Beleidsregels jeugdhulp gemeente Heemskerk 2026

Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 01-02-2026

Intitulé

Beleidsregels jeugdhulp gemeente Heemskerk 2026

Het college van burgemeester en wethouders van gemeente Heemskerk,

gelet op de Verordening jeugdhulp gemeente Heemskerk 2026,

gelet op het bepaalde in de artikelen 4:81 en 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht,

b e s l u i t

vast te stellen Beleidsregels jeugdhulp gemeente Heemskerk 2026.

1. Begripsbepaling

In deze beleidsregels worden verstaan onder:

  • a.

    College: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemskerk;

  • b.

    Gemeente: de gemeente Heemskerk

  • c.

    Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG): de gemandateerde gemeentelijke toegang tot jeugdhulp;

  • d.

    Jeugdhulpplan: een plan voorzien van een omschrijving van de hulpvraag, problematiek, doelen en welke middelen en werkzame elementen nodig zijn om de doelen te behalen en dat de jeugdige of zijn ouders verplicht zijn om op te stellen wanneer zij hulp willen inkopen met een pgb;

  • e.

    Pgb: persoonsgebonden budget;

  • f.

    Verordening: Verordening Jeugdhulp gemeente Heemskerk 2026;

  • g.

    Verwijzer: zoals geformuleerd in de Verordening Jeugdhulp gemeente Heemskerk 2026;

  • h.

    Wet: jeugdwet.

Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, de Verordening en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. Woonplaatsbeginsel

Bij het bepalen welke gemeente financieel verantwoordelijk is voor de inzet van jeugdhulp dient eerst een check op het woonplaatsbeginsel gedaan te worden. Het woonplaatsbeginsel wordt door de Gemeente gecontroleerd en vastgesteld. Als de Gemeente vaststelt dat zij op grond van het woonplaatsbeginsel niet verantwoordelijk is, dan dient de Gemeente de casus over te dragen aan de juiste verantwoordelijke gemeente.

Bij het bepalen van het woonplaatsbeginsel wordt onderscheid gemaakt in jeugdhulp zonder verblijf en jeugdhulp met verblijf.

Jeugdhulp zonder verblijf:

  • ▪︎

    Van jeugdhulp zonder verblijf is sprake als de jeugdige bij een ouder in de zin van de Wet woont. De jeugdige slaapt, in ieder geval formeel, thuis. Jeugdhulpvormen zonder verblijf zijn: jeugdhulp uitgevoerd door het wijk- of buurtteam, ambulante jeugdhulp thuis of op locatie van de aanbieder, daghulp op locatie van de aanbieder en jeugdhulp in het netwerk van de jeugdige.

  • ▪︎

    Bij jeugdhulp zonder verblijf geldt als uitgangspunt dat de gemeente waar de jeugdige zijn woonadres heeft volgens de Wet BRP (Basisregistratie Personen) bij de start van de zorg financieel verantwoordelijk is.

Jeugdhulp met verblijf:

  • ▪︎

    Van jeugdhulp met verblijf is sprake als de jeugdige formeel elders verblijft, niet zijnde thuis bij oder(s), in het kader van jeugdhulp. Het gaat om alle vormen van verblijf die onder de Jeugdwet vallen. Het verblijf kan dus zijn in een accommodatie van een residentiële instelling, in een accommodatie van een jeugdzorgplusinstelling, gezinsgericht verblijf (gezinshuizen) en in het kader van pleegzorg in een pleeggezin. Ook verblijf in logeerhuizen, alleen tijdens weekenden of juist door de week, valt onder jeugdhulp met verblijf, evenals weekendpleegzorg. Jeugdhulp met verblijf kan langdurend of kortdurend en incidenteel (crisisverblijf) zijn.

  • ▪︎

    Bij jeugdhulp met verblijf geldt als uitgangspunt dat de gemeente waar de jeugdige onmiddellijk voorafgaand aan zijn verblijf woonachtig was, financieel verantwoordelijk is. Hiervoor wordt gekeken naar de inschrijving volgens de Wet BRP (Basisregistratie Personen). De gemeente waar de jeugdige voor het laatst met (één van) de ouders stond ingeschreven, is verantwoordelijk voor de financiering van de jeugdhulp met verblijf.

  • ▪︎

    Wanneer de woonplaats niet kan worden vastgesteld, of wanneer er bij het opgenomen woonadres in de Wet BRP een aantekening geplaatst is (als bedoeld in artikel 2.26 van de Wet basisregistratie personen), geldt dat de gemeente waar de jeugdige werkelijk verblijft op het moment van vaststelling van de hulpvraag verantwoordelijk is.

Combinatie van verblijf met andere vormen van jeugdhulp:

  • ▪︎

    Als een jeugdige op grond van de Jeugdwet in verblijf is en dit verblijf wordt gecombineerd met andere vormen van jeugdhulp, dan is de gemeente voorafgaand aan het verblijf verantwoordelijk voor de ambulante jeugdhulp en het verblijf van een jeugdige.

  • ▪︎

    Indien de ambulante hulp doorloopt, maar het verblijf is geëindigd, dan is voor de ambulante jeugdhulp de gemeente verantwoordelijk waar de jeugdige na dat verblijf een woonadres heeft.

  • ▪︎

    De betrokken gemeente blijft financieel verantwoordelijk tot het verblijf vanuit de Jeugdwet stopt, dit geldt ook voor een wijziging bij aansluitend verblijf en andere hulpvormen die onder de Jeugdwet vallen.

Voorbeelden van veelvoorkomende situaties zijn te vinden via Voorbeelden over de uitslag bij het nieuwe woonplaatsbeginsel - Eerste Kamer der Staten-Generaal.

3. Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen

Met eigen mogelijkheden worden de mogelijkheden of vaardigheden bedoeld om zelf problemen op te lossen of te voorkomen met behulp van het sociale netwerk. Hieronder vallen het herkennen van problemen, oplossingen bedenken en hier actie aan geven. Denk hierbij aan het opvoeden van kinderen, of het bieden van opvang, begeleiding en/of verzorging.

Met probleemoplossend vermogen wordt bedoeld in hoeverre iemand in staat is effectief de eigen kracht in te zetten om problemen op te lossen en te voorkomen.

Van ouders mag verwacht worden dat zij hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend inzetten om hun kind te helpen. De verwijzer verkent met ouders de eigen mogelijkheden en op welke vlakken deze ingezet of versterkt kunnen worden. De realisatie van inzet is afhankelijk van de individuele omstandigheden die bepalen of inzet mogelijk is of toegepast kan worden.

Van problemen die opgelost of voorkomen kunnen worden door gebruik te maken van de eigen kracht – met behulp van het sociale netwerk – wordt dit van de ouders verwacht. Als de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend zijn, wordt geen individuele voorziening verstrekt.

4. Gebruikelijke hulp

Gebruikelijke hulp richt zich op begeleiding, verzorging, opvang en vervoer. Dit zijn de vormen van ondersteuning die in redelijkheid tot de normale opvoedingstaken van ouders en verzorgers behoren (zie bijlage I). Hierdoor wordt een helder onderscheid gemaakt tussen wat gebruikelijk van ouders verwacht mag worden en wanneer sprake is van een zorgbehoefte die aanvullend via jeugdhulp kan worden ondersteund. Andere aspecten van zorg zoals specialistische behandeling of diagnostiek vallen per definitie buiten gebruikelijke hulp omdat ze niet als vanzelfsprekend van ouders verwacht kunnen worden.

4.1. Wettelijk kader en begripsbepalingen

Uit de Jeugdwet volgt dat het college geen voorziening voor jeugdhulp hoeft te verstrekken voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) toereikend zijn (artikel 2.3, lid 1 Jeugdwet).

Gebruikelijke hulp in het kader van de Jeugdwet is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders. Ouders dienen de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft.

Bovengebruikelijke hulp kan van ouders worden verwacht, wanneer sprake is van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen1.

De onderzoeksfactoren voor het vaststellen van de eigen kracht zouden samengevat kunnen worden in de volgende vragen:

  • 1.

    Is de ouder in staat de benodigde hulp te bieden?

  • 2.

    Is de ouder beschikbaar om de benodigde hulp te bieden?

  • 3.

    Levert het bieden van de hulp de ouder geen overbelasting op?

  • 4.

    Ontstaan er geen financiële problemen in het gezin als de hulp door de ouder wordt geboden?

Als uit onderzoek naar deze factoren volgt dat de ouder(s) de benodigde hulp kunnen bieden zonder dat dit tot problemen leidt op één van deze terreinen, dan kan de gemeente concluderen dat sprake is van voldoende eigen kracht. Als er sprake is van onvoldoende eigen kracht, dan wordt gekeken waar het verschil ligt tussen wat ouders of anderen uit het sociale netwerk van de jeugdige zelf kunnen doen, en wat er aanvullend nodig is. Op basis daarvan wordt bepaald welke voorziening passend is om dat verschil goed op te lossen.

Bij dit onderzoek wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(s) hebben om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ouder(s) maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren (zoals het organiseren van kinderopvang of buitenschoolse opvang). Dit om overbelasting of dreigende overbelasting te voorkomen.

4.2 Onderscheid kortdurende en langdurige zorgsituatie

Bij gebruikelijke hulp wordt een onderscheid gemaakt in kortdurende en langdurige situaties.

  • ▪︎

    Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het gezondheidsprobleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over het algemeen over een periode van maximaal 6 maanden.

  • ▪︎

    Langdurig: het gaat om situaties (met mogelijk chronische hulpvragen) waarbij de hulp naar verwachting langer dan 6 maanden nodig zal zijn.

Als de hulpvraag kortdurend is, wordt ervan uitgegaan dat er genoeg eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen aanwezig is.

4.3 Afweging gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp

4.3.1 Beoordelingsfactoren gebruikelijke hulp

In bijlage I zijn richtlijnen opgenomen van gebruikelijke hulp van ouders voor jeugdigen zonder beperkingen. Bij de beoordeling welke hulp bovengebruikelijke hulp gaat, worden de volgende factoren betrokken:

  • 1.

    Leeftijd van de jeugdige;

  • 2.

    Aard van de zorghandelingen;

  • 3.

    Frequentie en patroon van de zorghandelingen; en

  • 4.

    Tijdsomvang van de zorghandelingen.

Het is van belang dat deze criteria telkens in samenhang worden beoordeeld, rekening houdend met de omstandigheden van de jeugdige en het gezin (zie 4.4.3).

4.3.2 Normtijden bovengebruikelijke hulp

De normtijden zijn gebaseerd op de CIZ-indicatiewijzer, een instrument dat vóór 2015 werd gebruikt om de benodigde zorg te bepalen. Deze richtlijnen bieden houvast bij het inschatten van de tijd die bovengebruikelijke hulp vraagt en zijn gebaseerd op 4 criteria.

  • 1.

    Leeftijd van de jeugdige: Bij de beoordeling van gebruikelijke hulp wordt rekening gehouden met verschillen die tussen jeugdigen in dezelfde leeftijdscategorie bestaan. Ook bij gezonde jeugdigen van dezelfde leeftijd heeft de ene jeugdige meer zorg en begeleiding nodig en is de ander sneller zelfstandiger en minder hulpbehoevend.

  • 2.

    Aard van de zorghandelingen: Voor zorghandelingen die de jeugdige zelfstandig kan uitvoeren, hoeft geen hulp te worden toegekend. Gebruikelijke hulp bij kinderen kan ook handelingen omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen. Het gaat dan om handelingen die een gebruikelijke hulphandeling vervangen, zoals het geven van sondevoeding in plaats van eten. Of om handelingen die in samenhang met reguliere zorgmomenten kunnen worden geboden, zoals het geven van medicijnen.

  • 3.

    Frequentie en patroon van de zorghandelingen: Zorghandelingen die meelopen in het normale patroon van dagelijkse zorg voor een kind – zoals 3 keer eten per dag – kunnen als gebruikelijke hulp worden aangemerkt. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met die zorgsituaties waarbij ouders voortdurend in de nabijheid moeten zijn om onplanbare zorg en toezicht te leveren vanwege de (chronische) aandoening, stoornissen en beperkingen van het kind. Zie daarover ook onderdeel 3.2 van deze beleidsregels.

  • 4.

    Tijdsomvang van de zorghandelingen: de omvang van de tijd die met de zorghandelingen is gemoeid, kan ervoor zorgen dat er niet langer sprake is van gebruikelijke hulp.

4.3.3 Samenhangende beoordeling

De hierboven genoemde criteria moeten telkens in samenhang met elkaar worden beoordeeld. En steeds moet gekeken worden naar de individuele omstandigheden van de jeugdige en het gezin. Zo kan een zorghandeling die in aard en omvang voor een kind van een bepaalde leeftijd gebruikelijk is, in een individuele situatie veel vaker voorkomen (frequentie) of veel meer tijd kosten (tijdsomvang). Hierdoor kan deze zorg niet geheel als gebruikelijk worden aangemerkt en dient er gekeken te worden wat er aanvullend nodig is aan hulp.

4.4 Overbelasting

Bij het onderzoek naar de gebruikelijke hulp moet vastgesteld worden of degene waarvan gebruikelijke hulp wordt verwacht ook in staat is om deze gebruikelijke hulp te bieden, of dat sprake is van (dreigende) overbelasting. Dit kan gebeuren via een objectief meetinstrument, zoals de Opvoedingsbelasting Vragenlijst (OBVL). Er moet aandacht zijn voor de draaglast en draagkracht van de ouders. Het college moet bekijken of hij/zij naast zijn of haar werk en de te verlenen zorg fysiek en psychisch in staat is de gebruikelijke hulp te verlenen.

Bij dreigende overbelasting kan eerst worden gekeken of de gebruikelijke hulp aan de jeugdige tijdelijk kan worden uitgevoerd door het sociale netwerk, of een organisatie in de sociale basis. Als dat niet mogelijk is, dan kan een jeugdhulpaanbieder worden gezocht.

In eerste instantie zal dan een tijdelijke voorziening worden verstrekt. Deze voorziening zal van korte duur zijn om de gelegenheid te bieden de (onderlinge) taakverdeling tussen ouders en de hulpverlening aan de ontstane situatie aan te passen.

4.5 Gebruikelijke hulp en vervoer

In principe zijn ouders zelf verantwoordelijk voor het vervoer van hun kind van en naar de jeugdhulpaanbieder. Als zij dit zelf kunnen regelen (vanuit de eigen kracht) wordt er geen extra vervoersvoorziening toegekend. In geval van een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid van de jeugdige kan er een vervoersvoorziening worden toegekend. Er wordt gekozen voor het goedkoopst adequate vervoer.

Voordat er een individuele vervoersvoorziening wordt toegekend, wordt eerst gekeken of ouders of anderen uit het sociale netwerk kunnen helpen bij het begeleiden naar de jeugdhulpaanbieder. Daarnaast wordt bekeken of de jeugdige genoeg draagkracht en vaardigheden heeft om binnen afzienbare tijd zelfstandig te leren reizen, bijvoorbeeld met de fiets, scooter, brommer of het openbaar vervoer. Ook kan er worden gekeken of een vrijwilliger beschikbaar is om de jeugdige te begeleiden of te vervoeren.

Het is ook mogelijk de vervoersvoorziening later gedurende het jeugdhulptraject toe te kennen, als zich na verloop van tijd een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid voordoen. Vergoeding van de kosten met terugwerkende kracht, dus vóór de datum van de aanvraag, is niet mogelijk.

5. Persoonlijke verzorging

5.1 Wat valt onder persoonlijke verzorging?

Bij persoonlijke verzorging gaat het om algemeen dagelijkse levensverrichtingen (hierna: ADL), zoals:

  • ▪︎

    wassen;

  • ▪︎

    aankleden en uitkleden;

  • ▪︎

    aanbrengen of aantrekken van hulpmiddelen, prothesen, elastische kousen;

  • ▪︎

    eten en drinken;

  • ▪︎

    toedienen van sondevoeding;

  • ▪︎

    zich verplaatsen (in/uit bed, in/uit bad, van bed naar stoel);

  • ▪︎

    naar het toilet gaan (aanleggen van een urinaal, verwisselen van incontinentiemateriaal);

  • ▪︎

    wisselen van lig- of zithouding;

  • ▪︎

    medicijnen innemen;

  • ▪︎

    opmaken van het bed van een bedlegerig kind;

  • ▪︎

    reguliere huidverzorging, mond- en gebitsverzorging, scheren, hand- en voetverzorging;

  • ▪︎

    schoonhouden en verzorgen van stoma en andere onnatuurlijke lichaamsopeningen.

Een jeugdige kan ondersteuning krijgen bij deze ADL-activiteiten, maar de handelingen kunnen ook worden overgenomen. Het stimuleren van de jeugdige om de persoonlijke verzorging uit te voeren of aan te leren, kan ook onderdeel zijn van de in te zetten hulp.

5.2 Persoonlijke verzorging en gebruikelijke hulp

Bij de beoordeling van de vraag welke activiteiten op het gebied van persoonlijke verzorging als (boven)gebruikelijke hulp kunnen worden aangemerkt, geldt 4.3 uit voorliggend document.

Het aanleren van handelingen op het gebied van persoonlijke verzorging aan jeugdigen valt aan te merken als gebruikelijke hulp. Hieronder komen enkele uitzonderingen, dan wel bijzondere situaties, aan de orde, die specifiek voor persoonlijke verzorging gelden.

5.2.1 Ouders hebben zelf beperkingen

Als een ouder geobjectiveerde beperkingen heeft en/of kennis/vaardigheden mist om gebruikelijke persoonlijke verzorging uit te voeren, kan niet alle gebruikelijke hulp van hem of haar worden verwacht. De handelingen die bij een kind zonder beperkingen niet voorkomen, kan niet van deze ouder(s) worden verwacht. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het geven van sondevoeding of medicatietoediening.

5.2.2 Beschikbaarheid ouders vanwege werk/studie

Wanneer een jeugdige zorg nodig heeft die niet kan worden uitgesteld, zoals het toedienen van medicatie of hulp bij toiletgang, moet deze op het juiste moment plaatsvinden. Als ouders door werk of studie niet beschikbaar zijn, wordt van hen verwacht dat zij hun werktijden waar mogelijk aanpassen. Daarnaast wordt verwacht dat zij waar mogelijk hun sociale netwerk inschakelen om deze zorg te organiseren. Dit geldt als uitgangspunt binnen de ondersteuning van jeugdigen.

5.2.3 Persoonlijke verzorging tijdens kinderopvang

De opvang/zorg die instanties voor kinderopvang geacht zijn te bieden, is gebruikelijke hulp. Alleen voor de hulp die aanvullend nodig is aan de opvang/zorg van kinderopvang, kan het college een voorziening verstrekken. De niet-uitstelbare persoonlijke verzorging kan tijdens kinderopvang geïndiceerd worden.

5.2.4 Persoonlijke verzorging tijdens onderwijs

De school biedt gangbare en normale dagelijkse zorg, zoals het strikken van veters, het aantrekken van een jas en hulp bij toiletgang bij kleuters. Voor deze gangbare en normale dagelijkse zorg kan geen voorziening worden verstrekt.

Gedurende de tijd dat een kind de school bezoekt, is er voor de niet-uitstelbare zorg geen verplichting voor ouders om deze hulp op school te leveren. De niet-uitstelbare zorg gedurende schooltijd wordt daarom gezien als bovengebruikelijke hulp en hiervoor kan een voorziening worden toegekend.

Bij het organiseren van persoonlijke verzorging op school is het belangrijk om rekening te houden met de privacy en het welzijn van de jeugdige. De inzet van een passende voorziening kan hierbij ondersteunend zijn.

5.2.5 Intieme persoonlijke verzorging voor een jeugdige ouder dan 12 jaar

Voor zover een jeugdige van 12 jaar of ouder geen intieme persoonlijke verzorging wil ontvangen van ouders, wordt geen bijdrage verwacht van die ouders. Er is dan dus geen sprake van te verwachten gebruikelijke hulp. In dat geval kan een voorziening worden toegekend om deze zorg door een andere, passende persoon te laten uitvoeren, bijvoorbeeld een zorgprofessional.

6. Begeleiding

6.1 Wat valt onder begeleiding?

Begeleiding is ondersteuning die gericht is op het vergroten van de zelfstandigheid en deelname aan de samenleving. Bij jeugdigen gaat het vaak om het aanleren van vaardigheden, het bieden van structuur en het ondersteunen bij sociale situaties. Bij jeugdigen wordt (een beperking in de) zelfredzaamheid en participatie vergeleken met de mate van zelfredzaamheid en participatie van een kind van dezelfde leeftijd zonder hulpvraag en ondersteuning. Zie hiervoor ook de richtlijnen in bijlage I. Begeleidingsactiviteiten waarvoor een voorziening kan worden verstrekt kunnen onder andere bestaan uit:

  • ▪︎

    het ondersteunen bij of oefenen met vaardigheden of handelingen, zoals leren om dagelijkse handelingen als wassen en aankleden zelfstandig te kunnen doen;

  • ▪︎

    het oefenen met aanbrengen van structuur, bijvoorbeeld hulp bij plannen van activiteiten en structuur aanbrengen in een dag;

  • ▪︎

    ondersteuning bij het sociaal functioneren en maatschappelijk participeren (psychosociale zelfredzaamheid), zoals thuis, bij winkelen of vrijetijdsbesteding;

  • ▪︎

    het overnemen van toezicht op de jeugdige.

6.2 Begeleiding en gebruikelijke hulp

Bij de beoordeling van de vraag welke activiteiten op het gebied van begeleiding als (boven)gebruikelijke hulp kunnen worden aangemerkt, geldt 4.3 van voorliggend document. Bij het beoordelen of begeleiding noodzakelijk is, wordt wederom gekeken of het sociaal netwerk van het gezin ondersteuning kan bieden. Denk aan hulp van familieleden, buren of vrijwilligers.

Hieronder komen enkele uitzonderingen, dan wel bijzondere situaties, aan de orde, die specifiek voor begeleiding gelden.

6.2.1 Ouders hebben zelf beperkingen

Als de ouder(s) geobjectiveerde beperkingen heeft en/of kennis/vaardigheden mist om gebruikelijke begeleiding uit te voeren en deze vaardigheden niet kan aanleren, wordt geen bijdrage van hem of haar verwacht.

6.2.2. Begeleiding gedurende werk of studie van ouder(s)

Wanneer ouders werken of studeren, blijven zij verantwoordelijk voor de opvang/verzorging van hun kinderen. De begeleiding die buiten dit werk om als gebruikelijke hulp wordt beschouwd, kan gedurende de tijd dat de ouders werken of studeren niet als voorziening worden toegekend. Alleen voor bovengebruikelijke begeleiding kan een voorziening worden verstrekt.

6.2.3 Begeleiding tijdens onderwijs

Als een kind vanwege een aandoening, stoornis of beperkingen gedrag vertoont dat het leren bemoeilijkt, valt de daarbij behorende begeleiding onder het onderwijs. Het gaat daarbij om begeleiding die te maken heeft met de lessen, het leren, de vakinhoud en de pedagogische en didactische omgang. In het kader van de Wet passend onderwijs voorziet een school in begeleiding van leerlingen tijdens het onderwijs. Ook remedial teaching of huiswerkbegeleiding richten zich op het helpen van kinderen met leerproblemen. Dit zijn onderwijsgebonden problemen en behoren tot het domein van het onderwijs.

Als het gedrag de omgang met andere leerlingen bemoeilijkt, kan begeleiding in de vorm van toezicht aangewezen worden. Te denken valt hierbij aan begeleiding bij ‘vrije’ of praktijklessen als schoolzwemmen of schoolgym. Bij dit type lessen/activiteiten is er sprake van een minder strakke structuur en een ander type (leer)omgeving. Dit kan van invloed zijn op het gedrag van het kind met een (onderliggende) hulpvraag. Essentieel is dat het leren voor iedereen doorgang kan vinden. Als gedrag van een jeugdige met een (onderliggende) hulpvraag om extra toezicht en/of interventies vraagt bij de omgang met andere kinderen en/of bij spel, dan is dit bovengebruikelijk toezicht waarvoor begeleiding ingezet kan worden.

6.2.4 Vrije tijd

Ook bij deelname aan vrijetijdsactiviteiten, zoals sportclubs of hobbygroepen, kan begeleiding nodig zijn om sociale interactie te ondersteunen of structuur te bieden. Als deze begeleiding verder gaat dan wat normaal van ouders verwacht wordt volgens 4.3 van dit voorliggend document, kan dit bovengebruikelijke begeleiding zijn.

6.2.5 Ouderlijk toezicht

Ouderlijk toezicht aan kinderen is gebruikelijke hulp. Kinderen (met of zonder hulpvraag) hebben ouderlijk toezicht nodig. Dit toezicht wordt anders van aard naarmate een kind ouder wordt en zich ontwikkelt. Zie ook de richtlijnen in bijlage I.

Bovengebruikelijke begeleiding bij kinderen tot 3 jaar komt in de praktijk niet vaak voor. Kinderen in deze leeftijd hebben volledige verzorging en begeleiding van een ouder nodig. Toch kan bovengebruikelijk toezicht aan de orde zijn. Bovengebruikelijk toezicht is toezicht dat nodig is vanwege de aandoeningen, stoornissen of beperkingen van het kind en is aanvullend op gebruikelijk ouderlijk toezicht. Het kan gericht zijn op (toezicht op en aansturen van) gedrag vanwege een aandoening, stoornis of beperking, of op het bieden van fysieke zorg zodat tijdig kan worden ingegrepen bij bijvoorbeeld complicaties bij een ziekte.

6.2.6 Begeleiding bij risicovol gedrag

Wanneer een jeugdige risicovol gedrag vertoont, zoals weglopen of impulsief gedrag dat gevaar oplevert, kan intensief toezicht en begeleiding nodig zijn. Dit valt onder bovengebruikelijke begeleiding.

7. Overige voorzieningen

Een overige voorziening is een voorziening die vrij toegankelijk is zonder verwijzing. Een overige voorziening is voorliggend aan een individuele geïndiceerde voorziening. Een individuele voorziening wordt alleen toegekend als het vrij toegankelijke aanbod niet toereikend is of als er geen vrij toegankelijk aanbod is. De individuele voorziening is dan de meest passende voorziening om de hulpvraag op te lossen.

Een overige voorziening is geen (specialistische) jeugdhulp. Er is geen beschikking of verwijzing nodig. De ondersteuning is laagdrempelig en kan kortdurende, lichte hulp zijn of bredere, preventieve ondersteuning. Voorbeelden van overige voorzieningen zijn de Jeugdgezondheidszorg (JGZ), jongerenwerk, maatschappelijk werk, informatie en advies door het Centrum van Jeugd en Gezin (CJG), activiteiten als training, cursus en themabijeenkomsten en de gezins- en jongeren coaching.

Jeugdigen en/of ouders kunnen worden gewezen op de vrij toegankelijke voorzieningen door wettelijke verwijzers, maar ook via informele wegen, zoals scholen of het sociale netwerk. Als er sprake is van een gesprek tussen jeugdige en ouder(s) en de verwijzer, dan kijkt de verwijzer in eerste instantie of er een overige voorziening is waarvan de jeugdige/ouder(s) gebruik kunnen maken. Op basis van het gesprek tussen jeugdige en ouder(s) en de verwijzer kan de conclusie zijn dat het vrij toegankelijk aanbod voldoende oplossing biedt.

Indien sprake is van een jeugdhulpplan wordt hierin vermeld van welke overige voorziening de jeugdige en ouder(s) gebruik maken of gebruik gaan maken indien daarvan sprake is. Ook is het mogelijk dat naast een overige voorziening aanvullend een individuele voorziening wordt ingezet.

Het niet willen dragen van eventuele kosten van een overige voorziening door ouders is geen aanleiding om een individuele voorziening te treffen. Ouders die in aanmerking komen voor de gemeentelijke financiële participatieregelingen kunnen zich hiertoe wenden.

8. Resultaat gericht verwijzen

Binnen het huidige jeugdhulpstelsel in Zuid-Kennemerland en IJmond wordt gewerkt met resultaatgerichte verwijzingen. Bij de jeugdhulpaanbieders ligt de focus op het behalen van specifieke doelen of meetbare resultaten voor de aanpak van de hulpvraag. Hiermee kan beter worden aangesloten bij de individuele behoeften van de jeugdige/het gezin. De jeugdige en ouders en het Centrum voor Jeugd en Gezin of de GI bespreken samen de resultaten die de inzet van de (specialistische) jeugdhulp moet opleveren en zetten dit in een integraal plan.

Het is belangrijk dat de rechtspositie van de jeugdige/het gezin gewaarborgd blijft en de afspraken helder en concreet zijn.

Resultaten beschrijven de te bereiken doelen van de specialistische jeugdhulp die nodig is om de hulpvraag op te lossen, te verminderen of te verhelderen. Deze kunnen gericht zijn op ontwikkeling (herstel) of stabilisatie. Ook kunnen de resultaten bestaan uit het beschrijven van de hulpvraag, op het moment dat de te bereiken resultaten nog onvoldoende duidelijk zijn of de hulpvraag zelf onduidelijk is. Er kan door verschillende organisaties en personen worden gewerkt aan het behalen van de resultaten. Het resultaat bevordert transparantie in werkwijze.

8.1. Kenmerken goed geformuleerd resultaat

Een goed geformuleerd resultaat heeft de volgende kenmerken:

  • ▪︎

    Het uitgangspunt is dat het resultaat een eigenaar heeft: in het vrijwillig kader is dit de jeugdige en/of ouder(s). In het gedwongen kader is dit de Gecertificeerde Instelling (GI), zo mogelijk in overleg met jeugdige en/of ouder(s).

  • ▪︎

    Het resultaat kent (in principe) commitment vanuit het gezin.

  • ▪︎

    Het resultaat is hanteerbaar – het gezin heeft er invloed op. Hanteerbaar wil zeggen dat de doelen realistisch, duidelijk geformuleerd en goed te monitoren zijn.

  • ▪︎

    Het resultaat is actief, concreet en positief geformuleerd (gedrag).

  • ▪︎

    Het resultaat is geen middel maar een doel waar naartoe gewerkt wordt.

  • ▪︎

    Het resultaat is gericht op het versterken van vaardigheden van de jeugdige/het gezin

  • ▪︎

    Het resultaat is gericht op het versterken van de eigen kracht inclusief, waar mogelijk, het betrekken van het netwerk van de jeugdige/het gezin.

  • ▪︎

    Het resultaat is realistisch en kent voldoende kansen voor een succeservaring.

8.2. Resultaten in het integrale plan (jeugdhulpplan)

  • ▪︎

    De te behalen resultaten worden vastgelegd in een integraal plan.

  • ▪︎

    In het integrale plan wordt ook beschreven wat het gezin en het netwerk zelf kunnen doen, wat met hulp uit de sociale basis kan worden opgepakt en op welke onderdelen aanvullend (specialistische) jeugdhulp wordt ingezet.

  • ▪︎

    Indien aan de orde wordt in het integrale plan opgenomen dat het nodig is dat ouders hulpverlening voor hun eigen problematiek accepteren om de problemen in het gezin op te lossen.

8.3. Overige bepalingen

  • ▪︎

    De verwijzer kan een jeugdhulpaanbieder/consortium/pgb-hulpverlener betrekken voor consultatie en advies bij het opstellen van de resultaten.

  • ▪︎

    In geval van een (huis)artsverwijzing stelt de jeugdhulpaanbieder/consortium samen met de jeugdige en ouders de resultaten op, voor zover deze niet uit de verwijzing blijken.

  • ▪︎

    Bij een verwijzing vanuit de GI wordt deze bij significante resultaatwijzigingen door de jeugdhulpaanbieder betrokken. Dit geldt ook voor het CJG, mits dat nog betrokken is.

  • ▪︎

    Bij een verwijzing door de GI wordt afgestemd over het vervolg zodra de doelen/resultaten zijn bereikt. Dit geldt ook voor het CJG, mits dat nog betrokken is.

  • ▪︎

    Bij een jeugdbeschermings- of jeugdreclasseringsmaatregel staat de opdracht waaraan gewerkt moet worden in de beschikking van de rechtbank. Ouders kunnen tegen de uitspraak in hoger beroep gaan bij de kinderrechter.

  • ▪︎

    De resultaten genoemd in het integrale plan worden tussentijds geëvalueerd door de jeugdhulpaanbieder/consortium/pgb-hulpverlener, in samenwerking met de jeugdige en de ouders. Als de GI of het CJG betrokken zijn, werken zij mee aan de tussentijdse evaluatie (als zij niet al de initiatiefnemer van deze evaluatie zijn).

  • ▪︎

    De pgb-hulpverlener is bekend met de resultaatgerichte werkwijze en in staat volgens deze werkwijze te werken.

9. 18- naar 18+

9.1. Jeugdhulp vanaf het 18e levensjaar

De Wet is voor jeugdigen tot 18 jaar en hun ouders. Wanneer een jeugdige 18 jaar wordt, stopt in principe de jeugdhulp. De Wet biedt de mogelijkheid om jeugdhulp te verlengen tot maximaal 23 jaar.

In drie situaties is jeugdhulp vanaf het 18e levensjaar mogelijk:

  • 1.

    Voor jeugdigen in een pleeggezin of gezinsvervangende woonvoorzieningen is het verblijf standaard verlengd tot 21 jaar (met verlengde jeugdhulp mogelijk tot 23 jaar) en als de jeugdige en pleegouders hiermee instemmen (‘ja, tenzij’-principe).

  • 2.

    Bij jeugdhulp in het kader van een strafrechtelijke beslissing of jeugdreclassering, tot het einde van de maatregel en tot maximaal 23 jaar.

  • 3.

    Als voortzetting van de hulp die een jeugdige voor het bereiken van het 18e levensjaar ontving noodzakelijk is en er geen vergelijkbare hulp op basis van een andere wet kan worden verkregen.

Voor de derde mogelijkheid geldt dat:

  • ▪︎

    De jeugdhulp is ingezet vóór het 18e levensjaar of er vóór het 18e levensjaar is bepaald dat jeugdhulp moet worden ingezet.

  • ▪︎

    Binnen een half jaar na het 18e levensjaar door de verwijzer geconstateerd moet worden dat de hulp die vóór het 18e levensjaar is beëindigd, nog of weer nodig is.

  • ▪︎

    Verlengde jeugdhulp alleen mogelijk is als dezelfde of vergelijkbare hulp niet onder een andere wet beschikbaar is, zijnde de Wet langdurige zorg (Wlz), de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

  • ▪︎

    Voor de Geestelijke gezondheidszorg (ggz) is geen verlengde jeugdhulp mogelijk. Voor jeugdigen waar de ggz-behandeling al gestart is vóór het 18e levensjaar kan, onder voorwaarden, wel de overgangsregeling voor jeugd-ggz bij 18 jaar gelden2.

Jeugdhulp na het 18e levensjaar is niet mogelijk voor:

  • ▪︎

    ondersteuning bij persoonlijke verzorging;

  • ▪︎

    maatschappelijke participatie en zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking;

  • ▪︎

    een chronisch psychisch probleem;

  • ▪︎

    een psychosociaal probleem.

9.2. Het perspectiefplan

  • ▪︎

    Als verwacht wordt dat een jeugdige na het bereiken van het 18e levensjaar nog hulp nodig heeft, stelt de jongere met de betrokken jeugdhulpverlener, CJG, of GI vanaf de leeftijd van 17 jaar een perspectiefplan op.

  • ▪︎

    Het perspectiefplan wordt – in samenspraak met de jeugdige – door de betrokken jeugdhulpaanbieder, de GI (indien betrokken) en/of het CJG opgesteld.

  • ▪︎

    In het perspectiefplan worden doelen gesteld die gericht zijn op het verkrijgen/vergroten van de zelfstandigheid van de jeugdige op de verschillende leefgebieden; thuis (wonen), in de vrije tijd en met betrekking tot opleiding/werk. Zo mogelijk wordt hierin meegenomen wat de rol van het sociale netwerk is.

  • ▪︎

    In het perspectiefplan wordt opgenomen of de jeugdige behoefte heeft aan een steunfiguur (maatje/informele mentor/ervaringsdeskundige).

10. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze beleidsregels treden in werking op 1 februari 2026.

  • 2.

    Deze beleidsregels worden aangehaald als Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Heemskerk 2026.

Ondertekening

Vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders op 20 januari 2026

BIJLAGE I Richtlijnen gebruikelijke hulp van ouders voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel

Leeftijd van kinderen

Richtlijnen gebruikelijke hulp

0 tot 3 jaar

  • ▪︎

    hebben bij alle activiteiten verzorging van een ouder nodig;

  • ▪︎

    ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig;

  • ▪︎

    zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen;

  • ▪︎

    hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

  • ▪︎

    hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

  • ▪︎

    hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

3 tot 5 jaar

  • ▪︎

    kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer);

  • ▪︎

    hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

  • ▪︎

    hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

  • ▪︎

    kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen;

  • ▪︎

    hebben hulp, toezicht, stimulans, zindelijkheidstraining en controle nodig bij de toiletgang;

  • ▪︎

    hebben hulp, toezicht, stimulans en controle nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen;

  • ▪︎

    hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding;

  • ▪︎

    zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven;

  • ▪︎

    hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

5 tot 12 jaar

  • ▪︎

    kinderen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week;

  • ▪︎

    kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. kind kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is);

  • ▪︎

    hebben toezicht, stimulans en controle nodig en vanaf 6 jaar tot 12 jaar geleidelijk aan steeds minder hulp nodig bij hun persoonlijke verzorging zoals het zich wassen en tanden poetsen;

  • ▪︎

    hebben hulp nodig bij het gebruik van medicatie;

  • ▪︎

    zijn overdag zindelijk, en ‘s nachts merendeels ook; ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouders;

  • ▪︎

    hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

  • ▪︎

    hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

  • ▪︎

    hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrije tijdsbesteding gaan;

  • ▪︎

    hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

12 tot 18 jaar

  • ▪︎

    hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;

  • ▪︎

    kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden;

  • ▪︎

    kunnen vanaf 16 jaar een dag en/of een nacht alleen gelaten worden;

  • ▪︎

    kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen;

  • ▪︎

    hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig;

  • ▪︎

    hebben bij gebruik van medicatie tot hun 18e jaar toezicht, stimulans en controle nodig;

  • ▪︎

    hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding;

  • ▪︎

    hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen);

  • ▪︎

    hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

  • ▪︎

    hebben tot 17 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.


Noot
1

CRvB 17-7- 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362)