Participatiebeleid Beverwijk

Geldend van 24-01-2026 t/m heden

Intitulé

Participatiebeleid Beverwijk

De raad van de gemeente Beverwijk;

gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 7 oktober 2025, documentkenmerk D-148978,

gehoord de raadscommissie;

gelet op artikel 160 lid 1 aanhef en onder b en artikel 150, participatie van de gemeentewet.

b e s l u i t .

  • 1.

    Het Participatiebeleid Beverwijk (D-154473) vast te stellen

Met wijziging onder punt 1.5 op pagina 5;

Van:

'De uitkomst van de inwonersparticipatie of de toepassing van het uitdaagrecht vanw ege de spoedeisendheid niet kan worden afgewacht'

Naar:

'De uitkomst van de inwonersparticipatie of de toepassing van het uitdaagrecht vanw ege de spoedeisendheid niet kan worden afgewacht. In dat geval stuurt het college van B&W een gemotiveerde uitleg naar de gemeenteraad over de aard van de spoedeisendheid.

Participatiebeleid Beverwijk

1 Inleiding

De gemeente Beverwijk streeft naar een samenleving waarin inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties betrokken zijn bij beleid en besluitvorming.

Participatie is daarbij geen verplicht nummer, maar een essentieel instrument om te komen tot beter beleid, meer legitimiteit en sterkere relaties tussen de gemeente Beverwijk en de samenleving.

Dit beleidskader beschrijft hoe participatie in Beverwijk wordt vormgegeven. Het biedt kaders en richting voor wie wanneer wordt betrokken, welke ruimte er is voor invloed, en hoe helderheid wordt geboden over rollen, verwachtingen en het proces. Daarmee bouwen we voort op De Beverwijkse manier – samenwerken aan maatschappelijke opgaven vanuit wederzijds vertrouwen, transparantie en inclusiviteit.

afbeelding binnen de regeling

1. Aanleiding

Er zijn drie redenen om het participatiebeleid te actualiseren:

  • Aanbevelingen van de gemeenteraad

    De Tijdelijke Raadscommissie Inwonersparticipatie (TRIP) concludeerde in 2020 dat er behoefte is aan duidelijke kaders en een herkenbare werkwijze voor participatie. De uitgangspunten die daaruit volgden – waaronder vroegtijdige betrokkenheid, duidelijke communicatie, ruimte voor initiatief en actieve terugkoppeling – vormen de basis voor dit beleid. Met aandacht voor belangrijke democratische waarden.

  • Wettelijke verplichtingen

    Per 1 januari 2025 is de Wet versterking participatie op decentraal niveau van kracht. Deze verplicht gemeenten om participatie structureel vorm te geven en inwoners te betrekken bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid, projecten en programma’s. Onderdeel van deze wet is het uitdaagrecht. Hierbij kunnen inwoners of maatschappelijke organisaties taken van de gemeente overnemen. Gemeenten hebben tot 2027 de tijd om hun huidige inspraakverordening te vervangen door een participatieverordening.

  • Veranderende maatschappelijke context

    De huidige participatieverordening stamt uit 2004. Hierin staan drie onderwerpen namelijk een raadgevend referendum, een burgerinitiatief en het vastleggen van de verschillende soorten van wijkoverleg. Dat sluit niet meer aan bij de praktijk van vandaag waarin meer verantwoordelijkheid en initiatief bij de samenleving ligt. En de wens om inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties op een andere manier bij beleid en projecten te betrekken. Nieuwe wetgeving zoals de Omgevingswet en de Participatiewet stimuleren en verplichten die betrokkenheid. Daarnaast is er meer aandacht gekomen voor doelgroepen die minder vanzelfsprekend meepraten, zoals jongeren of inwoners met beperkte toegang tot informatie.

1.2 Visie

Uitgangspunt is dat voorstellen, ideeën, initiatieven en projecten in Beverwijk mogelijk gemaakt worden. Deze leiden meestal tot een verandering in de leefomgeving van mensen. Dat geldt voor projecten maar ook voor nieuw beleid.

Participatie is, vroeg in een proces, bewust en wederzijds in gesprek gaan over maatschappelijke vraagstukken die mensen raken. Het verkleint de afstand tussen gemeente en samenleving, versterkt het vertrouwen en leidt tot beter beleid en projecten.

Participatie is geen doel op zich, maar een werkwijze waarin inwoners, ondernemers en organisaties de ruimte krijgen om hun kennis, ervaring en zorgen in te brengen – en de gemeente daar oprecht naar luistert.

Daarbij is participatie toegankelijk, inclusief en duidelijk. Dat betekent: tijdige communicatie, inzicht in de ruimte voor invloed en een open houding. Ook wanneer meningen uiteenlopen of de ruimte voor verandering beperkt is, blijft het belangrijk het gesprek zorgvuldig en met wederzijds respect te voeren.

1.Doel van participatiebeleid

Dit beleid beschrijft de uitgangspunten van hoe de gemeente omgaat met participatie. Het geeft houvast voor zowel het gemeentebestuur (gemeenteraad en het college van B&W) als voor de ambtelijke organisatie en maakt duidelijk;

  • Wat onder participatie wordt verstaan;

  • Wie welke rol daarbij heeft;

  • Wanneer participatie wenselijk of verplicht is;

  • Binnen welke randvoorwaarden participatie plaatsvindt.

Het doel is om op een zorgvuldige manier verschillende belangen en perspectieven in beeld te krijgen, zodat besluiten beter worden afgewogen, de democratische legitimiteit toeneemt en de Beverwijkse samenleving zich gehoord en erkend voelt.

Dit beleid is de basis voor het schrijven van een nieuwe participatieverordening. De intentie is om oude, bestaande verordeningen rond dit onderwerp onder te brengen in een nieuwe participatieverordening.

Daarnaast biedt het handvatten voor de verbetering van interne processen. Zo ontstaat een vaste werkwijze voor het maken van een participatieaanpak waarbij gebruik gemaakt wordt van beproefde en nieuwe werkvormen. Zo wordt op een eenduidige en herkenbare manier gewerkt bij het voorbereiden en uitvoeren van (nieuwe) participatieprocessen.

1.4 Kernprincipes voor participatie

Participatie in Beverwijk is geen doel op zich, maar een bewuste bestuurlijke keuze voor betere besluiten, meer draagvlak en sterkere verbinding tussen de gemeente en de samenleving. De Beverwijkse Manier vormt de basis en inspiratiebron voor de

uitgangspunten die de gemeente hanteert om participatie zorgvuldig, rechtvaardig en effectief vorm te geven. Deze waarden zijn niet één-op-één vertaald; de onderliggende waarden zijn verder uitgewerkt in de volgende uitgangspunten:

  • Participatie is maatwerk

    Ieder vraagstuk vraagt om een passende aanpak. Doel, context, schaal en doelgroep bepalen de vorm en intensiteit van participatie. We maken per traject expliciet wat het doel is, welke invloed er mogelijk is, en wie bij het onderwerp betrokken worden.

  • Vastgesteld beleid is leidend

    Democratisch genomen besluiten vormen het kader. Participatie vindt plaats binnen deze kaders, niet ertegenin. Door deze helder te benoemen, voorkomen we schijnparticipatie en scheppen we realistische verwachtingen.

  • Duidelijkheid over invloed

    We communiceren voorafgaand aan elk traject op welk niveau participatie plaatsvindt: meedenken, meedoen of meebeslissen. Of dat er gekozen wordt om betrokkenen te informeren. Ook maken we duidelijk wat rond het onderwerp al vaststaat en wat nog openligt.

  • Inclusiviteit en toegankelijkheid

    Zelden wordt iedereen bereikt bij een participatieproces. Desondanks is het belangrijk om aandacht te geven aan het bereiken van de verschillende doelgroepen. Ook die zich minder snel laten horen. We zetten actief in op het bereiken van jongeren, mensen met lage taalvaardigheid, praktisch geschoolden, en bewoners met een migratieachtergrond. We werken daarbij met begrijpelijke taal, toegankelijke werkvormen en via voor hen vertrouwde netwerken.

  • Transparantie en terugkoppeling

    Participatie vraagt om openheid over het onderwerp, het proces en verantwoording over de uitkomst. We leggen altijd uit wat er met de inbreng van betrokkenen is gedaan en waarom bepaalde keuzes zijn gemaakt.

  • Actief op zoek naar participanten

    We stimuleren initiatieven uit de samenleving en sluiten aan bij wat daar leeft. We zoeken actief de samenwerking op en ondersteunen inwoners die bijdragen aan maatschappelijke opgaven.

1. Wanneer is inwonersparticipatie niet mogelijk?

Inwonersparticipatie of toepassing van het uitdaagrecht vindt niet plaats als:

  • Het gaat om een lopend uitvoerings- of evaluatietraject of een ondergeschikte herziening van die trajecten of het beleid;

  • Inwonersparticipatie of toepassing van het uitdaagrecht bij of krachtens wettelijk voorschrift uitgesloten is;

  • De uitkomst van de inwonersparticipatie of de toepassing van het uitdaagrecht vanwege de spoedeisendheid niet kan worden afgewacht. In dat geval stuurt het college van B&W een gemotiveerde uitleg naar de gemeenteraad over de aard van de spoedeisendheid;

  • De verantwoordelijkheid van het betrokken bestuursorgaan voor kwetsbare groepen in de samenleving zwaarder moet wegen;

  • Er sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsruimte heeft daar waar sprake is van een discretionaire bevoegdheid;

  • Het om interne (organisatorische) aangelegenheden van de gemeente gaat;

  • Het om de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet gaat.

(bron: Modelverordening participatie VNG 2024)

2. Belangrijkste begrippen

2.1 Inwonersparticipatie

Bij inwonersparticipatie neemt de gemeente het initiatief tot een project, programma of nieuw beleid, en betrekt zij inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties actief bij de planvorming. Dit gebeurt in een vroeg stadium, nog vóór de formele besluitvorming, zodat er daadwerkelijk ruimte is voor invloed.

De mate van betrokkenheid varieert van meedenken, via meedoen, tot meebeslissen. De opbrengsten van een participatieproces worden gewogen in de uiteindelijke besluitvorming. Bij onderwerpen in het sociaal domein wordt de Participatieraad Sociaal Domein structureel betrokken. Per onderwerp wordt gekeken of er extra aandacht moet gaan naar doelgroepen die minder goed worden bereikt zoals jongeren of mensen die moeite hebben met lezen en schrijven (De Beverwijkse Manier).

2.2 Overheidsparticipatie

Bij overheidsparticipatie komt het initiatief vanuit de samenleving. Inwoners, ondernemers en/ of maatschappelijke organisaties nemen zelf het voortouw om hun leefomgeving te verbeteren of maatschappelijke vraagstukken aan te pakken.

De gemeente ondersteunt deze initiatieven waar nodig – bijvoorbeeld met kennis, advies, financiering, het beschikbaar stellen van grond of door samenwerking. Bij grotere initiatieven, of wanneer gemeentelijk beleid wordt geraakt, kan de gemeente zelf mede-initiatiefnemer worden.

Indien een initiatief om een omgevingsvergunning vraagt, is de initiatiefnemer zelf verantwoordelijk voor het participatieproces. De gemeente beoordeelt of dit zorgvuldig is uitgevoerd.

2.3 Uitdaagrecht

Inwoners en maatschappelijke organisaties kunnen taken van de gemeente overnemen als zij denken dat dit beter, efficiënter of met meer draagvlak kan. Dit noemen we het uitdaagrecht. De gemeente beoordeelt of aan de voorwaarden is voldaan. Vaak leidt dit tot samenwerking, waarbij de uitvoering verschuift naar de samenleving, maar de gemeente eindverantwoordelijk blijft. Dit instrument is juridisch verankerd in de Wet versterking participatie op decentraal niveau.

2.4 Inspraak

Inspraak is een formele procedure waarbij iedereen een zienswijze kan indienen op een ontwerpbesluit. Het vindt plaats ná participatie, als het beleid, programma of project al in concept is uitgewerkt. Inspraak is wettelijk geregeld in de Gemeentewet en de Omgevingswet. De reacties worden vastgelegd in een nota van beantwoording.

2.5 Raadplegend referendum

De gemeente heeft de mogelijkheid tot het houden van een raadplegend referendum. Het initiatief hiervoor kan zowel liggen bij de gemeenteraad als bij kiesgerechtigden. Een raadplegend referendum moet gaan over een voorgenomen besluit van de gemeenteraad of over een voorgenomen besluit van het college. Het is een vorm van meedenken.

2.6 Bewonersinitiatief

In de participatieverordening uit 2004 staat de formele mogelijkheid voor inwoners om, onder bepaalde voorwaarden, een onderwerp te agenderen voor de gemeenteraad. Dit moet dan door minimaal 200 kiesgerechtigden worden ondersteund. Dit blijft bestaan.

Al staat het woord bewonersinitiatief of burgerinitiatief tegenwoordig steeds meer voor een initiatief van inwoners die iets willen waar medewerking van de gemeente bij nodig is. Zonder een minimaal aantal mensen dat hierbij betrokken is. Zie hiervoor ook hoofdstuk 5 over Overheidsparticipatie.

2.7 Participatieraad Sociaal Domein

De Participatieraad Sociaal Domein Beverwijk adviseert de gemeente, gevraagd en ongevraagd over sociaal beleid dat inwoners raakt. Met nadruk op groepen die zich moeilijk laten horen. De raad is onafhankelijk. Luistert actief naar signalen uit de samenleving en deelt die met het gemeentebestuur. De samenwerking met de Participatieraad Sociaal Domein is geregeld in een aparte participatieverordening Sociaal Domein. Deze wordt ongewijzigd opgenomen in een nieuw op te stellen participatieverordening.

3. Inwonersparticipatie

3.1 Wat is inwonersparticipatie?

Bij inwonersparticipatie neemt de gemeente het initiatief voor beleid, een project of programma. In een vroeg stadium worden inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties betrokken bij de planvorming. Zo ontstaat ruimte voor dialoog, invloed en het benutten van lokale kennis.

Het college is verantwoordelijk voor de participatie, de ambtelijke organisatie voert het proces uit. De gemeenteraad stelt vooraf beleidsmatige en inhoudelijke kaders vast en heeft bij bepaalde onderwerpen bindend adviesrecht (bijlage 1).

In sommige gevallen wordt van participatie afgezien, bijvoorbeeld:

  • Bij lopende uitvoerings- of evaluatietrajecten; Bij spoedeisende besluiten;

  • Bij wettelijke uitsluitingen;

  • Bij uitvoering van hogere wet- en regelgeving;

  • Bij interne organisatieaangelegenheden of begrotingsbesluiten.

In alle andere gevallen geldt: bij beleid of projecten van enige omvang is participatie de norm. Voorafgaand aan de start wordt altijd een startnotitie opgesteld. Een participatieaanpak maakt onderdeel uit van zo'n startnotitie.

3.2 Uitvoering van participatie

De gemeente Beverwijk voert participatie uit op basis van het principe dat elk bestuursorgaan zelf beslist of en op welke wijze participatie wordt toegepast, binnen de grenzen van zijn eigen bevoegdheden en voor zover dit niet wettelijk verplicht is. Dit biedt ruimte voor maatwerk, maar vraagt tegelijk om transparantie en zorgvuldigheid in de afweging om participatie al dan niet toe te passen.

Deze afweging maakt het college van B&W die vervolgens de raad hierover informeert. Het college heeft daarnaast de mogelijkheid om aan de gemeenteraad aanvullend advies te vragen in een beeldvormende sessie.

De gemeenteraad heeft een reflecterende rol door achteraf te beoordelen of de participatie goed is opgezet en de uitkomsten van het proces voldoende

opleveren om een weloverwogen besluit te kunnen nemen. Dit geldt alleen voor die onderwerpen waartoe de gemeenteraad bevoegd is om een besluit te nemen. Voor alle overige onderwerpen besluit het college van B&W.

In beide gevallen wordt de uitkomst van het besluit gedeeld met de deelnemers aan het participatieproces.

afbeelding binnen de regeling

3.2.1 In het fysieke domein

Bij beleidsontwikkeling en projecten in het fysieke domein is participatie een vast onderdeel van het besluitvormingsproces. Bij voorstellen wordt een startnotitie opgesteld. Deze startnotitie bevat naast verschillende onderwerpen als kaders, budget en doelstelling, ook een participatieparagraaf. Hierin staat of – en op welke wijze – participatie en/of inspraak wordt ingezet.

De gekozen participatieaanpak wordt afgestemd op het onderwerp, de impact op de leefomgeving en het moment in het beleidsproces. De opbrengst van het participatieproces wordt meegenomen in de verdere planvorming en vastgelegd in een participatieverslag, dat als bijlage wordt toegevoegd aan het ontwerpbesluit. Daarna volgt – waar van toepassing – de wettelijke inspraakprocedure, inclusief een nota van beantwoording.

In planprocessen zoals het omgevingsplan, wijkuitvoeringsplannen of gebiedsontwikkelingen is participatie structureel ingebed.

Ook externe initiatiefnemers, zoals projectontwikkelaars of woningcorporaties, worden gehouden aan de participatieverplichtingen zoals vastgelegd in de gemeentelijke kaders.

3.2.2 In het sociaal domein

In het sociaal domein ligt de situatie anders. Hier voert de gemeente veel taken uit op basis van landelijke wetgeving, zoals de Participatiewet, Jeugdwet, WMO en Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Binnen deze wettelijke kaders is participatie bij het maken van nieuw beleid verplicht, maar is de participatieruimte vaak beperkt.

Bij nieuwe beleidsontwikkeling binnen het sociaal domein volgt altijd een formele inspraakprocedure.

Beverwijk kiest nadrukkelijk voor het betrekken van inwoners, ervaringsdeskundigen en maatschappelijke partners bij nieuw beleid binnen het sociaal domein. Participatie wordt hier vooral vormgegeven via klankbordgroepen, gerichte gesprekken met stakeholders, in samenwerking met de Participatieraad Sociaal Domein.

3.2.3 Domein overstijgend

Of het nu gaat om het fysieke of sociale domein: participatie wordt in Beverwijk benaderd als een strategisch en democratisch instrument. Bestuursorganen maken per casus een bewuste afweging over de wenselijkheid, vorm en timing van participatie.

Daarbij wordt steeds gekeken naar de vraag: wie heeft belang, wat staat er op het spel, en op welk moment kan de meeste invloed worden uitgeoefend?

Zo ontstaat ruimte voor een realistische, zorgvuldige én betekenisvolle inzet van participatie in alle domeinen van gemeentelijk beleid, projecten en programma’s.

3.3 Niveaus van participatie

In Beverwijk kiezen we voor drie niveaus van participatie. De mate van invloed die inwoners krijgen bij inwonersparticipatie wordt afgestemd op het doel van de participatie. We hanteren hiervoor de volgende termen: meedenken, meedoen en meebeslissen.

Begrensde ruimte door bestaand beleid

Participatie vindt plaats binnen de kaders van eerder vastgesteld beleid en de uitgangspunten zoals vastgelegd in de startnotitie. Dit betekent dat niet alles openstaat voor aanpassing. Besluiten die al door de gemeenteraad zijn genomen, zijn het uitgangspunt. In sommige gevallen wordt de ruimte voor invloed door betrokkenen als te beperkt ervaren. Vooral als de gevolgen van eerder beleid pas bij de uitvoering concreet zichtbaar worden.

Grootste invloed aan het begin

De mogelijkheid om invloed uit te oefenen is het grootst in de beginfase van een project of beleidsontwikkeling. Naarmate het traject vordert, nemen de keuzemogelijkheden af. Ook speelt het type en de reikwijdte van het onderwerp een rol: een brede, stedelijke opgave vraagt om andere participatie dan een plan dat alleen een buurt of straat raakt. De participatieaanpak wordt daarom altijd afgestemd op de aard, schaal en fase van het initiatief.

3.3.1 Meedenken

Bij meedenken worden bewoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties uitgenodigd om hun kennis, ervaringen en opvattingen te delen. Zij geven advies over bijvoorbeeld knelpunten, mogelijke oplossingen of het effect van bestaand beleid. De gemeente bepaalt vooraf de kaders waarbinnen meegedacht kan worden en weegt de inbreng mee bij het maken van keuzes. Deelnemers worden achteraf geïnformeerd over wat er met hun inbreng is gedaan en wat er uiteindelijk is besloten.

Een voorbeeld van meedenken is het sport- en speelbeleid. In dit proces is de gemeente met verschillende doelgroepen op verschillende manieren in gesprek gegaan. Dit nam wel veel tijd in beslag, maar betrokkenen waren zeer tevreden over het eindresultaat.

3.3.2 Meedoen

Bij meedoen werken inwoners en andere betrokkenen actief mee aan het proces. Bijvoorbeeld via ontwerpsessies, werkgroepen of wijkateliers. De gemeente en participanten ontwikkelen samen voorstellen of plannen, binnen vooraf vastgestelde kaders. Het resultaat is een gezamenlijk product, het besluit daarover ligt uiteindelijk bij het bestuur. Ook hier geldt: na afloop wordt inzichtelijk gemaakt hoe de gezamenlijke uitkomsten zijn verwerkt in het besluit.

Een voorbeeld op het niveau van meedoen is de herinrichting van parken. Maar ook het opstellen van een convenant met ondernemers.

3.3.3 Meebeslissen

Bij meebeslissen hebben participanten directe invloed op de uitkomst. Zij beslissen mee over inhoudelijke keuzes of prioriteiten binnen het proces. Ook bij overheidsparticipatie en het uitdaagrecht is sprake van meebeslissen: de gemeente deelt in die gevallen (een deel van) de verantwoordelijkheid met de samenleving.

Een voorbeeld van meebeslissen is een wijkaanpak of buurtinitiatief waarbij bewoners gezamenlijk bepalen hoe middelen worden ingezet.

Vaak wordt ‘meeweten’ ook genoemd als participatieniveau. Als dit betekent dat belanghebbenden zorgvuldig geïnformeerd worden over het voorgenomen besluit maar dat er geen mogelijkheid is om

invloed uit te oefenen, dan is er geen sprake van participatie maar van communicatie. Dit kan bijvoorbeeld zijn als er werkzaamheden in de buurt worden uitgevoerd waar tijdelijk hinder uit voortkomt.

Als er wel de mogelijkheid is om vragen te stellen, zorgen te uiten of suggesties mee te geven, is meedenken het juiste participatieniveau.

3.4 Proces en aanpak

Onderstaande processen zijn de basis voor het schrijven van een nieuwe participatieverordening.

3.4.1 Initiatieffase en startnotitie

Voorafgaand aan nieuw beleid, een project of programma doorloopt de gemeente een initiatieffase. In deze fase worden de maatschappelijke opgave, betrokken belanghebbenden en relevante beleidskaders in beeld gebracht. Dit gebeurt via een stakeholdersanalyse, oriënterende gesprekken en een toetsing aan bestaande plannen. Doel van deze fase is om inzicht te krijgen in:

  • De impact van het initiatief op bewoners, organisaties of specifieke doelgroepen;

  • De beleidsmatige en juridische ruimte om plannen aan te passen;

  • De beschikbare tijd en middelen voor een zorgvuldig participatieproces;

  • Relevante beleidskaders, zoals bijvoorbeeld de Omgevingsvisie;

  • De wenselijkheid van advies of betrokkenheid van de Participatieraad Sociaal Domein;

  • Het passende participatieniveau: meedenken, meedoen of meebeslissen.

Deze bevindingen worden vastgelegd in een startnotitie, opgesteld door de ambtelijke organisatie in opdracht van het college van B&W. De startnotitie wordt vastgesteld door het orgaan dat de bevoegdheid heeft deze vast te stellen. Dit is in de meeste gevallen het college van B&W.

In sommige gevallen is het vaststellen van een startnotitie de bevoegdheid van de gemeenteraad, bijvoorbeeld bij:

  • Het vaststellen van een omgevingsplan;

  • Bij nieuw kaderstellend beleid (bv. woonvisie, sportbeleid);

  • Bij bindende adviesplicht van de raad (buitenplanse activiteiten zoals bedoeld in het Omgevingsbesluit). Dit geldt alleen als de gemeente (mede)initiatiefnemer is van het plan.

Een startnotitie wordt sowieso níet vastgesteld door de raad in geval van:

  • Uitvoeringsherzieningen;

  • Spoedeisende besluiten;

  • Hogere regelgeving;

  • Interne aangelegenheden;

  • Begrotingszaken.

In de startnotitie staan onder andere de aanleiding, het initiatief, beleidsmatige kaders, financiële randvoorwaarden en een eerste inschatting van de participatieruimte. Op basis van de startnotitie wordt de participatieaanpak verder uitgewerkt. Als er geen ruimte is voor participatie, wordt gekozen voor een zorgvuldig communicatietraject.

In specifieke gevallen – zoals bij nieuw beleid of onderwerpen met bindend adviesrecht van de raad – wordt de startnotitie ook aan de gemeenteraad voorgelegd. De raad kan dan reflecteren, aanvullende aandachtspunten benoemen en kaders meegeven aan het college van B&W.

Rolverdeling bij het maken van een startnotitie voor aanvang van nieuw kaderstellend beleid, een project of programma (initiatieffase)

Actoren

Vooraf

Tussenfase

Besluitvorming

Gemeenteraad

Stelt beleidskaders vast (waaronder ook het participatiebeleid) en bepaalt zo de beleidsruimte.

Heeft onderwerpen benoemd waarbij bindend adviesrecht geldt (zie bijlage).

Stelt startnotitie vast als het onderwerpen betreft waarbij de raad bindend adviesrecht heeft en waarbij de gemeente ook (mede) initiatiefnemer is.

Stelt startnotitie vast voorafgaand aan nieuw kaderstellend beleid.

Neemt besluiten mede op basis van de uitkomsten van een participatieproces.

College van B&W

Bepaalt de onderwerpen van beleid, projecten en programma’s op basis van het coalitieakkoord.

Is opdrachtgever voor het maken van een startnotitie per onderwerp met daarin het advies voor participatie.

Stelt startnotities op voor die onderwerpen waarbij de gemeenteraad bevoegd is een besluit over te nemen.

Stelt startnotities op voor alle overige onderwerpen. Het college kan hiervoor nader advies vragen aan de gemeenteraad via een beeldvormende sessie.

Neemt besluiten mede op basis van de uitkomsten van een participatieproces.

Is opdrachtgever voor evaluatie van het participatieproces.

Ambtelijke organisatie

Is opdrachtnemer van het maken van een startnotitie met daarin ook een advies over participatie.

Stelt een participatieplan op op basis van het advies uit de startnotitie en voert deze uit.

Geeft advies aan het college mede op basis van de uitkomsten van een participatieproces.

Evalueert het participatieproces.

Inwoners/ Ondernemers/ maatschapppelijke organisaties

Geen rol.

Worden, afhankelijk van het onderwerp, actief betrokken bij het participatieproces.

Worden geïnformeerd over de uitkomsten van het proces en het genomen besluit.

Nemen deel aan het evaluatieproces.

3.4.2 Participatieaanpak

Na de vaststelling van de startnotitie volgt de participatiefase. Hierin wordt de participatieaanpak uitgevoerd. Een praktische vertaling van de uitgangspunten naar werkbare stappen.

Om recht te doen aan verschillende perspectieven en belangen, wordt de aanpak afgestemd op de aard van het onderwerp, het participatieniveau (meedenken, meedoen of meebeslissen), en de doelgroep(en) die gevolgen ondervinden van het besluit. Daarbij is er extra aandacht voor jongeren, mensen met beperkte taal- of digitale vaardigheden, en inwoners die minder vanzelfsprekend gehoord worden.

De participatieaanpak bevat in ieder geval:

  • Het onderwerp en doel van de participatie;

  • De participatievraag: waar gaat de participatie wel of niet over?

  • De betrokken doelgroepen en hoe zij bereikt worden;

  • Passende werkvormen en middelen;

  • Heldere en toegankelijke communicatie en terugkoppeling;

  • Het niveau van participatie: meedenken, meedoen of meebeslissen.

Voor een representatief en inclusief proces maakt de gemeente gebruik van bestaande netwerken zoals de Participatieraad Sociaal Domein, wijkverbinders, jongerenorganisaties, vrijwilligersnetwerken en maatschappelijke partners. In sommige gevallen wordt de aanpak bijgesteld op basis van voortschrijdend inzicht of signalen uit de samenleving.

Door participatie tijdig, doordacht en toegankelijk te organiseren, werken we aan betere plannen én aan wederzijds vertrouwen tussen gemeente en samenleving.

3.4.3 Participatiemiddelen

De gemeente Beverwijk beschikt over een brede mix van participatiemiddelen, zowel digitaal als fysiek. De keuze voor het juiste middel hangt af van het onderwerp, de doelgroep, het gewenste participatieniveau en de fase van het participatieproces.

Om zoveel mogelijk inwoners – inclusief het ‘stille midden’ – te bereiken, zetten we in op maatwerk, slimme combinaties van werkvormen en vernieuwende methoden. We blijven experimenteren met nieuwe vormen om de diversiteit aan stemmen in onze gemeente recht te doen. Deze middelen worden gebundeld in een participatietoolbox, die nog wordt opgesteld en in de toekomst verder wordt uitgebreid.

Hieronder een aantal mogelijke participatiemiddelen.

  • Digitale burgerparticipatie: denkmee-platform.

    Op het platform denkmee.beverwijk.nl kunnen inwoners reageren op plannen, ideeën aandragen en meedenken over beleidskeuzes. Met de inzet van digitale middelen bereiken we meer inwoners en ook mensen die wellicht niet de tijd hebben om live in gesprek te gaan. Het is mogelijk om tijdsonafhankelijk mee te doen. Zo worden livestreams, polls, Webinars en digitale terugkoppeling steeds vaker ingezet. Digitale participatie is toepasbaar op álle participatieniveaus.

  • Fysieke bijeenkomsten en ontmoetingen: inwonersavonden

    Persoonlijke ontmoeting blijft van groot belang. We organiseren bijeenkomsten zoals wijktafels, themabijeenkomsten, inwonersavonden, straatinterviews, wijkgesprekken en bezoeken verschillende buurten. Ook schouwen, excursies of informele gesprekken op locatie zijn waardevol. Fysieke werkvormen kunnen op alle niveaus van invloed worden ingezet.

  • Sociale media en beeldtaal

    Social media-campagnes, korte filmpjes, terugkoppelvideo’s en infographics helpen om inwoners goed te informeren over lopende participatieprocessen. Duidelijke taal en visuele communicatie zijn essentieel om inwoners met beperkte taalvaardigheid of digitale vaardigheden te betrekken. Dit draagt bij aan een gelijk informatieniveau van de deelnemers aan een participatieproces.

  • Referendum

    In Beverwijk kunnen inwoners, binnen de kaders van de referendumverordening, een raadgevend referendum aanvragen over een voorgenomen raadsbesluit. Een raadgevend referendum is een instrument op het niveau van meedenken.

  • Kinder- en jongerentrajecten

    Kinderen en jongeren hebben – net als volwassenen – recht op inspraak over zaken die hen raken (artikel 12 en 13 VN-Kinderrechtenverdrag). In Beverwijk worden zij daarom actief betrokken bij beleid en projecten via scholen, jongerenwerk, sportverenigingen en andere vertrouwde plekken.

Effectieve jongerenparticipatie vraagt om begrijpelijke communicatie, creatieve werkvormen (zoals challenges, vlogs of lesprogramma’s) en een aanpak die aansluit bij hun leefwereld. In plaats van een vaste jongerenraad investeert Beverwijk in langdurige samenwerking met organisaties die dagelijks met jongeren werken.

Participatie van jongeren is vooral effectief op het niveau van meedenken en meedoen, mits zij invloed ervaren en terugzien wat er met hun inbreng gebeurt. Dat maakt participatie betekenisvol én motiverend.

Door te kiezen voor een mix aan participatiemiddelen kunnen inwoners op verschillende manieren bijdragen, afhankelijk van hun interesse, betrokkenheid, beschikbaarheid en ervaring. Zo bouwen we aan een positieve participatiecultuur.

3.4.4 Terugkoppeling, inspraak en evaluatie

Participatieverslag

Aan het einde van het participatieproces stelt de gemeente een participatieverslag op. Dit bevat de belangrijkste inzichten, zorgen en ideeën van deelnemers, met toelichting op wat met de inbreng is gedaan. Het verslag wordt als bijlage bij het ontwerpbesluit gevoegd en met de deelnemers aan het proces gedeeld.

Inspraak en nota van beantwoording

Na participatie volgt in voorkomende gevallen een formele inspraakprocedure van zes weken. Iedereen kan dan een zienswijze indienen op het ontwerpbesluit. Reacties worden gebundeld en beantwoord in een nota van beantwoording, die met het definitieve voorstel aan de raad wordt aangeboden.

Het college heeft de mogelijkheid om na een doorlopen participatieproces te kiezen om geen inspraakprocedure te starten. Dit omdat er voldoende mogelijkheden zijn geweest waarop belanghebbenden bij het onderwerp hun bijdrage hebben geleverd. Deze uitzondering is niet mogelijk als inspraak wettelijk verplicht is.

Er zijn dus drie mogelijkheden na een participatieproces:

  • 1.

    Een inspraakprocedure is, ook na participatie, wettelijk verplicht. Dit is bijvoorbeeld het geval bij onderwerpen die de hele gemeente aangaan zoals ruimtelijke plannen. Of beleid op het gebied van gezondheid.

  • 2.

    Het college besluit om na participatie ook een inspraakprocedure te starten. Bijvoorbeeld als het gaat om een groot project waarbij verschillende belangen nog niet voldoende in beeld zijn gekomen. Of wanneer er sprake is van duidelijk tegengestelde belangen.

  • 3.

    Het college besluit om na participatie geen inspraakprocedure te starten. Hier is sprake van als de verschillende belangen duidelijk in beeld zijn, het gaat om een kleinschalig groep belanghebbenden en deze het met elkaar eens zijn over de uitkomsten van het participatieproces.

Evaluatie

Na afloop van het participatieproces vindt een evaluatie plaats, bij voorkeur samen met de deelnemers aan het proces. Er wordt gereflecteerd op het proces, de uitvoering, de opbrengst en wat in het proces beter kan. Evaluaties vormen input voor verbetering van de participatiepraktijk en eventuele bijstelling van het participatiebeleid.

4. Rolverdeling bij participatie

Een duidelijke rolverdeling voorkomt misverstanden en maakt het participatieproces effectiever. Inwoners, college, gemeenteraad en ambtelijke organisatie dragen ieder op hun eigen manier bij aan een zorgvuldig besluitvormingsproces.

4.1 Gemeenteraad

De gemeenteraad is verantwoordelijk voor het stellen van de kaders: beleidsmatig, financieel en juridisch. De raad stelt onder andere de participatieverordening, het beleidskader en instrumenten zoals de Omgevingsvisie vast. Ook heeft de raad voor een aantal vooraf benoemde onderwerpen een bindend adviesrecht. Deze onderwerpen zijn opgenomen in bijlage 1 van dit beleidskader.

Bij gemeentelijke initiatieven kan het college, de raad in een vroeg stadium betrekken via een verzoek om pre-advies. De raad kan op dat moment suggesties geven, aanvullende aandachtspunten benoemen of signalen vanuit de samenleving meegeven. Daarmee versterkt de raad het participatieproces nog vóór formele besluitvorming.

De raad:

  • Stelt kaders en verordeningen vast (kaderstellende rol);

  • Heeft bij specifieke onderwerpen een bindend adviesrecht;

  • Beoordeelt de kwaliteit van participatie achteraf via het participatieverslag;

  • Evalueert het participatiebeleid. (Bijvoorbeeld 1 jaar na vaststelling) waarbij het reflecteert op de balans tussen richting geven en ruimte bieden.

4.2 Het college van B&W

Het college is bestuurlijk verantwoordelijk voor de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van participatie bij gemeentelijke plannen, projecten en beleid. Op basis van de startnotitie bepaalt het college of en hoe participatie plaatsvindt. Het college

maakt hierin een zorgvuldige belangenafweging, mede op basis van het advies van de ambtelijke organisatie en signalen uit de raad of samenleving.

Waar gewenst kan het college de gemeenteraad betrekken bij de opstelling van de startnotitie, bijvoorbeeld voor input over het participatieniveau, het benoemen van specifieke doelgroepen of het meegeven van aandachtspunten. Het college blijft echter verantwoordelijk voor het proces en de uiteindelijke besluitvorming.

Het college van B&W:

  • Stelt de startnotitie en participatieaanpak vast;

  • Organiseert en bewaakt de uitvoering;

  • Verwerkt de opbrengst van participatie in besluitvorming;

  • Informeert en betrekt de raad op relevante momenten;

  • Maakt keuzes voor wel of geen inspraakprocedure;

  • Legt ontwerpbesluiten ter inzage en stelt de nota van beantwoording op;

  • Is verantwoordelijk voor de evaluatie van het participatieproces.

Het komt voor dat participatie gaat over onderwerpen die in samenwerking met andere gemeenten worden voorbereid. Dan is het mogelijk dat niet het college, maar een wethouder het besluit neemt over een startnotitie. Waarna wel het college over dit besluit wordt geïnformeerd.

4.3 Ambtelijke organisatie

De ambtelijke organisatie is verantwoordelijk voor de praktische uitvoering van participatie. Zij vervult een verbindende, faciliterende en adviserende rol richting college, raad én samenleving. De ambtelijke organisatie stelt de participatieaanpak op, voert het proces uit en zorgt voor heldere communicatie met inwoners.

De ambtelijke organisatie:

  • Verkent de maatschappelijke opgave en maakt de startnotitie;

  • Stelt de participatieaanpak op;

  • Voert het participatieproces uit;

  • Verwerkt de opbrengst in beleidsvoorstellen;

  • Adviseert het college en informeert de raad;

  • Evalueert het participatieproces.

4.4 Participanten: inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties

Participanten dragen bij met hun kennis van de lokale context, hun ervaringen en belangen. Het is belangrijk dat zij vooraf weten waar het participatieproces over gaat. Wat het participatieniveau is en in welke fase het proces zich bevindt, welke beslissingen al zijn genomen en op welke onderdelen nog invloed mogelijk is. De gemeente is verantwoordelijk voor het tijdig en duidelijk informeren van participanten over deze kaders en verwachtingen.

Participanten:

  • Denken, doen of beslissen mee binnen afgesproken kaders;

  • Krijgen inzicht in de invloed die zij kunnen uitoefenen;

  • Worden geïnformeerd over wat er met hun inbreng gebeurt;

  • Worden betrokken bij de evaluatie van het proces.

Daarnaast is de samenleving van Beverwijk ook de bron van nieuwe, actuele thema's of onderwerpen waarbij er een actie van de gemeente wenselijk of noodzakelijk is.

Deze signalen bereiken de gemeente meestal op verschillende manieren zoals via overleg met belangenorganisaties, agendering in de gemeenteraad of via media.

5. Overheidsparticipatie

Inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties nemen steeds vaker zelf het initiatief om hun buurt of leefomgeving te verbeteren. Deze initiatieven dragen bij aan sociale samenhang, duurzaamheid of de leefkwaliteit. De gemeente speelt hierbij een faciliterende en ondersteunende rol. Het is niet zelf de initiatiefnemer, maar een partner die meedenkt, verbindt, adviseert of soms financieel bijdraagt.

Het kan gaan om kleinschalige bewonersacties, maar ook om grotere plannen van maatschappelijke organisaties of commerciële partijen. In al deze gevallen spreken we van overheidsparticipatie: de gemeente participeert actief in plannen van derden. De rol van bestuurders, ambtenaren en raadsleden verschilt daarmee van inwonersparticipatie; zij reageren op een bestaand initiatief in plaats van zelf het proces te starten.

Wanneer een initiatief invloed heeft op de omgeving of op anderen in de buurt, is participatie met belanghebbenden belangrijk. Bij sommige initiatieven is participatie zelfs wettelijk verplicht, bijvoorbeeld bij de aanvraag van een omgevingsvergunning. De gemeente informeert initiatiefnemers in dat geval over het proces en toetst of zij zorgvuldig belanghebbenden hebben betrokken.

Ontwikkelaars zijn — net als de gemeente — zelf verantwoordelijk voor het organiseren van participatie wanneer zij een initiatief nemen dat invloed heeft op de leefomgeving. Zij kiezen zelf voor de manier waarop ze dat doen. Zij voeren de eerste gesprekken met belanghebbenden en leggen hun participatieaanpak vast in een participatiestrategie. Een samenvatting daarvan wordt opgenomen in de door de gemeente vast te stellen startnotitie. Dit is dan het toetsingskader voor het verdere proces. Zo kunnen gemeente, bewoners en raad beoordelen of de ontwikkelaar de afgesproken werkwijze volgt.

Afspraken over communicatie en participatie worden bij voorkeur vastgelegd in een anterieure overeenkomst tussen de gemeenteen de ontwikkelaar. Dit zorgt voor wederzijdse duidelijkheid en toetsbaarheid gedurende het vervolg van het traject.

5. Ondersteuning en samenwerking met de gemeente

Initiatieven komen op verschillende manieren binnen bij de gemeente.

  • Via het omgevingsloket (online) - voor ruimtelijke initiatieven;

  • Via wijkverbinders;

  • Via de website denkmee.beverwijk.nl - voor bewonersinitiatieven.

Het is belangrijk dat dit een goed vervolg krijgt waarbij aandacht wordt gegeven aan wat de effecten zijn van het initiatief voor anderen. De verantwoordelijkheid voor participatie is in handen van de initiatiefnemer. De gemeente adviseert hen hierin.

5.1.1 Omgevingsloket

Als er voor een ruimtelijk initiatief een omgevingsvergunning nodig is, komt dit binnen via het digitale omgevingsloket. Dat geldt voor initiatieven vanuit zowel projectontwikkelaars als voor particulieren. De intentie is altijd om een initiatief mogelijk te maken, mits het niet kan. Samenwerking tussen gemeente en initiatiefnemer is dan belangrijk.

Bij een aantal grote projecten geldt dat de gemeenteraad bindend adviesrecht heeft waarbij participatie verplicht is. Zie hiervoor ook bijlage 1.

De wat meer complexe initiatieven worden besproken aan de omgevingstafel. Dit is een intern, interdisciplinair overleg waarin omgevingsinitiatieven en aanvragen omgevingsvergunningen worden besproken. Hier wordt een indicatie gegeven op de wenselijkheid en haalbaarheid van plannen. Hieruit volgt een pre-advies. Deze pre-adviezen worden, (tijdens het vooroverleg) aan de raad voorgelegd als tijdswinst voor initiatiefnemers. De raad heeft in deze fase nog geen formele bevoegdheid, maar stelt vaak aanvullende vragen over het (bouw)plan en participatie en kan eventueel nog aandachtspunten meegeven.

De intentie is dat een initiatiefnemer altijd de mensen betrekt die de gevolgen ondervinden van de beoogde ruimtelijke activiteit. De vorm waarop dit gebeurt staat vrij en is aan de initiatiefnemer zelf. De gemeente adviseert hierin.

5.1.2 Wijkverbinders

In Beverwijk zijn wijkverbinders van de gemeente actief om bewoners te enthousiasmeren en te ondersteunen bij het opzetten van initiatieven. Zij leggen verbindingen tussen initiatiefnemers, partners in de wijk en gemeentelijke afdelingen. Zij halen op van “buiten naar binnen”, maar kunnen ook namens gemeente “voelen/ onderzoeken” hoe initiatieven in de wijk leven.

Daarnaast zijn zij aanspreekpunt voor bewonersinitiatieven en brengen deze samen met bewoners en professionals in de wijk verder. Zij adviseren in participatietrajecten en bereiden deze zo nodig met partners voor. Soms is er hulp van de gemeente nodig om het initiatief mogelijk te maken.

Een voorbeeld hiervan is de buurtcamping Beverwijk. Begonnen als initiatief van 2 inwoners groeide dit uit tot een weekend vol activiteiten. Met praktische ondersteuning en hulp vanuit de gemeente, zonder het evenement over te nemen.

5.1.3 Denkmee.beverwijk

Denkmee.beverwijk is een digitaal platform waar inwoners kunnen reageren op initiatieven en plannen van de gemeente op het niveau van meedenken. Via diverse mediakanalen worden mensen naar dit platform gestuurd om hier hun mening te geven. Dit gaat vaak in combinatie met andere werkvormen.

Ook is het mogelijk dat inwoners hier zelf een idee plaatsen. Het is dan belangrijk dat dit goed gesignaleerd wordt en er een gevolg aan wordt gegeven.

5.1.4 Stimuleren en mogelijk maken van bewonersinitiatieven

De gemeente kan bewonersinitiatieven ook stimuleren door middel van een financiële impuls. Een voorbeeld hiervan zijn waardebonnen of vouchers, waarmee inwoners een klein bedrag kunnen toekennen aan initiatieven in hun buurt. Hiermee wordt het mogelijk om laagdrempelig ideeën uit te voeren en ontstaat er meer onderlinge steun in de wijk. Deze aanpak is succesvol gebleken in andere gemeenten en zou goed aansluiten bij de Beverwijkse ambitie om klein te beginnen met initiatieven dichtbij inwoners (de Beverwijkse manier).

afbeelding binnen de regeling

6. Uitdaagrecht (Right to challenge)

Een van de meest vergaande vormen van invloed vanuit de samenleving is het Uitdaagrecht. Dit recht, opgenomen in de Wet versterking participatie op decentraal niveau, biedt inwoners of maatschappelijke organisaties de mogelijkheid om taken van de gemeente over te nemen — onder de voorwaarde dat zij verwachten deze taken beter, efficiënter of met meer maatschappelijke meerwaarde te kunnen uitvoeren.

Het gaat hierbij om taken die al onder de verantwoordelijkheid van de gemeente vallen en die zijn opgenomen in de gemeentelijke begroting. Voorbeelden zijn: het beheer van (sport)accommodaties, het onderhoud van de openbare ruimte, de herinrichting van een straat of plein.

Bij het uitdaagrecht neemt een groep inwoners of een lokale organisatie het initiatief. De gemeente toetst of het initiatief binnen de wettelijke, financiële en beleidsmatige kaders haalbaar is. De uitvoering komt in handen van de initiatiefnemers, maar de gemeente blijft eindverantwoordelijk. Dit vraagt om maatwerk, duidelijke afspraken en een open houding van beide partijen. Ook juridische borging en zorgvuldigheid in het proces zijn essentieel.

Het uitdaagrecht is een instrument van onderop: het initiatief ligt bij inwoners of organisaties. Dit verschilt van maatschappelijk aanbesteden, waarbij de gemeente zélf de gemeenschap uitdaagt om een taak op te pakken. Bij uitdaagrecht komt de energie, creativiteit en regie juist vanuit de samenleving — met als doel een beter passende uitvoering van publieke taken.

De precieze randvoorwaarden voor het toepassen van het uitdaagrecht worden opgenomen in de participatieverordening van de gemeente Beverwijk. Hierbij wordt onder andere vastgelegd:

  • Welke gemeentelijke taken in aanmerking komen;

  • Hoe wordt omgegaan met aanbestedingsregels;

  • Bijzondere voorwaarden zoals de bescherming van bepaalde doelgroepen;

  • Welke procedure geldt voor indiening, beoordeling en besluitvorming inclusief reactietermijnen.

Het uitdaagrecht gaat vaak over het overnemen van het gemeentelijk beheer door een groep inwoners. Bijvoorbeeld het beheer van een kinderboerderij, een buurthuis of een bijzonder park. Maar er zijn ook voorbeelden van inwoners die het ontwerpen van een nieuwe herinrichting van de straat overnamen van de gemeente.

In Beverwijk is bijvoorbeeld gesproken over de mogelijke overname van groenonderhoud op het bedrijventerrein, door ondernemers partij Beverwijk Business Docks.

6.1 Hoe werkt het?

  • Indiening voorstel: Een initiatiefnemer dient een voorstel in dat voldoet aan vooraf gestelde voorwaarden.

  • Kennismakingsgesprek: De gemeente organiseert een gesprek tussen de initiatiefnemer en betrokken ambtenaren om het idee te verkennen en te verduidelijken.

  • Beoordeling: Het voorstel wordt, met advies van betrokken ambtenaren, voorgelegd aan de verantwoordelijke wethouder(s).

  • Besluitvorming: Het college besluit of de uitdaging wordt aangenomen. Als het voorstel past binnen bestaand beleid en budget, worden afspraken vastgelegd in een overeenkomst door het college. Zo niet, dan beslist de gemeenteraad.

7. Organisatie van participatie: Richten - Inrichten – Verrichten

Naast de mate van invloed die inwoners kunnen hebben (meedenken, meedoen, meebeslissen), vraagt participatie ook om een gestructureerde inzet vanuit de gemeentelijke organisatie. Om participatie effectief, consistent en professioneel uit te voeren, onderscheidt de gemeente Beverwijk drie interne organisatieniveaus: Richten, Inrichten en Verrichten. Deze structuur maakt duidelijk wie waarvoor verantwoordelijk is, hoe participatie wordt voorbereid en ingebed, en wie zorgt voor de uitvoering in de praktijk.

7. Richten: bestuurlijke kaders en richting bepalen

Participatie vindt nooit plaats in een beleidsvacuüm. De gemeenteraad stelt als hoogste orgaan de kaders vast waarbinnen participatie mogelijk is. Dat omvat onder meer:

  • Het vaststellen van het participatiebeleid en de participatieverordening;

  • Het bekrachtigen van beleidskaders, zoals de Omgevingsvisie;

  • Het beoordelen van participatieplannen en evaluaties;

  • Het wegen van participatie-opbrengsten bij besluitvorming.

Het college vertaalt deze kaders naar concrete participatievragen, stelt bestuurlijke ruimte en beperkingen vast, en bepaalt welke doelgroepen worden betrokken. Deze richting wordt vastgelegd in een participatieparagraaf van een startnotitie en omvat:

  • Het doel van participatie (bijv. informeren, co-creatie);

  • De mate van invloed voor participanten;

  • De onderwerpen waarop inwoners invloed hebben;

  • De onderdelen die al zijn vastgesteld.

Zo ontstaat een helder startpunt, zowel intern als richting de samenleving.

7.2 Inrichten: organisatie en randvoorwaarden regelen

Het management van de gemeentelijke organisatie is verantwoordelijk voor het creëren van de voorwaarden waaronder participatie goed kan plaatsvinden.

Participatie moet een vanzelfsprekend onderdeel zijn van beleid, uitvoering en evaluatie

- geen optionele bijzaak. Dit betekent onder meer:

  • Zorgen voor voldoende capaciteit, tijd en middelen;

  • Trainen van medewerkers in participatievaardigheden, zowel in methodiek als in praktische uitvoering;

  • Beschikbaar stellen van formats en hulpmiddelen;

  • Inrichten van ondersteuningsstructuren en kennisdeling.

Naast projectleiders en beleidsadviseurs, zijn ook de wijkverbinders belangrijk. Zij vormen de schakel tussen gemeente en samenleving, en spelen een sleutelrol in het betrekken van doelgroepen die anders moeilijk bereikbaar zijn. Ook ondersteunen zij bewonersinitiatieven en signaleren zij wat er leeft in de wijk.

7. Verrichten: uitvoering in de praktijk

De uitvoering van participatie ligt bij ambtenaren en projectleiders. Zij vertalen de bestuurlijke kaders naar passende werkvormen en processen. Participatie is altijd maatwerk, maar kent vaste kwaliteitscriteria:

  • Vooraf is helder waar participatie wél en niet over gaat;

  • Er is een stakeholderanalyse met extra aandacht voor stille groepen;

  • Er wordt gewerkt met toegankelijke, passende en inclusieve werkvormen; Resultaten worden verwerkt in een openbaar participatieverslag;

  • Participanten worden geïnformeerd over de uitkomst en invloed van hun inbreng.

Bij participatie waar de gemeente initiatiefnemer is, wordt gestreefd naar maximale transparantie, draagvlak en een eerlijke belangenafweging. De inzet van bewoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties en de Participatieraad Sociaal Domein is hierin essentieel - zij geven richting, brengen kennis in en kunnen een rol spelen in de uitvoering. De gemeente ondersteunt dit met onder meer bewonersbudgetten en persoonlijke begeleiding.

8. Tot slot

Dit beleid geeft richting aan hoe de gemeente Beverwijk participatie wil gebruiken om betere besluiten te nemen. Hierbij gaat het om projecten en beleid waarbij ze zelf initiatiefnemer is of samen met een andere partij mede-initiatiefnemer is. Dit vraagt om een duidelijk proces van begin tot eind waarbij helder is wat ieders rol is. Waarbij aandacht is voor goede communicatie, ruimte voor verandering en respect voor elkaars mening.

Maar ook als inwoners zelf het initiatief nemen om voor hun eigen wijk of buurt iets willen betekenen en daarbij ondersteuning van de gemeente wensen, staat de gemeente Beverwijk open om hen te helpen waar dat nodig is. Natuurlijk wel binnen de mogelijkheden en beperkingen die de gemeente heeft.

Het is nodig dat inwoners en maatschappelijke organisaties weten wat ze mogen verwachten. Hoe de gemeente zorgt voor laagdrempelig toegang tot het participatieproces bij onderwerpen die voor hen belangrijk zijn. Dit vraagt om duidelijke, publieksvriendelijke communicatie. Een heldere participatieverordening en een transparante en eenduidige manier van werken binnen de organisatie.

Ondertekening

Bijlage 1: Overzicht van onderwerpen waarbij de raad bindend adviesrecht heeft. Lijst van gevallen bindend adviesrecht gemeenteraad

Documentnummer D-084372 / Z-22-178145

Aangewezen gevallen – als bedoeld in artikel 4.21 Omgevingsbesluit – van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten waarbij de gemeenteraad adviesrecht heeft en haar instemming benodigd is (Bindend advies).

Beslissingen op aanvragen voor omgevingsvergunningen betrekking hebbende op onderstaande (buitenplanse) omgevingsplanactiviteiten dienen te worden voorzien van een advies van de gemeenteraad. Als de gemeenteraad een negatief advies geeft, dan mag het college de omgevingsvergunning niet verlenen.

Met deze lijst worden nieuwe gevallen aangewezen door de gemeenteraad. Hierbij worden enkele oude gevallen naar analogie omgezet. De lijst van categorieën van gevallen waarin de gemeenteraad heeft aangegeven dat geen ‘Verklaring van geen bedenking’ benodigd is, vastgesteld bij raadsbesluit van 5 februari 2015, INT-44-14647 (Gemeenteblad 2015 nr. 14579), komt onder de nieuwe regels te vervallen.

Voor niet-aangewezen gevallen geldt het adviesrecht niet, ingevolge artikel 16.15a lid b. onder 1 Omgevingswet

In alle andere gevallen is participatie niet verplicht voor initiatiefnemers. Wel wordt bij het indienen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning gevraagd of en op welke wijze participatie is gedaan. Het goed doorlopen van een participatieproces helpt initiatiefnemer in het sneller doorlopen van het vergunningsproces.

Is de gemeente initiatiefnemer van nieuw beleid, project of programma, dan is participatie altijd verplicht in het kader van de wet versterking participatie op decentraal niveau.

Categorie

Buitenplanse omgevingsplanactiviteit

A

Projecten ten behoeve van de realisatie van > 75 woningen (wooneenheden), welk project niet volgt uit een eerder door de raad vastgestelde visie of beleidsdocument, met dien verstande dat:

  • voor het huidige plangebied van Wijk aan Zee een drempel wordt gehanteerd vanaf 2 woningen (wooneenheden) t/m 2029 of zoveel eerder bij vaststelling van het omgevingsplan (voor dit gebied). Projecten in de vorm van (hoofdzakelijk) functiewijzigingen van bestaande panden worden hier uitgezonderd.

  • voor het huidige plangebied van Binnenduin de drempel wordt bepaald door de vraag of het bouwplan leidt tot een noodzakelijke aanpassing / structurele herziening van het (huidige) exploitatieplan. Is dit het geval, dan is adviesrecht van de raad van toepassing t/m 2029 of zoveel eerder bij vaststelling van het omgevingsplan (voor dit gebied).

B

Projecten ten behoeve van het realiseren van > 5000m2 bvo aan kantoorruimte, dienstverlening, bedrijfsruimte, horeca, commerciële ruimten, maatschappelijke, culturele, medische, sport- en recreatieve voorzieningen of een combinatie daarvan, welk project niet volgt uit een eerder door de raad vastgestelde visie of beleidsdocument.

C

Projecten ten behoeve van de nieuwe vestiging, verplaatsing of verzwaring van bestaande bedrijven/industrie betreffende milieucategorie 5.1 (of hoger), welk project niet volgt uit een eerder door de raad vastgestelde visie of beleidsdocument.

D

Projecten ten behoeve van de nieuwe vestiging, verplaatsing of verzwaring van bestaande bedrijven/industrie betreffende milieucategorie 5.1 (of hoger), welk project niet volgt uit een eerder door de raad vastgestelde visie of beleidsdocument.

E

Projecten ten behoeve van de nieuwe vestiging, verplaatsing of verzwaring van bestaande bedrijven/industrie betreffende milieucategorie 5.1 (of hoger), welk project niet volgt uit een eerder door de raad vastgestelde visie of beleidsdocument.

F

Projecten met ingrijpende aanpassingen van Rijkswegen en/of Provinciale wegen en/of lokale doorgaand verkeerroutes en/of directe aansluitingen daarop, welk project niet volgt uit een eerder door de raad vastgestelde visie of beleidsdocument.

G

Projecten met een concrete risicoanalyse dat het verlenen van een omgevingsvergunning kan leiden tot de noodzaak van het vergoeden van nadeelcompensatie (planschade) > € 25.000, - boven het normaal maatschappelijk risico (ongeacht een overeengekomen planschadeverhaalovereenkomst met de ontwikkelaar)