Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR755705
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR755705/1
Regeling vervallen per 14-01-2026
Beleidsregel toepassing van de Wet Bibob gemeente Woudenberg 2021
Geldend van 23-11-2022 t/m 13-01-2026
Intitulé
Beleidsregel toepassing van de Wet Bibob gemeente Woudenberg 2021Het college van burgemeester en wethouders van Woudenberg en de burgemeester van
Woudenberg ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft,
Gelet op het bepaalde:
- ▪︎
Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;
- ▪︎
artikel 4:81, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht waarin is bepaald dat een bestuursorgaan beleidsregels kan vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid;
Besluiten:
Vast te stellen de hierna volgende beleidsregel toepassing van de Wet Bibob gemeente Woudenberg 2021
Hoofdstuk 1 Algemeen
Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen
-
1. De definities in artikel 1, eerste lid van de Wet Bibob zijn van overeenkomstige toepassing op deze beleidsregel;
-
2. In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
- a.
APV: Algemene Plaatselijke Verordening Woudenberg;
- b.
AMvB: Algemene maatregel van bestuur;
- c.
bestuursorgaan: de burgemeester of het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woudenberg, alsmede degenen aan wie zij een mandaat hebben verleend tot besluitvorming bij beschikkingen;
- d.
Bibob-onderzoek: het onderzoek en de beoordeling door het bestuursorgaan en/of het Bureau of, en zo ja in hoeverre sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 3, artikel 4 en artikel 9 van de Wet Bibob;
- e.
Bibob-vragenformulier: een formulier dat is vastgesteld krachtens artikel 30, vijfde lid van de wet;
- f.
Bureau: het Landelijk Bureau Bibob (LBB);
- g.
eigen onderzoek: het Bibob-onderzoek zoals bedoeld onder sub d, en de beoordeling of in de resultaten van dit onderzoek grond is gelegen voor de betrokkene een negatieve beslissing te nemen dan wel een advies bij het Bureau aan te vragen;
- h.
gemeente: de rechtspersoon met een overheidstaak;
- i.
RIEC: Regionaal Informatie en Expertise Centrum Midden-Nederland;
- j.
Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
- k.
wet: de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob).
- a.
Artikel 1.2 Toepassing beleidsregel
Deze beleidsregel heeft uitsluitend betrekking op de toepassing van de Wet Bibob door de rechtspersoon gemeente Woudenberg en zijn bestuursorganen. De beleidsregel laat onverlet dat binnen de grenzen van de wet op andere wijze of gronden een integriteitstoets kan worden uitgevoerd en de uitkomsten daarvan bij verdere besluitvorming of andere rechtshandelingen kunnen worden betrokken.
Artikel 1.3 Uitvoering Bibob-onderzoek in afwijking van beleidsregel
Deze beleidsregel laat onverlet dat in afwijking van de hierna volgende bepalingen tot uitvoering van een Bibob-onderzoek kan worden besloten, indien de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven.
Hoofdstuk 2 Beschikkingen
Artikel 2.1 Horeca, coffeeshop, speelautomatenhal, seksbedrijf
-
1. In geval van een aanvraag om (wijziging van) een vergunning voor exploitatie van:
- •
horeca (artikel 3 en 30a Alcoholwet en artikel 2:28 APV)
- •
speelautomatenhal (artikel 3, 9 en 10 Verordening speelautomatenhallen)
- •
seksbedrijf (artikel 3:4 APV)
-
voert het bestuursorgaan in beginsel een Bibob-onderzoek uit bij:
- a.
een nieuwe vestiging van een inrichting of bedrijf en/of;
- b.
overname of wijziging van een exploitant en/of;
- c.
indien op grond van:
- •
eigen ambtelijke informatie, en/of nformatie verkregen van het Bureau, en/of informatie afkomstig van (een van) de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of
- •
verkregen informatie vanuit het OM als bedoeld in artikel 26 van de wet (OM-tip)
- •
overige signalen
- •
-
vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiele, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet Bibob en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.
- a.
- •
-
2. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid zal het bestuursorgaan ten aanzien van para-commerciële instellingen en slijterijen, als bedoeld in de Alcoholwet, in beginsel uitsluitend een Bibob-onderzoek starten, indien sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, sub c van deze beleidsregel.
Artikel 2.2 Evenement, vuurwerkverkoop, onttrekking/splitsing van woonruimte en overige vergunningen
- 1.
In geval van een aanvraag om (wijziging van) een vergunning voor een:
- •
evenement (artikel 2:25 APV )
- •
vuurwerkverkoop (artikel 2:72 APV)
- •
onttrekking van woonruimte aan woonfunctie en splitsing gebouw met
- •
woonfunctie (artikel 8, eerste lid, 21 en 22 Huisvestingswet alsmede artikel 34 Huisvestingsverordening)
- •
overige vergunningen die op grond van een gemeentelijke verordening voor een inrichting of bedrijf verplicht is gesteld (artikel 7 Wet Bibob) voert het bestuursorgaan in beginsel een Bibob-onderzoek uit indien op grond van:
- •
eigen ambtelijke informatie, en/of
- •
nformatie verkregen van het Bureau, en/of
- •
informatie afkomstig van (een van) de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of
- •
verkregen informatie vanuit het OM als bedoeld in artikel 26 van de wet (OM-tip)
- •
overige signalen
- •
-
vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiele, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet Bibob en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.
- 2.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, zal het bestuursorgaan bij een aanvraag om een evenementvergunning in beginsel een Bibob-onderzoek uitvoeren als de aanvraag betrekking heeft op een vechtsportevenement.
- 3.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, zal het bestuursorgaan bij een aanvraag om een vuurwerkverkoopvergunning in beginsel een Bibob-onderzoek uitvoeren als sprake is van een nieuwe vestiging of overname van een vuurwerkverkooppunt dan wel een wijziging in de bedrijfsstructuur.
Artikel 2.3 Omgevingsvergunning bouw
-
1. In geval van een aanvraag om (wijziging van) een vergunning voor een omgevings-vergunning bouw (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a Wabo) voert het bestuursorgaan in beginsel een Bibob-onderzoek uit, indien op grond van:
- •
eigen ambtelijke informatie, en/of
- •
informatie verkregen van het Bureau, en/of
- •
informatie afkomstig van (een van) de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of
- •
verkregen informatie vanuit het OM als bedoeld in artikel 26 van de wet (OM-tip)
- •
overige signalen
vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene (dan wel degene die op grond van artikel 2.20 Wabo met hem gelijkgesteld kan worden) en/of zijn potentiele, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet Bibob en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.
- •
-
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid zal het bestuursorgaan in beginsel geen uitvoering geven aan een Bibob-onderzoek indien de aanvraag voor een beschikking als bedoeld in het eerste lid afkomstig is van (semi-)overheidsinstanties, woning(bouw)corporaties (o.g.v. artikel 70 Woningwet) dan wel een door het college bij (specifiek) besluit aangewezen aanvrager (bijvoorbeeld PPS-constructies van particuliere ondernemingen en overheid).
Artikel 2.4 Omgevingsvergunning milieu
-
1. In geval van een aanvraag om (wijziging van) een:
- a.
omgevingsvergunning inrichtingen Wet milieubeheer (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e Wabo jo. artikel 1.1, eerste lid Wabo) die behoort tot de branches: vuurwerk, verwerking en/of opslag van afvalstoffen en inrichtingen die actief zijn in de bodemsanering en/of het grondverzet;
- b.
omgevingsvergunning beperkte milieutoets (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i Wabo) die betrekking heeft op een activiteit waarvoor bij AMvB op grond van artikel 2.17 van de Wabo is bepaald, dat de vergunning in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 Wet Bibob kan worden geweigerd, voert het bestuursorgaan in beginsel een Bibob-onderzoek uit indien op grond van:
- •
eigen ambtelijke informatie, en/of
- •
informatie verkregen van het Bureau, en/of
- •
informatie afkomstig van (een van) de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/ofverkregen informatie vanuit het OM als bedoeld in artikel 26 van de wet (OM-tip)
- •
overige signalen
- •
-
vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene (dan wel degene die op grond van artikel 2.20 Wabo met hem gelijkgesteld kan worden) en/of zijn potentiele, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet Bibob en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.
- a.
-
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid zal het bestuursorgaan in beginsel geen Bibob-onderzoek uitvoeren indien de aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het eerste lid afkomstig is van (semi-)overheidsinstanties en woning(bouw)corporaties.
Artikel 2.5 Subsidies
In geval van een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in de Subsidieverordening gemeente Woudenberg, voert het bestuursorgaan in beginsel een Bibob-onderzoek uit indien op grond van:
- •
eigen ambtelijke informatie, en/of
- •
informatie verkregen van het Bureau, en/of
- •
informatie afkomstig van (een van) de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of
- •
verkregen informatie vanuit het OM als bedoeld in artikel 26 van de wet (OMtip)
- •
overige signalen
vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiele, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet Bibob en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.
Artikel 2.6 Verleende beschikkingen
In geval van een al verleende vergunning of afgegeven beschikking voert het bestuursorgaan in beginsel een Bibob-onderzoek uit indien op grond van:
- •
eigen ambtelijke informatie, en/of
- •
informatie verkregen van het Bureau, en/of
- •
informatie afkomstig van (een van) de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of
- •
verkregen informatie vanuit het OM als bedoeld in artikel 26 van de wet (OMtip)
- •
overige signalen
vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiele, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet Bibob en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.
Hoofdstuk 3 Privaatrechtelijke transacties
Artikel 3.1 Aanbestedingen voor overheidsopdrachten sectoren bouw, milieu, ICT
-
1. In geval van een aanbesteding voor een overheidsopdracht die onder het bereik van de Wet Bibob valt (artikel 3 Besluit Bibob) voert de gemeente in beginsel een Bibob-onderzoek indien op grond van:
- •
eigen ambtelijke informatie, en/of
- •
informatie verkregen van het Bureau, en/of
- •
informatie afkomstig van (een van) de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of
- •
verkregen informatie vanuit het OM als bedoeld in artikel 26 van de wet (OM-tip)
- •
overige signalen
vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiele, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet Bibob en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.
- •
-
2. De gemeente kan in iedere fase van een aanbesteding voor een overheidsopdracht als bedoeld in het eerste lid, een Bibob-onderzoek uitvoeren.
Zodoende kan de uitvoering van een Bibob-onderzoek worden toegepast op zowel degenen die de gemeente van plan is te selecteren tot een volgende fase van de aanbesteding, dan wel degene(n) aan wie de gemeente van plan is de betreffende overheidsopdracht te gunnen.
-
3. De gemeente kan ook na gunning van een overheidsopdracht als bedoeld in lid 1 een Bibob-onderzoek uitvoeren. Daartoe zal in de betreffende aanbestede (concept) overeenkomst(en) een nadere bepaling kunnen worden opgenomen. Die bepaling heeft als strekking dat de overeenkomst wordt ontbonden door de gemeente indien (alsnog) feiten of omstandigheden in relatie tot het bedrijf en/of de personen daarvan bij opdrachtgever bekend zijn geworden die, ware deze bekend geweest vóór het tot stand komen van de overeenkomst, aanleiding zouden zijn geweest om de opdrachtnemer uit te sluiten van verdere deelname aan de aanbesteding. De gemeente kan in het hiervoor bedoelde geval besluiten om niet tot ontbinding over te gaan indien zij van oordeel is dat uit de Bibobonderzoek gebleken mate van gevaar in voldoende mate valt te reduceren door het stellen van (nadere) uitvoeringsvoorwaarden.
Artikel 3.2 Vastgoedtransacties onderzoek vooraf
-
1. De gemeente voert in beginsel een Bibob-onderzoek uit voordat een beslissing wordt genomen over het aangaan van een vastgoedtransactie (verkoop- en verhuur onroerend goed, gronduitgifte, verlenen van een gebruiksrecht, vestigen zakelijk recht) indien op grond van:
- •
eigen ambtelijke informatie, en/of
- •
informatie verkregen van het Bureau, en/of
- •
informatie afkomstig van (een van) de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of
- •
verkregen informatie vanuit het OM als bedoeld in artikel 26 van de wet (OM-tip)
- •
overige signalen
vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiele, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet Bibob en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.
- •
-
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, voert de gemeente in beginsel een Bibob-onderzoek uit voordat een beslissing wordt genomen over het aangaan van een vastgoedtransactie, indien de onroerende zaak waarop de vastgoedtransactie betrekking heeft zal worden gebruikt in één van de volgende sectoren of locaties:
- •
horecabedrijven;
- •
seks- en escortbedrijven;
- •
smartshops (inrichtingen waarin psychoactieve substanties, waaronder niet traditionele genotsmiddelen op natuurlijke basis) te koop worden aangeboden);
- •
headshops (inrichtingen waarin artikelen en hulpmiddelen voor het gebruik van drugs te koop worden aangeboden);
- •
shishalounges;
- •
speelautomatenhallen;
- •
fitnesscentra;
- •
wellnessbranche (massage- en beautysalons, nagel- en zonnebankstudio’s);
- •
autobranche (autohandel, garages, lease- en verhuurbedrijven en autodemontage);
- •
belwinkels;
- •
woonruimte voor arbeidsmigranten;
- •
woonwagenterreinen;
- •
industrie- of bedrijventerreinen;
- •
religieuze instellingen;
- •
afvalverwerkingsbedrijven;
- •
recreatieterreinen.
- •
-
3. De omstandigheid dat een gronduitgifte veelal wordt gevolgd door een omgevingsvergunning bouw maakt dat de gemeente voorafgaand aan een vastgoedtransactie met als doel de uitgifte van grond, een Bibob-onderzoek kan uitvoeren als voldoende aannemelijk is dat zich de situatie voordoet zoals genoemd in artikel 2.3 lid 1, onder a of zal gaan voordoen.
-
4. In geval van een overheidsopdracht als bedoeld in artikel 3.1 waarvan een of meer vastgoedtransacties deel uitmaken, kan de gemeente een Bibob-onderzoek uitvoeren indien aan één of meer van de in dit hoofdstuk (privaatrechtelijke transacties) genoemde criteria is voldaan.
-
5. De gemeente kan een Bibob-onderzoek starten voordat een beslissing wordt genomen over het aangaan van een vastgoedtransactie, indien:
- a.
de transactie betrekking heeft op een beeldbepalende onroerende zaak of op een onroerende zaak die naar het oordeel van de gemeente symbolische waarde heeft;
- b.
de onroerende zaak waarop de vastgoedtransactie betrekking heeft gelegen is in een door het college vastgesteld aandachtsgebied.
- a.
-
6. Indien is besloten tot het uitvoeren van een Bibob-onderzoek, komt er geen overeenkomst tot stand totdat het Bibob-onderzoek volledig is afgerond, tenzij partijen dat nadrukkelijk anders schriftelijk overeenkomen.
-
7. De gemeente kan afzien van het uitvoeren van een Bibob-onderzoek als de vastgoedtransactie wordt aangegaan met (semi)-overheidsinstanties, een op grond van artikel 70 Woningwet toegelaten woning(bouw)corporatie en/of door het college bij (specifiek) besluit aangewezen betrokkenen.
Artikel 3.3 Vastgoedtransacties onderzoek achteraf
-
1. De gemeente voert in beginsel een Bibob-onderzoek uit nadat de vastgoedtransactie (verkoop- en verhuur onroerend goed, verlenen van gebruiksrecht, gronduitgifte, vestigen zakelijk recht) tot stand is gekomen indien in de overeenkomst een Bibob-beëindigingsclausule als bedoeld in artikel 5a, sub b van de Wet Bibob is opgenomen én indien op grond van:
- •
eigen ambtelijke informatie, en/of
- •
informatie verkregen van het Bureau, en/of
- •
informatie afkomstig van (een van) de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of verkregen informatie vanuit het OM als bedoeld in artikel 26 van de wet (OM-tip)
- •
overige signalen
vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene en/of zijn potentiele, huidige of voormalige Bibob-relaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet Bibob en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering.
- •
-
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan de gemeente, nadat de vastgoedtransactie tot stand is gekomen, periodiek een Bibob-onderzoek uitvoeren op momenten zoals in de overeenkomst bepaald.
Hoofdstuk 4 Uitvoering Bibob-procedure
Paragraaf 4.1 Onderzoek
Artikel 4.1.1 Onderzoek
-
1. Een Bibob-onderzoek geldt in beginsel als een uiterst middel om de integriteit van een betrokken (rechts)persoon te controleren. Hierbij moet het bestuursorgaan of de gemeente de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit in acht nemen. Deze eisen brengen mee dat het bevoegd gezag eerst gebruik moet maken van minder ingrijpende bevoegdheden die het beoogde doel kunnen behalen.
-
2. Als op grond van deze beleidsregel een Bibob-onderzoek wordt uitgevoerd, dan dient betrokkene de Bibob-vragenformulieren in te vullen en in te leveren bij het bestuursorgaan/ de gemeente. Daarbij dienen ook de documenten te worden gevoegd, die in de vragenformulieren staan vermeld, alsmede de documenten die bij de uitreiking van de vragenformulieren door of namens het bestuursorgaan/de gemeente zijn genoemd.
Het onderzoek naar het zich voordoen van een situatie als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob bestaat uit twee fases:
Fase 1 Gemeentelijk onderzoek
Het onderzoek behelst in ieder geval de controle en analyse van:
- •
de door de aanvrager/houder van de vergunning aangereikte informatie in o.a. het Bibob-vragenformulier en in de door hem/haar daarbij aangeleverde documenten;
- •
eventuele extra, op verzoek van het bevoegd gezag, door aanvrager/houder overgelegde documenten en/of verstrekte informatie;
- •
open en gesloten bronnen-onderzoek (zoals Kamer van Koophandel, Kadaster, justitiële en strafvorderlijke gegevens, politiegegevens, etc).
Fase 2 Adviesaanvraag bij het Bureau
Aanvullend op de controle en analyse van de (extra) verstrekte informatie als hiervoor genoemd, kan een advies bij het Bureau worden gevraagd indien:
- a.
na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over omstandigheden in de persoon van de aanvrager, gegadigde of wederpartij en/of daarmee in verband te brengen derden als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet Bibob;
- b.
na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over de bedrijfsstructuur van de aan de betreffende beschikking, overheidsopdracht of vastgoedtransactie te verbinden onderneming(en);
- c.
na het eigen onderzoek vragen blijven bestaan over de financiering van de aan de betreffende beschikking, overheidsopdracht of vastgoedtransactie te verbinden activiteiten;
- d.
de officier van justitie het bestuursorgaan/de gemeente de tip geeft of heeft gegeven om in een bepaalde zaak een Bibob-advies aan te vragen;
- e.
het Bureau het bestuursorgaan/de gemeente desgevraagd bericht als bedoeld in artikel 11a van de Wet Bibob.
- •
Artikel 4.1.2 Informatieplicht
-
1. Het bestuursorgaan/de gemeente informeert betrokkene schriftelijk over een advies-aanvraag aan het Bureau. Betrokkene wordt daarbij gewezen op de opschorting van de beslistermijn als bedoeld in artikel 31 van de Wet Bibob. Een afschrift van deze brief wordt gevoegd bij het adviesverzoek aan het Bureau.
-
2. In geval een van het Bureau ontvangen advies leidt tot het voornemen om een gevraagde beschikking te weigeren dan wel een eerder verleende beschikking in te trekken, een aanbesteding niet te gunnen dan wel de overeenkomst te ontbinden of geen vastgoedtransactie aan te gaan dan wel deze te beëindigen, wordt aan betrokkene een kopie van het adviesrapport verstrekt. Betrokkene wordt daarbij door het bestuursorgaan/de gemeente gewezen op zijn geheimhoudingsplicht als bedoeld in artikel 28 van de Wet Bibob.
Artikel 4.1.3 Adviestermijn bij een beschikking
-
1. Indien het bestuursorgaan een advies aanvraagt bij het Bureau, wordt op grond van artikel 31 van de Wet Bibob, de wettelijke termijn waarbinnen de beschikking dient te worden gegeven, opgeschort voor de duur van de periode die begint met de dag waarop het advies door het Bureau in behandeling wordt genomen en eindigt met de dag waarop het advies is ontvangen, met dien verstande dat deze opschorting niet langer duurt dan de termijn, zoals genoemd in artikel 15, lid 1 van de Wet Bibob.
-
2. Indien het Bureau het advies niet binnen de in lid 1 van dit artikel gestelde termijn kan geven, heeft het bestuursorgaan de mogelijkheid om op grond van artikel 15, lid 3 van de Wet Bibob, de termijn te verlengen. Deze verlenging bedraagt niet meer dan de termijn, genoemd in artikel 15 lid 3 van de wet.
-
3. Het bestuursorgaan informeert betrokkene onverwijld over een verlenging als bedoeld in het vorige lid.
-
4. De verlenging van de adviestermijn van het Bureau, alsmede eventuele tijdelijke opschorting van de adviestermijn van het Bureau in gevallen als bedoeld in artikel 15, lid 2 van de Wet Bibob (verzoek tot indienen aanvullende/ontbrekende gegevens die noodzakelijk zijn voor het advies), kan leiden tot een verdere opschorting van de wettelijke beslistermijn op de beschikking.
Paragraaf 4.2 Gevolgen Bibob-procedure bij beschikkingen
Artikel 4.2.1 Gevolgen gebrekkige informatievoorziening door betrokkene
-
1. Het bestuursorgaan laat een aanvraag voor een beschikking in beginsel buiten behandeling, in geval van het niet of niet volledig invullen van het Bibobvragenformulier, dan wel het niet of niet volledig verstrekken van de op basis van het Bibob-vragenformulier verzochte gegevens en bescheiden, mits de betrokkene de gelegenheid heeft gehad tot herstel van dit gebrek (artikel 4:5 Algemene Wet Bestuursrecht).
-
2. Het bestuursorgaan trekt een verleende beschikking in beginsel in, in geval van het niet of niet volledig invullen van het Bibob-vragenformulier, dan wel het niet of niet volledig verstrekken van de op basis van het Bibob-vragenformulier verzochte gegevens en bescheiden, mits de betrokkene de gelegenheid heeft gehad tot herstel van dit gebrek.
-
3. Het bestuursorgaan laat een aanvraag in beginsel buiten behandeling, dan wel trekt een verleende beschikking in beginsel in, in geval van het niet of niet volledig beantwoorden van de door het LBB op grond van artikel 12 Wet Bibob gestelde vragen, dan wel niet of niet volledig verstrekken van door de het LBB op basis van datzelfde artikel verzochte gegevens.
Artikel 4.2.2 Gevolgen Bibob-onderzoek bij beschikkingen
-
1. Het bestuursorgaan zal in beginsel overgaan tot weigering van een aanvraag om (wijziging van) een beschikking of tot intrekking van een al verleende beschikking, indien uit het eigen onderzoek of uit advies van het LBB blijkt dat er sprake is van een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet Bibob, dan wel een situatie zich voordoet als bedoeld in artikel 3, zesde lid van de Wet Bibob.
-
2. Indien het bestuursorgaan voornemens is negatief te besluiten op de aanvraag om de beschikking dan wel de beschikking in te trekken, wordt betrokkene in de gelegenheid gesteld daartegen een zienswijze in te brengen.
-
3. Het bestuursorgaan zal bij een mindere mate van gevaar als bedoeld in artikel 3, zevende lid van de Wet Bibob in beginsel voorschriften aan een beschikking verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar.
Artikel 4.2.3 Gevolgen beëindigde relatie tussen betrokkene en een derde
-
1. Indien de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die, al dan niet vermoedelijk, gepleegd zijn door een derde als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet Bibob, dan kan het bestuursorgaan de feiten van die derde na het verbreken van de relatie tussen de betrokkene en de derde, gedurende drie jaren volledig betrekken bij de beoordeling van het gevaar.
-
2. Voor het bepalen van het moment waarop de relatie tussen de betrokkene en de derde formeel en feitelijk is beëindigd, wordt bij de toepassing van het eerste lid uitgegaan van gegevens uit het handelsregister, en/of andere documentatie die naar het oordeel van het bestuursorgaan voldoende uitsluitsel geeft over de beëindiging van de relatie.
Paragraaf 4.3 Gevolgen Bibob-procedure bij privaatrechtelijke transacties
Artikel 4.3.1 Gevolgen Bibob-onderzoek bij vastgoedtransacties
-
1. De gemeente kan overgaan tot het afbreken van de onderhandelingen, indien uit het eigen onderzoek en/of een eventueel daarop afgegeven advies van het LBB blijkt dat één van de onderstaande situaties zich voordoet:
- a.
er is sprake van tenminste een mindere mate van gevaar dat de vastgoedtransactie mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feite verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten;
- b.
er is sprake van tenminste een mindere mate van gevaar dat in of met de onroerende zaak waar de vastgoedtransactie betrekking op heeft, mede strafbare feiten zullen worden gepleegd;
- c.
er is sprake van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die naar het oordeel van de gemeente een integriteitsrisico vormen (ongeacht de mate van gevaar);
- d.
er is sprake van feiten en omstandigheden die er op wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van de vastgoedtransactie een strafbaar feit is gepleegd;
- e.
betrokkene heeft nagelaten de op grond van artikel 30 Wet Bibob gevraagde gegevens en bescheiden te verschaffen en/of heeft nagelaten de vragen die hem door de gemeente zijn gesteld op basis van dat artikel binnen de door de gemeente gestelde termijn volledig en naar waarheid te beantwoorden;
- f.
betrokkene heeft nagelaten de op grond van artikel 12 Wet Bibob gevraagde gegevens en bescheiden te verschaffen en/of heeft nagelaten de vragen die hem door het LBB zijn gesteld op basis van dat artikel binnen de door het LBB gestelde termijn volledig en naar waarheid te beantwoorden.
- a.
-
2. In de gevolgen van een Bibob-onderzoek dat is gestart nadat de vastgoedtransactie is aangegaan, wordt bij overeenkomst voorzien.
Artikel 4.3.2 Gevolgen beëindigde relatie tussen betrokkene en een derde
-
1. Indien de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die, al dan niet vermoedelijk, gepleegd zijn door een derde als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet Bibob, dan kan de gemeente de feiten van die derde na het verbreken van de relatie tussen de betrokkene en de derde, gedurende drie jaren volledig betrekken bij de beoordeling van het gevaar met betrekking tot de vastgoedtransactie.
-
2. Voor het bepalen van het moment waarop de relatie tussen de betrokkene en de derde formeel en feitelijk is beëindigd, wordt bij de toepassing van het eerste lid uitgegaan van gegevens uit het handelsregister, en/of andere documentatie die naar het oordeel van de gemeente voldoende uitsluitsel geeft over de beëindiging van de relatie.
Artikel 4.3.3 Gevolgen Bibob-onderzoek bij aanbestedingen
-
1. In geval van een inschrijving op een overheidsopdracht kan de informatie uit het Bibob-onderzoek dienen als onderbouwing van een of meerdere uitsluitingsgronden als genoemd in de Aanbestedingswet 2012.
-
2. De gemeente kan besluiten een overheidsopdracht niet te gunnen, in geval van het niet of niet volledig invullen van het Bibob-vragenformulier, dan wel het niet of niet volledig verstrekken van de op basis van het Bibob-vragenformulier verzochte gegevens en bescheiden, mits de betrokkene de gelegenheid heeft gehad tot herstel van dit gebrek.
-
3. De gemeente kan besluiten een overheidsopdracht niet te gunnen, in geval van het niet of niet volledig beantwoorden van de door het LBB gestelde vragen, dan wel niet of niet volledig verstrekken van door de het LBB verzochte gegevens.
Hoofdstuk 5 Slotbepalingen
Artikel 5.2 Inwerkingtreding
De beleidsregel treedt in werking op de dag na bekendmaking.
Artikel 5.3 Citeertitel
Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel toepassing Wet Bibob 2021 gemeente Woudenberg.
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de vergadering van burgemeester en wethouders van gemeente Woudenberg op 22 november 2022
Aldus vastgesteld door de burgemeester op 22 november 2022.
De burgemeester,
M. Jansen-van Harten
De secretaris,
D. Ruseler
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 2.1 Exploitatie: openbare inrichting, coffeeshop, horeca, speelautomatenhal, seksbedrijf
In het eerste lid wordt onder meer geregeld dat een Bibob-onderzoek wordt gestart in geval van alle aanvragen voor nieuwe horecavestigingen. Zo wordt beoogd willekeur te voorkomen en vormen van criminaliteit te achterhalen die niet direct aan de oppervlakte zichtbaar zijn of zich aan de hand van bepaalde indicatoren openbaren.
Artikel 2.2 Evenement, vuurwerkverkoop, onttrekking/splitsing vanwoonruimte en overige vergunningen
Vergunningen voor vechtsportgala’s zijn in 2010 onder de werking van de Wet Bibob gebracht, vanwege aanwijzingen dat dergelijke evenementen vatbaar zijn voor criminele beïnvloeding (tweede lid). Vanwege die signalen zullen dergelijke aanvragen in beginsel altijd worden onderzocht op grond van de Wet Bibob. Organisatoren zullen daarom rekening moeten houden met een langere doorlooptijd en de vergunning tijdig moeten aanvragen.
Artikelen 2.4 t/m 2.6 Omgevingsvergunningen bouw, milieu en subsidies
In deze artikelen wordt geregeld wanneer het Bibob-onderzoek wordt gestart bij omgevings-vergunningen (bouw en milieu) en subsidies. Bij keuze variant A: Vooralsnog is dat alleen het geval, indien er signalen zijn dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten. In de nabije toekomst zal onderzocht worden of er in de beleidsregel criteria worden geformuleerd (bijvoorbeeld de branche of de hoogte van de bouwsom bij omgevingsvergunningen bouw) op grond waarvan een Bibob-onderzoek proactief wordt gestart.
Artikel 3.1 Aanbestedingen voor overheidsopdrachten sectoren bouw, milieu,ICT
In deze bepaling wordt geregeld wanneer het Bibob-onderzoek wordt gestart bij overheidsopdrachten voor de sectoren waarop de Wet Bibob thans van toepassing is (bouw, milieu, ICT). In de nabije toekomst zal onderzocht worden of er in de beleidsregel criteria dienen te worden geformuleerd grond waarvan een Bibob-onderzoek proactief wordt kan worden gestart, dus indien er niet direct signalen zijn van criminaliteit.
Artikel 3.2 Vastgoedtransacties onderzoek vooraf
Het tweede lid maakt door het aanwijzen van branches en bepaalde instellingen een proactieve toepassing van de Wet Bibob mogelijk bij vastgoedtransacties. Uit ervaringen van andere gemeenten is naar voren gekomen dat deze sectoren vatbaar zijn voor criminele inmenging dan wel dat er sprake is van ondoorzichtige financieringsstructuren.
Dat is reden om in deze categorieën standaard een Bibob-onderzoek te starten. Met het benoemen van deze sectoren beoogt het college uiteraard geenszins ondernemers of instellingen op voorhand te criminaliseren. Deze bepaling strekt slechts tot het starten van een (beperkt) Bibob-onderzoek, dat door de evident bonafide betrokkene met een deugdelijke administratie relatief snel kan worden doorlopen. Pas als zich na dit beperkte onderzoek indicaties van misbruik voordoen, zal het onderzoek worden geïntensiveerd, eventueel door middel van een adviesaanvraag bij het LBB.
Artikel 4.3.1 Gevolgen Bibob-onderzoek bij vastgoedtransacties
Waar bij vergunningen het uitgangspunt is dat deze verleend moeten worden, tenzij er sprake is van een weigeringsgrond in een wettelijke regeling, geldt bij vastgoedtransacties de beginselen van partijautonomie en contractsvrijheid. Vanwege die contractsvrijheid hoeft de uitkomst van het Bibob-onderzoek in beginsel niet bepalend te zijn voor de vraag of de vastgoedtransactie al dan niet wordt aangegaan.
Onderhandelingen kunnen ook worden afgebroken indien er geen sprake is van een ernstig gevaar. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als in de fase van het eigen onderzoek voldoende feiten blijken die duiden op een integriteitsrisico, wanneer de betrokkene weigert om een Bibob-vragenlijst (volledig) in te vullen of aanvullende vragen van het LBB te beantwoorden, dan wel niet alle gevraagde gegevens en bescheiden verstrekt of het LBB concludeert dat sprake is van geen of een mindere mate van gevaar, maar er naar het oordeel van de gemeente wel een integriteitsrisico bestaat. Onder een integriteitsrisico wordt in ieder geval verstaan dat er sprake is van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat betrokkene in relatie staat tot (ernstige) strafbare feiten die niet of niet volledig worden meegewogen in een Bibob-onderzoek, maar wel een gevaar vormen voor de reputatie van de gemeente wanneer de vastgoedtransactie wordt aangegaan.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl