Beleidsregels gemeentelijke taken uitvoering Wet kinderopvang gemeente Huizen, 2026

Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 01-02-2026

Intitulé

Beleidsregels gemeentelijke taken uitvoering Wet kinderopvang gemeente Huizen, 2026

1. Besluit, toepassing, citeertitel beleidsregels en definities

1.1 Besluit

Burgemeester en wethouders van de gemeente Huizen

Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

Gelet op de artikelen 1.61 lid 1, 1.65 lid 1 en 4, 1.66 en 1.72 lid 1 Wet kinderopvang.

Besluiten

De Beleidsregels gemeentelijke taken uitvoering Wet kinderopvang gemeente Huizen, 2026 vast te stellen. Met de inwerkingtreding van deze beleidsregel worden de ‘Beleidsregels gemeentelijke taken uitvoering Wet kinderopvang gemeente Huizen, 2020’

ingetrokken.

1.2 Citeertitel van de beleidsregels

Deze beleidsregels worden aangehaald als ‘Beleidsregels gemeentelijke taken uitvoering Wet kinderopvang gemeente Huizen, 2026’ en treden in werking op 1 februari 2026.

1.3 Toepassing van de beleidsregels

Deze beleidsregels zijn van toepassing in de gemeente Huizen op voorzieningen voor kinderopvang:

  • ▪︎

    kinderdagverblijven (met en zonder voorschoolse educatie);

  • ▪︎

    buitenschoolse opvang;

  • ▪︎

    gastouders;

  • ▪︎

    gastouderbureaus.

1.4 De inhoud van deze beleidsregels

Deze beleidsregels gaan in op de verschillende rollen, taken en verantwoordelijkheden als het gaat om toezicht en handhaving kinderopvang in de gemeente vanuit de wettelijke basis (hoofdstuk 2). Daarbij wordt ook aandacht besteed aan de visie van de gemeente (hoofdstuk 3). Daarna wordt ingegaan op de uitvoering van het toezicht (hoofdstuk 4), het starten van een nieuwe voorziening voor kinderopvang (hoofdstuk 5), het doorgeven van wijzigingen (hoofdstuk 6). Tot slot wordt ingegaan op de handhaving door de gemeente (hoofdstuk 7 en 8).

1.5 Begrippen

Hieronder zijn de definities van de belangrijkste in deze beleidsregels voorkomende termen opgenomen. Voor alle (overige) definities wordt aangesloten bij de definities zoals deze zijn gegeven in de Wet Kinderopvang en onderliggende regelgeving.

Begrip

Wat het college daaronder verstaat

Awb

Algemene wet bestuursrecht.

College

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Huizen.

Gemeente

Gemeente Huizen.

GGD

Regionale gemeentelijke gezondheidsdienst, voor Huizen is dit GGD Gooi en Vechtstreek.

GGD GHOR Nederland

Landelijke vereniging van en voor alle GGD-en.

Houder

De aanbieder van kinderopvang. In de Wet kinderopvang is de wettelijke definitie opgenomen.

Inspectieonderzoek

Een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62, eerste lid Wet kinderopvang.

LRK

Landelijk Register Kinderopvang.

Toezichthouder

De aangewezen toezichthouder van de GGD. De toezichthouder kinderopvang onderzoekt de naleving van de kwaliteitseisen en legt de bevindingen vast in een inspectierapport.

VNG

Vereniging van en voor Nederlandse gemeenten.

2. De wettelijke basis voor de kwaliteit van kinderopvang

2.1 De rijksoverheid heeft kwaliteitseisen vastgesteld

Om de kwaliteit in de kinderopvang te waarborgen heeft de rijksoverheid kwaliteitseisen vastgesteld waar kinderopvangorganisaties zich aan moeten houden. Bijvoorbeeld eisen aan het pedagogisch klimaat (ook in de voorschoolse educatie), personeel en groepen, veiligheid en gezondheid, accommodatie en inrichting en de omgang met ouders. Daarnaast zijn er eisen gesteld aan de administratie van een kinderopvangvoorziening. Deze kwaliteitseisen zijn vastgelegd in de Wet kinderopvang. Daarnaast zijn deze kwaliteitseisen verder uitgewerkt in nadere regelgeving:

  • ▪︎

    Besluit kwaliteit kinderopvang;

  • ▪︎

    Regeling Wet kinderopvang;

  • ▪︎

    Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang;

  • ▪︎

    Regeling kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorziening voor gastouderopvang;

  • ▪︎

    Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie;

  • ▪︎

    Besluit landelijk register kinderopvang, register buitenlandse kinderopvang en personenregister kinderopvang.

Direct vanaf de start van een opvanglocatie moet aan deze kwaliteitseisen worden voldaan.

Ook stelt de wet eisen aan de manier waarop de toestemming tot exploitatie, registratie van voorzieningen, wijzigingen in deze registratie, het toezicht en de handhaving plaatsvindt.

2.2 De GGD is de toezichthouder kinderopvang

De GGD is de aangewezen toezichthouder voor kinderopvang. De toezichthouder doet onderzoek naar de kwaliteit en beoordeelt of kindercentra, gastouderbureaus, voorzieningen voor gastouderopvang, houders en gastouders aan de eisen voldoen. Zie ook hoofdstuk 4.

2.3 De gemeente geeft toestemming voor exploitatie, heeft administratieve taken en is verantwoordelijk voor de handhaving kinderopvang

De gemeente is verantwoordelijk voor de uitvoering van een aantal wettelijke taken met betrekking tot kinderopvang. Het gaat om het geven of intrekken van toestemming voor exploitatie, de administratie van registratie en wijzigingen, en het toezicht op en de handhaving van de kwaliteit. De gemeente kan binnen de wettelijke kaders haar taken invullen.

2.4 De taken en bevoegdheden van de gemeente zijn vastgelegd in deze beleidsregels

De procedure bij aanvragen en wijzigingen van locaties is vastgelegd in deze beleidsregels. De gemeente is in beginsel verplicht te handhaven wanneer de toezichthouder een overtreding van de kwaliteitseisen heeft vastgesteld. Deze beleidsregels beschrijven ook hoe de gemeente haar bevoegdheid gebruikt om te handhaven.

3. Visie op kinderopvang en handhaving

3.1 Het belang van goede kinderopvang en het waarborgen daarvan

Kinderopvang heeft een belangrijke plaats in onze samenleving. Kwalitatief goede kinderopvang draagt bij aan een goede start voor kinderen in de maatschappij en draagt bij aan een goede ontwikkeling en aan het welbevinden van kinderen. Daarnaast is arbeidsparticipatie een belangrijk doel van kinderopvang. Hierop wordt in deze beleidsregels niet verder ingegaan.

In de kinderopvang moeten kinderen zich veilig voelen en de ruimte krijgen om zich te ontwikkelen (denk aan sociale emotionele-, cognitieve- en taalontwikkeling). Het gaat daarbij om een brede ontwikkeling met aandacht voor sociale activiteiten zoals samen spelen, samenwerken en leren van en met elkaar. Zo draagt kinderopvang bij aan een goede start voor kinderen in het basisonderwijs en de samenleving. Dit volgt ook uit één van de doelen die de wetgever heeft gesteld bij het opstellen van de Wet kinderopvang: Het bevorderen van de ontwikkeling van kinderen.

De houder van een kinderopvangvoorziening is verantwoordelijk voor het leveren van kwalitatief goede kinderopvang. Het is belangrijk dat direct, vanaf de start van een opvanglocatie, verantwoorde en kwalitatief goede kinderopvang wordt aangeboden. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat ze hun kind in een veilige en gezonde, stimulerende en vertrouwde omgeving achterlaten. In het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) staan alle organisaties die toestemming hebben gekregen om kinderopvang aan te bieden. In het register staan de contactgegevens van de organisaties, de onderzoeksrapporten van de toezichthouder en de handhavingsmaatregelen die de gemeente heeft genomen.

3.2 De gemeente stimuleert en waarborgt kwaliteit

De eerste jaren van een kind hebben grote invloed op de latere ontwikkeling. Het aanbieden van verantwoorde kinderopvang in een gezonde en veilige omgeving is daarom belangrijk. Voorzieningen voor jonge kinderen leveren daaraan een belangrijke bijdrage, naast het verminderen van achterstanden en het bevorderen van gelijke kansen. Goede kwaliteit is daarbij een essentiële factor. Daarom wil de gemeente dat kinderen toegang hebben tot kwalitatief goede kinderopvang waarin zij zich optimaal kunnen ontwikkelen.

De gemeente ziet het ook als zijn rol houders te stimuleren de kwaliteit van de geboden opvang daar waar mogelijk te verbeteren en de kwaliteit en veiligheid van kinderopvang te waarborgen. De gemeente vertrouwt erop dat houders zich uit eigen beweging houden aan alle kwaliteitseisen zoals vastgelegd in wet- en regelgeving. De gemeente spreekt kinderopvanghouders aan op hun eigen verantwoordelijkheid en gaat met hen in gesprek over (lokale) ontwikkelingen en signalen. Wanneer geconstateerd wordt dat een kwaliteitseis niet nageleefd wordt, grijpt de gemeente actief in met een handhavingsmaatregel. De maatregel is gericht op structureel herstel. Feiten en omstandigheden waaronder de overtreding is begaan worden meegewogen bij de keuze voor een handhavingsmaatregel. Dit betekent het toepassen van een handhavingsinstrument dat erop gericht is om de overtreding op te heffen en er tevens aan bijdraagt dat de tekortkomingen structureel opgelost blijven. Indien van toepassing, bijvoorbeeld bij overtredingen die een grote impact hebben op de kwaliteit van de kinderopvang, kan de gemeente een bestuurlijke boete opleggen.

De gemeente hecht er waarde aan om de overwegingen van de houder goed te begrijpen. Dit draagt bij aan een zorgvuldige afweging bij de handhaving en maakt het mogelijk om gericht in te zetten op structureel herstel en het bevorderen van kwalitatief hoogwaardige kinderopvang. In het handhavingstraject is er dan ook op verschillende momenten ruimte voor het kenbaar maken van de zienswijze door de houder en/of het voeren van een gesprek tussen de gemeente en de houder. Wanneer de gemeente een boete oplegt, gaat daar altijd een gesprek met de houder aan vooraf.

3.3 De gemeente stemt landelijk af

Het gemeentelijk beleid over kinderopvang sluit aan op de landelijke visie over toezicht en handhaving kinderopvang. De gemeente kiest hier bewust voor, met het oog op uniformiteit in de landelijke werkwijze. Deze beleidsregels sluiten dan ook grotendeels aan bij het format van de VNG. Een belangrijke uitzondering daarop is de hoogte van de last onder dwangsommen en boetes. Deze zijn gedeeltelijk lager dan de landelijke richtlijnen. Gemeente Huizen vindt dat een boete (of het verbeuren van een dwangsom) een prikkel moet zijn om een ernstige overtreding niet opnieuw te begaan of op te lossen. Bij het bepalen van de hoogte van de boetes en dwangsommen is meegewogen dat het betalen van een geldsom ook een negatieve impact kan hebben op de kwaliteit van kinderopvang.

3.4 De gemeente stemt regionaal af

De ambities op het gebied van kinderopvang binnen de gemeente Huizen worden breed gedragen door de regiogemeenten in de Gooi en Vechtstreek. Zij hechten gezamenlijk belang aan een eenduidig handhavingsbeleid binnen de regio. Deze beleidsregels zijn dan ook inhoudelijk in samenwerking opgesteld met alle gemeenten in de regio Gooi en Vechtstreek. Wanneer een houder locaties heeft in meerdere gemeenten, stemmen de betrokken gemeenten, waar nodig, ook onderling af over handhavingstrajecten.

4. De GGD voert het toezicht op de kinderopvang uit

4.1 Toezicht op de kinderopvang waarborgt de kwaliteit

Toezicht op de kwaliteitseisen waarborgt dat de kinderopvang voor alle kinderen verantwoord en veilig is. Ook heeft toezicht een belangrijke functie in het scheppen van vertrouwen voor goede en veilige opvang van kinderen. Daarnaast levert toezicht een belangrijke impuls tot kwaliteitsbewaking in de kinderopvang.

In het huidige toezicht ligt, meer dan voorheen, nadruk op de dialoog tussen houder en toezichthouder. Bij het ontstaan van overtredingen kunnen specifieke omstandigheden een rol spelen. Relevante omstandigheden blijken uit het rapport van de toezichthouder.

De GGD Gooi en Vechtstreek voert het toezicht uit op basis van de wettelijke kwaliteitseisen en de landelijke visie op toezicht kinderopvang. Informatie over de landelijke visie en werkwijze is te vinden op de website van GGD GHOR Nederland. Meer informatie over de werkwijze van GGD Gooi en Vechtstreek is te vinden op de website van Regio Gooi en Vechtstreek. Vanuit de visie en landelijke werkwijze volgt dat het toezicht risico gestuurd plaatsvindt. Daarbij richt het toezicht zich op kwaliteitsbevordering: De toezichthouder stimuleert houders en medewerkers om na te denken over hun kwaliteit en moedigt ze aan de kwaliteit te verbeteren.

De gemeente stemt minimaal jaarlijks met de GGD Gooi en Vechtstreek af hoe het toezicht in de regio Gooi en Vechtstreek wordt uitgevoerd. Daarbij wordt aandacht besteed aan hoe het toezicht in de basis wordt ingericht en waar dat jaar extra op wordt ingegaan bij de uitvoering van het toezicht.

4.2 De GGD voert onderzoeken uit bij voorzieningen

De toezichthouder beoordeelt in een onderzoek de kwaliteit op locatie, maakt hiervan een rapport en adviseert daarin aan de gemeente over de handhaving. Dit is van toepassing op alle soorten voorzieningen voor kinderopvang en gastouderopvang.

De toezichthouder voert diverse onderzoeken uit, namelijk:

  • ▪︎

    onderzoeken voor registratie

  • ▪︎

    onderzoeken na registratie

  • ▪︎

    reguliere jaarlijkse inspectieonderzoeken

  • ▪︎

    incidentele onderzoeken

  • ▪︎

    nader onderzoek (na geconstateerde overtreding(en))

Minimaal 1 keer per jaar bezoekt de toezichthouder onaangekondigd ieder gastouderbureau, kinderdagverblijf en buitenschoolse opvang. Daarnaast bezoekt de toezichthouder ook jaarlijks ten minste 50% van de geregistreerde voorzieningen voor gastouderopvang, waarbij iedere locatie ten minste eens per 3 jaar bezocht wordt.

4.3 De GGD kan een herstelaanbod doen binnen een onderzoek

Bij overtredingen kan de toezichthouder, onder bepaalde voorwaarden, de houder al tijdens de onderzoeksperiode de gelegenheid geven aan te tonen hoe een tekortkoming wordt opgelost. Dit wordt aangeduid als een herstelaanbod. Het uitgangspunt voor de toezichthouder bij het aanbieden van herstelaanbod is altijd of dit naar verwachting leidt tot structureel blijvend herstel. Een herstelaanbod is een aanbod van de toezichthouder dat de houder kan aanvaarden. Binnen de door de toezichthouder gestelde tijd moeten maatregelen worden genomen. De afweging of een houder een herstelaanbod krijgt en welke termijn daarvoor geldt ligt bij de toezichthouder. Daarmee is een herstelaanbod ook geen vooraf vaststaand recht. Gemeente en GGD kunnen afspraken maken over specifieke voorwaarden die niet in aanmerking komen voor herstelaanbod.

Als de toezichthouder een herstelaanbod doet, volgt hij de uitvoering daarvan op en beschrijft het verloop in het onderzoeksrapport. De toezichthouder bespreekt verbetermaatregelen met de houder en legt de nodige afspraken vast. Na afloop van de afgesproken periode beoordeelt de toezichthouder of een overtreding structureel is opgeheven. De toezichthouder beschrijft in het rapport de overtreding én of het herstelaanbod op tijd is nagekomen. Na afloop van de onderzoeksperiode geeft de toezichthouder een advies aan de gemeente. De gemeente wijkt af van dit advies als deze beleidsregels dat voorschrijven.

4.4 De GGD kan een schriftelijk bevel afgeven

Als de kwaliteit van de kinderopvang zo ernstig tekortschiet dat de (emotionele) veiligheid en/of gezondheid van de kinderen direct in het geding komt, heeft de toezichthouder de mogelijkheid om zelf in te grijpen. Dit gebeurt met een schriftelijk bevel. Dit doet de toezichthouder in ernstige gevallen, als het nemen van maatregelen geen uitstel kan lijden. Het bevel heeft een geldigheidsduur van 7 dagen. In het bevel geeft de toezichthouder aan wat de overtreding(en) is/zijn, welke actie de houder moet nemen en binnen welke termijn de houder dit moet doen.

In het geval dat de toezichthouder een schriftelijk bevel heeft opgelegd en de overtreding(en) zijn naar het oordeel van de toezichthouder niet of onvoldoende hersteld, dan verlengt de gemeente het bevel met minimaal 7 dagen en zolang de houder nodig heeft om de overtreding(en), naar het oordeel van de toezichthouder, structureel te herstellen.

4.5 Iedereen kan signalen melden bij de GGD

De gemeente vindt veilige en verantwoorde kinderopvang van groot belang. Met toezicht hierop door de GGD geeft Huizen hier invulling aan. Echter, er kunnen ook signalen en situaties zijn die de toezichthouder in het toezicht niet direct constateert, maar ouders, beroepskrachten en andere betrokkenen wel. Zowel de gemeente als de GGD roepen iedereen die een zorg, melding of signaal heeft over de kinderopvang deze met de GGD te delen. Dit kan bij GGD Gooi en Vechtstreek. Contactgegevens zijn te vinden op de website van de GGD Gooi en Vechtstreek.

Met signaal-gestuurd-toezicht reageert de toezichthouder op signalen uit de samenleving. Meldingen en klachten over incidenten, misstanden en terugkerende tekortkomingen zijn voor het toezicht een belangrijke bron van informatie. Ze kunnen een signaal zijn dat ergens sprake is van onveilige of kwalitatief niet goede kinderopvang. De gemeente en de GGD volgen de landelijke richtlijnen met betrekking tot de melding, registratie en afhandeling van signalen.

Ook informatie van de gemeente, politie of Dienst Toeslagen kan voor de toezichthouder belangrijk zijn. Na elk signaal wordt bepaald welke actie nodig is, bijvoorbeeld een extra onderzoek of extra aandacht aan de aard van het signaal tijdens een jaarlijks onderzoek.

5. Starten van een kinderopvangvoorziening: voldoen vanaf de start

5.1 De houder moet een aanvraag voor toestemming tot exploitatie doen

Voordat een kinderopvangvoorziening daadwerkelijk kinderen mag opvangen of een gastouderbureau met haar werkzaamheden mag starten is toestemming nodig van de gemeente. Voor wijzigingen in de registratie kan aanvullende toestemming nodig zijn.

Een kinderopvangvoorziening mag pas starten met haar werkzaamheden als zij daarvoor toestemming heeft gekregen van de gemeente. Deze toestemming staat in een brief (een besluit). Daarin staat ook de datum waarop de voorziening mag starten. Het aanvragen hiervan kan met een door de rijksoverheid vastgesteld aanvraagformulier. Deze is te vinden op de website van de rijksoverheid en op de website van het Landelijk Register Kinderopvang.

De aanvraag moet op tijd worden gedaan, want de gemeente heeft 10 weken de tijd om een beslissing op de aanvraag te nemen. Deze termijn kan (beargumenteerd) worden verlengd. Als er toestemming is gegeven, registreert de gemeente de voorziening in het Landelijk Register Kinderopvang.

5.2 De gemeente is streng aan de poort

Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat kinderen vanaf de eerste dag van een kinderopvangvoorziening in een veilige, gezonde en verantwoorde omgeving worden opgevangen. De gemeente vindt het daarom van groot belang dat een kinderopvangvoorziening al bij de start voldoet aan de kwaliteitseisen vanuit de Wet kinderopvang. De gemeente geeft dan ook alleen toestemming voor exploitatie als de toezichthouder van oordeel is dat een houder van een kinderopvangvoorziening vanaf de start kan voldoen aan de kwaliteitseisen en verantwoorde en kwalitatief goede opvang kan aanbieden. Deze werkwijze staat bekend als ‘Streng aan de poort’. Voor een gastouderbureau geldt dat deze direct vanaf de start de werkzaamheden zo moet kunnen uitvoeren dat zowel het gastouderbureau als de gastouders die zij begeleid, aan de kwaliteitseisen voldoen.

De gemeente laat alle nieuwe aanvragen tot exploitatie uitgebreid toetsen door de toezichthouder. Daarbij beoordeelt de toezichthouder alle kwaliteitsaspecten vooraf, waaronder de kwaliteit van het beleid, de accommodatie en het personeel. De toezichthouder betrekt de organisatie-inrichting, het interne kwaliteitsbeleid en de bedrijfsvoering van een houder bij de beoordeling. Het is tenslotte niet alleen van belang dat de houder bij de start aan de kwaliteitseisen voldoet, maar ook dat die structureel blijft voldoen aan de kwaliteitseisen en voldoende kwaliteit kan bieden. Tenslotte neemt de toezichthouder ook de kwaliteit van andere kinderopvangvoorzieningen van dezelfde houder mee.

Goede kwaliteit bij andere voorzieningen van de houder kan ertoe leiden dat de gemeente sneller een positief besluit neemt. Handhaving bij een andere voorziening van de houder, kan aanleiding zijn om te besluiten dat een houder geen nieuwe opvang mag starten totdat alle overtredingen zijn hersteld.

De gemeente kijkt naast de beoordeling op de eisen vanuit de Wet kinderopvang bij een nieuwe aanvraag, ook naar andere vergunningen die van belang zijn voor de veiligheid en gezondheid van de op te vangen kinderen. Zoals het voldoen aan alle relevante eisen met betrekking tot bouw, brandveiligheid en bestemmingen. Relevante stukken moeten aanwezig en in orde zijn. Niet voldoen aan bouwtechnische en brandveiligheidseisen kan directe gevolgen hebben voor de veiligheid van de kinderopvang. Daarnaast moet de kinderopvang ook passen in het bestemmingsplan. Als dat niet het geval is, dan heeft dit gevolgen voor de beschikbaarheid van het gebouw en het gebruik van de binnen- en buitenruimtes.

5.3 Niet gemelde kinderopvang is illegale kinderopvang

Als een kinderopvangvoorziening toch start zonder hiervoor schriftelijke toestemming te hebben gevraagd of verkregen, is sprake van niet gemelde oftewel illegale kinderopvang. Dit is een ernstige overtreding. In dat geval kan de gemeente niet zorgen voor verantwoorde en veilige opvang voor kinderen. De gemeente treedt hiertegen dan ook streng op. De locatie moet meteen sluiten en de houder krijgt een bestuurlijke boete. Ook kan de gemeente aangifte doen bij het Openbaar Ministerie.

6. Wijzigingen registratiegegevens LRK

6.1 Houder moeten wijzigingen direct doorgeven aan de gemeente

Na het verkrijgen van de toestemming voor exploitatie kunnen er wijzigingen in de geregistreerde gegevens plaatsvinden. Elke wijziging moet direct aan de gemeente worden doorgegeven. De gemeente kan dan bepalen of er voorafgaand aan het besluit op de gevraagde wijziging een onderzoek moet plaatsvinden door de toezichthouder. Zo moet bijvoorbeeld duidelijk zijn waar en hoeveel kinderen worden opgevangen, wie verantwoordelijk is voor deze opvang en hoe de opvang bereikbaar is. De gemeente kan een boete opleggen als een doorgevoerde wijziging niet of te laat is doorgegeven.

Wijzigingen moeten worden ingediend met een wijzigingsformulier. Deze is te vinden op de website van Rijksoverheid en ook op de website van het Landelijk Register Kinderopvang. De houder moet het wijzigingsverzoek minimaal 8 weken voor de gewenste wijzigingsdatum indienen (voor de houderwijziging en wijziging rechtsvorm geldt een termijn van 10 weken). De gemeente beoordeelt of er een onderzoek door de toezichthouder moet plaatsvinden. De gemeente besluit binnen 8 weken of de wijziging kan plaatsvinden en kan worden geregistreerd. Voor sommige wijzigingen (zoals het wijzigen van een telefoonnummer of correspondentieadres) wordt geen besluit afgegeven. De gemeente informeert de houder als de wijziging is opgenomen in het LRK. Een gastouder moet wijzigingen bij het gastouderbureau melden. Het gastouderbureau geeft wijzigingen voor gastouderopvang door aan de gemeente.

Wijzigingen die moeten worden doorgegeven zijn bijvoorbeeld:

  • ▪︎

    Toekenning van een KvK-vestigingsnummer;

  • ▪︎

    (correspondentie)Adres; bezoekadres en telefoonnummer, contactpersoon;

  • ▪︎

    Beëindiging van de exploitatie van de kinderopvangvoorziening.

  • ▪︎

    Wijziging houder of rechtsvorm: Als een andere houder een kinderopvangvoorziening wil overnemen moet deze nieuwe houder vooraf toestemming vragen. Dit geldt ook bij een wijziging van rechtsvorm. Ook als de bestuurder hetzelfde blijft. Een houderwijziging wordt behandeld als een nieuwe aanvraag. De gemeente bepaalt de inhoud van een onderzoek in deze gevallen. Het onderzoek wordt uitgevoerd door de toezichthouder. Bij dit onderzoek zijn de gemeente en de toezichthouder ook ‘Streng aan de poort’. Ook wanneer een andere houder een kinderopvangvoorziening voortzet, is het van belang dat de voorziening aan de kwaliteitseisen blijft voldoen. Voor deze wijziging geldt een afhandelingstermijn van 10 weken. De gemeente houdt zo veel mogelijk rekening met het belang van de continuïteit van de opvang. Het is voor deze continuïteit van opvang van groot belang dat de houder de aanvraag tijdig indient en alle benodigde stukken zijn aangeleverd.

  • ▪︎

    Wijziging aantal kindplaatsen: Bij de toestemming tot exploitatie is het maximumaantal kindplaatsen aangegeven. De toezichthouder betrekt dit aantal ook in de beoordeling of de houder redelijkerwijs aan de kwaliteitseisen voldoet, bijvoorbeeld op het gebied van accommodatie en groepen. Wanneer dit aantal later wijzigt is het van belang dat de houder dit als wijziging doorgeeft. Voor een verhoging van het aantal kindplaatsen is aanvullende toestemming van de gemeente nodig. Om hierover een besluit te kunnen nemen is een advies van de toezichthouder nodig. De gemeente verleent toestemming voor de wijziging als de houder daarmee aan de kwaliteitseisen blijft voldoen;

  • ▪︎

    Extra bemiddelingsrelatie en beëindiging bemiddelingsrelatie gastouder: Als een gastouder zich wil aansluiten bij een extra gastouderbureau, moet dit gastouderbureau deze extra bemiddelingsrelatie aanvragen via een wijzigingsformulier. Ook het beëindigen van een bemiddelingsrelatie moet tijdig worden gemeld. Bij het toezicht op een gastouderbureau kijkt de gemeente ook naar de aangesloten gastouders;

  • ▪︎

    Verhuizing: De verhuizing van een kinderopvangvoorziening is een nieuwe aanvraag. Bij een gastouderbureau of ouderparticipatiecrèche (kinderopvang georganiseerd door ouders) kan sprake zijn van een verhuizing zonder dat een nieuwe aanvraag tot exploitatie nodig is. De verhuizing van een gastouderbureau of ouderparticipatiecrèche kan daarom via een wijzigingsformulier worden doorgegeven.

7. Handhaving door de gemeente

7.1 De Handhaving is gericht op structureel herstel

Houders zijn primair verantwoordelijk voor de kwaliteit van hun aanbod. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat de gemeente adequate maatregelen neemt als de kwaliteit van de kinderopvang tekortschiet. Of de kwaliteit van de kinderopvang tekortschiet blijkt doorgaans uit inspectierapporten van de toezichthouder. Het niet naleven van de kwaliteitseisen kan ook door de gemeente zelf worden vastgesteld.

De gemeente verwacht van houders in de kinderopvang dat zij verantwoorde en kwalitatief goede kinderopvang aanbieden en structurele maatregelen nemen om incidentele overtredingen op te heffen en te voorkomen. Daarnaast verwacht de gemeente van houders met meerdere locaties dat zij maatregelen op organisatieniveau doorvoeren. Daarmee is gewaarborgd dat een vastgestelde overtreding ook niet wordt herhaald op één van de andere locaties. Daar waar dat nodig is grijpt de gemeente in via handhaving.

In deze beleidsregels legt de gemeente uit waarom overtredingen van de Wet- en regelgeving kinderopvang ernstig zijn en handhavend ingrijpen doorgaans noodzakelijk is. De gemeente gebruikt daarbij verschillende handhavingsinstrumenten om kinderopvangorganisaties tot naleving van de kwaliteitseisen te bewegen. Bij de keuze voor de best passende maatregel sluit de handhaver aan bij de uitgangspunten van deze beleidsregels:

  • ▪︎

    vasthouden van kwalitatief goede kinderopvang;

  • ▪︎

    verbeteren van minder goede kinderopvang;

  • ▪︎

    snel structureel herstel daar waar de kwaliteit tekortschiet;

  • ▪︎

    sluiting van locaties waar de kwaliteit ernstig en/of structureel tekortschiet.

Hiermee wil de gemeente bereiken dat kinderen en ouders erop kunnen vertrouwen dat kinderen worden opgevangen bij kindercentra en gastouders die voldoen aan de (minimale) kwaliteitseisen gesteld in wet- en regelgeving. Inspectierapporten zijn in te zien via het Landelijk Register Kinderopvang en kunnen op verzoek worden toegezonden. Ouders kunnen deze informatie gebruiken bij het zoeken naar passende kinderopvang en bij hun inzet voor de oudercommissie.

Gezien het algemene belang van handhaving ziet de gemeente alleen in uitzonderlijke gevallen af van handhaving. De gemeente weegt bij elke handhaving die zij inzet af welke maatregel geschikt, passend en noodzakelijk is. Daarmee is handhaving maatwerk: De omstandigheden verschillen per houder, locatie en overtreding en vragen dus om een gerichte aanpak. De gemeente houdt bij deze afweging in ieder geval rekening met de ernst van het feit, de verwijtbaarheid en de omstandigheden van het geval. De gemeente streeft ernaar voor iedere situatie passende maatregelen te treffen die leiden tot een spoedig herstel van de overtreding(en). De handhaver van de gemeente kan bij deze afweging ook kiezen om hierover in overleg te gaan met de regiogemeentes.

7.2 De gemeente handhaaft ook preventief

In het belang van kwalitatief goede kinderopvang, en om het naleven van kwaliteitseisen te stimuleren, onderhoudt de gemeente ook buiten het traject van bestuurlijke handhaving contact met kinderopvanghouders in de gemeente. Wanneer de gemeente een aanvraag ontvangt van een houder die nog niet in de gemeente actief is, kan de gemeente ook vooraf een gesprek voeren met deze houder. Tijdens dit voorgesprek wijst de gemeente op de beleidsregels. Ook wordt besproken wat de verwachtingen en eisen zijn bij het starten van een kinderopvangvoorziening. Dit gesprek wordt in principe niet met nieuwe gastouders gehouden. Zowel het gastouderbureau als de GGD kunnen gastouders voldoende voorlichten.

Ook de GGD heeft een rol in de preventieve handhaving, bijvoorbeeld door het voorlichten van houders in houdergesprekken en nieuwsbrieven.

7.3 De gemeente weegt af welke handhaving passend is

Vanuit de eigen taak en verantwoordelijkheid besluit de gemeente welke handhavingsmaatregel passend en noodzakelijk is. Dit wordt per overtreding, locatie en houder afgewogen. De gemeente stelt handhavingsbesluiten zo duidelijk en eenvoudig mogelijk op. Waar mogelijk combineert de gemeente zoveel mogelijk handhavingsbesluiten, zoals meerdere aanwijzingen, in één brief. Deze brief aan de houder bevat een duidelijke toelichting, zodat het voor de ontvanger helder is wat de gemeente verwacht van de ontvanger. De gemeente heeft de mogelijkheid om herstellend en/of bestraffend te handhaven.

Bij de inzet van handhaving richt de gemeente zich in alle fasen van toezicht en handhaving op het beoogde effect. Dat betekent dat de gemeente kiest voor de handhavingsinstrumenten die het snelst en meest effect hebben. Als de kwaliteit niet op orde is, spoort de gemeente de houder aan om deze tekortkomingen snel en structureel te herstellen. Het herstelaanbod heeft hier ook een rol in (zie hoofdstuk 4.3).

Voordat de gemeente een besluit neemt, kijkt zij naar alle feiten en belangen. Daarna beoordeelt zij welke handhavingsmaatregel geschikt en noodzakelijk is om het doel te bereiken; kwalitatief goede kinderopvang. In iedere casus beoordeelt de gemeente of evenredigheid bestaat tussen de ernst van een vastgestelde overtreding en de zwaarte van de op te leggen sanctie.

Ook wordt meegewogen in hoeverre de kwaliteit van opvang is beïnvloed door een tekortkoming. Bij het ontstaan van overtredingen kunnen specifieke omstandigheden een rol spelen. Bij het opstellen van een besluit houdt de gemeente rekening met deze omstandigheden. De gemeente hecht daarbij grote waarde aan het oordeel van de toezichthouder en betrekt dit in de besluitvorming. Ook een reactie van de houder op een inspectierapport betrekt de gemeente bij de beoordeling.

In beginsel beoordeelt de gemeente iedere overtreding afzonderlijk en wordt handhaving per overtreding ingezet. Wanneer de toezichthouder vaststelt dat een houder voldoende maatregelen heeft getroffen om een overtreding blijvend te herstellen, kan de gemeente afzien van op herstelgerichte handhaving. Maar blijkt uit een inspectieonderzoek dat een voorschrift meerdere keren is overtreden, dan weegt dit mee in de ernst van de overtreding. Dit uit zich in een kortere hersteltermijn of een hoger sanctiebedrag. Zodra een handhavingsbesluit wordt verstuurd, is de gemeente van oordeel dat het onderzoek van de toezichthouder zorgvuldig is uitgevoerd.

Bij de besluitvorming betrekt de gemeente in elk geval:

  • ▪︎

    het inspectierapport, met daarin: gerapporteerde overtreding(en); bevindingen en conclusies van de toezichthouder; indien van toepassing, de beschrijving van de omstandigheden; het advies van de toezichthouder; de reactie van de houder (in het inspectierapport);

  • ▪︎

    reacties van de houder aan de gemeente;

  • ▪︎

    de handhavingsgeschiedenis op locatieniveau en organisatieniveau;

  • ▪︎

    de inspectiegeschiedenis op locatieniveau en organisatieniveau;

  • ▪︎

    alle betrokken belangen waaronder het zwaarwegende belang van ouders en kinderen.

De gemeente voert handhaving in beginsel op locatieniveau uit, waarbij de gemeente wel rekening houdt met overtredingen bij andere locaties van de houder. Het doel is om de houder te stimuleren zijn brede verantwoordelijkheid te nemen. Bij constateringen op één locatie verwacht de gemeente van de houder dat die organisatiebreed verbeteringen doorvoert. Tekortkomingen moeten voor de gehele organisatie worden hersteld en niet slechts op de locatie waar de overtreding vastgesteld is. Dit heeft een positieve weerslag op de kwaliteit en draagt bij aan efficiëntie, omdat dit sneller leidt tot herstel van overtredingen op andere locaties en de gemeente handhaven bij andere vestigingen kan voorkomen. Ouders en kinderen kunnen er op die manier eerder op vertrouwen dat de houder de vastgestelde overtredingen herstelt, maar ook dat de houder voorkomt op andere locaties dezelfde overtreding te maken.

7.4 Herstellend handhaven: de aanwijzing en de last onder dwangsom

Herstellende handhaving is erop gericht dat een begane overtreding hersteld wordt en structureel hersteld blijft. In beginsel handhaaft de gemeente altijd herstellend. Het doel is om de kwaliteit van de opvang zo snel mogelijk te herstellen zodat de houder kwalitatief goede kinderopvang aanbiedt. En kinderen weer in een veilige en gezonde omgeving opgevangen worden.

Overtredingen met grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang moeten in beginsel direct worden beëindigd. Overtredingen met gemiddelde consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang moeten in beginsel binnen maximaal 14 dagen worden hersteld. Voor elke overtreding beoordeelt de gemeente welke hersteltermijn passend en geboden is.

De aanwijzing is doorgaans het meest geschikte instrument als het gaat om herstellende handhaving. Met een aanwijzing zet de gemeente in op structurele verbetering. Dat betekent dat de overtreding niet alleen moet worden opgeheven, maar dat een houder ook maatregelen moet nemen om te voorkomen dat hij de overtreding opnieuw begaat. In de aanwijzing staat welke maatregelen de houder moet nemen, binnen welk termijn, om de wettelijke voorwaarden na te leven. Een aanwijzing kan ook een concretisering van wettelijke regels bevatten voor de specifieke situatie. De aanwijzing blijft geldig, ook nadat de overtreding is hersteld. De gemeente betrekt deze aanwijzing bij handhavingsbesluiten in de opvolgende drie jaar.

Met de aanwijzing maakt de gemeente aan een overtreder duidelijk dat hij te allen tijde aan het opgenomen voorschrift moet voldoen. Daarmee is de aanwijzing in de eerste plaats ook de minst ingrijpende handhavingsmaatregel waarvan de gemeente gebruik kan maken. De houder moet de gemeente op de hoogte houden van de genomen verbetermaatregelen.

Als de aanwijzing niet leidt tot structureel herstel van de overtreding, legt de gemeente in principe een last onder dwangsom op. De gemeente kan ook direct een last onder dwangsom opleggen zonder dat eerst een aanwijzing is gegeven. Met een last onder dwangsom verplicht de gemeente de houder om maatregelen uit te voeren binnen een aangegeven termijn. Als een houder binnen de hersteltermijn de overtreding opheft en/of niet herhaalt, hoeft deze de dwangsom niet te betalen. Wordt echter vastgesteld dat een overtreding niet is opgeheven of is herhaald, dan moet de houder de dwangsom betalen. Een last onder dwangsom kent een maximumbedrag. De hoogte van de (maximale) last onder dwangsom per overtreding is terug te vinden in hoofdstuk 8. Het bedrag kan na één opgelegde last meerdere malen worden geint na het opnieuw vaststellen van dezelfde overtreding.

Als er binnen drie jaar sinds de laatste opgelegde aanwijzing een overtreding van dezelfde kwaliteitseis is vastgesteld, dan legt de gemeente doorgaans direct een last onder dwangsom op. Ook als de kwaliteitseis in de tussenliggende periode is beoordeeld en er geen overtreding is vastgesteld.

Als sprake is van een overtreding die tijdens het lopende onderzoek al is opgelost, kan de gemeente ervoor kiezen om alleen een waarschuwing te geven. De waarschuwing kan ook gebruikt worden als middel wanneer andere handhavingsmiddelen niet passend zijn bij de ernst, de verwijtbaarheid en/of de omstandigheden van het geval. Doel van de waarschuwing is het leggen van nadruk op de geconstateerde overtreding, zodat de kans groter wordt dat de houder een volgende keer wel aan de voorwaarde voldoet.

De last onder dwangsom is de meest geschikte handhavingsmaatregel waarvan de gemeente gebruik kan maken na de aanwijzing, als sluiting van de opvang (nog) niet proportioneel is. Wordt de overtreding na het opleggen van een last onder dwangsom toch herhaald, dan heeft dat financiële gevolgen. Daarmee is de last onder dwangsom een handhavingsmaatregel met een gedoseerde financiële prikkel om de overtreding structureel op te heffen.

De gemeente kan ook een last onder bestuursdwang opleggen. De gemeente neemt dan bepaalde maatregelen om de overtreding van de kwaliteitseis op te heffen. Dit handhavingsmiddel is bijvoorbeeld geschikt als er maatregelen genomen moeten worden om de veiligheid van ruimtes te waarborgen of om een kinderopvangvoorziening te sluiten en gesloten te houden bij overtreding van een exploitatieverbod. Alle kosten die gemaakt worden bij de last onder bestuursdwang zijn voor rekening van de houder.

7.5 Bestraffend handhaven: de bestuurlijke boete

Bestraffende handhaving; het geven van een boete, is gericht op het bestraffen van begane overtredingen, ongeacht of deze inmiddels hersteld zijn. Bestraffende handhaving wordt vaak gecombineerd met herstellende handhaving. Voor enkele ernstige overtredingen kan de gemeente direct een boete opleggen, ook als de houder maatregelen neemt om herhaling of voortduren van een overtreding te voorkomen. De boete heeft naast een bestraffende ook een preventieve werking. In hoofdstuk 8 zijn de overtredingen opgenomen waarvoor boetes (kunnen) worden gegeven, net als de (maximale) boetebedragen.

Elke overtreding beoordeelt en bestraft de gemeente afzonderlijk. Dit geldt ook wanneer één kwaliteitseis meerdere keren is overtreden. Daarnaast kan de gemeente een boete opleggen als een houder na een aanwijzing geen maatregelen heeft genomen om herhaling of voortduren van een overtreding te voorkomen. Zodra één kwaliteitseis meerdere keren is overtreden, beoordeelt de gemeente of het totale boetebedrag dat wordt opgelegd evenredig is met de ernst van de overtredingen en de mate waarin de kwaliteit van opvang negatief werd beïnvloed.

Een boete heeft altijd financiële gevolgen voor de overtreder. De draagkracht van een overtreder speelt geen rol bij het bepalen van de hoogte van een boete. Deze draagkracht is voor de gemeente immers moeilijk vast te stellen. Een boete treft niet elke overtreder even zwaar.

Als de overtreder kan aantonen dat hij een boete niet in één keer kan betalen zonder dat de continuïteit van de opvang in gevaar komt, dan is dat in beginsel geen reden om een boete te matigen of van het opleggen van een boete af te zien. Wel kan dit reden zijn om een betalingsregeling toe te staan. De gemeente houdt wel rekening met de omvang van de organisatie bij het bepalen van het boetebedrag.

Het (vrijwillig) sluiten van een locatie is ook geen reden om af te zien van het opleggen van een boete. Overtredingen kunnen dusdanig ernstige gevolgen hebben dat kinderen deze levenslang met zich mee kunnen dragen. Dit zijn dan ook zeer ernstige overtredingen, in beginsel legt de gemeente hiervoor altijd een boete op.

Wanneer een organisatie het niet eens is met de opgelegde sanctie, kan zij op basis van de (Awb) bezwaar maken en, indien nodig, beroep aantekenen bij de rechter. Dit biedt kinderopvangorganisaties de mogelijkheid om juridische bescherming te zoeken tegen maatregelen die zij als onterecht ervaren.

Bij het opleggen van een bestuurlijke boete stemt de gemeente de hoogte van de boete altijd af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij houdt de gemeente rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Om tot matiging over te gaan, verwacht de gemeente een actieve houding van de overtreder. Het is belangrijk dat een houder niet alleen stelt dat bepaalde (bijzondere) omstandigheden zich hebben voorgedaan, maar dat de houder dit ook aantoont.

Als met één feitelijke gedraging twee of meerdere overtredingen zijn begaan legt de gemeente alleen een bestuurlijke boete op voor de overtreding met het hoogste boetebedrag. Daarnaast matigt de gemeente een boete aan de hand van de omvang van de organisatie.

7.6 Recidive kan leiden tot sluiten van de opvang of intrekken van de toestemming

Wanneer een houder een overtreding binnen drie jaar na het opleggen van een aanwijzing herhaalt, dan legt de gemeente voor nieuwe overtredingen een last onder dwangsom op. Wordt een overtreding herhaalt na het opleggen en invorderen van een last onder dwangsom of het opleggen van een bestuurlijke boete, dan legt de gemeente een hogere dwangsom of boete op. In beginsel wordt het normbedrag bij iedere herhaling van een overtreding met 50% verhoogd.

Wanneer binnen drie jaar twee keer voor dezelfde overtreding een last onder dwangsom is opgelegd en ingevorderd, vervolgt de gemeente de handhaving doorgaans met het exploitatieverbod. De houder voldoet immers structureel niet aan de minimale kwaliteitseisen. Het belang van ouders en kinderen bij kwalitatief goede kinderopvang gaat voor het (financiële) belang van de houder en het personeel.

Zodra uit een inspectieonderzoek blijkt dat geen sprake (meer) is van verantwoorde kinderopvang sluit de gemeente de kinderopvang tijdelijk. Wat onder verantwoorde kinderopvang wordt verstaan is vastgelegd in artikel 1.49 van de Wet kinderopvang. Ook kan de kinderopvang gesloten worden zolang de houder een bevel van de toezichthouder of aanwijzing niet opvolgt. Daarnaast gaat de gemeente over tot tijdelijke sluiting bij locaties waar de kwaliteit structureel ondermaats is. Eerdere minder zware handhavingsmaatregelen hebben dan niet tot (structureel) herstel geleid. De kinderopvang blijft gesloten zolang niet aan de kwaliteitseisen wordt voldaan. Pas als de houder aantoont dat de kwaliteit verbeterd is en blijft, mag de kinderopvang weer open. De toezichthouder beoordeelt dit tijdens een inspectieonderzoek.

Het sluiten van een locatie voor kinderopvang is een ingrijpende maatregel die niet alleen gevolgen heeft voor de houder maar ook voor diens personeel, ouders en kinderen. In de hiervoor genoemde situaties is sluiting van een locatie doorgaans noodzakelijk. Het belang van ouders en kinderen bij kwalitatief goede kinderopvang weegt altijd zwaarder dan het belang van continuïteit van opvang of een financieel belang. Met een gesloten locatie kan de houder zich samen met het personeel volledig richten op herstel van de kwaliteit van opvang zonder dat (emotionele) veiligheid en/ of gezondheid van de opgevangen kinderen nog langer in het geding is. Als de gemeente een kinderopvanglocatie sluit, moet de houder de ouders zelf op de hoogte stellen van deze sluiting. Als de houder dit niet doet, informeert de gemeente of de toezichthouder ouders hierover. Dit gebeurt schriftelijk of mondeling.

Lukt het de houder na sluiting van een locatie niet om (binnen redelijke termijn) de overtredingen structureel op te heffen dan kan de gemeente de toestemming tot exploitatie intrekken. Ook als een houder de kwaliteitseisen structureel niet naleeft, na verbetering opnieuw overtredingen begaat, veel en/of ernstige overtredingen of overtredingen die redelijkerwijs niet kunnen worden hersteld, sluit de gemeente de kinderopvang permanent. Dit doet zij door de toestemming tot exploitatie in te trekken en de voorziening te verwijderen uit het LRK. Een onvermijdelijke ingreep als de houder voldoende gelegenheid heeft gehad om de kwaliteit van opvang te herstellen en dit, naar het oordeel van de toezichthouder, niet is gelukt.

De gemeente kan de toestemming ook direct intrekken bijvoorbeeld als:

  • ▪︎

    niet langer wordt voldaan aan de definitie van kinderopvang, ouderparticipatieopvang, gastouderopvang, gastouder of gastouderbureau;

  • ▪︎

    er sprake is van (een) overtreding(en) die, naar het oordeel van de toezichthouder, niet hersteld kan (kunnen) worden.

  • ▪︎

    de gemeente informatie heeft waaruit blijkt dat de voorzienig niet langer aan de eisen voldoet of kan voldoen (Wet kinderopvang artikel 1.66 lid 2).

7.7 Handhaving in de gastouderopvang

De eerder beschreven werkwijze is ook van toepassing op de gastouderopvang. Daarbij houdt de gemeente wel rekening met de aard van de gastouderopvang. Ook de gastouderopvang moet een veilige en gezonde omgeving zijn voor kinderen.

Bij de handhaving op de gastouderopvang, zijn de volgende zaken van belang:

  • Lagere boetes en dwangsommen voor de gastouder: door de beperkte omvang heeft een gastouder ook minder financiële draagkracht. De gemeente houdt hier rekening mee in de vaststelling van de bedragen voor boetes en dwangsommen.

  • Boetes bij niet gemelde wijzigingen: gastouderbureaus zijn medeverantwoordelijk voor het toezicht op de gastouderopvang. Omdat de toezichthouder alleen steekproefsgewijs onderzoek doet, is het van belang dat er goed zicht is op de opvang. De gemeente legt daarom direct boetes op bij het niet melden van een uitbreiding, het niet melden van de start of beëindiging van bemiddelingsrelaties en het niet melden van de beëindiging van de exploitatie van de voorziening. Boetes worden opgelegd aan het gastouderbureau, zij moeten wijzigingen tijdig melden.

  • Snellere sluiting: bij een gastouder gaat de gemeente sneller over tot sluiting (exploitatieverbod) van de opvangvoorziening en intrekking van de toestemming. De kwaliteit van de opvang is namelijk onlosmakelijk verbonden aan de gastouder en de gemeente verwacht daarom geen verbetering na herhaling van overtredingen.

  • Signaal naar andere gemeenten: als de gemeente handhavingsmaatregelen inzet bij een gastouderbureau in een andere gemeente, informeert zij het betreffende college.

  • Personenregister kinderopvang: het gastouderbureau is verantwoordelijk voor registratie en wijzigingen in het personenregister kinderopvang. Hiervoor is het gastouderbureau afhankelijk van informatie van de gastouder. Het gastouderbureau zorgt ervoor dat zij tijdig de juiste informatie van hun gastouders ontvangen. Het ontbreken van informatie over wijzigingen in het huishouden van gastouders of in de groepssamenstelling bij bemiddeling van een gastouder door meerdere gastouderbureaus ligt in de risicosfeer van het gastouderbureau. Het is aan een gastouderbureaus om aan te tonen dat zij er redelijkerwijs alles aan hebben gedaan om overtredingen te voorkomen.

De toezichthouder kan bij een onderzoek bij een voorziening voor gastouderopvang binnen onze gemeente een overtreding vaststellen, begaan door een gastouderbureau gevestigd buiten onze gemeente. Aan gastouderbureaus gevestigd buiten onze gemeente mag de gemeente geen aanwijzing opleggen. Ook het opleggen van een last onder dwangsom is in dit geval geen geschikt handhavingsmiddel, omdat de gemeente doorgaans niet zelf verantwoordelijk is voor het toezicht op deze bureaus. Een last onder dwangsom is alleen een effectief handhavingsmiddel als deze ook wordt ingevorderd bij herhaling van een overtreding. Nu de gemeente hierop buiten haar gemeentegrenzen geen toezicht kan houden, vervalt de effectiviteit van dit handhavingsmiddel. Het enige handhavingsmiddel dat geschikt is, en daarmee noodzakelijk voor handhaving bij deze bureaus, is het opleggen van een bestuurlijke boete.

7.8 Handhaving bij voorschoolse educatie

Als sprake is van een overtreding van de wettelijke basisvoorwaarden voor voorschoolse educatie (VE), informeert de toezichthouder de Inspectie van het Onderwijs. Deze gebruikt de informatie als signaal in het eigen toezicht. De toezichthouder kan ook voor VE-specifieke eisen een herstelaanbod doen. De gemeente verstrekt subsidie aan kinderdagverblijven met voorschoolse educatie om een hoger kwaliteitsniveau te realiseren. Als de toezichthouder een overtreding vaststelt van de wettelijke kwaliteitseisen voorschoolse educatie, zet de gemeente de handhavingsmiddelen in die hiervoor zijn beschreven. Als een aanwijzing niet is opgevolgd, kan de gemeente ook optreden in de subsidierelatie. Overtredingen kunnen grond zijn voor het weigeren van een subsidieaanvraag of leiden tot lagere subsidievaststelling.

7.9 Publicatie van handhavingsbesluiten

De gemeente maakt handhavingsbesluiten openbaar in het Landelijk Register Kinderopvang zodra deze onherroepelijk zijn. Een handhavingsbesluit is onherroepelijk wanneer alle bezwaar- en beroepsprocedures tegen het besluit zijn afgerond. In elk besluit staat beschreven hoe in bezwaar en/of beroep gegaan kan worden.

8. Bedragen dwangsommen en boetes

8.1 Toepassing tabellen dwangsommen en boetes

In dit hoofdstuk zijn per overtreden voorschrift de bedragen opgenomen voor last onder dwangsommen en boetes. Ook is een tabel opgenomen over de normbedragen in relatie tot het formaat van de houder.

Bij het vaststellen van de bedragen per overtreding is rekening gehouden met het effect dat overtredingen hebben op de kwaliteit van de kinderopvang. De VNG geeft bijvoorbeeld aan dat overtredingen in het domein administratie, pedagogisch klimaat, personeel en groepen en veiligheid & gezondheid een grotere impact hebben dan overtredingen in andere domeinen. Bij gastouderbureaus komt hierbij nog de kwaliteit gastouderbureau en zorgplicht.

Voor de bedragen sluit de gemeente aan bij de categorieën genoemd in artikel 23 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht. Gezien de ernst van het niet aanbieden van kinderopvang die voldoet aan de minimale kwaliteitseisen is met name aangesloten bij de tweede, derde en vierde categorie. Een financiële sanctie is nooit lager dan het genoemde bedrag uit de eerste categorie. Voor de gastouderopvang, met uitzondering van de gastouderbureaus, en de ouderparticipatiecrèches wordt hierop een uitzondering gemaakt. Daar gelden andere bedragen. In de tabellen is het maximum sanctiebedrag bij een eerste overtreding van het voorschrift opgenomen. Bij recidive verdubbelt de gemeente dit maximum.

Deze beleidsregels gaan uit van de Wet kinderopvang bij de inwerkingtreding. Als nieuwe eisen in de Wet kinderopvang niet passen binnen de domeinen en/of onderdelen die zijn opgenomen in de tabellen, geldt een standaardbepaling. Voor kindercentra en gastouderbureaus wordt de hoogte van de last onder dwangsom dan vastgesteld op de helft van het bedrag bij ‘de tweede categorie’.

8.2 Normbedragen en het formaat van de houder

In de tabellen in hoofdstuk 8.3 en 8.4 staan de normbedragen voor grote organisaties. Afhankelijk van het aantal kindplaatsen op houderniveau of het aantal gekoppelde gastouders geldt een gedeelte van het normbedrag als maximum per overtreding. Dit geldt net voor gastouders. Hiervoor geldt altijd het normbedrag als maximum. In gemeente Huizen zijn de categorieën als volgt vastgesteld:

Omvang van houders voorzieningen voor kinderdagverblijven en buitenschoolse opvang

Aantal kindplaatsen

Boete of last onder dwangsom

Grote organisatie (BSO/KDV)

Meer dan 500 kindplaatsen

Normbedrag

Middelgrote organisaties

151 tot en met 500 kindplaatsen

75% normbedrag

Kleine organisaties

51 tot en met 150 kindplaatsen

50% normbedrag

Zeer kleine organisatie

Tot en met 50 kindplaatsen

25% normbedrag

Omvang van het gastouderbureau

Aantal gekoppelde gastouders

Boete of last onder dwangsom

Groot gastouderbureau

Meer dan 100 gekoppelde gastouders

Normbedrag

Klein gastouderbureau

Tot en met 100 gekoppelde gastouders

50% normbedrag

8.3 Dwangsommen

Dwangsommen kindercentra

Domein

Onderdeel

Hoogte last onder dwangsom

Algemene voorwaarden kwaliteit en naleving

Administratie

De tweede categorie

Maatregelen aanpak A-ziekten

De tweede categorie

Pedagogisch klimaat

Pedagogisch beleid

De helft van de tweede categorie

Pedagogische praktijk

De tweede categorie

Voorschoolse educatie

De helft van de tweede categorie

Inzet pedagogisch beleidsmedewerker voorschoolse educatie

De helft van de tweede categorie

Personeel en groepen

Verklaring omtrent het gedrag en personenregister kinderopvang (per ontbrekende VOG, inschrijving en/of koppeling)

De helft van de tweede categorie

Opleidingseisen (per ontbrekende kwalificatie)

De helft van de tweede categorie

Aantal beroepskrachten (per beroepskracht te weinig)

De tweede categorie

Eisen aan de inzet van beroepskrachten in opleiding en Stagiairs (per onberekende beroepskracht)

De helft van de tweede categorie

Inzet pedagogisch beleidsmedewerkers

De helft van de tweede categorie

Stabiliteit van de opvang voor kinderen

De helft van de tweede categorie

Voertaal

De helft van de tweede categorie

Veiligheid en gezondheid

Veiligheids- en gezondheidsbeleid

De helft van de tweede categorie

Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

De helft van de tweede categorie

Meld- overleg- en aangifteplicht

De helft van de tweede categorie

Accommodatie

Eisen aan ruimtes

De helft van de tweede categorie

Ouderrecht

Informatie

De helft van de tweede categorie

Oudercommissie

De helft van de tweede categorie

Klachten en geschillen

De helft van de tweede categorie

Dwangsommen gastouderbureau

Domein

Onderdeel

Hoogte last onder dwangsom

Algemene voorwaarden kwaliteit en naleving

Administratie

De tweede categorie

Maatregelen aanpak A-ziekten

De tweede categorie

Pedagogisch klimaat

Pedagogisch beleid

De helft van de tweede categorie

Pedagogische praktijk

De tweede categorie

Voorschoolse educatie

De helft van de tweede categorie

Inzet pedagogisch beleidsmedewerker voorschoolse educatie

De helft van de tweede categorie

Personeel

Verklaring omtrent het gedrag en personenregister kinderopvang (per ontbrekende VOG, inschrijving en/of koppeling)

De helft van de tweede categorie

Personeelsformatie per gastouder

De helft van de tweede categorie

Veiligheid en gezondheid

Veiligheids- en gezondheidsbeleid

De helft van de tweede categorie

Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

De helft van de tweede categorie

Meld- overleg- en aangifteplicht

De helft van de tweede categorie

Ouderrecht

Kwaliteit en zorgplicht gastouderbureau

Informatie

De helft van de tweede categorie

Oudercommissie

De helft van de tweede categorie

Klachten en geschillen

De helft van de tweede categorie

Kwaliteitscriteria

De tweede categorie

Administratie gastouderbureau

De tweede categorie

Dwangsommen gastouder

Het maximum dwangsombedrag voor een voorziening voor gastouderopvang is gelijk aan het bedrag genoemd bij de eerste categorie artikel 23 lid 4 Wetboek van Strafrecht en bij recidive het dubbele daarvan.

Dwangsommen ouderparticipatiecrèche

Het maximum dwangsombedrag voor een ouderparticipatiecrèche is gelijk aan het bedrag genoemd bij de tweede categorie artikel 23 lid 4 Wetboek van Strafrecht en bij recidive het dubbele daarvan.

8.4 Bestuurlijke boetes

Een bestuurlijke boete wordt opgelegd per overtreding van het voorschrift, tenzij in de tabel anders is beschreven. Voor enkele overtredingen legt de gemeente, naast een herstelsanctie, in beginsel altijd een boete op. Deze overtredingen staan per soort voorziening steeds in de eerste tabel: Directe boete. Voor de overige overtredingen kan naast een herstelsanctie ook een boete worden opgelegd. Deze staan in de tweede tabel per soort voorziening.

In de tabellen is het maximum boetebedrag bij een eerste overtreding van het voorschrift opgenomen. Bij recidive wordt het maximumbedrag verdubbeld.

Boetes kindercentra

Domein

Directe boete voor

Hoogte boete

Algemene voorwaarden kwaliteit en naleving

 

 

 

 

Exploitatie zonder toestemming college

De vierde categorie

Schenden medewerkingsplicht

De helft van de tweede categorie

Niet opvolgen bevel

De vierde categorie

Overtreden exploitatieverbod

De vierde categorie

Niet (tijdig) melden wijzigingen (per niet of te laat gemelde wijziging)

De helft van de tweede categorie

Personeel en groepen

Verklaring omtrent Gedrag (per ontbrekende VOG)

De helft van de tweede categorie

Personenregister kinderopvang (per ontbrekende inschrijving en/of koppeling)

De helft van de tweede categorie

Beroepskracht-kindratio (per ontbrekende beroepskracht)

De tweede categorie

Op de uren dat niet tenminste de helft van het conform de BKR benodigde aantal beroepskrachten is ingezet.

De helft van de tweede categorie

Kwalificatie (per ontbrekende kwalificatie)

De helft van de tweede categorie

Domein

Boete mogelijk voor

Hoogte boete

Algemene voorwaarden kwaliteit en naleving

 

Niet opvolgen aanwijzing

De helft van de tweede categorie

Aanbieden kinderopvang zonder schriftelijke overeenkomst

De helft van de tweede categorie

Pedagogisch klimaat

Het bieden van onverantwoorde opvang

De tweede categorie

Personeel en groepen

Inzet pedagogisch beleidsmedewerkers

De tweede categorie

Boetes gastouderbureau

Domein

Directe boete voor

Hoogte boete

Algemene voorwaarden kwaliteit en naleving

Exploitatie zonder toestemming college

De vierde categorie

Schenden medewerkingsplicht

De helft van de tweede categorie

Niet opvolgen bevel

De vierde categorie

Overtreden exploitatieverbod

De vierde categorie

Niet (tijdig) melden wijzigingen (per niet of te laat gemelde wijziging)

De helft van de tweede categorie

Personeel (ook van toepassing op gekoppelde gastouders)

Verklaring omtrent Gedrag (per ontbrekende VOG)

De helft van de tweede categorie

Personenregister kinderopvang (per ontbrekende inschrijving en/of koppeling)

De helft van de tweede categorie

Kwaliteit en zorgplicht gastouderbureau

Onvoldoende begeleiding bij uitvoering pedagogisch beleid/bieden verantwoorde opvang bij de gastouder (per gastouder)

De tweede categorie

Domein

Boete mogelijk voor

Hoogte boete

Algemene voorwaarden kwaliteit en naleving

Niet opvolgen aanwijzing

De helft van de tweede categorie

Aanbieden kinderopvang zonder schriftelijke overeenkomst

De helft van de tweede categorie

Kwaliteit en zorgplicht gastouderbureau

Onvoldoende zorg voor de groepssamenstelling bij de gastouder (per gastouder)

De tweede categorie

Onvoldoende zorg voor veiligheid en gezondheid bij de gastouder (per gastouder)

De tweede categorie

Onvoldoende zorg voor eisen aan ruimtes bij de gastouder (per gastouder)

De tweede categorie

Boetes gastouderopvang

Directe boete voor

Hoogte boete

Overschrijding groepsgrootte en groepssamenstelling

Eerste categorie

Ontbreken geldige beroepskwalificatie

Eerste categorie

Boete mogelijk voor

Hoogte boete

Ontbreken verklaring omtrent gedrag (VOG), inschrijving- en/of koppeling personenregister

Eerste categorie

Niet opvolgen aanwijzing

Eerste categorie

Onverantwoorde opvang

Eerste categorie

Ondertekening