Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR755962
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR755962/1
Besluit maatschappelijke ondersteuning Culemborg 2026
Geldend van 30-01-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026
Intitulé
Besluit maatschappelijke ondersteuning Culemborg 2026Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Culemborg gelet op de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015, het uitvoeringsbesluit Wmo 2016 en de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2026 gemeente Culemborg,
Besluit vast te stellen:
Het Besluit maatschappelijke ondersteuning Culemborg 2026.
1 Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
1.1. Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze nadere regelingen de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a.
Aanbieder: rechtspersoon die jegens het college gehouden is een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening te leveren op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
- b.
Dienstverlening: hulp die een persoon, instantie of onderneming biedt aan de inwoner.
- c.
Hulp bij het huishouden: het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden van een persoon dan wel van de leefeenheid waartoe een persoon behoort.
- d.
Kortdurend verblijf: logeren gedurende maximaal drie etmalen per week met als doel het overnemen van de zorg ter ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg aan de inwoner biedt
- e.
Persoonsgebonden budget (PGB): bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren en die een inwoner van derden heeft betrokken;
- f.
Tarief of kostprijs: het bedrag dat de gemeente aan een aanbieder moet betalen voor de verstrekking van een voorziening in natura.
- g.
Zzp’er: een ondernemer die geen personeel in dienst heeft, waarbij voor de vaststelling of er sprake is van een ondernemer de volgende criteria gelden:
- -
zelfstandigheid bij de inrichting van de eigen werkzaamheden en het uitvoeren daarvan;
- -
het voor eigen rekening en risico verrichten van werkzaamheden;
- -
bekendmaking van het ondernemerschap;
- -
het hebben van meerdere opdrachtgevers.
- -
- h.
Inkomen:
- -
Het verzamelinkomen of het belastbare loon van de aanvrager;
- -
Het gezamenlijk verzamelinkomen of belastbare loon van de ouders of pleegouders van de persoon waarvoor een voorziening wordt aangevraagd indien deze persoon jonger is dan 18 jaar en geen echtgenoot heeft in de zin van artikel 1, lid 2 van de wet.;
- -
Het gezamenlijk verzamelinkomen of belastbare loon van de aanvrager en zijn echtgenoot, indien de aanvrager een echtgenoot heeft in de zin van artikel 1, lid 2 van de wet.
- -
- i.
Verzamelinkomen: fiscaal begrip; het totaal van inkomsten en aftrekposten van de drie belastingboxen. De belastingdienst vermindert dit verzamelinkomen met een bepaald bedrag waarna het gecorrigeerde verzamelinkomen resteert.
- j.
Belastbaar loon: fiscaal begrip; loon voor de loonheffing. Indien er geen aangifte is gedaan dan via de jaaropgave het belastbaar loon gebruiken, of middels het loonstrookje; loon voor de loonheffing x 12 (of 13) x 1,08 (vakantiegeld).
- k.
Eigen bijdrage: Een door het college vast te stellen bijdrage, die bij resp. de verstrekking van een Wmo- voorziening in natura, het persoonsgebonden budget (eigen bijdrage) of een financiële tegemoetkoming (eigen aandeel) betaald moet worden. De regels van de verordening Wmo en beleidsregels zijn hierbij van toepassing.
1.2. Artikel 2. Overige begrippen
Alle begrippen die in dit Besluit worden gebruikt en niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de op die wetten gebaseerde lagere regelgeving, de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Culemborg 2026 en de Algemene Wet bestuursrecht (Awb).
2 Hoofdstuk 2. Maatwerkvoorzieningen
2.1. Artikel 3. Tarieven Hulp bij het Huishouden
In onderstaande overzichten vindt u de tarieven voor de verschillende vormen van Hulp bij het Huishouden voor het contractjaar 2026 van de Wmo Regio Rivierenland. Alle genoemde bedragen zijn per aangegeven eenheid.
Voor iedere productcode geldt het tarief zoals hieronder vermeld en worden berekend per de genoemde eenheid. De producten omvatten onder andere huishoudelijke schoonmaak, verzorging van kleding, organisatie van taken, het beschikken over levensmiddelen en de verzorging van maaltijden.
|
Categorie |
Productcode |
Productomschrijving |
Start datum |
Eind datum |
Tarief 2026 |
Omschrijving eenheid tarief |
|
Hulp bij het huishouden |
01A10 |
Schoon en leefbaar huis |
01-01-2026 |
31-3-2026 |
€ 353,19 |
stuks |
|
Hulp bij het huishouden |
01A11 |
Schoon en leefbaar huis + beschikken over schone kleding en bedden- en linnengoed |
01-01-2026 |
31-3-2026 |
€ 453,20 |
stuks |
|
Hulp bij het huishouden |
01A16 |
Schoon en leefbaar huis + beschikken over gestreken representatieve kleding |
01-01-2026 |
31-3-2026 |
€ 386,20 |
stuks |
|
Hulp bij het huishouden |
01A17 |
Schoon en leefbaar huis + beschikken over schone kleding en bedden- en linnengoed + beschikken over gestreken representatieve kleding |
01-01-2026 |
31-3-2026 |
€ 486,21 |
stuks |
|
Hulp bij het huishouden |
01A18 |
Organisatie van huishoudelijke taken |
01-01-2026 |
31-3-2026 |
€ 39,61 |
uur |
|
Hulp bij het huishouden |
01A19 |
Beschikken over benodigde levensmiddelen |
01-01-2026 |
31-3-2026 |
€ 142,93 |
stuks |
|
Hulp bij het huishouden |
01A20 |
Bereiden van een broodmaaltijd |
01-01-2026 |
31-3-2026 |
€ 39,61 |
uur |
|
Hulp bij het huishouden |
01A21 |
Bereiden van een warme maaltijd |
01-01-2026 |
31-3-2026 |
€ 39,61 |
uur |
|
Hulp bij het huishouden |
01A03 |
Zorg voor jonge kinderen |
01-01-2026 |
31-3-2026 |
€ 39,61 |
uur |
|
Hulp bij het huishouden |
01A00 |
Urenindicatie |
01-01-2026 |
31-3-2026 |
€ 39,61 |
uur |
2.2. Artikel 4. Tarieven Begeleiding en dagbesteding
2.2.1 Tarieven Wmo Regio Rivierenland
Voor het jaar 2026 zijn de tarieven voor Wmo en Jeugd in de Regio Rivierenland vastgesteld voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 30 juni 2026. Hieronder volgt een overzicht van de tarieven:
|
Perceel |
Productomschrijving |
Productcode |
Omschrijving categorie |
Omschrijving eenheid |
2026 tarieven |
Eenheid |
|
1 |
Begeleiding individueel regulier |
02A03 |
Begeleiding |
Uur |
€ 74,40 |
Uur |
|
1 |
Begeleiding individueel specialistisch |
02A05 |
Begeleiding |
Uur |
€ 99,00 |
Uur |
|
2 |
Dagbesteding groep |
07A03 |
Dagbesteding |
Dagdeel (4 uur) |
€ 49,85 |
Dagdeel (4 uur) |
|
2 |
Dagbesteding groep extra |
07A04 |
Dagbesteding |
Dagdeel (4 uur) |
€ 72,37 |
Dagdeel (4 uur) |
|
2 |
Vervoer regulier |
08A05 |
Vervoerdiensten |
Etmaal |
€ 24,22 |
Etmaal |
|
2 |
Vervoer rolstoel |
08A08 |
Vervoerdiensten |
Etmaal |
€ 33,21 |
Etmaal |
|
2 |
Eigen vervoer |
08A01 |
Vervoerdiensten |
Etmaal |
€ 12,87 |
Etmaal |
|
3 |
Logeeropvang volwassenen |
04A01 |
Kortdurend verblijf |
Etmaal |
€ 125,83 |
Etmaal |
2.3. Artikel 5. Regiotaxi Versis
Het individuele reizigerstarief 2026 bedraagt € 0,231 per kilometer t/m 25 km. Vanaf de 26ste kilometer bedraagt het tarief € 2,71 per kilometer. Reist u van of naar een Puntbestemming1, dan geldt het opstaptarief bedraagt € 1,97 en het kilometertarief € 0,231 ongeacht de reisafstand.
2.3.1 Maximaal gesubsidieerde reisafstand per jaar:
- •
Laag kilometer budget = 1.320 km
- •
Hoog kilometer budget = 2.200 km
Uit jurisprudentie blijkt om te kunnen participeren de belanghebbende de mogelijkheid moet hebben om jaarlijks lokaal en regionaal (tot ongeveer 15 tot 20 km afstand van de woning van belanghebbende) 1.500 tot 2.000 km moet kunnen reizen.
3 Hoofdstuk 3. Procedure en hoogte van het PGB
3.1. Artikel 6. Hoogte persoonsgebonden budget (PGB)
-
1. De hoogte van een PGB-tarief voor dienstverlening wordt bepaald op basis van de dienstverlening die anders als zorg in natura zou zijn geleverd. Hierin onderscheidt het college de volgende onderverdeling:
- 1.
Als de dienstverlening wordt uitgevoerd door een aanbieder betreft het tarief per uur of per resultaat maximaal 100% van ten hoogste de kostprijs van de ondersteuning die de aanvrager op dat moment zou hebben ontvangen als de ondersteuning in natura zou zijn verstrekt.
- 2.
Als de dienstverlening wordt uitgevoerd door een zzp’er betreft het tarief per uur of per resultaat maximaal 100% van het laagste tarief per uur of per resultaat van een door de gemeente gecontracteerde instelling die een vergelijkbare vorm van dienstverlening biedt;
- 3.
Als de dienstverlening wordt uitgevoerd door een persoon uit het sociaal netwerk dan bedraagt het uurtarief:
- ➢
Voor hulp bij het huishouden bedraagt het informeel tarief €17,75 per uur. Dit is het minimumloon, inclusief vakantietoeslagen en verlofuren. Indien de budgethouder werkgeverslasten moet afdragen, wordt het budget met die lasten verhoogd.
- ➢
Voor begeleiding individueel en dagbesteding bedraagt het informeel tarief € 17,75,- per uur. Dit is het minimumloon, inclusief vakantietoeslagen en verlofuren. Indien de budgethouder werkgeverslasten moet afdragen, wordt het budget met die lasten verhoogd.
- ➢
In geval sprake is van een arbeidsovereenkomst, waarbij werkgeverslasten afgedragen moeten worden, wordt het pgb verhoogd met deze werkgeverslasten. Hierbij gaat het college uit van het hoge tarief. Beide tarieven worden (mede) gepubliceerd op de website van de SVB.
- ➢
- 1.
3.2. Artikel 7. Hoogte persoonsgebonden budget hulpmiddelen
-
1. Het college stelt de hoogte van het pgb en het eventuele bedrag voor onderhouds- en verzekeringskosten vast in het toekenningsbesluit.
-
2. In geval van onderhouds- en verzekeringskosten is de inwoner verplicht:
- a.
een onderhoudscontract af te sluiten met een leverancier, waarin tenminste zijn opgenomen de kosten van reparaties (inclusief onderdelen, voorrijkosten en arbeidsloon), 24-uurs-service, recht op gebruik van leenvoorziening, jaarlijks onderhoud en keuring, en
- b.
bij aanschaf van bepaalde vervoersvoorzieningen een wettelijke aansprakelijkheidsverzekering af te sluiten.
- a.
-
3. De inwoner dient het college desgevraagd in de gelegenheid te stellen de met het Pgb aangeschafte maatwerkvoorziening te bezichtigen en te (laten) beoordelen.
-
4. De kosten van onderhoud en reparaties van de aangeschafte voorziening wordt jaarlijks uitbetaald na het indienen van de factuur gedurende de economische afschrijvingsduur en is gebaseerd op de kosten voor de vergelijkbare voorziening in natura.
3.3. Artikel 8: Toetsing motivatie eis, bekwaamheid en kwaliteit
Een persoonsgebonden budget wordt na toetsing verstrekt, indien de inwoner aan alle onderstaande voorwaarden voldoet:
- 1.
Motivatie-eis: de inwoner stelt zich gemotiveerd op het standpunt dat hij de maatwerkvoorziening als PGB geleverd wenst te krijgen; hiertoe dient de inwoner een persoonlijk PGB-plan in bij de gemeente. Tevens wordt gewaarborgd dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een PGB aan te vragen en dat de aanvrager zich voldoende heeft georiënteerd op de voorzieningen in natura.
- 2.
Bekwaamheid: de inwoner dient naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat te worden geacht zijn belangen te kunnen behartigen en op eigen kracht dan wel met hulp uit zijn sociaal netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat worden geacht de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Bij aanvraag volgt er een proefperiode van zes maanden. Inwoner wordt dan getoetst op zijn/haar budgethouderschap.
- 3.
Kwaliteit: naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren en die de inwoner van het budget wil inkopen, van goede kwaliteit (veilig, doeltreffend en inwonergericht) zijn. De kwaliteit wordt benoemd in het persoonlijk PGB-plan. De beheerder van het PGB kan nooit de uitvoerder van de voorziening/zorg zijn.
3.4. Artikel 9: Persoonlijk plan bij PGB aanvraag
-
1. Een inwoner die een aanvraag doet voor een PGB heeft de verplichting een PGB-plan in te dienen bij de aanvraag. Het PGB-plan wordt in het onderzoeksdossier bijgevoegd en wordt gebruikt bij de beoordeling of de inwoner in aanmerking komt voor een PGB.
-
2. De inwoner geeft - al dan niet tezamen met zijn sociaal netwerk - in het PGB-plan tenminste de volgende onderdelen aan:
- •
Wat de motivatie is om een aanvraag voor een PGB in te dienen;
- •
Hoe hij de aan een PGB verbonden taken op verantwoorde wijze uit gaat voeren;
- •
Welke ondersteuning hij zou willen inkopen met het budget;
- •
Op welke manier deze ondersteuning bijdraagt aan zijn participatie en zelfredzaamheid;
- •
Hoe de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd;
- •
Hoe eventuele meerkosten van de ondersteuning worden bekostigd;
- •
3.5. Artikel 10: Trekkingsrecht PGB
Het bedrag voor PGB wordt overgemaakt op rekening van de Sociale Verzekeringsband (SVB). De budgethouder geeft het te betalen bedrag (bon/factuur) door aan de SVB. Vervolgens verzorgt de SVB, na diverse controles, de betalingen aan de zorgverlener of zorginstelling. Zowel de budgethouder als de gemeente krijgt inzicht in de besteding van het PGB en ontvangen overzichten, waarin duidelijk wordt hoeveel van het PGB waaraan is besteed en wat er nog over is. Niet bestede bedragen worden teruggestort aan de gemeente. De volgende afspraken zijn gemaakt met de SVB:
- 1.
Budget dat niet rechtstreeks aan zorg wordt uitgegeven, zoals administratiekosten, bemiddelingskosten, reiskosten, een eenmalige uitkering en een feestdagenuitkering niet uit het PGB te vergoeden.
- 2.
Na einde PGB buiten schuld om van de budgethouder wordt maximaal één volledig maandsalaris uitbetaald (bij voldoende budget) ter compensatie van het verlies van inkomsten zorgverlener.
4 Hoofdstuk 4. Financiële tegemoetkoming en PGB
4.1. Artikel 11. Financiële tegemoetkoming voor kosten taxi etc.
De tegemoetkoming voor:
- a.
Taxikosten bedraagt jaarlijks € 655,38
- b.
Rolstoeltaxikosten bedraagt jaarlijks € 980,23
- c.
Verhuiskosten bedraagt € 3.729,32
- d.
Aanschaf en onderhoud van een sportrolstoel bedraagt maximaal €2987,44 voor een periode van 3 jaar
- e.
Het bezoekbaar maken van een woning bedraagt maximaal € 3.173,37
4.2. Artikel 12. Financiële tegemoetkoming en PGB bij woningaanpassing
-
1. De hoogte van een door het college te verlenen financiële tegemoetkoming voor een woonvoorziening als bedoeld in de beleidsregels financiële tegemoetkoming tijdelijke huisvesting bedraagt de werkelijke kosten met een maximum van €560,64 per maand. Het betreft de tegemoetkoming in de kosten van het tijdelijk betrekken van een woonruimte en het langer moeten aanhouden van de te verlaten woonruimte. Het college brengt geen eigen bijdrage in de kosten bij tijdelijke huisvesting.
-
2. De hoogte van de financiële tegemoetkoming in de aanpassingskosten van een woonwagen of woonschip bedraagt maximaal € 1245,48.
-
3. De hoogte van een PGB voor het realiseren van een woningaanpassing wordt gebaseerd op het programma van eisen en op de door het college goedgekeurde offerte.
-
4. Een PGB voor woningaanpassingen moet binnen 12 maanden na toekenning zijn aangewend voor de bekostiging van het doel waarvoor het Pgb is verleend en voldoen aan het programma van eisen als bedoeld in het eerste lid.
-
5. Voor de verstrekking van een PGB voor een woningaanpassing gelden de volgende voorwaarden:
- a.
de inwoner verleent het college desgevraagd op één of meer door het college te bepalen tijdstippen toegang tot de woning of het gedeelte van de woning waar de aanpassing wordt aangebracht;
- b.
de inwoner verstrekt desgevraagd inzage in de bescheiden en tekeningen die betrekking hebben op de woningaanpassing;
- c.
aan het college wordt desgevraagd de gelegenheid geboden tot het (laten) controleren van de woningaanpassing.
- a.
-
6. De inwoner aan wie een PGB is toegekend voor het realiseren van een woningaanpassing aan de eigen woning is verplicht zorg te dragen voor een opstalverzekering die in voldoende mate de te verzekeren waarde van de woning dan wel de getroffen woningaanpassing dekt voor het risico van schade.
-
7. Indien een eigenaar-bewoner zijn woning verkoopt binnen vijf jaar na gereed melding van een woningaanpassing waarvoor een PGB is verleend die meer bedraagt dan € 5.000,- is de eigenaar-bewoner verplicht tot terugbetaling van een deel van de aanpassingskosten indien en voor zover de aanpassing heeft geleid tot waardestijging van de woning. De waardestijging van de woning wordt vastgesteld conform de WOZ-waarde.
-
8. Het college geeft opdracht tot het verrichten van een waardebepaling van de woning direct voorafgaand aan de verstrekking van de PGB en binnen 6 maanden na gereed melding van de aanpassing. Het positieve verschil in waarde tussen beide waardebepalingen is beschouwd als waardestijging als gevolg van de aanpassing van de woning.
-
9. Het bedrag van de waardestijging, conform de WOZ-waarde, tot een maximum van het als PGB verstrekte bedrag, dient als volgt te worden terugbetaald:
- a.
Bij verkoop van de woning in het eerste jaar na gereed melding 100% van de waardestijging van de woning;
- b.
Bij verkoop van de woning in het tweede jaar na gereed melding 80% van de waardestijging van de woning;
- c.
Bij verkoop van de woning in het derde jaar na gereed melding 60% van de waardestijging van de woning;
- d.
Bij verkoop van de woning in het vierde jaar na gereed melding 40% van de waardestijging van de woning;
- e.
Bij verkoop van de woning in het vijfde jaar na gereed melding 20% van de waardestijging van de woning.
- a.
-
10. Direct na voltooiing van de werkzaamheden van een woningaanpassing, maar uiterlijk binnen 12 maanden na het verlenen van de financiële tegemoetkoming, verklaart de woningeigenaar aan het college dat bedoelde werkzaamheden zijn voltooid. De gereed melding vergezeld van een verklaring dat bij het treffen van de voorzieningen is voldaan aan de voorwaarden waaronder de PGB is verstrekt.
4.3. Artikel 13. PGB bij auto-aanpassingen
Ten aanzien van auto-aanpassingen gelden de volgende criteria:
- a.
Het persoonsgebonden budget dat wordt toegekend voor een auto-aanpassing bedraagt zevenmaal de vergoeding voor een (rolstoel)taxi (artikel 11);
- b.
De auto mag niet ouder zijn dan drie jaar;
- c.
De autoaanpassing wordt in principe voor de periode van zeven jaar verstrekt.
5 Hoofdstuk 5. Eigen bijdrage
5.1. Artikel 14. Minimabeleid eigen bijdrage
|
2026 Minimabeleid gemeente Culemborg |
||
|
Huishouden + leeftijd |
A. Max periode bijdrage |
B. Inkomensgrens |
|
Eenpersoonshuishouden, niet AOW-gerechtigd |
€ 21,80 |
€ 24.450 |
|
Eenpersoonshuishouden, AOW-gerechtigd |
€ 21,80 |
€ 24.665 |
|
Meerpersoonshuishouden niet AOW-gerechtigd |
€ 0 |
€ 0 |
|
Meerpersoonshuishouden, AOW-gerechtigd |
€ 21,80 |
€ 33.860 |
Iedereen onder de inkomensgrens wordt vrijgesteld van het abonnementstarief. Zij ontvangen een € 0,00 factuur van het CAK (minimabeleid)
5.2. Artikel 15. Duur/proces opleggen eigen bijdrage
De eigen bijdrage start bij het opvoeren van een startbericht van gemeente naar het CAK. Dat is de datum waarop de eigen bijdrage moet starten. Het CAK start de maand volgend op de startdatum met het innen van de eigen bijdrage. Voor de eigen bijdrage wordt de aangeleverde stopdatum aan het CAK geïnterpreteerd als datum waarop de eigen bijdrage moet stoppen. De eigen bijdrage kan ook opgeschort worden (pauzeren). Dat kan door de zorgaanbieder een stopbericht te sturen en later weer een startbericht te sturen.
5.3. Artikel 16. Uitgangspunten eigen bijdrage
-
a. Alleen wanneer alle Wmo-verstrekkingen zijn gestopt of wanneer de kostprijs is bereikt en er verder geen andere voorzieningen zijn, wordt er een stopbericht naar het CAK gestuurd. De gegevensuitwisseling vindt dus niet plaats op toewijzingsniveau (per verstrekking) maar op persoonsniveau.
-
b. De gemeente bepaalt sinds 2020 zelf de stopdatum van het abonnementstarief (de eigen bijdrage) voor inwoners die gebruik maken van de ondersteuning die onder het Wmo abonnementstarief valt.
-
c. Het CAK stopt met innen in de maand na de maand van de stopdatum.
-
d. Gemeenten sturen altijd een bericht als de inning van de eigen bijdrage moet stoppen. Ook als de inwoner verhuist of overlijdt.
5.4. Artikel 17. Kostprijs eigen bijdrage
-
a. Kostprijsbewaking (voor hulpmiddelen en woningaanpassingen verstrekt in eigendom en bruikleen) vindt centraal plaats bij het CAK.
-
b. Het CAK stopt niet bij het bereiken van de kostprijs maar signaleert vooraf aan de gemeente. De gemeente kan vervolgens beslissen om de eigen bijdrage te stoppen.
-
c. Alleen de langstlopende kostprijs wordt aangeleverd bij het CAK. Om die te bepalen moet de gemeente de virtuele einddatum van de kostprijs per verstrekking berekenen.
5.5. Artikel 18. Geen eigen bijdrage
Geen eigen bijdrage of eigen aandeel is verschuldigd voor:
- a.
De regiotaxi
- b.
Kindervoorzieningen <18 jaar, behalve woonaanpassingen
- c.
Rolstoelvoorzieningen
- d.
Gebruikers van scootmobielpool
- e.
Gebruikers van rolstoeluitleenpunt
- f.
Algemene voorzieningen
6 Hoofdstuk 6. Herziening, wijziging en terugvordering
6.1. Artikel 19. Herziening of intrekking
Op basis van de uitkomst van een periodiek (her)onderzoek kan geconcludeerd worden dat een eerdere toekenning moet worden herzien of ingetrokken op basis van één van de gronden die genoemd zijn in lid 3 artikel 19 Verordening maatschappelijke ondersteuning 2026. Met name de onder a en f genoemde gronden zijn van belang in het kader van handhaving. Dat is schending van de inlichtingenplicht (zie artikel 2.3.8. lid 1 Wmo 2015). Een andere grond om een toekenning te herzien of in te trekken, is het niet voldoen aan de daarbij gestelde verstrekking voorwaarden (e).
De beslissing herziening of intrekking van een toekenning treedt in met terugwerkende kracht.
Besluiten tot een herziening of een intrekking van een eerder toegekende voorziening moet goed onderbouwd worden. Het betreft belastende besluiten waarvoor een zwaardere motiveringsplicht (zie 3:7 Awb) geldt.
6.2. Artikel 20. Terug- en invordering
Artikel 19 lid 5 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2026 bouwt rechtstreeks voort op het eerdergenoemde artikel 2.3.10 Wmo 2015. Als een toekenning op basis van lid 1, onder a, wordt ingetrokken en die intrekking vindt plaats met terugwerkende kracht, is het gevolg dat het recht ook met terugwerkende kracht vervalt. Wat in de tussentijd is verstrekt is dan in principe ten onrechte verstrekt. Daarom is in lid 1 van dit artikel 2.4.1 bepaald, dat we de geldswaarde van hetgeen tussentijds is verstrekt kunt terugvorderen van de inwoner, maar ook degene die daaraan heeft meegewerkt.
7 Hoofdstuk 7. Melden van calamiteiten en geweld
7.1. Artikel 21. Verplichting tot melden
-
1. Aanbieders, natuurlijke personen en zzp’ers die een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening leveren op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning, dienen calamiteiten te melden aan de toezichthoudende ambtenaar.
-
2. De melding aan de toezichthoudende ambtenaar dient onverwijld, maar uiterlijk binnen drie werkdagen na de calamiteit te geschieden.
7.2. Artikel 22. Inhoud melding
Een melding bevat:
- a.
De dagtekening van de melding;
- b.
Gegevens over de aanbieder en de betrokken zorgverleners, zoals de naam van de aanbieder, de locatie of de afdeling, de naam en hoedanigheid van de melder, de naam van de betrokken zorgverlener(s);
- c.
Gegevens over de betrokken inwoner(en) zoals de naam en de geboortedatum van de inwoner(en), geslacht, verblijfplaats;
- d.
Gegevens over betrokken gemeenten bij de calamiteit (plaats gebeurtenis, vestigingsplaats aanbieder, woonplaats betrokkene)
- e.
Gegevens over de inhoud van de calamiteit;
- f.
Informatie over de actuele veiligheid van de inwoner en eventuele anderen;
- g.
Informatie over het afhandelen van de calamiteit; hieronder valt ook de informatie of, en zo ja, welke belanghebbenden zijn geïnformeerd over de melding aan de toezichthoudend ambtenaar.
- h.
Inschatting van de mogelijkheid dat de calamiteit leidt tot maatschappelijke onrust of de mate waarin deze publiciteitsgevoelig is.
7.3. Artikel 23. Feitenrelaas
Op verzoek van de toezichthoudende ambtenaar stuurt de aanbieder binnen twee weken na de melding een feitenrelaas over de calamiteit toe aan de toezichthoudend ambtenaar. De toezichthoudend ambtenaar geeft aan uit welke elementen het feitenrelaas moet bestaan.
7.4. Artikel 24. Verzoek tot het doen van onderzoek
Op verzoek van de toezichthoudende ambtenaar voert de aanbieder een onafhankelijk onderzoek uit naar de calamiteit. De aanbieder legt binnen drie weken na het verzoek de opzet van het onderzoek aan de toezichthoudende ambtenaar voor en wacht op goedkeuring van de toezichthoudende ambtenaar. Na deze goedkeuring voert de aanbieder het onderzoek uit en stuurt de rapportage binnen uiterlijk zes weken na goedkeuring naar de toezichthoudende ambtenaar. De aanbieder draagt er zorg voor dat de opzet en uitvoering van dit onderzoek van verantwoord niveau zijn.
8 Hoofdstuk 8. Inwerkingtreding
8.1. Artikel 25. Inwerkingtreding en citeertitel
-
1. Dit besluit treedt met terugwerkende kracht in werking op 01-01-2026
-
2. Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit maatschappelijke ondersteuning Culemborg 2026.
Ondertekening
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl