die vragen om bredere en beter ingerichte fietspaden.

De scores in dit rad zijn gebaseerd op een globale inschatting en geven een beeld van de positie van Kaag en Braassem ten opzichte van regionale of landelijke standaarden.

afbeelding binnen de regeling
Radardiagram mobiliteit

 

8.3 Gewenste beweging

In het vervolg willen we mobiliteitsvraagstukken integraal oppakken, waarbij we andere opgaven in het oog houden, met als uitgangspunt een goede leefbaarheid in Kaag en Braassem.

8.4 Kaag en Braassem bereikbaar houden

8.4.1 Inleiding

Een goede bereikbaarheid tussen de kernen en naar de omliggende regio’s is van belang om prettig te wonen en werken in de gemeente. Door toenemende drukte blijft het een uitdaging om het verkeer goed te laten doorstromen. Zo legt sluipverkeer druk op de lokale wegen. Daarnaast zijn de A4 en N207 de grootste knelpunten in Kaag en Braassem. Beide knelpunten zijn in ontwikkeling om de doorstroming en bereikbaarheid te verbeteren. Als gemeente onderschrijven wij het belang van een verbeterde doorstroming op de A4, maar daarbij houden we oog voor het economische belang van de naastgelegen ondernemers. Zo is de aansluiting en ontsluiting van bedrijventerreinen een blijvend aandachtspunt. Naar verwachting komt de verbreding van de A4 er op termijn, waarbij een nieuw aquaduct (ter hoogte van het oude aquaduct in de richting Den Haag) ervoor moet zorgen dat de A4 ter hoogte van Nieuwe Wetering en Roelofarendsveen geen flessenhals wordt/blijft. De N207 is inmiddels verbreed tussen Alphen aan den Rijn en Leimuiden, door het aanleggen van een busbaan. Het resterende knelpunt op de N207 is de passage bij Leimuiden. In 2020 zijn kleine aanpassingen uitgevoerd en daar zien we nu vanuit de studies dat de doorstroming / ontsluiting is geregeld tot 2030. Na 2030 moeten we zorgen dat die ontsluiting en bereikbaarheid nog steeds goed is, waarbij er ook aandacht is en blijft voor het scheiden van landbouw- met fietsverkeer op het onderliggend wegennet. Daarnaast vindt er een regionaal onderzoek plaats naar de ontsluiting van de noordelijke Rijn- en Veenstreek tot 2040 – 2050. Dit project staat op de agenda van de Regionale Investeringsagenda Holland Rijnland (RIA). Het onderzoek bekijkt de ontwikkelingen in de Rijn- en Veenstreek van de komende jaren en schat in of en wanneer er problemen ontstaan bij de huidige infrastructuur. Daarbij is er ook aparte aandacht voor de rol van de Leimuiderbrug in het verkeerssysteem en, of en wanneer, hier mogelijk (infrastructurele) aanpassingen nodig zijn. 

Autogebruik in Kaag en Braassem 

Het autobezit in onze gemeente ligt iets boven het gemiddelde; 1,2 auto’s per huishouden ten opzichte van het landelijk gemiddelde van 1,1 auto’s per huishouden. (Bron: cijfers CBS autobezit per huishouden januari 2023). Het belang van de auto voor de inwoners van onze gemeente is daarmee groot, dat blijkt ook uit het inwonerspanel. Dit komt doordat het openbaar vervoer in een aantal kernen geen goed alternatief is en forenzen uit onze gemeente de auto relatief veel gebruiken. Dit is een uitdaging op het gebied van verduurzaming. Bij toekomstige ontwikkelingen moeten we naar alle waarschijnlijkheid rekening houden met een relatief hoog autogebruik / autobezit.

Parkeren 

Dit hoge autobezit levert parkeerdruk op, vooral in de woonwijken. Daarnaast is er bij iedere ruimtelijke ontwikkeling een eigen parkeerbehoefte. Als we geen voorwaarden voor parkeren stellen bij ruimtelijke ontwikkelingen moeten mensen in de openbare ruimte parkeren, terwijl daar niet altijd voldoende parkeergelegenheid is. Dit kan leiden tot overlast bij de bestaande en toekomstige gebruikers. Als gemeente hanteren we parkeernormen om zo parkeeroverlast van nieuwe ontwikkelingen te voorkomen. Deze zijn opgenomen in een gemeentelijke parkeernota. Daarnaast zien we een spanningsveld tussen de woningbouwbehoefte en het benutten van locaties binnen stedelijk gebied die vrijkomen voor woningbouw. Daar komen de gestelde randvoorwaarden op het gebied van bereikbaarheid, parkeervoorzieningen en groenvoorziening onder druk te staan. In de toekomst moeten we daarom de discussie voeren hoe we omgaan met dit spanningsveld en de te maken keuzes.

8.4.2 Wat willen we bereiken?

  • Een betere doorstroming van de A4 en N207 om onder andere het sluipverkeer te beperken door de kernen die langs deze wegen liggen. Daarbij blijven de economische mogelijkheden voor ondernemers behouden en is de afstand tot het wegennet zo minimaal mogelijk.

  • Een betere bereikbaarheid en ontsluiting van Leimuiden, waarbij de passage van de Leimuiderbrug een speerpunt blijft.

  • Goede ontsluitingsmogelijkheden van ontwikkellocaties, onder andere Braassemerland in Roelofarendsveen.

8.5 Verkeersveiligheid vergroten

8.5.1 Inleiding

Hoewel het aantal verkeersongevallen en verkeersslachtoffers in Kaag en Braassem onder het landelijk gemiddelde ligt, zien we toch mogelijkheden om de verkeersveiligheid te verbeteren. In lijn met de provinciale verkeersveiligheidscampagne ‘Maak een punt van nul’, is nul verkeersslachtoffers het uitgangspunt om de verkeersveiligheid en -beleving in Kaag en Braassem te verbeteren. Daarnaast is de rijksoverheid gestart met het Strategisch Plan Verkeersveiligheid (SPV 2030), waarin een meer risicogestuurde aanpak van verkeersveiligheid centraal staat. Als regio en gemeente gaan we hier ook in mee. Verder hebben de gebruikers een rol in de verkeersveiligheid, denk hierbij aan verlichting van vervoersmiddelen en het gedrag in het dagelijks verkeer.

In het raadsakkoord 2022 is extra aandacht voor het oplossen van bestaande verkeersknelpunten opgenomen. In dat kader is een inventarisatie van knelpunten gemaakt en streven we op basis daarvan de komende jaren naar verbeteringsslagen op dit onderwerp. Daarbij liften we mee op het meerjarenprogramma onderhoud en wegen en voeren we aparte projecten uit. Daarnaast blijven wij inzetten op lokale en regionale campagnes om mensen bewust te maken en hun gedrag te beïnvloeden. We richten ons op belangrijke doelgroepen zoals scholen, fietsers en ouderen (e-bikes).

Op het vlak van verkeersveiligheid zorgt het landbouwverkeer voor problemen bij verkeersstromen en veroorzaakt dit gevaarlijke situaties. Dit gebeurt met name op de smalle wegen in het buitengebied en in de kern van Leimuiden. Het uitgangspunt is om het zware landbouwverkeer zoveel mogelijk te scheiden van de kwetsbare weggebruikers. We onderzoeken met de provincie, buurgemeenten en de Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland (LTO) naar mogelijkheden om de problemen met landbouwverkeer te verminderen. Daarbij houden we rekening met de ruimtelijke mogelijkheden die we als gemeente hebben. Verder zijn we ervan op de hoogte dat het zware (landbouw)verkeer trillingen in de bodem veroorzaakt. Dat kan vooral in dichtbebouwde gebieden leiden tot hinder of schade.

8.5.2 Wat willen we bereiken?

  • Het vergroten van het verkeersveiligheidsgevoel, door onder andere aan te sluiten bij de provinciale campagne en het strategische plan vanuit de rijksoverheid.

  • Het behouden van veilige wegen voor de inwoners en gebruikers, waar we het landbouwverkeer en kwetsbare verkeersdeelnemers scheiden als dat mogelijk is.

  • Een jaarlijkse extra inzet op verkeersknelpunten.

  • Mensen meer bewustmaken via voorlichting en campagnes.

8.6 Duurzame mobiliteit

8.6.1 Inleiding

Binnen Kaag en Braassem neemt het aantal elektrisch oplaadbare voertuigen (e-rijders) toe. Dit draagt bij aan de verduurzaming. Tegelijk groeit daarmee de vraag naar oplaadpunten. Vanuit de gemeente bewegen we mee in deze behoefte en zorgen we voor mogelijkheden om te laden. Ook houden we, samen met de betrokkenen, toekomstige ontwikkelingen bij het aanleggen van laadpunten in de gaten.

Kaag en Braassem heeft een overeenkomst (vanuit Rotterdam/MRDH) voor het plaatsen van laadinfrastructuur (laadpalen) in de openbare ruimte. Hiermee ondersteunen we e-rijders die geen oplaadmogelijkheid op eigen terrein hebben met gratis palen in de openbare ruimte. Hierbij gaat het om ‘normaal laden’. Een nieuwe overeenkomst vanuit de Regionale Aanpak Laadinfrastructuur (RAL) Zuidwest gaat half 2026 van start. Deze is meer gericht op het datagestuurd plaatsen van laadpalen in plaats van aanvraaggestuurd. De afgelopen jaren is er gewerkt aan een dekkend netwerk van laadpalen waarbij het aanbod de vraag volgt en dit willen we de komende jaren gestaag doorzetten door de laadvraag te blijven ondersteunen. Hierbij streven we ernaar dat ieder woonadres binnen 200 meter een laadpaal heeft. Vervolgens werken we met prognose- en plankaarten (opgesteld in 2025) aan een doorkijk tot 2030 om zo het netwerk op basis van de laadbehoefte uit te breiden.

Naast het normaal laden in de woonwijken is meer aandacht nodig voor geschikte locaties voor snelladen en voor het laden van logistieke voertuigen (met name op bedrijventerreinen). Het is moeilijk in te schatten hoe deze vorm van mobiliteit zich in de komende jaren ontwikkelt en wat het gevolg is voor de openbare ruimte. We proberen op tijd met de trends en ontwikkelingen mee te gaan via samenwerking met de partners waar de huidige overeenkomst is afgesloten. Deze ontwikkelingen maken een overgang van fossiele brandstof naar elektrische aangestuurde voertuigen mogelijk.

Openbaar vervoer 

Ook in het openbaar vervoer zijn er veranderingen. Een nieuwe overeenkomst met een vervoerder is ingegaan per december 2024, die periode is afwijkend als gevolg van de coronapandemie. In het gebied Zuid-Holland Noord is een nieuwe vervoerder gestart; QBuzz. Na een moeizame start van deze vervoerder hebben wij er vertrouwen in dat QBuzz de komende 15 jaar de ov-reiziger op een goede manier gaat bedienen. Omdat er 20% meer dienstregeluren beschikbaar zijn is het mogelijk om de dienstregeling te verbeteren. Daarnaast staat duurzaamheid voorop: de vervoerder werkt met een volledig elektrische vloot. De nieuwe sneldienst (lijn 366) tussen Leimuiden en Leiden is een eerste voorbeeld van een verbeterde dienstregeling. Het streven voor Kaag en Braassem is en blijft om de huidige kwaliteit te handhaven en waar mogelijk te verbeteren. Dit gebeurt aan de hand van de jaarlijkse vervoerplannen.

Een uitdaging bij het openbaar vervoer is dat de landelijke gebieden al een tijd onder druk staan. In de coronaperiode nam de vervoersvraag af en daarnaast zorgen verstedelijking en vergrijzing voor een toegenomen druk op het ov. Toch blijft het doel van de gemeente om het huidige bedieningsniveau te handhaven en waar mogelijk te verbeteren.

Een trend die naar verwachting op korte termijn meer invloed krijgt is Mobility as a Service (MaaS). Dit houdt in dat we platforms, services en apps kunnen ontwikkelen waar de vervoersvraag en het aanbod samen komen. Dit is mogelijk door de technologische ontwikkeling en de beschikbaarheid van open data. Op deze manier kunnen mensen via deze dienst hun ideale vervoersmogelijkheid samenstellen. Hierin heeft het ov een hoofdrol, maar is ook de aansluiting op het ov mee te nemen. Deze Mobility as a Service is vooral een marktontwikkeling, maar vraagt ook om inzet en ondersteuning van overheden, bijvoorbeeld bij het leveren van data.

Fiets 

Door de komst van de elektrische fiets (en de speed pedelec) ontwikkelt dit vervoermiddel zich steeds meer tot een duurzaam vervoersalternatief met een aanzienlijk groeiend bereik. Steeds meer inwoners kopen deze fietsen en dat heeft een positief effect op de gezondheid.

In de regio Holland Rijnland zetten we in op een doorfietsroutenetwerk met uniform ingerichte, brede en veiliger fietspaden. Voor Kaag en Braassem zijn hiervoor de verbindingen Alphen a/d Rijn – Leimuiden – Schiphol en Haarlemmermeer – Roelofarendsveen – Leiden in beeld. Hierbij streven we ernaar om meer mensen op de fiets en in beweging te krijgen. Voordat we dit uitvoeren en uitwerken moeten we eerst in kaart brengen of de plannen (financieel) haalbaar en uitvoerbaar zijn. In de regio hebben enkele routes prioriteit en die zijn ook al ver in het (besluitvormings-) proces. Voor de routes binnen Kaag en Braassem is dit niet het geval. Wél hebben we het voornemen om waar mogelijk werk te maken van de aangegeven doorfietsroutes. Bijvoorbeeld bij onderhoud van het fietspad langs de Leidseweg tussen de Langebrug en de gemeente Leiderdorp. Hierbij blijft de veiligheid van alle gebruikers een belangrijk aandachtspunt, bijvoorbeeld door het inzetten op veilige oversteekplaatsen.

Ook recreanten in onze gemeente hebben belang bij deze veilige, brede en toegankelijke fietspaden.

8.6.2 Wat willen we bereiken?

  • Wij willen een zo schoon mogelijk vervoer voor en van de inwoners voor elkaar krijgen. Dit willen we onder andere bereiken door het uitbreiden van het aantal laadpalen.

  • We zetten minimaal in op het behouden van de openbaarvervoervoorzieningen op het huidige niveau en waar mogelijk het verbeteren van de dienstregeling.

  • In samenwerking met de regio en de omliggende gemeenten in Holland Rijnland maken we stappen in een regionaal doorfietsroutenetwerk.

9 Veiligheid

9.1 Inleiding

Kaag en Braassem is een gemeente waar inwoners veilig kunnen wonen, die weerbaar zijn en waar mensen omzien naar elkaar. We volgen de veiligheidsontwikkelingen, investeren daarin en streven naar een duurzame en effectieve samenwerking met onze partners. Waar mogelijk betrekken we inwoners en ondernemers. Veiligheid staat niet op zichzelf, maar maakt deel uit van een breder beleidsveld. We zijn ons bewust van de verschillende beleidsmatige raakvlakken en zoeken de verbinding.

9.2 Achtergrond

9.2.1 Inleiding

Als gemeente hebben we met diverse veiligheidsvraagstukken te maken. Een aantal van die vraagstukken zijn bijvoorbeeld ondermijnende criminaliteit (georganiseerde misdaad waarbij de grens tussen onderwereld en bovenwereld vervaagt), woonoverlast, huiselijk geweld of online criminaliteit. De gemeente heeft hiervoor een integraal veiligheidsbeleid 2023-2026 (IVB) opgesteld. In het IVB beschrijven we onze missie, de samenwerking met partners en welke onderwerpen deze 4 jaar prioriteit hebben. Aan de hand van het IVB werken we aan onze wettelijke regierol en zetten we doorlopend in op integrale veiligheid.

Omdat de wereld voortdurend in beweging is weten we dat veiligheid er in 2026 anders uit kan zien dan nu. Daarom herijken we in 2026 ons integrale veiligheidsbeleid zodat we kunnen inspelen op onvoorziene of nieuwe ontwikkelingen. Deze Omgevingsvisie vormt hierin een belangrijk afwegingskader. De looptijd van deze visie bestrijkt diverse jaren en dient als basis voor een toekomstbestendig veiligheidsbeleid.

9.2.2 Veiligheidsmonitor

We vinden het belangrijk dat onze inwoners zich veilig voelen. Om dit te meten voeren we elke 2 jaar de veiligheidsmonitor uit. Hierin onderzoeken we thema’s zoals leefbaarheid van de woonbuurt, veiligheidsbeleving, slachtofferschap van criminaliteit, het oordeel van de inwoners over het functioneren van de politie en preventiegedrag. De meest recente monitor is uitgevoerd in 2023. De uitkomsten hiervan zijn met de gemeenteraad gedeeld in een Raadsinformatiebrief (RIB) en vormen een belangrijke basis voor het bepalen van prioriteiten binnen het IVB.

Veiligheidsbeeld

Uit de veiligheidsmonitor 2023 blijkt dat Kaag en Braassem een relatief veilige gemeente is. Inwoners geven de veiligheid in de buurt een 7,7. Dit ligt iets hoger dan het landelijk gemiddelde van een 7,5. De sociale verbinding in onze gemeente is hoger dan het gemiddelde. Zo vindt 80,8% van de deelnemers dat buurtbewoners op een prettige manier met elkaar omgaan en 71,8% geeft aan zich hier thuis te voelen. 8,8% geeft aan zich weleens onveilig te voelen in de buurt. Inwoners ervaren in Kaag en Braassem daarnaast gemiddeld minder overlast dan het landelijk gemiddelde.

9.2.3 Trends en ontwikkelingen

Onze samenleving is voortdurend in beweging. Nieuwe risico’s en ontwikkelingen vragen dan ook om alertheid en aanpassingsvermogen. Ook de mogelijke (lange termijn) gevolgen van de oorlogen in Oekraïne/ Israël en Palestina, verschuivingen in het geopolitieke klimaat, de asielcrisis en pandemieën spelen hierin een rol. We zijn ons bewust van de volgende ontwikkelingen:

  • Digitalisering.

  • Vergrijzing en langer thuis wonen.

  • Invloed en rol social media.

  • Omgevingswet.

  • Klimaatverandering.

  • Individualisering.

  • Culturele diversiteit.

9.2.4 Prioriteiten

Op basis van landelijke en lokale ontwikkelingen, beleidsprioriteiten van partners en de uitkomsten van de veiligheidsmonitor zien we vijf prioriteiten. Deze prioriteiten zijn in het IVB opgenomen en zijn als volgt:

  • verbinding zorg en veiligheid;

  • aanpak ondermijning;

  • digitale veiligheid;

  • veiligheidsaspecten door veranderende maatschappij;

  • toezicht en handhaving.

9.2.5 Veiligheid in cijfers

Het veiligheidsbeeld van Kaag en Braassem wijkt in positieve zin af van het landelijk gemiddelde. Het aantal geregistreerde misdrijven ligt aanzienlijk lager en ook het aantal meldingen van verwarde personen, jeugdoverlast en brandweerincidenten is beperkt. Op het gebied van digitale veiligheid (zoals cybercriminaliteit) ligt de gemeente rond het landelijk gemiddelde. Dit duidt op een relatief veilige woonomgeving, maar het vraagt blijvende aandacht voor preventie, maatschappelijke signalering en inzet op het sociaal domein om dit beeld vast te houden.

afbeelding binnen de regeling
Radardiagram veiligheid

 

9.3 Verbinding zorg en veiligheid

9.3.1 Inleiding

Sinds 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor een groot aantal kerntaken op het gebied van jeugd, zorg en participatie. Deze ontwikkelingen zetten verder door en nieuwe verantwoordelijkheden zijn naar de gemeenten gekomen zoals de ‘Wet verplichte GGZ’. De afgelopen jaren zien we een toename van personen met verward gedrag, woonoverlast en cliënten met problematiek op het gebied van zorg en welzijn. Het gaat hier vaak om een combinatie van problemen waarbij inzet en samenwerking van verschillende partners nodig is. Daarnaast zien we dat deze problematiek invloed heeft op de (woon)omgeving en voor gevoelens van onveiligheid kan zorgen. Om te voorkomen dat dit uit de hand loopt of de gevolgen te beperken is integrale samenwerking, het bieden van passende zorg of ondersteuning, maar soms ook het nemen van bestuurlijke maatregelen nodig.

9.3.2 Wat willen we bereiken?

  • Door integrale samenwerking waarborgen we procesregie op zorg en veiligheid;

  • We herkennen vroegtijdig signalen waardoor escalatie voorkomen en/of beperkt wordt;

  • Toename sociale stabiliteit;

9.4 Aanpak ondermijning

9.4.1 Inleiding

Bij georganiseerde ondermijnende criminaliteit zijn de onderwereld en bovenwereld verweven: daarbij gebruiken criminelen legale structuren voor illegale activiteiten. Op landelijk, regionaal en lokaal niveau is de aandacht voor ondermijning de afgelopen jaren steeds meer toegenomen. Dat is belangrijk omdat deze ondermijnende criminaliteit niet altijd zichtbaar is, maar wel zichtbare gevolgen heeft voor onze inwoners. Denk daarbij aan verloedering op straat en verwaarlozing van panden. Mensenhandel, drugshandel, fraude en afpersing zijn vaak niet zichtbaar, maar wel voelbaar in de maatschappij. Als er contact is met slachtoffers van ondermijning dan levert dat geregeld schrijnende verhalen op. Om ondermijning aan te pakken hebben gemeenten de afgelopen jaren steeds meer mogelijkheden gekregen om bestuursrechtelijk te handhaven en om de ‘Wet Bibob’ toe te passen. Deze ‘Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur’ geeft overheden de mogelijkheid om de achtergrond van bedrijven en personen te onderzoeken. Ook in Kaag en Braassem zijn er risico’s voor ondermijnende activiteiten. Dit komt onder andere door de geografische ligging in combinatie met een uitgestrekt landelijk (buiten)gebied en verschillende kwetsbare sectoren, branches en andere gelegenheidsstructuren.

9.4.2 Wat willen we bereiken?

  • Het vergroten van de bewustwording en weerbaarheid op het gebied van ondermijning.

  • Vergroten van de informatiepositie van de gemeente zodat we signalen over ondermijning sneller herkennen, op de agenda plaatsen en aanpakken.

  • Het op orde brengen en toepassen van bestuurlijke instrumenten van de gemeente om (vermoedens van) ondermijning aan te pakken.

9.5 Digitale veiligheid

9.5.1 Inleiding

Hoewel de geregistreerde criminaliteit in Nederland al enige jaren afneemt, zijn er andere (minder zichtbare) vormen die toenemen. Digitale criminaliteit is hier een voorbeeld van. Als gemeente hebben we een verantwoordelijkheid voor een veilige samenleving. En omdat de samenleving zich in toenemende mate online afspeelt strekt deze verantwoordelijkheid zich uit tot het optreden bij digitale incidenten en het voorkomen en bestrijden van cybercriminaliteit. In eerste instantie hebben inwoners een eigen verantwoordelijkheid voor hun digitale veiligheid. Daarnaast hebben we ook als gemeente een belangrijke rol om te voorkomen dat inwoners, bedrijven, voorzieningen én de gemeente zelf, slachtoffer worden van cybercriminaliteit en/of digitale ontwrichting. Uit de veiligheidsmonitor blijkt dat we in onze gemeente iets meer slachtoffers van online criminaliteit hebben dan het landelijk gemiddelde. Dit vraagt dan ook om investering en aandacht voor dit thema.

9.5.2 Wat willen we bereiken?

  • Het vergroten van de bewustwording en weerbaarheid van onze inwoners en bedrijven op het gebied van online criminaliteit.

  • Het versterken van de samenwerking met interne en externe partners.

  • Dat we als gemeente zijn voorbereid op een cybercrisis en online aangejaagde ordeverstoringen.

9.6 Veiligheid en de veranderende maatschappij

9.6.1 Inleiding

Onze maatschappij verandert voortdurend. Daarbij beïnvloeden diverse ontwikkelingen de veiligheid en het vertrouwen in de overheid. Denk hierbij bijvoorbeeld aan verschuivingen in het geopolitieke klimaat, de asielcrisis, de effecten van oorlogen (zoals in Oekraïne en het Midden-Oosten), boerenprotesten, pandemieën, desinformatie en woningmarktkrapte. Landelijk zien we een groeiende afstand tussen inwoners onderling en tussen inwoners en het bestuur. Het uiten van maatschappelijk ongenoegen is een democratisch recht, maar vraagt tegelijkertijd om alertheid en een gepaste reactie vanuit overheden.

9.6.2 Wat willen we bereiken?

We kunnen naar behoren reageren op veranderende veiligheidsrisico’s.

9.7 Toezicht en handhaving

9.7.1 Inleiding

Toezicht en handhaving vormen een belangrijke schakel binnen de verschillende veiligheidsthema’s. Dit is zeker van toepassing bij de aanpak van ondermijning, maar ook van belang rondom zorg en veiligheid. Enkele voorbeelden hiervan zijn het toezicht en de handhaving op het gebied van onbetrouwbare bedrijfsvoering, huisvesting van arbeidsmigranten, adresfraude, woonoverlast en overlastgevende locaties. De afgelopen jaren zien we door ontwikkelingen zoals pandemieën, geopolitieke verschuivingen, protesten of de vluchtelingenproblematiek een verschuiving in het taakveld van toezicht. Dit vraagt dan ook om lokaal maatwerk. Daarbij is het essentieel om samen te werken met de politie en met partners zoals de Omgevingsdienst West-Holland en het jeugdwerk.

De rol van toezicht en handhaving wordt ook breder belicht in de Uitvoerings- en Handhavingsstrategie, onder meer waar het gaat om leefbaarheid en de fysieke kwaliteit van de ruimte. Hier komt de verbinding met buurtinitiatieven en het beheer en de inrichting van de openbare ruimte nadrukkelijker terug.

9.7.2 Wat willen we bereiken?

  • We werken gebiedsgericht en informatiegestuurd.

  • We zetten in op meer proactief en minder reactief toezicht.

  • We zetten in op het vergroten van de zichtbaarheid.

  • We werken intensief samen met onze partners zoals politie, Omgevingsdienst West-Holland en jeugdwerk.

  • We stimuleren burgerinitiatieven, maken deze mogelijk en trekken met de initiatiefnemers op.

 

Dit wordt nader uitgewerkt in de Uitvoerings- en Handhavingsstrategie (voorheen VTH-beleid).

9.8 Het vergroten van veiligheid in de leefomgeving

9.8.1 Inleiding

De betrokkenheid van inwoners neemt toe, mensen dragen nadrukkelijker dan voorheen actief bij aan een veilige leefomgeving. Dit doen zij bijvoorbeeld voor hun eigen veiligheid (zoals via inbraakpreventie) en voor de veiligheid van hun wijk of buurt (via WhatsApp Buurtpreventie en Burgernet). Als gemeente blijven we initiatieven zoals WhatsApp Buurtpreventie stimuleren en mogelijk maken.

De fysieke leefomgeving heeft een belangrijke invloed op de veiligheid(sbeleving). Denk hierbij aan de inrichting van wegen, straatverlichting en evenementen. Ook andere ontwikkelingen spelen hier een rol. Zo voert de Veiligheidsregio Hollands Midden (VRHM) een onderzoek uit naar hoogwater, als gevolg van klimaatverandering. Deze onderzoeken en stresstesten blijven we volgen. Daarnaast vormt het Regionaal Beleidsplan de beleidsagenda voor de veiligheidsregio en haar partners en geeft het Regionaal Risicoprofiel van de VRHM inzicht in de risico's die binnen de veiligheidsregio bestaan. Ook is de VRHM een belangrijke partner als het gaat om omgevingsveiligheid en de risicogerichte advisering bij ruimtelijke ontwikkeling.

9.8.2 Wat willen we bereiken?

  • Inwoners van alle leeftijden voelen zich veilig in hun woon-, werk-, en leefomgeving.

  • We stimuleren en ondersteunen waar nodig inwonersinitiatieven om de veiligheid in hun eigen wijk of buurt te vergroten. Daarbij zetten we in op het voorkomen van (woning)inbraken.

  • We werken aan het vergroten van de bereidheid van inwoners om verdachte situaties te melden.

9.9 Een schone, hele en veilige openbare ruimte

9.9.1 Inleiding

Een schone, hele en veilige openbare ruimte draagt bij aan sociale veiligheid en leefbaarheid. Essentieel hierbij zijn de betrokkenheid van toezicht en handhaving en die van inwoners. Wij streven ernaar dat inwoners steeds actiever bijdragen aan hun eigen woonomgeving. Daarom stimuleren we buurtinitiatieven en leggen we verbinding met ons toezicht- en handhavingsbeleid. Zo werken we samen aan leefbare dorpen waar iedereen zich prettig en veilig voelt.

9.9.2 Wat willen we bereiken?

De openbare ruimte schoon, heel en veilig houden. Bij het beheer houden we oog voor mens en milieu. Waar mogelijk beheert de gemeente de openbare ruimte samen met inwoners en bedrijven.

10 Gebiedstypen

10.1 Inleiding

Op dit moment is het grondgebied binnen de gemeentegrenzen nog onderverdeeld in ongeveer 15 bestemmingsplannen (kleine postzegelplannen niet meegerekend). In bestemmingsplannen is voor de gehele gemeente vastgelegd wat de gebruiks- en bouwregels zijn. Die regels kunnen voor elk bestemmingsplan net iets anders zijn. Met de invoering van de ‘Omgevingswet’ komen al die losse bestemmingsplannen in één omgevingsplan en gaan we werken met een onderverdeling van de gemeente in gebiedstypen. Op dit moment is er sprake van ‘het tijdelijk deel van het omgevingsplan van rechtswege’. Dit bestaat uit de oude bestemmingsplannen en enkele gemeentelijke verordeningen (onder andere de geurverordening) en heet ook wel ‘de bruidsschat’.

Onze gemeente is grofweg op te delen in vijf verschillende soorten gebieden: het buitengebied, het water, de glastuinbouwgebieden, de bedrijventerreinen en de kernen. Binnen ieder gebiedstype spelen verschillende belangen en thema’s. Om scherp te krijgen binnen welk gebied welke van deze thema’s, belangen en dilemma’s spelen, werken we de verschillende gebiedstypen in dit hoofdstuk verder uit. Per gebiedstype geven we een beschrijving van het gebied met de doelen en de specifieke uitgangspunten voor deze doelen. Die specifieke uitgangspunten vormen een kader voor nieuwe ontwikkelingen en zijn een kapstok voor het opstellen van het omgevingsplan. In alle gebieden hebben infrastructuur en beperkingenzones (zoals milieuzones) invloed, dit beschrijven we aan het eind van dit hoofdstuk.

10.2 Kernen

10.2.1 Inleiding

De gemeente Kaag en Braassem bestaat uit 11 Kernen. Iedere kern heeft een eigen identiteit met eigen karakteristieken. Deze benoemen we per kern en werken we uit in de dorpsperspectieven. Uiteraard verschillen de kernen qua oppervlakte, inwonersaantal en bijbehorend voorzieningenniveau. Omdat de ambities in de kernen tot op zekere hoogte vergelijkbaar zijn verdelen we de dorpen niet langer in sub-gebiedstypen.

De kernen zijn de gebieden binnen de gemeente waar onder andere veel ruimte is voor wonen, winkels, horeca en sport. Wij willen bestaande bedrijfsbestemmingen op termijn verwijderen uit de woonomgeving en deze locaties omzetten naar woningbouw (bijvoorbeeld door bedrijfsbeëindiging of het verplaatsen naar een bedrijventerrein).

Als het gaat om het bouwen van woningen geven wij de voorkeur aan inbreiding, het bouwen binnen bestaand stedelijk gebied, maar dit betekent niet dat uitbreiden geen mogelijkheid is. Het buitengebied willen wij zoveel mogelijk open houden, maar aan de randen van de kernen is ruimte voor ontwikkeling in de sfeer van ‘straatje erbij’. Naast de provinciale BSD-contour (Bestaand Stads- en Dorpsgebied (donkere arcering)), hebben we zelf een tweede contour opgenomen binnen dit gebiedstype. De lichtere arcering op de kaart illustreert wat we in onze ogen aan kunnen merken als bestaand stedelijk gebied. De logische uitbreidingsruimte bij de verschillende dorpen is aangegeven door middel van pijlen bij de dorpsperspectieven. Bij een eventuele uitbreiding aan de rand van een dorp moet er sprake zijn van een geleidelijke overgang tussen de woonwijk en het open landschap. Oftewel, aandacht voor een goede landschappelijke inpassing. De gemeente heeft een ‘Visie op hoogbouw en inbreiden/uitbreiden’ vastgesteld in 2021. Daarin komen alle zaken aan bod waar een initiatief voor hoogbouw of uitbreiding aan wordt getoetst.

We zetten ons in om detailhandel zoveel mogelijk samen te brengen in bestaande winkelgebieden, zoals het Dorpshart in Leimuiden, het Batehof in Woubrugge, het Noord- en Zuidplein in Roelofarendsveen of aan de Meerkreuk in Oude Wetering. Binnen (en buiten) deze gebieden nemen we standplaatsen in, dit zijn plekken waar ondernemers met een kraam goederen mogen verkopen. We willen een wildgroei aan standplaatslocaties voorkomen en denken na of en waar er ruimte is voor eventuele nieuwe plaatsen.

Binnen de kernen is er aandacht voor het opwekken van energie op een duurzame manier. Hierbij valt te denken aan zonnepanelen op daken van gebouwen, maar er kunnen ook andere lokale initiatieven ontstaan. Bijvoorbeeld het overdekken van parkeerplaatsen door een overkapping met hierop zonnepanelen. Wij staan positief tegenover dergelijke ontwikkelingen als zij passen in de omgeving. Klimaatadaptatie is binnen dit gebiedstype ook een belangrijk thema. Door de hoge mate van verharding en bebouwing kan er in de toekomst steeds vaker overlast komen door extreem weer. Daarom moeten we nadenken over te nemen maatregelen binnen dit gebied.

Wat betreft recreatie zetten we zoveel mogelijk in op verblijfsrecreatie met daaraan ondersteunend dagrecreatieve voorzieningen, zoals horeca. Kleinschalige verblijfsrecreatie is mogelijk, bijvoorbeeld een bed and breakfast bij een vrijstaande woning. Grootschalige verblijfsrecreatie is binnen de kernen niet mogelijk.

De dorpsperspectieven die zullen volgen zijn opgesteld op basis van een rondgang langs de verschillende dorpen. Deze rondgang – de ‘Dorpentoer’ geheten – vond plaats in het voorjaar van 2025 en omvatte zeven bijeenkomsten en zeven online enquêtes. In totaal is er met circa zevenhonderd inwoners gesproken over hun dorp. Voornamelijk om erachter te komen of en zo ja hoe maatschappelijke opgaven zichtbaar en voelbaar in de dorpen zijn, waar de inwoners trots op zijn en waar men zich zorgen over maakt.

Op basis van lokale meningen, inzichten en kennis zijn de dorpsperspectieven opgesteld. Daarbij is er – in tegenstelling tot in de rest van de Omgevingsvisie – veel gebruik gemaakt van termen en bewoordingen die werden gebruikt door inwoners. Ook is het taalgebruik deels afgestemd om de zorgen en de trots die werden geuit recht aan te doen.

afbeelding binnen de regeling
Themakaart kernen in gemeente Kaag en Braasem

10.2.2 Wat willen we bereiken?

  • Het vitaal houden van de kernen door het, waar mogelijk, toevoegen van woningen om zo te zorgen voor een passende woning voor iedereen.

  • Een passend voorzieningenniveau dat aansluit bij de behoefte van de kern. Een veilige, leefbare en klimaatadaptieve woon- en werkomgeving.

10.2.3 Specifieke uitgangspunten

  • Woningbouwprojecten moeten passen bij de aard en schaal van de kern/omgeving. Deze ontwikkelingen zijn mogelijk als we voldoende maatregelen nemen die rekening houden met de infrastructuur en klimaatadaptatie.

  • Hoogbouw vanaf vijf bouwlagen of 12/13 meter is mogelijk. Met name in de grotere kernen (Roelofarendsveen, Oude Wetering, Leimuiden en Woubrugge) en als dit passend is in de omgeving.

  • Het is wenselijk om (agrarische) bedrijfsbestemmingen in en rondom de kern te wijzigen naar bijvoorbeeld woningbouw, om zo bedrijfsbestemmingen te groeperen op de bedrijventerreinen en het woon- en leefklimaat in de kernen te verbeteren.

  • Detailhandel plaatsen we zoveel mogelijk in de dorpscentra.

  • Bij de (her)ontwikkeling in de kernen staat het water- en bodemsysteem voorop. Dit betekent dat de ligging, omvang en inrichting van de (nieuwe) bebouwing moet passen bij de draagkracht van de bodem en de mogelijkheden van het watersysteem.

  • Binnen sommige kernen zijn er karakteristieke gebieden (voorheen: beschermde dorpsgezichten). Denk bijvoorbeeld aan het haventje bij de Witte Singel in Roelofarendsveen, de Julianalaan op Kaag en de Kerkstraat-Veerstraat in Oude Wetering. Deze straatbeelden moeten zoveel mogelijk blijven en daarom leggen we ontwikkelingen in deze linten voor aan de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit.

10.2.4 Dorpsperspectief Bilderdam

10.2.4.1 Aan de rand, in balans

Mensen omschrijven Bilderdam als “pittoresk” “schilderachtig” en “een taartrandje oud land”. Nou is dit dorpje aan de Drecht niet alleen “idyllisch”, maar heeft het ook een unieke ligging. Het ligt namelijk op een punt waar twee provincies en drie gemeenten elkaar ontmoeten, al denken de inwoners zelf niet snel aan dit soort officiële grenzen. Nee, zij roemen het kleine dorp – met officieel blauw plaatsnaambord ondanks de provinciale richtlijnen – vanwege het “veilige”, “vriendelijke” en “vrije” (als in: zelfstandige/onafhankelijke) karakter.

“De oprijlaan [van thuis] begint zodra je uit de drukte van Kudelstaart en Leimuiden komt.” Een uitspraak die aansluit bij de rust en ruimte van de omgeving. Er lijkt een gezonde mix te zijn van families met diepe wortels in de landbouw en nieuwe aanwas. Want de mensen zijn over het algemeen tevreden (misschien zelfs wel trots). Zij waarderen de gemoedelijke omgang en sociale controle en wonen graag in Bilderdam.

afbeelding binnen de regeling
Dorpsperspectief Bilderdam
10.2.4.2 Bebouwing

In de 15e eeuw werd nabij de brug van Bilderdam – de naam zegt het al – een dam opgeworpen. Dit gebeurde door de stad Haarlem, ‘om de vaarweg via dit water en de Aar naar de Oude Rijn onbruikbaar te maken voor Amsterdam in de concurrentiestrijd om de binnenvaart’. Later zou een schutsluis volgen, een pontje, een houten brug en een ijzeren brug voordat uiteindelijk de huidige Bilderdamse brug in dienst werd genomen.

De bebouwing heeft zich van oudsher geconcentreerd om wat dus ooit begon als een dam. Zo was er altijd al een nadrukkelijke binding met het water. In de loop van de tijd zijn er meer woningen gekomen in het woonlint, maar is het dorp niet wezenlijk uitgebreid.

De huidige inwoners vinden dat we deze trend van meer woningen binnen bestaand stedelijk gebied kunnen voortzetten. Daarbij lijkt sanering van de laatste (agrarische) bedrijfspercelen in de toekomst wenselijk. De inwoners vinden een verlenging van het lint en hoogbouw onwenselijk, al hopen zij wel dat lokale jongeren in de toekomst een betaalbare woning kunnen vinden. Op dit moment kunnen die jongeren onmogelijk concurreren met ‘expats’ en andere mensen ‘van buiten’.

10.2.4.3 Ruimtelijke uitdagingen

De ruimtelijke uitdagingen in de landelijke dorpen van de gemeente zijn ook van toepassing op Bilderdam. Buiten de stagnerende, scheve woningmarkt merkt Bilderdam de invloed van de landbouwtransitie, het verdwijnen van de (schaarse) lokale economie en de achteruitgang van de biodiversiteit.

De volgende vier zaken springen er tot op zekere hoogte uit voor Bilderdam:

  • inwoners maken zich zorgen over de grootschalige aanpak van het opwekken van duurzame energie (horizonvervuiling);

  • het verkeer houdt hen bezig, met name hoge snelheden en ‘aso-gedrag’ op de weg en op het water, zwaar verkeer, Schiphol en de drukte rondom de brug;

  • er zijn verschillende geluiden te horen over recreatie (mensen ervaren het als thema dat het dorp iets oplevert, maar ook iets kost);

  • soms missen mensen een aantal voorzieningen (geen openbaar vervoer bijvoorbeeld), maar de vitaliteit van het dorp heeft er niet ernstig onder te lijden.

10.2.4.4 Karakter

Inwoners “lopen niet de deur bij elkaar plat” maar “kijken wel naar elkaar om”. In Bilderdam komt het in essentie daarop neer. Het sociale karakter van het dorp – voor zover dit tijdens de dorpentoer was te belichten3 – toont weinig verrassingen, al wijzen cijfers op een bovengemiddeld hoge veerkracht (mensen kunnen onder andere goed omgaan met tegenslag en zijn in staat om oplossingen te vinden in moeilijke situaties). Waardoor dit precies komt, is niet direct duidelijk.

Mensen die in Bilderdam wonen kiezen ‘vrijwillig’ voor de rust, niet voor de continue drukte en bedrijvigheid van de bebouwde omgeving. Toch is er zeker ook bedrijvigheid en daar is de ijsclub vaak verantwoordelijk voor. Zo’n beetje iedereen in oud- en nieuw-Bilderdam is lid en hoewel er de laatste jaren weinig viel te schaatsen, blijven de jaarlijkse vergadering, het schaatsuitje en de dorpsbarbecue bruisende sociale aangelegenheden.

 

3  28 mensen waren aanwezig op de avond van de dorpentoer. Daarmee had Bilderdam het hoogste opkompercentage, namelijk: 28 procent.

10.2.4.5 Sociaal-maatschappelijke uitdagingen

Duidelijk is wel dat het dorp vergrijst en aan levendigheid verliest. Dit komt deels doordat jongeren noodgedwongen vertrekken en degenen die wél een huis in Bilderdam kunnen veroorloven, vaak ouder zijn. Volgens sommigen is dat een bedreiging, voor weer anderen lost zo’n probleem zich uiteindelijk vanzelf op.

Minder positieve ontwikkelingen vinden inwoners het vertrek van de vaste brugwachter en het niet weten wat de hulpvraag is onder buren (ondanks de “sociale controle” en “oplettendheid”). Buiten dat lijkt het erop dat de mensen in Bilderdam vooral tevreden zijn. De inwoners willen vooral behouden wat ze nu hebben, net als in de andere dorpen is aangegeven.

10.2.5 Dorpsperspectief Hoogmade

10.2.5.1 Inleiding

Dit perspectief is hoofdzakelijk opgesteld op basis van ‘Dorpsperspectief Hoogmade 2040 - eindrapportage participatie’

10.2.5.2 In het hart van het groen, met een hart voor elkaar

Hoogmade ligt aan de (Kromme) Does en is omgeven door monumentale molens. Na de herbouw van de Onze-Lieve-Vrouw-Geboortekerk regeert de groene torenspits als vanouds over het traditionele polderlandschap. De over het algemeen tevreden inwoners van Hoogmade koesteren “de dorpse rust”, “de centrale ligging” en “het saamhorigheidsgevoel” van hun dorp.

Het zijn vooral deze kenmerken van de voormalige heerlijkheid – én het huidige voorzieningenniveau – die een groot deel van de inwoners wil behouden voor de toekomst.

afbeelding binnen de regeling
Dorpsperspectief Hoogmade
10.2.5.3  Bebouwing

Hoogmade kenmerkt zich door weidsheid van het landschap in combinatie met beeldbepalende waterwegen – naast de eerdergenoemde (Kromme) Does – ook de Wijde Aa. Hoogmade ligt in een recreatielint, een ecologische verbindingszone en wordt geflankeerd door weidevogelgebied.

De inwoners zien het gebrek aan woonruimte als dé bedreiging voor de leefbaarheid en toekomst van Hoogmade. Mede vanwege die zorgen pakt de gemeente de regie en kijkt in de komende periode naar twee mogelijkheden voor nieuwbouw. Deze projecten staan lokaal bekend als ‘straatje erbij’ aan de westkant van het dorp en ‘de Dierenweide’ bij de Doesbrug in het zuidelijke deel.

Beide projecten passen binnen de algemene gemeentelijke beleidslijn voor nieuwbouw: inbreiding, bouwen binnen bestaand stedelijk gebied, of aan de dorpsrand.

De verder gewenste en zelf opgestelde uitgangspunten van de woningopgave in Hoogmade zijn: “een dorpse, groene inpassing, een gezonde mix van woningtypen en betaalbaarheid”. Aanvullend wensen velen een “transformatie” van “bestaande erven” (ruimte voor ruimte, meer maatwerk), ook bij bepaalde wijken met veel corporatiebezit die in aanmerking komen voor herstructurering. De logische toekomstige uitbereidingsrichting in Hoogmade is in westelijke richting. Op deze manier zou het dorp graag willen groeien naar zeker tweeduizend inwoners wat volgens Hoogmade zou moeten resulteren in “duurzame vitaliteit”.

10.2.5.4 Ruimtelijke uitdagingen

Met alleen extra woningen erbij zijn de ruimtelijke uitdagingen niet verdwenen. De druk op de leefomgeving in Hoogmade – net als in heel Kaag en Braassem – blijft bestaan. Daarbij staan thema’s als recreatie, mobiliteit, bodemdaling, economie, wonen, veiligheid, natuur en duurzaamheid op gespannen voet met elkaar. In de toekomst moeten we daarom keuzes maken. Daar is het dorp zich van bewust.

Uit gesprekken blijkt dat een aanzienlijk deel van de gemeenschap graag extra aandacht wil voor vier ambities:

 

  • a.

    Versterking van het landschap.

  • b.

    Bevordering van recreatie.

  • c.

    Het verbeteren van de verkeerssituatie (onder meer middels een tweede ontsluitingsweg).

  • d.

    Het aantrekkelijker maken van het dorpshart.

Uit deze zogenaamde “werkpakketten” (waar het dorp Hoogmade zelf het initiatief in wil nemen) volgden al een aantal concrete ideeën van het dorp, onder andere:

  • Een boszone grenzend aan de HSL/A4 (in het kader van “afscherming, geluidsreductie, recreatie en biodiversiteit”) en wandelpaden “met molens als ijkpunten” om zo “de dorpse identiteit en landschappelijke kwaliteiten” te versterken.

  • Het realiseren van een “nieuw en openbaar recreatiekavel aan de Does” met “onder andere een aanlegsteiger, picknickplaats en speelvoorziening”.

  • Het “optimaliseren van parkeergelegenheden,” “een verkeerskundig onderzoek” en een “betere verbinding [van het dorpshart] met de bestaande haven.”

 

Hoewel het dorp in haar eigen tempo zelf aan de slag kan met de doelstellingen en uitwerking van deze werkpakketten, heeft de gemeente (of een andere overheidsinstantie) op sommige thema’s een wettelijke rol. En soms – indien wenselijk of noodzakelijk – kan de gemeente ondersteunend zijn.

Bij deze werkpakketten ziet de gemeente de volgende rol voor zichzelf weggelegd:

  • Het optimaliseren van de parkeergelegenheden bij het Noordeinde (een taak van de gemeente) wordt opgenomen als project.

  • De versterking van het landschap met een boszone nabij de HSL/A4 is een doel van het dorp Hoogmade. Verder onderzoek waar de kansen en mogelijkheden liggen om dit doel te bereiken is nodig.

  • Voor het versterken van de lokale recreatie zijn er gesprekken gevoerd over het inpassen van nieuwe wandelpaden door de polder.

  • Grote aanpassingen van de verkeerssituatie in het dorpshart of een verkeerskundig onderzoek staan in de komende jaren niet op de planning bij de gemeente. Kansen en mogelijkheden zullen worden gemonitord en waar mogelijk opgepakt.

  • De gemeente denkt na over het idee van een “nieuw openbaar recreatiekavel aan de Does” en over welke rol zij hierin heeft.

  • Voor de ontsluiting van de gewenste westelijke nieuwbouw is het uitgangspunt een directe en volwaardige extra ontsluiting.

10.2.5.5 Karakter

Hoogmade bruist van het vrijwilligers- en verenigingsleven. Veel inwoners zijn betrokken of nemen zelf het initiatief om hun dorp vitaal te houden. Er is sociale samenhang, weinig eenzaamheid en veel naastenliefde doordat er een aanzienlijke groep inwoners is die voor elkaar zorgt. Verder doen mensen relatief veel aan beweging en drinken ze weinig alcohol. Hoogmade is mede daardoor veerkrachtig. Wat verder in de cijfers naar voren komt is de dubbele vergrijzing: het aandeel ouderen neemt bovengemiddeld snel toe en de verwachting is dat deze ouderen ook ouder worden dan voorheen.

10.2.5.6 Sociaal-maatschappelijke uitdagingen

De vitaliteit van Hoogmade is een kracht, maar kan – in de toekomst – ook onder druk komen te staan. Voornamelijk vanwege de snel groeiende groep ouderen. Deze ontwikkeling – die het dorp grote zorgen baart – betekent iets voor met name de ouderenzorg en de (sociaal-culturele) voorzieningen in de nabije toekomst..

10.2.5.7 Hoogmadese voorzieningen, zelfstandig gedragen

Dat mensen het dorp maken, illustreren de Hoogmadenaren. Soms gebeurt dat in overleg met de instanties, soms doen ze dat buiten de overheid om, onafhankelijk en doeltreffend. Mooie voorbeelden hiervan zijn de organisatie van de Koningsdagweek en het Flippo-feest.

Maar ook het in stand houden van “sociaal-culturele voorzieningen” is een getuige van de veerkracht en het saamhorigheidsgevoel. Zo wisten de inwoners de verwoeste OLV-Geboortekerk in ere te herstellen. Daarbij keek men vooruit: wonen en het verlenen van zorg kan in de toekomst wellicht gecombineerd worden door de woningen die in de pastorie werden gerealiseerd. Verder bleef de supermarkt met een slimme actie in bedrijf en verbouwde de voetbalvereniging MMO – een vereniging die als bindmiddel dient binnen de gemeenschap – de kantine en kleedlokalen geheel zelfstandig.

De gemeente heeft – in dat laatste voorbeeld – een combinatie gepakt van de presterende rol (juridisch draagt de gemeente vaak nog eindverantwoordelijkheid voor bijvoorbeeld het gebruik van de sportvelden) en een samenwerkende rol (al het overige eigenaarschap is overgedragen aan in dit geval MMO). De sportclubs weten namelijk beter wat er op het sportpark nodig is en hoe zij het onderhoud efficiënt en effectief kunnen invullen.

10.2.6 Dorpsperspectief Kaag

10.2.6.1 Inleiding

Dit perspectief is met name opgesteld op basis van ‘Conceptvisie Kaag(eiland) 2040’

10.2.6.2 Aan het water, vrij en verbonden

Tegen de provinciegrens aan ligt in de linker winkelhaak van de gemeente Kaag en Braassem het bruisende dorp Kaag(eiland). Haar wortels eindigen in het open water en gaan terug tot zeker het begin van de 14e eeuw.

Weinig mensen weten of het huidige Zuid-Hollandse kroonjuweel destijds bekend stond als Kaag, of als Caeghe, Caage, Caghe, Cage, Kaage, Kaghe, Caegh, De Kage of De Kaag. Wat wel breed bekend is: het eiland lag op een waterkruispunt, vormde als zodanig een “belangrijke schakel” voor de scheepvaart en was het domein van de “boeren, beroepsvissers en beurtschippers.”

De gemeenschap kende perioden van voorspoed en “schrijnende armoede.” En de waterrijke historie van het dorp is nog altijd belangrijk: de Kaagse gemeenschap koestert een diepgevoelde liefde voor “vissen, varen, zeilen” en het goede leven aan het water in zijn algemeenheid. Ook de wereldbekende jachtbouwer Royal Van Lent Shipyard is Kaageiland trouw gebleven.

afbeelding binnen de regeling
Dorpsperspectief Kaag
10.2.6.3 Bebouwing

De inwoners ervaren Kaageiland als een centraal gelegen plek van “rust, met ruimte en natuur.” Als mensen de pont naderen, laten ze hun beslommeringen achter op de kade van de ringvaart. En zodra mensen de pont af rijden, is het thuiskomen.

Het belangrijkste uitgangspunt van het authentieke lintdorp langs de westelijke oever van het eiland is het behoud van het bestaande karakter. Haar intieme, maritieme aard (met de status van beschermd dorpsgezicht) komt voort uit “het eenvoudige, smalle, bochtige profiel, de ongedwongen ligging van de bebouwing, de kleinschaligheid en de sfeervolle doorkijkjes.” Verder verdienen de veerpont, de scheepswerf van Van Lent en het open polderlandschap met haar middeleeuwse evenwijdige slotenpatroon het predicaat ‘kenmerkend Kaag.’

In de toekomst is er met het oog op doorstroom mogelijk een wens voor nieuwe woningbouwinitiatieven. Inwoners vinden dat het “behoud van het bestaande karakter” daarbij voorop moet staan en vinden het een belangrijke voorwaarde dat de veerpont extra verkeersbewegingen aan kan. Dit zijn richtlijnen vanuit de inwoners:

  • zoveel mogelijk inbreiding, bouwen binnen bestaand stedelijk gebied;

  • nieuwe woningen zijn niet hoger dan 7,5 meter en zijn beperkt tot en met twee verdiepingen;

  • eventuele appartementencomplexen kunnen er komen, maar moeten divers zijn en ook beperkt zijn tot en met twee verdiepingen;

  • de diversiteit aan woningen en extra ruimte voor (jonge) gezinnen willen we behouden;

  • er is behoefte aan woonruimte voor kleinere huishoudens en een hofje voor senioren;

  • een weloverwogen, gezonde balans tussen recreatie en permanente bewoning – zodat Kaag niet alleen in het hoogseizoen bewoond is.

10.2.6.4 Ruimtelijke uitdagingen

Wat voor de gehele gemeente Kaag en Braassem geldt, geldt ook op de Kaag: er is niet genoeg fysieke ruimte voor alle uitdagingen van de toekomst. Inwoners vinden het belangrijk om het veenweidelandschap open te houden en te letten op de toenemende druk op de veerpont. De inwoners van Kaag brengen verder de volgende vertrekpunten voor de toekomst naar voren:

  • de veenpolders en het enige overgebleven agrarische, biologische bedrijf op de Kaag zijn belangrijk voor de identiteit, landschappelijke waarde en biodiversiteit (in het specifiek de weidevogels) – deze combinatie moet “bewaard en beschermd” blijven;

  • er is bovengemiddelde interesse en draagvlak om concreet en op korte termijn aan de slag te gaan met het verduurzamen en verzelfstandigen van de energievoorziening;

  • toerisme en recreatie zijn onlosmakelijk verbonden met het eiland en het omliggende plassengebied, beiden zouden een impuls kunnen en mogen krijgen;

  • meer openbare aanlegplaatsen zijn wenselijk en meer ruimte voor horeca en wandel- en laarzenpaden zodat mensen rondom het gehele eiland kunnen wandelen;

  • logistiek, bereikbaarheid en mobiliteit (op weg en water) moeten zoveel mogelijk worden onderbouwd met “deugdelijke haalbaarheidsstudies” omdat gevoelens en cijfers niet altijd in lijn zijn;

  • de inwoners willen duidelijkheid over de beschikbare capaciteit (onder andere van de pont en de Julianalaan). Het draagvlak voor een rondweg en vaste oeververbinding is laag en het tastbaar maken wat de balans tussen rust en bereikbaarheid precies inhoudt is gewenst.

10.2.6.5 Karakter

De inwoners van de Kaag leiden al eeuwenlang een “vrij rustig bestaan, meedeinend op de golven van de tijd.” Het kerkdorp is van oudsher geïsoleerd, maar afhankelijk van buiten. Dit verklaart mogelijk dat het taaie, standvastige gevoel van zelfstandigheid – zo eigen bij eilanders – iets minder sterk aanwezig lijkt op de Kaag.

Mogelijk is dit gevoel veroorzaakt door de drooglegging van de Groote Haarlemmer. Toen ontstond aan de andere kant van de ringvaart in de vorige eeuw bij het stoomgemaal De Leeghwater namelijk een nieuw dorp: Buitenkaag. Een broederschapsband ontwikkelde zich tussen de jonge en oude gemeenschap die elkaar aanvullen, versterken en zich weinig aantrekken van gemeente- of provinciegrenzen.

Ondanks het minder sterke eilandgevoel ervaren de inwoners van Kaag dat ze – meer dan de meeste andere dorpen – verbonden zijn met elkaar, en niet alleen door water. De inwoners voelen ook verantwoordelijkheid om bepaalde knelpunten – geregeld met een zekere ‘zakelijke lenigheid’ – zelf op te pakken en na te denken over dilemma’s die op het eiland spelen.

Het valt op dat er in de Conceptvisie Kaag(eiland) 2040 op dit moment vooral fysieke thema’s spelen op het eiland. Sociaal-maatschappelijke thema’s – zoals veiligheid, zorg, vereenzaming en vergrijzing – of een thema als identiteit (wie zijn wij nu precies, wie of wat willen we in de toekomst zijn) komen vooralsnog in mindere mate terug. De verwachting is echter dat er meer aandacht komt voor deze ‘zachte’ kwesties als in de toekomst een deel van de ruimtelijke thema’s is opgelost.

10.2.6.6 Sociaal-maatschappelijke uitdagingen

Enkele sociaal-maatschappelijke bevindingen die van toepassing zijn op de Kaag (vergeleken met het gemeentelijk gemiddelde):

  • inwoners bestempelen de eigen gezondheid iets vaker als goed;

  • mensen bewegen iets meer en nemen graag een drankje;

  • de inwoners hebben een opvallend hoge veerkracht (onder andere het kunnen omgaan met tegenslagen en moeilijke tijden);

  • hoe mensen eenzaamheid ervaren is vergelijkbaar met het gemeentelijk gemiddelde (licht stijgende trend sinds corona);

  • het gemis van sociale steun ligt iets lager op de Kaag, mensen doen relatief veel vrijwilligerswerk en het aantal mensen dat mantelzorg doet ligt op het gemeentelijk gemiddelde.

10.2.7 Dorpsperspectief Leimuiden

10.2.7.1 Tussen dijk en Drecht, tussen vroeger en verder

Leimuiden is wat inwonersaantal betreft het op één na grootste dorp van de gemeente Kaag en Braassem en ligt op een kruispunt van wegen en water.

Belangrijke punten uit de vroege ontstaansgeschiedenis zijn onder meer de Drecht, de Herenweg, een houten kapel en de officiële oorkonde omstreeks 1040/1063 (!) waarin ‘Liethemuthon’ voor het eerst is genoemd.

De term die tijdens de Dorpentoer het vaakst voorbijkwam is “ons kent ons.” Samen met “het sociale, het centrale en de verbinding” maakt dat het volgens velen “prettig wonen” is in het groenblauw.

afbeelding binnen de regeling
Dorpsperspectief Leimuiden
10.2.7.2 Bebouwing

De uiterste noordoostelijke hoek van de gemeente Kaag en Braassem kent een geschiedenis van beweging en verandering die – net als de nabijgelegen dorpen Woubrugge en Rijnsaterwoude – teruggaat tot de ontginning van ruig veenmoeras.

In vrijwel alle polders begon het aanbrengen van cultuur met akkerbouw, daarna volgde weidebouw, uitvening en uiteindelijk de droogmakerijen zoals die het oostelijk deel van Kaag en Braassem kenmerkt. Het zijn deze diepe, grotendeels noord-zuidgerichte polders en hoge dijken die het open karakter van de omgeving bepalen — een karakter dat veel inwoners koesteren.

Wat Leimuiden – dat ooit kortstondig bij de provincie Noord-Holland hoorde – enigszins uniek maakt, is haar strategische, “centrale” ligging: het ‘langgerekte streekdorp’ was een voorname stop op de binnenlandse (vaar)routes tussen Amsterdam en Rotterdam. Het is dus niet geheel toevallig dat een Tolbrug, de Ringvaart, de N207, de A4 en de A44 in (of in de buurt van) Leimuiden verschenen.

De bebouwde omgeving is de afgelopen jaren flink veranderd. Zo kwamen er een dorpshaven, nieuwe appartementen in het dorpshart, een Integraal Kindcentrum (IKC), de nieuwe woonwijk Leimuiden-West en zijn er ontwikkelingen in de Grietpolder. Mocht er nieuwe woningbouw komen dan zou dat verder westwaarts kunnen, tussen de Drecht en Ringvaart. En anders is het mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied (verdichting) of door middel van herontwikkelingen op bijvoorbeeld het terrein van Connexxion- of Boot Beton. In oostelijke richting is al een aantal jaar sprake van uitbereiding van het bedrijventerrein Drechthoek.

10.2.7.3 Ruimtelijke uitdagingen

Of bovenstaande ontwikkelingen kunnen plaatsvinden, is deels afhankelijk van de N207. Een verbeterde ontsluiting en aansluiting op de provinciale weg, een terugkerend aandachtspunt vanwege sluipverkeer en landbouwverkeer in Leimuiden, is volgens velen wenselijk, volgens sommigen cruciaal. Net als de overlast die Schiphol veroorzaakt. Hiermee raken we aan een terugkerend thema, namelijk ruimtegebrek. Ook in Leimuiden moeten er eerst keuzes worden gemaakt.

Het volgende valt op in Leimuiden:

  • Het dorp heeft naar verhouding veel ‘bovendorpse voorzieningen’, maar mensen uit het dorp maken zich zorgen over de instandhouding van deze “basisvoorzieningen” en de “middenstand”. Het verder verbeteren van het dorpshart pakken we samen met de winkeliers zo spoedig mogelijk op om gezamenlijk tot een aantrekkelijk groen en veilig kindvriendelijk dorpscentrum te komen.

  • De inwoners willen dat er meer ruimte komt voor de auto (zie hierboven + parkeerplaatsen), maar tegelijkertijd ook dat veilig fietsen en wandelen een hogere prioriteit (en dus meer ruimte) krijgt.

  • Binnen het dorp is er relatief veel aandacht voor het omgaan met klimaatverandering (zoals een gescheiden stelsel in de riolering, afwatering op en langs de wegen) – wat een terechte zorg is vanwege de bovengemiddelde mate van verstening.

  • Voor wat betreft het landschap: veel inwoners willen dat het landschap rondom Leimuiden zoveel mogelijk open en “rustig” blijft, veel inwoners willen dat er een betere verbinding komt met groen (de polders) en blauw (het water) en veel inwoners maken zich zorgen over de mogelijke komst van windturbines. Wat woningen betreft zien we dezelfde wensen als in vrijwel alle andere dorpen (minder grote koopwoningen, meer woningen voor lokale starters en senioren, hoogbouw tot maximaal drie lagen) en de eerste signalen dat mensen bereid zijn om bepaalde woonruimte/voorzieningen te delen.

  • We gaan samen met de provincie en met alle belanghebbenden de komende tijd alternatieve opties bespreken en bestuderen om ervoor te zorgen dat het landbouwverkeer niet meer door de kern Leimuiden hoeft te rijden.

10.2.7.4 Karakter

Op veel sociale thema’s, zoals bewegen, overgewicht, gezondheid, veerkracht en eenzaamheid, zijn de cijfers van Leimuiden vergelijkbaar met het gemeentelijk gemiddelde. Verder toont het maatschappelijk gezicht van Leimuiden – het mag geen verrassing heten – veel gelijkenissen met Jacobswoude-broeders Woubrugge en Rijnsaterwoude: daar kijken mensen naar elkaar om. (Hoogmade heeft een ander soort sociaal karakter, collectiever van aard.)

Het sociaal-maatschappelijke karakter is “levendig” te noemen. Daar hebben de ruimtelijke veranderingen van de laatste jaren weinig tot geen invloed op gehad. Zo heeft het Oranje-comité de toch al drukke evenementenagenda aangevuld met het Havenfeest. De Kleine Oase is al tientallen jaren een begrip in het kader van zelforganisatie. De vestiging van de Herenboeren aan de Drecht is een succes, wordt er door de inwoners zelf aan de duurzame, energieneutrale weg getimmerd en de verschillende sportverenigingen kijken met een brede blik (meer dan alleen sport) naar de omgeving waar ze ontstonden.

10.2.7.5 Sociaal-maatschappelijke uitdagingen

Leimuiden heeft te maken met algemene uitdagingen als vergrijzing en de toename van eenzaamheid. Daarnaast horen we de volgende geluiden:

  • Het gevoel dat “alles gebeurt in de Veen” en “Leimuiden ondergeschikt is aan Roelofarendsveen” kwam tijdens de dorpentoeravond een aantal keren naar voren.

  • Na het project de Gezonde Buurt in Leimuiden (zie kader) zijn inwoners nog altijd op zoek naar meer groen en ontmoetingen (inclusief elkaar begroeten en aanspreken op minder gewenst gedrag).

  • Het samenvoegen van de scholen leidt over het algemeen tot positieve reacties, want er is meer verbinding tussen de kinderen onderling.

  • Er is “meer afstand onderling” en de “historische kern” en Leimuidense identiteit staan onder druk. Kan Leimuiden “een blijvende parel” zijn?

10.2.7.6 Gezonde buurt

Begin 2024 was er het project Gezonde Buurt Leimuiden. Dit was bedoeld voor het bevorderen van een sociale, inclusieve, gezonde gemeenschap en de biodiversiteit. Een van de maatregelen was dat de hekken van het sportpark open gingen voor iedereen, de hele week door. Daarnaast was er aandacht voor een mooie, groene verbinding met de omgeving.

Nu – medio 2025 – zijn de grenzen van het sportpark van S.V. Kickers ’69 opgesierd met onder meer “een avontuurlijke boszone”, een sporttoestel en is er een hondenlosloopzone gekomen. Verder is een verbinding gemaakt met een nieuwe speelplek bij de tennisvereniging Leimuiden en de speel- en sportlocaties bij IKC De Lei, waaronder het Tiny Forest.

Gezonde Buurt is een voorbeeld waarbij de gemeente een samenwerkende rol (blauw) kiest en zichzelf – voor zover dat kan – als gelijkwaardige partner opstelt, zonder daarbij bepaalde (wettelijke) verantwoordelijkheden/eigenaarschap uit de weg te gaan. Het succes van dit project is mede te danken aan het samenbrengen van de lokale ervaring en de koppeling tussen het ruimtelijke en sociale domein.

Buiten het gemeentehuis wordt deze koppeling vaak als een volstrekt normale gang van zaken gezien. Op het Westeinde wordt er ook steeds vaker op die manier gedacht en gewerkt. De volgende logische stap in Leimuiden lijkt: wat wil de gemeenschap zelf doen, los en onafhankelijk van de gemeente?

10.2.8 Dorpsperspectief Nieuwe Wetering

10.2.8.1 Sterk in verandering

Ingeklemd tussen tuinbouwkassen, de ringvaart en de HSL en A4 ligt Nieuwe Wetering. Ondanks deze harde begrenzingen doet het lintdorp ruimtelijk aan. Daar dragen het laarzenpad, het Eerste Stuk en de Bult bij aan de landelijke sfeer en de gemoedelijkheid en vriendelijkheid die daar heersen.

Maar wat het meeste doet voor Nieuwe Wetering: de Voorweg en de parallel gelegen Wetering. “Vooral dat maakt Nieuwe Wetering ons dorp.”

Samen met het dorp werd er in 2015 een kernplan opgesteld. De punten uit dat kernplan en de opbrengst van de dorpentoer dienen als input voor dit dorpsperspectief.

afbeelding binnen de regeling
Dorpsperspectief Nieuwe Wetering
10.2.8.2 Bebouwing

Waar er vroeger nog een directe vaarverbinding was tussen Nieuwe Wetering en grote broers Oude Wetering en Roelofarendsveen, hebben ingrijpende veranderingen zoals de aanleg van het hoogspanningsnet en de HSL en A4, Nieuwe Wetering in zekere zin geïsoleerd. “Ondanks dit soort ontwikkelingen,” zegt een inwoner, “heeft het dorp zich weten aan te passen zonder al te veel van haar historische karakter te verliezen.”

Het vrije uitzicht op de polders en weilanden ten westen, de Voor- en Achterweg en de weelderig groene loper evenwijdig aan de verkeersinfrastructuur maken Nieuwe Wetering uniek. Hoewel het dorp beperkte voorzieningen heeft (geen openbaar vervoer, geen winkels, geen school) “zijn alle faciliteiten prima bereikbaar, woon je centraal, maar toch ook rustig en middenin de natuur.”

Het openbaar groen blijkt van grote betekenis voor Nieuwe Wetering. De inwoners zijn daarnaast eensgezind over meer woningbouw. “Er moeten huizen bij. Betaalbaar en saai (geen villa’s). Voor starters en senioren.”

In de toekomst lijkt het daarom logisch om de lintstructuur van Nieuwe Wetering te versterken op basis van deze twee bevindingen die ook al in het kernplan (2015) naar voren kwamen. Concreet betekent dit: een aantal woningen tussen de bestaande lintbebouwing en één slingerende, aaneengesloten route door “karakteristiek groen” – vanaf de entree van het dorp bij de bottonde (de dubbele rotonde) tot aan de Bult en ringvaart.

10.2.8.3 Ruimtelijke uitdagingen

Vanwege alle begrenzingen rondom Nieuwe Wetering is ruimte er schaarser dan elders. Op basis van gesprekken met inwoners kwamen de volgende ruimtelijke uitgangspunten naar voren:

  • Naast groen en woningbouw is mobiliteit het derde belangrijke ruimtelijke thema in Nieuwe Wetering – het komt op diverse manieren terug: gebrek aan parkeerplaatsen is een veelgehoorde kwestie, gevaarlijk rijgedrag, toename van landbouwverkeer en grote vrachtwagens, onoverzichtelijke verkeerspunten en sluipverkeer.

  • Inwoners zijn trots op het aangezicht van het dorp (“in stand houden, dus liever geen hoogbouw”) en dit geldt specifiek voor de Bult – sommigen vinden de geplande woningbouw (kavel 5) daar onwenselijk.

  • Extra ruimte voor tuinbouw of bouwen in bestaand stedelijk gebied (verdichting) binnen het huidige tuinbouwgebied (= intensivering) vinden velen niet raadzaam.

  • Over het groen denken mensen in twee richtingen: er is voldoende op dit moment, maar het is te verbeteren (versterking), of het groen verbeteren én meer groen plaatsen (versterking én vergroting dus).

  • Er heerst een beeld dat de gemeente Nieuwe Wetering ziet als “een afvoerputje,” vanwege het verleden en op dit moment vanwege het project rondom de scheve huisjes.

10.2.8.4 Karakter

Nieuwe Wetering kenmerkt zich onder andere door een goed aanpassingsvermogen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het verdwijnen van de basisschool en het vervolgens verschijnen van hospice Amandi. In het begin deed het verlies van de belangrijke plek van samenkomst pijn, nu zijn inwoners trots op de betekenisvolle zorg die het hospice verleent.

Op sociaal-maatschappelijke vlak blijkt uit de cijfers dat in Nieuwe Wetering sprake is van extremen. Binnen de gemeente Kaag en Braassem is de mate van eenzaamheid in Nieuwe Wetering het laagst, maar de inwoners nuttigen er gemiddeld gezien de grootste hoeveelheid alcohol. Het kan daardoor zomaar zijn dat een drankje op zijn tijd een belangrijk sociaal bindmiddel is. In die zin lijkt Nieuwe Wetering sterk op Rijpwetering en Oud Ade, of de Rip en Oud Ade lijken op Nieuwe Wetering.

Want ook het “saamhorigheidsgevoel” is groot binnen Nieuwe Wetering. Al zijn er wel geluiden dat het achteruit gaat met de betrokkenheid tussen de buren onderling, “vooral met de huurders.” “Nadat de school verdween, zijn er gewoon minder ontmoetingen.”

10.2.8.5 Sociaal-maatschappelijke uitdagingen

De onderlinge betrokkenheid is de grootste sociaal-maatschappelijk uitdaging, aldus de inwoners. “De verbinding met elkaar gaat achteruit, net als het verenigingsleven. Er komen veel mensen van buiten.” De verbindende factor tussen jong en oud ontbreekt en daarbij kijkt het dorp ook naar zichzelf.

Volgens sommigen kan een “laagdrempelige ontmoetingsplek” zoals een dorpshuis uitkomst bieden. Daarmee is een deel van het eenzaamheidsprobleem en de zorgvraag te ondervangen. Deze wens was er ook in 2015, waarbij er toen is opgeschreven: “als de behoefte is aangetoond, dan wordt er gekeken of er een verbinding gemaakt kan worden met de realisatie van het hospice. Mocht dat niet kunnen, dan gaan we onderzoeken of een verbinding ergens anders in het dorp gevonden kan worden. Bijvoorbeeld op de begane grond van het nieuwe Cultureel Centrum.”

Na 2015 is er weinig veranderd. Dat kan te maken hebben met het feit dat inwoners vinden dat zo’n plek al bestaat. Zij noemen het nieuwe Cultureel Centrum en de Bult in de buitenlucht, met uiteenlopende sociale activiteiten (zoals kaartmiddagen, bejaardengym, de muziek- en schietvereniging).

Maar het blijft een punt van discussie binnen de gemeenschap, een punt overigens waar het dorp uitstekend zelf mee aan de slag zou kunnen. Een beetje vergeleken met de komst van het Amandi-huis.

10.2.8.6 Concentratie van kracht en zorg in het nieuwe Kaag en Braassem

Al tijdens de fusie tussen de gemeenten Alkemade en Jacobswoude bleek er behoefte te zijn aan een hospice in de gemeente Kaag en Braassem. Basisschool de Meerpaal in Nieuwe Wetering sloot in diezelfde periode. Omdat velen denken dat een gemeenschap zonder school ten dode is opgeschreven, was het een gevoelig verlies voor het dorp.

Maar Nieuwe Wetering bleek oplossingsgericht en veerkrachtig, want het hospice-initiatief – ontstaan buiten het dorp – kwam er. De gemeente pakte haar samenwerkende rol (blauw), de draagconstructie van de school bleef overeind, er werden inzamelingsacties gestart en langzaam maar zeker verscheen het Amandi-huis.

Het Amandi-huis is nu een plek waar mensen uit geheel Kaag en Braassem gezamenlijk betekenisvolle zorg verlenen, mede dankzij de inzet van de oude school, vrijwilligers uit Nieuwe Wetering en vrijwilligers uit andere kernen.

10.2.9 Dorpsperspectief Oud Ade - Rijpwetering 

10.2.9.1 Twee dorpen – één gemeenschap 

Rivaliteit tussen ‘Oudaaiers’ en ‘Rippers’, bij sommigen ligt het nog vers in het geheugen. Maar anno 2025 is de sfeer anders: onder meer door de samenvoeging van de basisscholen en diverse verenigingen is de band tussen Oud Ade en Rijpwetering hecht geworden. Vandaar dat er één dorpsperspectief is geschreven, voor beide dorpen.

“Saamhorigheid” en “het ons-kent-onsgevoel” voert de boventoon in Oud Ade en Rijpwetering. De inwoners zeggen: “Wij zijn trots op onze dorpen. Wij wonen hier met veel plezier.”

afbeelding binnen de regeling
Dorpsperspectief Oud Ade - Rijpwetering
10.2.9.2 Bebouwing

Oud Ade en Rijpwetering zijn het Groene Hart zoals veel mensen dat zich voorstellen. Ten westen en zuiden: slingerende veenpolders. Ten oosten en noorden: langgerekte, rechte veendroogmakerijen. Tien molens en twee ranke kerktorens die de horizon sieren. Karakteristieke bruggen, sloten, poelen en diepe polders. Het boerenlandschap in bedrijf en lintbebouwing met hier en daar een woonwijk.

Mensen koesteren deze groenblauwe, dorpse leefomgeving, maar wonen in de dorpen staat onder druk. Zo zijn meer betaalbare woningen van harte welkom, met name voor lokale starters en ouderen, aldus de inwoners. Bij de herinrichting van het parkachtige Hertogspark – voor velen het kloppend hart van de gemeenschap – en het plan Straathof moet er voor deze doelgroepen specifiek aandacht zijn. Vooralsnog passen beide projecten binnen de gemeentelijke beleidslijn voor nieuwbouw: inbreiding (bouw in bestaand stedelijk gebied) en aan de dorpsrand.

Hoewel er veel eensgezindheid is onder de inwoners (hoogbouw tot maximaal drie lagen en “Oud Ade is het leukste dorp,” zeiden drie Rippers), lopen de meningen uiteen over het aan elkaar groeien van de dorpen parallel aan de Oud Adeselaan.

10.2.9.3 Ruimtelijke uitdagingen

In en rondom Oud Ade en Rijpwetering geldt dat er niet genoeg ruimte is voor alle opgaven. Of zoals een inwoner het verwoordt: “De druk op de grond is hoog, erg hoog.” Mensen begrijpen daarom dat er moeilijke keuzes nodig zijn.

Tijdens de gesprekken met inwoners kwamen de volgende ruimtelijke bevindingen en uitgangspunten (in willekeurige volgorde) naar voren:

  • We waarderen het open landschap en hopen dat het open blijft, voor onze boeren en de weidevogels.

  • Recreatie op en rond het water is waardevol, maar het hoeft niet drukker dan nu – “bespaar ons alstublieft een tweede Giethoorn.”

  • De huidige voorzieningen – met onder meer Ivo (de SRV-wagen), de Vergulde Vos (belangrijk als sociale verbinder) en RYP – zijn passend en voldoende – er hoeven geen winkels, horeca of andere bedrijven bij.

  • De verkeersveiligheid verdient extra aandacht: mensen rijden te hard en het wordt drukker.

  • We zijn blij met de huisarts, de thuiszorg, de door vele vrijwilligers gedragen dorpshuizen, Meddle en beide kerken – het behouden van deze voorzieningen (eventueel met een nieuwe functie die aansluit bij de opgaven van morgen) is goed voor de dorpen.

  • Bij het eventueel toekomstbestendig maken van het Hertogspark heeft bundeling van krachten en een brede maatschappelijke blik de voorkeur. Dit houdt onder andere in dat er een centrale plek is voor het onderwijs, de kinderopvang en de sportverenigingen met– indien noodzakelijk en gewenst – woningbouw.

10.2.9.4 Karakter

Beide dorpen zijn vitaal en over het algemeen zijn de mensen tevreden en gemoedelijk. Een aantal (sport)verenigingen zoals ROAC, de tennisvereniging en de ijsclub spelen een hoofdrol bij het saamhorigheidsgevoel. De invloed lijkt zo groot, dat het “rijke verenigingsleven” zichtbaar is in de cijfers: relatief weinig eenzaamheid en overgewicht, veel beweging en sport.

Maar, mensen drinken graag een drankje. Inwoners beweren daarover: “Lekker samen sporten en daarna een biertje of wijntje drinken, dat hoort erbij.” De vele evenementen versterken de verbondenheid, zoals de Fancy Fair en de Middeleeuwse Feesten. Sporten en met elkaar een drankje doen lijkt daardoor onlosmakelijk met elkaar verbonden, al moet gezegd worden: een deel van de inwoners heeft ook moeite met de prominente rol van alcohol als sociaal bindmiddel.

Vrijwel “alles lukt” in Oud Ade en Rijpwetering want: “Als we iets willen, dan zetten we samen de schouders eronder. En dan gaan we door, net zo lang totdat het lukt.” Deze eendracht en daadkracht vinden waarschijnlijk haar oorsprong in een breed gedragen hang naar onafhankelijkheid. Het maandblad ‘De Brug’ van Oud Ade verdient in dat kader een eervolle vermelding. Vrijwel alle andere dorpen dromen over een blad dat zo wordt gewaardeerd.

Oud Ade en Rijpwetering mogen dan een klein aantal inwoners hebben, in veel andere opzichten zijn ze groot.

10.2.9.5 Sociaal-maatschappelijke uitdagingen

Ondanks sociale controle en onderlinge verbondenheid komen de maatschappelijke opgaven van de toekomst (zoals vergrijzing, groeiende zorgvraag en toenemende gevoelens van eenzaamheid) in Oud Ade en Rijpwetering ook voor.

Zo kijkt het kerkbestuur samen met de gemeenschap naar een passende herbestemming voor beide kerken en kijken de verenigingen op het Hertogspark met een brede blik naar de toekomst. Ook doen veel inwoners hun best om nieuwkomers bij het dorp te betrekken. Deze nieuwkomers bestaan op dit moment voornamelijk uit vermogende mensen van buiten die een grote woning kunnen kopen, of mensen uit de regio die via de sociale woningbouw een plekje in het dorp krijgen toebedeeld. Niet iedereen wil echter meedoen – “wat prima is”, maar een zekere “verpaupering” ligt wel op de loer, net als een te lage aanwas van kinderen en jongeren die de dorpen met hun activiteiten levendig houden. “Daarom blijven we iedereen begroeten op straat, want zo doen we dat hier.”

Op dit moment gaat het goed. En dat kan in de toekomst zo blijven, zolang “Oudaaiers” en “Rippers” de ruimte krijgen om dingen – of het nu evenementen zijn of de zorg – collectief en zelfstandig op te pakken. Maar dan wel op hun manier: “met en voor elkaar.”

10.2.9.6 Waar de gemeenschap het voortouw neemt

Het Hertogspark, kloppend hart en huiskamer van de dorpen. Iedereen is welkom op de Oud Adeselaan – van jong tot oud, man of vrouw, Oudaaier, Ripper en daarbuiten. Al langer werken onder andere sportverenigingen, school en kinderopvang samen om een brede leer- en beweegomgeving op te zetten voor zoveel mogelijk inwoners.

Uit die samenwerking groeit nu voorzichtig een nieuw en belangrijk project: de herinrichting van het Hertogspark. Vanwege een aantal verouderde faciliteiten en ontwikkelingen (onder meer de verhuizing van hockey naar het Sportpad in Roelofarendsveen en het tekort aan geschikte woningen) breekt er een natuurlijk moment aan om het Hertogspark opnieuw in te richten en toekomstbestendig te maken, met daarbij aandacht voor sociaal-maatschappelijke en ruimtelijke thema’s.

De gemeenschap – die vooruit durft te kijken en dat ook kan – is allereerst bezig zichzelf te organiseren en te zorgen de mensen met gewenste kennis uit de dorpen en belanghebbenden op de juiste momenten aan tafel zitten. Ze nemen zelf het initiatief waardoor de gemeente een

uitgelezen kans krijgt om het “van-buiten-naar-binnen-uitgangspunt” toe te passen en – in zowel de presterende/samenwerkende als reactieve rol – een bescheiden bijdrage te leveren aan de vitaliteit en het geluk van een gemeenschap.

10.2.10 Dorpsperspectief Oude Wetering

10.2.10.1 Gestage gemeenschapsverstrengeling

 

Oude Wetering vormt samen met Roelofarendsveen het meest verstedelijkte gebied van de gemeente Kaag en Braassem. Door de jaren heen zijn beide dorpen steeds nauwer met elkaar verweven geraakt. De officiële grens – ergens rond de Meerkreuk – wordt op de Alkemadelaan al geruime tijd niet langer gemarkeerd met komborden.

Op sociaal-maatschappelijk vlak groeit de onderlinge verbondenheid eveneens. Twee voetbalverenigingen die elkaar jarenlang fel beconcurreerden – DOSR en Alkmania (Weteringse Boys) – zijn inmiddels gefuseerd. Tevens verrijst Kineo: een groot beweeg- en kindcentrum, voor inwoners van de beide dorpen. Het vervagen van religieuze lijnen en de clustering van maatschappelijke voorzieningen zal het samengaan van de dorpen versnellen is de verwachting, waarschijnlijk op eenzelfde manier zoals eerder in Oud Ade en Rijpwetering heeft plaatsgevonden. 

Op basis van recente gesprekken met inwoners lijkt het nu nog te vroeg voor een gezamenlijk dorpsperspectief. Echter, in de (nabije) toekomst is het voorstelbaar dat Oude Wetering en Roelofarendsveen zichzelf zullen zien als één dorp – als één gemeenschap. 

afbeelding binnen de regeling
Dorpsperspectief Oude Wetering
10.2.10.2 Bebouwing

Historisch gezien speelde Oude Wetering een voorname rol in de handel en binnenvaart: het lag aan de belangrijkste noord-zuidvaarroute van Holland. Lange tijd genoot het kadedorp meer aanzien dan Roelofarendsveen – met name dankzij de “steenen Gebouwen, waarvan er verscheidene deftig zijn opgehaald” (Isaak Tirion in Kret, 2025 – blz. tien). Het gaat hier om de elegante gevels aan de Kerk- en Veerstraat waarvan enkele nog altijd zichtbaar zijn.

In de jaren ‘70 en ‘80 breidde het dorp zich in westelijke richting uit. Met het recente raadsbesluit om het glastuinbouwgebied De Baan en Sotaweg te behouden voor de komende decennia, is verdere uitbreiding van Oude Wetering naar het westen op korte termijn niet mogelijk.

In tegenstelling tot veel andere kernen, is dat voor een deel van de inwoners geen probleem. Want op dit moment is het “goed toeven.” Verder “is er weinig aan de hand” en woon je “middenin de Randstad, maar toch buiten.” Meer dan in andere kernen noemen inwoners de nabijheid van naasten en het water als zaken die hen binden aan het dorp — een plek “waar je woont, maar niet werkt.”

10.2.10.3 Ruimtelijke uitdagingen

Vanwege de relatief dichte bebouwing speelt een aantal ruimtelijke opgaven in Oude Wetering een grotere rol dan in kleinere kernen. Zo is er sprake van hoge en soms onveilige verkeersdruk en kan het dorp in de toekomst moeilijker omgaan met extreem weer, zoals langdurige hitte, droogte of ‘onstuimige’ regenbuien.

Op basis van gesprekken met inwoners kwamen de volgende ruimtelijke bevindingen en uitgangspunten (in willekeurige volgorde en gelijk aan die van Roelofarendsveen) naar voren:

  • De focus voor mobiliteit en de bijbehorende infrastructuur moet liggen op het verbeteren van de situatie voor fietsers, wandelaars en mindervaliden.

  • In hoeverre bepaalde wijken of buurten moeten blijven zoals ze nu zijn (= geen extra woningbouw, recreatie, winkels of groen) om de verkeersveiligheid te verhogen, is onduidelijk.

  • De inwoners willen het weidse, waterrijke uitzicht zoveel mogelijk behouden, dus bij voorkeur geen hoogbouw – ook omdat dit het dorpse aangezicht aantast.

  • De schaarse ruimte binnen de kern die niet bebouwd is moeten we indien mogelijk zo houden zodat het “rustieke” karakter in tact blijft.

  • Bij voorkeur gebruiken we deze onbebouwde ruimte voor “meer groen” of “laagdrempelige ontmoetingsplekken.”

  • Over het leven op en met het water (een veelgenoemd historisch onderdeel van de dorpsidentiteit) valt op dat er “aan de overkant6” – op het terrein van de voormalige betonfabriek – een mogelijke impuls kan komen in de vorm van een haventje of andere kleinschalige waterrecreatie.

 

De lintbebouwing aan de overzijde van het water – langs de Westerdijk en het Westeinde – hoort formeel niet tot Oude Wetering. Toch voelen veel bewoners zich verbonden met het dorp en identificeren zij zich ermee.

10.2.10.4 Karakter

Vanwege haar ligging (na het verlaten van Amsterdam en het oversteken van de Haarlemmermeer was Oude Wetering de eerste aanlegplaats voor schepen) is Oude Wetering van oudsher naar buiten gericht. Mogelijk zijn deze historische wortels een verklaring voor de houding “import is welkom.” Het opvallend hoge aantal vrijwilligers en inwoners met zonnepanelen op hun dak (meer dan 50%!) vindt – wie weet – zijn oorsprong in de ondernemingsgeest van het dorp. Verder houden talloze vrijwilligers een “bloeiend verenigingsleven” in stand dat belangrijk is voor de gemeenschap. Zie het dorpsperspectief van Roelofarendsveen voor de rol van de sportverenigingen aan de Weteringlaan hierin.

Mede hierdoor organiseren mensen in Oude Wetering veel: van cursussen omgaan met dementie en autisme tot burenhulp en buurtcirkels. Ook is er een museum dat de geschiedenis (en volgens sommigen ook het geweten) van Alkemade vertelt. Wat opvalt is dat er signalen zijn dat mensen op bepaalde plekken – meer dan in andere wijken en dorpen – langs elkaar heen leven. Hierdoor lijkt het erop dat eenzaamheid een wissel op een specifieke groep mensen trekt.

10.2.10.5 Sociaal-maatschappelijke uitdagingen

In Oude Wetering zijn – net als in de meeste andere dorpen – de eerste reacties op de eenzaamheidscijfers in te delen in twee categorieën: schrik en onherkenbaarheid. Vooral omdat

er zo’n breed aanbod is aan activiteiten, “maar mensen weten gewoon niet dat er zoveel te doen is.” “Of de drempel lijkt nog altijd te hoog.” De inwoners zijn het wel eens over lokale signalen. “Buren leren elkaar minder goed kennen, er zijn te weinig plekken waar we elkaar kunnen ontmoeten, de jeugd tussen 12 en 18 jaar kan nergens heen.”

In aantallen oplopend werden de volgende maatschappelijke uitdagingen genoemd: ondanks de vele vrijwilligers en seniorenservices houdt de druk op het zorgsysteem de gemoederen bezig, maken mensen zich zorgen over de vergrijzing (mensen zien het eerder als een bedreiging dan als een kans) en de bouw van Braassemerland gaat te snel voor het dorp: “Onze identiteit verwatert.”

Oude Wetering heeft geen divers assortiment winkels en brede voorzieningen, maar dat lijken de mensen voor lief te nemen. Omdat ze het meeste kunnen vinden bij de Veense buren.

10.2.10.6 Sportpad-ontwikkeling deel I (zie Roelofarendsveen voor deel II)

Het Sportpad is een ontwikkeling waarbij sportverenigingen, onderwijs, kinderopvang, het sportbedrijf en de gemeente als gelijkgestemde partners samenwerken. Dit moet leiden tot een unieke ontmoetingsplek voor jong en oud waar leren, ontwikkelen en bewegen centraal staat. Hier komt een grensoverstijgende plek waar sportvelden, een zwembad en klaslokalen doelbewust met elkaar zijn verweven en waar geen klassikaal onderwijs is en onderwijs en kinderopvang in elkaar overlopen. Iedereen uit de gemeente Kaag en Braassem is hier welkom.

Deze ontwikkeling is in lijn met de identiteit van het naar buiten en op handel gerichte Oude Wetering. Het is nieuw en gedurfd – een experiment, maar als het slaagt groeien diverse lokale generaties op een gezonde manier op. Het Sportpad kan daarbij een verbinder en gids zijn tussen de gemeenschappen. In die zin kunnen de positieve gevolgen van het project over generaties en gemeentegrenzen heen reiken.

10.2.11 Dorpsperspectief Roelofarendsveen

10.2.11.1 Gestage gemeenschapsverstrengeling

Eeuwenlang is er in Roelofarendsveen geveend, geteeld, gebukt, gebaggerd en verbouwd. Vroeger voornamelijk op kleine kwekerijen, die – naast bedrijf – ook dienst deden als “rommelplekjes.” Daar gebeurde van alles: van innovatieve tuinbouw tot de ontwikkeling van nieuwe gereedschappen en de opbouw van wagens voor het jaarlijkse bloemencorso.

Naast het kweken van bloemen en groenten werd ook hier cultuur gevormd. Want deze “creatieve broedplaatsen” zijn (deels) verantwoordelijk voor de Veense identiteit. Deze laat zich vangen in termen als: hardwerkend, vertrouwd (familiair), “no-nonsense”, trots, praktisch en “nuchter – met uitzondering dan… van de kermisweek.”

Een groot deel van de inwoners vindt dat er weinig tot geen afstand is tussen mensen, zowel fysiek (“het is één dorp”) als verstandelijk (“het wij-zijgevoel is weg”). Kineo – het nieuwe kind- en beweegcentrum dat de komende jaren verschijnt omgeven door sportverenigingen – stimuleert naar alle waarschijnlijkheid de samenhang (mogelijk versmelting).

afbeelding binnen de regeling
Dorpsperspectief Roelofarendsveen
10.2.11.2 Bebouwing

Waar Oude Wetering vooral over het water naar de wereld keek, speelde het leven voor de Veenders zich grotendeels af op en in het veen. Niet altijd werd de rug naar het water gekeerd, de teelt- en kweekproducten moesten tenslotte met de praam naar de veiling. Toch, de relatie met het water in “de Veen” moet in het verleden anders zijn geweest. Ook omdat bijna iedere Veense familie wel iemand verloor aan het water.

Bepaalde elementen van dat voormalige veenbestaan zijn nog altijd zichtbaar: het Noord- en Zuideinde als belangrijke aan- en afvoerroute, voorheen bevaren – nu bereden, de watertoren met de rode tulp, de Veense Veiling bij Wagenaar en het sluisje. Deze unieke kenmerken moeten – volgens velen – bewaard blijven.

De komende jaren komen er nieuwe mensen wonen in een groot deel van het voormalige kwekerijgebied rondom de Noorderhemweg/Galgekade (Oostpolder). Deze “vermenging” (omdat het overwegend mensen “van buiten” zijn) zien sommigen als een kans. Toch vragen mensen zich af of de Veense gemeenschap de instroom kan dragen en de nieuwkomers bij het dorp kunnen betrekken. Positieve dan wel negatieve signalen rondom de ‘Veense Kermis’ kunnen wellicht dienen als graadmeter.

10.2.11.3 Ruimtelijke uidagingen

Door de verregaande verstening van Roelofarendsveen ontstaan een aantal ruimtelijke kwetsbaarheden. Zo nemen blauwalg en bodemdaling door belasting toe, blijft de zomerse warmte tot lang na zonsondergang hangen en vraagt dit veel van het systeem dat het hemelwater moet afvoeren. Ook de drukte op de wegen (met name rondom het Noord- en Zuidplein en op Noordeinde, Zuideinde en de Braassemdreef) zorgt op specifieke momenten van de dag voor onveiligheid.

Op basis van gesprekken met inwoners kwamen de volgende ruimtelijke bevindingen en uitgangspunten naar voren (in willekeurige volgorde en gelijk aan die van Oude Wetering):

  • Wat mobiliteit en de bijbehorende infrastructuur betreft moet de focus liggen op het verbeteren van de situatie voor fietsers en wandelaars.

  • Het blijft onduidelijk in hoeverre bepaalde wijken of buurten moeten blijven zoals ze nu zijn (= geen extra woningbouw, recreatie, winkels of groen) om de verkeersveiligheid te verhogen.

  • Het waterrijke, weidse uitzicht moeten we zoveel mogelijk in stand houden, dus bij voorkeur geen hoogbouw – ook omdat dit het aangezicht van het dorp aantast.

  • De schaarse ruimte binnen de kern die niet bebouwd is moet zoveel mogelijk zo blijven zodat het dorpse karakter intact blijft.

  • Bij voorkeur gebruiken we de onbebouwde ruimte voor “meer groen”, “meer beplanting” of “laagdrempelige ontmoetingsplekken.”

10.2.11.4 Karakter

Reuring en beleving lijkt bij Roelofarendsveen te passen. Van festivals en verenigingen voor de jeugd tot activiteiten voor ouderen en de Veense Kermis. Tel daar de vele zelfstandigen bij op, een omvangrijk mkb en een vitaal verenigingsleven en zo ontstaat het beeld van de Veender: drukbezet en sociaal, als het even kan met een drankje in de hand.

Waar het zwaartepunt van Oude Wetering neigt richting de oudere helft van de samenleving, is Roelofarendsveen een dorp waar veel jonge gezinnen zich vestigen. “Nieuwe welvaart,” zo omschreef de provincie Zuid-Holland Kaag en Braassem recent. Dit lijkt specifiek van toepassing op Roelofarendsveen. “Hoge arbeidsparticipatie, hoge welvaart (materieel/immaterieel) en hoge levensverwachting. Gemiddelde vergrijzing.”

10.2.11.5 Sociaal-maatschappelijke uitdagingen

Ondanks de vestiging van jonge gezinnen en de aanwezigheid van veel ‘bovendorpse voorzieningen’ zoals SplotsZ, de Tech Campus en detailhandel is er toch ook sprake van eenzaamheid en vergrijzing. Ook in de Veen zijn de signalen daarvan voel- en merkbaar. “Meer vergrijzing en te weinig openbare, groene ruimte waar je elkaar tegenkomt, of laagdrempelige buurthuizen die de rommelplekjes van weleer kunnen vervangen.”

10.2.11.6 Sportpad-ontwikkeling deel II (zie Oude Wetering voor deel I)

Het leek een heilloze missie: de fusie van voetbalrivalen, verwelkoming van een “Ripse” hockeyclub en een nieuwe school voor 1.000 leerlingen – iets dat zelfs in een grote stad bijna niet voorkomt. Maar de Sportpad-ontwikkeling bleek robuust en de gebiedsvisie doortastender dan gedacht. Zo werd E.M.M'21 opgericht (Eendracht Maakt Macht, in meerdere opzichten een toepasselijke naam), er werd ruimte vrijgemaakt voor een hockeyclub en de bouw van Kineo begon.

De parallellen tussen de Sportpad-ontwikkeling en de Veense ruilverkaveling in de jaren ‘50, zijn zonder al te veel inbeeldingsvermogen te maken. Ook toen was er weerstand en achterdocht, maar uiteindelijk bleken alle betrokkenen overtuigd van de gezamenlijke koers. De ontwikkeling zou de lokale gemeenschap veel voortgang, vitaliteit en voorspoed brengen. Of het Sportpad de verwachtingen kan waarmaken, moet de toekomst uitwijzen. Er is in ieder geval een duidelijke visie, draagvlak en vastberadenheid.

En daarmee raakt het samenwerkingsverband net zozeer aan de Veense als aan de Oude Weteringse identiteit. Die lokale houding van mouwen opstropen en aanpakken net zo lang totdat het geregeld is – een mentaliteit die geworteld lijkt in het veen – komt goed van pas. Mocht het Sportpad in de toekomst een succes zijn, dan is die houding een van de doorslaggevende succesfactoren geweest.

Het kan voorkomen dat er moeilijkere tijden aanbreken, wat nogal eens gebeurt bij dit soort grote, complexe projecten. De voorwaarde voor de gemeente (zowel politiek als bestuurlijk) is om de regie zo veel mogelijk bij het samenwerkingsverband te laten liggen.

10.2.12 Dorpsperspectief Rijnsaterwoude

10.2.12.1 Gedragen door de dijk – waar de tijd de tijd hoort te krijgen

Tijdens de Grote Ontginning ergens in de Hoge Middeleeuwen verrees uit de veenwildernis een nederzetting. Bijna 1.000 jaar later is Rijnsaterwoude nog altijd omgeven door water en de vruchtbare grond waar mensen destijds naar zochten.

Rijnsaterwoude vormt het thuis van inwoners die over het algemeen tevreden zijn. Of je nu over de Herenweg vanuit het noorden nadert, of de zuidelijke boomrijke entree neemt. In het “vriendelijke” dorp zien de inwoners liever niet te veel en niet te snel dingen veranderen. “De rust, het authentieke en het vele water. Het is gewoon een kneuterig, ontspannen, veilig dorp.”

In 2015 is in samenwerking met het dorp gewerkt aan een kernplan. Bepaalde punten uit dit kernplan dienden samen met de opbrengst van de dorpentoer als input voor dit dorpsperspectief7.

 

7 Vanwege de bijdrage van de actiegroep ‘Hier Geen Windturbines’ en de discussie die daaruit volgde, kon een deel van de gebruikelijke dorpentoeravond niet plaatsvinden. Hierdoor is er meer dan elders geput uit andere bronnen.

afbeelding binnen de regeling
Dorpsperspectief Rijnsaterwoude
10.2.12.2 Bebouwing

Rijnsaterwoude is een lintdorp, gebouwd op een dijk die dienstdoet als waterkering en als doorgaande weg. Aan dat boezemlint liggen drie groepen van bebouwing: rondom de kenmerkende Woudse Dom, bij Meerbon/Suyderbon en de wijk tussen Integraal Kindcentrum (IKC) Het Woud en de Leidse Vaart.

In de toekomst lijkt het logisch om eventuele nieuwe woningen te bouwen in westelijke richting, tussen de twee laatstgenoemde bebouwde plekken. Op dit moment komen daar nieuwbouwwoningen binnen het project de Woudse Juffen. De nadruk moet liggen op het zoveel mogelijk behouden van het karakter. Daarom is het uitgangspunt: als het kan bouwen binnen bestaand stedelijk gebied (verdichting) binnen de dorpsranden. Zo kan het uitgesproken agrarische buitengebied – met voornamelijk akkerbouw en veeteelt (droogmakerij) – de functie behouden en waardoor de doorzichten grotendeels open blijven.

10.2.12.3 Ruimtelijke uitdagingen

Op basis van de online vragenlijst, het kernplan en de dorpentoeravond zijn de volgende ruimtelijke uitdagingen voor Rijnsaterwoude opgesteld:

  • De inwoners zijn tevreden over de huidige recreatievoorzieningen. Zij willen vooral “groen, ruimte en rust” behouden en het Braassemermeer niet verder “beleefbaar” maken.

  • De doorstroom op de woningmarkt (nieuwe woningen met name voor lokale jongeren) is belangrijk, maar in vergelijking met de andere kernen lijkt de noodzaak in Rijnsaterwoude minder groot.

  • Het dorp maakt zich ernstige zorgen over de provinciale plannen voor het opwekken van duurzame energie via windturbines. De inwoners vinden de plannen niet in lijn met de Lokale Energie Strategie (LES) (zie ook thema ‘2.3.3. energie opwekken’ waardoor de gemeente en inwoners in principe “schouder aan schouder staan” voor wat betreft deze provinciale plannen.

  • Naast woningbouw is mobiliteit hét thema in Rijnsaterwoude en dan met name: de bereikbaarheid van het openbaar vervoer, een goede bushalte (het enige punt dat uit het kernplan dat niet is meegenomen), parkeerproblematiek, sluipverkeer en verkeersonveiligheid door landbouwverkeer.

10.2.12.4 Karakter

Het sociaal-maatschappelijk gezicht van Rijnsaterwoude kenmerkt zich door “naar elkaar omkijken.” Dit houdt in dat mensen het best oneens kunnen zijn met elkaar, maar “we staan wel klaar als de situatie daar om vraagt.”

Wat opvalt is de relatief grote veerkracht en een groot zelforganiserend vermogen. De ontwikkeling van het Schoolhuis als levendige, laagdrempelige “verbindingsplek” toont de zelf-aanpakken-en-regelen-mentaliteit. Net als de ontwikkeling van het zwemstrand, de Multivloer en dorpshaven Het Venegat.

Het ontbreken van commerciële voorzieningen (op de SRV-wagen na) lijkt het dorp weinig te deren. Het zorgt eerder voor rust en een zekere band met de buurdorpen, zoals Leimuiden, Woubrugge, Ter Aar of Alphen aan den Rijn. Daar doen mensen boodschappen of gaan ze sporten.

Het beperkte, maar vitale verenigingsleven is voor velen belangrijk. Toch lijkt er ook sprake van toenemende gevoelens van eenzaamheid onder de inwoners. Daarnaast noemen mensen de overlast van Schiphol (opvallend vaak) en is er een bovengemiddelde focus op gezondheid.

10.2.12.5 Sociaal-maatschappelijke uitdagingen

Wat opvalt in Rijnsaterwoude: buiten de algemene trend van vereenzaming en vergrijzing zijn er geen breed gedeelde sociaal-maatschappelijke uitdagingen. Op een enkele uitzondering na leven er onder de mensen zorgen in het ruimtelijk domein op de eerdergenoemde dossiers (sluipverkeer en de windturbines). “Behoud” lijkt daarmee het kernwoord voor Rijnsaterwoude.

10.2.12.6 Een groene, avontuurlijke parel

De inwoners van Rijnsaterwoude dragen niet dezelfde soort trots in zich voor hun dorp als de trots die de Veenders of Rippers in zich dragen voor Roelofarendsveen en Rijpwetering. Maar in Rijnsaterwoude is er wel degelijk een zwak voor de groene, avontuurlijke beweegparel van het dorp.

Integraal Kindcentrum Het Woud is een grote school met buitengymterrein. Daarnaast liggen een Tiny Forest, een dierenweide en een speeltuin. Bij deze kindvriendelijke plek kunnen kinderen het hele jaar door bewegen, leren en spelen.

Deze plek is er gekomen door buiten bestaande hokjes te denken, ondanks terughoudendheid bij mensen en zelfs Kamervragen over het buiten gymmen. De school kwam met een grensverleggend voorstel en de gemeente werd in een vroeg stadium betrokken (= “successleutel”). Samen werden ze “onwijs enthousiast” en kwam deze unieke plek via korte lijntjes tot stand.

10.2.13 Dorpsperspectief Woubrugge

10.2.13.1 Herrezen aan de Woudwetering

Nabij de kruising N207 en de Kruisweg staan de twee laatste zichtbare herinneringen aan het dorp Jacobswoude. Het gaat om een “hardsteenen bankje” en “eenvoudig monumentje” – stille getuigen van wat begon als een Middeleeuwse nederzetting die ten onder ging aan de kracht van natuur en mens.

Jacobswoude lag ooit in een bosrijke omgeving, maar storm en overstromingen teisterden het gebied. Veenplassen verschenen, turfwinning volgde en Jacobswoude zonk langzaam weg in het veenmoeras. Naar verloop van tijd werd het dorp onbewoonbaar en trokken de mensen twee kilometer richting het westen naar de dijken van de Woudwetering.

Aan beide kanten van deze belangrijke waterweg ontstond Woubrugge. Dat kon bestaan door onder meer turfwinning, handel en water. Voor turfwinning kwam uiteindelijk tuin- en landbouw in de plaats, maar de innige band met de Wetering hield stand. Het water – inclusief de karakteristieke brug – zorgt namelijk nog altijd voor werk (recreatie en toerisme), levensgeluk en vormt de identiteit van het voormalige “saaiste dorp van Nederland.”

afbeelding binnen de regeling
Dorpsperspectief Woubrugge
10.2.13.2 Bebouwing

Woubrugge, de meest zuidelijke kern in de gemeente Kaag en Braassem, gaat op dit moment flink op de schop. Er zijn werkzaamheden aan de Bateweg, Emmalaan en Cornelis Kempenaarlaan. Verder verduurzaamt Woondiensten Aarwouden een aanzienlijk deel van de huurwoningen, verzwaart en verbetert Liander het energienet en vervangt en vernieuwt WIJdezorg de zorglocatie Woudsoord aan het Weteringpad.

Daarnaast gaan twee basisscholen samen in één IKC (Integraal Kindcentrum), de Wereldweide. Op de vrijvallende scholenlocatie aan de Emmalaan komen in de nabije toekomst woningen. De inwoners vinden dat daar extra aandacht moet zijn voor woningen voor lokale jongeren en senioren.

Deze ontwikkelingen (samen met de mogelijke nieuwbouw genaamd ‘Karperhof’) geven het dorp een impuls en maken het dorp meer toekomstbestendig voor de komende jaren. Daarbij wensen inwoners dat het dorpse, landelijke karakter bij voorkeur in stand blijft. Concreet betekent dit: het zoveel mogelijk open houden van de Vierambachtspolder en Oudendijksepolder.

Dit houdt in dat een eventuele verdere uitbereiding alleen kan in zuidwestelijke richting. Hoogbouw vinden de inwoners prima als dit beperkt blijft in hoogte en aantal. De meningen lopen sterk uiteen over het delen van woonoppervlak of voorzieningen met elkaar (sommigen zijn bereid de tuin, garage of een washok en zelfs woonruimte collectief te maken, terwijl anderen graag alle voorzieningen privé houden).

10.2.13.3 Ruimtelijke uitdagingen

Woubrugge grenst ten zuiden aan Alphen aan den Rijn en ten noorden vormen de Kromme Does en het Braassemermeer een natuurlijke begrenzing. Ondanks deze harde grenzen is er in westelijke en oostelijke richting ruimte. De volgende uitgangspunten en uitdagingen voor die beschikbare ruimte komen naar voren, onder andere uit gesprekken met inwoners:

  • Over het algemeen lijken de Woubruggenaren “tevreden volk.” Ze willen het dorp zoals het nu is vooral in stand houden en bestempelen de toekomst als “zonnig” (een term die opmerkelijk genoeg ook meerdere keren is genoemd in Rijnsaterwoude).

  • Het tuinbouwgebied Woubrugge (door de gemeente aangemerkt als duurzaam) en de bedrijven daar zijn – hoewel ze niet langer de werkverstrekker zijn van vroeger – nog altijd nauw betrokken bij de lokale gemeenschap.

  • Een groot deel van het dorp beschouwt een tweede ontsluitingsweg als strikt noodzakelijk en er zou meer aandacht moeten komen voor verkeersveiligheid in zijn algemeenheid – een thema waar lokaal zorgen over bestaan.

  • Mensen maken zich daarnaast grote zorgen over de terugloop van het winkelaanbod en er zijn een aantal gevoelige dossiers, zoals: de komst van een AZC (asielzoekerscentrum), windturbines en mogelijke woningbouw in de Gnephoek.

  • Inwoners willen het groen en de ruimte om te spelen zoveel mogelijk behouden of als dat kan vergroten.

10.2.13.4 Karakter

Het sociale gezicht van Woubrugge is te vergelijken met dat van Rijnsaterwoude. Het laat zich min of meer vangen in de woorden: “men kijkt naar elkaar om.” De wens naar onafhankelijkheid – zoals bij andere voormalige Alkemade-dorpen – lijkt minder prominent.

Toch zijn er in Woubrugge zeker genoeg gezamenlijke maatschappelijke inspanningen. Zoals de overname van de sportvelden door VV Woubrugge, de sporthal die het dorp al jaren beheert, Woutje Brugge, Koningsdag, de opvang van Oekraïense vluchtelingen en de watersportrecreatiedag. Dit zijn voorbeelden van het “gevarieerde verenigingsleven” en de vele “leuke initiatieven” in het dorp.

Een kenmerk bij deze Woubrugse zelforganisatie is dat als een voorziening dreigt te verdwijnen, een lokale groep mensen opstaat die de voorziening nieuw leven in blaast.

Als relatief grote kern heeft Woubrugge een aantal ‘bovendorpse voorzieningen’ zoals huisarts, tandarts en sinds kort is er ook de bibliotheek. Verder werd door lokale inzet de kroeg behouden voor het dorp. Daardoor lijkt het erop dat veel ingrediënten voor een vitaal en leefbaar dorp aanwezig zijn en dat waarderen de mensen.

10.2.13.5 Sociaal-maatschappelijke uitdagingen

Uit de cijfers blijkt dat Woubrugge net als de andere kernen te maken heeft met vereenzaming en vergrijzing. Daarnaast vinden relatief veel mensen dat hun gezondheid goed is, bewegen mensen bovengemiddeld vaak, is er weinig overgewicht en ligt het percentage overmatige drinkers rond het gemiddelde voor de gemeente.

Wat verder opvalt is dat mensen zich vooral zorgen maken om de openbare ruimte. Dat heeft mogelijk te maken met de grootscheepse verbouwing in het dorp die op dit moment plaatsvindt. Uit ervaring weten we dat, zodra de fysieke ruimte op orde is, mensen ruimte en tijd krijgen om na te denken over het sociaal domein en wat het dorp nu het dorp maakt.

10.2.13.6 Het Daisypark, een voorbeeld van samenwerking en inclusiviteit

“Woubrugge is het saaiste dorp van Nederland," had de jongerenwerker opgevangen. "Nou, als we daar verandering in willen brengen, moeten we zelf aan de slag.” Na woorden van die strekking ontstond het idee om een verwaarloosde hoek in Woubrugge om te vormen tot een mooie beweeg- en ontmoetingsplek "voor en door het dorp," het Daisypark.

Een groep jongeren, de basisschool en het jongerenwerk gingen doortastend te werk. Met de gemeente, maar ook met andere lokale partijen in Woubrugge. Het prille idee groeide uit tot een initiatief waar veel partners samenwerkten.

Zo kwam er een crowdfundingsactie door de jongeren zelf, sponsorden lokale ondernemers, werkte de school mee met een ontwerpwedstrijd (die gewonnen werd door Daisy), verzorgde een deskundige inwoner gratis het tekenwerk en werd de locatie samen en eigenhandig verbouwd.

Het is opnieuw een voorbeeld waarin de gemeente haar samenwerkende rol pakte. De gemeente blijft tenslotte eigenaar van de openbare ruimte en – in dit geval – ook verantwoordelijk voor het onderhoud. Maar er werd wel samen gedacht, besloten, gedaan en geleerd. En nu is er het Daisypark, een toegankelijke plek waar alle jongeren hun beweeghart kunnen ophalen.

10.3 Buitengebied

10.3.1 Inleiding

Kaag en Braassem maakt deel uit van het Groene Hart. Wat oppervlakte betreft vormt het Buitengebied het grootste deel van onze gemeente. De groene uitstraling van het gebied is dan ook kenmerkend voor dit landelijke en agrarische gebied. De agrariërs in onze gemeente zijn feitelijk de hoeders van ons buitengebied en zorgen voor ons dagelijks eten en drinken (voedselzekerheid). Waar mogelijk geven we hen de ruimte om te ondernemen, met uitzondering van intensieve veehouderijen (niet-grondgebonden veehouderij). We merken daarbij dat de moderne bedrijfsvoering voor onder andere mestverwerking, opslag of duurzame technieken meer ruimte nodig heeft rondom gebouwen. In de huidige situatie zijn bouwvlakken vaak te krap ingetekend rondom bestaande gebouwen, wat uitbreiding belemmert. Die te krappe begrenzing zorgt voor juridische belemmeringen en vertraagt innovaties. Daarnaast is er, om zekerheid te bieden aan agrariërs, behoefte aan heldere en werkbare regels voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, in lijn met het landelijk beleid. Agrarische ondernemers zijn zich bewust van hun maatschappelijke positie en werken aan het verlagen van de eigen afhankelijkheid van gewasbeschermingsmiddelen.

Wij willen het buitengebied zo open mogelijk houden, maar willen niet de dorpsranden op slot zetten. Hier moet bijvoorbeeld ruimte zijn voor woningbouw. We staan niet per se negatief tegenover lokale initiatieven om duurzaam energie op te wekken indien dit niet ten koste van de gezondheid en het open landschap gaat. Wat betreft recreatie willen we aantrekkelijk zijn voor de eigen inwoners, dan wordt het vanzelf ook aantrekkelijk voor recreanten van buiten de gemeente. We willen voornamelijk inzetten op dagrecreatie (wandelen, fietsen en varen) ondersteund door daghoreca (een kopje koffie of lunch). Ook moet er ruimte zijn voor kleinschalige verblijfsrecreatie, maar niet in alle delen van het buitengebied. Bijvoorbeeld niet op de bovenlandjes in de Drechtzone. Voor grootschalige verblijfsrecreatie (meer dan 25 recreatiewoningen) is er weinig ruimte in de gemeente, maar we sluiten het niet volledig uit. Voor sommige gebieden is grootschalige verblijfsrecreatie wel op voorhand al uitgesloten vanwege bijvoorbeeld de cultuurhistorische- en/of natuurwaarden.

Het buitengebied is een uitgestrekt gebied dat is op te delen in verschillende sub-gebiedstypen. Binnen het buitengebied onderscheiden wij de volgende gebieden: veenweide, droogmakerij, Wijde Aa zone, Drechtzone, Kagerplassen-gebied en de agrarische linten.

Wat we willen bereiken verschilt per sub-gebiedstype, maar er zijn ook een aantal specifieke uitgangspunten die voor het hele buitengebied gelden.

10.3.2 Specifieke uitgangspunten

  • Nieuwe functies en bovengrondse bestemmingen moeten passen bij de kenmerken van de bodem en het watersysteem. Grondwaterstanden, kwetsbare veenbodems en afwatering zijn leidend bij de locatiekeuze en inrichting.

  • Activiteiten zoals zelfstandige horeca en (grootschalige) evenementen of recreatie mogen alleen zo nu en dan voorkomen. Woningbouw in het buitengebied gebeurt met name in de sfeer van ‘straatje erbij’.

  • Nieuwe (niet-agrarische) bedrijfsactiviteiten zijn niet wenselijk en moeten zoveel mogelijk op de bedrijventerreinen plaatsvinden.

  • Nieuwe vestiging van een intensieve veehouderij is uitgesloten.

  • Nieuwe (agrarische) bedrijfswoningen zijn alleen toegestaan als betrokkenen de noodzakelijkheid en doelmatigheid aantonen. Een tweede (agrarische) bedrijfswoning is daarmee feitelijk uitgesloten.

  • Er is ruimte voor (recreatieve) nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven als die de bestaande en landschappelijke structuur en kwaliteit niet schaden.

  • Recreatieondernemingen die zich volledig op recreatie richten, bijvoorbeeld een camping, zijn niet gewenst. Dit om te zorgen voor een goede balans tussen agrarische bedrijvigheid en recreatie. Uitzondering hierop zijn vervolgfuncties van bestaande ondernemingen.

  • Het uitbreiden van het aantal bestaande evenementen, in omvang en hoeveelheid, is niet gewenst.

  • We stimuleren initiatieven die waarde halen uit reststromen van het boerenbedrijf zoals mest, plantenresten of warmte uit vergisting. Zulke agrarische reststromen zijn in te zetten voor energie, bodemverbetering of als grondstof. Dit sluit aan bij de duurzame ambities van agrariërs en de gemeente.

 

afbeelding binnen de regeling
Themakaart gebiedstypen in het buitengebied van gemeente Kaag en Braassem

10.3.3 Veenweide

10.3.3.1 Inleiding

Het westelijke deel van onze gemeente bestaat uit veenweidegebieden, polders en plassen. Het landschap is open door de vele weilanden en de grote hoeveelheid sloten. De natuurwaarde is hierdoor groot: niet zozeer vanwege een grote hoeveelheid dier- en plantensoorten, maar omdat er een aantal unieke soorten leven en broeden, zoals de grutto en de wulp. De cultuurhistorische waarde is ook aanzienlijk vanwege de duidelijk zichtbare, oude verkavelingspatronen. Deze verkavelingsstructuur heeft echter ook een keerzijde, want daardoor zijn de mogelijkheden tot schaalvergroting van agrarische bedrijven in het gebied enigszins beperkt. Het gebied ademt rust, ontspanning, natuur en groen. Monumentale molens en karakteristieke kerktorens zijn overal in het gebied zichtbaar. De agrariërs zijn overwegend melkveehouders, maar hebben zich ook bekwaamd in natuurbeheer en kleinschalige recreatie, zoals een bed and breakfast, kleinschalige zorg en het maken en verkopen van streekproducten. Het gebied is autoluw en toegankelijk voor wandelaars, fietsers en watersporters. De strategische plaatsing van bankjes, uitkijkpunten en aanlegsteigers draagt er aan bij dat mensen het gebied kunnen beleven. Op diverse locaties kunnen ze boten aanleggen, de fiets stallen of iets eten en drinken, bijvoorbeeld bij een boerderij of een molen.

10.3.3.2 Wat willen we bereiken?
  • Het behouden van de bestaande landschappelijke structuur en kwaliteit.

  • Het tegengaan van bodemdaling veroorzaakt door veenoxidatie (waarbij veengrond afbreekt omdat het in contact is met zuurstof).

10.3.3.3 Specifieke uitgangspunten
  • Binnen het veenweidegebied bieden we geen ruimte aan activiteiten die de bestaande landschappelijke structuur en kwaliteit kunnen schaden.

  • Binnen het gebied is er ruimte voor dagrecreatie. Hiermee bedoelen we activiteiten gericht op ontspanning in de vrije tijd, zoals sport en spel, natuurbeleving, amusement en uitstapjes die plaatsvinden binnen een tijdsbestek van een dag. De dagrecreatie wordt ondersteund door (de bestaande) kleinschalige verblijfsrecreatieve voorzieningen in het gebied.

  • Er is ruimte voor lokale innovatieve ontwikkelingen gericht op het tegengaan van bodemdaling door veenoxidatie of door belasting.

  • Recreatieve of agrarische (neven)activiteiten/ontwikkelingen die een negatieve invloed hebben op de icoonsoorten in het veenweidegebied en de voor het gebied kenmerkende biodiversiteit, zijn in principe verboden.

10.3.4 Droogmakerij

10.3.4.1 Inleiding

De droogmakerijen zijn grootschalige open polders die voornamelijk in gebruik zijn als agrarisch productielandschap. Het primaire grondgebruik is landbouw, zowel akkerbouw als veeteelt. Zoals de overzichtskaart van dit gebiedstype laat zien is er onderscheid tussen droogmakerij klei en veen. Een uitgebreide beschrijving van en verdere toelichting op die twee sub-gebiedstypen staat in de gebiedsgerichte programma’s.

10.3.4.2 Wat willen we bereiken?
  • Het primaire grondgebruik door landbouw, zowel akkerbouw en veeteelt, behouden en stimuleren.

  • Het herstellen, versterken/verbeteren en/of vergroten van de voor het gebied kenmerkende biodiversiteit.

10.3.4.3 Specifieke uitgangspunten
  • Binnen het gebied is ruimte voor schaalvergroting van agrarische bedrijven. Daarom bieden we, waar mogelijk, ruimte op het gebied van geur, geluid, mestopslag en dierenverblijven. Dit mag echter niet ten koste gaan van het woon- en leefklimaat van omliggende woningen.

  • Binnen de droogmakerij is er ruimte voor recreatie, met name gekoppeld aan linten langs de Wijde Aa en de Drecht. Het gaat dan om recreatieve routes, met daarbij trekpleisters zoals een agrarisch bedrijf dat recreatie als volwaardige tweede hoofdtak heeft. Deze trekpleisters zijn via de N207 en de N446 goed bereikbaar.

  • Voorwaarde bij bovengenoemde accenten is dat er ook nadrukkelijk aandacht is voor verhoging van de landschaps- en natuurwaarden. Hiermee bedoelen we:

    • Versterking/verbetering van de gekozen doelsoorten op en rondom de droogmakerij door bijvoorbeeld het aanleggen van nieuwe ecologische verbindingszones, zonder dat dit ten koste gaat van bestaande landbouwgronden.

    • Een positieve grondhouding richting ontwikkelingen die de voor het gebied kenmerkende biodiversiteit vergroten.

    • Schaalvergroting van agrarische bedrijven (dierlijke en plantaardige productiesystemen) en intensivering van de recreatieve activiteiten mogen plaatsvinden als ze duurzaam zijn, een verbetering van de bodemkwaliteit betekenen en/of zorgen voor een versterking/verbetering van de voor het gebied kenmerkende biodiversiteit.

10.3.5 Wijde Aa zone

10.3.5.1 Inleiding

Van Leiderdorp tot aan Nieuwkoop loopt een lang recreatielint waar de verbinding tussen water en land kenmerkend is. Dit lint loopt langs de zuidoever van de Does, de Kromme Does, de Wijde Aa, het Paddegat, het Braassemermeer en de Leidse Vaart. Het is een doorgaande recreatieroute voor fietsers en wandelaars, met bijbehorende voorzieningen. Zo zijn er horecagelegenheden in de dorpen. De Wijde Aa-zone is bijna helemaal onderdeel van het NatuurNetwerk Nederland en heeft daardoor een belangrijke functie als ecologische verbindingszone. Binnen de Wijde Aa-zone is er dan ook (extra) ruimte voor natuur(ontwikkeling).

10.3.5.2 Wat willen we bereiken?
  • In eerste instantie het behouden en herstellen van de biodiversiteit die het gebied kenmerkt. Op de lange termijn een vergroting van deze biodiversiteit.

  • Het behouden van het bestaande recreatielint waarbij de verbinding tussen water en land voorop staat.

10.3.5.3 Specifieke uitgangspunten
  • Enkele agrarische bedrijven kunnen een volwaardige recreatieve tweede bedrijfstak voeren als dit het waardevolle en open landschap niet schaadt.

  • Er is geen ruimte voor ontwikkelingen in bestaande ecologische verbindingszones die een negatieve invloed hebben op de voor het gebied kenmerkende biodiversiteit.

  • Binnen het gebied is er ruimte voor dagrecreatie. Hiermee bedoelen we activiteiten die zijn gericht op ontspanning in de vrije tijd, zoals sport en spel, natuurbeleving, amusement en uitstapjes die plaatsvinden binnen een tijdsbestek van een dag.

10.3.6 Drechtzone

10.3.6.1 Inleiding

De Drechtzone is een langgerekt lint met een hoge natuurwaarde. Verspreid langs het lint staan woningen op het bovenland afgewisseld met agrarische bedrijven in de polder. Het is een recreatieve route voor fietsers, wandelaars en watersporters. Bovenaan de dijk liggen diverse gronden met waardevolle natuurkenmerken. De agrarische bedrijven (akkerbouw en veeteelt) liggen over het algemeen onderlangs de dijk. De bedrijven hebben vooral een agrarische functie en soms ook een recreatieve functie. Zo zijn er bed and breakfast-locaties, boerenlandwinkels waar mensen consumpties of streekproducten verkopen of kampeermogelijkheden.

10.3.6.2 Wat willen we bereiken?

Het behouden en waar mogelijk versterken van het specifieke karakter van deze zone.

10.3.6.3 Specifieke uitgangspunten
  • Er is beperkt ruimte voor recreatie omdat we de dieren en planten die hier leven willen behouden. Bij (voormalige) boerderijen en woningen is het mogelijk om natuur en landschapselementen zoals fruitboomgaarden aan te leggen.

  • Onderaan de dijk is ruimte voor kleinschalige recreatieve ontwikkelingen, zoals neven- of vervolgactiviteiten bij (voormalige) agrarische bedrijven.

  • Het is wenselijk om (agrarische) bedrijfsbestemmingen die her en der het lint onderbreken te gebruiken voor kleinschalige woningbouw (bijvoorbeeld ruimte voor ruimte) of natuurontwikkeling.

10.3.7 Kagerplassen-gebieden

10.3.7.1 Inleiding

Het Kagerplassen-gebied heeft natuurlijke veenmeren omzoomd door een netwerk van kleine rietsloten en vaarten. Het gebied strekt zich uit over verschillende gemeenten. In onze gemeente vallen de wateren Kever, Spijkerboor, Sever, Koppoel, Kleipoel, Hanepoel en het Vennemeer onder het Kagerplassen-gebied. Het unieke aan dit gebied is de onregelmatige verkaveling van de veenweidepolders en een groot aantal molens. In tegenstelling tot andere veenweidegebieden in Zuid-Holland zijn de kavels niet lang en smal, maar blokvormig. Dit duidt op een ontginning uit de vroege middeleeuwen, waarmee dit gebied de oudste veenontginning in het Groene Hart zou zijn. De vele brede poldersloten, bekade boezemwateren en het grote aantal vaak nog functionerende molens duiden op de problemen die er waren met de afwatering. Dit gebied is populair om te recreëren.

10.3.7.2 Wat willen we bereiken?
  • Het karakteristieke landschap behouden inclusief de bijbehorende cultuurhistorische waarden van het Kagerplassen-gebied met extra aandacht voor (het herstellen van) de biodiversiteit.

  • Een intensieve inspanning om het recreatieve karakter op/rondom de wateren Koppoel en Vennemeer te behouden.

  • Een minder ingrijpende aanpak om het recreatieve karakter op/rondom de andere wateren van het Kagerplassen-gebied te behouden.

  • Experimenteren met natuurinclusieve recreatie, waarbij we recreatieve ontwikkelingen stimuleren die aansluiten bij de cultuurhistorische geschiedenis en die geen afbreuk doen aan de landschappelijke waarden. Vervolgens gebruiken we de opbrengsten van de recreatie om de natuur te onderhouden.

10.3.7.3 Specifieke uitgangspunten
  • Bij extensieve recreatie zijn de recreatieve activiteiten beperkt. Deze recreatiegebieden hebben wandel- en fietsroutes of een picknickplaats. Het accent ligt hier voornamelijk op het beleven van de natuur en het landschap. De gebieden zijn beperkt toegankelijk voor voorbijkomende wandelaars, fietsers of per boot. Een enkele voorziening in de vorm van een vlonderpad of vogeluitkijkpunt geeft een extra recreatieve waarde en verhoogt de natuur- en belevingswaarde van het landschap.

  • Bij intensieve recreatie kunnen mensen in het gebied verblijven en zijn er activiteiten mogelijk die publiek trekken. Er is horeca aanwezig, er is voldoende parkeerruimte en verblijfsrecreatie is toegestaan.

10.3.8 Agrarische linten

10.3.8.1 Inleiding

In het buitengebied zijn er door de jaren heen enkele linten ontstaan met veel bebouwing. Daarmee onderscheiden ze zich van het open landschap. Naast de agrarische activiteiten zijn daar woon-, bedrijfs- en recreatieve bestemmingen. Linten die onder dit sub-gebiedstype vallen zijn: Ofwegen, Van Klaverweijdeweg, Zuidweg, Willem van der Veldenweg, Herenweg en Boekhorsterweg.

10.3.8.2 Wat willen we bereiken?

Het behouden van de agrarische linten.

10.3.8.3 Specifieke uitgangspunten
  • Binnen deze linten is er naast de agrarische activiteit ook ruimte voor recreatieve activiteiten en woningbouw. Het gaat dan om het incidenteel toevoegen van een woning of het omzetten van een voormalige (agrarische) bedrijfsbebouwing. Dit gebeurt als er ruimtelijke kwaliteitswinst is (bijvoorbeeld ruimte voor ruimte of het saneren van een bedrijfsbestemming) en/of er woningen komen voor de juiste doelgroepen. Ook het versterken / verbeten van de voor het gebied kenmerkende biodiversiteit zien we als ruimtelijke kwaliteitswinst.

  • Nieuwe (niet-agrarische) bedrijfsactiviteiten zijn binnen deze linten, net als in het gehele buitengebied, niet wenselijk en moeten zoveel mogelijk op de bedrijventerreinen plaatsvinden.

10.4 Water

10.4.1 Inleiding

In een waterrijke gemeente als Kaag en Braassem verdient Water een eigen gebiedstype te zijn. In de gemeente liggen veel grote wateren: de Kagerplassen (Kever, Spijkerboor, Sever, Koppoel, Kleipoel, Hanepoel en het Vennemeer), het Braassemermeer, de Does, de Kromme Does, de Wijde Aa, het Paddegat, de Leidsche Vaart, de Woudwetering, de Oude Wetering en de Drecht. Al deze wateren hebben hun eigen karakter en kenmerken. Het Kagerplassen-gebied, de Drechtzone en de Wijde Aa zone zijn dan ook sub-gebiedstypen van het gebiedstype ‘buitengebied’. Voor dit gebied is een ruimtelijke afbakening gemaakt (contouren) om daarvoor met elkaar specifieke uitgangspunten en ambities vast te stellen.

Op onze openbare wateren zijn enkele veerdiensten actief; vaste veerdiensten (Buitenkaag - Kaag, Oude Wetering - Westerdijk, Roelofarendsveen - Woubrugge) en een veerdienst die alleen tijdens de zomermaanden actief is (Oud Ade - Kaag). Deze geven kleur aan onze waterrijke gemeente en zijn van belang voor onze inwoners en voor recreanten.

Het onderdeel ‘water’ raakt vele (beleids)terreinen en komt dan ook al veel aan bod in de Omgevingsvisie. Onderstaand een greep uit de onderwerpen die in de visie zijn aangestipt:

  • Hoofdstuk 2 Energie & Grondstoffen: energie uit oppervlaktewater (aquathermie), maar ook drinkwaterleidingen.

  • Hoofdstuk 3 Natuur, water en lucht: grond- en drinkwater, bodemdaling, verzilting, de waterkwaliteit en daarmee samenhangend de Kaderrichtlijn Water (KRW), de samenwerking met het hoogheemraadschap van Rijnland, het vasthouden van regenwater (klimaatadaptie) en dus ook wateroverlast.

  • Hoofdstuk 5 Economie: waterberging op bedrijventerreinen.

  • Hoofdstuk 6 Recreatie: recreatie en watersport.

  • Hoofdstuk 9 Veiligheid: onderzoek naar hoogwater als gevolg van klimaatverandering.

  • Hoofdstuk 10 Gebiedstypen: relatie tussen water en land, slotenpatronen, het Kagerplassen-gebied, de Drechtzone en de Wijde Aa zone.

10.4.2 Wat willen we bereiken?

  • Het verbeteren van de waterkwaliteit en het voldoen aan de Kaderrichtlijn Water.

  • Het waarborgen van de kwaliteit en veiligheid van ons grondwater.

  • De leefomgeving zo inrichten en onderhouden dat we in de toekomst beter om kunnen gaan met klimaatverandering en extremer weer.

  • Het stimuleren van recreatie en watersport, zolang dit niet voor overlast zorgt.

  • Een recreatief aantrekkelijk plassengebied met volop mogelijkheden voor watersport.

  • De relatie tussen het land en het water meer zichtbaar maken bij ruimtelijke ontwikkelingen.

10.4.3 Specifieke uitgangspunten

  • Bij ongewenste langdurige aanwezigheid van vaartuigen op openbaar water kan de gemeente op basis van de APV een aanwijzingsbesluit nemen om deze aanwezigheid te beperken.

  • Bij ontwikkelingen in en rond het water is het bestaande watersysteem leidend. Functies, inrichting en gebruik moeten passen binnen de natuurlijke waterdynamiek, bergingscapaciteit en waterkwaliteit.

  • Het is wenselijk om spelregels op te stellen voor onder andere recreanten, watersporters en eigenaren van jachthavens. Denk hierbij aan een duidelijk stelsel van ontheffingen voor snelvaren (dag- en jaarontheffingen), duidelijke afspraken met verschillende bevoegdheden rondom handhaving op het water en het mogelijk maken en stimuleren van (verblijfs)recreatie in bestaande jachthavens.

  • Als er verhard oppervlak bij komt moet, op basis van de Waterschapsverordening, watercompensatie plaatsvinden. Met hard oppervlak bedoelen we een bedekking van de bodem waardoor neerslag niet of maar heel weinig in de bodem kan trekken, zoals bestrating en bouwwerken.

afbeelding binnen de regeling
Themakaart water in de gemeente Kaag en Braasem

10.5 Glastuinbouw

10.5.1 Inleiding

De gemeente heeft vier duurzame Glastuinbouwgebieden, waarvoor een ruimtelijke afbakening (contour) is vastgesteld in de visie van de Greenport Aalsmeer. Dit zijn De Baan en Sotaweg, Geestweg en Floraweg, Tuinbouwgebied Nieuwe Wetering en Tuinbouwgebied Woubrugge. Deze gebieden zijn niet uniform en kennen elk hun eigen karakter. Hoofdstuk 5 (Economie) biedt een stand van zaken die omschrijft welke processen er binnen de verschillende gebieden lopen. Voorgestelde ontwikkelingen buiten de glastuinbouw, gaan voorlopig niet door in afwachting van onze toekomstvisie op de verschillende tuinbouwgebieden. Tuinbouwontwikkelingen die passen binnen de regels zijn toegestaan en ook wenselijk. Daarom blijft voor nu de algemene ambitie voor de glastuinbouwgebieden staan.

10.5.2 Wat willen we bereiken?

Een kansrijke toekomst voor de glastuinbouwsector.

10.5.3 Specifieke uitgangspunten

  • De focus binnen dit gebied ligt op de glastuinbouwactiviteiten. Zo is er bijvoorbeeld geen ruimte voor horeca, verblijfsrecreatie, evenementen, woningbouw en aan-huis-verbonden beroepen en -bedrijven. Wel kan het zo zijn dat na vaststelling van het nieuwe ruimtelijke plan voor dit gebied er mogelijk nieuwe regels komen voor de nu aanwezige bedrijven, activiteiten of gebouwen.

  • Er is ruimte voor kleine aan glastuinbouw gerelateerde bedrijvigheid en huisvesting van arbeidsmigranten.

  • Bij nieuwbouw of herstructurering van het betreffende glastuinbouwgebied is er in het bijzonder aandacht voor duurzaamheid, de ontsluiting en water. Het bestaande bodem- en watersysteem is daarbij leidend: uitbreiding of herinrichting moet passen binnen de lokale waterhuishouding en mag geen verslechtering van de bodemgesteldheid of waterkwaliteit veroorzaken.

  • Glastuinbouwgebieden hebben de mogelijkheid om zich te ontwikkelen, daarom is er ruimte op het gebied van geur, geluid en lichthinder. Ontwikkelingen in het gebied moeten wel rekening houden met een goed woon- en leefklimaat voor de woningen in de naastgelegen kernen.

 

afbeelding binnen de regeling
Themakaart locaties voor duurzame glastuinbouw in gemeente Kaag en Braassem

10.6 Bedrijventerreinen

10.6.1 Inleiding

Binnen onze gemeente zijn de volgende Bedrijventerreinen aanwezig: Veenderveld, De Lasso en Drechthoek. Deze terreinen zijn goed bereikbaar en toegankelijk en bieden een aantrekkelijk vestigingsmilieu. Bij de huidige bedrijventerreinen is er geen ruimte om uit te breiden of te ontwikkelen in het ondernemen, terwijl ondernemers daar wel behoefte aan hebben.

  • We werken dan ook hard aan de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen:

  • Een marktpartij werkt aan het opzetten van Drechthoek II in Leimuiden.

  • We blijven de mogelijkheden voor een bedrijventerrein ten westen van de N445 nabij Nieuwe Wetering en Rijpwetering onderzoeken.

  • Aan de Boskade in Hoogmade zijn we braakliggende gronden aan het herontwikkelen. Daar komen bedrijfsverzamelgebouwen voor (lokale) mkb-ondernemers.

 

Om (bestaande) bedrijventerreinen tot een succes te maken, is het wenselijk om bedrijven zoveel mogelijk te plaatsen op deze terreinen en dus te laten verdwijnen uit de kernen, het glastuinbouwgebied en het buitengebied.

10.6.2 Wat willen we bereiken?

Een aantrekkelijk vestigingsgebied voor bedrijven zijn en blijven.

10.6.3 Specifieke uitgangspunten

  • We geven ontwikkelingen ruimte op het gebied van geur, geluid, luchtkwaliteit en lichthinder, zonder dat dit het goede woon- en leefklimaat van de nabijgelegen woningen schaadt.

  • We werken actief mee aan het opzetten van een Bedrijfsinvesteringszone (BIZ) en aan het traject Keurmerk Veilig Ondernemen (KVO).

  • Bedrijfsactiviteiten staan centraal. We sluiten daarom detailhandel, nieuwe evenementenlocaties, horeca en aan-huis-verbonden bedrijven en -beroepen binnen deze gebieden uit (zoals kappers, pedicures, schoonheidsspecialisten). Wel kan het zo zijn dat na vaststelling van het nieuwe ruimtelijke plan voor dit gebied er mogelijk nieuwe regels komen voor de nu aanwezige bedrijven, activiteiten of gebouwen. Dit betekent dat na vaststelling van het nieuwe ruimtelijke plan voor dit gebied een handhavingsvraagstuk kan ontstaan voor aanwezige andere functies.

  • Bedrijfswoningen zijn alleen toegestaan als de noodzakelijkheid en doelmatigheid van de woningen zijn aangetoond.

  • Bedrijfswoningen mogen binnen dit gebiedstype niet worden gesplitst.

  • Woningen voor derden (inwoners) zijn niet toegestaan.

  • We koppelen het (her)ontwikkelen van een bedrijventerrein aan andere functies en opgaven, zoals het lokaal bergen van hemelwater, het stimuleren van duurzame energieopwekking (bijvoorbeeld door het plaatsen van zonnepanelen en/of kleinschalige windinstallaties), het versterken van de biodiversiteit die kenmerkend is voor de gebouwde omgeving en het voorkomen van overlast door hitte of droogte.

  • Bij (her)ontwikkeling van een bedrijventerrein staat het water- en bodemsysteem voorop. De uitbreiding of herinrichting moet passen binnen de lokale waterhuishouding en mag geen verslechtering van de bodemgesteldheid of waterkwaliteit veroorzaken.

  • Bij het (her)ontwikkelen van een bedrijventerrein is bereikbaarheid één van de belangrijkste pijlers. Hierbij gaat het om bereikbaarheid voor vrachtwagens, personenauto’s, voetgangers, fietsers en het openbaar vervoer.

 

afbeelding binnen de regeling
Themakaart ontwikkeling van bedrijventerreinen in gemeente Kaag en Braasem

 

10.7 Infrastructuur en beperkingszones

De A4 en de naastgelegen HSL doorsnijden de gemeente. Deze infrastructuur is dan ook sterk aanwezig in het landschap, vooral door de hoge geluidsschermen die zichtbaar zijn. Vanaf de buitenkant werkt dit soms vervreemdend en verstoort dit de landelijke rust. Vanaf de snelweg is echter duidelijk zichtbaar dat onze gemeente onderdeel is van het Groene Hart. Verder gebruiken de bedrijven langs de rijksweg A4 hun zichtlocatie optimaal. De ruimte voor hogere bebouwing, zendmasten en reclame-uitingen op de bedrijventerreinen maakt dat mogelijk.

De ligging van Kaag en Braassem aan de rijksweg A4 en vlakbij de A44 is gunstig. Daarnaast lopen de provinciale wegen N207 (tussen Bergambacht en Hillegom), N445 (tussen Leiderdorp en Roelofarendsveen) en N446 (tussen Leiderdorp en Ter Aar) voor een deel door onze gemeente. De goede ontsluiting van en naar rijks- en provinciale wegen biedt bedrijventerreinen en glastuinbouwgebieden logistieke mogelijkheden.

Ten slotte hebben we nog te maken met een aantal beperkingenzones. Allereerst de geluidcontouren van Schiphol. De regels die hiervoor gelden staan in het Luchthavenindelingbesluit (LIB). Voor de gebieden die binnen die zone vallen gelden beperkende bouwvoorschriften en specifieke eisen voor het onderbouwen van bouwinitiatieven. De rijksoverheid is van plan om de ruimtelijke afbakeningen (contouren) in het LIB aan te passen. Voor onze gemeente lijken die contouren vooralsnog kleiner te worden. Deze voorgenomen wijziging maakt bouwinitiatieven makkelijker in de kernen aan de Vriezekoop en de Herenweg van Leimuiden.

Een andere beperkingenzone is de molenbiotoop. Om de molens liggen cirkels van elk 400 meter om het zicht op de molen en diens windvang te beschermen. Binnen een straal van 100 meter gelden nog striktere eisen voor nieuwe bebouwing of beplanting. De regels die hiervoor gelden komen rechtstreeks uit de provinciale omgevingsverordening. Ontwikkelingen binnen de molenbiotoop zijn mogelijk als die de vrije windvang en het zicht op de molen niet verder beperken.

Tot slot nemen wij in deze herziening de aanwezige infrastructuur mee van TenneT. De aanwezigheid van hoogspanningsinfrastructuur kan beperkingen opleveren voor het gebruik van de gronden. Bovendien is het van belang dat hoogspanningsverbindingen te allen tijde bereikbaar zijn en blijven voor onderhoud, storingen en/of calamiteiten, ten behoeve van de leveringszekerheid. De ruimtelijke borging hiervan vindt plaats in het gemeentelijk omgevingsplan. In deze omgevingsvisie wordt er wel voor gekozen de bovengrondse 380 kV hoogspanningsverbinding op de kaart weer te geven. Dit is relatief grootschalige infrastructuur met impact op de (gebruiksmogelijkheden van de) omgeving.

 

afbeelding binnen de regeling
Themakaart ruimtelijke hoofdstructuur mobiliteit en beperking

 

11 Omgevingsvisiekaart

afbeelding binnen de regeling

Bijlage I Overzicht Informatieobjecten

Bijlage II Overzicht Documentenbijlagen

Bijlage III Gebiedsgerichte programma's

1 gebiedsgerichte programma's

Gebiedsgerichte programma's

Bijlage IV mer beoordeling

1 Oplegger mer beoordeling omgevingsvisie

Oplegger mer beoordeling

2 mer beoordeling omgevingsvisie

Mer beoordeling omgevingsvisie

Bijlage V Bijlage

1 Wijzigingsdocument omgevingsvisie

Wijzigingsdocument omgevingsvisie versie 2025