Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR755624
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR755624/1
Damoclesbeleid gemeente Vlaardingen 2026
Geldend van 23-01-2026 t/m heden
Intitulé
Damoclesbeleid gemeente Vlaardingen 2026De burgemeester van de gemeente Vlaardingen;
Gelet op:
- ▪︎
artikel 13b Opiumwet en artikel 4:81 tot en met 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb);
- ▪︎
dat de inhoud van het huidige Damoclesbeleid, dat op 6 juni 2019 is vastgesteld en sinds publicatie op 15 juni 2019 in werking is getreden, dient te worden aangepast aan de huidige stand van de rechtspraak. In het bijzonder de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 20221 (‘de Harderwijk-uitspraak’), dat de evenredigheidstoets nader concretiseerde.
- ▪︎
dat per 1 juli 2025 lijst IA aan de Opiumwet is toegevoegd, waardoor stofgroepen, waarvan de chemische structuur is afgeleid van een aantal middelen van lijst I van de Opiumwet, strafbaar zijn gestelt
Besluit vast te stellen het volgende:
Damoclesbeleid gemeente Vlaardingen 2026.
Begripsbepalingen
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
Awb : Algemene wet bestuursrecht
APV : Algemene Plaatselijke Verordening Vlaardingen
De wet : Opiumwet
EVRM : Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens
OM : Het Openbaar Ministerie
I. Inleiding
1. Voorwoord
Artikel 13b van de Opiumwet, ook wel aangeduid als de Wet Damocles, biedt de burgemeester bestuurlijke bevoegdheden om op te treden tegen het verkopen, verstrekken, afleveren of bezitten van middelen zoals verboden in de wet. Drugsgerelateerde misdrijven zijn schadelijk en ondermijnend voor onze samenleving.
De aanpak van georganiseerde drugscriminaliteit gaat verder dan alleen het strafrecht. Door de in de maatschappij merkbare gevolgen van ondermijning is de aanpak daarvan in toenemende mate een bestuursrechtelijke aangelegenheid.
De afgelopen jaren is een meer geïntegreerde aanpak ontwikkeld, waarbij verschillende instanties zoals OM, de politie, de Belastingdienst, gemeentebesturen, maar ook woningcorporaties samenwerken. De inzet van bestuurlijke bevoegdheden is een belangrijk onderdeel van deze integrale aanpak.
Artikel 13b van de Opiumwet is een bestuurlijk instrument die bijdraagt aan het stoppen of voorkomen van drugscriminaliteit. Het artikel geeft de burgemeester de bevoegdheden tot sluiting van panden waar drugs aanwezig zijn. Deze beleidsregels beschrijven hoe en onder welke omstandigheden de burgemeester van de gemeente Vlaardingen zijn bestuurlijke bevoegdheden op grond van artikel 13b kan toepassen.
2. Doel beleidsregels
|
Bestrijden van drugscriminaliteit |
: |
Het terugdringen van drugshandel en druggerelateerde activiteiten in de gemeente Vlaardingen. |
|
Beschermen van de volksgezondheid |
: |
Het minimaliseren van de gezondheidsrisico’s door drugsgebruik. |
|
Handhaving van openbare orde en veiligheid |
: |
Handhaving door het verminderen van schadelijke effecten van drugshandel en -gebruik. |
|
Preventie en ontmoediging |
: |
Drugscrimnaliteit ontmoedigen door het opleggen van duidelijke maatregelen en sancties, met de verwachting dat het leidt tot het voorkomen van dergelijke activiteiten. |
3. Uitgangspunten coffee- en growshops
3.1 Coffeeshops
Dit beleid ziet alleen toe op bestuurlijke maatregelen tegen woningen en panden, niet zijnde de maximaal drie gedoogde cannabisverkopende horeca-inrichtingen (coffeeshops) in de gemeente Vlaardingen. Hiervoor is afzonderlijk beleid vastgesteld. Zie daarvoor het geldende Coffeeshopbeleid gemeente Vlaardingen.
3.2 Growshops
Het bestaande strafrechtelijke instrumentarium blijkt ontoereikend om de illegale hennepteelt een halt toe te roepen. Sinds 1 maart 2015 stelt artikel 11a Opiumwet dergelijke bedrijfsactiviteiten strafbaar. Dit artikel omvat de voorbereidingen van beroepsmatige en bedrijfsmatige hennepteelt, wat het mogelijk maakt om in de voorfase op te treden tegen de faciliteerders van de illegale hennepteelt.
De gemeente Vlaardingen verstrekt geen vergunningen aan growshops en staat deze ook niet toe in de gemeente. Bij het constateren dat in de gemeente Vlaardingen ondernemingen opereren en identificeerbaar zijn als growshop, vindt handhavend optreden plaats in overeenstemming met de politie, het OM en de Belastingdienst.
4. Juridisch kader
4.1 Vaststellen van de bevoegdheid
De burgemeester is bevoegd, op grond van artikel 13b Opiumwet, tot het opleggen van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:
- ▪
een verboden middel als bedoeld in de Opiumwet wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt of daartoe aanwezig is;
- ▪
een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a Opiumwet voorhanden is (strafbare voorbereidingshandelingen), zoals (niet uitputtende opsomming):
- o
Bepaalde apparatuur (assimilatielampen, luchtafzuigers, slakkenhuis, IBC-vaten, weegschaal etc.);
- o
Chemicaliën (apaan, zoutzuur etc.);
- o
Versnijdingsmiddelen, bepaalde verpakkingsmaterialen.
- o
4.1.1 Opsporings- en vervolgingsbeleid
De Opiumwet maakt onderscheid tussen verdovende middelen met een onaanvaardbaar risico voor de volksgezondheid (harddrugs – lijst I) en andere middelen (softdrugs – lijst II), waar sinds 1 januari 2023 lachgas aan is toegevoegd. Sinds 1 juli 2025 is lijst IA toegevoegd, te weten stofgroepen waarvan de chemische structuur is afgeleid van een aantal middelen van lijst I van de Opiumwet.
Voor het opsporings- en vervolgingsbeleid sluiten deze beleidsregels aan bij de ‘Aanwijzing Opiumwet’ van het College van procureurs-generaal van het OM2. Volgens deze Aanwijzing is een hoeveelheid harddrugs van maximaal 0,5 gram (of 0,5 milliliter, 1 pil, 1 bolletje, 1 ampul of 1 wikkel) en een hoeveelheid softdrugs van maximaal 5 gram een hoeveelheid bestemd voor eigen gebruik. Voor GHB geldt 5 ml als gemiddelde consumptie-eenheid. Voor de substanties behorende bij de stofgroepen vermeld op lijst IA worden dezelfde hoeveelheden aangehouden, met een aantal uitzonderingen. Uitzondering geldt voor substanties die zijn afgeleid van de op lijst IA vermelde stofgroep 4-aminopiperidine, oftewel de fentanyl-achtigen. Voor fentanyl-achtigen is het uitgangspunt voor een consumptie-eenheid 2 milligram.
Bij het overschrijden van bovengenoemde hoeveelheden is in beginsel de aanname dat de drugs en stofgroepen (mede) bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. De betrokkene moet in dat geval het tegendeel aannemelijk maken. Als betrokkene daar niet in slaagt, dan is de burgemeester, op grond van artikel 13b, eerste lid, onder a, Opiumwet bevoegd om, ten aanzien van het pand, een last onder bestuursdwang op te leggen.
NB. Het voorgaande geldt ook bij het aantreffen van een in werking zijnde hennepkwekerij met meer dan 5 planten of een in werking zijnde productielocatie van (synthetische)drugs.
4.1.2 Voorbereidingshandeling
Van een voorbereidingshandeling in de zin van artikel 13b, eerste lid, onder b, Opiumwet, is sprake als in een woning of een lokaal of een daarbij behorend erf, voorwerpen of stoffen voorhanden zijn, die op zichzelf bezien legaal zijn, maar waarvan de betrokkene weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat deze bestemd zijn om hetzij harddrugs, hetzij softdrugs – kort gezegd – te produceren.
De aangetroffen situatie c.q. de aangetroffen voorwerpen en stoffen moeten van dien aard zijn dat het redelijkerwijs aannemelijk is dat deze voor het plegen van strafbare voorbereidingshandelingen gebruikt worden. Dat vereist een bestuurlijke beoordeling, te baseren op de door de politie vastgestelde feitelijke omstandigheden. Het gaat bijvoorbeeld om de ter plekke aangetroffen situatie, de aard en de hoeveelheid van de in beslag genomen stof, de aangetroffen voorwerpen, stoffen in onderlinge combinatie en andere uit onderzoek blijkende feitelijkheden, zoals resultaten van ingezette bijzondere opsporingsbevoegdheden. Bij deze beoordeling is het mogelijk de ‘Aanwijzing Opiumwet’ (o.a. paragraaf 3.2.1.) te betrekken, zoals bij voorbereidingshandelingen ten behoeve van een hennepkwekerij. Bij een hennepkwekerij vindt waardering van het beroeps- of bedrijfsmatige karakter plaats aan de hand van het beoogde aantal planten, de mate van de professionaliteit en het doel van de teelt.
Uit de rechtspraak volgt dat het voor de uitoefening van de bevoegdheid van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, Opiumwet, niet nodig is dat alle aangetroffen stoffen en voorwerpen tegelijk geschikt zijn voor het opzetten van een drugsproductiepunt. Ook als slechts een deel van die benodigde voorwerpen voorhanden zijn, kan de burgemeester bevoegd zijn handhavend op te treden. De voorhanden voorwerpen moeten wel daartoe bestemd zijn3.
Voorts is voor het bestaan van de bevoegdheid niet vereist dat de betrokkene zelf weet, dan wel een ernstig vermoeden heeft, dat de aanwezige stoffen of voorwerpen bestemd zijn voor het bereiden van drugs4. De burgemeester is bevoegd indien, op basis van de feitelijke situatie, voldoende aannemelijk kan worden gemaakt dat de aanwezige voorwerpen, waarvan men weet of ernstig vermoed, bestemd zijn voor – kort gezegd – het bereiden van verdovende middelen.
NB. Of de betrokkene wetenschap had en of er sprake is van verwijtbaar handelen, kan wel relevant zijn bij de vraag of de burgemeester van zijn sluitingsbevoegdheid gebruik mag maken.
4.2 Gebruikmaken van de bevoegdheid (evenredigheidstoets)
De burgemeester moet bij de, op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, gegeven bevoegdheid tot het treffen van een maatregel, beoordelen of het in verhouding staat tot het betreffende geval. In de rechtspraak ligt met name op deze ‘evenredigheidstoets’ het zwaartepunt. Dat is zeker zo sinds de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 2 februari 2022. De uitspraak bepaalt dat een besluit, dat strekt tot uitoefening van de bevoegdheid op grond van artikel 13b Opiumwet, per geval moet voldoen aan artikel 3:4, tweede lid, Awb. De beoordeling vindt plaats aan de hand van onderstaande vragen:
- ▪︎
Is het besluit noodzakelijk om het doel te bereiken? Het verplicht de maatregel te kiezen die de belanghebbende het minst belast;
- ▪︎
Is de maatregel evenwichtig (evenredigheid stricto sensu)? Is de op zichzelf geschikte en noodzakelijke maatregel in de gegeven omstandigheden niet onredelijk bezwarend voor de belanghebbende?
De Afdeling beoordeelt sinds deze uitspraak de evenredigheid met inachtneming van dit beoordelings- en toetsingskader en het meer specifieke toetsingskader voor sluitingen van woningen en lokalen op grond van artikel 13b Opiumwet, zoals weergegeven in de overzichtsuitspraak van de Afdeling5. Deze beleidsregels sluiten bij dit beoordelings- en toetsingskader aan.
4.2.1 Noodzakelijkheid
De aard en de ernst van de overtreding liggen ten grondslag aan het beoordelen van de noodzakelijkheid om, ter bescherming van het woon- en leefklimaat en voor het herstel van de openbare orde, een pand te sluiten. Het doel is daarmee het onttrekken van het pand aan het drugscircuit. Dat verdovende middelen feitelijk in of vanuit het pand zijn verhandeld, blijkt bijvoorbeeld uit meldingen bij de politie over mogelijke handel vanuit het pand, verklaringen van buurtbewoners of het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit het pand (i.e. gripzakjes, ponypacks en/of een (grammen)weegschaal).
Bij geen of weinig aanwijzingen dat in of vanuit het pand verdovende middelen zijn verhandeld, moet de burgemeester – bij het gestelde standpunt dat van dergelijke handel wél sprake is – nader onderbouwen waarom dat het geval is. Als de burgemeester daar niet of onvoldoende in slaagt, is er sprake van geen of een mindere mate van overlast in de omgeving van het pand en is de openbare orde in mindere mate of niet verstoord. De Afdeling vindt in dit soort gevallen een sluiting van meer dan zes maanden in beginsel onevenredig.
Het is mogelijk dat de noodzaak tot het sluiten van het pand ontbreekt. Dit kan als er, naast aanwijzingen dat verdovende middelen vanuit het pand zijn verhandeld, ook andere omstandigheden ontbreken die, volgens de overzichtsuitspraak, bij de beoordeling van de noodzaak van de sluiting van belang zijn. Voorbeelden zijn de omstandigheid dat het gaat om harddrugs, een recidivesituatie en de ligging van een pand in een voor drugscriminaliteit kwetsbare wijk. Wel kan er, afhankelijk van de omstandigheid van het geval, aanleiding zijn voor het opleggen van een minder verstrekkende maatregel, zoals een last onder dwangsom of een waarschuwing.
4.2.2 Evenwichtigheid
Als de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt stelt dat het sluiten van het pand noodzakelijk is, moet hij/zij zich ervan vergewissen dat de duur van de sluiting evenwichtig is. Ook als de duur in overeenstemming is met de duur die volgt uit een beleidsregel. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de aanwezigheid van minderjarige kinderen voor wie de ouders geen passende voorzieningen kunnen treffen, de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met het pand en de mogelijkheid om na de sluiting weer gebruik te maken van het pand.
Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig, bijvoorbeeld als de betrokkene ernstig verwijtbaar is aan de overtreding of gezien de ernst en omvang van de overtreding.
4.3 Last onder bestuursdwang (sluiting), last onder dwangsom of waarschuwing
Artikel 13b, eerste lid, Opiumwet bepaalt dat de burgemeester in de daarin genoemde gevallen (zie paragraaf 4.1.1 en 4.1.2 van deze beleidsregels) bevoegd is tot het opleggen van een last onder bestuursdwang. In de praktijk vindt bestuursdwang plaats, overeenkomstig de bedoeling van de wetgever, in de vorm van een sluitingsmaatregel. In het geval van voorbereidingshandelingen vindt bestuursdwang op grond van deze beleidsregels ook plaats in de vorm van het feitelijk verwijderen van de stoffen en voorwerpen die de desbetreffende voorbereidingshandeling opleveren.
Een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen (artikel 5:62 Awb). Als de omstandigheden van het geval daar aanleiding voor geven kan een last onder dwangsom, vanuit het oogpunt van evenredigheid, meer op zijn plaats zijn.
Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 13b Opiumwet is in algemene zin bepaald dat bij een eerste overtreding niet direct wordt overgegaan tot het sluiten van de woning. Een waarschuwing of soortgelijke maatregel kan volstaan. Van dit uitgangspunt mag in ernstige gevallen worden afgeweken6. Op grond van de rechtspraak dient in ieder geval bij een geringe overschrijding van de gedoogde gebruikershoeveelheden drugs (zie paragraaf 4.1.1 van deze beleidsregels) te worden afgewogen of met een minder verstrekkende maatregel, zoals een waarschuwing, kan worden volstaan7.
Hoewel vorenbedoeld uitgangspunt volgens de wetsgeschiedenis niet bij lokalen geldt – de kwalificatie ‘ernstige gevallen’ is in deze beleidsregels voor lokalen dan ook niet uitgewerkt – kan er in voorkomend geval ook bij de constatering van een overtreding van de Opiumwet in een lokaal, gelet op de betrokken belangen, aanleiding bestaan om af te zien van sluiting en in plaats daarvan een minder verstrekkende maatregel te treffen.
Tot slot zijn in deze beleidsregels de voornoemde toepassingen van de bevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, Opiumwet meegewogen. Het beleid biedt ruimte om maatwerk te leveren en de bevoegdheidstoepassing af te stemmen op de specifieke omstandigheden van het geval.
5. Procedure
5.1 Informatieverstrekking door politie
De Opiumwet biedt geen mogelijkheid om gemeentelijke toezichthouders aan te wijzen, waardoor de burgemeester afhankelijk is van informatie uit (opsporings)onderzoeken van de Nationale Politie. De burgemeester ontvangt deze informatie in het kader van zijn taak tot handhaving van de openbare orde en veiligheid zoals neergelegd in artikel 172 Gemeentewet. De politie verstrekt zo spoedig mogelijk een bestuurlijke rapportage aan de burgemeester na het constateren van een strijdige situatie. Dit kan zijn het aantreffen van een handelshoeveelheid verdovende middelen en/of voorbereidingshandelingen in een pand of dat blijkt dat een pand wordt gebruikt ten behoeve van de productie van en/of handel in verdovende middelen.
5.2 Voornemen
De burgemeester maakt na het ontvangen van een bestuurlijke rapportage het voornemen tot het opleggen van een last onder bestuursdwang bekend. Een voornemen tot sluiting is op schrift gesteld.
Bij het bestaan van een grotere informatiebehoefte ter onderbouwing van het toepassen van de bevoegdheid van artikel 13b Opiumwet bekijken de politie, het OM en de gemeente Vlaardingen welke informatie gedeeld mag worden. De burgemeester behandelt de informatie van de politie vertrouwelijk. De basis voor het verstrekken van dergelijke gegevens is artikel 16, eerste lid, aanhef en onder sub b, Wet politiegegevens.
5.3 Zienswijze
Belanghebbenden kunnen binnen de termijn van veertien dagen, na dagtekening van het voornemen tot sluiting, een zienswijze indienen ten aanzien van het voornemen van de sluiting. Op deze manier zorgt de burgemeester voor een zorgvuldige belangenafweging. In ieder geval de eigenaar en de gebruiker van het pand zijn belanghebbenden. Artikel 4:11 Awb biedt de mogelijkheid, bij spoedeisende gevallen, de zienswijzemogelijkheid achterwege te laten en onmiddellijk tot sluiting over te gaan.
5.4 Besluit
Na de periode van zienswijze neemt de burgemeester definitief het besluit tot het opleggen van een last onder bestuursdwang. Het besluit bevat ten minste:
- ▪︎
Het bevel tot algehele sluiting;
- ▪︎
De datum en het tijdstip van het ingaan van de sluiting;
- ▪︎
Het adres waar het besluit betrekking op heeft;
- ▪︎
De duur van de sluiting;
- ▪︎
De motivering van het bevel tot sluiting, met een verwijzing naar het onderhavige beleid;
- ▪︎
De aanzegging kostenverhaal.
Tegen een besluit zijn rechtsmiddelen mogelijk.
5.5 Verschillende typen bestuursdwang en uitvoering besluit
Het overtreden van de Opiumwet leidt in beginsel tot het verstoren van de openbare orde. Het doel van de sluiting is het herstellen van de openbare orde. Tussen het bekendmaken en uitvoeren van het besluit kan enige tijd overheen gaan. Die tijd kan betrokkene gebruiken om bijvoorbeeld spullen uit een woning te halen, het lokaal te ontruimen of om de bedrijfsvoering elders voort te zetten. De redelijkheid en billijkheid verlangt het hanteren van een bepaalde termijn zodat betrokkene vermelde handelingen kan uitvoeren.
5.5.1 Vormen bestuursdwang
Afhankelijk van de (ernst van de) situatie kiest de burgemeester één van onderstaande vormen van bestuursdwang, geëffectueerd op verschillende momenten:
- 1.
Last onder bestuursdwang bij een woning
De burgemeester wacht de bestuurlijke rapportage van de politie af en maakt vervolgens het voornemen van een last onder bestuursdwang bekend aan de betrokkenen. Het voornemen bevat de periode waarin het voor de betrokkene(n) mogelijk is een zienswijze in te dienen of een gesprek aan te gaan. Na deze periode neemt de burgemeester een definitief besluit. Binnen zeven dagen na bekendmaking van het schriftelijke besluit, is de sluiting een feit.
- 2.
Last tot bestuursdwang bij een lokaal
De burgemeester wacht de bestuurlijke rapportage van de politie af en maakt het voornemen van een last onder bestuursdwang bekend aan de betrokkenen. Het voornemen bevat de periode waarin het voor de betrokkene(n) mogelijk is een zienswijze in te dienen of een gesprek aan te gaan. Na deze periode neemt de burgemeester een definitief besluit. Binnen zeven dagen na bekendmaking van het schriftelijke besluit is de sluiting een feit.
- 3.
Spoedeisende bestuursdwang (zonder last en met besluit, artikel 5:31 lid 1 Awb)
De burgemeester past spoedeisende bestuursdwang toe als de situatie hierom vraagt. Na het aantreffen van een dergelijke situatie en een (spoedige) ontvangst van de bestuurlijke rapportage van de politie, wordt het besluit direct op schrift gesteld en uitgereikt tijdens de feitelijke sluiting. De spoedprocedure kent geen zienswijzeprocedure.
- 4.
Spoedeisende bestuursdwang (zonder last en zonder besluit, artikel 5:31 lid 2 Awb)
Na het mondeling kenbaar maken van de sluiting en als de situatie een nog meer spoedeisend karakter heeft, kan de burgemeester tot sluiten overgaan. Na het aantreffen van de situatie, ontvangt de burgemeester een mondelinge toelichting van de politie en maakt op basis daarvan de sluiting mondeling kenbaar. Nadat de bestuurlijke rapportage van de politie is ontvangen, wordt het besluit uiterlijk binnen veertien dagen op schrift gesteld.
5.5.2 Bekendmaking last onder bestuursdwang
Aan de overtreder en aan de rechthebbenden op het gebruik van het pand (eigenaar), wordt de last onder bestuursdwang kenbaar gemaakt. Het is niet altijd bekend wie de huurders zijn, bijvoorbeeld bij de huur van bedrijfsruimten. In die gevallen is de eigenaar voor het informeren van de huurder(s) verantwoordelijk.
Een besluit tot het sluiten van een woning, lokaal en/of daarbij behorend erf op grond van artikel 13b Opiumwet wordt, op grond van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken, ingeschreven in het gemeentelijke beperkingenregister.
5.5.3 Verbod betreden gesloten verklaard pand
Na de sluiting verzegelt de buitengewoon opsporingsambtenaar alle toegangsdeuren en brengt hierop een kennisgeving aan. Op grond van artikel 2.55, tweede lid, APV is het betreden van een krachtens artikel 13b Opiumwet gesloten gebouw voor eenieder verboden zonder ontheffing van de burgemeester. Het overtreden van dit verbod is als misdrijf strafbaar gesteld in artikel 199 Wetboek van Strafrecht.
II. Beleidskader algemeen
Artikel 1. Definities
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
|
1. |
Harddrugs: |
een middel als bedoeld in lijst I behorende bij de Opiumwet. |
|
2. |
Softdrugs: |
een middel als bedoeld in lijst II behorende bij de Opiumwet. |
|
3. |
Stofgroepen: |
een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst IA of een preparaat daarvan |
|
4. |
Hennep: |
elk deel van de plant van het geslacht Cannabis (hennep), waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden. |
|
5. |
Hennepkwekerij: |
een inrichting van welke aard ook, waarin hennep wordt geteeld, bewaard, bereid, bewerkt of verwerkt. |
|
6. |
Handelshoeveelheden drugs: |
hoeveelheden van meer dan 0,5 gram, 0,5 millimeter, 1 pil, 1 bolletje, 1 ampul of 1 wikkel harddrugs, respectievelijk meer dan 5 gram softdrugs. Voor lachgas is volgens het Lachgasbesluit bij particulieren het bezit van meer dan 10 ampullen een (sterke) aanwijzing dat lachgas niet bestemd is als voedingsadditief. |
|
7. |
Voorbereidingshandelingen: |
het voorhanden hebben van een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a, Opiumwet. |
|
8. |
Betrokkene: |
de overtreder, de eigenaar van het pand, de (hoofd)bewoner(s) of degene die anderszins als rechthebbende op de zaak waarop de last betrekking heeft kan worden aangemerkt (zie ook artikel 5:24, derde lid, Awb) |
|
9. |
Overtreder: |
degene die de overtreding pleegt/medepleegt zoals bedoeld in artikel 5:1 tweede lid, Awb en de jurisprudentie die zich rondom dat begrip heeft gevormd. |
Artikel 2. Onderscheid tussen woningen en lokalen
-
1. In deze beleidsregel wordt, voor de toepassing van de bevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, Opiumwet, onderscheid gemaakt tussen woningen en lokalen, omdat sluiting van een woning gevolgen kan hebben die mogelijk een inmenging vormen in het in artikel 8 van het EVRM neergelegde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Laatstgenoemd recht is niet in het geding bij lokalen.
-
2. Bij het bepalen van het sluitingsregime is, bij de toepassing van deze beleidsregels, als vertrekpunt de plek waar de hard- en/of softdrugs, dan wel stofgroepen, dan wel de voorbereidingshandelingen, zijn aangetroffen. Is zowel op een erf als in een lokaal of woning sprake van een drugsvondst, dan is het regime voor woningen als uitgangspunt genomen.
-
3. In deze beleidsregels is voor de toepassing van de bevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, Opiumwet, geen onderscheid gemaakt tussen koopwoningen enerzijds en (sociale) huurwoningen anderzijds (het is mogelijk specifiek aan de sociale huursector verbonden kenmerken – zoals de huurprijzen en lange wachtlijsten – mee te wegen bij de individuele afweging van belangen).
Artikel 3. Samenhangend geheel
Bij het constateren van (alleen) een handshoeveelheid drugs, stofgroepen of voorbereidingshandelingen in een lokaal én bij het aantreffen van aan drugshandel, dan wel voorbereidingshandelingen, gerelateerde zaken op hetzelfde erf in een woning, is de aanname dat er sprake is van een ‘samenhangend geheel’. In dat geval wordt voor het gehele erf (inclusief de woning) het regime voor lokalen toegepast.
Bij het constateren van (alleen) een handelshoeveelheid drugs, stofgroepen of voorbereidingshandelingen in een woning én bij het aantreffen van aan drugshandel/voorbereidingshandelingen gerelateerde zaken op hetzelfde erf bevindende lokaal, is er eveneens sprake van een ‘samenhangend geheel’. In dat geval wordt voor het gehele erf het regime voor woningen toegepast.
(Toelichting: van een samenhangend geheel is sprake als een woning en een lokaal ruimtelijke en functionele samenhang vertonen. Van ruimtelijke samenhang is sprake als zij bijvoorbeeld op hetzelfde kadastrale perceel staan, dezelfde eigenaar hebben, in elkaars nabijheid staan, etc. Van functionele samenhang is sprake als bijvoorbeeld in het lokaal drugs en in de woning aan drugs gerelateerde attributen worden aangetroffen of vice versa, of als in het lokaal of de woning drugs worden aangetroffen en het lokaal en de woning gas-, water- en/of elektra-aansluitingen of (andere) voorzieningen delen. Om als samenhangend geheel te kunnen worden aangemerkt is niet vereist dat in alle samenhangende delen drugs zijn aangetroffen. Wel zal in ten minste één onderdeel (bijvoorbeeld het lokaal) van het samenhangend geheel een overtreding van de Opiumwet aan de orde moeten zijn (vgl. ABRvS 11 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1193)).
Artikel 4. Onderscheid tussen hard- en softdrugs
-
1. Deze beleidsregels maakt, voor de toepassing van de bevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, Opiumwet, onderscheid tussen harddrugs, softdrugs en stofgroepen. Er vindt strenger optreden plaats bij het aantreffen van een handelshoeveelheid of voorbereidingshandelingen ter zake harddrugs dan bij het aantreffen van deze fenomenen op het gebied van softdrugs. Onderliggende motivatie is dat harddrugs in het algemeen gevaarlijker zijn voor de gezondheid en het milieu dan softdrugs: in vergelijking met softdrugs zijn de effecten bij harddrugs al merkbaar bij een geringere hoeveelheid. Ook de Afdeling kwalificeert een handelshoeveelheid harddrugs als ernstiger dan een handelshoeveelheid softdrugs. Het onderscheid tussen harddrugs en softdrugs is tevens van belang, omdat bij de handel in en productie van harddrugs eerder dan bij softdrugs sprake is van ernstige criminaliteit, niet zelden met een grensoverschrijdend component. De aan harddrugs gerelateerde activiteiten zorgen voor een grotere negatieve invloed op het woon-en leefklimaat en veroorzaken grotere gevarenrisico’s. Dit laatste behoeft wel nuance omdat men niet schuwt om geweld, bedreiging en intimidatie in de handel en productie van softdrugs te gebruiken (denk aan ripdeals). Bovendien vormt voor drugscriminelen de handel in en/of productie van softdrugs niet zelden de opmaat voor de overstap naar de handel in en/of productie van harddrugs.
-
2. Bij een cumulatie van handelshoeveelheden of voorbereidingshandelingen ter zake hard- en softdrugs is, bij wijze van uitgangspunt, de zwaarst gestelde maatregel van toepassing of kan anderszins in strengere zin worden afgeweken van de navolgende onderdelen (III en IV) van deze beleidsregels.
Artikel 5. Verlenging sluiting/nadere maatregelen
-
1. Als er sprake is van een reële vrees voor herhaling van een overtreding van de strafbare feiten vermeld in artikel 13b, eerste lid, Opiumwet, kan de burgemeester in een afzonderlijk besluit de gelaste sluitingsduur van de woning of het lokaal of het daarbij behorende erf verlengen. Bij het bepalen van de duur van de verlenging wordt bij wijze van uitgangspunt aangesloten bij de matrixen uit de artikelen 9a, 10a, 11 en 12 van deze beleidsregels, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval.
-
2. Als sprake is van een herhaalde overtreding of een reële vrees voor herhaling van een overtreding van de strafbare feiten vermeld in artikel 13b, eerste lid, Opiumwet, kan de burgemeester tevens het voornemen aan het college voorleggen om te besluiten het beheer van het pand over te (doen) nemen, een en ander op grond van de artikelen 13b en 14 van de Woningwet.
Artikel 6. Verzoek om opheffen sluiting/intrekking last onder dwangsom
-
1. De betrokkene kan de burgemeester tussentijds schriftelijk verzoeken om de sluiting op te heffen of, indien daarvoor is gekozen, een last onder dwangsom op te heffen (zie voor dit laatste geval artikel 5:34 Awb).
-
2. De burgemeester behandelt alleen schriftelijke verzoeken. De burgemeester hanteert bij zijn beslissing de oorspronkelijk getroffen maatregel als uitgangpunt en gaat slechts na of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de uitgangspunten die daaraan ten grondslag liggen niet meer aan de orde zijn. De betrokkene dient daarom zijn verzoek te motiveren. De betrokkene dient te onderbouwen dat er sprake is van veranderde feiten en omstandigheden die aannemelijk maken dat er niet opnieuw overtredingen van de Opiumwet in of vanuit de woning, het lokaal of het daarbij behorend erf worden gepleegd. Betrokkene dient daarvoor voldoende maatregelen te treffen, zulks ter beoordeling van de burgemeester.
-
3. Bij zijn beslissing een verzoek als bedoeld in het eerste lid neemt de burgemeester onder andere in overweging:
- a.
Of de te realiseren doelen van de sluiting reeds zijn behaald. Deze afweging is (mede) gemaakt op basis van een door de politie en eventuele andere veiligheidspartners gemaakte inschatting. Zo nodig wordt daartoe een bestuurlijke rapportage of advies opgevraagd van een of meer veiligheidspartners; en
- b.
De bereidheid en de bekwaamheid van de betrokkene om aantoonbaar en daadwerkelijk maatregelen te nemen ter voorkoming van herhaling van de geconstateerde overtreding(en).
- a.
-
4. Een verzoek tot het intrekken van een last onder dwangsom moet voldoen aan de eisen genoemd in artikel 5:34 Awb.
-
5. Aan het opheffen van een sluiting wordt in de regel geen medewerking verleend eerder dan de hieronder genoemde periode.
- a.
Bij een sluitingsduur van drie maanden, na vier weken;
- b.
Bij een sluitingsduur van zes maanden, na drie maanden;
- c.
Bij een sluitingsduur van twaalf maanden, na zes maanden;
- d.
Bij een sluitingsduur voor onbepaalde tijd, na twaalf maanden.
- a.
Artikel 7. Bij sluiting: kostenverhaal en Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken
-
1. Indien de burgemeester tot sluiting van een woning, lokaal of bijbehorend erf overgaat, worden de kosten die daarmee gemoeid zijn in beginsel op de overtreder(s) verhaald. In het besluit tot toepassing van bestuursdwang (sluitingsbesluit) wordt in dat geval het kostenverhaal aangezegd aan de overtreder(s). Het kostenverhaal blijft achterwege bij iedere ontbrekende verwijtbaarheid aan de zijde van de overtreder (zie artikel 5:25 Awb).
-
2. De burgemeester maakt, overeenkomstig de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen (WKBP), na bekendmaking van het sluitingsbesluit, in het beperkingenregister een aantekening dat een woning, lokaal of daarbij behorende erf is gesloten. Het opheffen van de sluiting of het aflopen van de sluitingstermijn wordt aangepast in het beperkingenregister.
Artikel 8. Spoedeisende bestuursdwang
Al naar gelang de omstandigheden van het geval kan gekozen worden voor toepassing van spoedeisende bestuursdwang. De verplicht te volgen procedureregels bij het overgaan tot toepassen van spoedeisende bestuursdwang, zijn opgenomen in de artikelen 5:31 en 4:11, eerste lid, onder a, Awb.
III. Beleidskader woningen (of een daarbij behorend erf)
Artikel 9a. Drugshandel in een woning of een daarbij behorend erf
-
1. Bij het overtreden van de strafbare feiten in de zin van artikel 13b, eerste lid, onder a, Opiumwet, in een woning of een daarbij behorend erf, is in beginsel het regime van toepassing zoals vastgelegd in onderstaande matrix:
Regime softdrugs
Regime harddrugs en stofgroepen
1e overtreding (minder ernstig geval)
- ▪︎
Waarschuwing
of
- ▪︎
last onder dwangsom
- ▪︎
Waarschuwing
of
- ▪︎
Last onder dwangsom
of
- ▪︎
Sluitingsperiode van maximaal 3 maanden.
1e overtreding (ernstig geval)
Sluitingsperiode van 3 maanden
Sluitingsperiode van 6 maanden
2e overtreding binnen 3 jaar
Sluitingsperiode van 6 maanden
Sluitingsperiode van 12 maanden
3e e.v. overtreding binnen 3 jaar
Sluitingsperiode van 12 maanden
Sluitingsperiode van 18 maanden
- ▪︎
-
2. Er is sprake van een volgende overtreding (de 2e of 3e overtreding) als deze binnen een termijn van drie jaar na de daaraan voorafgaande overtreding is geconstateerd. Dit geldt ook als naar aanleiding van de 1e overtreding een waarschuwing is gegeven.
-
3. Is bij één van de elkaar opvolgende overtredingen (de 1e, 2e of 3e overtreding) sprake van harddrugs of stofgroepen, dan geldt bij de eerstvolgende overtreding het regime overeenkomstig de matrix voor harddrugs8.
-
4. Is er tegelijkertijd sprake van een overtreding met zowel harddrugs en/of stofgroepen als softdrugs, dan geldt het regime voor een overtreding met harddrugs en stofgroepen, overeenkomstig artikel 3 van deze beleidsregels.
-
5. Bij het opleggen van een last onder dwangsom is de hoogte van de dwangsom onder meer afgestemd op de verwachte opbrengst van de aangetroffen handelshoeveelheid.
Artikel 9b. Indicatoren ernstig geval
Bij een ernstig geval is volgens deze beleidsregels de noodzaak tot sluiting gegeven. Van een ernstig geval is in ieder geval sprake als aannemelijk wordt gemaakt dat één of meer van de navolgende indicatoren van toepassing is/zijn, waarbij geen sprake is van een limitatieve opsomming:
- a.
de hoeveelheid aangetroffen middelen als bedoeld in lijst I, IA en/of lijst II van de Opiumwet. Bij harddrugs geldt dat sprake is van een ernstig geval bij het aantreffen van ten minste 5 gram of 5 milliliter (of voor zover dit de 5 gram of 5 milliliter niet overschrijdt, 10 pillen, 10 ampullen, 10 bolletjes of 10 wikkels). Bij softdrugs is er sprake van een ernstig geval bij het aantreffen van minimaal 30 gram, meer dan 5 hennepplanten en meer dan 10 ampullen lachgas. Voor GHB geldt 5 ml als gemiddelde consumptie-eenheid. Voor de substanties behorende bij de stofgroepen vermeld op lijst IA worden dezelfde hoeveelheden aangehouden, met een aantal uitzonderingen. Uitzondering geldt voor substanties die zijn afgeleid van de op lijst IA vermelde stofgroep 4-aminopiperidine, oftewel de fentanyl-achtigen. Voor fentanyl-achtigen is het uitgangspunt voor een consumptie-eenheid 2 milligram;
- b.
een combinatie van handelshoeveelheden softdrugs, harddrugs en stofgroepen. Er is sprake van een ernstig geval bij het aantreffen van een combinatie van meer dan 2,5 gram/2,5 milliliter harddrugs én meer dan 15 gram softdrugs;
- c.
ongeacht de indicatoren genoemd onder a en b is er sprake van een ernstig geval bij het aantreffen van, naast handels-hoeveelheden softdrugs, harddrugs en stofgroepen, aan drugshandel gelieerde attributen zoals een weegschaal, verpakkingsmateriaal, versnijdingsmiddel, grote sommen contant geld en/of wapens;
- d.
ongeacht de indicatoren genoemd onder a en b is er sprake van een ernstig geval als aannemelijk is dat minderjarigen betrokken zijn bij drugshandel;
- e.
de mate waarin de woning betrokken is bij drugshandel dan wel bekend staat als pand waar drugs aanwezig is. Dit blijkt onder andere uit politiewaarnemingen, meldingen en verklaringen van omwonenden of betrokkenen, (waarnemingen van) aanloop van personen die gelieerd zijn aan drugshandel en/of drugsgebruik.
- f.
er is sprake van (andere) strafbare feiten, zoals geweldsdelicten, wapenbezit in de zin van de Wet wapens en munitie, diefstal van stroom, of er is sprake van openbare ordeverstoringen gerelateerd aan de woning. Bij gerelateerde openbare ordeverstoringen valt te denken aan het in de woning aantreffen van personen met een strafrechtelijk verleden op het gebied van geweld, drugs of wapenbezit, of van personen die dergelijke (strafbare) feiten eerder pleegden.
- g.
er is sprake van herhaling (recidive): het staat vast of er zijn sterke aanwijzingen dat (één van) de betrokkene(n) eerder betrokken was (of waren) bij drugshandel;
- h.
er is sprake van verwijtbaar gedrag van de betrokkene. Dit is aannemelijk als de betrokkene zelf betrokkenheid heeft bij de aangetroffen drugs of dat betrokkene op de hoogte is dan wel redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de aanwezigheid van de aangetroffen drugs in de woning. Hierbij kan een strafrechtelijk verleden, het hebben van relaties met personen die bij de politie bekend staan als drugsdelinquenten, al dan niet in georganiseerd verband, of die bekend staan in verband met georganiseerde criminaliteit of als de betrokkene zodanig bij de politie bekend staat meewegen. Ook speelt in dit verband mee de mate waarin degene die een woning verhuurt, of anderszins aan anderen in gebruik geeft, zich in voldoende mate en tot op zekere hoogte liet informeren over hoe er gebruik van het pand is gemaakt.
Woningeigenaren en hoofdhuurders zijn verplicht om concreet toezicht op het gebruik van hun pand te houden. Zij voeren verplicht controles uit die zijn gericht op het gebruik van het pand;
- i.
de mate van gevaarzetting of risico voor het woon-en leefklimaat in de omgeving en/of voor omwonende(n). Te denken valt aan een buurt waarin de woning zich bevindt en de mate waarin deze kwetsbaar is voor (de gevaren die verbonden zijn aan) drugscriminaliteit. Redenen zijn dat er al langer druk op de omgeving bestaat in verband met drugsoverlast, of vanwege de vermoedelijke betrokkenheid van (georganiseerde) drugscriminaliteit en daarmee verband houdende gevaren, zoals geweldpleging, de aanwezigheid of inzet van vuurwapens/explosieven, etc.;
- j.
de aannemelijkheid dat naast de woning of het bijbehorende erf, nog één of meer andere locaties betrokken zijn bij de geconstateerde drugshandel (dit vormt een sterke indicator dat er sprake is van betrokkenheid van een drugscircuit); en/of
- k.
bij hennepteelt of de productie van harddrugs, de inrichting, het bedrijfsmatig karakter evenals de professionaliteit van de hennepplantage/-kwekerij of het drugsproductiepunt. Bijvoorbeeld illegaal stroom aftappen, aanwezige hennep-/drugsresten van een productie, aanwezigheid van precursoren, preprecursoren, IBC’s (Intermediate Bulk Container) en randapparatuur voor het in stand houden en onderhouden van de hennepplantage-/kwekerij of het productiepunt.
- l.
feiten of omstandigheden die duiden op georganiseerde criminaliteit of drugshandel in georganiseerd verband. Dit zijn bijvoorbeeld verklaringen of meldingen van getuigen, omwonenden, gebruikers, handelaren e.d.
Artikel 10a. Voorbereidingshandelingen in een woning of daarbij behorend erf
-
1. Bij het constateren van handelingen die ter voorbereiding dienen voor het plegen van strafbare feiten in de zin van artikel 13b, eerste lid, onder a, Opiumwet, in een woning of een daarbij behorend erf, is in beginsel het regime van toepassing zoals vastgelegd in onderstaande matrix:
-
2.
Regime softdrugs
Regime harddrugs en stofgroepen
1e overtreding (incomplete opstelling en/of minder ernstig geval)
Last onder bestuursdwang of dwangsom, strekkende tot afvoeren goederen
Of
Bestuurlijke waarschuwing
Last onder bestuursdwang of dwangsom, strekkende tot afvoeren goederen
Of
Bestuurlijke waarschuwing
1e overtreding (complete opstelling en/of ernstig geval)
Sluitingsperiode van 3 maanden
Sluitingsperiode van 6 maanden
2e overtreding binnen 3 jaar (complete of incomplete opstelling)
Sluitingsperiode van 6 maanden
Sluitingsperiode van 12 maanden
3e e.v. overtreding binnen 3 jaar (complete of incomplete opstelling)
Sluitingsperiode van 12 maanden
Sluitingsperiode van 18 maanden
-
3. Er is sprake van een incomplete opstelling als slechts een deel van de voorwerpen en/of stoffen voorhanden is die nodig zijn voor het opzetten van een beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige hennepplantage, dan wel een productiepunt voor harddrugs. Er is sprake van een complete opstelling bij een samenstelling en/of opstelling van voorwerpen en/of stoffen, waardoor de beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige hennepkwekerij of een productiepunt voor harddrugs in principe direct kan plaatsvinden, maar waarbij de drugs nog niet daadwerkelijk zijn geproduceerd (als er drugs is geproduceerd, valt de opstelling onder artikel 9a van deze beleidsregels). Ook is sprake van een complete opstelling, als weinig handelingen de beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige hennepkwekerij of het productiepunt voor harddrugs in werking breng9, bijvoorbeeld omdat vrijwel alle benodigdheden daarvoor voorhanden zijn (Vgl. ABRvS 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:368 (r.o. 4.1)).
-
4. Er is sprake van een volgende overtreding (de 2e of 3e overtreding) als deze binnen een termijn van drie jaar na de daaraan voorafgaande overtreding plaatsvindt. Dit geldt ook als bij de 1e overtreding een last onder bestuursdwang of onder dwangsom tot het afvoeren van de aangetroffen voorwerpen en/of stoffen is opgelegd.
-
5. Is bij één van de elkaar opvolgende overtredingen (de 1e, 2e of 3e overtreding) sprake van handelingen die ter voorbereiding dienen van het plegen van strafbare feiten ter zake harddrugs, dan geldt bij de eerstvolgende overtreding het regime overeenkomstig de matrix voor harddrugs.
-
6. Is er tegelijkertijd sprake van een overtreding met voorwerpen en/of stoffen die wijzen op handelingen die ter voorbereiding dienen voor het plegen van strafbare feiten betreffende zowel soft- en harddrugs, dan geldt het regime voor een overtreding in verband met harddrugs.
Artikel 10b. Indicatoren ernstig geval voorbereidingshandelingen
Is er sprake van een ernstig geval, dan is volgens deze beleidsregels in beginsel de noodzaak tot sluiting gegeven. Van een ernstig geval is in ieder geval sprake als één of meer van de hieronder staande indicatoren van toepassing is/zijn. Daarbij is geen sprake van een limitatieve opsomming én is het mogelijk om bijvoorbeeld ook elementen – voor zover hier niet al genoemd – uit artikel 9b van deze beleidsregels te betrekken:
- a.
de aard van de stoffen of goederen. Te denken valt aan het voorhanden hebben van een chemische stof, apparatuur of aanverwante artikelen die niet of nauwelijks anders toepasbaar zijn dan bij de productie, handel of transport van drugs;
- b.
de professionaliteit van de aangetroffen goederen en stoffen. Bij softdrugs wordt aangesloten bij paragraaf 3.2.1 en bijlage 1 van de Aanwijzing Opiumwet. Bij harddrugs is dit een kwestie van een bestuurlijke beoordeling, gebaseerd op de feitelijke omstandigheden zoals door de politie vastgesteld. Te denken valt aan voor de productie van harddrugs geprepareerde ketels. De mate van professionaliteit van de goederen en stoffen duidt op de betrokkenheid van een drugscircuit waarin die goederen en stoffen voorhanden en beschikbaar zijn;
- c.
de combinatie van aangetroffen stoffen. Te denken valt aan het tegelijk verkopen, dan wel de aanwezigheid van goederen die voor (grootschalige) verwerking, transport of bereiding van drugs bedoeld zijn (grammenweegschalen, drugsverpakkingen, versnijdingsmiddelen);
- d.
de hoeveelheid aangetroffen stoffen of goederen. Ook hier is het mogelijk de Aanwijzing Opiumwet en (artikel 1, tweede lid van) het Opiumwetbesluit mee te laten wegen;
- e.
de mate van bekendheid van de woning en het daarbij behorende erf waar dergelijke producten geproduceerd, verkocht, verhandeld of gebruikt worden;
- f.
er is sprake van (andere) strafbare feiten, zoals geweldsdelicten, wapenbezit in de zin van de Wet wapens en munitie, diefstal van stroom, etc., of er is sprake van openbare ordeverstoringen gerelateerd aan de woning. Bij gerelateerde openbare ordeverstoringen valt ook te denken aan het in de woning aantreffen van personen met een strafrechtelijk verleden op het gebied van geweld, drugs of wapenbezit, of van personen die dergelijke feiten eerder begingen (recidive); en/of
- g.
de mate van risico of gevaar voor het woon- of leefklimaat in de omgeving en/of voor omwonenden. Te denken valt aan een buurt die door drugscriminaliteit reeds zwaar onder druk staat of het gevaar dat een hennepkwekerij of drugslaboratorium met zich meebrengt, zoals fluctuaties op het stroomnet en (daardoor) brandgevaar, of door het risico op de ontwikkeling van giftige dampen.
IV. Beleidskader lokalen (of daarbij horend erf)
Artikel 11. Drugshandel in een lokaal of een daarbij behorend erf
-
1. Bij het overtreden van de strafbare feiten in de zin van artikel 13b, eerste lid, onder a, Opiumwet, in een lokaal of een daarbij behorend erf, is in het beginsel het regime van toepassing zoals vastgelegd in onderstaande matrix:
Regime softdrugs
Regime harddrugs en stofgroepen
1e overtreding
Sluitingsperiode van 6 maanden
Sluitingsperiode van 12 maanden
2e overtreding binnen 3 jaar
Sluitingsperiode van 12 maanden
Sluitingsperiode van 18 maanden
3e e.v. overtreding binnen 3 jaar
Sluitingsperiode van 18maanden
Sluitingsperiode van 24 maanden
-
2. Er is sprake van een volgende overtreding (de 2e of 3e overtreding) als deze binnen een termijn van drie jaar na de daaraan voorafgaande overtreding is geconstateerd.
-
3. Is bij één van de elkaar opvolgende overtredingen (de 1e, 2e of 3e overtreding) sprake van harddrugs of stofgroepen, dan geldt bij de eerstvolgende overtreding het regime overeenkomstig de matrix voor harddrugs en stofgroepen.
-
4. Is er tegelijkertijd sprake van een overtreding met zowel harddrugs of stofgroepen als softdrugs, dan geldt het regime voor een overtreding met harddrugs en stofgroepen, overeenkomstig artikel 3 van deze beleidsregels.
Artikel 12. Voorbereidingshandelingen in een lokaal of daarbij behorend erf
-
1. Bij het constateren van handelingen die ter voorbereiding dienen voor het plegen van strafbare feiten in de zin van artikel 13b, eerste lid, onder a, Opiumwet, in een lokaal of een daarbij behorend erf, is in het beginsel het regime van toepassing zoals vastgelegd in onderstaande matrix:
Regime softdrugs
Regime harddrugs en stofgroepen
1e overtreding (incomplete opstelling)
Last onder bestuursdwang of dwangsom strekkende tot afvoeren van goederen of bestuurlijke waarschuwing
Last onder bestuursdwang of dwangsom strekkende tot afvoeren van goederen of sluitingsperiode van maximaal 3 maanden
1e overtreding (complete opstelling)
Sluitingsperiode van 6 maanden
Sluitingsperiode van 12 maanden
2e overtreding binnen 3 jaar (in- of complete opstelling)
Sluitingsperiode van 12 maanden
Sluitingsperiode van 24 maanden
3e overtreding e.v. binnen jaar (in- of complete opstelling)
Sluitingsperiode van 24 maanden
Sluitingsperiode van 36 maanden
-
2. Artikel 5, tweede lid, van deze beleidsregels is van overeenkomstige toepassing.
-
3. Er is sprake van een volgende overtreding (de 2e of 3e overtreding) als deze binnen een termijn van drie jaar na de daaraan voorafgaande overtreding wordt geconstateerd.
-
4. Is bij één van de elkaar opvolgende overtredingen (de 1e, 2e of 3e overtreding) sprake van handelingen die ter voorbereiding dienen van het plegen van strafbare feiten ter zake van harddrugs/stofgroepen, dan geldt bij de eerstvolgende overtreding het regime overeenkomstig de matrix voor harddrugs en stofgroepen.
-
5. Is er tegelijkertijd sprake van een overtreding met voorwerpen en/of stoffen die wijzen op handelingen die ter voorbereiding dienen voor het plegen van strafbare feiten betreffende zowel soft- en harddrugs/stofgroepen, dan geldt het regime voor een overtreding in verband met harddrugs en stofgroepen.
V. Afwijkingsbevoegdheid
Artikel 13. Afwijkingsbevoegdheid
-
1. De in de onderdelen III en IV van deze beleidsregels uitgewerkte bevoegdheidstoepassingen gelden als uitgangspunten, waarvan de burgemeester in bijzondere situaties altijd kan afwijken. Dat betekent concreet dat de burgemeester bevoegd is, op grond van de concrete feiten en omstandigheden van het geval, van deze beleidsregels af te wijken, zowel in het voordeel als in het nadeel van de betrokkene. Dat kan betekenen dat bij zeer ernstige overtredingen een stap wordt overgeslagen of voor een langere periode wordt gesloten. Ook zijn er omstandigheden, bijvoorbeeld als er sprake is van een verminderde verwijtbaarheid, waardoor juist de keuze voor een minder ingrijpende maatregel of een kortere sluitingsduur dan deze beleidsregels voorschrijven wordt gemaakt. Dit wordt te allen tijde per situatie beoordeeld (maatwerk). Het besluit is echter in beginsel overeenkomstig de beleidsregels.
-
2. Bij het afwijken in een concreet geval van de beleidsregels, motiveert het besluit de redenen die daartoe aanleiding geven.
VI. Slotbepalingen
Artikel 14. Overgangsbepaling
Handhavingsprocedures met betrekking tot de toepassing van artikel 13b Opiumwet die zijn opgestart c.q. dossiers waarin handhavingsstappen reeds zijn genomen (waarschuwingen/voornemens/besluiten vóór datum inwerkingtreding van deze beleidsregels), worden nog conform het beleid van 6 juni 2019 beoordeeld. Alle andere gevallen worden per datum inwerkingtreding aan het huidige beleid getoetst.
Artikel 15. Citeertitel
Deze beleidsregels worden aangehaald als: ‘Damoclesbeleid gemeente Vlaardingen 2025’.
Artikel 16. Inwerkingtreding
Dit beleid treedt in werking op de dag na publicatie met gelijktijdige intrekking van de huidige beleidsregels (‘Damoclesbeleid gemeente Vlaardingen 2019’).
Ondertekening
Aldus vastgesteld door de burgemeester van de gemeente Vlaardingen op 14 januari 2026
drs. B. Wijbenga – Van Nieuwenhuizen
Noot
6Kamerstukken II, 2005/06, 30 515, nr. 3, blz. 8 en Kamerstukken II, 2006/07, 30 515, nr. 6, blz. 1 en 2.
Noot
8(Toelichting: als dus de 1e overtreding verband houdt met softdrugs maar bij de 2e overtreding sprake is van harddrugs geldt de voorgeschreven maatregel bij de 2e overtreding van harddrugs. Ook als de 1e overtreding harddrugs betrof maar de 2e overtreding softdrugs wordt bij de 2e overtreding de matrix voor harddrugs aangehouden).
Noot
9(Toelichting: bij het aantreffen van een incomplete opstelling is het minder aannemelijk dat de woning een actuele schakel vormt in de productie of distributie van drugs, tenzij er concrete contra-indicaties zijn dat dit wel het geval is. De opstelling is daarvoor (nog) niet geschikt en er moet het nodige gebeuren om het productieproces operationeel te krijgen. Het afgeven van een signaal door middel van een sluiting ligt hierbij minder voor de hand. Dat neemt niet weg dat er goederen en stoffen aanwezig zijn die in principe geschikt zijn voor de productie van drugs. Het is mogelijk onder bestuursdwang of dwangsom om betrokkene te gelasten dat hij deze voorwerpen en stoffen afvoert naar een erkende afvalverwerker, zodat de goederen niet alsnog terugkomen in het drugscircuit. Van een complete opstelling is wel aannemelijk dat deze een (actuele) schakel vormt in de productie of distributie van drugs. Een sluiting is hierbij in principe passend).
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl