Beleidsregels bijzondere bijstand Eemsdelta 2026

Geldend van 01-01-2026 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels bijzondere bijstand Eemsdelta 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eemsdelta:

gelet op:

- artikel 35 van de Participatiewet;

- de kadernota armoedebeleid Naar een merkbaar en meetbaar verschil!;

- titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht;

overwegende dat:

het wenselijk is om een aantal aspecten met betrekking tot de uitvoering van de bijzondere bijstand in beleidsregels vast te leggen;

besluit vast te stellen:

de Beleidsregels bijzondere bijstand Eemsdelta 2026.

Hoofdstuk 1 Algemeen

Artikel 1 Begripsbepaling

  • 1.

    Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

  • 2.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      aanvraagdatum: de datum waarop de bijzondere bijstand is aangevraagd;

    • b.

      bijstand: algemene en bijzondere bijstand;

    • c.

      bijstandsnorm: de uitkeringsnorm als opgenomen in de artikelen 20 tot en met 24 van de wet waarbij de kostendelersnorm, als bedoeld in artikel 22a van de wet, niet van toepassing is;

    • d.

      college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eemsdelta;

    • e.

      draagkrachtperiode: de periode waarover de draagkracht van de aanvrager wordt vastgesteld;

    • f.

      gezinsleden: familieleden in de eerste en tweede graad, partner, stief- en pleegkinderen en stief- en pleegouders;

    • g.

      inkomen: het inkomen zoals bedoeld in artikel 31, 32 en 33 van de wet, exclusief vakantiegeld;

    • h.

      wet: de Participatiewet;

    • i.

      Wrb: Wet op de rechtsbijstand.

Artikel 2 Algemene bepalingen

  • 1.

    Bijzondere bijstand wordt schriftelijk aangevraagd en voor de aanvraag wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld aanvraagformulier.

  • 2.

    Voor de kosten die in aanmerking komen voor een vergoeding vanuit de bijzondere bijstand gelden onder meer de volgende voorwaarden:

    • a.

      er is geen uitsluitingsgrond van toepassing als opgenomen in artikel 11 t/m 16 van de wet;

    • b.

      de kosten moeten noodzakelijk zijn;

    • c.

      voor zover het algemene kosten betreffen, de belanghebbende kan er niet zelf in voorzien;

    • d.

      de kosten moeten voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden;

    • e.

      de kosten kunnen niet worden voldaan uit de eigen draagkracht.

  • 3.

    Het college sluit aan bij de normbedragen uit de meest actuele prijzengids van het Nibud, tenzij met een lager bedrag in de kosten kan worden voorzien of als voor een bepaalde kostensoort anders is bepaald in deze beleidsregels.

Artikel 3 Moment van aanvragen en de duur van de bijstandsverlening

  • 1.

    De aanvraag voor bijzondere bijstand moet worden ingediend voordat de kosten opkomen.

  • 2.

    In afwijking van lid 1 kan er ook recht op bijzondere bijstand bestaan als:

    • a.

      de aanvraag uiterlijk 3 maanden nadat de kosten zijn opgekomen is ingediend; en

    • b.

      het college de noodzaak van de kosten op het moment van de aanvraag nog kan vaststellen.

  • 3.

    Periodieke bijzondere bijstand wordt toegekend voor de periode van 12 kalendermaanden, tot en met de laatste dag van de 12e maand, tenzij er in de beleidsregels iets anders is bepaald voor een specifieke kostensoort.

Artikel 4 Vorm van de bijzondere bijstand

  • 1.

    Bijzondere bijstand wordt als uitgangspunt om niet verstrekt.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid wordt de bijstand in de vorm van een geldlening verstrekt indien:

    • a.

      redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de aanvrager op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien;

    • b.

      de noodzaak van bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid;

    • c.

      het een betaling van de waarborgsom betreft;

    • d.

      het de betaling van schulden betreft;

    • e.

      het een betaling voor duurzame gebruiksgoederen betreft.

Artikel 5 Aflossing van de geldlening

  • 1.

    Als de bijzondere bijstand als geldlening is verstrekt, bedraagt de aflossing 5 procent van de toepasselijke bijstandsnorm bij een bijstandsuitkering of inkomen gelijk aan het sociaal minimum. Is het inkomen hoger dan het sociaal minimum dan wordt de aflossing vastgesteld op 5 procent van het totale inkomen.

  • 2.

    De hoogte van een eenmaal vastgesteld maandelijks aflossingsbedrag wijzigt bij inkomenswijzigingen en wijzigingen in de leefomstandigheden, waardoor de aanvrager gaat behoren tot een andere categorie, zoals bedoeld in de paragrafen 3.2 en 3.3 van de wet.

  • 3.

    De duur van de aflossing is 60 maanden als de reden van de geldlening is gebaseerd op tekortschietend besef van verantwoordelijkheid of als er bijstand is verstrekt voor schulden. Als de bijzondere bijstand om een andere reden als geldlening is verstrekt, geldt er een aflossingstermijn van maximaal 36 maanden.

  • 4.

    Indien de bijzondere omstandigheden van de aanvrager daartoe aanleiding geven, zal de hoogte van de maandelijkse aflossing en de duur van de aflossing verder worden afgestemd op de specifieke omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de aanvrager.

  • 5.

    Als er correct is voldaan aan de aflossingsverplichting als genoemd in het derde lid en de geldlening niet volledig is voldaan, dan wordt het restant omgezet in bijstand om niet.

Artikel 6 De wijze van betalen

  • 1.

    De bijstand wordt rechtstreeks aan de aanvrager uitbetaald.

  • 2.

    In situaties waarin de aanvrager de kosten niet zelf kan betalen, kan de bijstand met instemming van de aanvrager rechtstreeks aan een derde worden betaald.

  • 3.

    Als er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de aanvrager de bijstand niet verantwoord zal besteden, kan de bijstand rechtstreeks aan een derde worden betaald.

Hoofdstuk 2 Draagkracht en drempelbedrag

Artikel 7 Algemene uitgangspunten

  • 1.

    De draagkracht wordt vastgesteld voor een periode van 12 maanden, beginnend op de eerste dag van de maand waarin de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd, ontstaan.

  • 2.

    Als uitgangspunt wordt de draagkracht niet meer gewijzigd gedurende de draagkrachtperiode.

  • 3.

    In afwijking van het vorige lid wordt de vastgestelde draagkracht herzien of opnieuw berekend over de resterende draagkrachtperiode als:

    • a.

      er een wijziging in de woon- en/of leefsituatie is, waardoor er een andere bijstandsnorm of een andere vermogensgrens op de aanvrager van toepassing is;

    • b.

      er een wijziging in het vermogen plaatsvindt, waardoor het vermogen hoger is dan het bepaalde in artikel 9;

    • c.

      er een structurele wijziging in het inkomen is van minimaal 10%.

  • 4.

    Bij incidentele kosten wordt de vastgestelde draagkracht volledig in mindering gebracht op de te vergoeden kosten.

  • 5.

    Bij periodieke kosten wordt de vastgestelde draagkracht uit inkomen maandelijks in mindering gebracht op de te vergoeden kosten. Als er sprake is van draagkracht uit vermogen dan wordt deze eerst volledig verrekend.

  • 6.

    Het college maakt geen gebruik van de bevoegdheid om een drempelbedrag toe te passen als bedoeld in artikel 35 lid 2 van de wet.

Artikel 8 Draagkracht uit inkomen

  • 1.

    Voor zover het inkomen meer bedraagt dan 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt 50% van dat inkomen in aanmerking genomen als draagkracht.

  • 2.

    De draagkracht uit inkomen wordt, in afwijking van het bepaalde in lid 1, vastgesteld op 100% van het inkomen dat meer bedraagt dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm, als de bijstand betrekking heeft op de volgende kostensoorten:

    • a.

      woonkosten;

    • b.

      detentie;

    • c.

      bewindvoering, curatele en mentorschap.

  • 3.

    Bij wisselende inkomsten wordt in principe uitgegaan van het gemiddelde inkomen van de drie maanden voorafgaand aan de maand waarin de kosten zich voor hebben gedaan, tenzij het gaat om een zelfstandige met wisselende inkomsten. Dan wordt in principe gekeken naar de inkomsten over de periode van een jaar.

  • 4.

    Als de aanvrager is toegelaten tot de wettelijke schuldregeling of deelneemt aan een minnelijk schuldsaneringstraject dat voldoet aan de voorwaarden van de Gedragscode Schuldhulpverlening, dan is er geen draagkracht uit inkomen.

  • 5.

    Als er sprake is van een executoriaal beslag op het inkomen, dan wordt er geen rekening gehouden met dat deel van het inkomen waar beslag op ligt.

  • 6.

    Er is geen draagkracht uit inkomen als de aanvrager door beslag slechts kan beschikken over de beslagvrije voet.

  • 7.

    De studietoeslag wordt meegenomen bij de vaststelling van de hoogte van het inkomen.

Artikel 9 Draagkracht uit vermogen

  • 1.

    Vermogen wordt tot de bedragen als genoemd in artikel 34, derde lid van de wet, vrijgelaten. Voor zover het vermogen meer bedraagt, wordt dit volledig als draagkracht in aanmerking genomen. Daarbij is de vrijlating van artikel 34, tweede lid onder c van de wet niet van toepassing.

  • 2.

    Het vermogen dat is gebonden aan de zelf bewoonde eigen woning wordt niet als draagkracht in aanmerking genomen.

Hoofdstuk 3 Medische kosten

Artikel 10 Algemene uitgangspunten

Voor kosten van medische aard gelden de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg als een voorliggende voorziening die geacht wordt passend en toereikend te zijn. Gelet op artikel 15, eerste lid van de wet bestaat voor deze kosten geen recht op bijzondere bijstand. Dit geldt ook voor het eigen risico, de eigen bijdrage van kosten die maar voor een deel worden vergoed en voor kosten die helemaal niet worden vergoed, omdat dit het gevolg is van een bewuste keuze door de voorliggende voorziening over de noodzaak van het vergoeden van deze kosten.

Hoofdstuk 4 Verhuizing, inrichting en wonen

Artikel 11 Verhuiskosten en aan verhuizing gerelateerde kosten

  • 1.

    Onder verhuiskosten wordt verstaan: de kosten die iemand moet maken om te verhuizen van het ene adres naar het andere adres.

  • 2.

    Onder aan verhuizing gerelateerde kosten wordt verstaan: de kosten die gerelateerd zijn aan de verhuizing zoals opknapkosten (verf en behang), de waarborgsom, de aansluitkosten (gas, water en elektra), de eventuele kosten van dubbele huur en administratiekosten.

  • 3.

    Als uitgangspunt wordt voor deze kosten geen bijzondere bijstand verstrekt. Het gaat om incidenteel algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan waarin iemand geacht wordt zelf te voorzien, hetzij door reservering, hetzij door gespreide betaling achteraf.

  • 4.

    Bijstandsverlening voor deze kosten is daarom alleen mogelijk als er sprake is van bijzondere omstandigheden en de verhuizing niet uitstelbaar is.

  • 5.

    Bij een verhuizing op medische gronden geldt de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 als een voorliggende voorziening.

  • 6.

    De hoogte van de bijzondere bijstand voor de kosten van dubbele huur bedraagt maximaal de huur van de goedkoopste woning voor één volledige maand en de administratiekosten.

  • 7.

    De hoogte van de bijzondere bijstand voor de kosten van de waarborgsom is gelijk aan de waarborgsom van de nieuwe woning onder aftrek van de eventuele waarborgsom van de oude woning.

  • 8.

    Voor zover de waarborgsom van de oude woning niet volledig wordt terugbetaald, bijvoorbeeld omdat de woning niet in de juiste staat is opgeleverd, komt dit voor rekening en risico van de aanvrager.

  • 9.

    Voor de hoogte van de overige kosten sluit het college aan bij de richtprijzen van het Nibud.

  • 10.

    Voor deze kosten geldt niet de vermogensvrijlating als genoemd in artikel 9 van deze beleidsregels.

Artikel 12 Duurzame gebruiksgoederen

  • 1.

    Onder duurzame gebruiksgoederen wordt verstaan: goederen die in nieuwstaat een levensduur hebben van minimaal drie jaar.

  • 2.

    Als uitgangspunt wordt voor deze kosten geen bijzondere bijstand verstrekt. Het gaat om incidenteel algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan waarin iemand geacht wordt zelf te voorzien, hetzij door reservering, hetzij door gespreide betaling achteraf. Bijstandsverlening voor deze kosten is daarom alleen mogelijk als er sprake is van bijzondere omstandigheden en de aanschaf niet uitstelbaar is.

  • 3.

    Bij vervanging van goederen als gevolg van normale slijtage of op grond van esthetische overwegingen is geen sprake van bijzondere omstandigheden.

  • 4.

    Voor de hoogte van de maximaal te verstrekken bijstand sluit het college aan bij de richtprijzen van het Nibud.

  • 5.

    Bij een aanvraag voor (volledige) inrichtingskosten wordt van de aanvrager verwacht dat deze ook goederen tweedehands aanschaft. In die situatie geldt als uitgangspunt een maximale vergoeding van 75% van de Nibud richtprijs.

  • 6.

    De aanvrager dient middels aankoopbewijzen of betaalbewijzen aan te tonen dat de toegekende bijzondere bijstand is besteed aan het doel waarvoor het bestemd is.

  • 7.

    Voor deze kosten geldt niet de vermogensvrijlating als genoemd in artikel 9 van deze beleidsregels.

Artikel 13 Woonkostentoeslag bij een huurwoning

  • 1.

    Als uitgangspunt bestaat voor de betaling van woonkosten geen recht op bijzondere bijstand. De Wet op de huurtoeslag geldt als een voorliggende voorziening.

  • 2.

    Er is wel bijzondere bijstand voor woonkosten mogelijk als de aanvrager in een huurwoning verblijft en er door bijzondere omstandigheden, geen of geen volledig recht op huurtoeslag bestaat. Dit is bijvoorbeeld het geval bij huur over een gebroken maand of als de rekenhuur hoger is dan de maximale huurtoeslaggrens en er sprake is van een onverwachte inkomensdaling.

  • 3.

    Als er bijzondere bijstand wordt verleend voor woonkosten omdat de aanvrager te hoge woonlasten heeft dan wordt aan de verlening van de bijzondere bijstand de verplichting verbonden dat de aanvrager alles in het werk stelt om passende betaalbare woonruimte te vinden. Hierbij wordt in ieder geval verwacht dat de aanvrager:

    • a.

      ingeschreven staat als woningzoekende;

    • b.

      actief reageert op betaalbare woonruimte;

    • c.

      aangeboden passende woonruimte accepteert.

  • 4.

    De woonkostentoeslag wordt toegekend voor de periode van maximaal één jaar.

  • 5.

    Na een half jaar wordt beoordeeld of de aanvrager voldoende heeft gedaan om passende betaalbare woonruimte te krijgen. Wanneer er niet voldoende inspanningen zijn verricht, dan volgt een eenmalige waarschuwing. Bij herhaling van deze gedraging wordt de woonkostentoeslag beëindigd met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de laatste betaling van de woonkostentoeslag heeft plaatsgevonden.

  • 6.

    In afwijking van het bepaalde in het vierde lid, wordt de bijzondere bijstand voor de woonkosten verlengd voor een periode van zes maanden als er wel voldoende inspanningen zijn verricht, maar er geen andere woonruimte is gevonden. Dit kan vervolgens worden herhaald zolang er voldoende inspanningen worden verricht, maar de aanvrager er niet in slaagt passende betaalbare woonruimte te vinden.

  • 7.

    De hoogte van de bijzondere bijstand voor de woonkostentoeslag wordt berekend volgens de systematiek van de Wet op de huurtoeslag, uitgaande van de rekenhuur volgens de maximale huurtoeslaggrens. Voor de meerkosten van de huur boven de maximale huurtoeslaggrens wordt eveneens bijzondere bijstand toegekend.

Artikel 14 Woonkostentoeslag bij een koopwoning

  • 1.

    Het college verleent bijzondere bijstand voor woonkosten als de eigenaar van een door hemzelf bewoonde woning woonkosten heeft die hoger zijn dan de van toepassing zijnde basishuur op grond van de Wet op de huurtoeslag.

  • 2.

    Tot de woonkosten worden o.a. gerekend:

    • a.

      rente (meestal hypotheekrente) die betaald moet worden voor de lening die bestemd is voor de door de inwoner zelf bewoonde eigen woning (hypotheekrente voor aanschaf van bijvoorbeeld een auto of caravan, telt niet mee. Dit geldt ook voor de aflossing en betaling van premies voor zogenaamde spaarhypotheken);

    • b.

      rioolheffing;

    • c.

      afvalstoffenheffing (alleen het vaste tarief);

    • d.

      eigenaarsgedeelte onroerende zaakbelasting (OZB);

    • e.

      de premie voor de opstalverzekering;

    • f.

      de eventuele erfpachtcanon;

    • g.

      waterschapslasten (alleen de “watersysteemheffing gebouwd”);

    • h.

      eventuele servicekosten;

    • i.

      bedrag voor onderhoud.

  • 3.

    De hoogte van de woonkostentoeslag wordt berekend volgens de systematiek van de Wet op de huurtoeslag onder aftrek van de belastingteruggave voor de hypotheekrenteaftrek en de draagkracht.

  • 4.

    Als de totale woonkosten van de aanvrager, na aftrek van de belastingteruggave voor de hypotheekrenteaftrek, hoger zijn dan de maximale huurtoeslaggrens, dan wordt aan de verlening van de bijzondere bijstand de verplichting verbonden dat de aanvrager de woning verkoopt en aantoonbaar actief op zoek gaat naar woonruimte die zonder de ontvangst van woonkostentoeslag door de aanvrager te betalen is.

    Hierbij wordt in ieder geval verwacht dat de aanvrager:

    • a.

      de eigen woning voor een reële vraagprijs te koop aanbiedt (hierbij geldt de WOZ waarde als uitgangspunt);

    • b.

      ingeschreven staat als woningzoekende;

    • c.

      actief reageert op betaalbare woonruimte;

    • d.

      aangeboden passende woonruimte accepteert.

  • 5.

    In de situatie als bedoeld in lid 4 wordt de woonkostentoeslag toegekend voor de periode van maximaal één jaar.

  • 6.

    Na een half jaar wordt beoordeeld of de aanvrager voldoende inspanning heeft verricht om de woning te verkopen en om andere woonruimte te verkrijgen. Wanneer er niet voldoende inspanningen zijn verricht, dan volgt een eenmalige waarschuwing. Bij herhaling van deze gedraging wordt de woonkostentoeslag beëindigd met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de laatste betaling van de woonkostentoeslag heeft plaatsgevonden.

  • 7.

    In afwijking van het bepaalde in het vijfde lid, wordt de bijzondere bijstand voor de woonkosten verlengd voor een periode van zes maanden als er wel voldoende inspanningen zijn verricht, maar de woning nog niet is verkocht en er geen andere woonruimte is gevonden. Dit kan vervolgens worden herhaald zolang de aanvrager voldoende inspanningen verricht, maar er niet in slaagt om betaalbare woonruimte te vinden.

Artikel 15 Doorbetaling vaste lasten

  • 1.

    Bij opname in een inrichting kan bijzondere bijstand voor de vaste lasten van de aan te houden woning verstrekt worden als het plan is om binnen één jaar terug te keren naar de woning en er geen andere meerderjarige het hoofverblijf heeft in de woning.

  • 2.

    De bijzondere bijstand wordt als uitgangspunt toegekend voor maximaal negen maanden en gaat niet eerder in dan drie maanden na de dag dat iemand is opgenomen. Alleen als er sprake is van bijzondere omstandigheden kan deze periode verlengd worden.

  • 3.

    De bijzondere bijstand wordt in ieder geval beëindigd als de woonplaats van de aanvrager wijzigt.

  • 4.

    Ten aanzien van lid 1 wordt, in afwijking van het bepaalde in artikel 9 van deze beleidsregel, het vermogen dat meer is dan 50% van de bedragen als genoemd in artikel 34, derde lid van de wet volledig als draagkracht in aanmerking genomen.

  • 5.

    Bij verblijf in detentie in Nederland kan er bijzondere bijstand voor de vaste lasten van de aan te houden woning verstrekt worden wanneer de gedetineerde naar verwachting binnen zes maanden terugkeert naar zijn woning. Bijzondere bijstand is alleen mogelijk voor zover belanghebbende niet zelf in staat is om in deze kosten te voorzien.

  • 6.

    Ten aanzien van lid 5 geldt dat, in afwijking van het bepaalde in artikel 8 en 9 van deze beleidsregels, alle middelen als draagkracht in aanmerking worden genomen.

Hoofdstuk 5 Reiskosten

Artikel 16 Algemene voorwaarden

  • 1.

    Reiskosten behoren tot de algemene noodzakelijke kosten van het bestaan. De inwoner wordt geacht deze kosten uit het inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm te kunnen bekostigen. Om die reden bestaat voor deze kosten als uitgangspunt geen recht op bijzondere bijstand. Alleen als er sprake is van noodzakelijke reiskosten als gevolg van bijzondere omstandigheden, kan er recht op bijzondere bijstand bestaan.

  • 2.

    Wanneer de enkele reisafstand niet meer dan 10 kilometer is, komen de reiskosten in principe niet voor vergoeding in aanmerking. Dit geldt ook voor de reisafstand van de woning van de aanvrager naar het bus– of treinstation als er wordt gereisd met het openbaar vervoer.

  • 3.

    Voor vergoeding van de reiskosten wordt uitgegaan van de goedkoopste wijze van reizen met het openbaar vervoer. Alleen als het openbaar vervoer geen redelijk alternatief is of het reizen met eigen vervoer goedkoper is, kan er ook bijstand verstrekt worden in de vorm van een kilometervergoeding en voor de eventuele parkeerkosten.

  • 4.

    Voor de vaststelling van de hoogte van de kilometervergoeding wordt aansluiting gezocht bij de maximale onbelaste reiskostenvergoeding, zoals deze door de belastingdienst wordt gehanteerd. Voor het berekenen van de route wordt gebruik gemaakt van de kortste route van de ANWB-routeplanner.

  • 5.

    Voor inwoners die in aanmerking komen voor een vervoerspas (Meedoen Pas) geldt dat, als de vervoerspas (gedeeltelijk) kan worden gebruikt, er geen of slechts aanvullend recht op bijzondere bijstand voor reiskosten bestaat.

  • 6.

    Reiskosten buiten Nederland komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking.

Artikel 17 Bezoek aan gezinslid in een instelling

  • 1.

    Voor het bezoeken van een gezinslid in een instelling vergoedt het college als uitgangspunt maximaal 3 keer per week de reiskosten.

  • 2.

    Alleen als er sprake is van zeer ernstige omstandigheden kan van dit aantal worden afgeweken (bijvoorbeeld als de patiënt terminaal is of op de intensive care ligt).

Artikel 18 Reiskosten in verband met medische behandeling

  • 1.

    Het college verleent bijzondere bijstand voor de reiskosten in verband met een medische behandeling/afspraak als:

    • a.

      de reiskosten niet vergoed worden vanuit de (aanvullende) zorgverzekering; en

    • b.

      de afspraak of behandeling niet op een locatie dichterbij kan plaatsvinden.

  • 2.

    Als er naar het oordeel van het college voldoende aanleiding bestaat, kan de aanvrager verplicht worden een beroep te doen op de hardheidsclausule van de zorgverzekeraar.

Artikel 19 Bezoek aan gezinslid in detentie

  • 1.

    De reiskosten voor bezoek aan een in Nederland gedetineerd gezinslid wordt voor maximaal 3 keer per week vergoed.

  • 2.

    Deze vergoeding geldt niet als de gedetineerde recht heeft op (weekend) verlof.

Artikel 20 Woon-werk verkeer

  • 1.

    Als uitgangspunt bestaat er geen recht op bijzondere bijstand voor de reiskosten woon- werkverkeer.

  • 2.

    Als uitzondering op het eerste lid kan er wel recht op bijzondere bijstand voor de reiskosten woon- werkverkeer bestaan als:

    • a.

      de werkgever de reiskosten niet vergoed en de betreffende cao geen reiskostenvergoeding voorschrijft;

    • b.

      de aanvrager geen recht heeft op een vergoeding via het uitvoeringsbesluit re-integratie; en

    • c.

      de aanvrager door de reiskosten onder de voor hem van toepassing zijnde bijstandsnorm komt.

Hoofdstuk 6 Juridische kosten

Artikel 21 Kosten rechtsbijstand

  • 1.

    Kosten van rechtsbijstand zijn alle kosten die bij het voeren van een procedure voor rekening van de inwoner komen, zoals:

    • griffierecht;

    • eigen bijdrage rechtshulp;

    • overige proceskosten (bijvoorbeeld kosten dagvaarding).

  • 2.

    Voor de advocaatkosten geldt de Wrb als een voorliggende voorziening.

  • 3.

    De Wrb heeft geen betrekking op de betaling van het griffierecht. Bovendien kent de Wrb een eigen bijdrage. Beide kostensoorten komen in aanmerking voor bijzondere bijstand.

  • 4.

    Wanneer de aanvrager niet eerst rechtshulp vraagt aan het Juridisch Loket en als gevolg daarvan wordt geconfronteerd met een hogere eigen bijdrage, dan zijn de kosten waarmee de eigen bijdrage zou zijn verlaagd als de aanvrager rechtshulp had gevraagd aan het Juridisch Loket geen noodzakelijke kosten.

  • 5.

    Voor vergoeding van proceskosten aan de tegenpartij bestaat geen recht op bijzondere bijstand.

Artikel 22 Kosten bewindvoering, curatele en mentorschap

  • 1.

    Voor de kosten van een door de kantonrechter ingesteld beschermingsbewind, mentorschap of onder curatelestelling is bijzondere bijstand mogelijk.

  • 2.

    Wanneer de aanvraag voor de kosten van bewindvoering, curatele of mentorschap niet binnen de termijn van drie maanden nadat de kosten opkomen wordt ingediend, wordt:

    • a.

      de aanvraag voor eenmalige kosten afgewezen in verband met het niet tijdig aanvragen; en

    • b.

      de bijstand voor de periodieke kosten niet eerder toegekend dan met ingang van de datum gelegen één maand voor de datum van aanvraag.

  • 3.

    Voor de verstrekking van de bijzondere bijstand sluit het college aan bij de beschikking van de kantonrechter. Uit de beschikking blijkt welke bewindvoerder, mentor of curator is benoemd en voor welke werkzaamheden er kosten in rekening mogen worden gebracht.

  • 4.

    Er wordt niet meer bijzondere bijstand verstrekt dan de bewindvoerder in rekening brengt tot het maximale bedrag, zoals dat is genoemd in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.

  • 5.

    Tevens bestaat er recht op bijzondere bijstand voor de kosten van een beheerrekening.

  • 6.

    Het college kan de bewindvoerder, curator en/of mentor verzoeken om het plan van aanpak in te leveren, dat ook bij het verzoekschrift aan de rechtbank is overgelegd.

  • 7.

    Het college verstrekt in ieder geval geen bijzondere bijstand voor de kosten van:

    • a.

      bewindvoering in het kader van de wettelijke schuldsanering natuurlijke personen;

    • b.

      beheer van een persoonsgebonden budget als de aanvrager de zorg ook in natura kan ontvangen;

    • c.

      griffierecht en intakekosten als er sprake is van wisseling van bewindvoerder, mentor en/of curator en er geen noodzaak was tot deze wisseling.

Artikel 23 Duur toekenning bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering, curatele en mentorschap

Het college kent de bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering, curatele en mentorschap voor de duur die door de kantonrechter is vastgesteld bij de aanvang van het bewind, curatele en mentorschap. Het recht op bijzondere bijstand kan jaarlijks opnieuw worden beoordeeld.

Hoofdstuk 7 Bijzondere bijstand voor jongeren

Artikel 24 Hoogte bijzondere bijstand 18 t/m 20-jarigen in een inrichting

  • 1.

    De jongere van 18 tot en met 20 jaar die in een inrichting verblijft is op grond van artikel 13, lid 2 onder a van de wet, uitgesloten van het recht op algemene bijstand. Aan de jongere die in een inrichting verblijft en geen beroep kan doen op de onderhoudsplicht jegens zijn ouders, kan bijzondere bijstand worden verleend. Deze bijstand kan worden verhaald op de ouders.

  • 2.

    De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de norm die geldt voor een alleenstaande van 21 jaar of ouder als vermeld in artikel 23 lid 1 en 2 van de wet.

Hoofdstuk 8 Overige kosten

Artikel 25 Overbruggingsuitkering

  • 1.

    Als een inwoner bij het indienen van een aanvraag om een uitkering voor levensonderhoud niet over voldoende middelen beschikt om de periode van datum toekenning tot de eerste volledige uitbetaling van de uitkering zelf te overbruggen, kan er recht op een overbruggingsuitkering bestaan.

  • Hiervan kan sprake zijn in de volgende situaties:

    • a.

      eerste aanvraag van statushouders;

    • b.

      bij een plotselinge verlating waarbij de aanvrager onvoorzien achterblijft zonder financiële middelen;

    • c.

      na ontslag uit detentie of verlaten van een inrichting.

  • 2.

    Voor de beoordeling van de hoogte van de overbruggingstoeslag geldt de bijstandsnorm over de periode die overbrugt dient te worden onder aftrek van de eigen middelen waarbij de bepalingen uit artikel 8 en 9 van deze beleidsregels niet van toepassing zijn.

  • 3.

    Als er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan de bijstand als geldlening worden verstrekt.

Artikel 26 Verblijfsvergunning en naturalisatie

  • 1.

    Er is geen bijzondere bijstand mogelijk voor legeskosten verbonden aan het voor de eerste keer aanvragen van een verblijfsvergunning. Om recht te hebben op (bijzondere) bijstand moet de belanghebbende Nederlander of een aan een Nederlander gelijkgestelde zijn (artikel 11 Participatiewet). Dit geldt ook voor minderjarige kinderen. Voor de kosten verbonden aan het verlengen of wijzigen van een verblijfsvergunning is eveneens geen bijzondere bijstand mogelijk.

  • 2.

    De (leges en reis)kosten van naturalisatie zijn geen noodzakelijke kosten in de zin van de bijzondere bijstand. Voor iemand die een verblijfsvergunning heeft is het niet noodzakelijk om de Nederlandse nationaliteit te verwerven om zijn verblijfsrecht of bestaanszekerheid te garanderen. Voor deze kosten wordt geen bijzondere bijstand verstrekt.

Artikel 27 Uitvaartkosten

  • 1.

    De kosten van een uitvaart behoren niet tot de kosten van de overledene, maar komen ten laste van de nalatenschap. Is de nalatenschap niet toereikend, dan kunnen de erfgenamen, ieder voor hun eigen aandeel, bijzondere bijstand aanvragen. Er kan niet meer bijstand worden verstrekt dan het verplichte aandeel van de erfgenaam in de totale kosten.

  • 2.

    Als er sprake is van een nalatenschap waar de aanvrager ten tijde dat de factuur betaald moet worden, nog niet over kan beschikken, kan het college bijzondere bijstand verstrekken ter overbrugging van die periode. Dit betekent dat de bijstand, zodra de aanvrager alsnog de beschikking krijgt over de nalatenschap, teruggevorderd zal worden.

  • 3.

    Recht op bijzondere bijstand voor uitvaartkosten bestaat als:

    • a.

      gebleken is dat de erflater geen (dekkende) uitvaartverzekering heeft afgesloten of anderszins een voorziening heeft getroffen;

    • b.

      de nalatenschap niet toereikend is voor de betaling van de uitvaartkosten;

    • c.

      de aanvrager erfgenaam is of als onderhoudsplichtige op grond van de Wet op de lijkbezorging is aangesproken;

    • d.

      de draagkracht van de aanvrager niet voldoende is voor de betaling van zijn aandeel in de uitvaartkosten (waarbij de vrijlating van het vermogen als bepaald in artikel 9 van deze beleidsregels niet van toepassing is);

    • e.

      de aanvrager de erfenis niet heeft verworpen; en

    • f.

      de noodzakelijke kosten niet hoger zijn dan de uitvaartkosten als genoemd in de prijslijst van het Nibud.

Hoofdstuk 9 Slotbepalingen

Artikel 28 Hardheidsclausule

Op grond van artikel 4:84 Awb kan het college bij bijzondere omstandigheden afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels indien strikte toepassing zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard.

Artikel 29 Inwerkingtreding en overgang

  • 1.

    Deze beleidsregels treden in werking met ingang van 1 januari 2026.

  • 2.

    Aanvragen die voor inwerkingtreding van de nieuwe beleidsregels zijn ingediend worden afgehandeld op grond van de beleidsregels die voor de inwoner het meest gunstig zijn.

  • 3.

    Als voor reeds toegekende periodieke bijzondere bijstand blijkt dat toepassing van de nieuwe regels gunstiger is, dan zullen de nieuwe regels met terugwerkende kracht worden toegepast.

Artikel 30 Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als: “Beleidsregels bijzondere bijstand Eemsdelta 2026”.

Ondertekening

Burgemeester en Wethouders van Eemsdelta,

B. Visser

Burgemeester

K. van der Wal

Secretaris