Beleidsregels bestuurlijke boeten toeristenbelasting gemeente Noord-Beveland

Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 24-01-2026

Intitulé

Beleidsregels bestuurlijke boeten toeristenbelasting gemeente Noord-Beveland

Het college van burgemeester en wethouders van Noord-Beveland;

gelet op het bepaalde in:

hoofdstuk VIIIA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

artikel 231, eerste lid en tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Gemeentewet;

artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

besluit de volgende regeling vast te stellen:

Beleidsregels bestuurlijke boeten toeristenbelasting gemeente Noord-Beveland

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Reikwijdte

  • 1. In deze regeling is het beleid neergelegd voor het opleggen van bestuurlijke boeten bij de heffing van toeristenbelasting op grond van de toepasselijke Verordening toeristenbelasting Noord-Beveland, heffingen waarop Hoofdstuk VIIIA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna te noemen: AWR) van toepassing is.

  • 2. Op beboetbare feiten die zijn begaan ná de inwerkingtredingsdatum van deze regeling zijn de beleidsregels van toepassing.

Artikel 2 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • 1.

    belanghebbende: degene aan wie, op grond van artikel 5:1, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 67o, eerste lid, van de AWR, in de hoedanigheid van pleger, medepleger, doen pleger, uitlokker, medeplichtige, feitelijk leidinggever of opdrachtgever een bestuurlijke boete kan worden opgelegd.

  • 2.

    heffingsambtenaar: de gemeenteambtenaar als bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet;

  • 3.

    pleitbaar standpunt: een door belanghebbende ingenomen standpunt, dat gelet op de stand van de jurisprudentie en de heersende leer, in die mate juridisch pleitbaar of verdedigbaar is dat belanghebbende redelijkerwijs kan menen juist te handelen;

  • 4.

    opzet: het willens en wetens handelen of nalaten, leidend tot het niet of niet binnen de daarvoor gestelde termijn heffen van belasting. Onder opzet wordt mede verstaan voorwaardelijk opzet;

  • 5.

    Voorwaardelijke opzet: het willens en wetens aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat een handelen of nalaten tot gevolg heeft dat te weinig belasting geheven is of kan worden geheven;

  • 6.

    grove schuld: een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid. Bij grove schuld had belanghebbende redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben dat te weinig belasting zou worden geheven. Grove schuld omvat mede grove onachtzaamheid.

Artikel 3 Ambtshalve vermindering

Onjuist gebleken boetebeschikkingen kunnen op grond van artikel 65 van de AWR in aanmerking komen voor ambtshalve vermindering door de heffingsambtenaar. Het beleid inzake artikel 65 van de AWR is van overeenkomstige toepassing op boetebeschikkingen.

Artikel 4 Straftoemeting, pleitbaar standpunt of afwezigheid van alle schuld

  • 1. Er kunnen omstandigheden zijn die aanleiding geven de hoogte van de boete te matigen, dan wel de reeds opgelegde boete te verminderen. Tot de omstandigheden die aanleiding kunnen geven de op te leggen of opgelegde boete te matigen behoren:

    • a.

      Een wanverhouding tussen de ernst van het feit en de op grond van deze regeling op te leggen of opgelegde boete;

    • b.

      Verzachtende omstandigheden die hebben geleid tot het beboetbare feit.

  • 2. Als er sprake is van inkeer als bedoeld in artikel 67n, tweede lid, van de AWR, dan geldt de inkeer als strafverminderende omstandigheid.

  • 3. Bij wanverhouding gaat het erom hoe ernstig de normschending in het concrete geval moet worden opgevat. De afweging moet leiden tot een sanctie die proportioneel is. Indien de heffingsambtenaar tot de gevolgtrekking komt dat van een wanverhouding sprake is, vermindert hij de boete op eigen initiatief.

  • 4. De absolute hoogte van de boete vormt op zichzelf geen aanleiding om de boete te matigen.

  • 5. Bij verzachtende omstandigheden ligt de nadruk op buiten de (directe) invloedssfeer van de belanghebbende gelegen gebeurtenissen. Voor de beoordeling of die omstandigheden tot matiging van de boete aanleiding kunnen geven, kan het van belang zijn of, dan wel in hoeverre, belanghebbende maatregelen heeft getroffen of had kunnen treffen om het verzuim of het vergrijp te voorkomen. Een beroep op financiële omstandigheden kan slechts in bijzondere gevallen tot matiging dan wel vermindering van de boete leiden.

  • 6. In geval van een pleitbaar standpunt of bij afwezigheid van alle schuld (hierna te noemen: avas) legt de heffingsambtenaar geen boete op. Indien bij bezwaar blijkt dat sprake is van een pleitbaar standpunt of avas, vernietigt de heffingsambtenaar de boete. Bij avas wordt de belanghebbende geacht niet in verzuim te zijn geweest.

  • 7. Is er sprake van een pleitbaar standpunt, dan kan de belanghebbende er geen verwijt van worden gemaakt dat er aanvankelijk geen of te weinig belasting is geheven. Een pleitbaar standpunt sluit het opleggen van zowel een verzuimboete als een vergrijpboete uit.

Artikel 5 Vrijwillige verbetering

  • 1. Van een vrijwillige verbetering is sprake als belanghebbende vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de heffingsambtenaar bekend is of zal worden met dat feit, uitdrukkelijk kenbaar maakt aan de heffingsambtenaar dat en tot welk bedrag niet of gedeeltelijk niet is betaald.

  • 2. Van uitdrukkelijk kenbaar maken is sprake indien belanghebbende een afzonderlijke schriftelijke opgave verstrekt die de heffingsambtenaar in staat stelt om zonder nader onderzoek een juiste belastingaanslag op te leggen.

  • 3. Het bewijs dat er geen sprake is van een vrijwillige verbetering dient te worden geleverd door de heffingsambtenaar aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden.

  • 4. Belanghebbende kan bijvoorbeeld niet meer vrijwillig verbeteren nadat hem is medegedeeld dat een boekenonderzoek zal worden ingesteld.

  • 5. Uitsluitend de vrijwillige verbetering voor de vergrijpboete bij aanslagbelastingen heeft een wettelijke basis (artikel 67n AWR: de inkeerregeling).

Artikel 6 Mededelingsplicht

  • 1. Bij het opleggen van een boete worden medegedeeld de feiten die aanleiding hebben gegeven tot het opleggen van de boete, alsmede, indien sprake is van een vergrijpboete, de feiten en omstandigheden op grond waarvan kan worden aangenomen dat sprake is van opzet of grove schuld. In voorkomende gevallen dient de mededeling tevens te vermelden de bijzondere omstandigheden die tot een matiging van de boete hebben geleid.

  • 2. Indien een kennisgeving in de zin van artikel 7 is verzonden waarin de gronden van het voornemen een vergrijpboete op te leggen zijn opgenomen, waarop geen reactie van belanghebbende is ontvangen, kan de heffingsambtenaar in de mededeling volstaan met een verwijzing naar de kennisgeving.

Artikel 7 Kennisgeving en hoorplicht bij vergrijpboete

  • 1. Bij het opleggen van een verzuimboete gelden dezelfde waarborgen als bij het opleggen van een vergrijpboete met uitzondering van de kennisgeving en hoorplicht vooraf (zie artikel 67pa, eerste lid, van de AWR). Dit artikel betreft dus een extra waarborg bij het opleggen van een vergrijpboete.

  • 2. Een kennisgeving is een rapport in de zin van artikel 5:48 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna te noemen: Awb).

  • 3. De kennisgeving van het voornemen een vergrijpboete op te leggen en van de gronden waarop dat voornemen berust, geschiedt schriftelijk. Het voorschrift om de kennisgeving schriftelijk te doen, is opgenomen om iedere twijfel over de nakoming van deze verplichting uit te sluiten.

  • 4. De heffingsambtenaar geeft belanghebbende een redelijke termijn van zes weken na dagtekening van de kennisgeving, waarbinnen belanghebbende de aangevoerde gronden kan betwisten.

  • 5. In afwijking van het vierde lid kan de termijn in de gevallen waarin dadelijk en ineens invorderbare belastingaanslagen worden opgelegd, afhankelijk van de feiten en omstandigheden, worden verkort.

  • 6. Indien belanghebbende de in de kennisgeving aangevoerde gronden mondeling wenst te betwisten, wordt hij door de heffingsambtenaar gehoord.

  • 7. Belanghebbende is tijdens het verhoor als bedoeld in het zesde lid niet tot antwoorden verplicht (artikel 5:10a van de Awb). Hij dient voor aanvang van het verhoor hierop te worden gewezen (cautie). Dit geldt ook voor het recht op rechtsbijstand (ECLI:NL:HR:2024:1135; artikel 6, derde lid, aanhef en onder c, EVRM en artikel 14, derde lid, aanhef en onder d IVBPR).

  • 8. De heffingsambtenaar maakt na afloop van het verhoor een verslag. Het verslag van het verhoor bevat de volgende gegevens:

    • a.

      datum, tijdstip en plaats van het verhoor;

    • b.

      naam van de verhoorde;

    • c.

      naam of namen van degene(n) die verhoort/verhoren;

    • d.

      indien bijstand aanwezig is, de namen en hoedanigheden van degene(n) die bijstand verleent/verlenen;

    • e.

      indien een tolk aanwezig is, de naam van de tolk en gebruikte taal;

    • f.

      de melding van het geven van de cautie en van het recht op rechtsbijstand;

    • g.

      doel van het verhoor;

    • h.

      verklaring(en) van de verhoorde afgelegd tijdens het verhoor;

    • i.

      handtekening van degene(n) die verhoort/verhoren

  • 9. Belanghebbende krijgt een afschrift van het verslag.

  • 10. Het opleggen van de vergrijpboete moet achterwege blijven indien het verweer van belanghebbende tot de gevolgtrekking leidt dat de in de kennisgeving genoemde gronden onvoldoende aanknopingspunten voor het vaststellen van opzet of grove schuld opleveren. In een dergelijke situatie kan de heffingsambtenaar nog wel overgaan tot het opleggen van een verzuimboete. Het una-viabeginsel staat daaraan niet in de weg. De betwisting van de kennisgeving kan tot een lagere boete leiden indien de opzet of grove schuld wel bewijsbaar is, maar de betwisting aanleiding geeft de boete op een lager bedrag vast te stellen.

Artikel 8 Recht op inzage

  • 1. Op grond van artikel 5:49 van de Awb stelt de heffingsambtenaar belanghebbende desgevraagd in de gelegenheid de gegevens waarop het opleggen van de bestuurlijke boete, dan wel het voornemen daartoe, berust, in te zien en daarvan afschriften te vervaardigen.

  • 2. Indien belanghebbende inzage verzoekt in andere dan de hiervoor bedoelde gegevens, verleent de heffingsambtenaar inzage en staat toe dat afschriften worden vervaardigd, indien belanghebbende aannemelijk maakt dat de gevraagde gegevens van belang kunnen zijn voor de verdediging. Gegevens over derden worden op zodanige wijze verstrekt dat zij niet tot die derden zijn te herleiden.

Hoofdstuk 2 Onderscheid verzuimboete en vergrijpboete, en strafrechtelijke vervolging

Artikel 9 Verzuimboete

  • 1. De verzuimboete heeft tot doel een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen aan te scherpen. Voor het opleggen van een verzuimboete is voldoende dat aan één of meer van deze verplichtingen niet is voldaan. Belanghebbende dient afwezigheid van alle schuld te stellen en te bewijzen.

  • 2. Het niet of niet binnen de termijn schriftelijk verzoeken om uitreiking van een aangiftebiljet als bedoeld in de toepasselijke Verordening toeristenbelasting Noord-Beveland wordt aangemerkt als een verzuim.

  • 3. Bij het niet of niet binnen de termijn doen van aangifte,vergezeld van de accountantsverklaring uit artikel 12 lid 2 van de verordening toeristenbelasting Noord-Beveland als deze verplicht is gesteld volgens dit artikel, is alleen sprake van een verzuim, indien belanghebbende de aangifte niet binnen een door de heffingsambtenaar gestelde termijn heeft gedaan en hij geen gevolg heeft gegeven aan een aanmaning van de heffingsambtenaar.

  • 4. Een aangifte die wordt ingediend nadat de aanslag (ambtshalve) is opgelegd, geldt niet alsnog als een (niet binnen de termijn) gedane aangifte.

  • 5. Degene die niet voldoet aan de verplichting opgenomen in artikel 50, eerste lid, van de AWR om de heffingsambtenaar en de door deze aangewezen deskundigen desgevraagd toegang te verlenen tot dat gebouw en alle grond, voor zover dat voor een ingevolge de belastingwet te verrichten onderzoek nodig is, begaat een verzuim.

  • 6. Een afzonderlijke boetebeschikking wordt gegeven in de gevallen waarin een boete kan worden opgelegd terwijl geen belasting verschuldigd is dan wel geen belastingaanslag wordt of kan worden vastgesteld.

Artikel 10 Vergrijpboete

  • 1. De vergrijpboete is gericht op het bestraffen van een handelen of nalaten waarbij sprake is van opzet dan wel grove schuld.

  • 2. De heffingsambtenaar dient de aanwezigheid van opzet of grove schuld te stellen en draagt hiervoor de bewijslast.

Artikel 11 Verplichte keuze verzuimboete, vergrijpboete of strafrechtelijke vervolging

  • 1. Bij het niet doen van aangifte maakt de heffingsambtenaar een keuze tussen het opleggen van een verzuimboete en het opleggen van een vergrijpboete. Een eenmaal opgelegde verzuimboete sluit het opleggen van een vergrijpboete voor hetzelfde feit uit (artikel 5:43 van de Awb) behoudens bij nieuwe bezwaren (artikel 67q AWR). Het opleggen van een vergrijpboete sluit het nadien opleggen van een verzuimboete voor hetzelfde feit uit (artikel 5:43 van de Awb). Een opgelegde vergrijpboete kan niet worden omgezet in een verzuimboete. De heffingsambtenaar dient de mogelijkheid van deze uitkomst mee te wegen bij zijn keuze tussen een verzuim- of vergrijpboete.

  • 2. Indien het opleggen van een vergrijpboete tot een lager boetebedrag voor hetzelfde feit zou leiden dan het opleggen van een verzuimboete dan kiest de heffingsambtenaar voor het opleggen van de hogere verzuimboete.

  • 3. Samenloop kan zich tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke sancties voordoen. Artikel 5:44, eerste lid, van de Awb sluit het opleggen van een bestuurlijke boete uit in gevallen waarin ter zake van hetzelfde feit tegen belanghebbende een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd.

  • 4. Het opleggen van een bestuurlijke boete aan belanghebbende sluit in beginsel strafvervolging tegen hem ter zake van hetzelfde feit uit. Op grond van artikel 243, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: WvSv) blijft het echter mogelijk een zaak te heropenen, indien bij nader inzien blijkt dat zij te ernstig is om bestuurlijk te worden afgedaan. Er moet dan sprake zijn van nieuwe bezwaren in de zin van artikel 255 van het WvSv.

  • 5. Het voorgaande lid houdt in dat de heffingsambtenaar het opleggen van de vergrijpboete aanhoudt zodra hij weet dat een gedraging onderwerp is of kan zijn van een opsporingsonderzoek dan wel van een strafrechtelijke vervolging. Indien de termijn dreigt te verstrijken waarbinnen de belastingaanslag en de boetebeschikking moeten zijn opgelegd, bepaalt de heffingsambtenaar zo spoedig mogelijk of er definitief voor strafrechtelijke afdoening wordt gekozen dan wel of er alsnog een vergrijpboete wordt opgelegd.

Hoofdstuk 3 Bepalingen over hoogte verzuim- en vergrijpboete

Artikel 12 Hoogte verzuimboeten

Aangifte verzuim

  • 1.

    Het niet of niet binnen de termijn doen van aangifte van de toeristenbelasting wordt aangemerkt als een verzuim ter zake waarvan de heffingsambtenaar een verzuimboete oplegt van 7% van het wettelijk maximum van artikel 67a, eerste lid, van de AWR.

  • 2.

    Bij het niet of niet binnen de termijn doen van aangifte van de toeristenbelasting is alleen sprake van een verzuim, indien belanghebbende de aangifte niet binnen een door de heffingsambtenaar gestelde termijn heeft gedaan en hij geen gevolg heeft gegeven aan een aanmaning van de heffingsambtenaar.

  • 3.

    Het in het eerste lid opgenomen boetebedrag kan niet hoger zijn dan het aanslagbedrag.

  • 4.

    Een aangifte die wordt ingediend nadat de aanslag (ambtshalve) is opgelegd, geldt niet alsnog als een (niet binnen de termijn) gedane aangifte.

  • 5.

    In afwijking van het tweede lid kan in uitzonderlijke gevallen een verzuimboete tot het wettelijk maximum worden opgelegd. Van een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld sprake zijn indien belanghebbende stelselmatig in verzuim is.

Ander verzuim

  • 6.

    Degene die niet voldoet aan de verplichting om de heffingsambtenaar en de door deze aangewezen deskundigen desgevraagd toegang te verlenen tot een gebouw en alle grond, voor zover dat voor een ingevolge de belastingwet te verrichten onderzoek nodig is, begaat een verzuim ter zake waarvan de heffingsambtenaar een verzuimboete oplegt naar het wettelijk maximum van artikel 67ca, eerste lid, van de AWR.

Artikel 13 Hoogte vergrijpboeten

  • 1. Vergrijpboeten kunnen alleen worden opgelegd indien sprake is van grove schuld of opzet.

  • 2. In geval van grove schuld legt de heffingsambtenaar een vergrijpboete op van 25 procent van de feitelijk geheven belasting. Dit geldt ook indien de omvang van de feitelijk geheven belasting is vastgesteld met toepassing van de omkering van de bewijslast.

  • 3. In geval van opzet legt de heffingsambtenaar een vergrijpboete op van 50 procent van de feitelijk geheven belasting. Dit geldt ook indien de omvang van de feitelijk geheven belasting is vastgesteld met toepassing van de omkering van de bewijslast.

  • 4. Indien bij het opleggen van een vergrijpboete slechts een gedeelte van de verschuldigde belasting door opzet of grove schuld van belanghebbende te weinig is of zou zijn geheven, berekent de heffingsambtenaar de boete over dat - naar evenredigheid bepaalde – gedeelte. Dit beginsel vindt overeenkomstige toepassing indien meer dan één boetepercentage moet worden toegepast.

  • 5. Indien een aangifte voor een aanslagbelasting, met opzet niet, dan wel onjuist of onvolledig is gedaan, legt de heffingsambtenaar gelijktijdig met de aanslag een vergrijpboete op.

  • 6. Het opleggen van een vergrijpboete wegens het met opzet niet binnen de termijn doen van aangifte is niet mogelijk.

  • 7. Indien een onjuiste of onvolledige aangifte is gedaan, wordt de vergrijpboete gebaseerd op het belastingbedrag dat is toe te rekenen aan de correcties ter zake van een of meer tekortkomingen in de aangifte waaraan de kwalificatie ‘opzet’ kan worden verbonden.

  • 8. Als sprake is van het niet doen van aangifte wordt de vergrijpboete berekend over de belasting van de gehele (geschatte) aanslag.

  • 9. Onder het bedrag van de aanslag wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan het bedrag van de aanslag na verrekening van voorheffingen en voorlopige aanslagen.

  • 10. Indien het aan opzet of grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven, legt de heffingsambtenaar gelijktijdig met de navorderingsaanslag, een vergrijpboete op.

  • 11. Worden de feiten en omstandigheden op grond waarvan wordt nagevorderd eerst bekend op of na het tijdstip dat is gelegen zes maanden voor het verstrijken van de navorderingstermijn, dan kan de heffingsambtenaar binnen zes maanden na de vaststelling van de navorderingsaanslag nog een vergrijpboete opleggen. In dat geval deelt de heffingsambtenaar de belanghebbende gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag mee dat nog onderzoek plaatsvindt of het opleggen van een vergrijpboete gerechtvaardigd is.

Artikel 14 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.

  • 2. Deze regeling wordt aangehaald als: “Beleidsregels bestuurlijke boeten toeristenbelasting gemeente Noord-Beveland”.

Ondertekening

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noord-Beveland,

13 januari 2026,

, burgemeester

, gemeentesecretaris