Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR755805
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR755805/1
Beleidsregel artikel 13b Opiumwet gemeente Rijswijk 2026
Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 28-01-2026
Intitulé
Beleidsregel artikel 13b Opiumwet gemeente Rijswijk 20261. Inleiding
1.1. Bevoegdheid
Op grond van artikel 13b, eerste lid, onder a van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd om een last onder bestuursdwang op te leggen als in woningen of lokalen of op daarbij behorende erven drugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn. Deze last onder bestuursdwang kan het bevel van de burgemeester inhouden om de woning of het lokaal te sluiten.
Sinds 1 januari 2019 komt de burgemeester dezelfde bevoegdheid toe als in een woning of lokaal geen drugs worden aangetroffen (verkocht, afgeleverd, verstrekt of daartoe aanwezig zijn), maar er wel voorwerpen of stoffen aanwezig zijn die bestemd zijn voor het telen of bereiden van drugs, zoals in een drugslaboratorium of hennepkwekerij. Dit zijn zogenoemde voorbereidingshandelingen. De bevoegdheid is te vinden in artikel 13b, eerste lid, onder b van de Opiumwet.
Artikel 13b van de Opiumwet is erop gericht de uit het drugsgebruik voortvloeiende risico’s voor de volksgezondheid te voorkomen en te beheersen en de nadelige effecten van de productie en distributie van, handel in en het gebruik van drugs op het openbare leven en andere lokale omstandigheden tegen te gaan.
Een op artikel 13b van de Opiumwet gebaseerd herstelbesluit strekt tot uitoefening van bestuursdwang in de zin van artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Het betreft in dit geval daarom een bestuurlijke sanctie die ertoe strekt overtredingen van de Opiumwet (definitief) te beëindigen en herhaling daarvan te voorkomen1.
1.2. Belangenafweging
Het gebruik maken van artikel 13b van de Opiumwet is een bevoegdheid. In meerdere uitspraken heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) geoordeeld dat in het kader van de uitoefening van deze bevoegdheid een belangenafweging moet worden verricht. Daarbij moeten alle omstandigheden van het geval betrokken worden en dient de burgemeester te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb die maken dat het handelen overeenkomstig het beleid gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen2.
Sindsdien ligt het accent bij de toepassing van artikel 13b van de Opiumwet en de rechterlijke toetsing van de op dit artikel genomen besluiten op de belangenafweging en wordt er van de burgemeester maatwerk verlangd.
Een belang waaraan in dit verband een zwaarwegend gewicht toekomt, is het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, dat is vastgelegd in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Dit recht komt in beeld indien de bevoegdheid wordt toegepast op woningen. In de parlementaire geschiedenis van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet wordt in algemene zin opgemerkt dat bij een eerste overtreding nog niet tot sluiting van een woning dient te worden overgegaan, maar moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel. Alleen in ernstige gevallen mag van dit uitgangspunt worden afgeweken3. Een beleidsregel die geen mogelijkheid biedt om bij een eerste overtreding van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet te volstaan met een bestuurlijke waarschuwing of andere minder vergaande maatregel dan sluiting, wordt als onredelijk aangemerkt4.
De Afdeling heeft in drie uitspraken van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912, 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285 en 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1910 haar rechtspraak over woningsluitingen op grond van artikel 13b van de Opiumwet uiteengezet. Op 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922 heeft de Afdeling een nieuwe “overzichtsuitspraak” gedaan over het sluiten van woningen door de burgemeester na de vondst van drugs. In deze uitspraak geeft de Afdeling de uitgangspunten weer waarvan zij zal uitgaan bij het beoordelen van besluiten van burgemeesters op grond van artikel 13b van de Opiumwet. In de eerste plaats dient beoordeeld te worden in hoeverre een sluiting geschikt en noodzakelijk is. Als dat zo is, moet worden afgewogen of sluiting ook evenwichtig is. In deze beleidsregel wordt aangesloten bij dit beoordelings- en toetsingskader, dat hierna – bij de bespreking van het juridisch kader – nader zal worden uitgewerkt. Dit toetsingskader is ontwikkeld voor woningen, maar zal op grond van deze beleidsregel ook als kapstok worden gebruikt bij de toepassing van de bevoegdheid in het geval van lokalen.
1.3. Doelstellingen
Dit beleid richt zich primair op de preventie en beheersing van de uit het drugsgebruik voortvloeiende risico’s voor de volksgezondheid en op het tegengaan van nadelige effecten van de handel in en productie van drugs op het openbare leven en andere lokale omstandigheden, onder meer bezien vanuit de gevolgen op de openbare orde.
Hieruit voorkomende nevendoelstellingen (niet limitatief) zijn dat:
- –
de kwaliteit van het woon- en leefklimaat verbetert/herstelt;
- –
voor de overtreder en/of rechthebbende op het gebruik van het pand kenbaar is welke herstelmaatregel van de overheid verwacht kan worden na een overtreding, hetgeen een preventief effect sorteert, in die zin dat pandeigenaren zich bewust worden van de verantwoordelijkheden die zij hebben met betrekking tot het verhuren van hun panden;
- –
de illegale activiteiten rondom drugs en binding met het criminele circuit effectiever worden bestreden.
1.4. Strekking van deze beleidsregel
Deze beleidsregel strekt ertoe de bestaande beleidsregel “Beleidsregel van de burgemeester van de gemeente Rijswijk houdende regels omtrent illegale handel in drugs en/of de productie van drugs (Beleidsregel bestuurlijke handhaving artikel 13b Opiumwet Rijswijk 2020)” te herijken en in overeenstemming te brengen met de actuele stand van het recht, waaronder in het bijzonder op het gebied van de evenredigheidstoets.
2. Beleidskader
Deze beleidsregel is van toepassing op de uitoefening door de burgemeester van de in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet neergelegde bevoegdheid ten aanzien van:
- I.
drugshandel
- –
in al dan niet voor publiek toegankelijke lokalen (bijvoorbeeld winkels) of bijbehorende erven;
- –
in woningen of bijbehorende erven.
- –
- II.
voorbereidingshandelingen
- –
in al dan niet voor publiek toegankelijke lokalen (bijvoorbeeld winkels) of bijbehorende erven;
- –
in woningen of bijbehorende erven.
- –
3. Juridisch kader
3.1. Bevoegdheid
Artikel 13b van de Opiumwet luidt als volgt:
|
Voor deze beleidsregel is artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet van betekenis. De hierin onder sub a genoemde lijst I heeft betrekking op harddrugs. De genoemde lijst II bevat de verboden softdrugs.
Lijst IA bevat een aantal stofgroepen waarvan de chemische structuur is afgeleid van meerdere substanties met een psychoactieve werking die op lijst I van de Opiumwet staan vermeld. Het gaat om substanties en de preparaten daarvan die vergelijkbare psychoactieve effecten teweegbrengen, dan wel beogen teweeg te brengen, als de bekende drugs, zoals MDMA, THC (de psychoactieve stof in cannabis) en heroïne.
De verwijzing naar artikel 3a, vijfde lid, van de Opiumwet heeft betrekking op middelen die door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zijn aangewezen bij ministeriële regeling. Dit zijn middelen die de Minister onverwijld onder de werking van de Opiumwet wil brengen: in verband met spoedeisendheid kan niet gewacht worden op een wijziging van (lijst I of II van) de Opiumwet5.
De onder sub b bedoelde situaties doen zich voor als in een pand of op een daarbij behorend erf geen drugs worden aangetroffen (noch verkocht, afgeleverd of verstrekt), maar er wel voorwerpen of stoffen aanwezig zijn die bestemd zijn voor het telen of bereiden van drugs, zoals bepaalde apparatuur, chemicaliën en versnijdingsmiddelen, oftewel indien sprake is van zogenoemde strafbare voorbereidingshandelingen, als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3 of artikel 11a van de Opiumwet.
Zowel voor de kwalificatie van drugshandel als die van voorbereidingshandelingen is tevens de “Aanwijzing Opiumwet” van het College van procureurs-generaal van het Openbaar Ministerie van 27 februari 2015 van belang6. Hierop is deze beleidsregel afgestemd.
3.1.1. Kwalificatie drugshandel
In deze beleidsregel wordt onder “drugshandel” verstaan: de verkoop, aflevering of verstrekking van drugs dan wel de aanwezigheid van drugs daartoe, een en ander zoals bedoeld in artikel 13b, eerste lid, onder a van de Opiumwet.
Vaste rechtspraak van de Afdeling is dat aangenomen mag worden dat een meer dan geringe hoeveelheid drugs niet, althans niet uitsluitend, voor eigen gebruik door een persoon bestemd is, maar deels of geheel voor verkoop, aflevering of verstrekking aan derden. De hoeveelheid van de in een woning of lokaal aanwezige drugs kan dan ook indiceren dat deze voor verkoop, aflevering of verstrekking bestemd zijn en dus dat artikel 13b, eerste lid, onder a van de Opiumwet van toepassing is.
Om te beoordelen of de hoeveelheid erop wijst dat de drugs voor verkoop, aflevering of verstrekking bestemd zijn, kan in redelijkheid worden aangesloten bij de door het Openbaar Ministerie toegepaste criteria in de “Aanwijzing Opiumwet”, waarbij een hoeveelheid harddrugs van maximaal 0,5 gram, maximaal 5 ml (GHB) en een hoeveelheid softdrugs van maximaal 5 gram als hoeveelheden voor eigen gebruik worden aangemerkt. Bij de aanwezigheid van een hoeveelheid drugs in een woning of lokaal die groter is dan een hoeveelheid voor eigen gebruik, is in beginsel aannemelijk dat die drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de betrokkene het tegendeel aannemelijk te maken. Als het om een geringe overschrijding van de grens van de gebruikershoeveelheid gaat en de betrokkene feiten en omstandigheden noemt die erop duiden dat het om een hoeveelheid voor eigen gebruik gaat, is er in beginsel geen overtreding en dus geen bevoegdheid om handhavend op te treden. Deze situatie doet zich voor als de betrokkene een helder, consistent en overtuigend betoog heeft waarom hier sprake is van eigen gebruik en er geen andere voorwerpen in de woning zijn aangetroffen die wijzen op drugshandel en niet is gebleken van andere relevante feiten en omstandigheden die daarop wijzen. Indien het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester op grond van artikel 13b, eerste lid, onder a van de Opiumwet, bevoegd om ten aanzien van het pand een last onder bestuursdwang (lees: sluitingsmaatregel) op te leggen7. Het voorgaande geldt ook als een in werking zijnde hennepkwekerij of een in werking zijnd drugslaboratorium wordt aangetroffen.
Lachgas
Op 28 augustus 2023 is de Richtlijn voor strafvordering Opiumwet gepubliceerd in de Staatscourant, waarin ten aanzien van lachgas is bepaald dat er bij 1 ampul/1 ballon sprake is van een geringe hoeveelheid voor eigen gebruik. In de Nota van Toelichting bij het Lachgasbesluit wordt een norm voor legaal thuisgebruik – zoals door hobbykoks – aangehouden van maximaal 10 ampullen/ballonnen9. In deze beleidsregel wordt uitgegaan van de laatstgenoemde “gedoogde” gebruikersgrens.
Lijst IA
Op 1 juli 2025 is lijst IA aan de Opiumwet toegevoegd. Ten tijde van het opstellen van deze beleidsregel is nog niet duidelijk wanneer er in het geval van lijst IA sprake is van een gebruikers- dan wel handelshoeveelheid. In deze beleidsregel wordt voor wat betreft lijst IA aangesloten bij de gebruikers- en handelshoeveelheden die gelden voor harddrugs. Waar in deze beleidsregel gesproken wordt over harddrugs, wordt tevens een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat daarvan verstaan.
Wanneer duidelijk is welke gebruikers- en handelshoeveelheden passen bij een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat daarvan, wordt vanaf dat moment aangesloten bij deze gebruikers- of handelshoeveelheid en niet langer bij de gebruikers- of handelshoeveelheid die geldt voor harddrugs.
3.1.2. Kwalificatie voorbereidingshandeling
Van een “voorbereidingshandeling” in de zin van deze beleidsregel is sprake als in een woning of een lokaal, dan wel een daarbij behorend erf, voorwerpen of stoffen voorhanden zijn, die op zichzelf bezien legaal zijn, maar waarvan de betrokkene weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn om hetzij harddrugs, hetzij softdrugs – kort gezegd – te produceren, een en ander zoals bedoeld in artikel 13b, eerste lid, onder b van de Opiumwet.
De aangetroffen situatie c.q. de aangetroffen voorwerpen en stoffen moeten van dien aard zijn dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de voorhanden voorwerpen gebruikt zullen worden om strafbare voorbereidingshandelingen te plegen. Dat vereist een bestuurlijke beoordeling die kan worden gebaseerd op de feitelijke omstandigheden zoals door de politie vastgesteld.
Het gaat bijvoorbeeld om de ter plekke aangetroffen situatie, de aard en de hoeveelheid van de in beslag genomen stof, de aangetroffen voorwerpen en stoffen in onderlinge combinatie en andere uit onderzoek blijkende feitelijkheden, zoals resultaten van tapgesprekken of observaties. Bij deze beoordeling kan ook de Aanwijzing Opiumwet (o.a. paragraaf 3.2.1.) worden betrokken, zoals in geval van voorbereidingshandelingen ten behoeve van een hennepkwekerij, waarbij aan de hand van het beoogde aantal planten, de mate van de professionaliteit en het doel van de teelt, het beroeps- of bedrijfsmatige karakter kan worden gewaardeerd. Dat geldt ook voor het Opiumwetbesluit als het gaat om de beoordeling van de grootschaligheid (artikel 1, tweede lid).
Uit de rechtspraak volgt dat het voor de uitoefening van de bevoegdheid van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b van de Opiumwet, niet nodig is dat alle aangetroffen stoffen en voorwerpen tegelijk geschikt zijn voor het opzetten van een drugsproductiepunt. Ook als slechts een deel van de voorwerpen voorhanden is die nodig zijn voor de productie van drugs, kan de burgemeester bevoegd zijn handhavend op te treden, mits de voorhanden voorwerpen daartoe bestemd zijn (ABRvS 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:617).
Voorts is voor het bestaan van de bevoegdheid niet vereist dat de betrokkene zelf wetenschap dan wel een ernstig vermoeden behoeft te hebben dat de aanwezige stoffen of voorwerpen bestemd zijn voor het bereiden van drugs (ABRvS 31 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2523).
De burgemeester is bevoegd indien hij/zij op basis van de feitelijke situatie voldoende aannemelijk maakt dat voorwerpen aanwezig waren, waarvan kan worden geweten of ernstig worden vermoed dat deze bestemd waren voor – kort gezegd – het bereiden van drugs.
Of de betrokkene wetenschap had en of deze verwijtbaar heeft gehandeld, kan wel relevant zijn bij de vraag of de burgemeester van zijn sluitingsbevoegdheid gebruik mocht maken.
3.2. Gebruikmaken van de bevoegdheid (evenredigheidstoets)
Wanneer de bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet bestaat, moet de burgemeester per geval beoordelen of ook van die bevoegdheid gebruik gemaakt dient te worden. Dit is de zogenoemde evenredigheidstoets, waarbij het volgende beoordeeld moet worden:
- –
Is het besluit geschikt om het doel te bereiken?
- –
is het besluit noodzakelijk om het doel te bereiken? Is een keuze mogelijk tussen meer geschikte maatregelen, dan moet op basis van deze toets die maatregel worden gekozen die de belanghebbenden het minst belast; en
- –
is de maatregel evenwichtig. Is de op zichzelf geschikte en noodzakelijke maatregel in de gegeven omstandigheden niet onredelijk bezwarend voor de belanghebbende?
De ratio van het evenredigheidsbeginsel is niet het volledig tegengaan van nadelige gevolgen van besluitvorming, maar het voorkomen van onnodig zware gevolgen in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Een besluit met harde of ingrijpende gevolgen is daarom niet per definitie een onevenredig besluit. Omgekeerd kan een besluit met minder ingrijpende gevolgen ook onevenredig zijn, bijvoorbeeld omdat de met het besluit te dienen doelen in verhouding minder zwaar wegen.
3.2.1. Geschiktheid
Tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop de burgemeester ingevolge zijn/haar besluitvorming tot sluiting overgaat, kan ertoe leiden dat sluiting van een pand op grond van artikel 13b van de Opiumwet redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. Door tijdsverloop kan zich immers de situatie voordoen dat de onrechtmatige situatie al is hersteld en beëindiging van de overtreding en de negatieve effecten daarvan en het voorkomen van herhaling niet meer aan de orde zijn of niet meer in die mate dat het pand moet worden gesloten. Aan wie het tijdsverloop te wijten is, is niet relevant.
Zowel in het primaire besluit, de beslissing op bezwaar als een eventueel nader genomen besluit zal de burgemeester moeten beoordelen of sluiting op het tijdstip dat hem ingevolge deze besluitvorming voor ogen staat, gelet op het tijdsverloop in samenhang bezien met de overige omstandigheden van het geval, een geschikt middel is en zo ja, of sluiting noodzakelijk is. Als de burgemeester de beoogde doelen niet meer kan bereiken omdat de situatie al is hersteld, is sluiting ongeschikt.
3.2.2. Noodzakelijkheid
Toepassing van artikel 13b van de Opiumwet is een herstelsanctie en strekt tot beëindiging van de overtreding van de Opiumwet, het beëindigen van de negatieve effecten van de overtreding en het voorkomen van herhaling van de overtreding. Herstel van de openbare orde is dus niet op zichzelf het doel van deze toepassing. Dit neemt niet weg dat een overtreding van de Opiumwet, ook wanneer deze plaatsvindt in of vanuit een pand, gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en in meer of mindere mate gepaard gaat met verstoring van de openbare orde. Het ligt voor de hand dat de burgemeester die effecten op de omgeving betrekt in zijn beoordeling of het noodzakelijk is om over te gaan tot sluiting van een pand. Deze beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval.
Bij de beoordeling of het noodzakelijk is om tot sluiting van het pand over te gaan en zo ja, voor hoe lang, zijn verschillende omstandigheden van belang. Bijvoorbeeld de aard en de hoeveelheid aangetroffen drugs en de daarmee mogelijk gepaard gaande risico’s op verdere criminaliteit, wat gevolgen heeft voor de veiligheid en de openbare orde in de omgeving. De burgemeester mag daarbij een onderscheid maken tussen hard- en softdrugs. Ook is relevant of de drugs feitelijk in of vanuit het pand worden verhandeld en of het pand feitelijke bekendheid heeft als drugspand. Dat drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld, kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij of onderzoek van de politie over mogelijke handel vanuit het pand, verklaringen van buurtbewoners daarover of het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit het pand zoals gripzakjes, ponypacks, een (grammen)weegschaal, grote hoeveelheden contant geld en/of wapens. Wanneer sprake is van toeloop, overlast of (gevoelens van) onveiligheid in de omgeving, kan het noodzakelijk zijn om die met sluiting van het pand ongedaan te maken. Hierbij kan mede van belang zijn of in de nabije omgeving van het pand in het recente verleden al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit. Verder kan sluiting van het pand noodzakelijk zijn als op grond van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk is dat het pand een rol vervult binnen de keten van drugshandel als professionele teeltlocatie, handelslocatie, opslaglocatie voor handel elders of omdat toegang tot het pand wordt verschaft aan derden om er te gebruiken. Met de sluiting wordt het pand aan de keten van drugshandel onttrokken. Wanneer het pand ten slotte eerder betrokken is geweest bij overtreding van artikel 13b van de Opiumwet en dus sprake is van een situatie van herhaling, kan ook dit relevant zijn bij de beslissing om tot sluiting van het pand over te gaan, met het oog op het structureel beëindigen van de overtreding en de effecten ervan en op voorkomen van nieuwe overtredingen. Bij al het voorgaande dient de burgemeester ook rekening te houden met het tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop hij ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat.
3.2.3. Evenwichtigheid
Als de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat sluiting van het pand geschikt en noodzakelijk is, dient hij/zij zich ervan te vergewissen dat de sluiting ook evenwichtig is. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid kunnen verschillende omstandigheden van belang zijn. De burgemeester moet bijvoorbeeld de mate van verwijtbaarheid van degenen die door de sluiting worden getroffen beoordelen en in hoeverre aan hen kan worden tegengeworpen dat zij zelf het risico op ingrijpende gevolgen van hun handelen of nalaten hebben genomen. Daarnaast is van belang of de bewoners een bijzondere binding met de woning hebben en wat de gevolgen voor hen zijn van het voor de duur van de sluiting elders moeten verblijven. Verder moet de burgemeester de aanwezigheid van minderjarige kinderen en de impact van de sluiting op hun welzijn in zijn/haar besluitvorming betrekken. Ook is van belang hoelang de woning gesloten blijft en of de bewoners na de sluiting weer van de woning gebruik kunnen maken. Bij dat laatste dient de burgemeester zich er rekenschap van te geven dat de sluiting van een huurwoning de verhuurder de wettelijke grondslag biedt om de huurovereenkomst buitengerechtelijk, dus zonder tussenkomst van de kantonrechter, te ontbinden.
En ook dat de huurder door sluiting van de woning veelal op een zogenoemde zwarte lijst bij een woningcorporatie komt te staan, als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio.
De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de doelen die de burgemeester met de sluiting wil bereiken. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig, bijvoorbeeld als de betrokkene een ernstig verwijt van de overtreding kan worden gemaakt of gezien de ernst en omvang van de overtreding.
3.3. Last onder bestuursdwang (sluiting), last onder dwangsom of waarschuwing
Artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bepaalt dat de burgemeester in de daarin genoemde gevallen bevoegd is tot oplegging van een last onder bestuursdwang. Bestuursdwang geschiedt in de praktijk, overeenkomstig de bedoeling van de wetgever, in de vorm van een sluitingsmaatregel.
Artikel 5:32 van de Awb regelt dat een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom kan opleggen. Indien de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven, kan een last onder dwangsom, vanuit het oogpunt van evenredigheid, meer op zijn plaats zijn.
Tot slot volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet dat in algemene zin bij een eerste overtreding nog niet tot sluiting van de woning dient te worden overgegaan, maar moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel.
Dit moet echter worden beschouwd als een uitgangspunt waarvan in ernstige gevallen mag worden afgeweken (Kamerstukken II, 2005/06, 30 515, nr. 3, blz. 8 en Kamerstukken II, 2006/07, 30 515, nr. 6, blz. 1 en 2). Op grond van de rechtspraak dient in ieder geval bij een geringe overschrijding van de gedoogde gebruikshoeveelheden drugs afgewogen te worden of met een minder verstrekkende maatregel, zoals een waarschuwing kan worden volstaan (zie ABRvS 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:738).
In deze beleidsregel zijn de voornoemde toepassingen van de bevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet meegewogen. Het beleid biedt ruimte om maatwerk te leveren en de bevoegdheidstoepassing af te stemmen op de specifieke omstandigheden van het geval.
4. Onderscheid softdrugs en harddrugs
In deze beleidsregel wordt bij de te treffen maatregelen onderscheid gemaakt tussen harddrugs en softdrugs. Dat geldt zowel bij drugshandel als bij voorbereidingshandelingen. Ook in de eerder genoemde Aanwijzing Opiumwet wordt dit onderscheid gemaakt. Zo wordt onder een gebruikshoeveelheid harddrugs verstaan een hoeveelheid/dosis van maximaal 0,5 gram (of één bolletje, één ampul, één wikkel, één pil/tablet of 5 ml GHB), terwijl onder een gebruikshoeveelheid bij softdrugs verstaan wordt, een hoeveelheid van maximaal 5 gram (of 5 hennepplanten).
De ratio van het onderscheid tussen harddrugs en softdrugs is dat harddrugs in het algemeen gevaarlijker zijn voor de gezondheid en het milieu dan softdrugs. Ten opzichte van softdrugs zijn de effecten bij harddrugs al merkbaar bij een geringere hoeveelheid.
Ook de Afdeling kwalificeert een handelshoeveelheid harddrugs als ernstiger dan een handelshoeveelheid softdrugs8.
Het onderscheid tussen harddrugs en softdrugs is tevens van belang, omdat bij de handel in en productie van harddrugs eerder dan bij softdrugs sprake is van ernstige criminaliteit, niet zelden met een grensoverschrijdende component. De activiteiten die gerelateerd zijn aan harddrugs hebben daarmee een grotere negatieve invloed op en brengen grotere (gevaars)risico’s met zich mee voor het woon- en leefklimaat. Dit laatste moet wel worden genuanceerd omdat ook de handel in en productie van softdrugs zeer crimineel is waarbij geweld, bedreiging en intimidatie niet worden geschuwd (o.a. bij zgn. ripdeals). Bovendien vormt voor drugscriminelen de handel in en/of productie van softdrugs niet zelden de opmaat voor de overstap naar de handel in en/of productie van harddrugs.
Tegen vorenstaande achtergrond worden in deze beleidsregel bij overtredingen van de Opiumwet ter zake harddrugs in het algemeen strengere maatregelen toegepast, dan bij vergelijkbare overtredingen met softdrugs. Is er sprake van een overtreding met zowel harddrugs als softdrugs, dan geldt in deze beleidsregel als uitgangspunt dat de regels worden toegepast die gelden bij harddrugs. Bewust wordt hier gesproken van een uitgangspunt, omdat de concrete omstandigheden van een geval kunnen leiden tot een andere, minder ingrijpende maatregel.
5. Onderscheid woningen en lokalen
In deze beleidsregel wordt voor het bepalen van het type maatregel en de sluitingsduur tevens onderscheid gemaakt tussen woningen en lokalen.
5.1. Woningen
Bij woningen spelen bijzondere belangen die niet aan de orde zijn bij lokalen. Toepassing van artikel 13b van de Opiumwet op een woning kan, als gezegd, voor bewoners mogelijk ingrijpende gevolgen hebben, die een inmenging kunnen vormen in het in artikel 8 van het EVRM neergelegde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Dat kan zich voordoen als voorzienbaar is dat bewoners na de sluitingsmaatregel niet meer in een woning kunnen terugkeren, vanwege de ontbinding van de huurovereenkomst en/of de plaatsing van hen op een zwarte lijst. Hieraan komt zwaar gewicht toe bij de beoordeling van de vraag of de burgemeester van zijn/haar aan artikel 13b van de Opiumwet ontleende bevoegdheid gebruik kan maken en zo ja, op welke wijze (met welke maatregel, met welke intensiteit van de maatregel, etc.).
5.1.1. Uitgangspunt: bij eerste overtreding waarschuwen
Zoals in de inleiding van deze beleidsregel al is toegelicht, is het wettelijk uitgangspunt dat bij een eerste overtreding van artikel 13b van de Opiumwet nog niet tot sluiting van de woning wordt overgegaan, maar dat de mogelijkheden van een schriftelijke waarschuwing of het opleggen van een last onder dwangsom of een andere, minder ingrijpende maatregel moeten worden verkend. Van dit uitgangspunt mag echter in ernstige gevallen worden afgeweken. In deze beleidsregel wordt in geval van een eerste constatering van drugshandel of voorbereidingshandelingen als uitgangspunt gehanteerd dat volstaan wordt met een waarschuwing of een soortgelijke maatregel, zoals een last onder dwangsom. In deze beleidsregel is met het oog op de uitzondering van voornoemd uitgangspunt, nader uitgewerkt wanneer volgens de burgemeester sprake is van een ernstig geval.
5.1.2. Geen onderscheid huur- en koopwoningen
In deze beleidsregel wordt voor wat betreft de te treffen maatregelen geen onderscheid gemaakt tussen huur- en koopwoningen en ook niet tussen particuliere en sociale verhuur. Voor alle type woningen geldt daarmee als uitgangspunt in beginsel hetzelfde regime.
5.2. Lokalen
Voor al dan niet voor publiek toegankelijke lokalen geldt het wettelijk uitgangspunt van eerst waarschuwen, althans het treffen van minder ingrijpende maatregelen in beginsel niet. Ook als een woning niet feitelijk voor bewoning wordt gebruikt, geldt het bovenstaande uitgangspunt in beginsel niet. Daarom wordt in deze beleidsregel op niet-bewoonde woningen als uitgangspunt hetzelfde regime toegepast als op lokalen. Omgekeerd kan een lokaal wél als woning worden aangemerkt als daarin feitelijk wordt gewoond, afgeleid uit alle omstandigheden van het geval. In dat geval wordt op het betreffende lokaal het regime toegepast dat geldt voor woningen.
De vraag of een pand als woning of lokaal in gebruik is, wordt per geval beoordeeld aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden. Dat sprake is van een woning wordt in beginsel aangenomen als een pand ten tijde van de constatering van de overtreding kan worden aangemerkt als de plaats waar een persoon zijn private huishoudelijke leven leidt.
Dit wordt niet zonder meer bepaald door uiterlijke kenmerken, zoals de bouw of aanwezigheid van een bed en andere huisraad, maar ook door de daadwerkelijk, feitelijk daaraan gegeven bestemming. Een persoon die incidenteel overnacht in een pand wordt nog niet aangemerkt als bewoner en het betreffende pand is daarmee ook geen woning. Een inschrijving in de Basisregistratie Personen kan een indicatie zijn voor bewoning, maar is niet doorslaggevend. Soms kan er sprake zijn van schijnbewoning, bijvoorbeeld als bewoning wordt gesimuleerd door het plaatsen van wat schaars meubilair of kleding. Gebruik voor woondoeleinden met een meer dan incidenteel karakter is dan niet aannemelijk, zodat in deze gevallen niet wordt aangenomen dat sprake is van een woning10.
5.3. Samenhangend geheel
Het kan voorkomen dat drugshandel of voorbereidingshandelingen of daaraan gerelateerde signalen of voorwerpen tegelijkertijd zowel in een woning als in een lokaal of een ander deel van het bijbehorende erf worden aangetroffen. Kunnen de woning en het lokaal (en het bijbehorende erf) worden aangemerkt als een samenhangend geheel dan kan de burgemeester ter zake het geheel een maatregel treffen. Van een samenhangend geheel is sprake als een woning en een lokaal ruimtelijke en functionele samenhang vertonen. Van ruimtelijke samenhang is sprake als zij bijvoorbeeld op hetzelfde kadastrale perceel staan, dezelfde eigenaar hebben, in elkaars nabijheid staan, etc. Van functionele samenhang is sprake als bijvoorbeeld in het lokaal drugs en in de woning aan drugs gerelateerde attributen worden aangetroffen of vice versa, of als in het lokaal of de woning drugs worden aangetroffen en het lokaal en de woning gas-, water- en/of elektra-aansluitingen of (andere) voorzieningen delen. Dit laatste kan het geval zijn als in een lokaal een hennepkwekerij wordt aangetroffen en ten behoeve van die kwekerij bij de meter in de woning (illegaal) elektriciteit wordt afgetapt. Om als samenhangend geheel te kunnen worden aangemerkt, is dus niet vereist dat in alle samenhangende delen drugs zijn aangetroffen. Wel zal in ten minste één onderdeel (bijvoorbeeld het lokaal) van het samenhangend geheel een overtreding van de Opiumwet aan de orde moeten zijn11. Is één van de samenhangende onderdelen een woning, dan geldt bij de te treffen maatregel op grond van deze beleidsregel als uitgangspunt dat op het geheel het regime dat geldt voor woningen wordt toegepast. Ook dit komt in het handhavingsarrangement tot uitdrukking.
6. Inhoud beleidsregel
6.1. Maatwerk
De bevoegdheid van de burgemeester tot toepassing van artikel 13b van de Opiumwet is een discretionaire bevoegdheid. Dat de bevoegdheid als zodanig bestaat, wil daarmee niet zeggen dat deze ook te allen tijde kan worden toegepast. Als uitgangspunt bij de toepassing van deze beleidsregel geldt daarom dat de burgemeester bij elk afzonderlijk besluit op grond van artikel 13b van de Opiumwet maatwerk verricht aan de hand van alle omstandigheden van het geval.
6.2. Afwijkingsbevoegdheid
Benadrukt wordt dat de in de beleidsregel geregelde onderwerpen moeten worden gezien als uitgangspunten, waarvan in bijzondere situaties altijd kan worden afgeweken. Als feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven, kan de burgemeester op grond van artikel 4:84 van de Awb gemotiveerd van de uitgangspunten in deze beleidsregel afwijken door strenger of juist soepeler toepassing te geven aan de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet. Als in een concreet geval van de beleidsregel wordt afgeweken, wordt in het besluit gemotiveerd welke redenen tot de afwijking aanleiding hebben gegeven.
7. Handhavingsarrangement
I. Drugshandel
Artikel 1. Definities
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
- 1.
Harddrugs: een middel als bedoeld in lijst I, behorende bij de Opiumwet.
- 2.
Softdrugs: een middel als bedoeld in lijst II, behorende bij de Opiumwet.
- 3.
Drugshandel: de verkoop, aflevering of verstrekking dan wel het daartoe aanwezig zijn van een middel als bedoeld in lijst I of II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat daarvan.
- 4.
Handelshoeveelheid: meer dan 0,5 gram, 5 milliliter, 1 pil, 1 bolletje, 1 ampul of 1 wikkel harddrugs, respectievelijk meer dan 5 gram softdrugs (voor lachgas meer dan 10 ampullen/ballonnen) en meer dan vijf hennepplanten.
- 5.
Voorbereidingshandelingen: het voorhanden zijn van een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3° of artikel 11a, van de Opiumwet.
- 6.
Betrokkene: de overtreder, de eigenaar van het pand, de (hoofd)bewoner(s) of degene die anderszins als rechthebbende op de zaak waarop de last betrekking heeft, kan worden aangemerkt (zie ook artikel 5:24, derde lid, van de Awb).
Artikel 2. Woningen en/of daarbij behorende (bebouwing op) erven
-
1. Bij drugshandel in de zin van artikel 13b, eerste lid onder a van de Opiumwet, in woningen en/of daarbij behorende erven, wordt in beginsel het regime toegepast zoals vastgelegd in de onderstaande matrix:
Regime softdrugs
Regime harddrugs
1e overtreding
(geen ernstig geval)
Waarschuwing/Last onder dwangsom
Waarschuwing/Last onder dwangsom
1e overtreding
(ernstig geval)
Sluiting voor periode van 3 maanden
Sluiting voor periode van 6 maanden
2e overtreding
Sluiting voor periode van 6 maanden
Sluiting voor periode van 12 maanden
3e en verdere overtreding
Sluiting voor periode van 12 maanden
Sluiting voor periode van 18 maanden
-
2. Wanneer er volgens bovenstaande handhavingstabel sprake is van een niet ernstig geval geldt een recidivetermijn van twee jaren. In alle overige gevallen geldt een recidivetermijn van drie jaren. Indien een volgende overtreding binnen een termijn van twee dan wel drie jaren na een voorgaande constatering plaatsvindt, geldt het regime voor de volgende overtreding.
-
3. Is bij één van de elkaar opvolgende overtredingen (de 1e, 2e of 3e overtreding) sprake van harddrugs, dan geldt bij de eerstvolgende overtreding het regime overeenkomstig de matrix voor harddrugs.
-
4. Bij de 3e en volgende overtredingen wordt bij softdrugs de woning en/of het daarbij behorende erf gesloten voor de duur van 12 maanden en bij harddrugs voor de duur van 18 maanden.
-
5. Is er sprake van een overtreding met zowel harddrugs als softdrugs, dan geldt het regime voor een overtreding met harddrugs.
Artikel 3. Indicatoren ernstig geval
-
1. Is er sprake van een ernstig geval, dan is volgens deze beleidsregel ook de noodzaak tot sluiting gegeven. Van een ernstig geval is in ieder geval sprake als één of meer van de hieronder staande indicatoren van toepassing is/zijn. Daarbij is geen sprake van een limitatieve opsomming:
- a.
de hoeveelheid aangetroffen drugs. Bij harddrugs geldt dat sprake is van een ernstig geval als ten minste 5 gram of 5 milliliter (of voor zover dit de 5 gram of 5 milliliter niet overschrijdt, 10 pillen, 10 ampullen, 10 bolletjes of 10 wikkels) wordt aangetroffen. Bij softdrugs wordt een ernstig geval aangenomen bij minimaal 50 gram, minimaal 50 cannabis/hennepplanten of meer dan 10 ampullen/ballonnen lachgas;
- b.
een combinatie van handelshoeveelheden soft- en harddrugs;
- c.
attributen die te relateren zijn aan drugshandel, zoals verpakkingsmaterialen, een weegschaal, wapens, versnijdingsmiddelen en/of grote sommen contant geld;
- d.
de mate waarin de woning betrokken is bij, dan wel bekend staat als pand waar drugshandel plaatsvindt of drugs aanwezig is. Dit kan o.a. blijken uit politiewaarnemingen, meldingen en verklaringen van omwonenden of betrokkenen, (waarnemingen van) aanloop van personen die met drugshandel en/of drugsgebruik in verband kunnen worden gebracht;
- e.
er is sprake van (andere) strafbare feiten, zoals geweldsdelicten, wapenbezit in de zin van de Wet wapens en munitie, diefstal van stroom, etc., of er is sprake van openbare ordeverstoringen gerelateerd aan de woning. Bij gerelateerde feiten kan gedacht worden aan het in de woning aantreffen van personen met antecedenten op het gebied van geweld, drugs of wapenbezit, of van personen die dergelijke feiten eerder hebben begaan;
- f.
er is sprake van recidive: er zijn sterke aanwijzingen dat de betrokkene eerder betrokkenheid heeft gehad bij drugshandel12;
- g.
er is sprake van verwijtbaar gedrag van de betrokkene. Dit geldt als aannemelijk is dat de betrokkene zelf betrokken is bij de aangetroffen drugs of dat hij/zij op de hoogte is dan wel redelijkerwijs op de hoogte kon zijn of had moeten zijn van de aanwezigheid van de aangetroffen drugs in de woning. Hierbij kan meewegen of sprake is van antecedenten, betrokkene relaties heeft met personen die bij de politie bekend staan als drugsdelinquenten, al dan niet in georganiseerd verband, of die bekend staan in verband met georganiseerde criminaliteit, of als de betrokkene zelf als zodanig bij de politie bekend staat. Ook speelt in dit verband mee, de mate waarin degene die een woning verhuurt of anderszins aan anderen in gebruik geeft zich in voldoende mate en tot op zekere hoogte heeft geïnformeerd over het gebruik dat van het pand wordt gemaakt. Woningeigenaren en hoofdhuurders moeten concreet toezicht houden op het gebruik van hun pand. Het is niet genoeg als zij het pand alleen maar bezoeken. Zij moeten ook controles uitvoeren die zijn gericht op het gebruik van het pand13;
- h.
de mate van gevaarzetting of risico voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en/of voor omwonende(n). Hierbij kan worden gedacht aan een buurt waarin de woning zich bevindt en de mate waarin deze kwetsbaar is voor (de gevaren die verbonden zijn aan) drugscriminaliteit, gelet op het feit dat al langer druk op de omgeving bestaat in verband met drugsoverlast, of vanwege de vermoedelijke betrokkenheid van (georganiseerde) drugscriminaliteit en daarmee verband houdende gevaren, zoals geweldpleging, de aanwezigheid of inzet van vuurwapens/explosieven, etc.;
- i.
de aannemelijkheid dat naast de woning of het bijbehorende erf, nog één of meer andere locaties betrokken zijn bij de geconstateerde drugshandel (dit vormt een sterke indicator dat sprake is van betrokkenheid van een drugscircuit);
- j.
bij hennepteelt of de productie van harddrugs, de inrichting, het bedrijfsmatig karakter evenals de professionaliteit van de hennepplantage/-kwekerij of productiepunt. Bijvoorbeeld illegale stroom-aftap, aanwezige hennep-/drugsresten van een productie, aanwezigheid van precursoren, preprecursoren, IBC’s en randapparatuur voor het in stand houden en onderhouden van de hennepplantage-/kwekerij of productiepunt;
- k.
het is aannemelijk dat er sprake is van drugshandel met betrokkenheid van minderjarigen;
- l.
feiten en omstandigheden die duiden op georganiseerde criminaliteit.
- a.
-
2. Als zich een zeer ernstig geval voordoet, kunnen strengere maatregelen worden toegepast ten opzichte van, dan wel kunnen stappen worden overgeslagen in, de matrix zoals opgenomen in artikel 2, eerste lid, van deze beleidsregel. Van een zeer ernstig geval kan (in ieder geval) sprake zijn als: zich minimaal vijf indicatoren in de zin van het eerste lid van dit artikel voordoen.
Artikel 4. Lokalen en/of daarbij behorende (bebouwing op) erven
-
1. Bij drugshandel in de zin van artikel 13b, eerste lid onder a van de Opiumwet, in lokalen en/of daarbij behorende erven, wordt in beginsel het regime toegepast zoals vastgelegd in de onderstaande matrix:
Regime softdrugs
Regime harddrugs
1e overtreding
Sluiting voor periode van 4 maanden
Sluiting voor periode van 6 maanden
2e overtreding
Sluiting voor periode van 8 maanden
Sluiting voor periode van 12 maanden
3e en verdere overtreding
Sluiting voor periode van 12 maanden
Sluiting voor periode van 24 maanden
-
2. Voor bovenstaande handhavingstabel geldt een recidivetermijn van drie jaren. Indien een volgende overtreding binnen een termijn van drie jaren na een voorgaande constatering plaatsvindt, geldt het regime voor de volgende overtreding.
-
3. Is bij één van de elkaar opvolgende overtredingen (de 1e, 2e of 3e overtreding) sprake van harddrugs, dan geldt bij de eerstvolgende overtreding het regime overeenkomstig de matrix voor harddrugs.
-
4. Bij de 3e en volgende overtredingen wordt bij softdrugs het lokaal of het daarbij behorende erf gesloten voor de duur van 12 maanden en bij harddrugs voor de duur van 24 maanden.
-
5. Is er sprake van een overtreding met zowel harddrugs als softdrugs, dan geldt het regime voor een overtreding met harddrugs.
II. Voorbereidingshandelingen
Artikel 5. Woningen en/of daarbij behorende (bebouwing op) erven
-
1. Bij de constatering van voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 13b, eerste lid onder b van de Opiumwet, in woningen en/of daarbij behorende erven, wordt in beginsel het regime toegepast zoals vastgelegd in de onderstaande matrix:
Regime softdrugs
Regime harddrugs
1e overtreding (incomplete opstelling en/of geen ernstig geval)
Waarschuwing/Last onder bestuursdwang of onder dwangsom strekkende tot afvoeren goederen
Waarschuwing/Last onder bestuursdwang of onder dwangsom strekkende tot afvoeren goederen
1e overtreding (complete opstelling en/of ernstig geval)
Sluiting voor periode van 3 maanden
Sluiting voor periode van 6 maanden
2e overtreding
Sluiting voor periode van 6 maanden
Sluiting voor periode van 12 maanden
3e en verdere overtreding
Sluiting voor periode van 12 maanden
Sluiting voor periode van 18 maanden
-
2. Er is sprake van een incomplete opstelling als slechts een deel van de voorwerpen en/of stoffen voorhanden is die nodig zijn om een beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige hennepplantage op te zetten, dan wel een productiepunt voor harddrugs. Er is sprake van een complete opstelling als sprake is van een samenstelling en/of opstelling van voorwerpen en/of stoffen waardoor de beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige hennepkwekerij, of een productiepunt voor harddrugs in principe direct kan plaatsvinden, maar waarbij de drugs nog niet daadwerkelijk zijn geproduceerd. Ook is sprake van een complete opstelling als met weinig handelingen de beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige hennepkwekerij, of het productiepunt voor harddrugs in werking te brengen is, bijvoorbeeld omdat vrijwel alle benodigdheden daarvoor voorhanden zijn14 (toelichting: wordt een incomplete opstelling aangetroffen, dan is minder aannemelijk dat de woning een actuele schakel vormt in de productie of distributie van drugs. De opstelling is daarvoor (nog) niet geschikt en er zal nog het nodige moeten gebeuren om het productieproces “operationeel” te hebben. Het afgeven van een signaal door middel van een sluiting ligt hierbij minder voor de hand. Dat neemt niet weg dat er nog goederen en stoffen aanwezig kunnen zijn die in principe geschikt zijn voor de productie van drugs. Van de betrokkene kan onder bestuursdwang of dwangsom worden gelast dat hij deze voorwerpen en stoffen afvoert naar een erkende afvalverwerker, zodat de goederen niet alsnog in het drugscircuit kunnen worden benut. Van een complete opstelling is wel aannemelijk dat deze een schakel vormt in de productie of distributie van drugs. Een sluiting is hierbij, tenzij geen sprake zou zijn van een ernstig geval, passend).
-
3. Wanneer er volgens bovenstaande handhavingstabel sprake is van een niet ernstig geval of van een incomplete opstelling, geldt een recidivetermijn van twee jaren. In alle overige gevallen geldt een recidivetermijn van drie jaren. Indien een volgende overtreding binnen een termijn van twee dan wel drie jaren na een voorgaande constatering plaatsvindt, geldt het regime voor de volgende overtreding.
-
4. Is bij één van de elkaar opvolgende overtredingen (de 1e, 2e of 3e overtreding) sprake van voorbereidingshandelingen ter zake harddrugs, dan geldt bij de eerstvolgende overtreding het regime overeenkomstig de matrix voor harddrugs.
-
5. Bij de 3e en volgende overtredingen wordt bij voorbereidingshandelingen i.v.m. softdrugs de woning of het daarbij behorende erf gesloten voor de duur van 12 maanden en bij voorbereidingshandelingen i.v.m. met harddrugs voor de duur van 18 maanden.
-
6. Is er sprake van een overtreding met voorwerpen en/of stoffen die wijzen op zowel voorbereidingshandelingen betreffende harddrugs als op voorbereidingshandelingen betreffende softdrugs, dan geldt het regime voor een overtreding met harddrugs.
Artikel 6. Indicatoren ernstig geval
-
1. Is sprake van een ernstig geval, dan is volgens deze beleidsregel in beginsel de noodzaak tot sluiting gegeven. Van een ernstig geval is in ieder geval sprake als één of meer van de hieronder staande indicatoren van toepassing is/zijn. Daarbij is geen sprake van een limitatieve opsomming én kunnen bijvoorbeeld ook elementen – voor zover hier niet al genoemd – uit artikel 3, eerste lid van deze beleidsregel, betrokken worden:
- a.
de aard van de stoffen of goederen. Hierbij kan gedacht worden aan het voorhanden hebben van een chemische stof, apparatuur of aanverwante artikelen die niet of nauwelijks anders kunnen worden toegepast dan bij de productie, handel of transport van drugs;
- b.
de professionaliteit van de aangetroffen goederen en stoffen. Hierbij kan bij softdrugs aangesloten worden bij paragraaf 3.2.1 en bijlage 1 van de Aanwijzing Opiumwet. Bij harddrugs is dit een kwestie van een bestuurlijke beoordeling die kan worden gebaseerd op de feitelijke omstandigheden zoals door de politie vastgesteld. Gedacht kan worden aan voor de productie van harddrugs geprepareerde ketels. De mate van professionaliteit van de goederen en stoffen duidt op de betrokkenheid van een drugscircuit waarin die goederen en stoffen voorhanden zijn en beschikbaar worden gesteld;
- c.
de combinatie van aangetroffen goederen en stoffen. Hierbij kan gedacht worden aan het aanwezig hebben van goederen die voor (grootschalige) verwerking, transport of bereiding van drugs bedoeld zijn zoals bijvoorbeeld grammenweegschalen, drugsverpakkingen, versnijdingsmiddelen;
- d.
de hoeveelheid aangetroffen stoffen of goederen. Ook hier kunnen de Aanwijzing Opiumwet en het Opiumwetbesluit15 worden meegewogen;
- e.
de mate van bekendheid van de woning en het daarbij behorende erf waar dergelijke producten geproduceerd, verkocht, verhandeld of gebruikt kunnen worden;
- f.
er is sprake van (andere) strafbare feiten, zoals geweldsdelicten, wapenbezit in de zin van de Wet wapens en munitie, diefstal van stroom, etc., of er is sprake van openbare ordeverstoringen gerelateerd aan de woning. Bij gerelateerde feiten kan ook gedacht worden aan het in de woning aantreffen van personen met antecedenten op het gebied van geweld, drugs of wapenbezit, of van personen die dergelijke feiten eerder hebben begaan (recidive); en/of
- g.
de mate van risico of gevaar voor het woon- of leefklimaat in de omgeving en/of voor omwonenden. Hierbij kan gedacht worden aan een buurt die door drugscriminaliteit reeds zwaar onder druk staat of het gevaar dat een hennepkwekerij of drugslaboratorium met zich meebrengt, zoals fluctuaties op het stroomnet en (daardoor) brandgevaar, of door de ontwikkeling van giftige dampen.
- a.
-
2. Als zich een zeer ernstig geval voordoet, kunnen strengere maatregelen worden toegepast ten opzichte van, dan wel kunnen stappen worden overgeslagen in, de matrix zoals opgenomen in artikel 5, eerste lid, van deze beleidsregel. Van een zeer ernstig geval kan (in ieder geval) sprake zijn als zich minimaal vijf indicatoren in de zin van het eerste lid van dit artikel voordoen.
Artikel 7. Lokalen en/of daarbij behorende (bebouwing op) erven
-
1. Bij de constatering van voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 13b, eerste lid onder b van de Opiumwet, in lokalen of daarbij behorende erven, wordt in beginsel het regime toegepast zoals opgenomen in de onderstaande matrix:
Regime softdrugs
Regime harddrugs
1e overtreding (incomplete opstelling)
Waarschuwing /Last onder bestuursdwang of onder dwangsom strekkende tot afvoeren goederen
Waarschuwing/Last onder bestuursdwang of onder dwangsom strekkende tot afvoeren goederen
1e overtreding (complete opstelling)
Sluiting voor periode van 4 maanden
Sluiting voor periode van 6 maanden
2e overtreding
Sluiting voor periode van 8 maanden
Sluiting voor periode van 12 maanden
3e en verdere overtreding
Sluiting voor periode van 12 maanden
Sluiting voor periode van 24 maanden
-
2. Artikel 5, tweede lid, van deze beleidsregel is van overeenkomstige toepassing.
-
3. Wanneer er volgens bovenstaande handhavingstabel sprake is van een incomplete opstelling, geldt een recidivetermijn van twee jaren. In alle overige gevallen geldt een recidivetermijn van drie jaren. Indien een volgende overtreding binnen een termijn van twee dan wel drie jaren na een voorgaande constatering plaatsvindt, geldt het regime voor de volgende overtreding.
-
4. Is bij één van de elkaar opvolgende overtredingen (de 1e, 2e of 3e overtreding) sprake van voorbereidingshandelingen ter zake harddrugs, dan geldt bij de eerstvolgende overtreding het regime overeenkomstig de matrix voor harddrugs.
-
5. Bij de 3e en volgende overtredingen wordt bij voorbereidingshandelingen in verband met softdrugs het lokaal of het daarbij behorende erf gesloten voor de duur van 12 maanden en bij voorbereidingshandelingen in verband met harddrugs voor de duur van 24 maanden.
-
6. Is er sprake van een overtreding met voorwerpen en/of stoffen die wijzen op zowel voorbereidingshandelingen betreffende harddrugs als op voorbereidingshandelingen betreffende softdrugs, dan geldt het regime voor een overtreding met harddrugs.
8. Zienswijze en spoedeisende situaties
8.1. Gelegenheid tot indienen zienswijzen
Voordat de burgemeester een besluit neemt, worden belanghebbenden in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren te brengen. Zij worden hiervoor uitgenodigd in het voornemen van het besluit, dat aan hen kenbaar wordt gemaakt. In het definitieve besluit wordt toegelicht hoe de zienswijzen worden betrokken bij dit besluit.
Is er sprake van een spoedeisend geval, dan is het geven van zienswijzen vooraf niet altijd mogelijk. De spoedsluiting, zoals in de volgende paragraaf beschreven, is daarom beperkt tot een duur van twee weken.
8.2. Spoedeisende situaties
Indien zich een spoedeisend geval voordoet, kan de burgemeester besluiten een spoedsluiting op te leggen voor een periode van ten hoogste twee weken. Het bevel van de burgemeester kan mondeling worden bekendgemaakt en wordt daarna zo spoedig mogelijk schriftelijk bevestigd.
Al naar gelang de omstandigheden van het geval kan er gekozen worden voor toepassing van spoedeisende bestuursdwang. In de artikelen 5:31 en 4:11, aanhef en onder a van de Awb, zijn de procedureregels opgenomen die gevolgd moeten worden als tot toepassing van spoedeisende bestuursdwang wordt overgegaan. De spoedsluiting wordt in mindering gebracht op een eventuele tijdelijke sluiting van een woning of lokaal.
Onder een spoedeisend geval wordt in ieder geval verstaan één of meer van de volgende situaties (niet limitatief):
- –
directe gevaarzetting voor mens of milieu (brandgevaar, elektrocutiegevaar, risico op lekkende vaten chemisch afval, explosiegevaar, gezondheidsrisico’s voor mens en dier);
- –
aan het gebruik van het pand te relateren ernstige geweldsincidenten (waaronder geweld tegen een ambtenaar in functie) of ernstige incidenten waarbij de openbare orde, veiligheid of gezondheid in het geding is;
- –
aanwijzingen dat de overtreding zich direct na constatering ter plaatste zal voortzetten.
9. Gevolgen sluiting en aanwezigheid minderjarigen
9.1. Gevolgen sluiting
Voorop staat dat inherent aan het sluiten van een woning is dat een bewoner de woning moet verlaten. Dit is op zichzelf dan ook geen bijzondere omstandigheid, maar dat kan onder omstandigheden anders zijn als sluiting een zgn. “individual and excessive burden” oplevert, bijvoorbeeld als de betrokkenen na de sluitingsperiode niet meer in hun woning kunnen terugkeren wegens ontbinding van de huurovereenkomst. Niet altijd hoeft dit echter aanleiding te geven voor een minder ingrijpende maatregel, zoals wanneer de betrokkene een ernstig verwijt van de overtreding kan worden gemaakt.
Een bijzondere omstandigheid kan zich ook voordoen als de betrokkene een bijzondere binding heeft met de woning vanwege medische of andere redenen. Het gaat hierbij niet om een binding met de omgeving van de woning, maar specifiek om een binding met de woning zelf. De burgemeester zal overeenkomstig de vaste rechtspraak in principe nagaan in hoeverre de betrokkene zelf vervangende woonruimte kan regelen, zoals bij familie, vrienden, kennissen of via andere kanalen. De verantwoordelijkheid om vervangende woonruimte te vinden ligt primair bij de betrokkene zelf16. Er kan echter ook een rol weggelegd zijn voor de burgemeester, bijvoorbeeld als de betrokkene na geleverde inspanningen, toch niet in staat blijkt een vervangend onderkomen te vinden. In dat geval kan van de burgemeester gevergd worden dat hij/zij informeert naar de mogelijkheden van vervangende huisvesting. Dit betreft een inspanningsverplichting en geen resultaatsverplichting. De betrokkene heeft geen afdwingbaar recht op een andere, vervangende woning via de gemeente17. De burgemeester hoeft dus niet concreet een vervangende woning aan te bieden.
9.2. Minderjarigen
Ook kunnen in een woning minderjarigen aanwezig zijn. Dit levert op zichzelf ook geen bijzondere omstandigheid op, op grond waarvan de burgemeester van een sluiting moet afzien18.
Wel kan de aanwezigheid van minderjarige kinderen tezamen met andere omstandigheden maken dat de burgemeester niet in redelijkheid van zijn/haar bevoegdheid gebruik kan maken of een minder ingrijpende maatregel treft, bijvoorbeeld als kinderen na de sluitingsperiode niet in hun woning kunnen terugkeren vanwege ontbinding van de huurovereenkomst of door het door de woningcorporatie hanteren van een zwarte lijst. Van belang is dat de burgemeester zich voldoende rekenschap geeft van het feit dat in een woning minderjarige kinderen wonen. Daarbij dient de burgemeester te informeren in hoeverre het kind of de betrokken ouders of verzorgers zelf in staat zijn om iets te regelen. Lukt dat niet, dan zal de burgemeester bij een sluitingsmaatregel de mogelijkheden van vervangende huisvesting moeten onderzoeken (zie hiervoor).
9.3. Huisraad en huisdieren
Betrokkenen dienen in beginsel zelf voor hun huisraad en huisdieren te zorgen. Behoudens spoedeisende gevallen zal aan hen, alvorens de woningsluiting te effectueren, een op de omstandigheden van het geval afgestemde redelijke begunstigingtermijn geboden worden om zelf maatregelen te treffen (zoals de verwijdering van bederfelijke waar, het regelen van opslag, dierenopvang, etc.).
9.4. Onderzoek terugkeermogelijkheid in de woning na sluiting
Wanneer de sluitingstermijn is verstreken, kan de betrokkene in beginsel terugkeren in de woning. Er kunnen afspraken worden gemaakt over de overdracht van sleutels.
Een overtreding van de Opiumwet in een huurwoning of gehuurd lokaal en/of een daarbij behorend erf kan in een privaatrechtelijke (huur)relatie, zoals met een woningcorporatie, leiden tot een procedure die gericht is op de ontbinding van de huurovereenkomst. Het recht om in geval van een dergelijke overtreding een huur- of gebruiksovereenkomst (buitengerechtelijk) te ontbinden komt toe aan de eigenaar/verhuurder van het pand waarin de overtreding heeft plaatsgevonden en staat los van de bevoegdheid van de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De toepassing door de burgemeester van artikel 13b van de Opiumwet heeft een van de ontbinding van de huur- of gebruiksovereenkomst te onderscheiden functie, ter voorkoming van verdere overtredingen in de betrokken woning of lokaal19.
Het ligt op de weg van de betrokkene om de burgemeester erop te wijzen of bovengenoemde omstandigheid zich voordoet, bijvoorbeeld in de zienswijze. Dit kan aanleiding geven voor de burgemeester om met de eigenaar/verhuurder in overleg te treden over de sluitingsmaatregel en welke mogelijkheden er zijn voor de betrokkene om na de sluiting terug te keren in de betreffende of een andere woning. In dat kader wordt bijvoorbeeld nagegaan of de betrokkene door sluiting van de woning op een “zwarte lijst” komt te staan bij een woningbouwcorporatie als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio. Hierover vindt in principe afstemming plaats tussen de burgemeester en de eigenaar/verhuurder van de woning. Als een betrokkene niet kan terugkeren in de betreffende woning of op een “zwarte lijst” komt te staan, hoeft zich dat niet zonder meer tegen sluiting te verzetten.
Hierbij komt o.a. gewicht toe aan de mate van verwijtbaarheid van de betrokkene aan de overtreding of de ernst van de overtreding20. Deze omstandigheden zal de burgemeester in zijn/haar belangenafweging betrekken. Zijn de verwijtbaarheid of de aard en ernst van de overtreding beperkt of staan anderszins door de huurontbinding en/of de hantering van een zwarte lijst (voor zover die tevens zijn grondslag vindt in de geconstateerde overtreding21) de gevolgen voor de betrokkene niet in redelijke verhouding tot de met de burgemeestersmaatregel te dienen doelen, dan kan de burgemeester besluiten af te wijken van de beleidsregel door in plaats van de voorgeschreven maatregel een minder ingrijpende of geen maatregel te treffen.
10. Feitelijke sluiting
10.1. Effectuering sluiting
Na de bekendmaking van het sluitingsbesluit wordt overgegaan tot het sluiten van de woning, het lokaal en/of het bijbehorende erf. De betrokkene krijgt gedurende een begunstigingstermijn de kans om voor de sluiting persoonlijke eigendommen, huisraad of huisdieren uit de woning, het lokaal en/of daarbij behorende erven te halen, tenzij sprake is van een spoedeisende situatie. Indien nodig krijgt de gemeente bij de effectuering van de sluiting assistentie van de politie.
10.2. Verbod betreden gesloten pand behoudens toestemming
Het is op grond van artikel 2:41 van de Algemene plaatselijke verordening Rijswijk verboden een woning, lokaal of daarbij behorend erf te betreden waarvan de sluiting is bevolen. Een op grond van artikel 13b van de Opiumwet gesloten pand en/of het daarbij behorende erf mag alleen worden betreden als de burgemeester daarvoor toestemming heeft gegeven.
In de regel zal de burgemeester slechts toestemming geven bij een dringende of zwaarwichtige reden om het gesloten pand en/of het daarbij behorende erf tussentijds te betreden. Daarom zal de belanghebbende eerst schriftelijk en gemotiveerd moeten verzoeken om toestemming. Uit het verzoek moet blijken voor wie, voor welk doel en voor welke duur betreding van het gesloten pand en/of het bijbehorende erf nodig is. De burgemeester kan voorwaarden verbinden aan de toestemming.
10.3. Sloten vervangen
De cilinders van de toegangsdeuren worden vervangen. Op deze manier is verzekerd dat bijvoorbeeld gebruikers na de sluiting niet op normale wijze het pand kunnen betreden. De sleutels worden in bewaring genomen door de gemeente. De burgemeester geeft opdracht (aan een derde) om de sloten van alle toegangen te vervangen. De betrokkene moet hieraan zijn medewerking verlenen.
10.4. Kennisgeving/kenbaarheid sluiting
Uitgangpunt is dat de sluiting kenbaar wordt gemaakt door het aanbrengen van een kennisgeving aan of binnen het pand of aan de toegang tot het daarbij behorende erf. Op de kennisgeving staat dat het pand is gesloten op last van de burgemeester. Op deze wijze is duidelijk kenbaar voor eenieder dat het pand is gesloten, waardoor de bekendheid van het pand als drugspand bij kopers, exploitanten en faciliteerders teniet wordt gedaan. Voor omwonenden is zo eveneens duidelijk dat tegen de productie van en de handel in drugs van overheidswege wordt opgetreden. Het afscheuren, onleesbaar maken of beschadigen van een kennisgeving is een overtreding van de artikelen 187 en 447 van het Wetboek van Strafrecht.
10.5. Verzegeling
De toegangsdeuren en andere toegangen van het pand worden verzegeld door middel van verzegelingsstickers. Zonder het aanbrengen van zegels kan niet worden gecontroleerd of het pand gedurende de sluitingsperiode inderdaad gesloten blijft. Het doorbreken van het zegel is strafbaar op grond van artikel 199, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Voordat tot sluiting en verzegeling wordt overgegaan, wordt een inspectie uitgevoerd in het te sluiten pand. Bekeken wordt met name of er al dan niet nog personen en/of dieren verblijven in het pand. Verder wordt een controle uitgevoerd op de nutsvoorzieningen en wordt bekeken of ramen en (achter)deuren deugdelijk zijn afgesloten.
10.6. Bewonersbrief
De burgemeester kan ervoor kiezen de gebruikers van omliggende panden via een bewonersbrief te informeren over het sluitingsbesluit.
10.7. Kostenverhaal bestuursdwang
De kosten voor toepassing van bestuursdwang zullen in beginsel op de overtreder(s) worden verhaald. Het gaat hierbij in de eerste plaats om de directe kosten van feitelijk optreden door of vanwege het bestuursorgaan (denk aan de vervanging van sloten, de verzegeling of de afsluiting van een perceel door middel van hekken, schermen of andere obstakels). Ook andere kosten van bestuursdwang in de zin van artikel 5:25 van de Awb kunnen worden verhaald. In het besluit tot toepassing van bestuursdwang (sluitingsbesluit) kan tegelijk een aanzegging tot kostenverhaal worden opgenomen. Het kostenverhaal kan achterwege blijven bij iedere ontbrekende verwijtbaarheid aan de zijde van de overtreder.
10.8. Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken
De burgemeester is op grond van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (WKBP) verplicht om binnen vier dagen na bekendmaking van het sluitingsbesluit of de last onder bestuursdwang of onder dwangsom strekkende tot het afvoeren van de aangetroffen goederen, in het beperkingenregister in ieder geval aan te tekenen dat een pand en/of het bijbehorende erf is gesloten. Wanneer de sluiting wordt opgeheven of wanneer de sluitingstermijn afloopt, wordt dit aangepast in het Basisregistratie Kadaster Publiekrechtelijke beperkingen.
11. Verzoek opheffen sluiting
11.1 Afweging bij tussentijds schriftelijk verzoek tot opheffing
De betrokkene kan de burgemeester tussentijds schriftelijk verzoeken de sluiting op te heffen.
Bij zijn/haar beslissing op een dergelijk verzoek neemt de burgemeester o.a. in overweging of de te realiseren doelen van de sluiting reeds zijn behaald. Deze afweging wordt mede gemaakt op basis van een door de politie en eventuele andere veiligheidspartners, zoals het Regionale Informatie- en Expertise Centrum (RIEC), gemaakte inschatting. Zo nodig kan daartoe een bestuurlijke rapportage of advies worden opgevraagd van één of meer veiligheidspartners. Van belang bij de besluitvorming hieromtrent is tevens de bereidheid en de bekwaamheid van de betrokkene om aantoonbaar en daadwerkelijk maatregelen te nemen om herhaling van de geconstateerde overtreding(en) te voorkomen. Daarbij geldt de getroffen sluitingsmaatregel als uitgangpunt. Nagegaan zal worden of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de uitgangspunten die daaraan ten grondslag liggen niet meer aan de orde zijn.
11.2. Eisen schriftelijk verzoek
Aan het opheffen van een sluiting wordt in de regel geen medewerking verleend eerder dan na het verstrijken van de helft van de sluitingsduur. De hoofdregel is dat alleen tot opheffing van een sluiting kan worden besloten, als sprake is van een schriftelijk verzoek van een betrokkene waarin gemotiveerd wordt aangegeven dat het op basis van veranderde feiten en omstandigheden aannemelijk is dat er niet opnieuw overtredingen van de Opiumwet in of vanuit de woning, het lokaal en/of het daarbij behorend erf zullen worden gepleegd. Er dienen dus minimaal voldoende maatregelen te zijn getroffen om te voorkomen dat er in of vanuit het pand opnieuw overtredingen plaatsvinden van de Opiumwet.
12. Slotbepalingen
12.1. Intrekken bestaande beleidsregel
Met het vaststellen van deze beleidsregel wordt de volgende beleidsregel ingetrokken:
- –
Beleidsregel van de burgemeester van de gemeente Rijswijk houdende regels omtrent illegale handel in drugs en/of de productie van drugs (Beleidsregel bestuurlijke handhaving artikel 13b Opiumwet Rijswijk 2020).
12.2. Inwerkingtreding
Deze beleidsregel treedt in werking op de eerste dag na de datum van bekendmaking.
12.3. Citeertitel
Deze beleidsregel wordt aangehaald als:
- –
Beleidsregel artikel 13b Opiumwet gemeente Rijswijk 2026
Ondertekening
Aldus vastgesteld op 15 januari 2026
De burgemeester van Rijswijk,
H. Sahin
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl